www.stilus.nl
DE KATHOLIEKE
ENCYCLOPAEDIE
VIERDE DEEL
[)
vv
N.V. UITGEVERSMIJ
JOOST V. D. VONDEL
AMSTERDAM
19 3 3
DE KATHOLIEKE
ENCYCLOPAEDIE
EVULGETUR
NOVIOMAGI DIE Ia DECEMBRIS 1933
PROF. DR. TITUS BRANDSMA O. CARM.
CENSOR AD HOC DEPUTATUS
9
Barokliteratuur— Barometer
10
Barokliteratuur is de naam, dien men, sinds
het algemeen eerherstel van den Barokstijl (± 1900),
vooral in Duitschland graag geeft aan de letterkundige
productie der 17e en 18e eeuw, in tegenstelling tot
de zuiver Renaissancistische en tot de middel-
eeuwsch-Gotische. Chronologisch ietwat vroeger te
stellen dan het plastisch Barok, vertoont de B. lit.
vrijwel gelijke stijlkenmerken: drukte, bontheid, felle
bewogenheid, o ververs ierdheid, pathetiek in gebaar
en houding, gebrek aan innerlijke harmonie; toege-
sp itsten antithesenstijl; voorliefde voor zorgvuldig uit-
gewerkte, tot allegorieën georganiseerde vergelijkingen.
De door haar geliefkoosde genres zijn: drama ( Jezuïe-
tentoneel en Vondel!), epigram (Logau en Huygens),
roman (Simplizissimus, Amadisromans, 1’Astróe,
Joh. van Heemskerk, enz.) en een lyrische poëzie,
waarin de heftige worsteling van aardsch en hemelsch
in den mensch sterk contrasteerend wordt uitgezegd
(von Spee, Angelus Silesius, J. Balde en bij ons
Joh. Luykcnl).
Lit.: F. Strich, Der lyrische Stil im 17. Jh., in
Munckerband (München 1916, 21 vlg.) ; G. Brom, Barok
en Romantiek (1923); Cysarcz, Deutsche Barock-
dichtung (Halle 1924); Stammlcr-Merker’s Reallexikon
(I 1926, 111 vlg.); G. Müller in Walzel’s Handbuch
der Literatur-wissenschaft (Wildpark-Potsdam 1930).
Baur.
Barometer (< Gr. baros = zwaarte, metron =
Fig. 1.
Fig. 2.
Fig. 3.
maat), toestel om de grootte van den luchtdruk te
meten, uitgevonden door Torricelli in 1643, terwijl
Boyle er den naam aan gaf. Men meet den luchtdruk
ófwel door de hoogte te bepalen van een vloeistof-
kolom, die met den luchtdruk evenwicht maakt,
ófwel door de kracht te meten, die de zwaarte van de
lucht uitoefent op een niet-vloeistof, gewoonlijk
een elastisch metalen lichaam.
1 0 Voor den vloeistof-barometer
kan men in principe elke vloeistof gebruiken. Zoo
maakte Otto von Guericke in 1660 gebruik van een
waterkolom, waarvan de top boven het dak van zijn
huis uitstak. Ook zijn nog glycerine-barometers in
gebruik, maar over het algemeen blijft de kwik-
barometer van Torricelli het aangewezen instrument
(kwik hoog soortelijk gewicht, dus korte buizen,
en andere voordeelen). De hoogte van een kwikzuil
van 0° en normale zwaarte is de „barometerstand”.
Als normale barometerstand aan den zeespiegel geldt
76 cm.
Wat den vorm betreft
onderscheidt men de vloei-
stof-barometers in bak- en
hevelbarometers. De bak-
b ar om eter (fig. 1),
eigenlijk niets anders dan een
van een schaalverdeeling
voorzien toestel van Torri-
celli, bestaat uit een ca. 80
cm lange glazen buis, van
boven gesloten, met lucht-
vrij kwik gevuld, en met het
open ondereinde uitmondend
in een bakje met kwik. De
ruimte boven het kwik is
het zgn. luchtledig van Tor-
ricelli. De hoogte van de
kwikkolom , tot aan het kwik-
niveau in het bakje gemeten,
geeft de grootte van den
luchtdruk in cm kwik aan.
Het bezwaar, dat het nul-
punt van de schaal niet
steeds ligt in het vlak van
het kwikniveau, wordt on-
dervangen bij den bakbaro-
meter van F o r t i n (fig.
2). Bij dit toestel is de bo-
dem van den bak van leer.
Door een schroef kan deze
bodem en daarmee het
kwikniveau hooger en lager
gesteld worden, totdat de
kwikspiegel juist raakt te<?en
de punt van een glazen stift.
Deze punt geeft het nulpunt
aan voor de aflezing. Ook is deze barometer beter
voor transport geschikt.
De hevelbarometer (fig. 3), reeds in
1694 door Boyle geconstrueerd, bestaat uit een
omgebogen glazen buis met een gesloten lang en een
open kort uiteinde. Het hoogteverschil tusschen de
beide toppen der kwikkolommen geeft den barometer-
stand.
Een combinatie van bak- en hevel -barometer, de
bak - hevelbarometer, werd vervaardigd
door Wild en Fuess.
De combinatie van kwik met een andere, lichtere
vloeistof biedt de mogelijkheid den barometerstand
Fig. 4.
11
Barometer
12
duidelijker zichtbaar te maken, zonder de voor-
deelen van het kwik op te offeren. Een der oudste
barometers, waarbij van meer dan één vloeistof gebruik
gemaakt wordt, is de contra-barometer
van H u y g e n s> 1672 (zie fig. 4), een hevelbaro-
meter, waarvan het korte been een dun verlengstuk
heeft, gevuld met een lichte, gekleurde vloeistof.
Is de doorsnede van het verlengstuk n maal zoo klein
als die van het bovenste en onderste vat, en is het
Fig. 5.
soortelijk gewicht van de toegevoegde vloeistof s maal
zoo klein als dat van kwik, dan geeft deze barometer
een verandering aan ter grootte van y=nsx/(2s-f-n — 1),
als de barometerstand met bedrag x varieert.
2° Voor dagelijksch gebruik, transport enz. biedt
elke vloeistof -barometer bezwaren. L. V i d i con-
strueerde in 1847 den eersten > a n e r o ï d e - ( ^ Gr.
a = niet, neros = vochtig) barometer (niet-vloeistof-
barometer), waarvan de handige vorm een groot voor-
deel beteekent t.o.v. den kwikbarometer, die het
Fig. 6.
•echter in nauwkeurigheid blijft winnen. De groep
van deze barometers, uit dun elastisch metaal ver-
vaardigd, berust op het beginsel van de veerbalans.
Het veerkrachtig lichaam bestaat ófwel uit een of
meer luchtledige doozen van koper- of nieuwzilverblik
(Vidi, Naudet, Goldschmidt, Becker), ófwel uit een
luchtledige, cirkelvormig gebogen buis met dunne
wanden (Bourdon). De veranderingen in den luchtdruk
geven vormveranderingen aan bet elastisch lichaam,
welke vergroot worden overgedragen op de beweging
van een wijzer, die loopt over een schaalverdeling,
met een kwikbarometer geijkt. Zeer bekend en alge-
meen in gebruik Ls de holosteric (( Gr. holos = geheel,
stereos vast) van Vidi (fig. 5). Een stelsel van
bijna luchtledige, luchtdicht afgesloten doozen met
gegolfd oppervlak deelt de vormveranderingen mede
aan een veer; een stel hefboompjes komt dan in
werking, waardoor aan een fijn kettinkje getrokken
wordt en de wijzer in beweging komt. Bij den b. van
Bourdon (fig. 6) ondervindt bij druk vergroot ing
het grootere buitenoppervlak van den ring een grootere
kracht dan het kleinere b innenoppervlak, zoodat de
uiteinden van de gebogen buis elkaar naderen en den
wijzer in beweging brengen.
Bij alle aneroïde -barometers is ijking met een
kwik -standaardbarometer noodzakelijk.
3° Het is dikwijls, en zeker in de meteorologie,
van belang het gcheele verloop van den barometer-
stand te kennen. Men heeft daartoe zelfregis-
treerende barometers of barografen
(< Gr. graphein = schrijven) geconstrueerd (vooral
ook gebruikt voor hoogtemeting). Het gemakkelijkst
kan men deze registreer-inrichting bij de aneroïde-b.
aanbrengen. Fig. 7 stelt voor de bekende barograaf
van R i c h a r d. De bewegingen van de doozen
worden door hefboomen overgebracht op een wijzer,
die het verloop van de veranderingen in den luchtdruk
opteekent op coördinatenpapier, waarmee een door
een uurwerk gedreven cylinder omwikkeld is. De
geteekende figuur heet bar o gram (zie in fig. 7).
Ofschoon met meer moeite, heeft men ook den
lieve Ibarometer tot barograaf kunnen inrichten. Een
schrijfstift, bevestigd aan een vlotter, teekent de
stijgingen en dalingen van den kwikmeniscus aan
(Ozcromak; Fuess). De hefboom -barograaf, reeds
in 1857 door S e c c h i gebruikt, is door Sprung
en Fuess technisch verbeterd tot de loop-
gewicht -barograaf, die aan nauwkeurigheid en
betrouwbaarheid niets te wenschen overiaat. De
barometer hangt aan den korten arm van een hefboom,
13
14
Barometerformule van Laplace — Barometrisch maximum
terwijl over den langen arm een loopgewicht in den
vorm van een wagentje loopt. De gewichtsverande-
ring van de hoeveelheid kwik in de baronieterbuis
wordt geregistreerd door het loopgewicht, waaraan
een schrijfstift bevestigd is, en wel doordat een elec-
trisch uurwerk het loopgewicht zóó heen en weer
beweegt, dat de hefboom steeds in evenwicht blijft.
De verhouding van de armen van den hefboom is
zoo gekozen, dat de veranderingen van den barometer-
stand 6 a 10-voudig vergroot opgeteekend worden.
Dat de luchtdruk afhangt van de hoogte der zich
boven ons bevindende luchtzuil en dus bij stijgen
afneemt, volgde onmiddellijk uit de proef van Torri-
celli en bracht reeds in 1648 Pascal op het denkbeeld
om den barometer als hoogtemeter te gebruiken.
Deze barometrische hoogtemeting, die wat nauwkeurig-
heid betreft bij de waterpassing aanmerkelijk achter-
staat, biedt dikwijls, met name bij ontdekkingsreizen,
de eenige mogelijkheid om de hoogte te bepalen. In
de eerste luchtlagen correspondeert met 1 mm daling
van den kwikbarometer een stijging van ongeveer
10,5 m. Daar echter het soortelijk gewicht van de
lucht bij stijging kleiner wordt, nemen de barometer-
hoogten bij gelijke stijgingen in een meetkundige
reeks af.
Daar behalve de luchtdruk ook de vochtigheids-
toestand. de temperatuur, en de windrichting, -kracht
en -snelheid tot de elementen van een weervoorspelling
belmoren, wordt de barometer wel eens te spoedig
tot weerglas gepromoveerd. Een enkele tik is nog niet
voldoende. Maar een stijging of daling van langeren
duur rechtvaardigt het vermoeden van beter of slechter
weer.
Onder barometerproef verstaat men een hevel-
barometer, waarvan het lange gesloten been verkort
is en die dienst doet om kleinere drukkingen te meten.
Het gesloten been is geheel met kwik gevuld en het
open korte been van de omgebogen buis wordt verbon-
den met de ruimte, waarvan men den druk wil bepalen.
Het kwik daalt nu in het gesloten been zoo ver omlaag,
tot de kwikzuil evenwicht maakt met den druk in het
apparaat* Ier Heerdt.
Barometerformule van Laplace. Aldus
wordt genoemd de formule H=K (1 -f a t) log B/B'.
H is hoogteverschil tusschen de beide vergelijkings-
vlakken; B en B' zijn de op nul herleide barometer-
standen in de beide vergelijkingsvlakken ; K is coëffi-
ciënt, voor Nederland ongeveer 18484. Voor (1 + a t)
> Boy le, Wet van.
Barometerhoogtc is de luchtdruk in milli-
meter kwikhoogte aangeduid. > Barometer.
Barometerproef, > Barometer.
Baromcterschaal. Zij is nog algemeen in
millimeter kwikhoogte verdeeld, volgens de
hoogte van de verticale kwikzilverkolom van den
barometer. Sinds de absolute maat voor den luchtdruk
werd ingevoerd (1910), is de b. soms in m i 1 1 i b a r
(afkorting mb) verdeeld. 1 000 mb = 750,1 mm kwik-
hoogte; 1 mb = 3/4 mm kwikhoogte.
Baromctcrschommeling, dagelijk-
sche, enjaarlijksche, > Luchtdruk.
Barometerstand, ook barometerhoogte, is de
waarde van den luchtdruk, in mm kwikhoogte of in
millibar uitgedrukt, welke ergens, op een gegeven
oogenblik, door een barometer wordt aangewezen.
Barometrische depressie, ook barome-
trisch minimum of > cycloon van de gematigde en
koude luchtstreken der aarde.
Barometrische druk, of luchtdruk, wisselt
in de lagere regionen van onze atmosfeer te weinig
om invloed op onze gezondheid uit te oefenen. Op
hooge bergen kan de lage dnik de zgn. bergziekte
veroorzaken. Op 5 000 m brengt iedere ademhaling
slechts de helft der normale hoeveelheid zuurstof
in de longen; de luchtdruk is daar 400 mm in plaats
van 760 mm. Loomheid in de beenen is het eerste
verschijnsel van bergziekte, dat bij rust verdwijnt,
maar bij beweging door hoofdpijn, misselijkheid en
duizelingen wordt gevolgd. De Etna (3 300 m) is
in dit opzicht bij bergbeklimmers berucht. Door
oefening en bij langdurig verblijf kan men zich, mits
niet te oud, aan groote hoogten aanpassen. In het
Himalajagebergte wonen op 4 500 m nog menscheri.
Hooge druk, 50 mm boven het normale, komt in diepe
mijnen voor; in duikerklokken zelfs tot 3 at (Caisson-
ziekte). Daarbij kan het gehoor lijden en longuitzet-
ting en — bij plotselingen overgang tot normalen
druk — zelfs levensgevaar ontstaan. Meer dan 5 at
verdraagt de mensch niet; dieper dan 50 m onder
water kan men niet onbeschut af dalen. De b. d. wordt
in het algemeen met behulpvan een barometer gemeten.
Lit. : Carl Pfügge, Grundriss der Hygiene (1927).
Droog.
Barometrische golf, > Luchtdruk.
Barometrische gradiënt, > Gradiënt.
Barometrische hoogtebepaliiig is een
vlugge, maar betrekkelijk onnauwkeurige methode
om de hoogte van een punt in het terrein te bepalen.
Zij wordt gebruikt bij voorloopige opnemingen, ter
oriënteering. Men gebruikt gewone metaalbarometers
(aneroïden).
De barometerstand B wordt afgelezen
in een punt van bekende hoogte en in het te meten punt.
Het best gebeurt dit met twee barometers, waarvan
een, in het vaste pimt opgesteld, bijv. om de 10 minu-
ten wordt afgelezen; de andere wordt dan afgelezen
op de te meten punten en tevens wordt de tijd van de
waarneming genoteerd. Minder nauwkeurig is het
werken met één barometer. Men moet hiermede
geregeld naar het vaste punt terugkeeren om den
vergelijkmgsbarometerstand te bepalen. Heel goed
voldoet ook een registreerende baro-
meter (b a r o g r a a f) in het vaste punt. Ook de
temperatuur moet geregeld en bij iedere waarneming
beke?id zijn. De berekening van het hoogteverschil
geschiedt volgens de formule van Laplace:
h = K (1 + at) log (B/B'), waarin B en B' de afle-
zingen (op 0° C herleid) in het vaste en in het te meten
punt, en t de temperatuur voorstellen. K is een con-
stante en bedraagt 18404, a eveneens en wel de uit-
zettingscoëfficiënt voor gassen: 1/273 of 0,00366.
Een nauwkeurige formule houdt rekening
met geographische breedte (verandering van de
zwaartekracht), vochtigheid der lucht (soortelijk
gewicht!) en de verandering van de zwaartekracht met
de hoogte. Voert men hiervoor de gemiddelde waarden
voor den zomer in Nederland in, dan wordt de con-
stante K in bovenstaande formule 18484.
De nauwkeurigheid der bepaling bedraagt hoogstens
1 m. Zie verder > Hoogtemeting.
L i t. : Ch. M. Schols, Landmeten en Waterpassen
( 9 1919).‘ Jong .
Barometrisch maximum, of centrum van
hoogen druk, is het middelpunt van een > anticy-
cloon, waar de luchtdruk maximaal is. B. m. duidt
soms den geheelen anticycloon aan.
15
Barometrisch minimum — Baronzio
16
Barometrisch minimum of centrum van
lagen druk is het middelpunt van een cycloon of
depressie, waar de luchtdruk minimaal is. B. m. duidt
soms den geheelen cycloon aan.
Baron, adellijke titel, naar oud adelsrecht in de
Nederlanden alleen gevoerd, wanneer aan dien titel
een heerlijkheid verbonden was, voorzien van den titel
van Baronie. Verkreeg een onadellijke zoo’n heerlijk-
heid, dan verviel de titel aan den vorst. Als regel
vererfde de titel bij recht van eerstgeboorte in manne-
lijke lijn; nageboren zonen en dochters waren onge-
titreerde edellieden: Ecuyer, Noble, Schildknaap,
Jonker, Edelman, Edelvrouw. Deze regel gold ook in
Engeland en in Frankrijk, terwijl in het Heilige
Roomsche Rijk de titel overging op alle afstamme-
lingen (creaties zonder daaraan verbonden land).
Kon. Willem I heeft de vererving bij recht van eerst-
geboorte weer ingevoerd bij verheffing in den Ned. adel.
E. v. Nispen tot Sevenaer .
Baron, 1° mgr. E d w a r d, vicaris-generaal
van mgr. Kenrich, bisschop van Philadelphia (V.S.
Amerika). Werd naar Afrika gezonden om er de uit
Amerika gerepatrieerde zwarten te gaan bezoeken
(1841). Paus Gregorius XVI benoemde hem tot apost.
vicaris van de twee Guinee ’s (Westkust van Afrika,
van Senegal tot de Kaap, met uitzondering van het
bisdom Loanda). Met zeven paters van den Eerbiedw.
Liebermann ving mgr. B. zijn apostelwerk aan (1843).
Wegens het moordend klimaat verzocht hij den
II. Stoel zijn missiewerk toe te vertrouwen aan een
Congregatie. In 1845 werd de Congregatie der Paters
van den H. Geest en van het H. Hart van Maria met
de zielzorg op de W. Afrikaansche kust belast.
Lit. : p. Dieudonné Rinchon O. Cap., Les Mission-
naires beiges au Congo (Brussel 1931). Vanneste.
2° M i c h e 1, Fransch acteur, * 7 Oct. 1663 te
Parijs, f 22 Dec. 1729 aldaar. Zeer jong wees geworden,
trad B. op 12-jarigen leeftijd voor het eerst op bij de
Compagnie des petits Comédiens Dauphin. Molière,
die het buitengewone talent van den knaap ontdekte
en hem zeer genegen was, nam hem in zijn tooneel-
gezelschap op. De intriges van Molière ’s bitter jaloer-
sche vrouw noopten B. echter tot heengaan. In 1670
te Parijs teruggekeerd, trad hij weer tot Molière ’s
gezelschap toe en wist nu zelfs de liefde van diens
vrouw op te wekken. Na het overlijden van den meester
trad B. op in het Hotel de Bourgogne en de Comédie
fran$aise. Schoonheid en talent maakten hem tot den
meest gevierden tooneelspeler van zijn tijd. Bij een
wederoptreden op ouderen leeftijd, in 1720, na zich
bijna 30 jaar lang teruggetrokken te hebben, bleek
zijn gave nog even groot, zijn succes even storm-
achtig.
Van zijn literair werk heeft zich het in 1686 geschre-
ven blijspel L’homme a bonnes fortunes bijzondere
bekendheid verworven.
Andere werken: Le jaloux ; La coquette ;
Le coquet trompé ; Les Adelphes. — Lit.: Young,
M. B., acteur et auteur dramatique (Grenoble 1904,
Parijs 1905). v. Thienen.
3° Theodore, Belg. landschapschilder; * 1840
te Brussel, f 4 Sept. 1899 te Saint-Servan bij Namen.
Leerling van de la Charlcric en L. Dubois. Schilderde
duin- en rivierlandschappen. Wel overwogen compo-
sitie. De schilder van de grijze stemmingen in het
landschap. Zijn werk oefende grooten invloed uit op
de latere landsckapmeesters.
Werken: in de musea te Brussel, Antwerpen,
Bergen, Luik, Namen, enz. — Lit.: Lemonnier, L’école
beige de peinture.
4° V i n c e n t, Fransch theoloog uit de Domini-
canerorde. * 1604, f 1674. B. was een der voornaamste
bestrijders van de Fransche dominees. Bovendien
ijverde hij voor een meer strenge richting in de moraal-
theologie, waarbij hij echter te ver ging en eenige
van zijn werken veroordeeld zag.
Lit.: P. Mandonnet, in : Dict. Théol. Cath. (II, 425).
Baroncclli, N i c c o 1 6, Florentijnsch beeld-
houwer uit de eerste helft van het quattrocento,
ook genaamd Niccolb d e 1 C a v a 1 1 o. * te Florence,
wordt in 1434 te Padua vermeld, f 1453. De eenige
zekere werken, die bewaard gebleven zijn: de meer
dan levensgroote bronzen figuren (kruisigingsgroep)
in den dom "te Ferrara. Het paard, dat B. beeldhouwde,
voor het ruiterstandbeeld van Niccolo III d’Este
(1451), is met figuur van Antonio Cristoforo door de
Franschen in 1716 vernield.
Lit.: A. Venturi, Storia dell* Arte Italiana (VI
Milaan 1908) ; G. Fiocco, Riv. d’Arte (1929, 439-448).
Barones Veron ica, mystiek begenadigde,
lid van de derde orde der Kapucijnen. * 16 Dec. 1856
te Vizzini (Sicilië), f 5 Jan. 1878 aldaar. Zij was een
voorbeeld van blinde gehoorzaamheid aan haar gees-
telijken leider, en leidde een leven, rijk aan mystieke
genadegaven. Lijden en vernedering in allerlei vormen
was haar deel. De laatste zeven jaren leefde zij slechts
van de H. Eucharistie.
Baronial architecture, > Engelsche bouw-
kunst.
Baronie van Breda, Breda, Baronie van.
Baronius, C e s a r e, kerkelijk geschiedschrij-
ver, bezat den vromen geest van zijn leermeester
Philippus Neri. * 31 Oct. 1538 te Sora, f 30 Juni
1607 te Rome; trad op 19-jarigen leeftijd in de orde
der Oratorianen, werd bibliothecaris van de Vaticana,
kardinaal (1696).
Voornaamste werk: Annales Ecclesiasticae, onder-
nomen als tegenhanger van de ■> Magdeburger Cen-
turiatoren. Berust op een uitgebreid onderzoek in de
Romeinsche archieven. Eerste deel verschenen in 1588
te Rome. In het elfde deel komt voor het Tractatus
de monarch ia Sicula, waardoor een conflict ontstond
met Philips II van Spanje, die de uitgave ervan in
zijn staten verbood. Het twaalfde deel verscheen in
1607 en is reeds gedeeltelijk van een andere hand. Om
de ingelaschte documenten zijn B.’s Annalen van het
hoogste belang, maar in zijn ijver om de Protes-
tantsche voorstelling te weerleggen gaat hij somwijlen
oncritisch te werk; ook zijn chronologie is vaak onbe-
trouwbaar, hetgeen samenhangt met den eigenaard igen
vorm van zijn werk. Het werd voortgezet door Ray-
naldi, Bzovius, Laderchi en Theiner (tot in 1590). B.
w r as de voornaamste medewerker aan de uitgave van
het Martyrologium (1586).
Lit.: A. Kerr, The life of Cesare Cardinal B. of the
roman Oratory (Londen 1890) ; H. Laemer, De Caesaris
Baronii literarum coramercio diatriba (Freiburg i. B.
1903) ; Dict. Hist. Géogr. Ecclés. Elias .
Baron Sakènclèr, een bekend boek der >
Javaansche literatuur.
BaronvilJe, Belg. gein., prov. Namen, ten Z. van
Dinant, 200 inw., grootendeels Kath.; opp. 657 ha;
landbouw.
Baronzio, G i o v a n n i, Italiaansch schilder
uit Rimini (14e eeuw). Documenten betreffende het
leven van B. zijn niet bekend. Twee gesigneerde en
gedateerde werken (een crucifix op paneel te Pesaro
17
Baros — Barrande
18
in S. Francesco a Mercatello en een polyptiek in het
museum te Urbino, resp. van 1344 en *45) toonen ons
een meester in het gevolg van Giotto, echter met per-
soon lijke accenten, vooral in compositie, houding der
figuren en in kleur. Zijn invloed op de schilderkunst
in de Romagna en de Marken is groot geweest. Volgens
stijlovereenkomst heeft men B. nog een fresco toege-
schreven in S. Nicola in Tolentino en eenige paneelen
in Berlijn (Kaiser Friedrich Museum).
L i t. : R. van Marle, The development of the Italian
schools of painting (IV 1924) ; L. Serra, L’arte nelle
Marche (Pesaro 1929). A. B. de Vries.
Baros, plaats op Sumatra, > Baroes.
Barosnia (plant k.), het belangrijkste ge-
slacht der Diosmeae, behoort tot de Rutoideae, een
onderfamilie van de ruitachtigen, Rutaceae. Dit
geslacht omvat 15 struikachtige soorten. Sommige
soorten en wel speciaal B. cremulatum, B.
betulinum en B. serratifolium,
leveren de „bucco” bladeren, welke, hoewel vroeger
meer dan thans, als geneesmiddel werden aangewend
voor nier- en blaasziektcn Zuid-Afrika heeft nog
eenigen uitvoer van dit artikel. Bouman.
Ba ross, G d b o r, Hong. staatsman, * 1848,
f 1892. Achtereenvolgens: lid van liet Huis van Afge-
vaardigden, staatssecretaris van verkeer, minister
van verkeer. In deze hoedanigheid reorganiseerde hij
post- en tclegraafwczen en bracht de spoorwegen aan
den staat.
Baro-fhermo-hygrograaf of meteorograaf,
is een zelfregistreerend toestel, dat gelijktijdig op
één blad, de luchtdruk, -temperatuur en -vochtigheid
toekent. Wordt vooral tot aërologisch onderzoek van
den dampkring gebruikt.
Barotropiscli. In de meteorologie
wordt een luchtmassa b. genoemd, wanneer de vlakken
van gelijke dichtheid, of die van gelijk soortelijk
volume met de vlakken van gelijke drukking over-
eenkomen. Cf. baroclinisch.
L i t. : V. Bjerknes, On the dynamics of the circular
vortex (Oslo 1912).
Barotse, landstreek in Midden -Afrika, besproeid
door de boven -Zambesi, in liet grensgebied van West-
Rhodesia en O. Angola; vruchtbaar hoogland, be-
woond door Bantoe -negers, die leven van landbouw
en veeteelt.
Barovier (of Berroviero, Baroverio, Barroero of
Berovier) is de naam van een familie van kunstglas-
werkers uit Murano (Italië), welke meestal voor
Venetië werkzaam waren en veel bijdroegen tot den
roem van het zgn. Venetiaansche glas. In de 14e eeuw
komt het eerst de naam voor: Bartholomaeus
de Muriano fiolarius principalis (1348). Zijn kleinzoon
Angel o(ong. 1400— 1460), welde meest vermaarde,
werkte voornamelijk voor de kanselarij van het Pa-
triarchaat van Venetië. In 1459 nam Marino de
leiding van zijns vaders werkplaats en glasovens over;
na hem zijn zeer kundige zuster M a r i e 1 1 a, samen
met zijn derden broer G i o v a n n i. Marietta kreeg
in 1497 van Agostino Barbarigo, doge van Venetië,
verlof een eigen oven te beginnen en wel „ob eius
mirum artificium manus”. Veel produceerde de klein-
zoon van Angelo, Anzoletto (begin 16e eeuw).
Na een langen tijd van verval bracht op aansporen
van Antonio Salviati, een lid der familie, G i o v a n-
n i , voordien een eenvoudig flesschenblazer, in 1860
met zijn neven Benedetto, Benvenuto
en Giuseppe den naam van zijn geslacht weer
opnieuw omhoog.
L i t. : Moschini, Guida por Pisola di Murano (1808) ;
Levi, L’arte del vetro in Murano nel Rinascimento e i
Berroviero. Note storiche (1895) ; Filarete, De Architec-
tura (uitg. Von Oettingen, in Quellenschriften für Kunst-
geschichte, 1910, 302 en 361 vlg.) ; Schmidt, Die venezi
anischen Emailglaser des XV. und XVI. Jahrh., in
Jahrb. der K. Preuss. Kunstsammlungen (32, 1911,
249 vlg.). Knipping.
Baroxyton, koperen blaasinstrument, in 1853
voor het eerst gemaakt door Cerveny in Königgratz.
De b. heeft den grooten omvang van contra D tot a
ééngestreept.
Baroya y Nessi, R i c a r d o, Spaansch schil
der en graveur: landschappen, stadsgezichten. Schreef
ook enkele drama’s en romans. * 1871 te Minas de
Riotinto.
Barozzi, J a c o p o, > Vignola.
Barr, stad in het dept. Bas-Rhin (Fr., 48° 50' N.,
7° 30' O.), 200 m boven zee; 4 200 inw. (1926); aan den
Oostkant van de Vogezen; wijnbouw, leer.
Barraban, J a c q u e s, Fransch schilder
* 1767 of 1768 te Aubusson, f 1 Oct. 1809 te Lyon.
Leerling van Malaine. 1798 — 1806 stuurde hij ont-
werpen voor porseleinschilderingen in op de tentoon-
stelling van den Parijschen Salon. 1804 bekroond met
de gouden medaille. Hij schilderde bloemen en vogel-
motieven in den decoratieven stijl van het Klassi-
cisme. Werkte niet alleen voor de fabriek te Sèvres,
maar ook voor de gobelinfabriek. Ook werkzaam als
decorateur van interieurs, soms in navolging of onder
invloed van Percier. Versierde o.a. de eetzaal in het
kasteel van St. Cloud. Illustreerde ook boeken, o.a.
een uitgave van Buffon’s Histoire Naturelle. 1807
leeraar aan de teekenacademie to Lyon.
L i t. : Gabet, Dict. des artistes ; Bénézit, Bellier-
Auvray, Dict. gén. des artistes.
Barracas, voorstad en haven van Buenos Aires
in Argentinië (Z.Amcr.).
Barradeel, gem. in het zeekleigebied van de
prov. Friesland, ten N.O. van Harlingen, groot
6 112 ha en omvattende de dorpen Minnertsga, Fird-
gum, Tzummarum, Klooster-] Jdlum, Oosterbiemm,
Sexbierum, Pietersbierum, Wijnaldum en Almenum.
De secretarie is in Sexbierum. De gem. wordt door-
sneden door de spoorlijn Harlingen — Tzummarum —
Stiens — Leeuwarden. Op 1 Jan. 1933: 8 081 inw. De
weinige Kath. behooren tot de parochies Harlingen
en Franeker. Middelen van bestaan: land- en tuin-
bouw en veeteelt. Plannen om een deel van B. bij
Harlingen te voegen verkeeren (1933) in gevorderd
stadium. van der Meer .
Barra do Pirahv, s t a d in Brazilië (Z.Amer.),
22° Z., 44° W.; 16 300 inw. Het b i s d o m, suffr.
van Rio de Janeiro, telt 60 000 Kath.
Barra do Rio Grande (C i d a d e da B.),
stad in den staat Bahia, Zuid-Brazilië, gelegen aan
de monding van de Rio Grande in de S. Francisco
Rivier; 6 000 inw. Het bisdom B., suffr. van
Bahia, telt ± 300 000 Kath.
Barra-eilanden, een groep eilanden, tezamen
57 km 2 , behoorend tot de Zuidelijke Hebriden (56° 56'
N., 7° 34' W.).
Barramoenda, > Ceratodus.
Barrancos, de door erosie teweeggebrachte
radiale voren in den uit losse gesteenten bestaand en
buitenmantel van een vulkaan,
Barrande, J o a c h i m, Fransch palaeontoloog,
19
Barrandeocrinus — Barrès
20
* 1799 te Saugues (Hauto Loire), f 5 October 1883 te
Schlosz Froszdorf. Barrande begon zijn loopbaan als
onderwijzer. Hierna vestigde bij zich te Praag en
bestudeerde de geologie en palaeontologie van het
Boheemse!) massief. Hij maakte een zeer nauwkeurige
studie van de stratigraphie der Siluurformatie, terwijl
hij over de trilobietenfauna belangrijke publicaties het
licht deed zien. Zijn voornaamste werk is: Svstème
silurien du centre de la Bohème. Hofsteenge.
Barrandeocrinus, > Haarster.
Barraiiquilla , hoofdstad van het dept. Atlantico.
rep. Columbia (Z.Amer.), aan de monding van de
Magdalcnarivier. 65 000 inw. Zeer belangrijke handels-
plaats. Spoorlijn van B. naar Sabanilla en Puerto
Columbia voor overlading der goederen, daar de mon-
ding der Magdalena -rivier ondiep is.
Barras, > Galipot.
Barras, Paul Frangois Nicolas,
v i c o m t e de, Fr. staatsman; geldzuchtig genot-
mensch, uit eigenbelang tot alles in staat. * 30 Juni
1755 te Fox uit adell. familie, f 29 Jan. 1829 te
Chaillot. Vóór 1789 militair, werpt zich daarna in de
revolutie, om fortuin te herstellen; lid van de Consti-
tuante, Nat. Conventie, régicide; toont zich in Toulon
cn Marscillc ccn wreed représentant en mission;
werkt mee aan den val van Robespierre en blijft daarna
tot 1799 de onbekwame leider van het Directoire.
B. belast Napoleon met demping van het oproer van
vendémiaire, bemiddelt diens huwelijk met Joséphine
en bezorgt hem het commando in den Ital. veldtocht.
Tegen de., royalisten” organiseert hij den staatsgreep
van fructidor, maar onderhandelt tegelijkertijd met de
Bourbons, om bij moge lijk herstel van de monarchie
eigen positie te verzekeren. Na > brumaire is zijn
politieke rol uit; door Napoleon uit Parijs verbannen.
L i t. : Mémoires (uitg. Duruy, Parijs 1895).
Barraull, E m i 1 e, professor te Sorège, een der
latere leden der school van Saint-Simon, maakte
vooral studie omtrent de ontwikkeling der schoone
kunsten; stichtte een landbouwkolonie te Algerië.
* 1802. f 1869.
Werk: Le Christ (1865). — L i t. : Quack, Socia-
listen, Personen en stelsels (III).
Barre, Jean F r a n $ o i s Chevalier
Lefebvre de la, vertrok in 1762 naar Abbeville
en verloor daar door den omgang met slechte vrienden
zijn geloof. Wegens zijn goddeloos optreden in woord
en daad werd hij bij vonnissen van den wereldlijken
rechter op grond van de burgerlijke wet onthoofd en
zijn lijk verbrand. Voltaire en volgelingen stelden de
Kerk voor dit vonnis aansprakelijk, welke beschuldi-
ging voldoende weerlegd wordt door de pogingen van
den bisschop van Amiens en van de Assemblée du
Clergé bij den koning, om dit vonnis in levenslange
gevangenisstraf veranderd te zien. Desniettemin
richtte men in 1905 voor B. een standbeeld op voor
de basiliek van de Sacré-Coeur op Montmartre
te Parijs. * 12 Sept. 1745 op het kasteel Férolles in
N. Fr., f 1 Juli 1766.
L i t. : Lexikon fiir Theol. und K. (I Freiburg/Br.
2 1930, kol. 987-988). Wachters.
Barre de mesure (Fr.), muziekterm, > Maat-
streep.
Ba rr celen traotaat, > Barricretractaat.
Barreiro, havenplaats in Portugal (38° 40' N.,
9° 3' W.) aan den nnmdingstrechter van den Taag;
11 000 inw.; Kath. Uitgangspunt voor de spoorwegen
naar Zuid-Portugal.
Barrel (Eng.) is de naam van een vat, waarin
vloeistoffen als bier, wijn en olie verzonden worden.
Voorts is het een inhoudsmaat en een gewichtsmaat.
De grootte hiervan loopt in verschillende landen en
voor verschillende goederen uiteen. In Engeland is
een barrel bier 36 imperial > gallons = ± 163 1 en
een barrel wijn 31 1 /* imp. gall.=± 143 1. In de V. S.
heeft een barrel in ’t algemeen een inhoud van
31,5 Amer. gallons = ± 119 1. Een barrel petroleum
= 42 gallons a 3,785 1 = 159 1. Als gewichtsmaat
wordt het o.a. gebruikt voor meel, vleesch en zeep.
1 barrel meel = 196 Amer. pond = ± 89 kg; 1 b.
vleesch ± 200 Amer. pond = i 91 kg; 1 b. zeep =
256 Amer. pond = ± 116 kg. Vgl. Ital. maat Barile.
W itsenboer.
Barrell, Theorie van. (geologie)
Volgens deze theorie moet onder de lithospheer een
zone aangenomen worden (astenospheer), 500 — 600 km
dik, die ondanks groote vastheid toch voldoende
plasticiteit bezit om toe te geven aan voortdurend en
langzaam werkende drukveranderingen. Naar de diepte
zou de astenospheer geleidelijk overgaan in de eigenlijke
aardkern (barvspheer).
Barrêmien, onderafdeeling van de Juraformatie
in Zwitserland.
Barrêmme, F r a n q o i s, Fransch wiskun-
dige; f 1703 te Parijs. Schreef het vele malen herdrukte
werk FArithmétique (Parijs 1677). Zijn naam leeft
voort in het Fr. barême = tabel van berekende waarde.
Barres, groep van voederbietrassen, waartoe
o.a. Barres van Sludstrup en Barres Strijnö behooren.
Gemakkelijk te rooien; laag drogestofgehalte.
Barrès, M a u r i c e, Fransch staatsman en
schrijver van sterk -nationalistische richting. * 17 Aug.
1862 te Charmes -sur-Moselle, f 6 Dec. 1923 te Parijs;
sinds 1906 lid van de Académie Fran^aise.
Begonnen met ro-
mans, waarin, als
reactie tegen het
grof naturalisme, de
verheerlijking van
een veel vormig Ik
(zie den cyclus L e
culte du Moi)
en het aristocrat is-
me van een be-
schaving in verval
zich uitspreken,
zwenkt zijn denken
rond 1900 om, in
de richting van het
integraal nationa-
lisme. De grond-
slagen hiervan denkt
B. zich in enkele noodzakelijke verbindingen, waar-
mede het individu geankerd is in de nationale
gemeenschap: 1° la terre (voor hem de Lotha-
ringsche aarde), die in hem het Fransche chauvinisme
en den haat tegen Duitschland verwekt; 2° les
m o r t s, d.i. de geschiedenis, de nationale traditie;
3° als cultuur- centrum, de Katholieke Kerk,
waartoe, ook zonder persoonlijk geloof, ieder Fransch-
man in sterke „Latijnsche” tucht moet behooren: Les
Francais se battent en état religieux. Met deze
„doctrine”, gedragen door een sober -klassieken en
tevens modern -insinueerenden stijl, werd B.de geeste-
lijke leider van de oorlogsgeneratie (bijv. C h. P é g u y ,
Psichari, Act ion Fran<;aise).
21 Barret — Barrièrerif 22
Werken. Romans: Le culto du Moi : 1° Sous
1’oeil des barbares (1888) ; 2° Un homme libre (1889) ;
3° Le jardin de Bérénice (1891) ; L’ennemi des lois
(1892); Du sang, de la volupté et de la mort (1894);
Un amateur d’ames (1899) ; Le roman de 1’énergie
nationale : 1° Les déracinés (1897) : 2° L’appel au
soldat (1900) ; 3° Leurs figures (1902) ; Amori et dolori
sacrum (1903) ; Les bastions de 1’Est (1905) ; Colette
Baudoche (1909) ; Le voyage de Sparte (1909) ; Greco
(1912) ; La colline inspirée (1913) ; Un jardin sur 1’Oronte
(1922). — E 8 s a y s : Huit jours chez M. Renan (1888) ;
Scènes et doctrines du nationalisme (1902) ; La grande
pitié des églises de France (1914) ; Chroniques de la
grande guerre (14 dln. 1920 vlg.) ; Le génie du Rhin
5 1921) ; Taino et Renan (1922) ; Dante, Pascal et Renan
1923) ; Pour la haute intelligence fran<?aise (1925). —
jit: A. Thibaudet, Vie de M. B. (Parijs 1921); E.
Curtius, M. B. (Bonn 1921) ; V. Giraud, Les maitrcs de
1’heure, M. B. (Parijs 1923) ; H. Brémond, M. B. (Parijs
1924); J. Faure-Biguet, M. B. (Parijs 1924); V. Klem-
perer, Romanische Sonderart (Halle 1926). Baur.
Barret , Richard (Riocard B a i -
r é a d), lersch dichter, * ca. 1740 bij Belmullet,
f 1819. Hij dichtte zoowel in het Engelsch als in het
lersch, maar dankt zijn dichterroem vooral aan zijn
satirische, bacchanalische en liefdesgedichten in het
lersch. Gedeeltelijk nog ongedrukt.
Ui tg. : T. O’Rahiliy, in Gadelica (I 1912 — ’13,
112-126); lijst bij R. I. Best, Bibliography of Irish
Philology and Literature (1913, 207).
Barret-Browning , Elisabeth,*- Brow-
ning.
Barrevoeters (I t a 1. : scalzi, ( Lat. discal-
ciati. In België worden de ongeschoeide Karmelieten
„Scalzen” genoemd. Duitsch: Barfüszer; Fransch:
Dechaussés). B. worden die kloosterlingen ge-
noemd, die blootsvoets gaan (met of zonder sandalen,
welke den voet grootendeels vrij laten). Reeds van
oudsher was dit de gewoonte bij vele asceten. De
eigenlijke monniken (Benedictijnen, Cisterciënsers,
Kartuizers), waren daartoe echter niet door hun
regel verplicht.
In de 11e en 12e eeuw (de tijd der armoedebeweging)
komt op verschillende plaatsen deze gewoonte weer
op bij de rondtrekkende predikanten (Wanderprediger)
en wel met de kennelijke bedoeling, hierdoor te voldoen
aan de reis-voorschriften van Christus tot de Aposte-
len (Mt. 10. 10). Ook de H. Norbertus ging in het
begin blootsvoets. De gewoonte werd voorgoed inge-
burgerd door Franciscus van Assisi, die ze uitdrukke-
lijk voorschreef aan zijn volgelingen in de Eerste en
Tweede Orde.
L i t. : L. Gougaud, La Gymnopodie, in : Rev. Asc.
Myst. (IV 1923); Lex. Theol. Kirche (I, 967); Coll.
Franc. Ncerl. (I 1927, 67).
Barriai, gemengde stam van Papoea ’s en Melane-
siërs; > Oceanië.
Barrias, 1° Felix Joseph, Fransch
schilder, zoon van een sierkims tenaar en porseleins
schilder, studeerde aan de Académie des Beaux-Art-
te Parijs onder L. Cogniet. * 1822 te Parijs, f 1917
aldaar. Hij blijft vertegenwoordiger der academische
neo-Klassicistische richting. Van hem zijn ongeveer
400 schilderijen bekend.
Voorn, werken: Sappho (1847); de Banne-
lingen van Tiberius (1851) ; de Jaargetijden (4 schilde
rijen) ; plafondschildering in het paleis van prins Naris-
kine te Petrograd (1866) ; illustraties voor Concilie,
Racine, Virgilius, Horatius en de romans van Dumas en
Soulié.
2° Louis E r n e s t, broeder van den vorige,
Fransch beeldhouwer in neo-Klassicistischen stijl.
Leerling van Jouffrov Cavalier en Cogniet. * 1841 te
Parijs, f 1905 aldaar.
Voorn, werk: Buste van Jules Favre (1863) ;
Stichting van Marsoille (1865) ; Godsdienst en Liefde
(brons 1873, ; Adam en Eva, Abel dragend (1878) ; het
Lied en de Muziek (1888).
Barrie , James Matthew, Engelsch'
tooneelschrijver van Schotsche afkomst. * 1860. Gaat
naar Londen als journalist in 1885; wordt dan humoris-
tisch gevoelig romanschrijver van het Schotsche'
kleinburgerlijke leven, en ten slotte, na het uitbundig
succes van Peter Pan (1904), de gevierde tooneclschrij-
ver van Londen. Sprankelende geestigheid, betoove-
rende fantasie (vooral in Peter Pan) en nu en dan
(vooral in The Admirable Crichton) een diepo kijk
op de problemen van het Engelsche sociale leven.
In adelstand verheven (1913); eeredoctoraten van
Edinburgh en Oxford; rector der univ. van St. Andrewö
(1919 — ’22); president der Society of Authors sedert
1928; kanselier der univ. van Edinburgh sedert 1930.
Werken. Romans: Auld Licht Idylls (1888) ;
A Window in Thrums (1889) ; The Littlc Minister (1891) ;
Margaret Ogilvy (1896) ; A Sentimental Tommy (1896) ;
Tommy and Grizcl (1900) ; The Little White Bird (1902).
Tooneelspelen : Quality Street (1901, Ned. : Deftige
Straat); The Admirable Crichton (1903); Peter Pan
(1904) ; Peter Pan in Kensington Gardens (1906) ; Wh at
Every Woman Knows (1908) ; A Kiss for Cinderclla
(1906) ; Mary Rosé (1920), Verzamelde spelen (1928). —
L i t. : Monogr. van Th. Moult (1928) ; F. J. H. Darton
(1929) ; J. A. Hammerton (1929) : W. Eschenauer (1930,
diss. Halle) ; L. Lotze (1931, dis3. Halle) ; volledige
bibliographie door B. P. Cutler (1931). Pompen .
Barrière , afsluitboom of hek, o.a. bij spoorwegen.
Barrière, 1° Jcan de la, abt van het
Cisterciënserklooster Les Feuillants; * 1544 te St. Céré,
f 1600 te Rome. Hij stichtte een reformatie, welke
den regel van Citeaux in strengheid overtrof. Door
zijn ordegenooten belasterd en wegens zijn trouw aan
Hendrik III van verraad aan de Kath. Kerk beschul-
digd, werd hij te Rome veroordeeld en uit zijn ambt
ontzet. Hij leefde als een heilige, en kort voor zijn
dood werd het vonnis als onrechtvaardig erkend
en ingetrokken. In het Calendarium en Menologium
der Cisterciënsers wordt hij eerbiedwaardig genoemd.
> Feuillants.
Biographio door A. Bazy (Toulouse-Parijs
1885).
2° Théodore, Fransch tooneelschrijver. * 1823
te Parijs, f 1877. Zijn blijspelen, in samenwerking
met anderen (o.a. Em. Capendu) geschreven, ver-
dienen, met hun oppervlakkige waarneming en hun
neiging tot het gechargeerd raricaturale, nauwelijks
den^ naam realistisch, dien men hun veelal geeft.
W e r k e n : La vie de Bohème (1848) ; Les filles de
marbre (1853) ; Les faux bonshommes (1856) ; 1’Héritage
de M. Plumet (1858); le Feu au couvent (1859); Le
démon du jeu (1863) ; les Jocrisses de Pamour (1865) ;
Tête de linotte (1882), e.a.
Barrièrerif, een vorm van koraalrif, zich op
grooteren afstand van de kust in zee bevindend, en
ongeveer evenwijdig met de kustlijn verloopend.
Tiisschen het rif en de kust bevindt zich meestentijds
een uitgestrekte lagune. Zeer bekend is het Groot-
Bamèreri! of Great Barrier Reef, koraalvorming op
8 tot 180 km afstand voor de kust van O. Austr.,'
zich uitstrekkend met smalle onderbrekingen tegenover
riviermonden over een lengte van 2 000 km (Torres-
str. 9° Z. tot Kaap Sandy 24° Z.). Bij vloed wordt het
rif overstroomd; bij eb ligt het een paar voet boven
23
Barrière-tractaat — Barroe
24
zeeniveau droog, bedekt met levende koralen, prachtig
van kleur on vorm. Enkele vlak bij de kust gelegen
eilandjes hebben een struikgewasvegetatie. Het rif
is onvruchtbaar en onbewoond, maar heeft groote
beteekenis voor de tripa ng- en parelvisscherij. De
zee tusschen de kust en het rif is ondiep en kalm, echter
door de er zich in bevindenae koraalriffen toch lastig
vaarwater voor de kustvaart. Vuurtorens op de gevaar-
lijkste plaatsen en een goede loodsdienst vergemakke-
lijken tegenwoordig de scheepvaart tusschen de koraal -
lagune en de open zee door de openingen in het rif.
Hofsteenge/ Zwagemakers.
Barrière-tractaat, gesloten 15 Nov. 1715
op het stadhuis te Antwerpen tusschen Oostenrijk.
Engeland en de Staten -Generaal, waarbij aan deze
laatsten werd toegestaan een recht van militaire
bezetting in de plaatsen Namen, Doornik, Meenen,
Veurne, Warneton, leperen en het fort Knocke (art. 4)
(de zgn. Barrière-vestingen), benevens half Neder-
landsche half Oostenrijksche bezetting in de stad
Dendermonde (art. 5), als bolwerk tegen Frankrijk.
Voor het onderhoud dezer troepen zal Oostenrijk
moeten betalen 500 000 rijksdaalders jaarlijks (art. 19)
en tegelijk belooft Oostenrijk de sedert 1648 bestaande
bepalingen omtrent in- en uitvoer tegenover Engeland
en de Republiek niet te zullen wijzigen, tenzij ,.soo
ras als mogelijck zijn sal” een handelstractaat tusschen
de drie partijen zal worden gesloten (art. 26). Reeds
in 1709 en in 1713 w r as door Engeland een dergelijk
bezettingsrecht in de Z. Nederlanden aan de St. Gen.
toegezegd , in ruil voor de erkenning van het Hannover-
sche erfrecht in Engeland. De gedachte daaraan w r as
reeds geopperd in 1673 en w r as redelijk tegenover het
zwakke Spanje; tegenover Oostenrijk, dat na 1713 zeer
goed zichzelve tegenover Frankrijk kon verdedigen,
werd zij spoedig als krenkend gevoeld. De barrière-
troepen werden in 1782 op een dreigend bevel van
keizer Jozef II teruggetrokken na lange jaren van
roemloozen garnizoensdienst en nadat de Neder -
landsche garnizoenen in den Oostenrijkschen Succes-
sie-oorlog (1740 — 1748) en tijdens den Zevenjarigen
oorlog (1756 — 1763) een zeer treurig figuur hadden
gemaakt, hetgeen de achting in de Zuidelijke Neder-
landen voor Noord-Nederland niet kon verhoogen.
L i t. : Hubert, Les garnisons de la Barrière dans les
Pays-Bas autrichiens (Brussel 1902) ; Blok, Gesch. van
het Ned. Volk (III 3 1925) ; Pirenne, Histoire de Belgique
(V). v. Gorkom.
Barrière- vestingen, > Barrière-tractaat.
Barrili, Anton Giulio, Italiaansch
schrijver en politicus (aanhanger van Garibaldi).
* 14 Dec. 1836 te Savona, f 18 Aug. 1908 te Carcare
bij Savona. Professor in de letterkunde aan de univer-
siteit te Genua. Zijn romans, ten getale van zestig,
zijn de uitdrukking van het idyllisch, burgerlijk
romantisme, dat in de laatste jaren van de 19e eeuw
bij de burgerij nog veel bijval genoot.
Werken. Romans: o.a. Capitan Doderè (1865) ;
Santa Cecilia (1866) ; II libro nero (1868) ; Val d’olivi
(1878) : Come un sogno (1875) ; Cuor di ferro e cuor
d’oro (1877) ; L’olmo e 1’edera (1877) ; II tesoro di Gol-
gonda (1878) ; L’undecimo comandamento (1881) ;
11 bianco8pino (1882) ; La Montanara (1886). Andere
werken: Con Garibaldi alle porte di Roma (1867) ;
Discorso in morte di Garibaldi (1882). Ulrix.
Bnrriiigstljlen, barringstoelen, ver-
plaatsbare of vaste jukken of schragen, op het dek van
schepen geplaatst, ^waarop vaarboomen en dgl. w r orden
geborgen.
Barringfoniu, behoort tot de familie der
Lecythidaceae, en is één der vijf geslachten van de
onderfamilie Planclionioideae; 6Ó soorten. Komt voor
in Oost-Afrika en de Australische eilanden met
tusschengelegen landen, doch wordt hoofdzakelijk
gevonden in Achter-Indië, den Maleischen Archipel en
de Samoa-eiianden. Het meest verspreid zijn van dit
geslacht drie boomachtige kustplanten, nl. B. spe-
c i o s a, een mooie boom met groote bladeren,
bloemen met karmijnroode meeldraden en groote
vierkante gele vruchten. In stukken gesneden jonge
spruiten worden als vcrdoovingsmiddel voor visschen
aangewend, de vruchten als drijfkurken voor netten,
en uit de bladeren w r ordt een soort vernis gewonnen.
B. raccmosa w T ordt aangetroffen tusschen Oost-
Afrika en Queensland en heeft kleinere bladeren.
De schors doet dienst in looierijen, terwijl de jonge
bladeren gegeten worden. B. acutangula
levert, als Indische eik, hout voor scheepsbouw, en
schors voor looierijen. B. i n s i g n i s, van de
Soenda-eilanden, met groote zittende bladeren en
trosvormige bloemen, wordt als kasplant gekv r eekt.
Bonman .
Barrios, 1° G e r a r d o, generaal en politicus
in Salvador. * ca. 1809, f April 1866. Na te hebben
deelgenomen aan den strijd van Walker tegen de
fiibustiers, w r erd hij onder Santin minister van buiten-
landsche Zaken. Deed een mislukte staatsgreep tegen
president Campo (1857). Tot president der republiek
in 1860 gekozen, oefende hij een dictatoriale volmacht
uit: hij verhief, in plaats van Cajutopeque, San Sal-
vador tot hoofdstad, hervormde het leger en het beheer,
bevorderde de weelvaart, vaardigde een burgerlijk-
en een strafwetboek uit, doch bemoeilijkte de geeste-
lijkheid. In een oorlog met Guatemala gewikkeld
(1862), moest hij op de vlucht gaan en werd op last
van zijn opvolger Ducnas gefusilleerd.
L i t. : de Périgny, Les cinq républiques de PAmérique
centrale (Parijs 1910). Lousse.
2° Miguel de, Spaansch-Joodsch theoloog,
dichter en historicus. * 1625 te Montilla, f 1701 te
Amsterdam. Na een verblijf in Italië en korten tijd in
West-Indië keert B., wriens eigenlijke naam Daniël
Levi is, naar Europa terug. In Brussel neemt hij dienst
in het Spaansche leger, waar hij het zelfs tot kapitein
brengt. In 1674 treedt hij uit den dienst en vestigt zich
te Amsterdam.
Voorn, werken: Historia universal de Judea ;
Teologia natural ; Relación de los poetas y de los escri-
tores de origen judio ; Coro de las Musas ; El triunfo del
gobierno y de la antiguedad belga ; Casa de Jacob. —
L i t. : J. S. da Silva Rosa, De Geschiedenis der Portu-
geesche Joden in Amsterdam (1925).
Barrister, -> Solicitor.
Barritus, ■> Barditus.
Barro, Theobaldus de, bisschop van
Luik (1303 — 1312), werd door paus Benedictus XI
gewijd, sneuvelde in den strijd tegen de Orsini te
Rome.
Barroe, een zelfbesturcnd landschap onder Korte
Verklaring aan de W. kust van Celebes (Ned. O. Indië),
gelegen ten N. van het landschap Tanette en ten Z.
van het landschap Soppengri Adja, met welke land-
schappen het tezamen de onderaf deel ing Barroe vormt
der afdeel ing Paré-Paré, gouvernement Celebes en
onderhoorigheden. De onderafdeeling telt 60 000
zielen, onder wrie nog geen tien Europeanen, een hon-
derdtal Chineezen en ruim 200 andere vreemde Ooster-
lingen. De hoofdplaats, tevens zetel van bestuur,
25
Barrois — Barry
26
heet Soempangbinangae. Do bevolking is van Boe-
gineeschen landaard.
Barrois , L e (aard r.), > Bar.
Barron, 1° Edward, vicaris -generaal van
mgr. Kenrich, bisschop van Philadelphia (V. S.
Amerika). * 1801, f 1854 te Savarmaha, aan de erele
koorts. Werd naar Afrika gezonden om er de uit Ameri-
ka gerepatrieerde zwarten te gaan bezoeken (1841).
Paus Gregorius XVI benoemde hem tot apost. vicaris
van de twee Guinee ’s (Westkust van Afrika, van Sene-
gal tot de Kaap, met uitzondering van het bisdom
Loanda). Met zeven paters van den Eerbiedw. Liber-
mann ving mgr. B. zijn apostelwerk aan (1843). Wegens
het moordend klimaat verzocht hij den H. Stoel zijn
missiewerk toe te vertrouwen aan een congregatie. In
1845 werd de Congregatie der Paters van den H. Geest
en van het H. Hart van Maria met de zielzorg op de
W. Afrikaansche kust belast.
L i t. : Dieudonné Rinchon O. Cap. , Les Mission-
naires beiges au Congo (Brussel 1931). Vanneste.
Barros, Juan de, Portugeesch geschied-
schrijver. * 1496 te Vizeu; f 1570 nabij Pombal. Als
hof page van den toenmaligen erfprins, den lateren
Juan III, schreef hij Cronica do emperador Clarimundo
(gedrukt 1520). Tijdens de regeer ing van Juan III
wordt B. in 1522 benoemd tot gouverneur van San
Jorge de Mina, waarna in 1533 zijn benoeming tot
gouverneur van Portugeesch Guinea en regent van
Port. Indië volgde. Hier vond hij de gelegenheid his-
torische documenten en gegevens te verzamelen,
neergelegd in zijn „Decadas”, een werk, waarvan hij
bij zijn dood 24 boekdeelen voltooid had en dat be-
ëindigd werd door Diego de Canto in nogödeelen. Van
beteekenis is vooral: Asia de Joam Barros, dos fectos
que os Portugueses fizeram no descobrimento e con-
quista dos mares e terras do Oriente (Lissabon 1552-
’53). Hij doet zich kennen als een patriottisch doch
overigens onpartijdig historicus van zwak critisch
inzicht.
Verdere werken: Grammatica portugueza
(Lissabon 1538). Zijn „Historia del Brasü” is verloren
geraakt. — L i t. : Manuel Severim dc Faria, Vida de
Jo&o de Barros (Lissabon 1624 en 1778). Borst.
Barrot, Camille Hyacinthe Odilon,
Fransch redenaar en staatsman. * 19 Sept. 1791 te
Villefort (Lozère), f 6 Aug. 1873 te Bougival. Als
advocaat trad hij in beruchte politieke processen
onder de Restauratie op. Hij werkte mede tot het voor-
bereiden der omwentelingen van 1830 en 1848 ; in
1847 organiseerde hij als een der voornaamste leden
der oppositie in de Kamer de zgn. > Reformbanket-
ten. 24 Februari 1848 werd hem door Lodewijk Philips
de waardigheid van minister-president opgedragen,
die hij echter korten tijd na de vlucht van den koning
moest neerleggen. Nu schaarde hij zich aan de zijde
der republikeinen en hield zich na den staatsgreep
van 2 Dec. 1851 buiten de politiek. Na den val van
Napoleon III werd hij eerst tot lid en vervolgens
tot president van den Staatsraad (27 Juli 1872) be-
noemd. Lid van het Institut de France sedert 1855.
Hij bezat een groot redenaarstalent, doch weinig be-
kwaamheid op staatkundig gebied.
W e r k e n : De la centralisation et de ses effets
(Parijs 1861); De Porganisation judiciaire en France
(Parijs 1872) ; Mémoires posthumes d ’ O.B., uitg.
door Duvergier de Hauranne (4 dln. Parijs 1875'-76). —
L i t. : Ernest-Charles, Les hommes de 1848: Odilon
Barrot (Parijs 1899) ; G. Weill, Histoire du parti répu-
blicain en France (Parijs 2 1928). Lousse .
Barrow, rivier in Ierland (52° 18' N., 6°59' W.),
ontspringend op de Slieve-Bloom Mountains, naar het
Zuiden stroomend, en bij Waterford aan de Zuidkust
van Ierland in zee uitmondend.
Barrow, I s a a c, veelzijdig Eng. geleerde, voor-
al wiskundige en theoloog. * Oct. 1630, f4 Mei 1677.
Trad na een reis door Europa in 1660 in den geeste-
lijken stand, was achtereenvolgens hoogleeraar in
Grieksch en wiskunde te Londen en te Cam bridge,
in welke plaats hij Newton tot leerling had. Aan hem
stond hij in 1669 zijn professoraat af, terwijl hij zich
verder zelf aan de theologie wijdde; vanaf 1672 was
hij rector van Trinity College. Hij genoot een groote
reputatie als kanselredenaar. Op wiskundig gebied is
hij van belang om zijn edities van Euclides, Archi-
medes, Apollonius en Theodosius en vooral om zijn
eigen werken over optica en meetkunde. Hij behan-
delde de beginselen der differentiaal- en intregaal-
rekening in meetkundig gewaad en miste alleen door
het nalaten van een algebraïsche inkleeding de uit-
vinding zelf.
L i t. : The mathematical Works of I. Barrow (Cam-
bridge 1860) ; J. M. Child, The geometrical lectures of
I. Barrow (Chicago-Londen 1916, vertaling van frag-
menten met noten). Dijksterhuis .
Barrow-in-Furiiess, haven en industriestad
in het graafschap Lancaster (Engeland, 54° 7' N.,
3° 13' W.); 80 000 inw. Koper- en ijzermijnen, lei-
groeven. Hoogovens, metaalindustrie, scheepsbouw,
textielnijverheid. Zetel van de wereldfirma Vickers
Sons, Maxim and Co.
In de nabijheid de ruïnen van de Furness -abdij,
zertijds de grootste abdij van Engeland, in roode
zandsteen opgetrokken.
Bar r o wis ten, ■> Brown, Robert.
Barruel-Bauvert, A u g u s t i n, Fransch
priester en apologeet, Jezuïet, die zich vruchteloos
inspande om den bijval der 18e eeuwsche philosophen
(Voltaire, Rousseau, Buffon) tegen te werken. * 2 Oct.
1741 te Villeneuve, f 5 Oct. 1820 te Parijs.
Hoofdwerk: Les Helviennes (1781). — Lit. :
de Backer-Sommervogel, Bibl. Comp. Jés. (VIII 1767) ;
Dussaut, Notice sur B. (Parijs 1827).
Barry, 1° Belg. gemeente in de prov. Henegou-
wen, ten O. van Doornik; 800 inw. ; opp. 488 ha. Laag
bouwland; kerk uit de 18e eeuw.
2° Havenstad in Zuid-Wales, aan den N. oever van
het kanaal van Bristol (51° 23' N., 3° 18' W.); 40 000
inw. Beroemde scheepsbouw: Barry Docks. Dichtbij
Barry Island, badplaats.
Barry, 1° Charles, Eng. architect, * 23 Mei
1795 te Londen, f 12 Mei 1860 aldaar. Leerling van
Middleton en Bailey, maakte hij groote studiereizen
en bouwde hij na zijn terugkeer in 1820 de St. Peters-
kerk te Brighton, de Tra vellers club (1832) en andere
gebouwen te Londen, in Renaissance-stijl. Zijn hoofd-
werk is het Parlementsgebouw te Londen, dat hij op
grond van een prijsvraag, waarbij de Gotische stijl
was voorgeschreven, met Welby Pugin te bouwen
kreeg (1840—1852).
Lit.: Paul Sédille, L'architecture moderne en
Angleterre (Parijs 1890, 31 vlg.).
2° Charles, architect te Londen, zoon van den
voorgaande; * 1823, f 1872; medewerker van R.R.
Banks, met wien hij o.a. het front van Burlington
House en tal van kerken en woonhuizen ontwierp.
3° Edward Middleton, architect, derde
zoon van Sir Ch. B., * 7 Juni 1830, f 27 Jan. 1880 te
Londen. Leerling van zijn vader, na wiens dood hij
27
28
Barry Cornwall
het parlementsgebouw te Londen voltooide. Bouwde
verder in Renaissance-stijl de Grammar School te
Leeds, het Co vent Garden Theater (1859 — ’60), de
hotels van hét Charing Cross-station en de National
Gallery te Londen en tal van andere openbare ge-
bouwen in Engeland.
4° Marie Jeanne Bécu, gravin du.
natuurlijke dochter van Anna Bécu; * 1743; kwam te
Parijs in een verdachte modezaak, waar zij de aan-
dacht trok van den Zuid-Franschen edelman Jean du
Barry. die haar in 1769 in de omgeving van koning
Lodewijk XV bracht en haar tegelijk een schijnhuwelijk
deed sluiten met zijn broeder Guillaume du Barry,
om aan deze laatste bijzit van Lodewijk XV een naam
en een titel te bezorgen. Invloed op de staatkunde
zocht zij niet, doch de koning heeft schatten gclds
aan haar verspild in een tijd van grooten economischen
nood. Bij ’s konings dood (1774) van het hof verwijderd,
reisde zij in 1792 naar Engeland, werd bij haar terug-
komst gevangen genomen en geguillotineerd (1793)
door het Schrikbewind.
L i t. : Vatel, Histoire de Mme. du Barry (3 dln. 1883);
Saint-André, Mme. du Barry d’après les documents
authentiques (1908) ; Fromageot, Mme. Dubarry de
1791 a 1793 (1909) ; Castanié, Hoyales amours d’une
petite modiste (1913). v. Gorkom.
5° W i 1 1 i a m, Katholiek Engelsch geestelijke,
geleerde en schrijver. * 1849 te Londen, f 1930 als
pastoor te Leamington. Stud. te Oscott en te Rome;
prof. in de philosophie te Birmingham (1873 — ’77),
in de theologie te Oscott (1877 — ’80); daarna in de
zielzorg en in 1908 pastoor.
Werken. Romans : The New Antigone (1887) ;
The Two Standards (1898) ; Arden Massiter (1900) ;
The Wizard’8 Knot (1901); The Dayspring (1903).
Wetenschappelijke werken : vele tijdschriftartikelen, en
verder The Papal Monarchy (1902) ; Newman (1904) ;
Heralds of Revolt (1904) ; Renan (1905) ; Tradition of
Scripture (1906).
Barry Cornwall, Procter.
Barsabas (= zoon van Sabas), 1° J o s e p h,
bijgenaamd Justus (de rechtvaardige), werd met
Matthias als plaatsvervanger van Judas Iscarioth
door de apostelen voorgesteld (Act. 1.23); 2° J u das
B., een Christen van Jerusalem, die na het Concilie
van Jerusalem met Paulus naar Antiochië ging en de
Christenen daar vermaande en bemoedigde (Act.
15.32).
Barsac, dorp in het dept. Gironde (Frankrijk,
44° 30' N., 0° 30' W.); 2 700 inw. (1926); bekende
wijnsoort.
Barsaniani, monophysitische sekte der 6e eeuw,
genaamd naar hun eersten bisschop Barsanius of
Barsanuphius. Een eigenaardigheid was, dat zij com-
municeerden door de vingers in bloem van tarwe te
doopen en dan naar den mond te brengen. In Egypte
hielden zij in klein aantal stand tot de 9e eeuw.
Bar Sauma, > Barsumas.
Barseh, Paul, Duitsch schrijver en taal-
zuiveraar. * 16 Mrt. 1860 te Niederhermsdorf. Zijn
poëzie blijft gaarne in den volkstoon, zijn roman werkt
gezond-didactisch.
Werken: Auf Straszen und Stegen (1885) ; Füe-
gende Blatter (1889) ; Ueber der Scholle (1905) ; Von
einem, der auszog (1905).
Barsegapè, Pietro da, Italiaansch dichter
uit de 13e eeuw’, bekend door een sermoen, waarin
hij de schepping, den zondeval, de verlossing en het
laatste oordeel behandelt.
-Bar sur Aube
U i t g. : C. Salvioni in Zeitschr. f. rom. Philologie
(diplomatische afdruk, XV 1891); E. Keiler, Die Reim-
predigt des P. da B. (kritische uitg., Frauenfeld 1901).
Barsiue, 1° oudste dochter van Darius Codo-
mannus, welke Alexander de Groote in 324 v. Chr.
te Susa huwde.
2° Dochter van Artabazus, eerst gehuwd met den
Rhodiër Mentor, dan met diens broeder Memnon.
Na den slag bij Issus werd zij in Damascus krijgs-
gevangene der Maeedoniërs. Bij Alexander den Grooten
uTrd zij moeder van een zoon, Heracles. In 309 v. Chr.
werd zij met haar zoon op aandringen van Cassander
door Polyperchon gedood. Davids.
Barsingcrhorn, gem. in het West-Friesch
zeekleigebied der prov. N.H., ten N. van Alkmaar;
opp. 2 066 ha, omvattend de dorpen B., Kolhorn en
Haringhuizen.
Op 1 Jan. 1932: 2 207 inw. De w T einige Kath. behoo-
ren tot de parochie Schagen. Landbouw en veeteelt.
De Waard- en Groetpolder behoort deels tot deze
gem. De tramlijn Schagen — Ew’ijksluis loopt er door.
Barsinghauscn, klooster der Augustinessen,
ca. 1190 gesticht en in 1455 door Jan Busch hervormd.
In den tijd der Reformatie gingen de bewoners van dit
klooster over naar het Protestantisme en tegenwoordig
is het een Luther -gesticht voor adellijke dames.
Lit. : K. Grube, J. Busch (1881, 157 vlg.) ; Kunst-
denkmaler der Provinz Hannover (I 1899, 55).
Barsippa (Grieksch: Borsippa, thans ruïne van
Birs Nimroed), oude stad in Babylonië, ten Z. van
Babylon, waarmee zij zoo eng verbonden was, dat de
Baby Ion iërs haar het „Tw r eede Babylon” noemden.
Het eerst vermeld in den codex van Hammoerabi,
vindt men haar naam terug in talrijke documenten
der Babylon isch-Assyrische geschiedenis. In den
nieuw -Babylonischen ’ tijd (> Babylonië) werd B.
bijna geheel herbouw 7 d. Haar stadsgod w T as Naboe
(Nebo), die zetelde in den grootsten tempel van B.,
Ezida, welks toren langen tijd gold als de Toren van
> Babel. Opgravingen zijn gedaan door Rawlinson
(1854), Rassam (1878— ’79), Koldewey e.a. (1899—
1912), doch volledige publicaties ontbreken. Het
beste overzicht van alles wat B. betreft thans bij
E. Unger, in Reallexikon für Assyriologie (1, 402— ’29,
met uitgebreide lit.). Simons.
Bar Socdaili, > Stephanus bar Soedaili.
Barsoi, > Russische Windhond.
Barsumas of Bar Sauma, 1° archi
raandr iet van een Syrisch klooster, 458. B. kwam
met 1 000 monniken naar de zgn. Rooversynode,
Ephese 449, w T aar hij deelnam aan de mishandeling
van patriarch Flavianus en de besluiten der onwettige
synode onderteekende. Door de Jacobieten wordt hij
als heilige vereerd.
2° Metropoliet van Nisibis vóór 496. De
Rooversynode verdreef hem als leeraar der school
van Edèssa. Vóór 457 werd hij metropoliet en had
aandeel in de stichting der school van Nisibis. Op
een synode van 484 wist hij de invoering van het
Nestorianismc door te zetten en de afschaffing van het
coelibaat voor bisschoppen. 485 moest hij zich aan den
orthodoxen Katholikos onderwierpen. Een prozagebed,
enkele hymnen en 5 brieven zijn van hem bewaard
gebleven.
Lit.: Lexikon für Theol. und K. (I 1930, 989) ; Dict.
Hist. Géogr. Eccl. (VI 1932, 946-947 ; 948-950).
Franses.
Bar sur Aube, arr. -hoofdstad, dept. Aube
29
Bart — Barthel
30
(Frankrijk, 48° 20' N., 5° 10' O.); zeer oud stadje
(kerken uit de 12e eeuw); 4 300 inw. (1926).
Bart, 1° Jakub (pseud. Jak. Cisj inski),
Servisch priester-dichter van nationale liederen en
natuurlyriek. * 1856 te Koekow, f 1909 te Panscbwitz.
Werken: Het boek der sonnetten (1884) ; Ser-
vische klanken (1897) ; Op adelaarswieken (1904) ;
Servische beelden (1907).
2° Jean, Fransch zeeheld. *'1651 in de omgeving
van Duinkerken, f 1702; diende eerst op de Ned. vloot
onder De Ruyter in den tweeden Engelschen oorlog
en sedert 1672 bij de Fransrhen als kaperkapitein
volgens Duinkerksche traditie. Hoewel niet-adellijk
van geboorte, werd hij door Lodewijk XIV tot schout-
bij-nacht benoemd en maakte zich grooten naam in
den Negenjarigen Oorlog, tot schade der Engelschen
en Nederlanders. Te Duinkerken staat sedert 1845
zijn standbeeld in brons.
L i t. : Vanderest, Histoire de Jean Bart et de sa
familie (Duinkerken 1844); Wille, Jean Bart (1901);
Malo, Les corsaires dunkerquois et Jean Bart (1913) ;
Bringer, Jean Bart (1913).
Bartel, K a s i m i r, Poolsch staatsman,
* 3 Maart 1882. In 1913 prof. te Lom berg: van 1919
tot 1920 min. van Spoorwegen; in 1922 afgevaardigde
van do Sjem; in 1926 min. pres., dan 2e min. pres.
in het kabinet Pilsoedski, en in Juni 1928 opnieuw
min. pres.
Bartclla, Costantino, Ital. beeldhouwer,
vooral bekend om de gratie en elegance van zijn kleiner
werk (vrouwenfiguurtjes). * 1852 te Chieti, f 1925 te
Rome.
Voorn, werken: Liefdelied (Canzone d’amore,
1877) ; April (Rome, Galleria Nazionale) ; busten van
Mascagni en Braga in Venetië (1899). — Lit. : Wil-
lards, History of modern Italian Art (1898, 177 vlg.) ;
Colasanti, La Galleria nazionale d’arto moderna in
Roma (1923, 11).
Bartels, 1° A d o 1 f, Duitsch schrijver en histo-
riograaf van de letterkunde. * 15 Nov. 1862 te Wessel-
buren. Uitgaande van eenzijdig conservatieve en sterk -
nationalistische stelregels, geven de talrijke werken
van B. toch blijk van grondige geleerdheid en fijn-
ontwikkelden kunstsmaak. Zijn Jodenhaat vertroebelt
soms den kritischen zin. Ook als tooneel- en roman-
schrijver (Heimatkunst!) en als polemist was B. werk-
zaam; in 1906 stichtte hij den Schiller-Bund; in 1920
werd, te zijner eer, een Bartels-Bund voor nationale
cultuur-verspreiding gesticht.
Werken: Einführung in die Weltliteratur (3 dln.
München 1913) ; Deutsche Dichtung von Schiller bis
zur Gegenwart (3 dln. 1922) ; Jüdische Herkunft und
Literaturwi8senschaft (1925) ; Feinde ringsum (1926). —
Lit.: W. Loose, A. B. Festgabe (Leipzig 1922). Baur.
2° Hans von, Duitsch schilder; * 25 Dec. 1856
te Hamburg, f 1913. Leerling van den Hamburgschen
zeeschilder Rud. Hardorff. 1876/77 leerling van
A. Schweitzer te Dusseldorf. Landschappen en zee-
stukken. 1879 te Hamburg. Begon ook te aquarelleeren.
Onderging den invloed der Fransche impressionisten
en plein-air schilders. 1879, 1880 en 3881 reisde en
werkte hij in Italië. Vestigde zich in 3885 te München.
Sedert 1887 werkte hij vaak te Katwijk en andere
Holl. plaatsen. IToll. interieurs, landschappen en
zeestukken. Met Max Liebermann een der belang-
rijkste figuren onder de moderne Duitsche meesters.
Werken: o.a. in de verzameling van den voor-
maligen Duitschen keizer; in de Nat. Gal. te Berlijn;
de musea te Praag, München, Hamburg, Maagdenburg,
Leipzig. — Lit.: Ed. Heyck, Hans von Bartels (1903) ;
Rich. Muther, Geschichte der Malerei (III). deStuers,
Bartfclcl, plaats in Hongarije met ijzerhoudende
bronnen.
Barth, 1° H e i n r i c h, Duitsch Afrika-
reiziger, * 16 Febr. 1821 te Hamburg, f 25 Nov. 1865
te Berlijn. Bereisde reeds als student het Middelland-
sche Zeegebied. In 1845 begon hij zijn eerste groote
reis in Afrika; via Tanger wilde hij naar Marokko,
maar hier werd hem de toegang ontzegd. Hij trekt
dan door Algerië en Tunis tot in Tripolis en bezoekt
Malta, waar hij zijn reisbeschrijving achterlaat;
keert dan terug naar Tripolis en Barka, van Benghasi
uit trekt hij naar Egypte, maar wordt op weg daarheen
door roovers overvallen, uitgeschud en halfdood
achtergelaten. Zoo gauw hij weer in staat is te reizen,
trekt hij den Nijl op tot de tweede cataract en vandaar
naar Assoean. Over Arabia Petrea, Palestina en Kon-
stantinopel keert hij in 1848 te Berlijn terug. In 1850
neemt hij met den Duitscher Overweg deel aan een
Engelsche Afrika -expeditie onder Richardson. Van
Moerzoek uit trok men de Sahara in. Richardson en
Overweg stierven op deze reis. Barth zond Richardson ’s
aanteekeningen naar Engeland, hij ontdekte de Binoe-
we en bereikte Timboektoe; op den terugweg trof hij
Albert Vogel aan die hem was nagezonden. Met dezen
bezocht hij Koeka en keerde dan met zeer veel weten-
schappelijk materiaal naar Europa tenig. Hij werd
benoemd tot professor aan de universiteit te Berlijn
en werd president van de „Gesellschaft für Erdkunde”.
Werken: Wanderungen durch die Küstenlander
des Mittelmeeres (2 dln. 1849) ; Reisen und Entdeckun
gen in Nord- und Zentralafrika (5 dln. 1857-1859).
dc Visser.
2° K a r 1, Duitsch Prot. theoloog, * 1886. Werd in
1921 eere-hoogleeraar in de Geref. theologie te Göt-
tingcn, 1925 hooglccraar te München (Westf.), 1929
te Bonn. Vertegenwoordiger der zgn. > dialectische
theologie.
3° Paul, sociaalpaedagoog; * 1858, f 1922 te
Leipzig; gymnasium leeraar te Breslau, Leipzig en
Jena; sinds 1890 professor in Leipzig. Volgens B. zou
de opvoeding uit het maatschappelijk leven ontstaan
zijn en moeten worden beschouw r d als voortplanting
van een bepaalde maatschappij, die een geestelijk
organisme is. Het dogmatisch godsdienstonderwijs
wil B., naar Fransche mode, door systematisch
moraalonderricht vervangen zien. Zijn paedagogiek,
slechts te begrijpen in nauw verband met zijn als.
geschiedenisphilosophie opgevatte sociologie, ver-
bindt de Herbartiaansche doelstelling met het utili-
tarisme van Spencer, de gegevens der experimenteele
paedagogiek en die der geschiedenis tot een systeem,
dat meer een formeele indeeling, dan de uitwerking
van één idee is.
Werken: Die Philosophie der Geschichte als
Soziologio (B.’s hoofdwerk ; 2e deel niet verschenen) ;
Die Geschichte der Erziehung in soziol. und geistes-
ge8chichtl. Belcuchtung ( 5 -« 1925) ; Die Elemente der
Erziehungs- und Unterrichtslehre ( 9 - 10 1923). — Lit.:
H. Pixberg, Soziologie und Padag. bei Willmann, Barth,
Litt und Krieck ( 2 1929). Rombouts .
Barthel, 1° Max, Duitsch lettcrkund ige van
pacifistisch -communistische strekking. * 17 Nov.
1893 te Dresden-Loschwitz. Uit den geringsten stand
gesproten en tijdens den wereldoorlog als arbeids-
dichtcr opgetreden, w r erd hij, o.m. na een verblijf in
Rusland, de heftige zanger van de collectivistische
gedachte.
31
Barthélémy — Bartholomaeus
32
Werken: Verse aus den Argonnen (1916) ; Freiheit
1917) ; Utopia (1919) ; Die Faust (1920) ; Arbeiterseele
1920) ; Lasset uns die Welt gewinnen (1920) ; Das
vergitterte Land (1922); Botschaft und Befehl (1924);
Das Spiel mit der Puppe (1925) ; Dor Mensch am Kreuz
(1927), e.a.
2° M e 1 c h i o r, beeldhouwer te Dresden, * 1625,
f 1672. Hij werkte lang in Italië, waar hij sterk onder
Bemini’s invloed kwam; zijn kleine werken zijn de
beste, de groote (gedenkgraven e.d.) erg pompeus.
L i t. : G. Müiler, Vergessene Dresdener Künstler
(Dresden 1895).
Barthélémy, 1° A u g u s t e, Fransch dichter,
* 1796 te Marseille, f 23 Aug. 1867. In samenwerking
met Méry bestreed hij in heftige satiren de regeering
der Bourbons (hekelend weekblad Némésis, 1831 vlg.)
en verheerlijkte Napoleon in een episch gedicht:
Napoleon en Egypte (1828). Na een verblijf in Amerika
eindigde hij als blind, waarschijnlijk betaald, lof-
redenaar van Napoleon III (o.a. La Tauride, 1856).
U i t g. : Oeuvres (6 dln. Parijs 1833).
2° Frans, markies, Fr. diplomaat. * 1747 te
Aubagne, f 1830 te Parijs. Gezantschapsattaché
o.a. te Londen en Weenen; 1792 — 1797 gezant in
Zwitserland; sluit de vredes van Bazel; lid van het
Directoire (1797), maar na fructidor als „royalist”
naar Cayenne verbannen. Onder Napoleon voorzitter
van den senaat; minister onder Lod. XVIII.
3° Jean Jacques, Fransch archeoloog,
conservator van het Cabinet Royal des Médailles,
taal- en muntenkundige. * 1716, f 1795. Zijn naam
is verbonden gebleven aan zijn Voyage du
Jeune Anacharsisen Grèce (4 dln.
1789), dat onder den vorm van een reisverhaal de
beschavingsgeschiedenis van het oude Griekenland
uiteenzet; het werk, in alle Europecsche talen vertaald,
droeg, met de kunsthistorische werken van Winekel-
mann, bij tot den heropbloei der klassieke studiën.
Barthélémy Saint Hilaire, Jules,
Fransch staatsman en philosoof. * 1805 te Parijs,
f 1895 aldaar. B. begon in 1832 een vertaling van
Aristoteles’ werken, dankte daaraan in 1838 zijn
professoraat in Grieksche en Rom. philosophie aan
het Collége de France, moest in 1852 uit politieke
beweegredenen (hij behoorde tot het linkercentrum
en weigerde Mei 1852 den eed op de keizerlijke consti-
tutie) zijn ambt neerleggen; werd in 1876 lid van den
Senaat en was van 1880 — ’81 minister van Buiten -
landsche Zaken. B. voegde bij zijn vertalingen van
Aristoteles nog inleidingen en verklaringen. Bekend
is zijn: De la métaphysique. Pour servir d’introduction
k la métaphysique d’Axistote (Parijs 1879). Schreef
ook over Boeddhisme en Koran.
Bartholdi , Frédéric Au guste, Fransch
beeldhouwer, studeerde aanvankelijk schilderen bij
Arv Scheffer, ging later bij den beeldhouwer Sortoux
ter school. * 1834 te Colmar, f 1905.
Voorn, werken: de vier perioden van het
Christelijk leven (1874) ; Zwitserland brengt hulp aan
Straatsburg (monument te Bazel) ; de Vrijheid, die de
wereld verlicht (beeld in de haven van New York).
Bartholdy, Jacob Salomo n, Pruisisch
staatsman, die van 1816 — 1818 consul-generaal in
Rome was en na dien tijd ook in die stad bleef wonen.
De schildersgroep der „Nazarcners” vond in hem
een Maecenas. Zijn huis, de Casa B., liet hij door Von
Comelius, Schadow, Overbeck en Philip Veit beschil-
deren. B. was van geboorte een Jood, ging echter in
1815 tot de Luthersche kerk over. * 1779 te Berlijn,
f 1825 te Rome.
L i t. : L. v. Donop, Die Wandgemalde der Casa B.
(1889).
Bartholin, Erasmus, > Bartholinus (2°).
Bnrtholina (p 1 a n t k.), een Afrikaansch
geslacht der standelkruiden (Orchidaceae), behoort
tot de onderfamilie Monandrae.
Bartholinische klieren (Glandulae Bartho-
linianae), ook Duverneyische of Tiedemannsche klieren
genoemd, zijn twee klieren, die bij do vrouwelijke
geslachtsorganen van den mensch (en van zoogdieren)
aan weerszijden van den ingang der scheede worden
aangetroffen. Zij bezitten de grootte van een boon en
zonderen door een uitvoergamr, die buiten het hymen
opent, slijm af. De klieren ontsteken gemakkelijk en
geven dan aanleiding tot abcesvorming. De B. k.
zijn homoloog met de Cowpersche klieren der manne-
lijke geslachtsorganen (> Bartholinus, 1°).
Willems.
Bartholinus, 1° Gaspar, Deensch arts;
* 1655, f 1738, zoon van Thomas B., beroemd door
onderzoekingen over de vrouwelijke geslachtsorganen
(De ovasiis mulierum et generationis historia epistola.
Lugd. Bat. 1675). Twee klieren (> Bartholinische
klieren), tegen het achtereinde van het uiteinde der
vagina, zijn naar hem genoemd.
2° Erasmus, Deensch natuuronderzoeker, * 13
Aug. 1625 te Roeskilde (Denemarken), f 4 Nov. 1698
te Kopenhagen. B. was de zesde zoon van den beroem-
den medicus, theoloog en philosoof Caspar Bartho-
linus (Barthelsen). B. ving in 1644 aan medicijnen
te studeeren, waarna hij in 1646 een tienjarige studie-
reis door Engeland, Nederland, Frankrijk en Italië
begon. In 1657 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de
wiskunde en medicijnen in Kopenhagen. In 1676
volgde zijn benoeming tot assessor aan het gerechts-
hof, in 1694 tot staatsraad. Bartholinus is vooral
bekend door zijn ontdekking der dubbele breking van
het licht in kalkspaat. B. publiceerde talrijke mathe-
matische studies.
Voorn, werken: De cometis annorum (1665) ;
Opusculum ex observationibus Hafniae habitis ador-
natum (1664 — 1665) ; Experimenta Crystalli islandici
disdiaclastici, quibus mira et insolita refractio detegitur
(1669) ; De naturae mirabilibus quaestiones academicae
(1674). Hofsteenge .
3° Thomas, Deensch arts, * 1616, f 1680, gaf
een verbeterde uitgave van het ontleedkundig leer-
boek van zijn vader Caspar uit, getiteld: Institutiones
anatomicae; langen tijd het meest gebruikte boek.
Bartholomaeus (= zoon van Tholmai) was
een der 12 apostelen. Daar hij in de lijsten der apostelen
altijd met Philippus genoemd wordt, moet hij waar-
schijnlijk vereenzelvigd worden met Nathanaël uit
Kana, die door Philippus tot den Zaligmaker gebracht
werd (Joh. 1.45). Zijn naam wordt verder noch in de
Evangeliën, noch in dc Handelingen genoemd. Vol-
gens Eusebius predikte hij in Indië; ook zou hij ge-
arbeid hebben in Armenië, waar hij volgens de over-
levering den marteldood stierf. Feestdag 24 Augustus.
Voorstelling in de kunst. B. met kort
hoofdhaar en korten baard (mozaïek 5e — 6e eeuw).
Als attribuut draagt hij in de linkerhand een mes, in de
rechter een boek. Later (o.a. Michelangelo) geeft men
hem zijn eigen hoofd te dragen. Keuters .
Het Evangelie van Bartholomaeus, een aprocrief
geschrift, dat beschrijft, hoe de apostel Bartholomaeus
Bartholomaeus
H. Bartholomaeus. Houtsnede uit de apostel-serie van Hans Baldung Grien.
35
Bartholomaeus — Bartholomaeus Fanti
36
Christus na Zijn verrijzenis en de H. Maagd onder-
vraagt over verschillende geloofsmysteries, als de
nederdaling ter helle en de mensch wording. Het boek
Het martyrium van den H. Bartholomaeus.
Houtsnede van Lucas Cranach.
sluit met een apocalyptische prediking over den eind-
strijd tusschen Christus en Zijn tegenstander. Wilmart
en Tisseraut meenen, dat het ontstaan is rond de 4e
eeuw in een Christelijke sekte, doch E. Amann dateert
het vroeger.
U i t g. en 1 i t. : A. Wilmart et E. Tisseraut, Frag-
ments grecs et latins de 1’Evangile de Barthélémy, Revue
biblique (X 1913, 161-190, 321-368): U. Moricca, Un
nuovo testo dell’ Evengelo di Bartholomeo, t.a.p.
(XXX 1921, 481-516 ; XXXI 1922, 20-30) ; Dict. de la
Bible, Supplém. (1 1928, 479-480).
Bartholomaeus, stichter van het klooster S.
Maria del Patir, bij Rossano; organiseerde de Grieksche
monniken in Calabrië en Sicilië. * te Simeri in
Calabriö, f 17 April 1130. B. werd door twee
Benedictijnen bij koning Roger aangeklaagd wegens
ketterij, maar voor een kerkelijke rechtbank wist hij
zijn orthodoxie te bewijzen. Hij stichtte vervolgens
het klooster St. Salvator bij Messina. J. v. Rooij .
Bartholomaeus Anfjlicus, Franciscaan, be
roemd encyclopedist en mag. theol., vaak verward
met B. van Glanvilla O.F.M. (ca. 13G0). B.A. werd
geboren in Engeland, volgens sommigen stud. te
Oxford en in 1206 secretaris van Hartger II, aarts-
bisschop van Bremen (niet zeer waarschijnlijk). 1225
magister, lector biblicus te Parijs, 1231 te Maagden-
burg. Bezocht ook de Nederlanden. Zijn werk: De
p r o p r i e t a t i b u s rerum, encyclopedie,
behandelt in 19 boeken God, engelen, ziel, lichaam,
ziekten, wereld, hemellichamen, materie en vorm
(waardevol!), vogels, landen, steenen, dieren, hoo-
rnen, enz. Volgt veelal Plinius, S. Isidorus, Plato.
Aristoteles (de motu), Hippocrates (geneeskunde),
citeert 100 auteurs. Talrijke hss., o.a. te Londen,
Parijs (18 in de Bibl. Nat.), Rome, Florence, Venetië,
Madrid; vóór 1600 reeds 26 uitgaven en vertalingen,
w.o. tweeNed., 1479 s.1. en 1485 te Haarlem gedrukt.
Fransche vertaling door Jean Corbichon in 1372 voor
Charles V, Engelsche door John of Trevisa in 1398.
Anonieme navolging: Proprietates rerum moralizatae
(1281— ’91). Geweldige invloed op andere auteurs,
waarschijnlijk ook op Ruysbroeck, niet op Thomas
van Cantimpré. Joannes Mombaers Rosetum en
een anomiem Ned. tractaat o\er de meditatie (Ons
Geestelijk Erf I, 173), Joannes de Beka putten uit B.
U i t g. : De proprietatibus rerum (Frankfort 1601).
Vertaling (Ned.) : Bartholomeus den Engelsman van
de eigenschappen der dingen (gedrukt 1479 en 1485). ■ —
Lit. : H. Felder, Gesch. der wissenschaftl. Studiën im
Franz. Orden (Freiburg 1904); A. Schneider, Metaphys.
Begriffe des B. A. in : Festgabe Baumker (Münster
1913, 139-179). Archivum Franc. Hist. (XII 1919,
68-109); Franz. Stud. (XII 1925, 254 vlg.) ; Ons Geestel.
Erf (I 1927, 56 vlg., 61 vlg., 152 vlg.); Ephem. Liturg.
(XLII 1928, 269 vlg.) ; Studi Franc. (XIV 1928, 111 vlg.).
Lampen.
Bartholomaeus Carusius van Urbino,
Augustijn, leerling van August inus Triumphus, vriend
van Petrarca, doceerde theologie eerst te Parijs,
later te Bologna, verdedigde de rechten van den paus
tegen W. Ockam en Marsilius van Padua, muntte
uit in de studie der H. Vaders (Milleloquium D.
Augustini, begonnen door Augustinus Triumphus, en
Milleloquium D. Ambrosii). Bisschop van Urbino.
f 1360.
Lit.: Lanteri Postr. saec. sex. (I, 79-80); Lexikon
f. Theol. und Kirche (II, 6). Claesen.
Bartholomaeus de Kleine, Zalige, Domini-
caan, apostel der Armeniërs; * te Bologna, f 15 Aug.
1333 als aartsbisschop van Nachitsjewan. Door Johan-
nes XXII werd hij tot bisschop van Maragha (Perzië)
gewijd, vertrok als missionaris en bekeerde vele hei-
denen en Mohammedanen. Samen met Johannes van
Kherni "werkte hij met groot succes aan de terugkeer
der schismatieken tot de eene Moederkerk en bracht
vele Basiliancn tot de Congregatie der Unitoren, welke
den regel van St. Dominicus volgden. Ook door zijn
apologetische en liturgische geschriften bevorderde B.
de hereeniging. De poging om i.p.v. de Armeensche
ritus het in deze taal vertaalde Dominicanen-missaal
in te voeren, schaadde zijn werk aanmerkelijk.
Lit.: André-Marie, Missions dominicaines dans
1’Extrême Oriënt (Parijs-Lyon 1865, 44-53). J.v. Rooij.
Bartholomaeus de Las Casas, > Casas.
Bartholomaeus de Martyribus, Domini-
caan, genoemd naar de kerk S. Maria de Mart., waarin
hij werd gedoopt. Familienaam Fernandez. * Mei 1514
te Verdela bij Lissabon, f 16 Juli 1590 te Viana. In
1558 aartsbisschop van Braga (vandaar Bartholomeus
van Braga) en primaat van Portugal benoemd. Woonde
de laatste 9 zittingen van het concilie van Trente bij
en werkte in zijn land op energieke wijze aan de uit-
voering der hervorm ingsdecreten van Trente. Trok
zich in 1582 terug in het klooster zijner orde te Viana.
Het proces zijner zaligverklaring is ingeleid.
Werken: Compendium spiritualis doctrinae (Lissa-
bon 1582) ; Stimulus pastorum (Rome 1564). — Lit.:
Scriptorcs O.P. (II 296) ; Année Dom. Juillet (II 1895,
385 vlg.). Lambermond.
Bartholomaeus Fanti, Zalige, Karmeliet
van de Congregatie van Mantua. * 1443 te Mantua,
f 1495. Zijn stadgenoot, de Zalige Baptista Mantuanus,
was zijn bevoorrechte leerling. Zijn lichaam ligt nog
37
Bartholomaeus van Dordrecht — Bartholoraaeusnacht
38
onverteerd in de kathedraal van Mantua. Feestdag
6 Deo.
L i t. : Bibl. Carm. (I).
Bartholomaeus van Dordrecht, Augustijn
uit de 14e eeuw, die afwisselend in de termijnhuizen
te Kampen en te Zwolle verbleef en daar op bedenke-
lijke wijze in zijn predikaties de leer van de broeders
van den vrijen geest verdedigde. B. werd door Geert
Groote bij den bissehop van Utrecht aangeklaagd
en gedwongen dc ketterij te herroepen.
L i t. : Karl Grube, Gerhard Groot und seine Stiftun-
gen (Keulen 1883).
aanzien als redenaar en voorbeeldig religieus. Zijn
preeken zijn niet gedrukt.
L i t. : Arch. Gesch. Aartsb. Utr. (XXVIII 1902,
301-315) ; N. Ned. Biogr. Wb. (III, 859).
Bartholomaeus van Pisa, Minderbroeder,
f ca. 1401. Vooral bekend door zijn werk: De confor-
mitate vitae B. Francisci ad vitam Domini Jesu,
geschreven einde 14e eeuw. Bevat vele oude, belang-
rijke teksten over Franciscus. Ofschoon critisch in vele
punten aanvechtbaar, blijft het boek van groote
waarde. Ten onrechte zeer fel bestreden sinds de
16e eeuw, omdat Franciscus daarin met Christus
Bartholomaeusnaeht (naar een oude gravure). Op 22 Aug. 1572 werd admiraal de Coligny tijdens het
lezen van een verzoekschrift door een schot zwaar gewond. Toen later order was gegeven om alle Hugenoten
te vermoorden, werd de admiraal des nachts in zijn bed gedood en uit het raam geworpen, evenals zijn
schoonzoon Téligny. Op deze afb. zijn de verschillende phases van dezo gebeurtenissen naast elkander voorgesteld.
Bartholomaeus van Lucca (T o 1 o m e u s),
Dominicaan, historicus en theologant. * ca. 1236
te Lucca, f 31 Dec. 1326. Stamde uit de familie Fiadoni
Sedert 1318 bissehop van Torcelli.
Werken o.a. : Annales ; Historia ecclesiastica nova;
voltooide St. Thomas’ „de Regimine Principum”. —
L i t. : Scriptores O.P. (I, 541 vlg.) ; Année Dom. Dé-
cembre (II 1909, 844).
Bartholomaeus van Maastricht, een
Kartuizer theoloog, f 12 Juli 1446 te Keulen. Prior
van Bethleem te Roermond, doceerde te Heidelberg
en werd visitator van de Rijnprovincie zijner Orde.
Schreef veel tractaten, meest ascetische.
L i t. : Biogr. Nat.
Bartholomaeus van .Middelburg, Min-
derbroeder. * 1484, f 1564. Trad als predikant
op tegen de Wederdoopers te Amsterdam in 1536
en stond gedurende vele jaren te Utrecht in hoog
zou zijn gelijkgesteld. Ook is verkeerdelijk beweerd,
dat het werk op den Index der verboden boeken zou
geplaatst zijn.
L i t. : Inleiding tot de critische uitgave in : Analecta
Franciscana V (Quaracchi 1912); Neerl. Francisc. (I
1914, 153 vlg.). t;. d. Borne.
Bartholomaeusnaeht, de nacht van 23 op
24 Aug. (feestdag van den H. Bartholomaeus) 1572,
waarin te Parijs Caspar de Coligny en vele voorname
Hugenoten werden vermoord. Ze waren daar in volle
wapenrusting met de Gtiises verschenen om op 18 Aug.
het huwelijk van den Hugenoot Hendrik van Navarre,
sinds den dood van Condé in naam het hoofd der
Calvinisten, met de Katholieke Margaretha van
Valois, een zuster des konings, bij te wonen. Deze
verbintenis moest den vrede van St. Germain (1570)
tusschen Hugenoten en Katholieken bezegelen.
Vandaar de naam. Parijsche Bloedbruiloft. De schuld
39
Bartholomeeërs — Barthou
40
van dezen moord draagt Catharina de Medici, de
moeder van den jeugdigen koning Karei IX. Zij volgde
de politiek van het evenwicht, een politiek, die er op
gericht was geen der beide partijen, hetzij de Katho-
lieken onder de Guises, hetzij de Hugenoten onder
de Bourbons, overheerschend te laten worden. Om dat
doel te bereiken schrok zij, als een waardige geest-
verwante van den eveneens uit Florence stammenden
Macchiavelli, voor geen middel terug. Ongevoelig
voor den bloei van het land en het lijden van zoovelen,
liet zij de burgertwisten voortwoeden, om zoodoende
bij de onderlinge verzwakking van de Katholieke
en Calvinistische partijen zelf gemakkelijk de teugels
in handen te kunnen houden. Nu w r as sinds den vrede
van St. Germain de partij der Hugenoten onder de
feitelijke leiding van de Coligny zóó sterk geworden,
dat Catharina de macht over den koning dreigde te
verliezen. Zelfs in diens anti-Spaansche politiek
volgde Karei, tegen Catharina in, den Hugenoot de
Coligny. Eón ding stond daarom bij haar vast: de
Coligny moet onschadelijk gemaakt worden. In
afspraak met de Guises besloot zij tot een aanslag op
zijn leven. De Coligny werd slechts gew r ond (22 Aug.).
De situatie w T erd moeilijk voor Catharina. Was zij
de Hugenoten niet voor met niemve maatregelen,
dan kon zij op de wraak dezer militair voortreffelijk
georganiseerde partij rekenen. En in haar geest rees
het plan op van den massa -moord, wellicht niet in
die barbaarschheid, waarmede het is uitgevoerd,
maar toch in een wTeedheid, die ieder met afgrijzen
vervult. Om zichzelf buiten verdenking te houden,
trachtte zij aan dezen moord een schijn van recht te
geven. In een kroonraad van 23 Aug. wdst zij den
koning als hoogsten rechter de verklaringteontwTingen ,
dat de Hugenoten verraders en dus staatsgevaarlijk
waren. Een gewelddadig optreden scheen dus alles-
zins gemotiveerd. Reeds den volgenden nacht begon
de slachting, waarbij de soldaten door het gepeupel
werden geholpen. Als eerste offer viel de Coligny
met vele Hugenoten. Roof lust, wraak en moordzucht
spanden samen, om de uitvoering zoo bloedig mogelijk
te maken, en daarom spaarde men in vele gevallen
ook de Katholieken niet. Men beperkte zich niet tot
Parijs, het bloed stroomde nog overvloediger daar-
buiten, vooral in de steden, die vroeger bij herhaalde
bezetting het fanatisme der Hugenoten hadden onder-
vonden. In 3 dagen w T erden volgens betrouwbare
schatting alleen in Parijs 2 000 mcnschen vermoord,
daarbuiten 6 000 h 8 000, volgens Pastor 3 000. Maar
Catharina had haar doel bereikt. Zij had haar over-
wicht op den koning teruggewonnen. Was do op
22 Aug. gepleegde aanslag op de Coligny gelukt, dan
zou de geschiedenis geen B. kennen en daarom was
van een stelselmatige voorbereiding tot dezen moord
in massa geen sprake.
Hoe verklaart men de vreugde der Kerk over zoo’n
wreedheid? Allereerst doordat een verkeerde voor-
stelling van het feit werd gegeven. De vreugde open-
baarde zich bij de geestelijkheid van Parijs in een
plechtige Mis met processie op 28 Aug.; te Rome o.a.
in een consistoriale allocutie (5 Sept.) van Gregorius
XIII, waarin de paus zijn dank uitspreekt jegens God;
in het zingen van een Te Deum, door den paus voorge-
schreven; in diens aanwezigheid bij de dankzegging in
de Fr. Kerk (8 Sept.); in het slaan van een medaille
met een verderfengel, die de Hugenoten doodt; in de
opdracht aan Vasari, om op een fresco deze gebeurtenis
te vereeuwigen; kortom in alles, wat gebruikelijk
was, als Rome de verijdeling van politieke rebellie
en de onderdrukking van een ketterij placht te vieren.
Deze feesten golden de vermeende verijdeling van
een aanslag en dezer goede gevolgen, in casu
de redding van den koning en diens rijk. de zegepraal
van den Katholieken godsdienst, de nederlaag van
een vijand, die in zijn haat tegen Rome geen grenzen
kende, het óchec van de anti-Spaansche politiek.
Rome jubelde, omdat het was misleid en in dien tijd
van slechte verkeersmogelijkheid w f as het moeilijk
de waarheid te achterhalen. De schuld lag voor een
deel bij Karei Guise, kardinaal van Lotharingen, die
met instemming van de Fr. kardinalen de berichten
van den pause lijken nuntius te Parijs zóó commen-
tarieerde, dat de paus wel aan een samenzwering
moest geloovcn. Op 5 Sept. volgden de officieele docu-
menten van koning Karei IX en Lodewijk van Bourbon,
waarin uitdrukkelijk van een samenzwering van de
Coligny tegen de koninklijke familie en de Katholieke
magistraten, cn van een plan tot definitieve invoering
van het Protestantisme gesproken w T erd. De Parijsche
geestelijkheid had de eerste dagen in dezelfde mcening
verkeerd .
Lit. : Dr. J. de Jong, Het Schild (1922, 81-86);
Pastor, Gesch. der Papste (IX l - 1 1923, 352-379);
Y. de la Brière, La Saint-Barthélemy, in Dict. Apolog.
(1925, kol. 420-426); Christ. Encycl. (1 1925, 239, een
artikel, waarin alle oude verwijten worden gehandhaafd).
Wachter 8.
Bartholomeeërs, > Bartholomieten.
Barlholomeus, >Bartho lorna eus.
Bartholomcw, Joh. G e o r g, cartograaf.
* 22 Maart 1800 te Edinburgh, f 13 April 1920 te
Cintra (Portugal). Hij was sedert 1884 secretaris
van de Scottish Geographical Society; teekende
uitnemende kaarten.
Werken: Comparative Atlas ; Atlas of Scotland ;
Atlas of Meteorology ; Atlas of Zofigcography ; Atlas of
the World8 commcrce ; Physical Atlas.
Bartholomieten. 1° Monniken van den
regel van den H. Basilius, oorspronkelijk in Armenië,
vanw r aar zij ook Armeensche Broeders
heeten. Stichtten, na de uitdrijving uit hun vaderland
(1307), te Genua een kerk van den H. Bartholomaeus,
naar wien zij voortaan genoemd werden. Namen hier
in het Westen den regel van den H. Dominicus aan,
doch kwamen niet tot bloei en werden in 1650 opge-
heven.
2° Vereeniging van seculiere priesters, in
1640 in Beieren gesticht door den kanunnik Bartholo-
meus Holzhauser. Doel: goede zielzorgers aankw r eeken
en heiligen priesterijver onderhouden. Voerden daartoe
een gemeenschappelijk leven. Ze zijn vooral verspreid
geweest in de midden -Europeesche landen. In de woe-
lingen van het eind der 18c eeuw ging deze instelling
ten gronde.
Lit.: Loxikon für Theol. und Kirche onder Bartholo-
maer cn Bartholomiten ; Heimbuchcr, Die Orden und
Kongrcgationen der Kath. Kirche (II en 111).
Gorris.
Barthou, 1° Jean Louis, Fr. staatsman,
* 1862 te Oloron-Sainte-Marie; advocaat te Pau.
Sedert 1889 gematigd republikeinsch kamerlid. Meer-
malen minister, van Openbare werken of Justitie
1804 — ’95, 1896— ’98, 1906— ’09, 1909— ’ll en 1913,
in de kabinetten Dupuy, Méline, Sarrieu, Clcmenceau
en Briand. Onmiddellijk vóór den wereldoorlog min.
pres., ijverde voor den 3-jarigen diensttijd en verster-
king van landleger en luchtvloot. In 1917 min. van
41
Barthout van Assendclft — Bartolini
42
Buiten landsche Zaken, van 1921 tot ’22 min. van
Oorlog in het kabinet Briand, van 1922 tot *24 en
van 1920 tot *28 min. van Justitie onder Poincaré:
van 1922 tot 1926 lid der Ilerstelcommissie; neemt
actief deel aan de Roerpolitiek van Poincaré. Sedert
1922 senator. Ook bekend als letterkundige.
Werken: L’action syndicale (1904) ; Mirabeau
(1913) Lamartine orateur (1914); Lettres è un jeune
Francais (1918); Les Amours d’un poète (1920); Le
général Hugo (1920) ; IX Thcrmidor (1927) ; Danton
U 93 |)« Coscmans.
2° L o u is, Fransch politicus en schrijver van
letterkundige monographieën. * 25 Aug. 1862 te
Oloron-Ste-Marie. De politiek van B., die van Maart
tot Pee. 1913 eerste minister in Frankrijk was, schijnt
tot de verscherping der internationale verhoudingen,
die op den wereldoorlog uitliep, te hebben bijgedragen.
Trad 1918 in de Académie Fran$aise.
Werken: Mirabeau (1913); Lamartine orateur
(1916) ; Lettres a un jeune Francais (1918) ; Les amours
d’un poète (1919) ; Le traité de paix (1919) ; La bataille
du Maroc (1919) ; De Napoléon au soldat inconnu (1922) :
Le polilique (1923); Autour de Lamartine (1925): Vie
amoureuse de Wagner (1926); Etude et analyse (1929).
Barthout van AsscncleJift, 1° zoon van
Gerrit (f 1336 of 1337), ontving 8 Nov. 1315 van Willem
III het schoutambt van Assendelft. Waarsch. in dat
jaar gehuwd met een bastaarddochter van Dirk van
Duivenvoorde, die onvrij was en waardoor hij dus
ook onvrij werd. 1317 werd hij door den graaf in den
stand der vrijen opgenomen. 1320 werd hij ambachts-
heer.
L i t. : Nieuw Ned. Biogr. Woordenboek (VII, 26).
2° Kleinzoon van den vorige. * ca. 1360, f 1443.
Streed onder Albrecht tegen de Friezen en in den
Arkelschen oorlog onder Willem van Oostervant.
In 1421 werd hij aanhanger en vertrouweling van
Jan van Beieren.
L i t. : Nieuw Ned Biogr. Woordenb. (VII, 27).
Bartirnoüs (zoon van Timeüs), een blinde
bedelaar, door Christus te Jericho genezen (Mc. 10.
46-52).
Bartjens, Willem, bekend Ned. reken-
meester. * 1593 of 1587, f 1673 te Amsterdam. Vooral
bekend om zijn werk Cijferingho (1633),
een leerboek der rekenkunde, dat tot in de 19e eeuw
werd gebruikt. Zijn naam leeft voort in de uitdrukking:
„volgens Bartjens”.
Bartlesvillc, spoorwegcentrum en industrie-
stadje in den N. Amer. staat Oklahoma, 36° 45' N..
95° 55' W.; vlieghaven. In 1930: 14 763 inw. (in 1900
maar 698). Dankt vooral haar opkomst aan de winning
van petroleum en natuurgas; proefstation van het
U.S. Bureau of Mines.
Bartlott, V e r n o n, Engelsch journalist,
sedert 1922 verbonden aan het secretariaat van den
Volkenbond. * 1894. Diende in den oorlog 1914 — *15 ;
werd toen opgenomen in de redactie van The Daily
Mail, daarna in Reuter’s nieuwsbureau, sedert 1919
in de redactie van The Times, waarvan hij buiten-
landsch correspondent was (in Zwitserland, Duitsch-
land. Polen en Italië) tot 1922.
Werken: Behind the Scènes at the Peace-Confe-
rence (1919); Topsy Turvey (1927); Calf Love (1929);
No Man’e Land (1930); heeft R. C. Sheriff’s drama
Journcy’s End (1929) om- en bijgewerkt tot een aan-
grijpenden oorlogsroman (1930) ; The World our Neigh-
bour (1931). Pompen.
Bartnincj, O 1 1 o, Duitsch bouwmeester, prof.
in Berlijn, vooral bekend als bouwer van Protestant-
sche kerkgebouwen. In zijn bouwkunst streeft hij
nieuwe oplossingen in het ruimte- en lichtprobleem na.
Schreef: „Vom neuen Kirchenbau” (1913), een bouw-
program. * 1883.
Voorn, werken: stalen kerk op de Pressa-
tentoonstelling in Keulen ; Evangelische kerk te Essen :
ronde centraalbouw (1930); fabrieken, ziekenhuizen,
woonhuizen.
Bartoon, Jan, Brugsch rederijker, dichter van
een Clachte op zijn vriend Anthonis de Roovere in
1482.
L i t. : J. T. Willem8, Belg. Museum (IX, 195).
Bar tok, B é 1 a, de belangrijkste der heden -
daagsehe Hongaarsche musici naast Zoltdn Kodaly;
* 25 Maart 1881 te Nagy Szent Miklós (Hongarije,
thans Roemenië). Zijn composities zijn gebaseerd op
de folkloristische melodieën, die hij in samenwerking
met Kodaly door middel van de grammophoon vast-
legde en opteekende (behalve Hongaarsche ook Roe-
meensche en Arabische melodieën; in totaal meer
dan 6 000); hij publiceerde eenige belangrijke studies
op dit gebied, o.a. Das ungarische Volkslied (Berlijn
1925) en verschillende tijdschriftartikelen. Zijn com-
positie-stijl is vooral rhythmisch en harmonisch zeer
persoonlijk en gedurfd.
W e r k e n : opera’s, orkestwerken, liederen, piano-
en kamermuziek ; talrijke bewerkingen van volks-
liederen. Reeser .
Bartoli, 1° A d o 1 f o, Italiaansch letterkundig
historicus, * 19 Nov. 1833 te Fivizzano, f 16 Mei 1894
te Genua. Bekleedde verschillende ambten te Florence,
Alexandrië, Livorno en Piaccnza, was professor aan
de hoogere handelsschool te Venetië (1868 — ’74)
en daarna leeraar in de geschiedenis der letterkunde
aan het Istituto di studi superiori te Florence.
W e r k e n : I viaggi di Marco Polo (Florence 1863) ;
I primi due secoli della letteratura italiana (Milaan
1871-’80); L’evoluzione del vinascimento (Florence 1875);
I precursori del Boccaccio (Florence 1876); Storia della
letteratura italiana (7 dln. Florence 1878-’89, Duitsche
vertaling door R. v. Rhcinhardstüttner).
2° D a n i e 1 1 o, Italiaansch geleerde en rector
van het Jezuïetencollege te Rome; schreef de geschie-
denis van de orde der Jezuïeten, alsook zedekundige,
ascetische en natuurkundige werken. * 12 Febr. 1608
te Ferrara, f 13 Jan. 1685 te Rome.
Werken: Vita e istituto di S. Ignazio (1650);
Istoria della compagnia di Gesü (5 dln. 1663-73).
Zijn gezamenlijke werken verschenen onder den titel :
Opere (67 dln. Napels 1854-’59).
Bartolini, 1° L o r e n z o, Ital. beeldhouwer;
* 7 Jan. 1777 te Vemio bij Savignano, f 20 Jan. 1850
te Florence. Ging 1797 naar Parijs, waar hij veel met
Ingres omging. Deze vriendschap had grooten invloed
op zijn werk. Hij kreeg hier spoedig den tweeden prijs
van de Fransche academie. Door bemiddeling van V.
Denon kreeg hij opdrachten o.a. voor een buste van
Napoleon en reliëfs voor de Vendóme-zuil te Parijs.
1808 door Napoleon naar Carrara gezonden, om aldaar
een beeldhouwschool te stichten. Na den val van het
keizerrijk vestigde hij zich te Florence en werd hier
aangesteld als leeraar van de teekenacademie (1839).
Met Canova een der belangrijkste figuren onder de
Ital. beeldhouwers van het begin der 19e eeuw, van den
tijd van het neo-Klassicisme.
Werken: o.a. in het Pal. Pitti te Florence ; het
standbeeld voor Loon Battista Alberti, in S. Croce te
Florence ; de groote marmergroep van het mus. Poldo
Perzoli te Milaan. — L i t. : Willard, Hist. of modem
Ital. art (1902). de Stuers.
43
Bartolo di Fredi — Bartolommeo di Giovanni
44
2 ° O r’ in D i o, componist, in 1633 kapelmeester
aan den dom te Udine.
Werken: twee boeken 2-8-st. „Messe concertate” ;
8-st. Maria-litanieën ; een boek 5-st. madrigalen (1606) :
3-st. „Canzonette ed Arie alla Romana” (1606) ; 1-8-st.
motetten met basso continuo (1634, 1663).
Bartolo di Fredi, Italiaansch schilder, * ca.
1330 te Siena, f 1410 aldaar. Begon in 1353 een werk-
plaats met Andrea Vanni. Na eerst in S. Gimiguiano
gewerkt te hebben, verblijft hij van 1367 af in Siena,
waar hij herhaalde malen deelneemt aan de regeering
der stad. Stilistisch behoort hij tot de reeks van eenigs-
zins stereotype trecentoschilders in Siena, die door-
gaan op de sierlijke types van Simone Martini en de
Lorenzetti’s. Een iets sterker realisme en een zekere
levendigheid en frischheid in de kleur zijn den werken
van B. eigen.
Werken: Kindermoord te Bethlehem (1376, coll.
d’Hendecourt, Parijs); Presentatie in den tempel (Louvre,
Parijs); Aanbidding der koningen en kroning van Maria
(Museum, Siena) : Kroning van Maria voor Montalcino
(1383-1388 ; in Montalcino en Siena worden deelen
van de polyptiek bewaard) ; fresco’s met episoden uit
het leven van Maria in S. Agostino te S. Gimiguiano
(ca. 1390). A. B . de Vries.
Bartolonrimco, f r a, bijgenaamd B a cci o
della Porta, Dominicaan, een der groote schil-
ders der Renaissance. * 1472, f 1517. In 1485 wordt
hij leerling van Cosimo Rossclli, richt in 1492 met
zijn medeleerling Albertinelli een gemeenschappelijk
atelier op, wordt in 1500 Dominicaan en komt in
1501 in het klooster San Marco te Florence. In 1509
maakt hij een studiereis naar Venetië, w r aar hij van
Bell in i kleurenrijkdom en krachtige lichtvoering leert,
het aanbrengen van musiceerende engelen en nieuwe
Madonna -composities. In 1514 maakt B. een studie-
reis naar Rome om Michelangclo en vooral Raffaël te
bestudeeren; gaat echter datzelfde jaar wegens ziekte
naar Rian di Mugnone, waar hij blijft tot zijn dood.
In de kunst van B. onderscheidt men: 1° zijn eersten
leertijd (1485—1500), waarin hij een der belangrijkste
portretten der Renaissance schilderde, nl. het portret
van Savonarola, een meesterwerk ; 2° zijn tweeden leer-
tijd (1500 — 1508), waarin hij het Visioen van den H.
Bemardus, Christus in Emmaus en een altaarstuk
in den dom te Lucca vervaardigde; 3° den bloeitijd
van zijn kunst (1509 — ’14), waarin o.m. ontstonden
een Madonna (in San Marco), Verloving en Huwelijk
van de H. Catharina (resp. in het Louvre en Palazzo
Pitti), een Madonna (in Besan^on); 4° zijn laatste
jaren (1504r— ’17) brachten o.a. Salvator mundi en
Mater misericordiae. In 1497 had B. door invloed van
Savonarola alle werken met profanen inhoud ver-
nietigd; na zijn bekeering schilderde hij alleen reli-
gieuze stukken. Maar zelfs in zijn besten tijd overtrof
hij niet meer zijn grootste werk, het portret van Savo-
narola.
Bartolommeo delta Porta, F r a, ook wel
Baccio della Porta genoemd. Dominicaan,
Italiaansch schilder; * 28 Maart 1472 te Florence,
f 1517; Zoon van den vrachtvaarder Paolo del Fatto-
rino, die in Florence bij de Romeinsche Poort woonde
(vandaar: della Porta). Vanaf 1485 was hij leerling
van Cosimo Roselli. In zijn ontwikkeling zijn drie
perioden te onderscheiden. 1° Jeugdperiode.
In 1494 opent hij met zijn medeleerling Mariotto
Albertinelli een atelier; hij komt zoo onder den indruk
der preeken van Savonarola (1496 en 1497), dat hij
besluit al zijn profaan schilderwerk te vernietigen.
Zoodoende is er uit deze periode weinig bewaard:
portret van Savonarola in het Sint Marco -klooster
en een fresco, het Laatste Oordeel voorstellend, voor
het kerkhof der S. Maria Novella, waarvan resten in
het Uffizi-museum; een Anmmtiatie in den dom van
Volterra is zeker geen eigenhandig w T erk.
2° M i d d e n t ij d. Albertini moest het fresco
voltooien, daar door een ons niet nader bekende ge-
beurtenis bij een burgergevecht te Florence, B. zich
afkeerde van de wereld en Dominicaan werd. In zijn
eerste klooster jaren legde hij zich op teekenen toe,
maar verrast door de resultaten, welke Piero di Cosimo
en zijn jonge vriend Raffaël met hun olieverf-procédé
bereikten, nam hij het penseel weer op en schilderde
voor de Badia met lange onderbreking een „Ver-
schijning van Maria aan den H. Bemardus” (1504 —
1507). Hierin blijkt B. eerder leerling dan leermeester
van Raffaël te zijn. Een kort verblijf in Venetië (1508)
ontwikkelde zijn natuurlijk kleurgevoel en verbeterde
zijn compositie: in het koloriet vond hij een
middel om de accenten zijner composities kracht bij
te zetten. Zijn groepeer ing krijgt een sterk rhythme,
zijn draperieën verwerven een ongekende losheid en
natuurlijkheid (hij zou de ledepop het perst voor
draperie-schilderen gebruikt hebben), terwijl hij toch
de beheerschte monumentaliteit van zijn voorgangers
behoudt. In Florence vormt hij met zijn vroegeren gezel
Mariotto Albertinelli de School van Sint Marco. Het
sterkst komt de invloed van Raffaël uit in zijn werk
voor het Palazzo della Signoria, dat nauw aansluit
aan diens „Madonna van het Baldakijn”. Na Alber-
tinelli kreeg hij een minder bekwamen helper in fra
Paolino del Signoraccio (1490 — 1547).
3° Invloed van Rome. Een door malaria-
koortsen verkort verblijf in Rome (1514), waar hij
St. Paulus en St. Petrus (door Raffaël voltooid)
schilderde, bracht hem een tijdlang in den ban der
Romeinsche schildermanier, waardoor zijn werk veel
van de vroegere soepelheid verloor. Toch vond hij in
Florence zichzelf spoedig terug. Als rest van zijn
Romeinsch verblijf kan misschien gelden de statuari-
sche opvatting van zijn hoofdfiguur in zijn „Verlosser
te midden der Evangelisten”. Zijn teekeningen, die
vroeger vooral zich richtten op juiste en strenge om-
trekken, wmrden nu gevuld en op kleurwerking be-
rekend. Do malaria brengt hem naar het graf (31 Oct.
1517) in het klooster der H. Magdalena in Pian di
Magnone, een buitenverblijf der Dominicanen van
San Marco.
Voorn, werken: Uit de eerste periode :
Portret van Savonarola (Florence, S. Marco) ; Laatste
Oordeel (resten in de S. Maria Novella, Florence) ;
Annuntiatie (waarsch. niet eigenhandig ; Volterra, dom).
Uit de tweede periode : Verschijning van Maria aan
Sint Bemardus (1504-1507 ; Florence, Badia) ; Ver-
loving der H. Catherina (1511 ; Parijs, Louvre) (Florence
Uffizi). Uit de derde periode : S. Marcus (Florence)
Pitti) ; O.L. Vrouw van Barmhartigheid (1515 ; Lucca) ;
Verlosser te midden der Evangelisten (Florence, Ritti) ;
Opdracht van Christus in den tempel (Weenen) ; Be-
weening van Christus (Florence, Pitti; voltooid door
Giuliano Bugiardini). — L i t. : Knapp, Fra B. d. P.
(1903) ; von der Babelentz, Fra B. (2 dln., 1922) : Venturi,
Storia dell’ arte italiana (VIII 1, 1925). Knipping.
Bartolommeo cli Giovanni, Ital. schilder
uit het eind der 15e, begin der 16e eeuw, afkomstig
van Florence. Hij werkte samen met Domen ico Ghir-
landajo, voerde de zeven paneeltjes der predella van
diens Aanbidding der Wijzen uit in het Hospitaal der
45
Bartolommeo Y eneto — Bartramiaceeën
46
Onnoozele Kinderen te Florence (1488) en schijnt
hem ook bij de beschildering der Maria Novella in die
stad geholpen te hebben (1488 — ’90). In het Vaticaan
schilderde hij onder leiding van Pinturicchio in de
zaal der mysteriën van het Appartamento Borgia
een Geboorte van Christus en een Aanbidding der
Wijzen. Ofschoon hij voornamelijk de kunst van zijn
eersten leermeester Ghirlandajo weerspiegelt, roept
zijn werk tevens herinneringen aan Mainardi, Botticel-
li en Filippino Lippi op. Boven de middelmatigheid
komt hij niet uit, zijn kleuren ziin vaal.
Voorn, werken: behalve de boven genoemde
nog : H. Hiëronymus in de galerij van de academie van
Florence ; De Aartsengel Raphaël in de Gallerie van
Dresden. — L i t. : de Francovich, Nuovi aspetti della
personalita di B. di G. in Bolletino d’arte. Nuovo serie
(VI 1926-’27, 65 vlg. en 540 vlg.). Knipping.
Bartolommeo Veneto, Ital. schilder van het
begin der 16e eeuw. Hij noemt zichzelf leerling van
Gentile Bellini, ondergaat naast Venetiaanschen, ook
Lombard ischen en in later tijd zelfs Duitschen invloed
(Dürer). Zijn harde teekenmanier doet sterk denken
aan werk van Cima da Conegliano.
Voorn, werken: Madonna’s (vele in privaat-
bezit) ; Besnijdenis van Christus (privaat bezit in Enge-
land) ; Salome met het hoofd van St. Jan den Dooper
(Dresden, Gallerie) ; H. Catherina ( Glasgo w, Museum) ;
Portret van een jonge vrouw (Frankfort, Stadel Insti-
tuut) ; Jongeman met gesp (Rome, Galleria Corsini). —
L i t. : Venturi, Storia dell* arte italiana (VII 4, 1915) ;
von Hadeln, Venezianische Zeichnungen des Quattro-
cento (1925).
Bartolozzi, Francesco, Ital. schilder en
graveur; * 1727 te Florence, f 7 Maart 1815 te Lissabon.
Leerling van de acad. te Florence en korten tijd te
Rome. Studeerde hier naar de Antieken en begon in
koper te graveeren. 1745 komt hij op het graveurs -
atclicr van Joscph Wagner te Venetië. Werkte hier
onder leiding van Wagner voor uitgevers. Zijn stijl
ontplooit zich hier weldra en in dit vroege werk is
reeds een groote persoonlijkheid merkbaar. Hij werkte
hier vnl. naar A. Zucchi, Zuccarelli, Marco en Seb.
Ricci, G. B. Piazetta e.a. Deze vroege prenten onder-
scheidden zich reeds door hun zilverige techniek en de
virtuose losse en soepele manier van graveeren. Was
tevens ook een voortreffelijk teekenaar en aquarellist.
Kleine portretten en miniaturen. Door bemiddeling
van Dalton gaat hij in 1764 naar Londen. Hier werd
hij spoedig beroemd. Werkte veel voor het hof en de
kon. verzamelingen, later voor verschillende uitge-
vers. B. was een der belangrijkste graveurs van zijn
tijd. Vooral de prenten uit deze periode hebben zijn
naam gevestigd. Hij werkte behalve in de gewone
burijngraveertechnick, vnl. in het pointille en de
crayon-manier en voerde zijn werk op tot een groote
volmaaktheid. Zeer fraaie portretten en portretgroe-
pen, o.a. naar Angelika Kaufmann, G. B. Cipriani,
G. Morland, Gainsborough en W. Hamilton.
L i t. : Brinton, Bartalozzi and his pupils in England
(Londen 1904) ; J. T. Herbert Bailly, Bartolozzi (Londen
1907). de Stuers.
Ita Hollis cli Sassoferrato, Italiaansch rechts-
geleerde, * 1314, f 1357; behoort tot de school der
postglossatoren (commentatores), die zich van die der
> glossatoren onderscheidt, door in plaats van korte
verklarende aanteekeningen, langgerekte verhande-
lingen te schrijven o eer afzonderlijke plaatsen uit het
corpus iuris civilis. B. verkreeg grooten invloed, zóó
zelfs, dat men de postglossatoren ook wel Barto listen
noemt. De latere rechtsgeleerden hebben het gezag
van B. overschat. Men kon geen goed jurist zijn zon-
der de meeningen van B. te zijn toegedaan: nemo
bonus iurista nisi sit bartolista ! Zie ook de beteekenis
van B. voor de > Statutentheorie.
Werken: Commentaren op het Digestum vetus,
Infortiatum, Digestum novum, den Codex, de Tres libri
en het Authenticum. Voorts Consilia, quae«tiones en
tractatus. (Vaak gedrukt o.a. Opera omnia, Bazel
1588- ’89, en Venetië 1615). — L i t. : F. C. von Sa-
vigny, Geschichte des Römischen Rechts im Mittelalter
(VI Heide! berg 2 1850, 137-184): C. N Sidney Woolf,
Bartolus of Sassoferrato (Cambridge 1913).
Her mesdor f.
Barton, 1° Bruce, Amerikaansch Puri-
teinsch schrijver met zeer moderne allures.
Werken: The Man Nobody knows (1924) ; The
Book Nobody knows ; What can Man Believe ? (1930).
2° Elisabeth, genaamd „The Maid (meisje,
maagd) of Kent”. * omstr. 1506 te Aldington in Kent,
f 1534 te Tybum. Ze was dienstbode op een landgoed
van den aartsbisschop van Canterbury, William War-
ham. Opmerkzaam gemaakt op haar geestesverruk-
kingen en voorspellingen, liet deze een onderzoek in-
stellen door een commissie van seculiere en reguliere
geestelijken, die zich te haren gunste uitsprak. Ze
trad daarna nabij Canterbury in een klooster der Bene-
dictinessen. Door haar heftige protesten „in naam en
op gezag van God” tegen de echtscheiding van Hen-
drik VIII, door haar voorspelling van diens vroeg-
tijdigen dood als straf voor de zonde, door den steeds
grooter wordenden toeloop van pelgrims en belang-
stellenden, werd zij een gevaar voor de koninklijke
plannen. Aan aartsbisschop Cranmer, door Cromwell
met een onderzoek belast, zou ze ten slotte bekend
hebben nooit visioenen te hebben gehad. Ze werd
wegens samenzwering veroordeeld en stierf met zes
geestelijken als zgn. medeplichtigen op het schavot.
Wat er van die bekentenis waar is, zal wel nooit wor-
den uitgemaakt. Verdacht blijft, dat die bewering
stamt uit den kring van Cromwell en diens handlan-
gers. Op zulke zw r akke bewijzen mag men een klooster-
zuster, met wie zelfs bisschop Fisher en Thomas More
sympathiseerden, niet tot een bedriegster verlagen.
L i t.: The Catholic Encyclop. (II 1907, 319); Britanni-
ca (III 14 1929, 155, oordeel is niet gunstig) ; Dict. Hist.
Géogr. Eccl. (VI 1932, 1052). Wachters.
Bartonia ornuta (plant k.), > Mentzelia
decapetala.
Barfonien, onderafdeeling van het Eoceen in
het Anglo-Gallische Krijt- en Tertiairbekken. De
naam is afkomstig van den Barton Cliff in Hamshire
(Engeland).
Barton-oïi-IIumber. Dit plaatsje in Lin-
colnshire (Engeland) bezit een merkwaardige parochie-
kerk (H. Maria) uit Angelsaks ischen tijd, waarvan de
koorsluiting is gesloopt en vervangen door een vol-
ledige Gotische kerk, zoodat het gebouw thans bestaat
uit een Angelsaksisch koor en schip, waarboven een
centrale toren (alles ca. 9e eeuw), vervolgens een drie-
beukig Gotisch schip met koor (14e eeuw).
L i t. : Francis Bond, English Church architecture
(I Oxford 1913, 215); B. Brown, The arts in early
England (III Eccles. architecture, Londen 1903, 2 1926) ;
verder > Engelsche bouwkunst. F. Vermeulen.
Bartosjewics, J u 1 j a n, Poolsch letterkundig
criticus en cultuurhistoricus. * 1821 te Bjala, f 1870
te Warschau.
U i t g. : Verz. Werken (11 dln. Krakau 1877 vlg.).
Bartramiaceeën , een familie van loofmossen
met smalle bladeren en eindstandige vruchten, omvat
47
Bartsch — Baruch
48
18 geslachten, o. a. Bartramia, Bartramsmos (Bar*
tram ia pomiformis, appelvormig
B. mos). Ze vormen een tapijtachtige bedekking
van boschgronden.
Bartsch, l c Adam v o n, Oostenrijksch schil-
der, graveur en etser. * 17 Aug. 1767 te Weenen, f 21
Aug. 1821 aldaar. Leerling van de graveerschool te
Weenen. Omstreeks 1775 maakte hij ontwerpen voor
gedenkpenningen. In dezen tijd aangesteld aan de
hofbibliothcek te Wcenen; was tevens conservator
voor de daaraan verbonden prenten verzamelingen.
Vooral bekend als schrijver van knnsthist. verhande-
lingen, opstellen, catalogi, enz. Sedert 1794 gaf hij
verschillende catalogi uit van oude gravures en etsen,
een catalogus van teekeningen in de verzameling van
prins Carel de Ligne. Van 1803 — 1821 gaf hij zijn
hoofdwerk uit „Le peintre graveur”, een biographisch
handboek voor prentverzamelaars. Met groote nauw-
keurigheid samengesteld, is dit laatste werk nu nog
van groot belang voor kunsthist. studie en bevat het
biographische gegevens en bijzonderheden omtrent
het werk van belangrijke meesters, zooals Rembrandt,
Lucas van Leyden, e.a. Verder gaf hij uit verschil-
lende reeksen' prenten naar de werken der groote
graveurs, zooals Dürer en Burgkmair. Zelf een zeer
verdienstelijk graveur en etser, kopieerde hij met
groote nauwkeurigheid en zeer talentvol de teeke-
ningen van verschillende oude meesters en graveerde
ook wel naar schilderijen. de Stuers.
2 ° K a r 1 , Duitsch Germanist uit de school der
Grimms en Romanist. * 25 Febr. 1832 te Sprottau,
f 19 Febr. 1888, als hoogleeraar te Heidelberg. B. was
gespecialiseerd in de tekstkritiek van oud -Hoog -
duitsche, Proven caalsche en oud-Fr. schrijvers; hij
leidde de reeks Deutsche Dichtungen des Mittelalters
(1872 vlg.) en stichtte in 1869 het gewichtige vaktijd-
schrift Germania. Als litterairhistoricus moderniseerde
hij de handboeken van Gervinus en Koberstein; in
den strijd rondom het Nibelungen -probleem koos
hij de zijde van Pfeiffer, tegen de Lachmann -school.
Werken: De groote Nibelungen-uitg. (3 dln. 1870
vlg.) ; Grundriss zur Geschichte der provenzalischen
Literatur (1872) ; Gesammelte Vortragc und Aufs&tze
(1883). — L i t. : W. Golther in Allg. D. Biogr. (XLVII
1903). Baur.
Bartsch ia (p 1 a n t k.), een Amerikaansch
geslacht van de familie der Scrophulariaeeae, is in-
heemsch in het Andesgebergte. In Europa groeit B.
a 1 p i n a in het hooggebergte (Sudeten en Zwarte
Woud).
Baruch (= de gezegende), zoon van Nerias,
vriend en vertrouweling van den profeet Jeremias.
Deze dicteerde hem in 605 zijn profetieën en liet ze
hem in den tempel voorlezen (Jer. 36). Toen koning
Joakim de boekrol vernietigde, schreef B. ze opnieuw
op. Na verkoop van zijn akker in Anatol vertrouwde
Jeremias B. den verkoopbrief toe (Jer. 32. 12). Na den
val van Jerusalem en den moord op den stadhouder
Godolias werd hij met Jeremias door zijn volksgenooten
naar Egypte meegevoerd. Volgens het boek Baruch
(1. 4; zie ondei) bevond hij zich later in Babylonië,
vanwaar hij zich met een gedeelte der tempelschatten
naar Jerusalem begaf. Keuters .
Baruch (bijbelboek). Oorspronkelijk in het He-
breen wsch geschreven Bijbelboek, in de 6e eeuw
v. Chr. onder de Joodsche gevangenen van Babylonië
samengesteld door Baruch. Na een historische inleiding
omtrent den persoon van den samensteller (1. 1 — 14),
bevat het bijbelboek Baruch twee voornaamste deelen:
1° een gebed van het verbannen volk, dat zijn schulden
belijdt en God smeekt een einde te stellen aan de
verdiende straf (1.15-3.9) ; 2° een rede van B., die
het volk opwekt tot bekeer ing en tot ware wijsheid,
en de ballingen de naderende verlossing en de bestraf-
fing hunner vijanden aankondigt (3.9-Ö.9).
Bijzonder typeerend in het boek B. is het diepe
gevoel. Eveneens oorspronkelijk in het Hebreeuwsch
geschreven, en even authentiek en canoniek is de
Brief van Jeremias, als appendix van
70 verzen aan het boek B. toegevoegd. Deze brief is
gericht tot de Joden, die in ballingschap zullen gevoerd
worden naar Babylonië, en heeft voor doel de ballingen
af te houden van de Chaldeeuwsche afgoderij. De brief
van Jeremias bericht ons details omtrent de beelden
der Chaldeeuwsche góden en drukt scherp de gevoelens
uit van afschuw en misprijzen, die een trouwe Joodsche
aanbidder van Jahwe daaromtrent vervulden. Brans .
Dc rest der woorden van Baruch, of Paralipomena
van Jeremias. Een apocrief geschrift, waarin de
laatste levensperiode van Jeremias wordt beschreven,
nl. de naderende inname van Jerusalem door de
Chaldeeën en het bevel aan Jeremias om met het volk
naar Baby Ion te gaan, terwijl Baruch in Jerusalem
zal blijven. Als de duur van de Babylonische gevangen-
schap op wonderlijke wijze is bekend gemaakt, meldt
Baruch den na bijen terugkeer naar Palestina, met de
vermaning, geen heidensche vrouwen in het volk
op te nemen. De Joden, die dit toch doen, stichten
dan de stad Saraaria. Tot slot volgt de marteldood
van Jeremias.
Het boek is geschreven door een Jood uit het midden
der tweede eeuw na Chr. en is in meerdere bewerkingen
bewaard.
U i t g. en 1 i t. : A. Dillmann, Chrestomathia
aothiopica (Leipzig 1866, 1-15) ; R. Harris, The Rest
of the Words of Baruch (Londen 1889) ; R. Basset,
Les apocryphes éthiopiens en francais (I Parijs 1893) ;
Libri extracanonici Veteris Testamenti (Venetië 1896,
349-378) ; E. Kautzsch, Die Apokryphen und Pseude-
pigraphen des A. T. (II Tübingen 1900, 402 vlg.) ;
Dict. de la Bible, Supplém. (I Parijs 1928, 454-455).
Greitemann.
Dc Gricksckc Apocalypse van Baruch, of 3 Baruch.
Een apocrief geschrift. Origenes (De Princ. 2, 3, 6)
spreekt over een boek van Baruch, waarin gehandeld
wordt „over de zeven werelden of hemelen”, waarmede
dit geschrift overeenstemt, daar het de reis van Baruch
beschrijft in vijf hemelen. De tekst schijnt afgebroken
te zijn. In den overgeleverd en vorm is het werk Christe-
lijk, maar het veronderstelt een Joodsch origineel.
Het is geschreven kort na 126 na Chr.
U i t g. en 1 i t. : M. R. James, Apocrypha Anecdota
(II Texts and Studies 5, 1, Cambridge 1897, 84-94) ;
E. Kautzsch, Dio Apokryphen und Pseudepigraphen
des A. T. (II Tübingen 1900. 448-457) : R. H. Charles,
The Apocrypha and Pseudepigrapha of the O. T. (II
Oxford 1913, 533-541) ; J. B. Frey, Institutiones Bi-
blicae (Rome 2 1927, 86). Greitemann.
Dc Syrische apocalypse van Baruch, een apocrief
geschrift, dat een onsamenhangende verzameling is
van verhandelingen over den va) van Jerusalem, den
voorspoed der slechten en de verdrukking der goeden,
het laatste oordeel, de komst van den Messias, diens
rijk en de hernieuwing der wereld. Het boek wordt
afgesloten met den brief van Baruch aan de negen en
een halve stammen, waarin de ballingen worden aan-
gespoord tot het onderhouden der wet. Men strijdt
49
Barvaux — Barytonon
50
er over, of dit werk van één of van meerdere schrijver?
is. Hoogstwaarschijnlijk is het geschreven in het
Hebreeuwsch of Arameesch in het begin der 2e eeuw
na Chr. De eenige overgeleverde vertaling is echter
naar het Grieksch vervaardigd.
U i t g. en 1 i t. : A. Ceriani, Monumenta sacra et
profana (1, 2 Milaan 1866, 66-98; (V, 2 Milaan
1871, 113-180) ; R. H. Charles, The Apocalyps of Barueh
(Londen 1896); E. Kautzsch, Die Apokryphen und
Pseudepigraphen des A. T. (II Tübingcn 1900, 404-446) ;
R. H. Charles, The Apocrypha and Pseudepigrapha of
the O. T. (II Oxford 1913, 470-526); Dict. de la
Bible, Supplém. (I Parijs 1928, 418-423). Greitemann.
Barvaux. Belg. gemeente in het N.W. van de
prov. Luxemburg, aan de Ourthe; 1 300 inw.; opp.
1344 ha. Rotsachti*, weiden; landbouw, veeteelt;
economisch centrum in de vorige eeuw; leed in 1914
door Duitschen inval.
Barvaux- Conclroz, gem. in de prov. Namen,
ten N.O. van Dinant; ruim 400 inw., grootendeels
Kath.; opp. 1 884 ha; landbouw.
Barwoutswaarcler, gemeente in Z. Holland
aan den Ouden Rijn, grenzend aan Woerden. 850 inw.,
waarvan 20% R.K. Opp. 382 ha. De gemeente bestaat
uit de polders Barwoutswaarder, Bekenes en gedeelte-
lijk Nieuwerbrug. Secretarie te Woerden. Bestaans-
middelen: veeteelt, potten- en pannenfabricatie.
Bary, Hendrik, graveur, werkzaam te Gouda.
Van zijn hand bestaan een groot aantal kopergravures,
meest portretten van bekende personen. Zijn kunst
is zeer verdienstelijk, getuigt van poote metierkennis
en is niet zonder artistieke kwaliteiten. * 1640, f 1707.
L i t. : Obreen’s Archief (II, IV, V, VI).
Barycentrische coördinaten, > Coördi-
naten.
Barycentrnm , > Zwaartepunt.
Baryc, Antoine Louis, Fransch schilder
en beeldhouwer. * 24 Sept. 1796 te Parijs, f 25 Juni
1875. Leerling van den graveur Fourier, den beeld-
houwer Bosio en den schilder Gros. 1820 Prix de Rome.
Legde zich hoofdzakelijk toe op de plastische weergave
van het dier en den strijd in het dierenleven. Hierin
is hij een der grootste figuren van de 19e eeuw. Zijn
groot talent sproot voort uit een zeer grondige studie
naar de natuur. Behalve beeldhouwer was hij ook
een voortreffelijk schilder en teekenaar. Maakte ook
enkele etsen.
Werken: zijn talrijke werken zoowel in schilde-
rijen en aquarellen als in beeldhouwwerken o.a. in het
Louvre te Parijs, de musea te Puy, Marseille, enz. — Lit.:
Bellier-Auvray, Dict. gén. des artistes ; Bénézit-Auvray,
Dict. gén. des artistes; A. Alexandre, Baryc (1889);
Ballu, L’oeuvre de Barye. de Stuers.
Barycjyroscoop, > Gyroscoop.
Buryphonle (lett. stembezwaring), bemoeilijking
van het spreken.
Barysphcer is een oudere, in onbruik geraakte
naam voor de zware kern van de aarde. > Aarde
(Inwendige van).
Baryl of zwaarspaat, mineraal (voor che-
mische samenstelling, > Baryumsulfaat), behoorend
tot het rhombische stelsel/ van de samenstelling
BaS0 4 , dikwijls verschillend gekleurd. Baryt komt
meestal samen met sulfidische ertsen voor, en speelt
de rol van gangmateriaal. In het algemeen neemt men
aan, dat baryt een hydrothcrmaal mineraal is, d.w.z.
een precipitaat uit warme waterige oplossingen. De
witte baryt werd vroeger veel als vervalsching van
loodwit, meel en suiker gebezigd. Het vindt o.a.
toepassing in de bereiding van barytaarde en soort-
gelijke preparaten. Hof steenge.
De naam baryt wordt ook wel gebruikt voor
baryumoxyde, Bao. Soms ook bedoelt men
er baryumhydroxyde mee.
Barytberidac (( Gr. therinn = dier), een uit-
gestorven familie der Proboscidca (slurfd ieren) uit
het Eoceen van Egvpte. Tot deze familie behoort het
geslacht Barytherium, waarvan overblijfselen zijn
gevonden bij Fajoem (Egypte).
Baryl herin m, > Barythcridae.
Barytocaleiet, vrij zeldzaam mineraal van de
gamenstelling BaC0 3 CaC0 8 . De kristallen zijn mono-
klien en geelwit. B. komt o.a. voor bij Alston in
Schotland; niet van economisch belang.
Bary ton, 1° normale mannenstem, houdt
het midden tusschen bas met diepen, wijden larynx
en korte, breede stembanden, en tenor, met rela-
tief ondiepen, smallen larynx en lange, smalle stem-
banden. Over de erfelijkheid van het stem-timbro,
> Stem. De b. heeft de zwaarte en kracht van het
bastimbre, maar bovendien iets van den glans van het
tenortimbre. Omvang van G tot g ééngestreept.
In Frankrijk ook basse-chantante of concordant
genaamd.
Lit.: Proceedings of the International Congress of
Phonetic Sciences (1933, 74 vlg.).
2° Strijkinstrument, dat in de 18e eeuw
veel gebruikt werd. Zeer gelijkend, ook in bouw, op
de cello. Had zes of zeven bespeelbare snaren,
waaronder zich nog meerdere snaren bevonden, die
meeklonken, of met den duim der linkerhand geraakt
werden. De stemming der bovenste snaren was:
B, E, A, d, g, b, e ééngestreept. Haydn schreef meer-
dere composities voor b., tcrwille van vorst Nikolaas
Esterhazy.
3° B laas instrument; barytonhoom, tot de
> bugelhoorns behoorend ; in symphonie-orkesten
niet gebruikt. E. Andriessenjbr. Herman Jozef.
Bary-tonans, oude benaming voor basstem, in
de 15e en 16e eeuw gebruikelijk. > Baryton.
Barytonclarinet , > Clarinet.
Barytonese (p h i 1 o 1.). In de Grieksche
spraakkunst: het barytonon -(zwaar-tonig)-worden
van een silbe, die nóch acutus (') of hoogtoon,
nóch circumflexus of dubbeltoon heeft, bijv. in logos
(woord) en in doöron (gave) heeft de laatste silbe
barytonese. Een woord, dat, zooals de bovenstaande,
geen accent op de laatste silbe heeft, heet barytonon.
br. Eerman Jozef.
Barytonon, > Barytonese.
51
Barytonsleutel — Barzun
52
Barytonsleutel (muziek), 1° c-sleutel op
de 6e lijn; 2° ook f -sleutel op de 3e lijn. Beide thans
ongebruikelijk.
Barytpapicr dient als onderlaagpapier voor
photographische gelatine-zilver emulsies. Het ver-
hindert, dat bovengenoemde emulsie in de papiervezel
dringt, zoodat als het ware een gesloten photographisch
beeld gevormd wordt. Voordeelen hiervan zijn:
gladde oppervlakte, minimum wegzinken in de
schaduwpartijen.
Barytwater is een oplossing van baryumhydro-
xyde in water. Deze oplossing reageert sterk basisch.
De oplosbaarheid van het baryumhydroxyde bedraagt,
bij 20° ongeveer 7 gram Ba(OH) 2 .8H 2 Ö per liter.
Het baryumhydroxyde wordt gemaakt uit liet in de
natuur voorkomende baryumsulfaat. Dit wordt eerst
met koolstof gereduceerd tot het sulfide, dat daarna
met koperoxyde en water wordt gekookt. B. heeft
in het laboratorium een voordeel boven andere sterke
basen, omdat het door verdund zwavelzuur alsook
door koolzuurgas geheel kan worden omgezet in onop-
losbare verbindingen en aldus verwijderd, v. d. Beek.
Baryum, een element, behoorende tot de alkali-
sche aarden. Atoomgewicht 137,37, atoomnummer 5G,
geen isotopen. Symbool Ba, smeltpunt 850°, kook-
punt 1 146°. B. is uitsluitend tweewaardig.
Historie. In 1602 of 1603 trok het tegenwoor-
dig als baryumsulfaat bekende mineraal zwaarspaat
de aandacht van een schoenmaker uit Bologna,
V. Casciorolus. Deze nam waar, dat het door gloeien
met koolstof en vernis de eigenschap kreeg te phospho-
resceeren. Vandaar dat de steen genoemd werd „lapis
Solaris”, ook wel Bologneezer steen. Dit phosphores-
ceeren is later verklaard, doordat er baryumsulfide
gevormd was, dat die eigenschap bezit. Davy was
de eerste, die door electrolyse het b. als metaal heeft
afgescheiden. De naam b. is afkomstig van het zware
mineraal zwaarspaat (barus = zwaar).
Bereiding. Men bereidt b. door electrolyse
van een heete oplossing van baryumchloride met een
kathode van kwik. Het gevormde baryumamalgaam
wordt bij verhitting van kwik bevrijd, en het b. door
distillatie gezuiverd.
Eigenschappen. Het b. is een zeer onedel
metaal en wordt door water en alle zuren zeer gemakke-
lijk aangetast. Ook de halogenen, zwavel, zuurstof
en zelfs waterstof tasten het gemakkelijk aan. Het
heeft geen technische toepassing. v. d. Beek.
Baryumaluminaat, > Aluminaten.
Baryumcarbonaat, een witte, in water
onoplosbare stof, die in de natuur als belangrijk
baryumhoudend mineraal voorkomt onder den naam
Witheriet. De formule is BaCO s . Men kan het
als neerslag verkrijgen door een oplosbare baryum -
verbinding met een carbonaat, bijv. soda, te behande-
len. De toepassingen beperken zich tot het gebruik
in liet laboratorium, en het verdelgen van ratten en
muizen. v. d. Beek.
Baryumchloride, een kleurlooze kristallijne
stof, die met twee moleculen kristalwater kristalli-
seert. Formule: BaCl 2 .2H 2 0. Het wordt meestal
bereid uitgaande van baryumsulfaat, dat eerst met
koolstof tot baryumsulfide wordt gereduceerd. Dit
sulfide lost men in zoutzuur op tot het chloride. In
het laboratorium dient b. als reagens op suifaat-
ionen. t?. d. Beek.
Baryumhydroxyde, > Barytwater.
Baryumnitraat is een witte kristallijne stof,
Ba(N0 3 ) 2 , die bij 693° smelt. Bij sterke verhitting
ontleedt het. Het wordt bereid uit het carbonaat,
hydroxyde of sulfide met salpeterzuur. B. wordt
toegepast in de vuurwerkindustrie voor het maken
van groen vuur, verder in het laboratorium.
Baryumoxyde, BaO, een witte stof, die ver-
kregen wordt uit het carbonaat door sterk gloeien
met koolstof. Ook uit het nitraat door zeer sterke
verhitting. Echter nauwelijks uit het hydroxyde of
carbonaat door verhitten zonder meer. Het heeft geen
toepassing.
Baryumpcroxyclc, een witte stof met formule
Ba0 2 . Het ontstaat uit baryumoxyde door verhitting
met zuurstof of lucht op 600° en 2 atmosfeer. Bij
sterkere verhitting staat het weer zuurstof af. Daardoor
is het een bruikbaar oxydatiemiddel, en dient het
bijv. met magnesiumpoeder gemengd als ontstekings-
massa (o.a. voor thermietmengsels). Met verdund
zwavelzuur ontstaat waterstofperoxydo . v. d. Beek.
Baryumphttinacyiuiuurscherm is een
karton met kleefstof, die bariuracyanuur bevat,
bestreken. Deze stof heeft de eigenschap, indien zij
door röntgenstralen wordt getroffen, fluoresceerend
te lichten. Een b. wordt in de geneeskundige röntge-
nologie bij doorlichtingen gebruikt; op het b. wordt
een schaduwbeeld van het onderzochte orgaan gezien.
Heukensfeldt-J ansen.
Baryumplatin-eyanuur, een kristallijne
stof van de samenstelling BaPt(CN)4.4H 2 0. Er
bestaat een goudgele en een groene modificatie van.
Het kan bereid worden uit platina-cyanuur met
baryumcyanuur. Onder den invloed van röntgen-
stralen fluoresceert de stof sterk, vooral de groene
modificatie. Dit is de voornaamste toepassing.
v. d. Beek.
Baryumsulfaat of zwaarspaat, BaSo 4 , een
witte stof, die in het rhombische stelsel kristalliseert.
S.g. bedraagt 4,48, de oplosbaarheid in water is zeer
gering (2,4 mg per liter bij 18°). Het smeltpunt be-
draagt 1 580°. Door koolstof wordt het betrekke lijk
gemakkelijk gereduceerd, waardoor het sulfide ont-
staat. Aldus worden uit b. andere baryumverb indingen
bereid. Fijngepoederd b. dient als verfstof onder
den naam permanentwit of blanc-fixe. In de papier-
industrie wordt het met de papierbrij aangemengd
voor het maken van karton en visitekaarten. In het
laboratorium worden zoowel zwavelzuur als baryum-
ionen in den vorm van b. quantitatief bepaald.
v. d. Beek.
Baryumsulfaat wordt in de geneeskundige rönt-
genologie gebruikt als schaduwgevende stof
om het maagdarmkanaal met röntgenstralen zichtbaar
te maken. Tot dat doel wordt het met andere stoffen
gemengd om een pap te vormen. Komt voor in ver-
schillende specialités voor dit doel in den handel
gebracht. Heukensfeldt- Jansen.
Barzoe-ÏVamch (Boek van Barzoe),
meest omvangrijke der Perzische heldendichten, die
in navolging van Firdoesi’s Sjahnameh geschreven
werden. In 65 000 dubbelverzen bevat het de avon-
turen van Barzoe, den kleinzoon van Roes tem: één
opeenvolging van fabels en volksverhalen, volgens
zeggen van den dichter aan Pehlewi-bronnen ontleend,
lie eeuw. Zoetmulder .
Barzoi, > Russische windhond.
Barzun, Henri Martin, Fransch dichter
en dramaturg, een der mede -oprichters van
l’>Abbaye de Créteil. Zijn lyrische poëzie
53
Bas— Basalt
54
ontwikkelde zich van het zelf bespiegelende en
idyllische der eerste verzamelingen (Jeunesse,
Adolescence) tot een soort wijsgeerig epos in vele
bundels : La terrestre Tragédie, waarvan de laatste
gedeelten een nieuwe poging tot > simultaneïsme,
tot dramatische al -kunst (drame universel
heet het bij B.) in eenigszins Wagneriaanschen zin,
uitmaken. Als aesthetische theorie heeft B. ’s dramatis-
me niet slechts het oog op de door hem gewenschte
synthesis van objectieve en subjectieve letterkundige
soorten, maar ook op die van het individueele en het
collectief -sociale feit, uitloopend in een Europeesche
al-kunst, die Germaansche mystiek en Slavische gevoe-
ligheid met Latijnsch-Fransche klaarheid en zuiver-
heid van vormgevoel zou verbinden. B.’s metriek,
berekend op de levende menschclijke stem en niet
langer op het gedrukte boek, bevrijdt het vers van alle
conventioneele banden, om het te maken tot wat
hij rhythme dramatique noemt, d.i. de
rechtstreeksche, sterk -persoonlijke uiting van het
psychische in taalgeluiden. * 27 Sept. 1881 te Grenoble.
Werken: Jeunesse (1903) ; Adolescence (1905) ;
La terrestre Tragédie (1908-’12) ; L’esthétique drama-
tique (1912-’13); La Tourmente (tragedie, 1916);
Le simultanéisme (1917) ; Le livre d’art moderne fran-
cais (1920). Baur.
Bas, 1° laagste mannenstem (philologisch,
> Baryton); algemeene omvang: D tot d ééngestreept.
Naar karakter van timbre te onderscheiden in: basse-
taille, noble of contra: diep en zwaar; basse chantante:
hooger en lichter; basso buffo: lage bas in de opera,
voor komische rollen; Laruette; lichte Fransche stem,
voor komische rollen.
2° Algemeene naam voor de laagste partijen in
iedere compositie (basis). In de meerstemmige muziek
vóór 1500 was de bas niet de uitsluitende basis der
harmonie: de zelfstandige loop der melodieën deed de
stemmen óók in lagere registers meermalen wisselen
en kruisen. De eigenlijke fundamenteele basleiding
dateert van Gulielmus Monachus (1450).
H. Andriessen.
Bas, 1° Franco is d c, Ncdcrlandsch militair
geschiedkundige. * 10 Sept. 1840 te Den Haag, f 22
Febr. 1931 aldaar. Werd, na in verschillende rangen
bij de cavalerie en den generalen staf te hebben gediend,
in 1890 op nonactiviteit gesteld, ten einde zich geheel
aan krijgsgeschiedkundige studiën te kunnen wijden.
Op 2 Nov. 1897 werd hij benoemd tot directeur van
het, dank zij zijn streven opgerichte, Krijgsgeschied-
kundig Archief van den generalen staf. Op 14 Juni
1909 werd hem de rang van generaal-majoor en op
26 Aug. 1913 die van luitenant-generaal verleend.
Op 1 Juni 1927 ontving hij eervol ontslag als directeur.
Werken: o.m. Prins Frederik der Nederlanden
en zijn tijd ( 4 dln. 1887-1913) ; in samenwerking met
J. de t’Scrclaes de Wommersom : La campagne de 1815
d’après les rapports officiels Néerlandais (3 dln. 1908) ;
Het tractaat van 19 April 1839 (1919) ; Les relations
Hollando-Bclgcs, Le Traité du 19 avril 1839 (1923) ; in
samenwerking met F. J. G. ten Raa : Het Staatsche
Leger (1568-1795), bewerkt onder toezicht van den
chef van den generalen staf ; in samenwerking met
A. K. A. Gijsbnrti Hodenpijl : Het Nederlandsch-In-
dische Leger (1602-1795), eerste deel in manuscript
gereed ; bovendien talrijke biographieën en publicatiën.
v. Voorst.
2° G i u 1 i o, musicus; * 21 Apr. 1874 te Venetië,
f 25 Juli 1929 te Milaan. 1908—1929 leeraar aan het
conservatorium te Milaan. Werken: verschillende
composities op kerkmuzikaal gebied; verder eenige
theoretische werken over harmonieleer, contrapunt en
Gregoriaansche begeleiding. Hij was de eerste, die
het heele Graduale en Vesperale van orgelbegeleiding
voorzag met bijzondere inachtneming van het Soles-
menser rhythme-systeem. Bruning.
Basa, stam van de West-groep der Soedan-
ManfoeV, > Afrika (Bevolking).
Basaal (( Gr. basis = voet) is in de plantkunde
alles wat aan den voet van de plant of aan het onder-
einde van een orgaan of in de nabijheid daarvan ge-
legen is.
Basaal conglomeraat (geologie) noemt
men een conglomeratisch gesteente, indien het zich
in de overgangszone tusschen zoetwater- of terrigene
afzettingen eenerzijds en marine afzettingen ander-
zijds, bevindt. Een basaal conglomeraat duidt dus
een transgressie van de zee op het land aan. Dit ge-
steente vormt zich, doordat tengevolge van het stij-
gende zeewater stukken gesteente uit den ondergrond
worden losgemaakt, die door het watertransport wor-
den afgeslepen, en later samengekit worden. Hoe groo-
ter de afstand is, over welke de transgressie voort-
schrijdt, des te grooter is het gebied, waar zich het
basaal conglomeraat kan vormen. Hofsteenge.
Basaalmetabolisme, > Grondstofwisseling.
Basaaiigans, > Jan van Gent.
Basaiti, M a r c o, Ital. schilder, wellicht van
Grieksche afkomst, die in het begin der 16e eeuw in
Venetië werkzaam was, aanvankelijk (1502 in de Frari-
kerk) samen met Alvise Vivarini. Zijn werk is hard
en stijf, zijn kleur sappig, vooral in later tijd, als hij
meer toenadering zoekt tot de kunst van Giov. Bellini.
Wanneer hij zich het manier van Giorgione poogt
eigen te maken, faalt hij.
Voorn, werken: Roeping van de zonen van
Zebedeus (1510; Venetië, academie); Christus in den
Olijinof (1520) ; Sint Joris en de draak (1520) ; Sint
Jacob en Sint Antonius ; Gestorven Christus tusschen
treurende Engelen ; Madonna en Heiligen (Padua,
Museo civico). — L i t. : Venturi, Storia dell' arte
italiana (VIII 4, 1915). Knipping.
Basale groei, > Apicale groei.
Busalia, benaming voor de tusschen den steel en
radialia gelegen kalkp laatjes bij de crinoidea (zee-
lelics). Het basale gedeelte van den kelk der crinoidea
kan uit één rij van basal ia bestaan (monocyclische
basis), of uit twee rijen (dicyclische basis). In het
laatste geval worden de onderste plaatjes infrabasalia
genoemd.
Basalt ((Gr. basanitès = steen van Basan, in
Syrië), een donker gekleurd eruptief gesteente, be-
staande uit de mineralen: plagioklaas, augiet, magne-
tiet en olivijn. Naast deze hoofdbestanddeelen is
vaak een glazige grondmassa aanwezig. Basalt wordt
aangetroffen in den vorm van gangen en als lava-
dekken (o.a. op Usland). Bij afkoeling van de vloei-
bare basaltlava ontstaan krimpscheuren, die het ge-
steente in meestal zeshoekige zuilen verdeelen. B.
wordt op vele plaatsen in groeven ontgonnen en als
verhardingsmateriaal voor wegen en voor zeeweringen
^ebezigd. Crommelin.
B. bevat ongeveer 50 tot 60% Si0 2 , 10 tot 15%
A1 2 0 8 benevens kleine hoeveelheden der oxyden van
ijzer, calcium, natrium en magnesium. Het smelt
tusschen 1400 en 1500° en wordt gebruikt voor het
maken van isolatoren voor zeer hooggespannen stroo-
men. Verder ais zuurvast materiaal. v. d. Beek.
Gebruik. Basalt wordt gebruikt voor bouw-
55
Basaltinetegels— Baschenis
56
werken (> Woningbouw) en voor zee- en rivierwerken ;
in de beide laatste gevallen als zuilen, tafelbasalt,
in stukken, als afval (schrot) en basaltslag (steenslag).
Z u i l e n b a s a 1 1 wordt gebruikt voor zeeweringen,
bij den bouw van sluis- en kaaimuren, enz.; het is
van een vijf- of zeshoekige doorsnede, 20 tot 35 cm dik,
over kruis en wordt geleverd in regelmatige prisma’s,
welke voor waterstaatswerken aan de bepalingen der
Algemeene Voorschriften van den Rijkswaterstaat
(A.V.) moeten voldoen. Korte zuilen worden kopzuilen
of kopsteenen genoemd. Een m* zuilenbasalt weegt
ca. 1 760 kg. Tafelbasalt wordt gebruikt voor
steen bezettingen en komt in den handel als vrij regel-
matige vierhoekige stukken voor met zijden van 30
tot 60 cm bij een dikte van 15 tot 20 cm. Gewone
basalt bestaat uit stukken van onregelmat igen
vorm, welke minstens 20 kg wegen. Basaltslag weegt,
naarmate de grofheid, 1 500 tot 1 600 kg per m 8 :
het wordt gebruikt voor wegverharding en als bestand-
deel van beton. De dmkvastheid van b. bedraagt van
3 000 tot 5 000 kg per cm 2 . P. Bongaerts.
Basaltinetegels worden vervaardigd van een
cementbeton, waarin een hoeveelheid fijn basaltslag
is verwerkt. Zij zijn zeer goed bestand tegen afslijting
en daardoor geschikt voor vloeren, trottoirs, enz.
Van hetzelfde materiaal worden ook basaltine riool-
buizen vervaardigd.
Basal (jaspis , een door een opstijgend basaltische
intmsie contactmetainorph veranderd gesteente (zand-
steen, mergel, e.a.). Het nieuw gevormde gesteente,
de basaltjaspis, kenmerkt zich door een groote com-
pactheid en een schelpachtige breuk.
Basalt lava, een natuurlijk gesteente, dat op
verschillende plaatsen in Europa gevonden wordt.
De dichtheid (en in verband daarmede het soortelijk
gewicht) en de dmkvastheid zijn veel lager dan die van
basalt, nl. 0,780 (s.g. 2.920) en 490 tot 640 kg per cm 2 .
Basaltslag, -> Basalt.
Basal (steen, -> Basalt.
Basal twackc, een vrij onsamenhangend aardach-
tig gesteente, dat ontstaat bij verweeren van basalt.
Basaltzuilen, de typische lichamen, die ont-
staan, indien bijv. een basalt la va stolt. In de afkoe-
lende lavamassa ontstaan krimpscheuren, gericht
Basan (Basjan), landstreek in Trans -Jordanië,
door de Israëlieten veroverd op Og, den Amorietischen
koning (Deut. 3.8 vlg.). De juiste grenzen van B. zijn
moeilijk te bepalen, en waarsch. in de II. Schrift ook
niet steeds gelijkvormig. In het algemeen omvatte B.
alles wat lag tusschen den Grooten Hormon in het
N. , de steden Edreï en Salccha (Selcha) in het Z. en de
Syrische woestijn met de bergen van Hauran in het
O. , terw ijl liet gebied van Geschur en Maacha B. scheid-
de van den Jordaan in het W. Volgens sommige teksten
strekte B. zich nog verder Westelijk en Zuidelijk uit
fvgl. Deut. 4.43 en Jos. 13.30). De streek wordt in het
O.T. geroemd als zeer vruchtbaar en was daarom de
uitdrukking voor alles wat overvloedig en zegenrijk
was (Mich. 7.14; Is. 2.13; Deut. 32.14 e.a.). Als oudste
inwoners noemt het Boek der Schepping (14.6) de
Rephaïm. Mozes veroverde B. voor den stam van Ma-
nasse (Num. 21.33). Koning Hazaël van Syrië ontnam B.
aan Jehu van Israël (4 Rcg. 10,33). Voorn, steden in
B. waren: Astaroth, Edreï, Salecha (Selcha). De naara
B. leefde na Christus’ tijd voort in het landschap Ba-
tanea. Simons .
L i t. : R. Maisler, Die Landschaft B. im 2en vor-
christl. Jahrtausend, in : Journ. Pal. Or. Soc. (9, 80-87).
Basaniet, een soort hasalt, die behalve olivien
en plagioklaas nog nefelien of leuciet bevat.
Basankoesoe, plaats in B. Kongo, Evenaars-
prov. ; haven aan den samenloop van Maringa en
Lopori; Kath. missiepost; administratief en handels-
centrum.
Basarabia, Roemecnsche naam voor > Bes-
sarabië.
Basardzjik, > Tatar-Pasardzjik.
Basar i, stam van de Goerma-groep in den Soe-
dan; > Afrika (Bevolking).
Bascaman, bijb. plaats in Trans -Jordanië, ver-
meld in de oorlogen der Macchabeëen (1 Mac. 13.25)
en bij Flav. Jos. (Basca), dikwijls geïdentificeerd met
Teil Bazoek ten N.O. van het meer van Genesareth.
Een andere lezing van den tekst is echter niet onwaar-
schijnlijk. Simons.
Bascharage, gem. in het groothertogdom
Luxemburg, ten W. van Luxemburg; (1933) t 2 200
Basaltvormen. Doorsnede van den Scheidskopf bij Remagen (D.).
loodrecht op het afkoelingsvlak. Als de heele massa
gestold is, blijkt zij door deze krimpscheuren in soms
verrassend regelmatige, meestal zeszijdige prisma’s
te zijn verdeeld. Dergclijke typische vormen, ontstaan
door afkoeling, zijn o.a. waar te nemen bij Rolandseck,
tegenover Königswinter aan den Rijn. > Basalt (Ge-
bruik). Hof steenge.
inw., opp. 1 914 ha; drie parochies; spoorwegstation.
Baschenis, Evaristo, Ital. schilder uit
Bcrgamo, van stillevens (vooral met muziekinstru-
menten), enkele Madonna’s en een portret van zich-
zelven, zittend voor het spinet. Leerling van zijn
vader Pietro. * 1617, f 1677.
L i t. : Wauters, Les instruments de musiquo d’Ey.
57
Baschkirzewa — Basella alba
58
B. bergamasque (1908) ; Caversazzi, in : II ritratto
italiano (1927).
Baschkirzewa, M a r i e, > Bashkirtsjew.
Bascule , > Weegtoestellen.
Basculehrufi, > Bruggen.
Basdooiheid is die vermindering van de gehoor -
scherpte, waarbij uitsluitend of vooral liet basgedeelte
der toonladder niet gehoord wordt. Deze doofheid ont-
staat vooral bij middenooraandoeningen in tegenstel-
ling met de > discantdoofhcid, die vooral voorkomt
bij binnenooraandoening.
Baseball, Amerikaansch balspel, dat in Neder-
land gespeeld wordt onder den naam honkbal.
Basecke, G eo rg , Duitsch Germanist. * 13
Jan. 1876 te Bronswijk, hoogleeraar te Ha 11e. B. koos
zich de oud-IIoogduitsche taal en de middel-Hoog-
duitsche tekstkritiek tot studievak; verder werkte
hij mede aan de groote Luther-uitg. (Weimar 1902
vïg.). w Baur.
Werken: Germanistische Arbeiten (4 dln. 1914
▼lg.) ; Einführung in das Althochdeutsche (1918);
Reinhart Fuchs (1926) ; Der deutsche Abrogans (1930).
Basèclcs, gein. in de prov. Henegouwen, tusschen
Bergen en Doornik; opp. 861 ha; 4 500 inw. Zand-
en kleiachtige aarde op rotsa chtigen ondergrond.
Landbouw; steengroeven en kalkovens; ten Z. loopt
het kanaal van Pommeroeul naar Antoing. Kasteden
van Basècles en Daudergnies. B. was reeds van belang
in de 10e eeuw, nl. als landbouwmarkt; oud graaf-
schap. Kerk uit de 18e eeuw; Frankisch kerkhof ont-
dekt. V. Asbroeck.
Basedow, J o h a n n Bernhard, hoofd-
vertegenwoordiger van het philantropinisme, d.i.
de paedagogiek van het rationalisme, de Verlichting
in Duitschland ; vol-
geling van Locke
en Rousseau; intel-
lectualist, utilist,
naturalist; school-
hervormer vol plan-
nen, maar zelf een
onopgevoed m ensch ,
die zijn eigen model-
inrichting, het Phi-
lantrop inum ,te Des -
sau, te gronde
richtte; voorstan-
der van een natuur-
lijken godsdienst,
van een natuurlijke
zedenleer, van ex-
treme sexueele voor-
lichting; hechtte overdreven waarde aan methode en
leerboeken; gaf echter den stoot tot noodige school-
hervormingen in Duitschland en daarbuiten.
* 1723 te Hamburg; f 1790 te Maagdenburg;
studeerde philosophie en theologie; enkele jaren
gouverneur te Holste in, dan professor in moraal en
schoone kunsten, eerst aan de Ridderacademie te
Soroe op Seeland en vervolgens aan het academisch
gymnasium te Altona. Aangegrepen door Rousseau ’s
„Emile”, droomde hij van een totale onderwijsher-
vorming in Duitschland, ja in heel Europa. Vanaf 1771,
toen hij naar Dessau vertrok, onvermoeid werkzaam
als paedagogisch schrijver en practicus.
Werken: Vorstellung an Menschenfreunde und
vermögende M&nner über Schulen. Studiën und ihren
Einflus8 in die öffentliche Wohlfahrt (1768) ; Methoden-
buch für V&ter und Miitter der Familien und Völker
(1770); Elementarwerk (1770, 1774), dat de onderwijs-
stof bevatte vanaf de lagere school tot en met de aca-
demie. — L i t. over B. vindt men in elke historische
Paedagogiek. 1 iombouts.
Basedowschc ziekte (Gravc’sche ziekte, liypcr-
thyreoidie, thyreotoxicosls). Basedow, een arts in
Merseburg (1799 — 1854) beschreef een ziekte, waarvan
de voornaamste verschijnselen bestaan in versnelde
hartsactie, grooter worden van de schildklier (struma),
uitpuilen der oogen, beven der handen en vermagering.
De ziekte uit zich vooral in de vermeerderde werk-
zaamheid der schildklier. Deze klier scheidt stoffen
af. die in de bloedbaan komen. Bij de B. z. is deze
afscheiding veel sterker dan in normale omstandig-
heden. Hierop berusten de meeste verschijnselen.
Een der kenmerkende eigenschappen der B. z. is
haar invloed op de stofwisseling. De verbrandings-
processen, die in het lichaam plaats vinden, verloopen
bij de B. z. sterker; er wordt dan ook veel meer zuur-
stof verbruikt dan normaal liet geval is. De hoeveelheid
opgenomen zuurstof is met toestellen ter bepaling
van het zuurstofverbruik te berekenen. Deze stof-
wisseling (basaalmetabolisme) is bij de B. z. gewoonlijk
belangrijk verhoogd. Bij twijfelachtige gevallen is het
soms mogelijk door bepaling van de stofwisseling
de ziekte te herkennen.
De behandeling der ziekte van Basedow grijpt al
naar het geval van verschillende kanten aan. Terwijl
operatieve, gedeeltelijke wegname van de schildklier
of het met behulp van Röntgenstralen verminderen
harer functie direct in werkt op het orgaan, dat in het
middelpunt van het lijden staat, vermindert men door
absolute rust de zuurstofbehoefte der weefsels en
beïnvloedt door medicamenten en anderszins den
psychischen toestand. Het is immers bekend, dat de
psychische toestand tijdens de ziekte verandert;
maar ook weet men, dat emoties e.d. tot het optreden
van de Basedow in sterke mate kunnen bijdragen.
Ook de chemische stof jodium blijkt bij de ziekte
van Basedow van belang te zijn. Jodium kan de
verschijnselen belangrijk, zij het meestal slechts
tijdelijk, verbeteren, terwijl van den anderen kant
langdurig gebruik van slechts kleine hoeveelheden
jodium verschijnselen van Basedowsche ziekte bij
tevoren gezonden kan veroorzaken. v. Balen .
Basiseer, R i c h a r d, Belg. landschapschilder.
* 1867. Vormde zich in hoofdzaak door zelfstudie.
Werkte in Vlaanderen, Antwerpen, aan de Belg. kust
en aan de Schelde. Een onafhankelijk en krachtig
talent, dat vooral uitmuntte als impressionist. Was
ook een voortreffelijk genre- en figuurschilder.
Lit. : Onze kunst (1905); Lemonnier, L’école beige
de peinture (Brussel 1906, 225).
Bascler, G u i 1 1 i a ra, de in de 17e eeuw'
gevierde Leuvenschc dichter van het allegorisch
uitgebouwd mirakelspel Zegepraal der onwinbare
Kercke (3 bedr.), moeilijke en vermoeiende tekst
wregens de bijbelsche en theologische toespelingen, de
gezwollen en harde taal, den doorloopend streng-
deftigen toon, geschreven in 1674 bij gelegenheid van
het 3e eeuwfeest van het H. Sacrament van Mirakel.
L i t. : L. W. Schuermans, Leven en Werken der
Zned. schrijvers (I, 46 vlg.). Godelaine.
Basc-line, de achterlijn van de tennisbaan.
Basella alba, witte Basella, behoorend tot het
geslacht Basella en de familie Basellaceae, komt bijna
overal voor en w'ordt ook als groente gekweekt. In de
warmere streken Is dit een gezochte soepgroente.
59
Basellaceac — Basengele
60
De bloemen zijn klein en wit tot violet van kleur,
terwijl de bloemblaadjes in rijpen toestand vleezig
worden.
Basellaceac, een familie met vijf geslachten,
is, met uitzondering van B a s e 1 1 a, uitsluitend
Amerikaansch. Van het 15-tal soorten dezer familie
worden er een 10-tal ondergebracht in het geslacht
Boussingaultia, terwijl de andere geslachten
elk één vertegenwoordiger hebben. De Basella-achtigen
zijn veelal vleezige kruiden met dikke bladeren en
meest onbeduidende groene, witte of roodachtige
bloemen. Het vruchtbeginsel is eenhokkig en de
soms ietwat vooruitspringend of schuin geplaatst,
waardoor een indruk van soliditeit wordt gegeven.
De benedenverdieping kan in het b. geheel of gedeelte-
lijk worden opgenomen.
Ook het voetstuk van een zuil of van een beeld.
Bij betimmeringen wordt b. genoemd het blokje onder
koplat en architraaf (andere naam is „neut”).
Thunnissen.
Basen (schei k.) zijn stoffen, die bij electro-
lytische dissociatie zich splitsen in een kation en een
of meer hydroxyl ionen. Met zuren geven zij, onder
vorming van water, zouten. Men onderscheidt naar
Basement (b) aan het Palazzo Vendramin-Calergi te Venetië.
gesloten blijvende vrucht bevat slechts één zaadje.
De wortelstok is knolachtig verdikt of bezit vertak-
kingen, die tot aardappelachtige knollen aanzwellen,
nl. bij den Knol-basella, Ullucus tube rosu s,
die vooral in Equador een voornaam voedingsmiddel
zijn. Ook in Europa heeft men proeven genomen met
den aankweek van Ullucus, doch de knollen zijn te
laat rijp, en de smaak is niet zoo goed als van onzen
aardappel. Ook de Basella-aardappel, Boussingaultia
baselloïdes, wordt vanwege de knollen aangeplant,
doch deze zijn smaakloos en slijmerig. Als sierplant
wordt gekweekt de elegante Anredera scan-
de n s, een slingerplant. Behalve in het Andes-
gebergte en Noordelijk tot Texas, worden zij ook aange-
plant in Egypte en op de Filippijnen. Bouman.
Basement, onderste gedeelte van een gebouw,
ook sokkel of voetstuk genoemd. Bij
monumentale bouwwerken is het b. dikwerf uit zware
stukken natuursteen met breede voegen samengesteld,
het aantal hydroxyl ionen, dat aan een kation gebon-
den is, één-, twee- en meerwaardige b. Eenwaardige b.
zijn de hydroxyden der alkali-metalen. Ook ammoniak
(en daarvan afgeleide verbindingen) wordt tot de
eenwaardige b. gerekend, daar het, in water opgelost,
reageert als NH 4 OH.
Tweewaardige b. zijn de hydroxyden der aard-
alkalimetalen ; driewaardige b. die van aluminium,
chroom, vierwaardige b. die van zirkoon en thorium.
In plaats van meerwaardige b. wordt ook welfde
uitdrukking meerzurige b. gebruikt. Behalve de b.
der alkali- en aardalkalimetalen zijn de meeste b.
zeer slecht oplosbaar in water. Verder onderscheidt
men nog sterke en zwakke b., al naarmate zij in wate-
rige oplossing sterk of minder sterk gedissocieerd zijn.
A. Claassen.
Basengele, ook Mosengere, volksstam
in Belg. Kongo, Westwaarts van het Leopold 11 Meer.
> Kongo (Ethnographie).
61
Basevi — Basilici
62
Basevi, G i a c o n o, > Cervetto.
Basfluit, > Cliitare.
Bas-Hccrs, ■> Needer-Heers.
Baslikirtsjjcw, M ar ie, schilderes en schrijf-
ster van Russische herkomst. * 18G0 te Gawronzi
(Oekraine), f i884 te Parijs. — B. als schrijfster.
In haar Fransche Journal en Cahiers
intim es schrijft zij de smartelijke en vaak ont-
stichtende biecht neer von een naar alle levenswee Iden
hunkerende ziel, die weet in voorbarige verzaking
en dood te moeten berusten.
Werken: Journal (1887) ; Cahiers intimes (1890) ;
Lettres (1891).
B. als schilderes. Zij werkte te Parijs, waar
zij haar eerste opleiding kreeg in het schilderen en
teekenen. Leerlinge o.a. van Tony Rob. Fleury.
Rud. Julian en later van Bastien Lepage. Zij schilderde
portretten en genretafereelen.
Werken: o.a. in het Rijksmus, te Amsterdam, het
Luxembourg te Parijs, e.a. musea. — L i t. : Cat. des
oeuvres de Mlle. B. (Parijs 1885) ; Math. Blind, A study
ol Maric B.
Bashoorn, houten blaasinstrument met koperen
beker; reikt tot aan groot C. De b. is moeilijk te
behandelen en heeft een doffen, zwaren klank.
Basicileit noemt men het aantal door metaal
vervangbare waterstofatomen van een zuur. Zoo is
bijv. zoutzuur HC1 een éón-basisch zuur ; zwavelzuur
H 2 S0 4 een twee-basisch zuur; phosphorzuur I1 3 P0 4
een drie-basisch zuur.
Basicliobolus, een wierzwam van de orde der
Entomophtorinceën (insectendoodende zwammen).
B. leeft echter op de uitwerpselen van visschen.
terwijl B. ranamm op de uitwerpselen van kikkers
voorkomt; deze zou dan afkomstig zijn van de insecten,
die door de kikkers opgegeten zijn.
Basidiolichcncs, > Korstmossen.
Basiclioinyceten, > Steelzwammen.
Basidiopliora, een wierzwam van de familie
der Peronosporaceeën. De eenige soort B. entospora
komt voor op Amerikaansche samengesteldbloemigen
en is, waarschijnlijk met de Canadeesche fijnstraal
(Erigeron canadensis), in Europa ingevoerd.
Basidiosporen, > Steelzwammen.
Basidium, > Steelzwammen.
Basilan, ook T a g u i m a, bergachtig eiland
tot 1 000 m hoogte ten N.O. van Borneo (6° 30' N.,
122 O.). Opp. ± 1 200 km 2 , ca. 13 000 inw., meest
Mohammedanen; Maleiers (Moro’s).
Basile, Giambattista, Italiaansch dichter,
* ca. 1575 te Napels. f23 Febr. 1632 aldaar. Behoort
tot de wereldliteratuur door zijn Pentamerone, een
verzameling, in Napelsch dialect, van 50 verhalen,
over 5 dagen verdeeld, in den trant van de bundels
van Boccaccio en van Straparole. Dit werk verscheen
eerst onder den titel: Lo cunto de li cunti, de Gian
Alesio Abbattutis (ca. 1635) en werd herhaaldelijk
herdrukt, in 1674 voor de eerste maal onder den titel:
Pentamerone.
U i t g. : Duitsche vertaling door Liebrecht, met in-
leiding van J. Grimm (Breslau 1846) : B. Croce (Napels
1891, alleen I, mod. uitg.) ; Ital. vertaling (2 dln. 1925).
iilrix.
Basilcus (Gr., = koning), bij de oude Grieken
vooral aanduiding van den koning der Perzen; te
Athene de naam van een der negen archonten; in de
M. E. de titel van de Byzantijnsche keizers.
Basilia, ook B a s i 1 e a , stad in het gebied van
Raurici (teg. Bazel), gelegen in de nabijheid van
Augusta Rauracum (teg. Bazel— Augst) en Castrum
Rauracense (teg. Ka iser- Augst).
Basilianen, monniken, die volgens den Regel
van St. Basilius leven. Basilius de Groote beoogde
in zijn Regel vooral de geestelijke vorming van den
monnik. Voor de organisaties zorgden de concilies,
wetten der keizers Justin ianus en Leo VI, en vooral
de Typica, die voor elk klooster afzonderlijk gemaakt
werden. Strikt genomen kan men niet spreken van de
Orde der B. De regels van Basilius vonden weldra zeer
sterke verbreiding in het Oosten en de B. hebben
daar, vooral in Konstantinopel, eeuwen lang veel
gedaan voor geloof en wetenschap. Ook Cyrillus en
Methodius, de apostelen der Slaven, waren B. In
Rusland hebben de B. destijds veel gedaan voor het
geestelijk leven en de bevordering der nationale
cultuur. Sinds het groote schisma waren zij echter
veelal scherpe bestrijders van Rome. De door de
Arabieren en de Iconoclasten verdreven B. vestigden
zich sinds de 7e eeuw in Zuid-Italië en ook in Rome.
Door het uitsterven van het Grieksche element geraak-
ten zij in verval. Gregorius XIII trachtte tevergeefs
dit tegen te houden door de B. in 1579 onder één
generaal te vereen igen. Van de ca. 1 500 kloosters,
die er vroeger moeten geweest zijn, waren er in 1760
nog slechts 43 en die verdwenen door de revoluties
alle, uitgezonderd alleen Grottaf errata. In Spanje
vindt men Latijnsche B. sinds de 16e eeuw. De Roe-
theensche tak der B. kwam tot bloei, sinds zij gewonnen
waren voor de unie met Rome. Nadat zij echter reeds
geleden hadden van de maatregelen van Joseph II,
werden zij na de deeling van Polen door de Russische
regeering geheel onderdrukt. Leo XIII bewerkte een
herleving en tegenwoordig tellen zij ruim 400 religieu-
zen in een Galicische en trans -Karpatische provincie
en in afzonderlijke huizen in Canada, de Ver. Staten
en Brazilië. Zij hebben ook de leiding van een Roe-
theensch college in Rome. Ook in Syrië zijn sinds de
17e eeuw nieuw r e congregaties van de B. ontstaan,
die met Rome vereenigd zijn en voor de hereeniging
van hun volk met Rome w ? erken.
Lit. : Lcxikon flir Theol. und K. (II 1931, 18-20);
Dict. Hist. Géogr. Eccl. (VI 1932, 1180-1236). Franses .
Basiliaiius, prefect van de Rom. prov. Egypte.
Toen Macrinus 217 n. Chr. keizer Caracalla vermoord
had en zelf keizer geworden was, benoemde hij B.
tot hoofd van de keizerlijke lijfwacht. Macrinus werd
echter van den troon gestooten door Elagabal, B.
werd gevangen genomen en gedood.
Basilica Aemilia, Romeinsch bouwwork, oor-
spronkelijk Basilica Fulvia geheeten, in 179 v. Chr.
gerestaureerd door Marcus Lepidus en sindsdien naar
hem genoemd. De basiliek, in 1899 weder opge-
graven, lag aan de Noordzijde van het Forum Ro-
manum; de groote zaal w r as een vijf schep ige zuilenhal.
Basilicata, Zuid-Italiaansch landschap, 9 987
km 2 , 492 000 inw 7 . (1921). Een armoedig kalk-
landschap tot 2 200 m hoogte, een schollengebied,
dat langzaam af helt naar de Golf van Tarente. Een
uitgedoofde vulkaan (Monte Volture) bereikt 1 327 m
hoogte. Slecht klimaat. Veel emigratie, vooral naar
Argentinië.
Lit.: Philippson, Das fernste Italien (1925).
Basilici, rechtsgeleerde verhandeling, begonnen
onder keizer Basilius Macedo en beëindigd onder
keizer Leo Philosophus (omstreeks 900 n. Chr.).
Dit werk behandelt in 60 boeken het Justiniaansche
recht, zooals dat gold in de 9e — 10e eeuw\ Geschreven
63
Basilicum— Basiliek
64
in het Grieksch (Ta Basilika). Later — 10e eeuw —
heeft men er aanteekeningen (scholien) aan toege-
voegd, waaronder aanteekeningcn van tijdgenooten
van keizer Justin ianus, die voor den uitleg der Rom.
rechtsteksten van belang zijn.
U i t er. : E. Hoimbach, Basilicorum libri LX (Lcipzig
1833 vlg.). Hieraan werkte o.a. mede Contardo Ferrini.
Hermesdorf.
Basilicum of koningskruid, Ocimum
Basilicum L., is een uit warme landen afkomstige,
aromatische, lipbloemige plant, welke hier wel
gekweekt wordt. De blaadjes worden als specerij gebe-
zigd, o.a. bij de bereiding van kruidenazijn. De
Basilicum - olie bevat methylcaviol als
hoofd bestanddeel; zij wordt gebruikt in de parfumerie-
industrie en voor de bereiding van likeur essence.
Busilirics, naam van verschillende personen uit
de Oudheid, o.a. :
1 ° de priester, die op den berg Carmel aan
Vespasianus diens toekomstige grootheid voorspelde
(Tacitus, Ilist. II, 78).
2 ° Een voornaam Egyptenaar, dien Vespa-
sianus in den tempel van Serapis te Alexandrië meende
te zien, hoewel B. ver verwijderd was. Op grond van
de verwantschap van den naam B. met het Grieksche
woord basileus, koning, meende Vespasianus hierin
een voorspelling van het keizerschap te zien (Tacitus,
Hist. IV, 82).
3 ° S t o ï c i j n uit Scythópolis, leeraar vanMarcus
Aure 1 ius . Davids.
4 ° Hoofd der gnostische sekte der Basili-
dianen, die in de eerste eeuwen talrijk waren vooral in
Egypte en invloed hebben uitgeoefend ook op latere
ketterijen. B. leefde in Alexandrië de eerste helft der
2e eeuw. Voor zijn systeem, > Gnosticisme en onder-
staande lit.-opgave.*
L i t. : P. Hendrix, De Alexandrijnsche haeresiarch
Basilidcs (1926); Dict. Hist. Géogr. Eccl. (VI 1932,
1169-1175). Frames.
Basiliek. ï. Archeologisch. 1°B. is o o r s p r on-
kel ij k de naam van het oud -Grieksche konings-
paleis; later van elke, door zuilenrijen onderverdeelde,
monumentale ruimte met bovenverlichting, zooals
de overdekte markthallen en gerechtshoven op het
Forum te Rome. Tusschen 184 en 121 v. Chr. zijn
daar gebouwd: door Cato Censorinus de b. Porcia.
door Aemilius Lepidus de b. Aemilia, door Tiberius
Sempronius Gracchus de b. Sempronia, door consul
Q. Opimius de b. Opimia. Na 46 v. Chr. nog door Julius
Caesar en Augustus de b. Julia. In het begin der 4e
eeuw door Maxentius en Constantijn de b. Constantini.
Ook elders in het Rom. rijk zijn b. gebouwd. Te
Pompeji is er een opgegraven. Te Trier is een oude b.
in 1846 gerestaureerd en in 1856 door de Evangelische
kerk in gebruik genomen. Het ideëele grondplan is
volgens Vitruvius (De architectura V, 1): 2 of 3 maal
zoo lang als breed, soms met portiek aan de smalle
zijde. De zijbeuken waren bedoeld als wandelgangen
voor het publiek; deze zijn even hoog als breed,
breedte l /s van het middenschip. Het licht valt van
boven door arcaden, die op de kolommen rusten, in
de hoofdruimte. Aan het eind bevindt zich een > absis
of exedra, waar het rechtsgeding werd behandeld,
afgescheiden van de overige ruimte. — Er waren ook
half-publiekc b. in de huizen der staatslieden voor
vergaderingen (De arch. VI). Synagogen werden
soms ook in b.-vorm gebouwd (Aleppo, Alexandrië).
Fl. Josephus betitelt de Zuidhal van den tempel
van Herodes als b. (Ant. XV, 11).
2° Van den vorm der Christel ij ke kerk-
gebouwen vóór den vrede van Milaan (313) is
niets bekend. Constantijn liet na zijn bekeering in de
voornaamste steden van zijn rijk groote kerken bouwen,
d ; e b. werden genoemd, waarschijnlijk omdat ze van
bovenaf werden verlicht. Geen enkele is geheel onver-
anderd bewaard gebleven. De voornaamste centra
waren Rome en Konstantinopel. Verder Ravenna,
Napels, Ephesus, Antiochië, Alexandrië, Carthago,
Jerusalem. In Syrië zijn vele ruïnen van b. gevonden
te midden der wildernis, kerken door de Christenen
destijds verlaten bij de nadering der Mohammedanen;
zoo ook in Egypte. De Syrische hebben een eenigszins
ander karakter dan de Latijnsche.
Over den oorsprong van de Christelijke b. zijn
meerdere hypothesen opgesteld, a) Uit de synagoog;
door niemand meer aanvaard, b) Uit de Rom. markt-
basiliek, opvatting van Leone Battista Alberti
(1404 — 1472), die tot de 19e eeuw heeft stand gehouden
en werd aanvaard door Viollet le Duc (Dict. d’arch.
II, 165) en Choisy (Hist. de Uarch. II, 2). De eerste,
die haar bestreed, was Zestcrmann (Die ant. und chr.
B., 1846), gevolgd door Ilubsch (1847) en Burckhardt
(1875), op grond, dat de b. niet als de kerken volgens
een vast plan werden gebouwd, een absis niet altijd
aanwezig, en de bestemming, dus de sfeer, volkomen
verschillend was. c) Uit het Rom. patriciërs-
huis, saamgesteld uit atrium of voorhof en pery-
stilium of zuilengangen rond een beplante hof, met
zaal achterin. Sommige hebben werkelijk als kerk
dienst gedaan. De hof, overkapt, zou het middenschip
zijn geworden, de zaal het priesterkoor, het atrium
de voorhof. Aldus Lemaire (1911). Vergeten wordt,
dat met de overname der elementen de synthese nog
niet was gegeven, het gewichtigste van het probleem,
d) Uit de onderaardsche b. der cata-
comben, zooals die uit de cat. van de H. Agnes
te Rome, waar een cathedra met priesterzetels en
afzonderlijke ruimten voor de geloovigen worden
aangetroffen; en uit de kleine gebouwen aldaar boven-
gronds. Aldus de Rossi. Men bedenke echter, dat deze
slechts bij uitzondering werden gebruikt; van vcrlich-
Doorsnede van een basiliek (Oude St. Pieter).
ting en constructie was ondergronds bovendien geen
sprake, e) Uit de Indische rotstempels
en den onderaardschen tempel der Pythagoriërs aan
de Porta Maggiore te Rome, in 1918 ontdekt, en die
driebeukig waren. Zelfde bezwaar als onder d) werd
gemaakt. f),De Christ. b. is een eigen schep-
65
Basiliek
66
Reconstructie van de doorsnede van de basiliek
van Vitruvius.
Plattegrond van de basiliek van Maxentius
te Rome.
Narthex
de basiliek van St. Clemente
Plattegrond v. d. basiliek
te Trier, begin 4e eeuw.
Koor Ambonen Altaar '" 'Absis
te Rome. Totaal lengte 70 meter
Gevel en plattegrond van een
Syrische basiliek.
IV. 3
r»7
Basiliek
68
i n g, waarbij de architect als kind van zijn tijd
staande elementen heeft gebezigd. Aldus Lubbe
(1905), Leclercq (1908). Deze hypothese is de meest
bevredigende en verklaart voldoende den primitieven
vorm der oudste b. en de gelijkvormigheid.
Meestal bestaat de Latijnsche b. uit drie, soms uit
vijf beuken. De middelste rijst hooger op en bevat
bovenin de lichtopeningen, die gewoonlijk door dunne
doorbroken marmerplaten werden afgesloten. Van de
zijbeuken is hij gescheiden door zuilen, die soms door
architraven, meestal echter door rondbogen zijn ver-
bonden, welke het interieur bijzonder verlevendigen.
Soms, ofschoon zelden, is nog een bovengalerij aanwe-
zig. De afdekking geschiedt door bekapping, soms ook
door een cassetten -plafond. De verdeeling der ruimte
houdt verband met de rangorde, die de verschillende
groepen der geloovigen in de Kerk innemen. Achterin
staat op een verhooging in een > a b s i s (of concha),
waarvan de schelp meestal door een mozaïek, de muur
met marmerplaten is opgesierd, de bisschopszetel,
met terzijde de banken voor de priesters. Daarvóór
staat het altaar. Een triomfboog, even-
eens met mozaïeken versierd, vormt de afscheiding
van dit gedeelte (sanctuarium of priesterkoor, -> Bema)
met het lager gelegen schip, beneden nader aangeduid
door een balustrade (> Transenna, Cancellus, Septem,
lconostase). Een transept of dwarspand komt tot
de 4e eeuw alleen voor in de b. van St. Petrus
en van St. Paulus. Het vormt den overgang van koor
naar schip, waarom het de aangewezen piaats is der
zangerstribune. en verbetert zoo noodig de verhouding
.tusschen lengte en breedte. De vloer is gewoon lijk
met mozaïek in geometrische figuren belegd. De
gansche architectuur, vooral de perspectivische
werking in de langsrichting van bogen en zuilen,
werkt mede, om het altaar tot hoofdpunt der ruimte
te maken. Voorloopig is er slechts één altaar. Aldus
werd door het kerkgebouw symbolisch de geestelijke
gemeenschap der geloovigen met Christus uitgedrukt.
In het Oosten werden later bijaltaren geplaatst in
afzonderlijke en afgesloten kapellen, dikwijls van absis
voorzien. In het Westen verschijnen bijaltaren vanaf
de 6e eeuw, eerst in kapellen rond de b. gebouwd
( buiten architectonisch verband), later in de b. tegen
de muren en pilaren geplaatst.
Soms gaat, althans in het Westen, een vierkant
atrium (vier zuilengangen rond een hof, waarin
vanaf de 6e eeuw in het midden een cantharus of
fontein) vooraf, bedoeld als overgang en bestemd voor
hen, die het Misoffer nog niet mochten bij wonen.
Nooit ontbreekt de zuilengang voor langs de kerk
zelf, de narthex, een vestibule. Een vierkante of ronde
campanile of klokkentoren, vrij naast de b.
staande, verschijnt eerst in de 5e eeuw r , overgenomen
uit Syrië, en bergt primitieve klokken in kokervorm.
Vanaf de 8e eeuw komt zij, voornamelijk in Gallië,
meer voor. Een doopvont ontbrak in de oude Latijn-
sche b., omdat in een afzonderlijk baptiste-
rium of doophuis werd gedoopt.
Uitwendig is de Christ. b. zeer eenvoudig. Het
muurvlak boven de narthex is wel versierd en bevat
gewoonlijk drie lichtopeningen. De muren zijn veelal
van baksteen. Boven overkragen de lagen elkaar
een weinig of is een tandfries aangebracht. Ook dak-
consoles komen voor. Op het einde der 4e eeuw ver-
schijnt een indeel ing in traveeën met rondbogen.
Dikwijls werd bij den bouw materiaal uit heidensche
tempels verwerkt, vooral zuilen en architraven.
Waren de laatste niet voorhanden, dan paste men den
rondboog toe. De basiliekvorm heeft zich tot diep in
de M.E., zelfs naast den Romaanschen stijl, gehand-
~k t> is
haafd. — Dat in het Westen van den beginne af
volgens een zekere richting zou zijn gebouwd, is niet
hew r ezen en weinig waarschijnlijk wegens het afkeurend
oordeel van den H. Leo I (f 461) over het geörienteerd
bidden (Serm. 32. 4). In het Oosten schijnt het wel
het geval te zijn geweest. Oriëntatie.
In Klein -Azië en Syrië werden bij gebrek aan hout
de b. dikwijls met steen afgedekt. Ten Z. van Damascus
bijv. werden platen van basalt gebezigd; in de vallei
van de Oronto kwam de bekapping nog wel voor,
In de 5e eeuw doet de koepel zijn intrede. De centraal-
bouw komt naast de b. te staan. Hier en in Konstanti-
nopel werkten Perzische en Grieksche invloeden mede
om de bouwkunst zich breeder te doen ontwikkelen
dan in Italië. Aldus ontstond de Byzantijnsche
stijl, die in de Aya Sophia te Konstantinopel zijn
hoogtepunt bereikte. Hij beïnvloedde door het handels-
verkeer den b. -stijl van Noord-Italië en Frankrijk,
die aldus in den Karolingischen en eindelijk
in den Romaanschen basiliekstijl overging.
Deze ontwikkeling is duidelijk waar te nemen in de
oude abdijkerk van den H. Benedictus aan de Loire
(12e eeuw). Het koor met zuilen en rondbogen doet
sterk denken aan de Latijnsche b.; de vroegere kap
is vervangen door een Romaansch tongewelf. Het
schip is overigens vroeg-Gotisch.
II. Liturgisch. Do b. woorden onderscheiden
in b. m a j o r e s en b. m i n o r e s. Majores zijn
slechts: St. Jan van Lateranen, St. Pieter, St. Paulus,
S. Maria Maggiore te Rome. met pauselijk altaar
en > heilige deur; ook wordt ertoe gerekend St. Fran-
ciscus te Assisi, met pauselijk altaar. Minores zijn
te Rome: St. Laurentius buiten de muren, II. Kruis,
St. Sebastianus, S. Maria Transtevere, St. Laurentius
in Damaso, S. Maria in Cosmedin, H.H. Apostelen,
St. Petrus in vincoli, S. Maria in Monte Santo. De vier
b. majores, benevens de St. Laurentius buiten dem.,
w'orden ook patri archaalkerken genoemd, om-
dat zij aan de vijf groote patriarchen zijn toegewezen :
St. Jan aan den paus, den patriarch van het Westen,
St. Pieter aan den patr. van Konstantinopel, St. Paulus
aan den patr. van Antiochië. St. Laurentius aan den
patr. van Jerusalem. — Nederland heeft vier b. mino-
69
Basiliekruid — Basiliscus
70
Basiliscus americauus.
res: O. L. Vrouw van het H. Hart te Sittard, als pel-
grimsoord (deer. 12 Juni 1883); St. Pieter te Ouden-
bosch, bij gelegenheid der onthulling van het zouaven-
monument op het voorplein (deer. 11 Juli 1012):
St. Jan van den Bosch, bij gelegenheid van het dia-
manten jubiló van den terugkeer van het miraculeuse
beeld der Zoete Moeder (deer. 22 Juni 1920); O. L.
Vrouwekerk te Maastricht, oude kapittelkerk van de
10e tot de J9e eeuw (deer. 20 Febr. 1933). Elders;
de bedevaartskerk te Kevelaar en die te Lourdes
(deer. 30 Mei 187(5), Altötting, Maria-Laach, TT. Bloeds-
kapel te Brugge, Sacré-Coeur te Parijs, enz. — De
voorrechten zijn: het gebruik van het conopeüm,
een zijden, parasolvormig scherm met roode en gele
banen (de oude pauselijke kleuren), het tintinnabulum
of klokje, dat evenals het conopeüm in processies
wordt meegedragen, en voor kapittelkerken de cappa
magna als koorgewaad. — Van de Rom. b. zijn er 25
> titelkerken, die tot oorsprong een woonhuis
hebben, dat aan de Kerk ten geschenke werd gegeven.
Deze zijn in de 3e en 4e eeuw de paroch iekerken gewor-
den; zij bestaan alle nog, op drie na. Over de Rom. b.
als statiekerk, > Statie.
L i t. : Dict. d’arch. et de lit. (I 1908, 551), Basilique,
door Leclercq, met uitgebreide lit. opgave ; Dom Kuhn
O.S.B., Allgem. Kunstgcsch., archit. (I Einsiedeln 1909,
278) met uitgebr. lit. opg. . Lemaire, L’origine de la b.
latine (Brussel 1911): Dom Beekman O.S.B., De oor-
sprong en betcekeni8 der Rom. staties (G.G.G. 272 :
1929) ; id., De oud-Christ. B. (G.G.G. 291; 1930), met
bronnen en kaart van Rome met b. — Voor dc Syrische
b. : de Vogüé, Syrië centrale (Parijs 1865-77).
A. Beekman .
Basiliekruid (Ocinum Basilicum, Ind.: Selasih),
eenjarige plant met gestoelde, grof gezaagd-getande,
dikwijls gekroesde bladeren en kleine trossen witte
bloemen. Afkomstig uit tropisch Azië en Afrika, in
Europa gekweekt. Aftreksels van zaden en bladeren
worden in Indië tegen verkoudheid gebruikt, evenals
aftreksels van bladeren van Ocinum sanctum, Ind.:
Kemangi Lampes. Bestanddeelen : vluchtige
olie met 30—40% eugenol. Hillen.
Basilima behoort tot de familie der roosach-
tigen (Rosaceae) en is een geslacht van de onderfamilie
der Spiracoideae, dat in Azië thuis hoort. De lijsterbes-
spiraea, B. s o r b i f o 1 i a, ook wel spiraea- of
Sorbaria sorbifolia genoemd, is een sierheester uit
Siberië, welke in Juni en Juli bloeit, met witte bloe-
p luimen.
Basiliosaurus, •> Zeuglodont.
Basiliscus is een wonderdier uit het
volksgeloof, dat uitgebroed heette te worden door
zevenjarige zwarte hanen, die in verband staan met den
duivel; deze nam dan ook vaak een basiliscusgestalte
aan. In het Spreewahl legde de basiliscus ook wel eens
een ei, waaruit, als het vertrapt werd, een adder te
voorschijn schoot. Door zijn vleugels en kop een haan,
door zijn staart een slang, droeg de basiliscus op zijn
kop een kam of kroon, waaraan hij zijn naam van
kleine koning te danken heeft. Zijn blik was doodend,
ook voor hemzelf; hij stierf als hem een spiegel werd
voorgehouden. De wezel kon hem dooden door zijn reuk,
maar kwam dan ook zelf om. Vondel vertelt, dat de
hel verlicht wordt door lampen, waarin basiliscusvet
hrandt met pek en zwavel. Aan Gotische kathedralen
komt de basiliscus wel in het beeldhouwwerk voor.
Vgl. Basiliscus americanus.
Lit.: mr. L. A. J. W. Baron Sloet, De dieren in het
Germaansche volksgeloof en volksgebruik ; dr. Maurits
Sabbe, Dierkennis en Diersage bij Vondel ; Maerlant,
Nat. BI. (111). Knippenberg .
71
Basiliscus — Basilius de Groote
72
Basiliscus (B. americanus) ofHelm-
basilisk, een soort leguaan, bezit een fantasti-
schen lichaamsvorm door kam vormige lijsten op den
rug; lengte 80 cm, waarvan 56 cm op den staart komen.
Leeft in Panama en Costa Rica. Behoort tot de orde der
hagedissen. Vgl. Basiliscus (wonderdier). Willems.
Voorstelling in de kunst. Als illustra-
tie van Ps. 90. 13: „Op slang en basilisk zult ge wan-
delen”, komt hij voor onder de voeten van den tro-
nenden Christus (> Majestas Domini). Zeer oude
voorst, op de Pignatta-sarcophaag te Ravenna. Sym-
bool van den duivel (deurpijler van het middenportaal
der kathedraal van Amiens, ong. 1240); zelden als
zinnebeeld der onkuischheid (op den helm der on-
kuischheid in een houtsnede te Weenen). Als voorstel-
ling komt de b. uit de Oostersche ornamentiek.
L i t. : Blomberg, Der Teufel und seine Gesellen in der
bildenden Kunst (1867) ; Kraus, Realenzyclopadie der
christl. Altertümer (1886, 733 vlg.) ; Beissel, Zur Ge-
8chichte der Tiersymboliek, in Zeitschr. für christl.
Kunst (14 en 15) ; Koeppen, Der Teufel und dio Holle
in der darstellenden Kunst (1896) ; Collins, Symbolism
of Animals and Birds (1913) ; Haterditzl, Einblattdrucke
des 15. Jahrh., in der Kupferstichsammlung der Hofbibl.
iu Wien (I 1920, nr. 167) ; Mackenzie, The Migration
of Symbols (1926). (Zie fig. blz. 71-72) Knipping.
Basiliscus, Byzantijnsch tegenkeizer (475— 476),
maakte zich van de regeering meester tijdens de af-
wezigheid van keizer Zeno, opende de rij van de dog-
matiseerende keizers door zijn banvloek tegen de
synode van Chalcedon en paus Leo I, dien hij echter
om den tegenstand onder het volk moest herroepen.
Keizer Zeno liet hem bij zijn thuiskomst onthoofden.
Basilisk, > Basiliscus.
Basilius I de Macedoniër, Byzantijnsch kei-
zer (867—868), het meest bekend door het afzetten van
Photius als patriarch van Konstantinopel. Daardoor
herstelde hij voor korten tijd den kerkdijken vrede.
Basilius II Bulgaroctonus (= Bulgaren-
dooder), 976— 1025 Byzantijnsch keizer, streed gelukkig
tegen den Duitschen keizer Otto II in Italië en tegen
de Arabieren in het Oosten. In 1018 vernietigde hij het
Bulgarenrijk.
Basilius de Groote, Heilige, bisschop van
Caesarea, kerkvader en kerkleeraar. B. en zijn vriend
Gregorius van Nazianze en zijn broeder Gregorius
van Nyssa worden veelal samen genoemd als de drie
groote Cappadociërs. Was de bisschop van Nazianze
meer de redenaar en dichter, die van Nyssa meer de
denker, B. schitterde vooral uit als man van de prac-
tijk en zijn verdiensten liggen vnl. op het gebied van
de ascese, liturgie en paedagogiek. Zijn kloosterregels
hebben bijzonder veel invloed gehad op de ontwikkeling
van het kloosterleven, en dat niet enkel in het
Oosten. > Basilianen.
Leven. * ca. 330 te Caesarea in Cappadocië,
f Nieuwjaar 379. B. werd geboren uit een zeer vrome
familie. Zijn grootmoeder wordt vereerd als de H.
Macrina de Oudere, zijn grootvader van moederskant
stierf als martelaar, zijn broeders Gregorius en Petrus
werden bisschop evenals hij, zijn zuster Macrina de
Jongere wordt eveneens als heilige vereerd. Tezamen
met Greg. van Nazianze studeerde hij eenige jaren aan
de universiteit van Athene, volgde echter daarna niet
de redenaarsloopbaan, waartoe hij voorbestemd scheen,
maar beslopt (366) monnik te worden. Na een bezoek
aan de beroemde nederzettingen van monniken in
Egypte, Syrië en Mesopotamië, vestigde hij zich
Hi de buurt van Neocaesarea. In 358 bezocht hem
daar zijn vriend. Hij hielp hem bij de opstelling zijner
kloosterregels en samen legden zij daar de bloemlezing
aan uit de werken van Origenes (Philocalia). De bis-
Basilius de Groote.
schop van Caesarea wist B. te bewegen, de priester-
wijding te ontvangen en zich in dienst te stellen der
kerk van zijn geboortestad en in 370 volgde B. hem
op. Als bisschop heeft hij vooral geijverd voor de
orthodoxie tegen het Arianisme, dat door den keizer
gesteund werd, en voor herstel der goede betrekkingen
met Rome, die door het schisma van Antiochië ver-
stoord waren. De Kerk viert zijn feest op 14 Juni.
Werken. Dogmatisch-polemisch: tegen Euno-
mius (over de H. Drieëenheid) en over den H. Geest;
liturgisch: •> Byzantijnsche liturgie. Vier anaphoren
worden aan hem toegeschreven, een Byzantijnsche
(misschien niet ten onrechte), een Armeensche, een
Grieksch-Alexandrijnsche en een Koptische. Tusschen
de beide laatste is weinig verschil. Paedagogisch : aan
de jongelingen, hoe zij vrucht kunnen plukken uit de
boeken der heidenen (B. bepleit de propaedeutische
waarde der klassieke studie); ascetisch: een heele ver-
zameling, waarvan het voornaamste zijn de Ethica
of Moralia, 80 hoofdstukken met algemeene zeden-
lessen en vermaningen voor afzonderlijke standen en
de twee kloosterregels, waarvan de eene 55 langere
en de andere 313 korte voorschriften bevat voor het
kloosterleven; preeken: homilieën op het scheppings-
werk (die steeds zeer hoog geschat werden) en cp de
psalmen (meer practische toepassing dan exegese);
brieven, zeer belangrijk voor de kennis zoowel der
theologie als der cultuur van dien tijd.
Ui tg.: Migne Patrol. Graeca (XXIX-XXXII). —
73
Basilius de Jongere — Basis
74
L i t. : Bardenhewer, Gesch. der altkirchl. Lit. (IIT
1922, 130-162) ; Rivière, S. Basile (1924) ; Rauschen-
Altaner, Patrologie (1931, 221-228); Dict. Théol. Cath.
(11. 441-459); Dict. Hist. Géogr. Ecclés. (VI 1932, 1111-
1126) ; O. Ring, Das Basiliusproblem, Zeitschr. für
Kirchengesch. (1932, 365-383). Franses .
Voorstelling in de kunst. B. (kale
schedel, baard) wordt afgebeeld in Oostersch bis-
schopsgewaad, in gebed, met een boek in de hand, of
offergaven ontvangend (feubleyras). Met Leo I, Grc-
gorius van Nazianze en Joannes Chrysostomus vormt
hij de groep der vier groote Grieksche Kerkvaders
(mozaïek in Maria Antiqua te Rome). Van Loo beeldt
hem af, zijn groote werken schrijvende. Heyer.
Basilius de Jongere, Heilige, asceet; f 26
Maart 944. Gregorius schreef het leven van B., zijn
leermeester, dat ons in een lange en bekorte editie
bewaard bleef. Keizerlijke officieren zagen den hei-
lige voor een spion aan, namen hem gevangen en
voerden hem vanuit Azië naar Konstantinopel. Een
hoofdstuk uit het uitgebreide leven (de morte Theo-
dorae) is van belang door de schildering van de pijnen
des vagevuurs. J. v. Rooij.
Basilius van Ancyra werd door een Ariaansche
partij, na de vcroordeeling van Marcellus van Ancyra,
tot bisschop gekozen in 336. Door de woelingen der
partijen kwam hij pas na 350 in het rustig bezit van zijn
zetel. Hij was de aanvoerder der Homoiousianen,
bestreed het Homo-ousios van het Concilie van Nicea,
maar stond overigens dichter bij de orthodoxie dan
de andere Ariaansche richtingen. Hij speelde een rol
op de verschillende synoden dier dagen, maar werd
na de overwinning eener meer radicale partij in 360
verbannen en stierf hoogstwaarschijnlijk in balling-
schap.
Zijn werken, een strijdschrift tegen Marcellus en
een boek over de maagdelijkheid, schenen verloren te
zijn, maar het laatste is door Cavallera geïdentificeerd
met een werk, dat ten onrechte op naam van Basilius
den Grooten stond. Physio logische details wijzen
op zijn vroeger ambt van medicus.
Lit.: Rev. d’Hist. Ecclés. (VI 1905, 5-14) ; Hefcle-
Leclercq, Hist. des Conciles (1 1907, 764 vgl.) ; Barden-
hewer, Gesch. der altkirchl. Lit. (III 1923, 124-128).
Franses .
Basilius van Brugge, C a s p a r M e 1 i n c k,
missionaris, f 1664. Was eerst kanunnik in zijn
geboortestad, werd Kapucijn in 1629 en werkte meest
in Nederland, vooral te Velp (bij Grave), waar hij een
klooster zijner Orde stichtte.
Lit.: p. Cyrillus, De Minderbr. Kapucijnen en de
stad Grave (1904).
Basilius van Seleucia, bisschop, liet zich
449 voor de zaak van den ketter Eutyches winnen,
maar keerde op het Concilie van Chalcedon (451)
tot de orthodoxie terug. Hij schreef een prozawerk
in twee deelen over het leven en de wonderen der
II . Thecla, steunend op de apocriefe Acten van Paulus
en Thecla. Een gedicht op dezelfde heilige ging ver-
loren. 41 preeken zijn van hem overgeleverd, waarvan
nr. 88 en 41 onecht zijn. Batiffol verwierp bovendien
nr. 1 tot en met 37, maar werd door meerdere geleerden
weerlegd. Merkwaardig is, dat B. de evangelieverhalen
dramatiseert en monologen en dialogen inlascht.
Zijn preeken werden in dien vorm een voorname bron
voor den zesde-eeuwschen dichter Romanus.
Lit.: Bardenhewer, Gesch. der altkirchl. Lit. (IV
1924, 300-304). Franses.
Basiloxylon (p 1 a n t k.), een in Brazilië
inheemsch geslacht der Sterculiaceac ; brengt gevleu-
gelde zaden voort.
Basin, > Thomas Basin.
Basipctaal (< Gr. basis = voet, Lat. petere =
gxan naar) noemt men den groei in de plant, wanneer
de jongere deelen aan de as dichter bij de basis staan
dan de oudere; staat tegenover acropetaal (> Acro-
petale).
Basiptcrygium, > Archipterygium.
Basiron, F i 1 i p s, Nederlandsch componist
van rond 1500. Hij schreef missen, motetten en poly-
phonische liederen, die in hs. bewaard bleven, buiten
een motet en een mis, die in Petrucci’s drukken, resp.
van 1505 en 1508, voorkomen. Een fragment in moderne
overzetting (Agnus uit de mis De Franza) vindt men
in Commer’s Collectio Music. Batav. (XII).
Basis (Gr., = steunpunt), 1° in de wiskunde,
a) In een driehoek en andere vlakke figuren
wordt vaak één der zijden, meestal horizontaal getee-
kend, basis (ook wel grondlijn) genoemd. Ook bij
lichamen noemt men één zijvlak grondvlak of
basis, b) Van de m a c h t ap heet a de basis (= grond-
tal). c) Voor basis van een logarithmen-
stelsel, > Logarithme. d) Basis in een alge-
braïsch getallenlichaam. Zijn de
algebraïsche getallen a v a 2 , . . . ., a n , die behooren
tot een algebr. > lichaam K(a) van den graad n,
lineair onafhankelijk, dan kan elk getal co van K(a)
slechts op één manier geschreven worden als co =
Cjöj + c 2 a 2 -f- . . . . -|-Cn«n , waarbij c 2 , c 2 , . . . ., c n
rationaal zijn; zijn a 2 , a 2 , . . . ., a n geheel algebraïsch
en lineair onafhankelijk, dan is de discriminant
van het systeem a v a 2 , . . . . , a n , dat is het kwa-
draat van den determinant, gevormd door a v a 2 ,
. . . . , a n en hun > toegevoegden, een geheel rationaal
getal D, ongelijk nul. Het getal van alle in K(a)
te vormen getallen D met de kleinste absolute waarde
heet de discriminant of het grondtal van K(a).
Een bij dezen determinant behoorend systeem
P v /? 2 , , p n heet een basis of minimaal
basis van K(a). Elk geheel algebraïsch getal (9
van K(a) kan slechts op één manier geschreven worden
als G = e^ 2 -f e 2 /? 2 -f + e n fin , waarbij
e v e 2 , en geheel rationale getallen zijn.
Lit.: D. Hilbert, Die Theorie der algebraischen
Zahlkörper (Jahresbericht der deutschen Mathematiker
Vereinigung, IV 1897) ; H. Weber, Lehrbuch der Algebra
(II 2 1899) ; R. Fricke, Lehrbuch der Algebra (III 1928) ;
B. L. van der Waerden, Moderne Algebra (I 1930).
Verriest.
2° Basis in de bouwkunst is het beneden-
gedeelte van een zuil, dat ofwel onmiddellijk op
den grond of op een stilobaat ofwel op een voetstuk
rust. Op enkele uitzonderingen na (bijv. kleine tempel
in Paestum) kent de Dorische stijl geen b. ; de andere
stijlen met hun lichtere zuilenstructuur en geringere
entasis hebben de basis als logisch complement in
passende harmonie met het kapiteel. In de Egypt.
architectuur bestond de b. slechts uit een ronde schijf.
De Ionische b. heeft de volgende elementen: de trochi-
lus (op het ondervlak geplaatste schijf met hollen rand)
en de torus (daarboven aan het ondereinde der zuil-
schacht geplaatst en deze als een stevige voetring
omspannend). In meer ontwikkelden stijl wordt de
trochilus eens of meermalen herhaald, waarbij dan
bandmotieven de verschillende deelen der b. verbin-
den. De Attisch-Ionische stijl kent één trochilus, die
zoowel met zuilschacht als met stylobaat door een
75
Basische gesteenten — Basisrechten
76
torus is verbonden. Aanvankelijk komt onder het
basement een vierkante plint voor, die sinds de 6e
eeuw v. Chr. nagenoeg heelemaal verdwijnt. In den
Alexandrijnschen tijd komt de plint, doch nu veelal
achthoekig, weer op (Milete). Naast de eenvoudige
schijf kent de Etruskische stijl ook een samenstel van
band, torus en plint (bijv. altaar van den Genius loei
op den Palatijn te Rome). Deze komt ook in de latere
Romeinsche kunst voor (Vignola noemt haar „toscana”)
naast den bovengenoemden Attisch-Ionischen vorm
(Pantheon, Titusboog, waar de basis over de geheele
booglengte doorloopt). Deze vorm blijft de heele
middeleeuwen door bestaan; doch de Byzantijnsche
architect verlengde haar en gaf haar ronder profiel. In
den Romaanschen stijl werd ze op een voetstuk ge-
plaatst, zoodat soms de voorstelling van een dubbele b.
gewekt wordt. In Z. Frankrijk, Noord-Italië en Apulië
rust de b. soms op dieren (leeuwen), vooral aan
portieken en kansels. In later tijd nam men dit in de
Noordelijke landen over. De disproportie, door dit
alles ontstaan, werd in den Gotischen stijl eenigszins
weggenomen, vooral bij de zgn. bundelpijlers, waar de
naast elkander verwerkte hooge bases een zeer complex
profiel op leveren. De Renaissance keerde tot de
Komeinsche basisvormen terug. Knipping.
3° Bij landmeten. Bij de metingen in een
terrein gaat men meestal uit van een nauwkeurig
gemeten rechte lijn in het terrein, waaraan men de
verdere meting vastknoopt. Deze lijn wordt de basis
genoemd en wordt zoo nauwkeurig mogelijk gemeten
met behulp van een meetband, liefst eenige malen.
Als b. neemt men in den regel een markante lijn, die
zooveel mogelijk in het midden van het op te meten
terrein gelegen is. Is het terrein hellend, dan wordt die
lijn in hellenden, doch vlakken, stand gemeten en
herleidt men die gemeten lengte tot den horizon.
Dit kan gemakkelijk geschieden door het hoogte-
verschil. der beide uiteinden dier basislijn te bepalen.
Van deze basis uitgaande worden de verschillende
markante punten in het op te meten terrein nu door
vViehoeken met elkaar verbonden en zoodoende
oi/staat het driehoeksnet. E. Bongaerts.
4° Basis van een plant is dat gedeelte, dat
het dichtst bij den wortel gelegen is. Ontbreken wortels
dan moet ouderdomsbepaling of bij eencelligen de
bewegingsrichting de b. aangeven.
Basische ges teen ten, stollingsgesteenten, die
minder dan 55% Si0 2 (kiezelzuur) bevatten. De
kleur dezer gesteenten is meestal donker. De meestal
licht gekleurde stollingsgesteenten, die meer dan
65% Si0 2 bevatten, noemt men zuur.
Basische reactie, of ook alkalische reactie,
de reactie van basen of hydroxyden; bijv. het blauw
kleuren van rood lakmoes. De > pH van een basisch
reageerende vloeistof is grooter dan 7.
Basische zouten. Beschouwt men de vorming
van een zout uit een base en een zuur, dan is dit op
te vatten als een vervanging van de hydroxylgroepen
der base door de zuurrest(en), d.i. het zuur min de
vervangbare waterstof. Worden nu alle hydroxyl-
groepen door zuurresten vervangen, dan verkrijgt
men de n o r ma 1 e zouten; bij gedeeltelijke
vervanging daarentegen de b. z. Deze b. z. zijn dus
tegelijkertijd base en zout; ze behoeven echter niet
basisch te reageeren. De meeste b. z. zijn slecht
oplosbaar; zij vormen zich door inwerking van over-
maat base op het zuur of zout; ook wel door > hydro-
lyse van normale zouten. A. Claassen.
Basisch staal wordt volgens het „vloeibare”
procédé van Thomas verkregen uit phosphorhoudende
ertsen (> Staal bereiding). Het dient voor de vervaar-
diging van balkijzer, spoorstaven, platen on vorm-
gietstaal.
Basiskromme, > Bundel.
Basisloon, in België het loon, waarop de ver-
goedingen berekend worden, welke worden uitbetaald
aan de slachtoffers van een arbeidsongeval of een
beroepsziekte, ingevolge de wet. Dat b. is samenge-
steld uit al de verdiensten, waarop de werkman of
bediende recht had ingevolge zijn arbeidsovereen-
komst, tijdens het jaar, dat het ongeval of de beroeps-
ziekte voorafging. Vertessm .
Basismethode noemt men in de geodesie
een methode van detailmeting, waarbij de ligging
van een aantal punten bepaald wordt door het meten
van hoeken t.o.v. een vaste basis. Zij (zie afb.)
3
Basismethode bij het landmeten.
PQ de basis, en A, B, en C de te meten punten, dan
meet men de hoeken QPA, QPB, QPC en PQB, PQA,
PQC. Is de lengte van PQ bekend, dan kan men de
ligging van A. B, en C berekenen. De b. vindt aanwen-
ding, indien de te meten punten slecht toegankelijk
zijn (moeras, bergtop) en verder, indien men werkt met
een planchette, waaraan geen tachy meter- inrichting
is aangebracht. In den laatsten tijd wordt zij veel
gebruikt in de > photogrammetrie. Jong.
Basismeting is noodzakelijk bij drie-
hoeksmeting, teneinde uit een gemeten
afstand alle andere afstanden te bepalen. De b. moet
daartoe zeer nauwkeurig zijn. In het eenvoudigste
geval meet men daartoe een bepaalden afstand in
vlak terrein eenige malen met meetlatten. Voor
grootere driehocksnetten, bijv. bij de triangulatie
van een geheel land, moet de b. nauwkeuriger uitge-
voerd worden. Men meet met staven van invar;
de eindstrepen worden met microscopen waarge-
nomen. De staven zijn ca. 4 m lang en op statieven
volkomen horizontaal opgesteld. De nauwkeurigheid
bedraagt 1 : 2 000 000. Iets minder nauwkeurig,
maar sneller, is de meting met een invar-draad
(1 : 500 000). Deze is ongeveer 24 m lang en wordt
opgehangen op statieven, terwijl aan ieder einde een
gewicht is bevestigd. De afstand van twee op den
draad aangebrachte merken is dan afhankelijk van het
gewicht; hij wordt bepaald door ijking. Bij al deze
metingen moet de temperatuur in rekening worden
gebracht.
De oudste nauwkeurige b. was die van S n e 1 1 i u s
tusschen Leiden en Zoeterwoude (1621). Jong.
Basisphenoïd, > Wiggebeen.
Basispunten, > Bundel; > Net.
Basisrechten (w i s k.), > Schaar.
BASES
Basis van een Egyptischen
Lotoskelk-zuil te Karnak.
Zuilbasis van den Minerva-
Polias-tempel te Athene.
Zuilbasis van den
Apollotempel te
Milete.
BAi
Byzantijnsche zuilbasis uit de hoofdbeuk van de
Aya Sophia te Konstantinopel.
Ionische zuilbasis van den Apollotempel
te Bassae.
Zuilbasis van den Dorischen
tempel te Paestum.
Byzantijnsche zuilbasis uit
St. Vitale te Ravenna.
Laat-Romaansche zuilbasis uit Semur.
79
Basisvlak — Basken
80
Basisvlak, kristallographische benaming voor
die kristalvlakken van bepaalde kristalstelsels, die
loodrecht staan op de kristallographische hoofdas
(c-as).
Basitonac behooren tot de standclkruiden
(Orchidaceae) en vormen een groep van de onder-
familie der Monandrae.
Basius, J o h a n n e s, een dergenen, die in de
jaren van Oranje ’s ballingschap heeft gezorgd voor
diens contact met gelijkgezinden in de Nederlanden.
Geldinzameling, voorbereiding van het volksverzet.
* ca. 1540 te Leeuwarden, f 1596 te Delft.
L i t. : La correspondance d’Orange avec Jacques de
Wesenbeke (uitg. Van Someren).
Basji, volksstam in Belg. Kongo, ten W. van het
Kivoe-meer, tusschen de Roezizi in het Z. en de
Njabarongo in het Noorden. Ze w T orden ook Bania-
bongo genoemd en zijn met de Banjaroeanda
verwant. > Kongo (Ethnographie).
Basji la, volksstam in Belg. Kongo, die met de
Baloeba verwant schijnt. De Basjila bewonen de
streek ten W. van het Moëro-meer. > Kongo (Ethno-
graphie).
Basjilcle, volksstam in Belg. Kongo, die den
linkeroever van de Kasai bewoont, stroomafwaarts
de Wissmann -watervallen tot aan de monding der
Loange. > Kongo (Etlmographie).
Basjir, > Besjir.
Basjkicren, Turksch-Tataarsche stam in auton.
Sovjetrepubliek in den Oeral (hoofdstad Oefa);
100 000 zielen, Mohammedaansch. Zij leven veelal
nog als nomaden ; de Sovjets wcnschen hen te ontwikke-
len en geven boeken (propaganda) uit in hun taal.
Verder > Midden -Azië. v. Son.
Basken is de naam van het min of meer geheim-
zinnige volk, dat thans nog slechts het Westelijk deel
der Pyreneeën, zoowel in Frankrijk als in Spanje,
bewoont. In Frankrijk telt men er ongeveer 120 Ö00
in de districten Bayonne en Mauléon (dep. Basses
Pyrénées), in Spanje ca. 470 000 in de provincies
Alava, Biscaya (Vizcaya), Guipiizcoa en verder in de
omgeving van Pampeluna (prov. Navarre). Maar uit
de anthropologische gegevens, de plaatsnamen, de
verspreiding van bepaalde volksgebruiken, dialect-
verschijnselen etc. weten w r e, dat hun gebied vroeger
veel grooter geweest moet zijn, vooral aan den Spaan -
schen kant: in Frankrijk minstens tot aan de Loire.
De B. stammen waarschijnlijk rechtstreeks af van de
oude Iberiërs; daarvoor pleiten vooral de taalgegevens.
Vroeger heeft men de verw r antschapsrichting ook wel
elders gezocht, bijv. in de richting der Liguriërs en
der Aquitaniërs, die ten deele in dezelfde streken
hebben gew T oond. Tusschen deze meeningen bestaat
geen directe tegenspraak; de nieuwere opvatting is
juist, dat hl deze volkeren met nog verschillende
andere meer, als de Alarodiërs, de Etrusken, de Ela-
mieten, de Chalden, een bepaalde vroege tak der Arme-
niërs, de Kaukasiërs etc., een groot samenhangend
geheel gevormd hebben, dat van den Kaukasus tot den
W. Atlantischen Oceaan reikte en zeker ook tot diep
in Afrika zijn vertakkingen had. Het vormde de basis
voor de prachtige middellandsche cultuur, waarvan
men op Kreta en in Mycene thans nog de sporen terug-
vindt en waarvan ook sommige deelen van het Home-
rische epos nog een vagen indruk geven. Matriarchale
en totemistische volkselementen lagen hier dooreen,
en het groote complex w 7 erd pas verbroken door de
kunst der eerste Indo -Germanen. Vandaar dat men
thans ook veel gewicht hecht aan de parallellen
tusschen het Baskisch en de Kaukasische talen, vooral
het Abchasisch (N.W.): deze toonen zich vooral in de
psychologie van het werkwoord, minder in den woor-
denschat. Vroeger dacht men weer eerder aan ver-
wantschap met de Berberdialecten van Marokko
en Algiers, de Hamietische en Semietische talen of het
Soemerisch. Gewoonlijk vat men dit geheele stelsel
van meeningen samen als de „Japhetitische theorie”;
ze wordt vooral van Russische zijde (N. Marr) voorge-
staan; opgave van het toekomstig onderzoek zal
natuurlijk zijn telkens nauwkeurig de graden en de
vormen der talen- en volkerenverwantschap vast te
stellen, w 7 ant voorloop ig zijn deze nog zeer vaag.
Het eerste in het Baskisch gedrukte boek, de Linguae
Vasconum Primitiae, gedateerd 1545, bevat de werken
van Bernard d’Echepare (d’Etxepare). De in 1571 te
La Rochelle verschenen vertaling van het Nieuwe
Testament door Jean Licarrague wordt beschouwd
als het standaardwerk voor de taalstudie. De Bas-
kische letterkunde omvat verder bijbelsche en geschied-
kundige drama’s (pastorales) naar Fransche gegevens,
en werken van godsdienstige strekking. Overigens
voor het grootste deel vertalingen. Eerst in den laatsten
tijd kan men van een eigen Baskische literatuur
spreken.
Geschiedenis. De B., die de Romeinsche aanvallen
ten tijde van Augustus konden weerstaan, w’erden in
de 6e eeuw door de West-Goten overw onnen. Gedurende
de 7e eeuw 7 werden zij tot het Christendom bekeerd.
Toen Karei de Groote in 777 over de Pyreneeën tegen
de Arabieren optrok, nam hij ook de Baskische stad
Pampeluna, doch moest het beleg voor Saragossa
opbreken. Tijdens den terugtocht werd nu zijn achter-
hoede onverwachts in het dal van Ronceveaux door
de B. overvallen en volslagen vernietigd. Daarbij sneu-
velde ook Hruodland f = Roeland). Latere sagen
en dichters hebben in het > Roelandslied deze neder-
laag als een eenig heldenfeit opgesmukt en bezongen.
Met behoud van hun rechten sloten de Basken
zich bij verdrag van 1202 aan bij Castilië, dat in
1479 tengevolge van het huwelijk van Isabella met
Ferdinand van Aragon deel uitmaakte van het konink-
rijk Spanje. Ondanks him band met de Spaansche
Kroon hebben de B. steeds een geïsoleerde positie
en een zekere zelfstandigheid weten te bew r aren.
Wel w r erd door tusschcnkomst van Ferdinand den
Katholieken een einde gemaakt aan de onderlinge
twisten van den lageren adel der löe eeuw en werd
aan de steden meer macht toegekend, terwijl daaren-
tegen het bouwen van versterkingen buiten de steden
verboden werd, maar daarnaast werden alle bestaande
rechten, wetten en gewoonten (fueros) gehandhaafd.
Zelfs bevestigden de Spaansche koningen onder eede,
deze te zullen erkennen. Zoo worden dan ook de
Basken bij den Vrede van Utrecht in 1713 afzonderlijk
genoemd. Een gesclireven verdrag van saamhoorig-
heid der Baskische provincies is niet bekend, maar
hun juntas handelden in onderling overleg en zonder
hun bekrachtiging hadden de Spaansche w r etten voor
de B. geen beteekenis.
De Car lis ten -oorlogen zouden hierin eerst verande-
ring brengen. Bij den dood van haar vader Ferdinand
VII in 1833 maakte Isabella II ingevolge de in 1830
uitgevaardigde Pragmatieke Sanctie, waarbij de
Salische Wet w r erd uitgeschakeld, aanspraak op den
troon en werd bestreden door Don Car los, broeder
van den overledene. Hij beloofde aan de B. handhaving
81
Basketball — Basoeto
82
hunner rechten en verwierf hun steun in den eersten
Carlistenoorlog (1833 — 1839). Het einde was echter
een overw inning van Isabella; na haar onttroning
in 1868 ontbrandde de twefde Carlisten -oorlog,
waarbij de Carlisten andermaal verloren en de B.
landen zonder meer bij de overige provincies werden
aangesloten. Sindsdien trokken vele B. (naar schatting
ca. 100 000) weg naar Zuid -Amerika (Ta Platastaten);
zij hebben daar hun eigen pers en volks vereen igingen.
In Frankrijk had hun uitzonderlijke positie reeds met
de Revolutie een einde genomen.
Beter dan de Fransche hebben de Spaansche B.
hun ras -eigenaardigheden behouden. Een sterk ont-
wikkeld gevoel van eigenwaarde en hardnekkig conser-
vatisme zijn de voornaamste karaktertrekken. Vurige
Katholieken.
Reeds in de middeleeuwen gingen de B. ter wal-
vischvangst en ook nu nog zijn zij sterk en behendig,
en moedige zeevaarders en smokkelaars. In het binnen-
land wordt veeteelt, land- en wijnbouw beoefend.
In plaats van een ploeg wordt de lava, een twee-tandige
lange vork met kort houten handvat gebruikt. Als
woonruimte wordt de eerste verdieping hunner huizen
gebruikt, met een uitwendige trap bereikbaar. Zoo-
doende blijft gelijkvloers ruimte beschikbaar voor het
vee en de voorraden. De nog gehandhaafde oude klee-
dcrdracht bestaat voor de mannen uit de bekende
wollen baret, een kort nauw buis, open vest en om de
broek een gekleurden gordel; de vrouwen dragen
gestreepte blauwe of roode rokken met kleurige gamee-
ring, een jakje en omslagdoek.
Het nationale kaatsspel (jeu de paume) wordt
hartstochtelijk beoefend.
L i t. : Vinson, Les Basques et le pays basque (Parijs
1882) ; id., Le Folklore du pays basque (Parijs 1883) :
Olphe Galliard, Le Paysan basque a travers les &gcs
(Parijs 1905) ; Aranzadi y Unamuno, Antropologia y
etnologia del pais vasco-navarro (1911) ; Revue des
Etudes basques (verschijnt vanaf 1907) ; N. Marr, Der
japhetitische Kaukasus und das dritte ethnische Ele-
ment im Bildungsprozess der mittellandischen Kultur
(Berlijn 1923) ; C. C. Uhlenbeck, Over een mogelijke ver-
wantschap van het Baskisch met de palaeo-Kaukasische
talen (1923) ; W. Meijer-Lübke, Das B. und seine Ver-
wandtschaft, in : Germanisch-Romanische Monatschrift
(1924, met lit. opgave) ; J. Karst, Die vorgeschicht-
lichcn Mittelmeervölker (Hcidelberg 1931) ; Uhlenbeck,
De jongste denkbeelden over den oorsprong der B. (Med.
Kon. Ac. van Wet. Lett. LXXIV 1932, serie B. 1).—
Grammatica: Ithurry, grammaire basque La-
bourdin (Bayonne 1920) ; Schuchardt, Primitiae linguae
vasconicae (Leipzig 1923). — Volksliederen:
Azkue, Cancionero Vasco (7 dln. 1912 — ’19, P. Bosch y
Gimpera).
Basketball, een Amerikaansch korfbalspel, dat
veel op ons korfbal gelijkt, In 1892 verden de
spelregels voor het eerst gepubliceerd, welke in den
loop der jaren slechts weinig veranderden. Het
speelveld is 21 bij 15 m, zoodat het spel uiteraard
geschikt is voor binnensport.
Baskisclie provinciën, > Alava, Vizcaya,
Guipuzoa.
Baskische trommel, > Tamboerijn.
Baskocntsjjak-meer, steppemeer in zandige
en kleiige Permlagen ten O. der beneden -Wolga,
124 km 2 groot, met een zoutgehalte van 28%. De zout-
winning beteekent hier niet veel meer, maar is over-
gegaan naar het Elton Meer.
Basluit, > Chitarrone.
Basnage, 1° J a c q u e s, kerkhistoricus,
* 1653 te Rouen, f 1723 te Den Haag. Als refugié
in 1685 naar Holland. Predikant in Rotterdam, Den
Haag. Gebruikt in staatszaken. Krijgt van de Staten
opdracht deHist. des Provinces Unies van De Wicque-
fort te vervolgen. Bezorgt echter in zijn Anna les des
Provinces Unies (2 dln. Den Haag 1719 — 1726) een
beschrijving van het tijdvak 1648 — ’67. Weinig
nieuws. B. volgt veelal De Wicquefort.
Werken: o.a. Hist. de la religion des églises
réformées ; Histoire de Péglise.
2° Samuel, Prot. theoloog en historicus, neef
van Jacques Basnage; * 1638 te Baycux, f 1721 te
Zutphen. B. was eerst predikant te Vauxcelles, ver-
volgens te Bayeux. In 1685 vertrok hij naar Nederland
en werd predikant van de Waalsche gem. te Zutphen.
Hij schreef tegen Baronius: De rebus sacris et eccle-
siasticis excercitationes en: Annales politico-eccle-
s ïastici
Lit.: Ned. Biogr. Wdb. (II, 97 vlg.) ; Biogr. Wdb.
van Prot. godgel. in Ned. (I 1919, 334-338). J.v. Rooij.
Basoche, Clercs de la, vereeniging van
meestal ondergeschikte beambten van het Parlement
(basilica = basoche), of ook van het Chatelet en de
Cour des Comptes, die sedert het begin der 15e eeuw
op bepaalde feestdagen verschillende soorten van
spelen opvoerden, als „c a u s e s g r a s s e s”, een
satire op de rechters, op vastenavond; spottende
revues, farces, moraliteiten, meestal
met satirische strekking tegen gerecht, regeering of
andere machten, waardoor zij wel eens met die machten
af te rekenen hadden. Aan hun hoofd stond een roi des
basochiens: titel, dien Philips de Schoone in 1303
hun reeds zou hebben vergund te dragen. Ook in
andere steden van Frankrijk ontstonden soortgelijke
vereen igingen. F. Mierlo.
Basoeto, een Bantoestam, woonachtig in Basoeto-
land, ruim 500 000 in aantal met 1 600 blanken en
1 000 kleurlingen; hun taal heet Sesoeto; > Bantoe-
talen. Blanken hebben krachtens toepassing der
segregatie-(afzonderings-)politiek vergunning noodig,
zich onder de B. te vestigen: ambtenaren, missiona-
rissen en zendelingen, handelaars. De B. vormen den
O. tak der Betsjoeana, zijn echter physiek en militair
hun minderen, ook moreel. Hun gelaat vertoont minder
opvallende negertrekken ; zij zijn slank gebouwd;
huidkleur is donkerbruin; lichaamsdeelen in goede
verhouding; temperament opgewekt; zijn zacht en
vredelievend. Zij overtreffen de Zoeloe’s in intelligentie
en beleid. De B. zijn onderverdeeld in aanzienlijke
stammen en bevatten een klein Barolong-element.
Drie vierden der B. zijn nog heidenen, een vierde is
Christen; worden bearbeid door: 1° de Fr. zending
(Soc. de miss. évang. de Paris) sedert 1829 ; zij hebben
75 000 bekeerlingen; 2° de Kath. missie, eerst onder
het apost. vicariaat van Natal, toen van Kimberley,
in 1894 onder de apost. prefectuur, nu onder ap.
vicariaat met hoofdzetel te Rome, Oblaten van de
Onbevlekte Ontv., 21 hoofd- en 135 nevenstatics,
19 kerken en kapellen, 5 kloosters, 9 scholen en 40 000
bekeerlingen; 3° de Anglicaansche zending, met
20 000 bekeerl., 4° de zending der Ned. Geref. Kerk
van Z. Afr. Er zijn 560 inboorlingscholen met 50 000
leerlingen, waarvan 30 000 geregeld de scholen
bezoeken; de meeste scholen behooren aan missie of
zending met gouv. steun; een gouv. ambachtsschool;
te Morija een drukpers van de Fr. zending. Het Chris-
tendom heeft hun zeden verzacht (in 1833 nog
menscheneters). Het leven van den oorlogvoerende,
83
Basoetoland
84
die zich overgaf, werd gespaard; kinderen, vrouwen
en vreemdelingen vrijgesteld van krijgsdienst; een
gezant was onschendbaar, evenals een reiziger, maar
in oorlogstijd moest de laatste de wapenen opnemen
voor den stam, in welks midden hij zich had gevestigd.
Voor doodslag moest weergeld betaald, vast te stellen
door het hoofd van den stam. Kwaad noemen zij bij den
naam van leelijkheid, onmacht, schuld. Hoofdbronnen
van bestaan zijn landbouw en veeteelt, maar meer dan
100 000 B. werken buiten Basoetoland in de mijnen,
op boerenplaatsen en als huisbedienden. Het vrucht-
bare land wordt met vlijt bebouwd: maïs (mielies),
kafferkoren (mabéla); koren slechts op enkele plaatsen.
De veestapel bestaat uit ruim een half millioen
runderen, 2 millioen schapen, 1 millioen geiten,
150 000 paarden (bekende B.-ponies) en 600 000
muilezels.
L i t. : E. Casa is, Les Bassoutos (1859); E. Jacottet,
Contes populaires des Bassoutos (1895); Widdicombe,
Fourteen years in B. land (1895); Barkley, Among
Boers and Basutos (1900); sir G. Lagden, The Basutos
(1909).
Geschiedenis der B. Het vaderland der B. was
eerst bewoond door de Bosjesmannen, wier eeuwen-
oude schilderingen nog de wanden der bergholen
sieren. Ongeveer 1800 werd het de toevlucht van een
Betsjoeanastam, de B., die reeds groote deelen van
den Oranje- Vrijstaat bewoonden, maar na verwoestende
oorlogen, door de Zoeloe ’s tegen hen gevoerd, in de
onneembare rotsvesting Thaba Bosigo van dit berg-
land onder hun koning Mosjesj (* 1790) zich konden
handhaven in 1814. Hier waren zij ongenaakbaar voor
Tsjaka, Malawana en Moselikatze. Mosjesj. een onver-
schrokken jager en krijgsman met veel politiek overleg,
smeedde hen tot de onoverwinnelijke B. -natie, die
in 1834 de aanvallen van Moselikatze afsloeg. Meer
uit berekening dan beginsel noodigde hij in 1833
Fransche zendelingen uit, zich onder zijn volk te
vestigen, en bleef hun trouw tot zijn dood. In 1836
en \37 trokken de Boeren voortrekkers (> Zuid Afrika.
Geschiedenis) den Oranje-Vrijstaat binnen en ontstond
er wrijving met Mosjesj, die het land opeischte. De
Basoeto ’s lieten zich toen en nog vele jaren kennen als
ervaren roovers, vooral veedieven, en lastige buren.
De B. wilden het vee, de Boeren het land. In 1842
proclameerde sir George Napier Basoetoland het
eigendom der B. en verklaarde het in 1843 een Britsch
protectoraat, geregeerd door Mosjesj. In 1848 annexeer-
de sir Harry Smith den Oranje-Vrijstaat, maar, daartoe
aangemoedigd door de verkeerde natnrellenpolitiek,
door de Engelschen gevolgd, begon Mosjesj den eersten
Basoeto-oorlog (1851) en versloeg de Engelschen.
In de onafhankelijkheidsverklaring van den Oranje-
Vrijstaat in 1854 werd geen schikking omtrent de B.
getroffen, die gevaarlijke buren bleken in hun zucht
tot gebiedsuitbreiding. In 1858 brak de tweede
B. -oorlog uit, veroorzaakt door hun onophoudelijke
vee- en gronddicfstallcn. Sir George Gey, gouverneur
der Kaapkolonie, werd als bemiddelaar ingeroepen
en bewerkte de Eerste Conventie van Aliwal -Noord
in 1858. Mosjesj verwierf uitbreiding van gebied,
wel verklaarbaar door het feit, dat er twaalfmaal zoo-
veel B. waren als Oranje-Vrijstaat-boeren. Aangemoe-
digd door zijn succes, vervolgde hij zijn rooftochten,
gevolgd door den derden B. -oorlog in 1865, waarin
Mosjesj verslagen werd en in April 1866 het Verdrag
van Thaba Bosigo teekende, welks voorwaarden
hij niet nakwam, waarop een strafexpeditie der Boeren
zijn land binnentrok, 2 000 van zijn krijgers neer-
legde, kralen en oogst verwoestte, vee nam, ten-
gevolge waarvan hongersnood en ziekten zijn volk
dunden. Toen riep Mosjesj de bescherming van de
Britsche regeering in en B.-land werd in 1868 tot
Britsch gebied verklaard, geheel in strijd met de
Conventie van Bloemfontein. Een Boeren -deputatie
protesteerde tevergeefs in Engeland en Mosjesj her-
nieuwde onbeschaamd zijn rooftochten tegen de
Boeren, die machteloos stonden uit vrees een botsing
met het Britsche Rijk uit te lokken. Op de Tweede
Conventie van Aliwal-Noord werd nu een nieuwe grens
tusschen B.-land en den Oranje-Vrijstaat vastgesteld.
Mosjesj stierf in 1870 en het jaar daarop werd B.-land
ingelijfd bij de Kaaplokonie. Toen de B. in 1880
weigerden de Vredesbewaringwet te aanvaarden,
ontstond de B. -rebellie (1880 — ’83), waarop B.-land
in 1884 tot Britsche Kroonkolonie verklaard werd.
Geen Europeaan mocht zonder verlof zich aldaar
vestigen; de verkoop van sterken drank en vuur-
wapenen werd verboden. Nog altijd is B.-land een
smeulend gevaar, daar het bij eersten oproep
terstond een leger van 60 000 goedgewapende bereden
manschappen kan leveren. In Mosjesj, als den typischen
Basoeto, is de zelfhandhaving van zwarte heer-
schappij en het verzet tegen den blanke verpersoonlijkt.
De aspiratie van den Afrikaner, nog heden, is, om
B.-land, zoowel als Swazi- en Betsjoeanaland, de
eenige gebieden in de Unie, die nog van Londen uit
bestuurd worden, te brengen onder het gezag van de
blanke bevolking der Unie van Z. Afr.
L i t . : Barkley, Among Boers and Basuto (Londen
(1900) ; Ellenberger and Macgregor, Hist. of the Basuto
(Londen 1913). Besselaar.
BasoHoIand (Z. Afr., 28° 35' tot 30° 30' Z.,
27° tot 29° 25' O.) (> Basoeto) grenst in het N. en W.
aan den Oranje-Vrijstaat en de Caledonrivier; in het O.
aan Natal. de hellingen van het Quathlamba en de
Drakens Bergen; in liet Z. aan de Kaapprovincie;
opp. ca. 11 000 vierk. mijlen of 30 000 km 2 ; zoo groot
als België; wordt Z. Afrikaansch Zwitserland genoemd;
is een bergplateau met vruchtbare valleien, opgebouwd
uit horizontale lagen van de Storm bergreeks in het
Karoosysteem ; hoogste punt is de N.W. hoeksteen:
de Montaux Sources(ll 000 voet), oorsprong
van de Oranje-, Caledon-, Toegela- en Wilgerivieren;
het bestaat uit vulkanische zandsteen lagen en heeft
een gezond klimaat: koud in den winter met zwaren
regenval in den zomer, iets meer dan 80 regendagen
per jaar, regenval ± 30 duim; is rijk aan delfstoffen,
die nog onontgonnen zijn. Hoofdplaats Maséroe met
2 500 zielen, waarvan 400 blanken. Hout is er zeer
schaarsch, daar de inboorlingen de vegetatie verwaar-
loozen; gedroogde koemest is brandstof; overvloedig
gras en wilde bloemen, ook heidekruid. Te veel vee
veroorzaakt uitputting van den weidegrond; erosie
of grond verspoel ing ontstaat door ontblooting van
beschermenden plantengroei, regens spoelen diepe
slooten (dongas) uit, zelfs 30 voet diep. Wild wordt
schaarsch, men vindt nog elanden, hartebeesten,
antilopen (bokken) en hazen. Patrijzen en kwakkels
kunnen onder jachtakte geschoten worden; veel
ooievaars en zwaluwen uit Eur. brengen hier den
winter door. Van N. naar Z. is er een hoofdweg aan-
gelegd met bruggen; deze verbindt alle gouveme-
mentsposten en van hier loopen verbindingswegen
naar dorpen of stations in den Oranje-Vrijstaat, ook
rijwegen. In het vulkanisch bergachtig gedeelte voor-
85
Bas-Oha — Bassani
86
zien pakpaarden of dragers in het vervoer. In B.-land
ligt één mijl spoorweg* de verbinding van Maséroe
met het Oranje-Vrijstaat-spoorwegnet.
De regeeringsvorm berust op het grond-
beginsel van naturellen-zelfbestuur onder opperleiding
van den blanke en is toepassing van het segregatie- of
afzonderingsbeleid. De grond is gemeenschappelijk
bezit; de inlandsche hoofdman (morena) wijst elk lid
van den stam een deel bouwgrond toe en een weideveld
in de bergen. De stammen staan met elkander in
federatief verband. Hun hoofden zijn belast met de
bewaring van orde en rust en vormen een raad (pitso)
onder voorzitterschap van den Britschen resident-
commissaris. Deze w r ordt bijgestaan door zeven
assistent-commissarissen. Orde wordt gehandhaafd
door bereden politie, bestaande uit vier inspecteurs,
10 onder-insp., 2 hoofdkonstabels, 4 konst. en 280
manschappen; er zijn 7 gevangenissen. Te Maséroe
woont een medisch hoofdbeambte, in elk district een
medisch beambte; er zijn 6 hospitalen met blanken- en
inboorlingen-verpleging. De hutbelasting bedraagt
een pond sterling per jaar. De handel wordt gedreven
door 200 handelaars in dekens, kleeding, gereedschap
en kruidenierswaren en is dikwijls ruilhandel voor
landbouwprodcuten. De export verloopt: 13 millioen
pond wol, 2 l l 2 millioen mohair, 130 000 zak koren,
totaalwaarde driekwart millioen p. st. ; meest naar den
Oranje- Vrijstaat, ook wel met lastdieren naar Natal
en O. Griqualand.
L i t. : G. M. Call Theal, Basutoland Records (Kaap-
stad 1883) ; Jaarboeken van de Unie van Z.Afr. (Gouv.
publ. Pretoria) ; Annual Reports on Basutoland (Colonial
Office, Londen). Besselaar.
Bas-Oha, Belg. gem. in de prov. Luik, ten W.
van Iïoei; ca. 1 300 inw.; opp. 702 ha. Bergachtig.
Maasvallei; landbouw, boomgaarden; steenkool.
Kasteden van Bas-Oha en Lamalle. De gem. wordt
reeds vermeld in de 12e eeuw.
Basoko, plaats in B. Kongo, Oost-prov.; haven
op den rechteroever van den Kongostroom, aan de
monding van de Aroewimi. Administratief en handels-
centrum. Missiepost der Priesters van het H. Hart;
apost. vicariaat der Stanley-Falls. Volksstammen:
Basoko en Bangala; ongev. 60 000 inw. Gesticht 1902;
gedoopten (1932): ca. 6 000. Gasthuis door de Zusters
Franciscanessen Missionarissen van Maria. Lagere
scholen voor jongens en meisjes. Ruim kerkgebouw.
Basonge, volksstam in Belg. Kongo, tusschen
de Loealaba in het O. en de Loebi in het W., tusschen
ong. 5° en G° Z. * Kongo (Ethnographie).
L i t. : Coll. Monogr. Ethnogr. III, Les Basonge
(Brussel 1908).
Basongo, plaats in B. Kongo, Kongo-Kasai-
Ï >rov.; haven op den linkeroever van de Kasai-rivier.
^otestantsche missiepost ; administratief en handels-
centrum.
Basongo-YIeno, naam, gegeven aan de
> Bankoetsjoe.
Basophilic, eigenschap van allerlei stoffen om
zich door basische kleurstoffen te laten kleuren. Het
woord wordt bijna uitsluitend gebruikt in de genees-
kunde, wanneer bepaalde weefselgedeelten of sommige
bloedlichaampjes deze eigenschap vertoonen. Jonge
roode bloedlichaampjes bijv. kleuren zich met basische
kleurstoffen veel sterker dan oudere, terwijl er bij
de witte bloedlichaampjes een bepaalde soort is met
korrels erin, die door basische kleurstoffen sterk ge-
kleurd wordt (zgn. basophilen). Wyers.
Basophyl (basophil) heeten cellen, die basische
aniline -kleurstoffen gemakkelijk opnemen.
Basra, havenstad van het koninkrijk Irak
(W. Azië), aan den rechteroever van de Sjatt el Arab,
110 km van zee (30° 34' N., 47° 50' O.). 60 000 inw.
(1921), 60% Arabieren, 20% Perzen. Zeer belangrijke
invoerhaven van Mesopotamië. Uitvoer van dadels,
wol, sesam, huiden, paarden. Vliegdienst naar Baedad.
168 mm regen per jaar; temperatuur 10° tot 33° C.
U eer e.
B. is door de Arabieren gesticht, nadat zij na meer-
dere bloedige veldslagen (o.a. bij Kadesia, 636)
Perzië hadden veroverd. De stad kreeg een bloeiende
hoogeschool, welke echter ten tijde van Mcliksjah
(eind 11e eeuw) geheel vervallen was. Zij werd door
den vizier van dien veroveraar opnieuw* opgericht.
De stad ligt op de reisroute, die Marco Polo genomen
heeft. Slootmans.
Bas-reliëf, een beeldhouwwerk, dat minder
dan de helft uitsteekt boven het platte vlak of den
achtergrond, w*aarmede het geheel verbonden is,
onverschillig in welk materiaal het is uitgevoerd.
> Haut-reliëf; > Reliëf.
Bas-Hliin, Fransch departement. > Rhin.
Bassa (Ital.), muziekterm, verkorting
van otava bassa (8va bassa), beteekent: uit te voeren
in verbinding met het onderoctaaf.
Bassac, dorp in het N.W. van Arcadië (Grieken-
land), 1 130 m boven zee. Bekend om de ruïne van een
Apollotempel uit het einde der 6e eeuw v. Chr.,
gelegen op een soort plateau. Deze tempel werd om
een reeds bestaand kleiner tempeltje gebouwd met de
as in N.W. richting i.p.v. Oost- West. De zuilen w*aren
volgens de drie bekende Grieksche bouworden, rondom
een Dorische zuilenrij, binnenin 6 nissen, gescheiden
door zgn. driekwartzuilen van Ionische bouworde,
waarboven een doorloopend fries met beeldhouw*werk
en tusschen de nieuwe > cella en het oude tempeltje
een zuil met vroeg-Korinthisch kapiteel. Men heeft
het bouw r w*erk toegeschreven aan Ictinus.
W. Vermeulen.
Bassani, Giovanni Battista, Ital.
componist, * 1657 te Padua, f 1716 te Bergamo; leer-
ling van Castrovillari te Venetië. Van 1677 — ’82
w*as hij organist van de „Accademia de 11a morte”
te Ferrara en kapelmeester van den hertog van Miran-
dola, tevens in 1677 reeds lid van de „Accademia
filarmonica” te Bologna. In 1682— ’83 w*as hij hiervan
zelfs voorzitter. Het is moeilijk aan te nemen, dat B.
de leeraar zou geweest zijn van Corelli die ecnige
jaren ouder was; niettemin vertoonen hun composities,
vooral wat de instrumentale werken betreft, veel
verwantschap. Ook als componist van vocale w r erken
is B. zeker zoo belangrijk, zoowel voor de kerk als
voor kleinere ruimten.
Werken: 1° instrumentaal : Balletti, Concerti,
Gighe e Sarabande, op. 1 (1677) ; vioolsonates met
bassocontinuo in Scelta delle suonate (1680) : 12 Sonate
da chiesa voor 2 violen met bassocontinuo, op. 5 (Bo-
logna 1683, Amsterdam bij Et. Roger 1688).
2° Vocaal : L’armonia delle Sirene, op. 2 (1680) : II
cigno canoro, op. 3 (1682) ; Affetti canori, op. 6 (1684) ;
Eco armonica delle Muse (1688) ; Amorosi sentimenti
op. 14 (1693); Armoniche fantasie op. 15 (1694); La
Musa armonica op. 16 (1695) ; Languidezze amorose op.
19 (1698) ; La Sirena Amorosa op. 17 (1699) ; Cantate
amorose op. 28 (1701) ; Corona di fiori musicali op. 29
(1702) : Cantate ed arie amorose op. 31 (1703) ; al deze
werken zijn solo-cantates met continuo. Een boek
87
Bassano — Basserman
88
2-3 st. cantates, La moralita armonica op. 4 (1683) ;
6 opera’s ; 9 oratoria: geestelijke werken, waaronder
missen met instrumenten ; Motetti a voce sola c. 2 V. ad
lib. op. 8 (1690), op. 12 (1692), op. 13 (1693), op. 27
(1701) ; Armoniei entusuasmi di Davide op. 9 (4-st.
psalmen met instr. 1690) ; Salmi di compieta op. 10
(1691) ; Concerti sacri op. 11 (1692^ ; een requiem-mis
(1698); Salmi concertati op. 21 (1699), op. 24 (1700);
Lagrime armoniche op. 22 (1699) ; Le note lugubri op.
23 (1700) ; Antifone a voce sola c. V. 2 Tantum Ergo op.
26 (1701) ; Completorii concerti op. 25 (1701, 12 stem-
boeken) ; Salmi per tutti 1’anno op. 30 (1704). — L i t. :
Wasielewski, Die Violine im 17. Jahrhundert (3-st.
sonates) ; Torchi, Arte mus. in Italia (VII, 3 sonates op.
5) ; Riemann, Kantatenfrühling (Dal crudele Daliro) ;
Fr. Pasini, Notes sur la vie de G. B. B. (Sammelb. der
Int. Mus. Geselt. VII 1906). Piscaer.
Bassano, stad in de Ital. prov. Vicenza (Italië.
45° 48' N., 11° 14' O.), aan de Brenta, 180 m boven
zee; 20 000 inw. (1921). Prachtige oude stad (muren,
houten brug, kasteel); Renaissancehuizen. Na 1402
onder Venetië. Pottenbakkerij, leerbereiding; tabak,
wijn, olijven.
Lit.: Brentari, Storia di B. (1884).
Bassano, naam van een Ital. schildersfamilie
uit de 15e en 16e eeuw, bijgenaamd da Pon te.
l°Francesco de Oudere, werkte onder invloed
van Montagna en Veronese. * ong. 1475, f 1541.
Voorn, werken: Tronende Maria tusschen
St. Bartholomeus en St. Jan den Dooper (Bassano,
museum) ; H. Justina tusschen den H. Michael en Sint
Joris (1520; Solagna, H. Justina).
2° J a c o p o. zoon van den vorige. Studeerde te
Venetië en keerde er later terug. Invloed van zijn
vad r, Veronese en van de kunst van Titiaan en
Pordenone. Later van Tintoretto en de Vlaamsche
kunst. * ong. 1510, f 1592.
Voorn, werken: H. Petrus en Paulus (Modena,
pinacotheek) ; Opwekking van Lazarus (Venetië, Aca-
demie) ; St. Rochus onder de pestlijders (Milaan, Brera) ;
Rust op de vlucht naar Egypte (Milaan, Pinacotheca
Antoniana).
3° Francesco de Jongere, oudste zoon van
Jacopo. Hielp zijn vader. * 1549, f 1592 (zelfmoord).
Voorn, werk: Inneming van Padua.
4°Giovanbattista, tweede zoon van Jacopo
(* 1553, f 1613), en: Leandro. derde zoon van
Jacopo (* 1557, f 1622), medehelpers van hun vader,
evenals G i r o 1 a m o, die aanvankelijk te Padua
medicijnen studeerde (* 1566, f 1621).
Lit.: Lottmann, Zur Kunst der Bassani (1908) ;
Venturi, Storia delP arte italiana (IX 4, 1929, 1113 vlg.).
Knipping.
Bassari, > Basari.
Bassc~Boclcux, Belg. gem. in den Z. hoek van
de prov. Luik; ruim 400 inw.; opp. 1 706 ha; bosch-
bouw. Kasteel Haute-Bodeux; kerk van de 18e eeuw,
met toren van de 11e eeuw.
Basse-cour, een door muren en poorten om-
sloten voorhof bij middeleeuwsche burchten. Gewoon -
lijk ligt de grondslag van de b.-c. hooger dan de
ingangspoort, zoodat bij het af weren van een aanval
met kokend water en pek, dit door de poort naar be-
neden stroomt. Rechts van de poort ligt in de b.-c.
het versterkt kasteel, van waaruit de aanvallers
beschoten kunnen worden aan de rechterzijde, welke
niet door het schild gedekt is. Dikwijls bevinden
zich nog stallen en dienstgebouwen in de b.-c.
Thunnissen.
Basso danse (Fr.), plechtige, deftige dans uit de
15e en 16e eeuw.
Basso fondamontale (Fr.), technische term
in de harmonieleer, afkomstig van de theorieën van
Ram eau, waarbij aan den ondersten toon der accoorden
een functioneele beteekenis wordt gegeven, die voor
het verband der harmonieën belangrijker is dan de
eenvoudige beteekenis in verticale richting.
Bassein, 1 ° district van de afdeeling Ira-
wadi in het Z.W. van Birma (Z.O. Azië). Warm vochtig
moessonklimaat. Achter de moerassige mangrove-
kust ligt de delta van de Irawadi met groote rijst-
velden. Ca. 500 000 bewoners, meest Birmanen;
in hoofdzaak Boeddhisten.
2° S t a d in het district Bassein (Azië, 17° 45' N.,
94° 63' O.), 120 km van de kust; rijsthaven aan de
Irawadi. Belangrijke rivierscheepvaart, vele rijst-
pelmolens. 42 000 inw. (1921); 50% Boeddhisten. 25%
Hindoes, 17% Christenen. Heere.
Bassclin, > Bachelin (Olivier).
Bassen , Bartholomeus (Bartholdt)
van, Ned. schilder en architect, * ca. 1590 (te
Antwerpen?), f 1662. In 1613 als vreemdeling opge-
* nomen in het Lucasgilde te
yL Delft, in 1620 in het Lucas -
]/ CS£A/ gilde te Den Haag, waarvan
r ^ bij in 1627 deken en in
c - ü „ 1636 hoofdman was ; trouwde
Signatuurvan B. Bassen. Januari im met ’ Ae , tge
Pieters van Gils te Den Haag, die in April
1652 stierf, waarna hij overleed in November
van hetzelfde jaar. Van zijn schilderijen, die meest
paleizen, zalen en kerkinterieurs voorstellen, is het
vroegst gedateerde van 1615 in het slot Fredensborg,
een der laatste van 1650 in het Gemeentemuseum te
Den Haag. Verdere schilderijen te Amsterdam, Augs-
burg, Berlijn, Glasgow, Kopenhagen, enz. In 1629 —
1631 bouwde hij het slot van Frederik v. Bohemen,
den „Winterkoning”, te Renen; in 1630 leverde hij
prins Frederik Hendrik teekeningen der verbouwing
van het slot Honselaarsdijk, in 1633 wordt hij, als
„perspectyff-schilder ende architect” betaald voor
het teek en en van plattegronden en opstanden voor
diens slot Ter Nieuburch te Rijswijk. In 1634 ontwierp
hij waarschijnlijk plannen voor een nieuw raadhuis
te Arnhem (niet uitgevoerd); in 1636 verbouwde
hij het Catharinagasthuis aldaar. In 1638 werd hij
„contrerolleur” der gemeentewerken, in 1639 stads-
bouwmeester te Den Haag, waar hij in 1647 de bekro-
ning van den stadhuistoren verbouwde, en in 1648
een eerepoort ter herdenking van Frederik Hendrik
ontwierp. Zijn in 1649 ontworpen plan voor de Nieuwe
kerk op het Spui aldaar, is niet uitgevoerd. Op een
regentenstuk, in 1647 geschilderd door Com. Janson
van Ceulen, in het Gemeentemuseum te Den Haag,
komt zijn portret voor. Zijn zoon Aemout was advocaat
van het Hof van Holland.
Lit.: Moes, in Nieuw Ned. Biogr. woordenboek (III
1914, kol. 70); F. Vermeulen, Handboek d. Gesch. d.
Ned. Bouwkunst (III, 106 vlg.). F. Vermeulen.
Bassrnfjc, > Bitsingen.
Basserman, A 1 b e r t, acteur; * 7 Sept. 1867
te Mannheim. Na studies bij Otto Brahm, debuteerde
hij in 1899 aan het Deutsches Theater en treedt sinds-
dien regelmatig op. B. is een der grootste Duitsche
tooneelspelers. Hij trad op in een groot aantal klas-
sieke rollen: Othello, Hamlet, Don Carlos(als Philips
II)e.a. Beroemd is zijn creatie van Mephisto in Goethe’s
Faust, waarin zijn geheel origineele opvatting breekt
met den traditioneelen „operaduivel”. Daarnaast is
89
Bassery — Bassus
90
B. de aangewezen acteur voor „Kammerspiele”; zoo
treffen speciaal zijn Ibsen-rollen door sober doch
karakteristiek spel. Ook in films heeft B. herhaaldelijk
gespeeld. Zijn rechter van instructie in „Vorunter-
suchung” (1930) werd daarbij een onver^etelijke
creatie. v. Thienen.
Bassery, G u i 1 i e 1 m u s, bisschop van
Brugge; * 1642 te Brussel, f 18 Juni 1706 te Brugge
en aldaar begraven in de kathedraal. Hij doceerde te
Leuven kerkelijk recht, werd er kanunnik in de St.
Petruskerk, president van het Donatiaansch College
en rector der universiteit. In 1681 apostolisch vicaris
van het bisdom Den Bosch geworden, bleef hij te Leu-
ven wonen. Vooral ijverend tegen de gevaarlijke
samenkomsten der jeugd, zond hij in 1682 en 1684
uitvoerig verslag over zijn bevindingen naar Rome.
Hij deed in 1691 afstand van zijn vicariaat en werd toen
benoemd tet bisschop van Brugge.
L i t. : Schutjes, Geschiedenis van het Bisdom ’s Hcr-
togenbosch (II 1872, 141 en 142). Knippenberg .
Basscs-Alpes, Fransch departement, > Alpes.
Basscs-Pyrénécs, Fransch dept., > Pyrénées.
Basset (muziek). In de vioolscbool van Mo-
zart wordt b. als oudere naam voor violoncel aange-
geven. B. in verbinding met een instrumenten -naam
wijst op tenor-ligging.
Basset, Fransche jachthond; komt te onzent
niet voor.
Basse Terrc, 1° havenstad en hoofdplaats
der Fr. kolonie Guadeloupe (KI. Antillen),
16° 50' N., 61° 41' W.; 8 400 inw. (meest kleurlingen).
Het W. deel van het eiland heet ook B.T. ; bis-
schopszetel van het bisdom B.T., dat ± 240 000
Katholieken telt.
2° Hoofdplaats van het Br. eiland St. C r i s t o p-
h e r (St. Kitts), KI. Antillen. 8 500 inw.
Bassethoorn (Ital.: corno di bassetto), gelijkt op
de altclarinet. De b. is nauwer geboord; de stemming
is in F, de omvang van groot F tot c tweegestreept.
Komt thans in de practijk weinig voor. In Mozart’s
Requiem en Die Zauberflöte is de b. aangewend.
Bassevelde (rv bas = vruchtbaar), gcm. in het
N. der prov. O. Vlaanderen, 8 km ten W. van Sas-
van-Gent. Opp. 2 194 ha., 3 800 inw.; rijke kleigrond;
landbouw. Kerk met 50 m hoogen toren, uit het eerste
ogivaal tijdperk.
Basse-Wavrc, -> Neerwater.
Bassi , 1° Martino, Ital. bouwmeester uit de
buurt van Milaan; * 1542, f 1591. Voltooide in Milaan
de door Alessi begonnen Sint Victors-kerk, en bracht
in den dom versieringen aan. Van hem is bekend een
ontwerp voor een Gotischen gevel van den dom van
Milaan. Restaureerde in 1574 de kerk van San Lorenzo
en plaatste er een koepel op (na zijn dood voltooid).
Werkte in de Certosa van Pavia. Schreef een werk
over architectuur tegen Pellegrino Tibaldi: Dispareri
in teria d’architettura et perspettiva con pareri di
eccelenti e famosi architetti che li risolvono (1570).
L i t. : Jüvon Schlosser, Kunstlitcratur (1924).
2° M a 1 1 e o da, ten onrechte beschouwd als
stichter der Kapucijner Orde. * te Bassi, f 2 Aug.
1552 te Venetië. Als observant ging hij in 1528 naar
de Kapucijnen over, werd er vic. -generaal en verliet
deze orde weer in 1537.
Bassia (plant k.), een geslacht der ganze-
voetachtigen (Chenopodiaceae), wordt het meest langs
de zeekusten gevonden. Oorspronkelijk uit Azië af-
komstig, heeft het zich over Europa en Noord-Afrika
verspreid. Het is een zeer soortrijk geslacht, maar
zonder groote beteekenis.
Bassilly, > Zullik.
Bassin, bekken voor het verzamelen van water,
o.a. ten dienste van krach twerken, waterleidingen en
zwemplaatsen. B. worden nogal eens in bepaalde
tuinstijlen aangewend als vijver van regelmatigen
vorm.
Bassleutel (muziek), > Sleutel.
Basso continuo, Duitsch: Generalbasz, heet
de schrijfwijze voor de orgel- of klavierpartij in de
instrumentale muziek van het einde der 16e eeuw tot
ongeveer het einde der 18e eeuw. Genoteerd werd de
bastoon der harmonie, waarboven de samenstelling
van het accoord in cijfers stond uitgedrukt. De speler,
die meteen algemeen leider van het ensemble was,
had de belangrijke taak uit deze becijfering de har-
monieën op het instrument te realiseeren. Deze klin-
kende uitwerking was in zekeren zin een improvisatie-
kunst, omdat het er op aankwam, niet alléén de ac-
coordopvolgingen te laten klinken, maar de har-
monieën te ontplooien („breken”) en te versieren.
E. Andriessen.
Bassompierre, F r a n 9 o i s, baron de,
Fransch staatsman; * 1579 in Lotharingen, f 1646;
werd een gunsteling van koning Hendrik IV; zocht
avonturen in Oostenrijks chen dienst in den strijd
tegen de Turken en streed later tegen de Hugenoten
in Frankrijk. In diplomatieken dienst vertoefde hij in
Zwitserland, Engeland en Spanje. Als vijand van
Richelieu moest hij van 1630 tot 1643 in de Bastille
verblijven, waar hij zijn Mémoires schreef; hij stierf
drie jaar na zijn vrijlating op zijn landgoederen in
Normandië. Zijn Mémoires werden nieuw uitgegeven
door de Société de l’histoire de France (187Q— ’77).
L i t. : P. M. Bondois, Le maréchal de Bassompierre
(1925). v. Gorkom.
Basson , Bassoon (muziek), > Fagot.
Bassoragotn, verzamelnaam voor alle op >
tragant gelijkende gomsoorten.
Bass-straat, gelegen tusschen Australië en
Tasmanië; 224 km breed, met een gemiddelde diepte
van 70 m; genoemd naar kapitein George Bass, die
deze straat in 1797 ontdekte. Er liggen vele eilanden
in, o.a. het Flinders- en het King-eiland.
Bassus, 1° C a e s i u s, > Caesius.
2° J u n i u s, een Rom. prefect (f voor 360),
Christen. Bekend door de voor hem vervaardigde
sarcophaag (de zgn. sarcophaag van Ju-
ni u s B a s s u s), een oud-Christ. lijkkist van Parisch
marmer. Deze werd in 1595 te Rome (crypte van het
Vaticaan) ontdekt. De voorzijde bevat twee archi-
tectonisch geordende rijen voorstellingen uit de H.
Schrift ; boven: Offer van Abraham, H. Petrus in de
gevangenis, Christus op troon, Gevangenneming van
Jesus, en Christus voor Pilatus; beneden: Job met
vrouw en vriend, Adam (naast korenschoof) en Eva
(naast schapenvacht), Intocht van Christus in Jeru-
salem, Danëil tusschen de leeuwen (in later tijd slecht
gerestaureerd), wegvoering van den H. Paulus. Op
de tympans: de drie jongelingen in den oven met Engel
(in de gestalte, van lammeren), Moses, die water uit
de steenrots slaat, vermenigvuldiging der brooden,
Doopsel van Christus, Moses, die van God (hand) de
Wet ontvangt, opwekking van Lazarus. De zijkanten
vertoonen oogst taf ereelen. De Bassus-sarcophaag
is voor zijn tijd een vaardig stuk werk, uitmuntend
91
Bast — Bastaardachtervoegsel
92
in goede natuurwaarneming (menschen, en vooral
dieren) en een rijke bron voor de geschiedenis der
vroesr -Christelijke iconograph ie.
L i t. : Grisar, Der Sarcophag des Junius B., in
Römische Quartalschr. (10, 1896, 313-333) ; de Waal,
Der Sarcophag des Junius B. (1900) ; Leclerq, in Dict.
d’archéologie chrét. et de Liturgie (11, 1, 1911, 608 vlg.).
Knipping.
3° S a 1 e i u s, > Saleius.
Rast (plant k.), phloeem, ook wel leptoom of
cribraal (zeef) gedeelte, is dat deel van den > vaat-
bundel, waarin de zeefvaten gevonden worden.
Deze ontstaan uit rijen van boven elkander gelegen,
niet verhoute cellen, waarvan de schuine dwars wanden
met elkander een verbinding vormen door zeefvorm ige
doorboringen, waardoor protoplasma draden gaan.
Zij dienen voor liet vervoer naar de groeitoppen en be-
waarplaatsen van reservevoedsel van organische, in de
bladeren gevormde voedingsstoffen (neergaande sap-
stroom). Bij de bedektzadigen worden de zeefvaten
begrensd door begeleidende cellen, die
met de zeefvaten uit dezelfde cambiumcel ontstaan
en zeer eiwitrijk zijn. Bij de naaktzadigen vindt men
in de plaats van deze langgerekte begeleidende cellen
eiwithoudende parenchym cellen of bijzondere merg-
straalcellen. Naast de zeefvaten komen in den bast
meestal ook bastvezels voor. Dit zijn lang-
gerekte spoelvormige cellen, zonder protoplasten en
met verdikte wanden. Zij zijn weinig rekbaar, maar
zeer buigzaam (zij kunnen per mm 2 tot 25 kg dragen)
en hebben een hooge elasticiteitsgrens. De lengte is
gewoonlijk 1—2 mm, bij sommige planten echter veel
grooter, bijv. jute tot 4 mm, hennep 10 mm, vlas
20 — 40 mm, brandnetel 77 mm en rameh 220 mm.
Deze langere zijn dan ook zeer geschikt voor de fabri-
cage van weefsels (linnen, touw, neteldoek). De bast-
vezels staan meestal in groepen, bastb undels
genaamd. Verder bevindt zich in de b. bast paren-
chym, isodiametrische cellen met levenden inhoud.
Deze zouden vooral de gevormde suikers vervoeren.
Bij sommige planten komen in den bast melksapvaten
voor. bijv. bij samengesteldbloemigcn en papaverachti-
gen, en kliercellen of kliergangen. Bij planten met
secundairen diktegroei (naaktzadigen en tweezaad-
lobbigen) ontstaat een secundaire b., die in het alge-
meen dezelfde elementen bevat als de primaire b.:
de zeefvaten zijn echter meestal nauwer en er komen
dikwijls veel parenchymcellen met kristallen van
oxaalzure kalk in voor. De mergstraalcellen voeren
stoffen van den bast naar het hout. De grens van den
secundairen bast is naar binnen het cambium, waaruit
hij door deeling ontstaat, en naar buiten de schors.
> Schors. Bouman.
Bast (Baste t), Egyptische godin van Boe-
bastis. Zij werd de officieele godheid van het rijk.
toen Boebastis residentie van den pharao werd (22e
dyn.L Gewoonlijk voorgesteld met kattenhoofd of als
vrouwenfiguur met katten, later ook als valk met
kattenhoofd. Simons .
Bast, P i e t e r, graveur, * te Antwerpen,
f 1605; meestentijds werkzaam te Leiden. Van hem
bekend serie plattegronden en profielgezichten van
verschillende Hollandsche steden, die voor de topo-
graphie zeer belangrijk zijn. Hij kreeg vele opdrachten
van de overheid.
L i t. : Maandblad Ned. Leeuw (XI, 21) ; Navorscher
(VIII, 333) : Obreen’s Archief (II).
Bastaard (= Poelau Besar), soms M a n g-
k o e r e genaamd, een eilandje ten N. van Maoemere
(Flores).
Bastaard, 1° jn genetische beteekenis,
een vorm, die ontstaat bij kruising van twee ouders,
die tot verschillende soorten of rassen behooren. Het
moderne onderzoek over het gedrag van bastaarden
of hybriden, die hun ontstaan te danken hebben aan de
vereen iging van twee erfelijk ongelijke geslachtscellen,
begon met de publicatie van HendeLs Versuche der
Pflanzenhybriden (1865). Hoewel Mendel hiermee op
geniale wijze de oplossing had gevonden van de over-
erving der eigenschappen binnen de soort, vond
zijn ontdekking geen weerklank en bleef zijn werk
35 jaar lang in het vergeetboek. Eerst sinds 1900, toen
de wetten van Mendel opnieuw werden ontdekt door
drie botanici, de Vries, Tschermak en Correns, heeft
het onderzoek der bastaarden of Mendel isme een
groote vlucht genomen. De bastaardeer ings leer ont-
wikkelde zich allengs tot de nieuwe wetenschap, die
men erfelijkheidsleer of genetica noemt en
waarvan zij een belangrijk onderdeel vormt.
In de oudere biologische literatuur heerscht heel wat
verwarring omtrent het begrip bastaard, vooral omdat
niet steeds het nood ige onderscheid wordt gemaakt
tusschen bastaardcering van rassen en die van soorten
of geslachten (> Soortbastaarden). Dumon.
2° In de rechtsgeschiedenis is b.
een onwettig kind, d.w.z. een kind, geboren uit ouders,
die niet wettig met elkaar gehuwd zijn. Wat de rechts-
positie van den b. betreft, gold de regel, dat de moeder
geen bastaard maakt, waarmede men aanduidde, dat
in erfrechtelijk opzicht de b. met betrekking tot de
moeder behandeld werd als wettig kind. De landsheer
liad de oppervoogdij over de bastaarden en maakte
op dien grond aanspraak op de nalatenschap van den
b., althans op een deel daarvan. Door opvolgend huwe-
lijk der ouders (> Mantelkinderen) kon wettiging van
den b. plaats hebben. Eermesdorf.
Baslaardachtcrvoeflscl of bastaard*
uitgang is een achtervoegsel, dat ontleend is
aan een vreemde taal, in de ontleenende taal productief
geworden is en nu ook achter inheemsche woorden
gevoegd wordt. Die behoefte aan ontleening van
suffixen, w r elke vaak nog een vollen klank bezitten,
ontstaat, wanneer het inheemsche suffix ineen-
geschrompeld is en voor zijn functie minder geschikt
werd. Het achtervoegsel qua achtervoegsel wordt niet
overgenomen. Maar men ontleent aan de vreemde
taal enkele woorden, die toevallig met dat achter-
voegsel zijn gevormd en gebruikt later dat zelfde
achtervoegsel bij inheemsche woorden. Die produc-
tiviteit treedt gemakkelijker op, naarmate de ont-
leende woorden door de beteekenis, die het suffix
aan het geheel geeft, wwden bijeengehouden. Maar
als die overeenkomst in beteekenis bij die ontleen ingen
ontbreekt, is de kans op productiviteit gering. Dit is
bijv. het geval bij -eel, dat niet productief werd,
ofschoon het Ned. een groot aantal woorden op -eel,
< Fr. -el, overgenomen heeft. Immers ook reeds in
het Fr. liggen de ermee gevormde woorden ver uiteen,
zooals met het oog op de verschillende herkomst
(nl. Lat. -ellum en -alis) gemakkelijk te verklaren is.
De invloed van de bastaarduitgangen op de taal-
structuur kan groot zijn. Immers de klemtoon van Fr.
bastaardachtervoegsels bewerkte, dat echte Ned.
suffixen van accent zijn veranderd. Zoo zijn bijv.
de vrouwelijke woorden op -in den klemtoon van die
op -es gaan volgen. Vlg. Ned. koningin met Hoog-
93
Bastaardanalyse— Bastaardvloek
94
duitsch Königin. Enkele bastaardachtervoegsels
in het Ned. zijn: -aar en -er uit Lat. -arius; -ster uit
vulgair-Lat. -istria; -aard en -erd uit Fr. -ard; Ned.
ist..Mnl. -iste uit Fr. -iste; -haftig uit Hoogduitsch
-haftig; -teit uit oud-Fr. -teit, -tet; -age, -ier en -ment,
alle drie uit dezelfde Fransche vormen.
L i t. : M. Schönfeld, Historiese Grammatika van het
Nederlands ( 3 1932, § 141 vlg.). W rijnen.
Bastaardanalyse is de moderne genet ische
onderzoeksmethode, die toelaat, door doelbewuste
kruising en beoordeeling van de nakomelingschap,
het erfelijk patrimonium van een bepaalde plant- of
diersoort te ontleden. Bij de studie van de bloemkleur
bij erwten kon uit de kruising van purper met rosé
in de bastaardanalyse uitgemaakt worden, dat het
purper ras een erffactor B bezit, die bij het rosé ras
ontbreekt. Dit beteckent echter niet, dat de factor B
alleen purper geeft, want hiervoor zijn ook de factoren
A, en A 2 van het rooskleurige ras noodig, wat duidelijk
bleek uit de kruising van rosé met een bepaald wit
ras. Verdere kruisingen en bastaardontledingen gaven
volgende erfformule voor de bloemkleur bij de erwt:
Aj is de grondfactor voor kleur (licht purper); afwezig-
heid van Aj geeft wit, zelfs bij aanwezigheid van de A 2
en B, die dan cryptomcer, dus uiterlijk niet waarneem-
baar zijn; Ag samen met A 1 geeft rosé of zalmkleur;
B geeft purper met A t en A 2 , met A t alleen paars,
zonder A, wit.
De verdere bastaardanalyse toonde aan, dat de
factor Ai gekoppeld is met den factor Gc voor de grijze
zaadhuid en met den factor C, die gekleurde bladoksels
geeft; dat voor de zaadgrootte verschillende polymere
factoren samen werken, enz.
Voor de meeste raseigenschappen werd op die wijze,
o.a. bij de erwt, de banaanvlieg, het konijn, de leeu-
wenbek, ook bij een groot aantal cultuurgewassen,
het onderling gedrag van een groot aantal erffactoren
bepaald.
De bastaardanalyse, eenvoudig bij gewone Mendel-
sche splitsing, wordt meer ingewikkeld in gevallen van
cryptomerie, polymerie, koppeling en Crossing over.
Bij kruising tusschen soorten en geslachten heeft zij
niet hetzelfde belang, doordat de Mendelsche wetten
voor > soortbastaarden niet gelden. Dumon.
Bastaardatavisme ( < Lat. atavus = voor-
ouder) of atavisme na bastaard eer ing noemt men het
verschijnsel, dat kruising van twee planten of dieren
van dezelfde soort een bastaard geeft, die niet opmeen
van de ouderrassen gelijkt, maar een der voorouders
of zelfs den stamvorm benadert (> Cryptomerie).
Dumon.
Bastaardbalk (h e r a 1 d.), meestal een linker
schu instreep. > Heraldiek.
Bastaardeer ing, 1° in de nat. hist.
het op natuurlijke of op kunstmatige wijze bevruchten
van twee erfeïijk verschillend aangelegde geslachts-
cellen. Het bastaardeeren is enkel mogelijk tusschen
planten of dieren, die nauw verwant zijn: tusschen
rassen van eenzelfde soort, soms tusschen soorten van
eenzelfde geslacht (tarwe, kool; ■> Soortbastaarden),
bij uitzondering tusschen verschillende geslachten
(Laelia en Cattleya). Soort- en geslachtsbastaarden
gedragen zich op andere wijze dan bastaarden, die
enkel aan rasverschillen hun ontstaan danken.
Dumon .
2° In de t a a 1 k u n d e. a) B. = creoliseering.
Bastaardtalen zijn dus > creoolsche talen, b) B. vindt
men, als er ergens twee dialecten van gelijke kracht
elkaar ontmoeten. Het mengdialect, dat er dan uit
ontstaat, zal als zoodanig geen echte levensvatbaarheid
hebben. Dit is een meer algemeen geval dan bastaar-
deer ing in zijn eerste beteekenis. c) B. = het ontstaan
van bastaardvormen. En als bastaardvormen of
compromisvormen betitelt men soms > contaminatie-
vormen. W rijnen.
Bastaardeeringsleer, > Mendelisme.
Bastaard generatie (nat. h i s t.) is de
vorm, die zijn ontstaan aan een bastaard eer ing dankt:
eerste bastaardgeneratie (Fj); bevruchting van de
F 4 -individuën onder elkaar geeft de tweede bastaard-
generatie of F 2 . > Mendelisme.
Bastaardklaver (Trifolium hybridum),
klaversoort, die in blijvende weilanden en kunstweiden
voorkomt. Verschilt met de roode klaver in winter-
vastheid en weerstand tegen ziekten. Aan paarden
mag niet te veel gevoerd worden. Wordt weinig geteeld.
Bastaardnaeh legaal (Pninella modularis),
thans algemeen heggemusch genoemd. Een bedeesd,
muschachtig vogeltje, met loiblauw borstje en roest-
bruine schouders en rug. Schedel, "ok en rug bru in-
gevlekt. Broedt vrij algemeen dov,r het heele land.
Voedt zich met insecten, ’s winters ook met zaden,
enz. Zingt al heel vroeg in het voorjaar. Het nest is
van mos, van binnen bekleed met haar, zit in struiken,
heggen, e.d. 5 blauwe eitjes.
Bastaardrups, een van de gewone rups afwij-
kende vorm; bezit drie paar gelede borstpooten en
meestal aan elk lichaamssegment een paar buikpooten;
het aantal enkelvoudige oogen bedraagt een paar,
terwijl de gewone rups er 6 paar heeft; wordt aange-
troffen bij de * bladwespen.
Bastaardsatijn vlinder (Euproctis Chry-
sorrhoea L.), een vlinder, behoorende tot de fam. der
spinners. De rupsen van dezen vlinder veroorzaakten
in 1928— ’30 zeer
groote schade in
Belgisch en Ne-
derlandsch Bra-
bant en Limburg
zoowel aan loof-
boomen (vnl. ei-
ken) alsook aan
appel- en pere-
boomen. De jonge
zwarte rupsjes
overwinteren gemeenschappelijk in waterdichte
nesten, die zij opbouwen uit samengesponnen bladeren,
en die ’s winters in de boomen duidelijk te zien
zijn. De volwassen rupsen (3 k 4 cm lang) hebben
twee oranje lijnen op den rug en een rij witte vlekjes
langs de beide zijden. De haren der rupsen veroor-
zaken jeuk. De vlinders (13 mm lang en 35 mm
vlucht) zijn wit en vliegen ’s avonds in Juni. De wijfjes
leggen eitjes in hoopjes en bedekken deze met
de gele haren van hun achterlijf. Bestrijding door
uitknippen der winternesten en door vogelcultuur
(meezen). J. Goossens.
Bast aard spinnen, > Spinachtigen; > Hooi-
wagens.
Bastaardsteriliteit (nat. h i s t.) is de
onvruchtbaarheid van de individuen uit bepaalde
soort- of geslachtskruisingcn.
Bastaarduitgang, > Bastaardachtervoegsel.
Bastaardvloek als taalverschijnsel
is een soort van woordvorming. Vloekwoorden, die
iemand als krachttermen of onder invloed van ver-
95
Bastaardvoorvoegsel — Basterdtrasmortel
96
schillende aandoeningen in den mond komen, worden
opzettelijk vervormd, om den naam van God,
van heiligen of heilige zaken te vermijden, of om het
aanstootelijke van een bezwering of verwensching
weg te nemen (cf. de censuur bij Freud). Zoo werd in
het Ned. de naam van God in de 17e en 18e eeuw
vervormd tot gans, later tot jan, gort, gut, grutjes,
gosje, pot (gans bloed! gans wonden! = bij het bloed,
bij de wonden van Jesus; jandorie, gosjemijne, pot-
domme). De naam Jesus werd verbasterd tot jasses,
ajakkes, jeminie, enz. B. komen in alle talen en tijden
voor. In het Fr. werd Dieu tot bleu, dié, enz. (parbleu,
sacrébleu, ventrebleu, pardié); in het D. werd Gott
vervormd tot Potz (potzblitz, potztauscnd , potzvelten).
Ned. en Duitsch: sacrament tot sapperment, sapper-
loot, enz. Minder gebruikelijke benamingen voor b.
zijn halve vloek en gebroken vloek.
Tieike.
Bastaardvoorvoegsel is een voorvoegsel,
dat aan een vreemde taal ontleend is en, in de ont-
leenende taal productief geworden, nu ook voor
inheemsche woorden gevoegd wordt. De Ned. taal kent
er slechts weinige, bijv. aarts- uit vulgair-Lat. archi-;
oer- uit Hoogduitsch ur-; her-, dat aan het Fr. ont-
leend is. Ten aanzien van het ontstaan en de kans
op productiviteit vergelijke men wat er over
> bastaardachtervoegsel gezegd is.
L i t. : M. Schönfeld, Historiese Grammatika van het
Nederlands ( 3 1932, § 141 vlg.). Voor „her-” : Jac. van
Ginneken, Neophilologus (XIII, 161 vlg., 241 vlg.).
W rijnen,
Bastaardwespcn , > Graafwespen.
Bastaardwoord is een term uit de Ned. taal-
kunde en alzoo een andere benaming voor vreemd
woord en leenwoord. Tegenover het vrij
neutrale begrip vreemd woord, wijst leen-
woord meer op de behoefte aan het vreemde woord,
b. daarentegen op de al dan niet gegronde vrees voor
taalverbastering. Zoolang nl. vreemde woorden door
het ongewone van hun klank of spelling hun afkomst
nog duidelijk verraden, worden ze door sommigen b.
genoemd. Heeft het oorspronkelijk vreemde woord
zich echter eenmaal aan het taaleigen aangepast, zooals
bijv. woorden als kachel, kamer, meester, put, vlam en
tallooze andere, dan zal niemand ze nog als b. betitelen.
In de nieuwere taalkunde bezigt men evenwel ook voor
vreemde woorden, die nog wel als zoodanig te herken-
nen zijn, liever den term > leenwoord. Tiecke,
Bastard d’Estang, Auguste, palaeo-
graaf. Gaf een der kostbaarste publicaties uit, welke
bestaan, nl. Peintures et omements des manuscrits,
classés dans un ordre chronologique, pour servir
k Fhistoire des arts du dessin, depuis le IVe siècle
de Tére chrétienne jusqu’è. la fin du XVIe. Het exem-
plaar door B. aan de Bibl. Nationale te Parijs geschon-
ken en aangevuld met onuitgegeven stukken, beslaat
elf deelen, waarvan drie over niet-Fransche hand-
schriften handelen. In 1832 begonnen, in 1848 onder-
broken; er zijn 20 afleveringen verschenen k 1 800 frs.
Vooral van belang voor de Karolingische calligraphie.
L i t. : L. Delisle, L’oeuvre paléographique de M. le
comte de Bastard, in Bibliothèque de l’Ecole de Chartes
(XLIII 1882, 498-523) : id., Les collections de Bastard
d’Estang a xa Bibliothèque Nationale (Parijs 1885) ;
W. Wattenbach, Das pal&ographische Prachtwerk des
Grafen Bastard, in Neues Archiv (VIII 1882, 449-472).
Lampen.
Bas tarnen, de meest Oostelijke Germ. volks-
stam; stamland vermoedelijk aan den Boven- Weichsel.
Bondgenooten van Philippus van Macedonië (2e eeuw
v. Chr.). Pompeius triomfeerde over hen.
Bastart de Buillon, L i, fantastisch epos uit
den vervaltijd (begin der 14e eeuw), behoorende tot
den kruisvaartcyclus, vervolg van Baudouin de
Sebourg. Li B. is de zoon van Baudouin van Jenisalem
en van de Muzelraansche Sinemonde van Mecque
(Mekka), strijdt vooral om de schoone Ludie onder
Hugues van Tabarie. Het gedicht vermengt allerlei
motieven van verschillenden oorsprong. Koning Artus
met de schoone Morgue woont hier ergens in het land
van Faerie. Het is het werk van een Fransch-schrij-
venden Vlaming.
U i t g. : Aug. Scheler (Brussel 1877). V . Mierlo.
Bastei (a a r d r ij k s k.), > Elbe-Zandsteen-
gebergte.
Bastei (k r i j g s k.) is een vooruitspringende,
meestal vijfhoekige uitbouw in een versterking.
> Bastion.
Bastenaken (Fr. Bastogne), Belg. gem.
in het O. van de prov. Luxemburg; 4 000 inw.; opp.
1 347 ha. Klei-achtige verweeringsgrond; landbouw,
veeteelt; beroemde hespen; leerlooierij; steengroeven.
Wiltz, bijrivier van de Sauer. Merkwaardige kerk in
Gotischen stijl, met eigenaardigen toren; kasteel
d’ Ile la Hesse. B. is een oude vesting met bewogen
geschiedenis; leed veel schade in 1914.
Bastcndorf , gem. in het groothertogdom Luxem-
burg, ten N. van Diekirch; opp. 2 444 ha, 812 inw.
(1933); drie parochies.
Baster, Job, medicus te Zierikzee, die in zijn
grooten tuin belangrijke proeven nam omtrent den
aankweek van buitenlandsche landbouw- en hout-
gewassen; schrijver over den Zeeuwschen land- en
tuinbouw. * 1711, f 1775.
Basterdcementmortel bestaat veelal uit
één deel Portland cement, één deel kalkmeel (deeg)
en drie deelen zand, zoodat voor 1 m 8 mortel noodig
zijn: 460 kg P. cement, 165 1 kalkdeeg en 0,990 m 8
zand, waarbij gevoegd worden 17 1 water. Ook andere
mengverhoudingen vinden toepassing.
Basterdmortel, een mortel, waarbij meer dan
twee grindstoffen vermengd zijn; zij wordt bijv.
gebruikt in den woningbouw en in den waterbouw.
Bastcrdmuur, > Guichelheil (Anagallis
arvensis).
Basterdsuiker is een product, dat verkregen
wordt uit de stropen der rictsuikerfabricage. De b. is
van fijne korrel, lichtbruin gekleurd en heeft nog het
eigenaardige aroma der rietsuikersappen. Zij bevat
gewoonlijk vrij veel invertsuiker. Men onderscheidt
witte en bruine basterd. Witte basterd is een product,
dat veel lichter gekleurd is en in minderen graad
dezelfde eigenschappen heeft als bruine basterd. Tegen-
woordig wordt basterd ook in raffinaderijen ver-
vaardigd. Wegens de fijne korrel en het in ver t -suiker-
gehalte maakt het den indruk zoeter te zijn dan
saccharose. P. v. Ginneken.
Basterdtrasmortel, een mengsel van kalk,
tras en zand; naar gelang van het trasgehalte onder-
scheidt men sterke en slappe b. Eerstgenoemde zijn
geschikt voor waterdicht werk (hydraulische mortels).
In onderstaande tabel zijn de mengverhoudingen
aangegeven:
97
Basterdwederik — Bastian
98
Aantal maatdeelen
Voor 1
m 2 mortel
is noodig:
Soort
kalk
kalk
meel
deeg
tras
zand
meel
deeg
tras
zand
water
liter
liter
liter
liter
liter
Sterke .
1
1 Vs
1
362
543
362
4,5
Idem . .
1
—
lVa
2
330
—
495
660
23
Idem a)
1
—
1V 4
IV 2
380
—
475
570
23
Slappe .
—
2
1
4
—
340
170
680
9
Idem . .
—
2
1
5
—
304
152
760
9,5
Idem . .
—
2
1
6
—
276
138
828
9,5
Idem a)
2
—
1
4
312
—
156
624
16
a) van schelpkalk. p. Bongaerts.
Basterdwederik, Epilobium (plant k.),
behoorende tot de weder ikachtigen (Onograceae of
Oenotheraceae), is het meest voorkomende geslacht
dezer familie in de Noordelijke en Zuidelijke gematigde
luchtstreken. De 160 soorten groeien in moerassige
en vochtige streken en bloeien in rosé tot witte tinten ;
zeer zelden geel. Het zeer algemeene wilgenroosje,
Epilobium angustifolium, ook katten-
staart, slangebloem of wilde selve genoemd, groeit op
vochtigen beschaduwden zandgrond en langs slooten,
en bloeit van Juni tot September licht purper. In de
Alpen vindt men Epilobium Duriaei,
welke de mooiste is, met groote purperen bloemen.
De ruigharige groote Epilobiumhirsutum,
de kleinbloemige Epilobium parviflo-
r u m, en de moerasb., Epilobium palustre,
zijn vrij algemeen. Zeldzaam zijn Epilobium
r o s e u m, de rosé b., en Epilobium vir-
g a t u m, de stijve b. In Europa en Azië komt ook
voor de bergb., Epilobium montanum,
die een hoogte van 1 m bereikt. In West-Europa
wordt in de bergwouden Epilobium lanceo-
1 a t u m aangetroffen, en op steenachtige plaatsen
de 30 cm hooge Epilobium collinum.
Vrij algemeen treft men aan de rose-roode Epilo-
bium tetragonum, de zgn. vierkante b.
Bouman.
Basterna, gesloten Romeinsche draagstoel, voor
en achter met twee draagboomen (amites), waarmede
de draagstoel door twee muildieren, ook wel door
mannen, gedragen werd.
Bastert, N i c o 1 a a s, Holl. landschapschilder;
* 7 Jan. 1854 te Maarseveen. Leerling van P. J. Lutjens,
M. Heyl en van de Amsterdamsche en Antwerpsche
academies. Schilderde aanvankelijk ook figuurstukken
en enkele genrestukken. Hoofdzakelijk bekend als
landschapschilder. Hij werkte, behalve in de omstreken
van Amsterdam, ook te Den Haag en vooral in de
Vechtstreek. Was zeer bevriend met Geo Poggenbeek,
wiens invloed hij soms onderging. Reisde met Poggen-
beek. Studiereizen naar Italië (Capri); 1897 werkte hij
te Vethueil. Hoewel minder verfijnd dan Poggen-
beek, met een neiging zich te veel in groote vlakken
te verliezen, is hij als kolorist vaak interessant.
Een aparte figuur, vrij van invloeden van de Haagsche
school.
W e r k e n : in de meeste musea en verzamelingen
in Holland. — Lit. : Alb. Plasschaert, Holl. schilder-
kunst. de Stuers.
Bastct, godin, > Bast.
Bastia, arr. -hoofdstad, dept. Corsica (Fr.,
42° 42' N., 9° 27' O.); 44 630 inw. (1931). Bisschops-
zetel; handelsstad; zomerverblijf.
Bastiaans , Johannes Gysbertus,
organist; * 1812 te Wilp (Geld.), f 1875 te Haarlem;
leerling van Fr. Schneider in Dessau, van Mendolssohn
en Becker in Leipzig. Na volbrachte studie werd hij
in 1839 organist aan de Zuiderkerk te Amsterdam en
orgelleeraar aan het blindeninstituut. 1868 werd hij
organist aan het beroemde orgel van de St. Bavokerk
te Haarlem, waar hij als zoodanig zéér geacht was en
geprezen als leeraar. B. was mede-oprichter der Bach-
vereeniging te Haarlem (1867). Zijn zoon Johan B.
(1854 — 1885) volgde hem op als organist.
Werken. Hij heeft eenige liederen en een 4-stem-
mig koraalboek met Evangelische gezangen uitgegeven ;
6 stukken voor orgel werden bekroond door de Mij. tot
Bev. der Toonkunst. Verder schreef hij : De zangkunst,
gegrond op de physiologische kennis van het stem-
apparaat (1864). Piscaer.
Bastiaans c, Frans, eigenlijk Wilhelm Ange
Franpois, dichter uit de na-periode van de zgn.
tachtiger beweging in de Ned. letterkunde. * 1868
te Utrecht; een gevoelig en zangerig talent, getuige
zijn klankvolle en zuivere natuurpoëzie. B. publiceerde
ook een literair -historisch overzicht der Ned. literatuur.
Bastiaansz, Cornelis, leider van de zgn.
Zeeuwsche reis naar Indië van 1601, waarbij hij ook
Atjeh bezocht.
Bastian, 1° A d o 1 f, beroemd ethnoloog en
onderzoekingsreiziger; * 26 Juni 1826 te Bremen,
f 2 Febr. 1905 op het eiland Trinidad; bevorderde
door zijn reizen en geschriften de volkenkundige
wetenschap en gaf den eersten stoot tot scheiding der
eigenlijke ethnologie van de somatische anthropologie
en tot stichting van de ethnographische afdeeling van
het Berlijnsch museum; 1886 directeur van het
„Museum für Völkerkunde” te Berlijn.
Met Virchow stichtte hij 1869 de „Berliner Gesell-
schaft für Anthropologie, Ethnologie und Urge-
schichte”. Zijn talrijke onderzoekingsreizen leidden
hem door alle werelddeelen. Het door hem verzamelde
materiaal legde hij vast in groote publicaties; het eerste
deel van zijn volkenpsychologisch werk: „Der Menscli
in der Geschichte”, verscheen gelijktijdig met Darwin’s
werk over het ontstaan der soorten, en het eerste deel
van „Anthropologie der Naturvölker” van G. Waitz.
Zijn volkenpsychologische behandeling van de ethno-
logie komt vooral uit in zijn „Lehre vom Elementar-
und Völkergedanken”, die inhoudt: wegens de gelijk-
IV. 4
99
Bastiani — Bastien-Lepage
100
heid van den menschelijken geest moeten bij ongeveer
gelijke omstandigheden de elementen van de cultuur
overal dezelfde zijn (> Elementargedanke); haar
verschillende verdere ontwikkeling is een gevolg van
de bijzondere omstandigheden, onder welke de afzon-
derlijke volken leven (> Völkergedanke). Critick
hierop: Schmidt-Koppers: Yölker und Kuituren
(1924, 27 vlg.).
Voor Nederland is B. van belang, omdat hij ook
zeer veel geschreven heeft over den Indischen Archipel:
in 1896 bezocht hij Java. Voorts is B. de „uitvinder”
van den naarn Indonesië, Indonesisch, woorden, die
later in de koloniale politiek van Ned. Indië een niet
onbelangrijke rol zijn gaan spelen.
Werken : Der Mensch in der Geschichte (ter verdedi-
ging van een psychologische levensopvatting ; 3 dln.
1860) ; Die Völker des östlichen Asien (6 dln. 1866-18711;
Das Bestandige in den Menschenrassen (1868) ; Ethno-
logische Forschungen (1871-73) ; Der Völkergedanke
im Aufbau einer Wissenschaft vom Menschen (1881). —
Biographie: Achelis, Adolf Bastian (1891). —
B i b 1 i o g r a p h i e in het „Internat. Archiv für
Ethnographic” (Leiden 1896) ; K. Th. Preuss, Bastian
und die heutige Völkerkunde (Büssler- Archiv 1926).
Andres/ Berg.
2 ° Henry Charlton, Engelsch geneesheer,
* 1837, werd 1867 hoogleeraar in de pathologische
anatomie te Londen. B. is vooral bekend door zijn
studie van de pathologie van het zenuwsteldel.
Wet van Bastian. Deze zegt, dat, zoodra de geleiding
van het ruggemerg volkomen onderbroken is, ook de
reflexen, wier omslagplaats ligt beneden de plaats
van het dwarsletsel van het ruggemerg, volkomen
verdwenen zijn; bijv. bij volkomen dwarslaesie van
het halsmcrg zouden de knie- en achillespeesreflexen
geheel verdwenen zijn.
Bastiani, Lazzaro, Ital. schilder, waarsch.
* ca. 1430 te Venetië, f 1512. Zijn kunst is verwant
aan die der Bellini’s en van Vivarini. Hij stiliseert
streng, heeft smaak voor landschap en architectuur.
In sommige opzichten kan hij leermeester van Car-
paccio heeten.
Voorn, werken: te Venetië in de galerij der
academie, in de „scuola” van den H. Hiëronymus, en
in die van Sint Jan, Evangelist.
Bastianini, G i o v a n n i, Ital. beeldhouwer;
* 17 Sept. 1830 te Camerata f 29 Juni 1868 te Florence.
Leerling van Pio Fedi Girolano Torini. Behalve als
een zeer bekwaam oorspronkelijk kunstenaar, ontwik-
kelde hij reeds zeer vroegtijdig een groot talent in
het kopieeren van Ital. beeldhouwwerken van meesters
van de Quattrocento en lateren. Dit kopieeren leidde
al spoedig tot het vervaardigen van vervalschingen.
een bedrijf, waarin B. weldra een groote vaardigheid
toonde. Bekend is de kwestie van den aankoop van
de door hem vervaardigde Benivienibuste door het
Louvre te Parijs in 1866, welke aanvankelijk als echt
beschouwd , doch later erkend werd als een vervalsching.
Later werden nog meerdere vervalschingen van zijn
hand ontdekt. Interessant is de coll. gipsafgietsels
van zijn werken in het S. Kensington Mus. te Londen,
welke een goed beeld geeft van het groote talent van
dezen meester -vervalscher. Van zijn werken zijn
nog te vermeiden: Savonarolabuste in S. Marco te
Florence, en sculpturen aan het gebouw van de Nat.
Bank te Florence.
L i t. : R. Becker, Die Benivienibuste des Giov.
Bastianini (Breslau 1889) ; Chronik für vervielf. Kste.
(II Weenen 1889, 77). de Stuers.
Bastiat, F r é d é r i c, behoort tot de zgn.
optimistisch-klassiek-liberale school, ook wel de
optimistische Franco-Amerikaansche school genoemd,
welke de ideeën van Malthus en Ricardo verwierp en
waartoe eveneens belmoren Dunoyer en Carey.
B. was een bestrijder van protectionisme en socialisme.
* 30 Juni 1801 te Bayonne, f 24 Dec. 1850 te Rome.
In zijn kleinere geschriften: „Sophismes” en „Petits
pamphlets”, leeren wij B. reeds kennen met zijn
vrijzinnig-optimistische en moralistische tendenzen.
Na betoogd te hebben, dat de waarde haar bron vindt
in een dienst door uitsparen van arbeid en berust op
een ruil van diensten, wijst hij op de hulp, welke door
de natuur gratis wordt geboden ; de natuur kan volgens
B. geen waarde scheppen, wijl de waarde alleen voort-
spruit uit krachtsinspanning en uit het ruilen van dien-
sten en daarom kan ook hieruit alleen de eigendom
ontstaan. Wat men grondrente noemt, is niet de
betaling van de natuurlijke eigenschappen van den
bodem, maar die van de diensten aan den eigenaar.
B. leert, dat de algemeene wetten der maatschappe-
lijke samenleving harmonisch zijn en de strekking
hebben de menschheid in alle richtingen te vervol-
maken en altijd de welvaart te bevorderen ; tijdens een
economische storing is er iets, wat men ziet en iets,
wat men niet ziet; er zijn nl. altijd reeds de factoren
van harmonie werkzaam; het goede zal altijd over-
heerschen. B. schildert, steunend op de beginselen van
eigendom en vrijheid, op pakkende wijze de voor-
deelen der vrije concurrentie, welke er voor zorgt,
dat in allerlei behoeften wordt voorzien; volgens
een wonderlijke en troostvolle wet, zal de belooning
van den arbeid in meerdere mate toenemen dan die
van het kapitaal; de toename der bevolking is geen
gevaar, maar integendeel een voorwaarde voor den
economischen vooruitgang.
Zijn meest bekende werk, dat verscheidene ver-
talingen mocht beleven, is : Les harmonies économiques
(1850). — U i t g. : Oeuvres complètes (7 dln. Parijs
1881). — Lit. : F. Bidet, Bastiat, 1’homme, 1’écono-
mist (1906) ; W. L. van Malscn, F. Bastiat en zijn Ned.
beoordeelaars. M . Verhoeven.
Bastide, La, voorstad van Bordeaux.
Bastion, Alfred Theodor Joseph,
Belg. schilder. * 16 Sept. 1873 te Ixelles. Leerling
van de acad. te Brussel (onder J. Portaels). Schilderde
figuur, landschappen en genrestukken. Ook portretten.
Hij wint in 1897 den Godecharlcprijs met zijn schilderij:
Symbole de 1’humilité chrétienne. Krijgt in Frankrijk
opdrachten voor interieurdecoraties en schilderde
nog historische composities. Werkte ook in Algiers
en Marokko.
Werken: o.a. in de musea te S. Francisco, Phila-
delphia en Gent. — Lit.: Bénézit, Dict. des peintres.
Bastien-Lepage, Jules, Fransch portret-,
landschap- en genreschilder. * 1 Nov. 1848 te Dam-
villers, f 10 Dec. 1881 te Parijs. Studeerde te Verdun
en sinds 1867 te Parijs op de Ec. des Beaux Arts en
bij Cabanel. Schilderde omvangrijke genrestukken en
portretten, motieven uit het landleven en een enkele
maal bijbelsche of hist. tafereelen. Bovenal muntte
hij uit als portretschilder. Beroemd zijn zijne portret-
ten, o.a. van Sarah Bemhardt (1879) en
M. Andrieux (1880). Van zijn grootere composities
zijn te vermelden de Jeanne d’Arc (1880), de hout-
hakker en de portretgroep van zijn ouders. Hoewel in
den beginne een lichte invloed van Manet in zijn
werk merkbaar was, ontwikkelde hij zich als een
101
Bastille — Bataafsch Brabant
102
degelijk schilder met een persoonlijke opvatting en kijk
op de natuur. Zijn onderwerpen, ontleend aan het land-
leven, missen evenwel de groote kracht en het doorleef-
de van de boerenfiguren van J. F. Millet. Zij zijn eerder
smaakvol gearrangeerde, soms eenigszins gemanië-
reerde ateliercom posities.
Werken: o.a. in het Luxembourg te Parijs, de
musea te Lille en Verdun en het Mesdag Mus. te Den
Haag. — L i t. : A. Theuriet, Jul. Bastien-Lepage ;
L. de Fourcaud, Bastien-Lepage. Sa vie et ses oeuvres
(Parijs 1885). de Stuers.
Bastille is in het algemeen de naam voor elke
Fransche gevangen is -vesting. De naam geldt echter
in het bijzonder voor de in Parijs opgetrokken staats-
gevangenis, ca. 1375 gebouwd als vesting in den
buitenmuur van Parijs; door stadsuitbreiding lag ze
ong. 1600 midden in den faubourg Antoinc; werd nu
arsenaal, verblijf voor hooge bezoekers, sinds Richelieu
gevangenis. Behandeling goed (eigen kamers en
bedienden, bibliotheek; slechts weinigen zijn in de
kelders opgesloten). 14 Juli 1789 werd de B. bestormd
door het gepeupel, dat er wapenen zocht. De revolutie
zag in dezen val van de B. een symbool: einde van de
koninklijke „willekeur” en maakte 14 Juli als
Bastille-dag tot nationalen feestdag; sinds
den wereldoorlog gevierd als „Dag der overwinning”.
L i t. : Funck-Brentano, Archives et Légendes de la
Bastille. V. Claassen.
Bastille-dafj, > Bastille.
Bastlnck, J e r e m i a s, ook Bastingius,
Gereformeerd theoloog, * 1551 te Tepcren, f 1598
te Leiden. Hij vluchtte voor Alva in 1556 naar Emden,
studeerde te Bremen, Heidelberg en Genève. In 1578
is hij de spil van de Calvinistische beweging te Ant-
werpen, waar hij o.m. een verweerschrift van Loyseleur
in het Ned. vertaalde. In 1560 is hij predikant te
Dordrecht, later rector der Lat. school te Leiden en
bevriend met Maurits van Nassau.
L i t. : Biogr. Nat.; Nned. Biogr. Woordenboek;
Biogr. Woordenboek van Prot. Godgeleerden in Ned.
Erens .
Bastion, vijfhoekig vooruitspringend werk op
de > saillanten van vestingfronten, waarop geschut
voor het flankement voor de aangrenzende > courtines
( zie fig.). Eerste verschijnen in de oud-Ttaliaansche
bevestigingswijze. Ontstaan uit de halfronde b as-
t e i e n der late M. E. Laatste vorm als bastionnet-
caponnière bijv. der Ned. forten van vóór 1885.
> Bastei.
Bastkevcr, *> Schorskever.
Bastocjne, > Bastenaken.
Bastuba, > Tuba.
Bastvezel. Hieronder verstaat men vezels, die
meestal door een rotingsprocédé (> Roten) uit bast
of stengels van verschillende planten worden gewonnen ;
voornaamste zijn: vlas, hennep, jute, rameh.
Bast wortels, > Vogellijm.
Basuel, Philippus Claudius, priester
en organist van de stad Mechelen, 17e eeuw, schreef
bij gelegenheid van het ..negenste gulde jaer van onse
bekeeringe tot den waerachtigen Godt”het Bly-eynden-
de-treur-spel van het Leven ende wondere daeden
van den H. Rombout, in 4 bedr. en in Alexandrijnen,
opgevoerd door de kamer De Peoene op 12, 15, 16 en
17 Juli 1680; knap geleid spel, sobere, sappige bewoor-
ding met litteraire allures; naast tafereelen van
verregaande smakeloosheid en vettig realisme tafe-
reelen stichtend door diepen ernst en schoon geloof.
L i t. : Jan Bols, Leven en werken der Zned. schrijvers
(I, 50) ; G. J. J. Van Mclckebeke, Geschiedkundige aen-
teekeningen rakende de Sint-Jans-Gilde bijgenaerad
De Peoene (Mechelen 1862) ; Joz. van den Eynde, Van
het leven en de wondere daden van den H. Rombout,
gezuiverde en in moderne spelling overgeschreven en
toegelichte uitgave van den ouden tekst (Mechelen 1928).
Godelaine.
Bas-Warfieton, > Neerwaasten.
Baszpommcr, > Bomhart; > Fagot.
Bat. Bij p i n g - p o n g is b. een klein racket,
heelemaal van hout, met een blad van ca. 15 bij 20 cm.
Dit blad is bij de duurdere kwaliteiten bekleed met
schuurpapier, kurk of rubber, zoodat men er het cellu-
loid balletje goed effect mee kan geven.
Bat is bij cricket het slaghout, waarmee de
slagen gedaan moeten worden. Het hout is 37 4 -4 l / 4 inch
(10,8 cm) breed, het heeft een platten kant voor het
slaan, en een bollen achterkant, alsmede een steel of
handvat. De lengte in haar geheel is 36 inch (96.6 cm).
Bat was bij de Israëlieten een inhoudsmaat van
ruim 36 1, gebruikt voor vloeistoffen.
Bat’a (uitspr. Batja), Tomds, zoon van een
Moravisch schoenfabrikantje, * 1871, f 1932 door een
vliegongeluk.Heeft in Zlin (Moravië) een schoenfabriek
opgericht, die tot het grootste schoenenbedrijf van
Europa is uitgegroeid, met een dagproductie van 76 000
paar en met export naar alle deelen der aarde, o.a.
naar Oost-Indië. Met aanverwante bedrijven, o.m.
leerfabrieken, in 1927: 11 600 employés in Tsjecho-
slowakije. Bat ’a -schoenfabriek te Best (N.B.) in aan-
bouw (1933). G. de Vries.
Bataafsch Brabant, naam van het Ned.
gewest Brabant in de eerste jaren van de Bataafsche
Republiek, welke naam te kennen moest geven, dat
de volslagen onderworpenheid van het generaliteits-
land Staats-Brabant vervangen was door zelfstandig-
heid. Theoretisch kwam die zelfstandigheid tot stand op
31 Maart 1795, maar pas in den nacht van 29 Febr. op
1 Maart 1796 werd tot toelating der afgevaardigden
van Bataafsch Brabant tot de Staten -Generaal be-
sloten, waardoor het gewest inderdaad als achtste
provincie erkend werd.
Bij de Constitutie van 1798 werd het Westelijk
gedeelte (grenslijn iets ten Oosten van Breda) met de
Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche eilanden administra-
tief vereenigd tot het departement van de Schelde en
103
Bataafsche apotheek — Bataafsch legioen
104
VRTHEIT. GELTKHEIT. BROEDERSCHAP,
A°. 1795
ROTTERDAMSCHE
Donderdag
N°. 37
COURAN T.
den 26 Maart.
Hei Eerfle $cim der Bataaffche Vryheit.
NB. ‘Deze COURANT, met het BYVOEGSEL , word voor den gewonen prys uitgegeven.
Indicatie der Bataafsche vrijheid in de Rotterdamsche Crt. van 26 Maart 1795.
de Maas, terwijl het Oostelijk gedeelte een eigen bestuur
kreeg als departement van de Dommel. De Constitutie
van 1801 hereenigde wederom de beide deelen als
departement Brabant (1801—1806). Dit was ook liet
geval onder het koninkrijk Holland. Het gewest
omvatte het gebied van de tegenwoordige provincie
Noord -Brabant, behalve het land van Geertruiden-
berg en het land van Heusden. Verder miste het de
graafschappen Bokhoven en Megen, het land van
Ravenstein, de baronie van Boksmeer, de heerlijkheid
Oefelt en de commanderij van Gemert, die tijdens de
oude republiek onder vreemde souvereiniteit gestaan
hadden. Deze streken werden op 5 Jan. 1800 door
Frankrijk, dat ze bij de veldtochten van 1794 en 1795
bezet had, aan de Bataafsche Republiek afgestaan,
welke afstand in 1801 en 1803 door den keizer van het
H. Roomsche Rijk en door den keurvorst van Beieren
bekrachtigd werden. Tot 1805 bleven deze gewesten
onder provisioneel bestuur en werden toen bij het
departement Brabant ingelijfd. Tijdens de Bataafsche
Republiek bleven de enclaves van Baarle-Hertog en
Luiksgestel buiten het gebied van Brabant.
L i t. : Geschiedkundige Atlas van Nederland, kaart
13, de Fransche Tijd, 1795 — 1815, met tekst (1926) ;
Goosens, Het keerpunt van Brabant, 1 Maart 1796
(1930). Verbeme.
Bataafsche apotheek, vertaling van de in
1805 door het staatsbewind der Bataafsche Republiek
uitgegeven Pharmacopoea Batava, de eerste Ned.
landspharmacopee (> Pharmacopee).
Bataafsche Jacobijnen, > Unitarissen.
Bataafsche Petroleum Maatschappij ,
B. P. M., opgericht in 1907 als dochtermij. van de
Kon. Ned. Mij. tot Exploitatie van Petroleumbronnen
(„Koninklijke” ofwel „Royal Dutch”) en van de Shell
Transporting and Trading Comp. („Shell”) bij gelegen-
heid van de fusie dezer beide groepen.
Tegelijkertijd met de „Bataafsche” werd de A n g 1 o -
Saxon O i 1 Company in het leven geroepen,
waarbij de eerste uitsluitend de winning en bereiding
van de ruwe olie ten doel had , de laatste hoofdzakelijk
het transport en den verkoop der producten.
De „Koninklijke” en de „Shell” zijn sindsdien uit-
sluitend holding-companies, de eerste officieel Hol-
landsch, de laatste officieel Engelsch, terwijl de ver-
deeling der aandeelen is resp. 60% en 40%.
Het kapitaal der Bataafsche, dat oorspron-
kelijk 80 000 000 gld. bedroeg, is sindsdien, bij de
voortdurende uitbreiding van hare exploitatie in
Ned.-Indië, herhaaldelijk verhoogd en bedroeg in
1931: 300 000 000 gld. De preductie omvat 95%
der totaalproduct ie van Ned.-Indië en was in 1931:
3 811 902 kg ton tegen 3 906 399 kg ton in 1928. Zij
is verdeeld over de „administraties*': Balikpapan op
en Tarakan bij Bomeo; Pladjoe en Pangkalanbrandan
resp. op Zuid- en Noord -Sumatra; Tjepoe op Java.
Het hoofdkantoor der Bataafsche is in Den Haag.
De centraliseering is ver doorgedreven. De winsten
bedroegen in 1931 : 21 652 710 gld. tegenover
95 265 190 gld. in 1928.
Verder > Koninklijke Petroleum Mij.
Bataafsche Republiek, naam van den Ned.
Staat sedert den ondergang van de oude Republiek der
Vereenigde Nederlanden (1795) tot de vestiging van
het koninkrijk Holland (1806).
Bataafsche vlacy, vlag van de Bataafsche Re-
publiek. Zij was geheel gelijk aan de oude Hollandsche
vlag (rood-wit-blauw), doch voerde, wat de marine
betreft, in de roode baan een langwerpig vierkant
wit vlak (jack) met afbeelding van de vrijheidsmaagd,
wier eene hand een speer hield, waarop de vrijheids-
hoed, en de andere rustte op een schild, versierd met
de Romeinsche f asces. De vlag bleef in gebruik tot
1807, toen koning Lodewijk Napoleon ook voor de
marine de oude Nederlandsche als koninklijke Hol-
landsche vlag voorschreef, welk bevel echter niet
overal (o.a. in Zeeland) werd uitgevoerd. Verbeme.
Bataafsche vrijheid. De regeerings verande-
ring van 1795 geschiedde in menig opzicht naar het
model van de Fransche revolutie van 1789. De leuze
„Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” deed opgeld
en daarom begon op 1 Febr. 1795 het „eerste jaar der
Bataafsche vrijheid”, welke indicatie in dagbladen
en officieele stukken als dateering naast de gebrui-
kelijke gedurende eenigen tijd gebezigd werd (zie
afb.). Verbeme .
Bataafsch lefjioen, oorspronkelijke benaming
van een in Frankrijk (1792) in overleg met Dumouriez,
toen minister van Buitenlandsche Zaken, gevormd
korps van uitgeweken Nederlandsche patriotten,
voor wie toen de naam Bataven in gebruik kwam.
Het korps werd opgericht na het aftreden van Dumou-
riez als „légion franche étrangère”. Het zou, onder
bevel van kolonel Mascheck, met Daendels als luite-
nent-kolonel, actief deelnemen aan een oorlog tegen
de Ned. Rep. Van de 2800 man, die het korps telde,
waren de officieren inderdaad „Bataven” (bijv.
Chassé, de Winter, van Boecop, Daendels), doch van
105
Bataat — Bataksche talen
106
de soldaten nauwelijks een 300. Verder bestond het
uit Zuid -Nederlanders (Brabanders, Luikenaren) en
Zwitsers* Het nam deel aan den veldtocht van Dumou-
riez in de Z. Ned. en in Staats -Brabant, welke eindigde
met de nederlaag bij Neerw inden (1793). Na den val
van Dumouriez werd het Bataafsche legioen samen-
gesmolten met het Fr. leger. Bij den inval der Franschen
in 1794 en 1795 was Daendels brigadegeneraal
in het Fransche leger. Verberne .
Bataat (I p omoea batatas) of zoete
aardappel (sweet potatoe) wordt in alle tropische
landen verbouwd om de eetbare knollen. De plant
heeft kruipende stengels en knolvormende wortels,
welke laatste 3 a 4 mnd. na het uitplanten worden
geoogst. De langwerpige wortelknollen bevatten
behalve zetmeel veel suiker en zijn iets voedzamer
dan aardappe ! en.
De b. is inheemsch in tropisch Z. Amerika en wordt
thans ook in Azië veel als volksvoedsel gebruikt. Men
eet de knollen gekookt of gepoft; ook wel nadat ze
geschild en in reepjes zijn gesneden, in klapperolie
gebakken, eventueel nog gemengd met stroop van
palmsuiker.
Van een normaal geslaagden aanplant bedraagt de
opbrengst ongeveer 7 000 kg oogstdroge knollen per ha.
Botanisch behoort de b. tot de orde der Tubiflorae.
familie der Convolvulaceae, het geslacht Ipomoea
en de soort Ipomoea Batatas. De soort is zeer
variabel, zoowel in bladvorm als in kleur en vorm
van knollen.
L i t. : v. Gorkom, O.I. Cultures (II 2 1918).
Dijkstra ,
Batabwa, volksstam in Belg. Kongo, op den W.
oever van het Tanganjika-meer, ten Zuiden van
6° 45' Z. Ze worden soms ook Bamaroengoe
genoemd. > Kongo (Ethnographie).
Bataillc, 1° Henry, Fransch tooneelschrijver
van de psychologisch -realistische richting. * 1872 te
Nimes, f 1922 te Rueil. Begon met een bundel vaag
symbolistische verzen (La chambre blanche, 1895),
om zich nadien uitsluitend te wijden aan tooneel-
werk, dat bij voorkeur een rake, maar dikwijls onbe-
scheiden ontleding van de zinnelijkheid geeft, in
naar het leven geteekende liefdesverhoudingen, waar
toch alle diepe poëzie en pathetische teederheid niet
vreemd aan zijn. Dit lyrisme vertoont vooral zijn
laatste productie.
Werken: La lépreuse (1896) ; Ton sang (1897) ;
Résurrection (1902) ; Maman Colibri (1904) ; La marche
nuptiale (1905) ; Poliche (1906) ; La femme nue (1908) ;
Le scandale (1909) ; La vierge folie (1910) ; Le phalène
(1913) ; L’homme a la rosé (1920) ; La tendresse (1921) ;
La possession (1921) ; La chair humaine (1922). —
U i t g. : Théfitre Complet (11 dln. Flammarion Parijs).
— L i t. : P. Blanchart, H. B. son oeuvre (Parijs 1922) ;
G. de Catalogne, H. B. ou le romantisme de 1’instinct
(Parijs 1925) ; J. Besan^on, Essai sur le thé&tre d’ H. B.
(1928). Baur.
2° N i c o 1 a s, Fransch tapijtwever uit de 14e
eeuw, voor het eerst documentair vermeld in 1373.
Van hem zijn de t; pijtwerken, tooneelen uit de Apoca-
lypse voorstellend, naar teekeningen van Jean de
Bandol, in de kathedraal van Angers voor de hertogin
van Anjou (na 1377). * ong. 1340, f voor 1400.
L i t. : Barbier de Montault, Tapisserie du sacre
d’Angers (1868) ; Guiffrey, Nic. B., tapissier parisien
(1884) ; Bouchot, Les primitifs francais (1904).
Knipping.
Ba tuk- Instituut, > Bataksch Instituut.
Balaklanden (zie plaat tegenover kolom 128).
Geographisch behooren hiertoe de bovenlanden van
Langkat, Deli, Serdang en Asahan, de Karohoog-
vlakte, de bovenstreken van Batoebara tot aan
het Toba-meer en Tapanoeli. Administratief be-
hooren zij tot de res. Tapanoeli en het gouv. Oost-
kust van Sumatra. Centrum is het Toba-meer (900 m
boven zee), omgeven door een landschap met een hoog-
vlakte-karakter en verdeeld in afzordirlijke plateau ’s:
Karo- en Timoerhoogvlakte, Pakpak of Dairilanden
en Toba -hoogvlakte, samen vormend het N. deel der
Bataklanden. Het Z. deel behoort morphologisch tot
Midden -Sumatra met evenwijdige gebergten en tus-
schenliggende lengtedalen, o.a. van Batang Toroe.
De afwatering geschiedt naar twee zijden: Oostwaarts
naar Str. Malaka en Westwaarts naar den Ind.
Oceaan. De gebergten zijn grootendeels met oerwouden
bedekt; de Karo landen zijn een grasvlakte. De Batak-
landen zijn van nature scherp geïsoleerd en pas door
aanleg van wegen gedurende de laatste decennia meer
ontsloten. (Zie kaart in kol. 107/8).
Landbouw en veeteelt, benevens het winnen van
boschprcducten zijn de hoofdbestaansmiddelen. De
varkensteelt is van beteekenis. Sedert 1908 zijn de
Eur. cultures binnengedrongen; rubber in de buurt
van de Batang Toroe, terwiji de Dairilanden geworden
zijn tot een theedistrict. De boschproducten van N.W.
Tapanoeli (benzoë, rotan, kamfer) worden veel uit-
gevoerd over Baroes. De kamferwinning is sterk
achteruitgegaan. v. Vroonhoven.
Voor bevolking, > Ned. Indië (Bevolking).
Batakpaard, vroeger half verwilderd in de
Bataklanden voorkomend ; thans wordt er meer aan-
dacht aan de fokk rij en houderij geschonken, nu
het gouvernement er zich mee is gaan bemoeien.
Het is een klein p mypa trd (schofthoogto ca. 1,15 m,
max. 1,40 m), geschikt als luxe tuigpaard, de grootste
ook als ri piard ; draaft uitstekend, is levendig,
sterk van bouw, maar ve. toont nogal veel afwijkingen
in lichaamsl ouw en beenstanden. Uitvoer heeft
plaats naar Java, Britsch -Indië, M laka, enz. In de
laatste jaren gekruist met Sandelwoodpaard met
uitstekend resultaat ; o.a. worden ze er grooter en
handelbaarder door. Verheij.
Bataksche talen. Onder den naam Bataksch
pleegt men samen te vatten een aantal aan elkaar
nauw verwante, maar niettemin zoowel in phonetisch
als in grammaticaal opzicht van elkaar onderscheiden
talen van midden -Sumatra, nl. het Karo, het Pakpak
of Dairi, het Simeloengoen of Timoer, het Toba en
het Mandailing. Van deze talen is het Toba het best
bestudeerd; daarop volgt het Karo; de andere talen
zijn nog slechts oppervlakkig bekend. Het zijn mor-
phologisch de rijkst ontwikkelde talen van Sumatra,
van het gewone Indonesische type overigens. Het
vocabularium bevat een vrij groot aantal Sanskrit
woorden, die echter mogelijkerwijze van Java uit
geïmporteerd zijn; ook Arabische woorden hebben er
hun weg heen gevonden; voorts Maleische, Javaansche
en Menangkabausche woorden. Men heeft in de Ba-
taksche talen, evenals in andere Indonesische talen,
verscheidene bijzondere talen, waarvan de zgn. An-
doeng-taal der wichelboeken er een is. Het Bataksch
werd vroeger met een eigen alphabet geschreven, dat
weliswaar als de meeste andere alphabetten van den
Indischen Archipel van Pallawa-herkomst is, maar
niettemin een geheel eigen type heeft (> Indische
alphabetten).
107
Bataksch Instituut — Batan-eilanden
108
BATAKLANDEN
Schaal 1:2*150000
° ™ w y 7 y» —
De Bataksche literatuur omvat naast een groot
aantal volksverhalen, door Voorhoeve behandeld in
zijn Leidsche dissertatie, een groot aantal wichelboe-
ken of poestaha’s. Meestal is boomschors het materiaal,
waarop geschreven is.
Van der Tuuk schreef een uitstekende spraakkunst
benevens een woordenboek van het Toba en publi-
ceerde een bloemlezing van stukken in verschillende
Bataksche talen; als zendeling naar het toenmaals
nog ontoegankelijke land uitgestuurd, vertaalde hij
ook stukken van het Nieuwe Testament in het Toba.
Het Karo is voornamelijk beoefend door M. Jonstra.
Berg.
Bataksch Instituut, ook wel Batak-
Instituut genoemd, opgericht te Leiden op 30
Scpt. 1908, een vereeniging van denzelfden aard als
het > Bali-Instituut, thans eveneens gevestigd in
Amsterdam. Het heeft op ongeregelde tijden verschei-
dene nuttige werkjes over de Bataklanden doen ver-
schijnen, waarvan de Batakspiegel het voornaamste is.
In tegenstelling tot het Bali-Instituut werkt het Ba-
taksch Instituut ook in Indië zelf; het geeft er land-
bouwvoorlichting (sinds 1911) en handwerkonderwijs
(sinds 1914) en onderhoudt sinds 1923 te Raja bij
Brastagi (S.O.K.) een Batak-museum. Aan het B.I.
werkt een vast archivaris; de naam Joustra is met
het B.I. onafscheidelijk verbonden. Berg .
Bataltia, stad in Estramadura (Portugal);
4 000 inw. Vooral bekend door het vroegere Domini-
canerklooster S. Maria da Victoria, dat nu tot nationaal
monument van Portugal verklaard is. Het werd in
1388 door Jan I na zijn overwinning op Castilië ge-
sticht en uit lichtgekleurde glanzende kalkzand-
steen, die den aanblik van marmer geeft, in laat-
Gotischen, wat overdadigen stijl opgetrokken.
Bataljon, in Ned. ; afdeeling onbereden sol-
daten, sterk 800 a 1 000 man; is een deel van een
regiment en ingedeeld in compagnieën; de comman-
dant van een b. is een hoofdofficier.
In B e 1 g i e: infanterie- of genie-troepenafdeeling
van 600 tot 800 man sterk, onder een majoor. Het b.
is bij de infanterie samengesteld uit 3 compagnies
geweerschutters en een compagnie mitrailleuses, ofwel
uit 3 compagnies mitrailleuses, alsdan b. -mitrailleuses
geheeten; bij de genie uit 2 compagnies pioniers.
V. Coppenolle.
Bataljonsarts, officier van gezondheid, inge-
deeld bij een onderdeel (bataljon) van het leger te
velde. > Militaire geneeskundige dienst.
Batam Archipel (Battam Are h.),
begrensd ten N. door Str. Singapore, ten O. door Str.
Riouw, ten Z. door Str. Dempo en Str. Doerian, ten
W. door Str. Doerian. Tal van eilandjes, niet alle
bewoond, leveren goede houtsoorten. De Orang Laoet
komen hier ook nog voor.
Batanca, een prov. van het rijk van Agrippa II.
B. komt overeen met de Oud-Testamentischc land-
streek Basan, doch omvat slechts een klein gedeelte
daarvan, volgens Flav. Jos. ongeveer de vruchtbare
vlakte, die thans En Noekra heet.
Batan-cilanden of Bas h i-e i 1., de N.
groep der Filippijnen, behoorend aan de Ver. Staten;
door de Bashi-straat van Formosa gescheiden; vul-
kanisch; rijk aan koperertsen.
109
Batang — Batavia
110
Batang , 1 ° regentschap, afd. Pekalongan,
provincie Midden -Java, omvat de districten Batang,
Bandar, Soebah en Bawang. Is in het N. vlak, loopt
naar het Z. op. Op de Zuidgrens ligt het Diengplateau
(2 045 m). De bevolking plant veel rijst en maïs. De
batik-industrie en -handel is van heteekenis. Suiker,
koffie, thee en nog eenige andere producten worden op
cultuurondernemingen geteeld. De Semarang-Cheri-
bon Stoomtram (S.C5.S.) doorsnijdt dit ressort. Het
zielental bedroeg eind 1930: 259 Europeanen, 293 794
Inheemschen, 2 449 Chineezen en 52 andere Vreemde
Oosterlingen. Opp. 859,93 km 2 , bevolkingsdichtheid
344.9 per km 2 . De bevolking is Javaansch.
2° Hoofdplaats van regentschap en district
Batang, warm klimaat, belangrijke pasar (inlandsche
markt), heeft vele barikkerijen, ligt aan de S.C.S.-lijn
tusschen Pekalongan en Semarang. Inwonertal eind
1930: 28 658 zielen, waaronder 60 Europeanen en
1 430 Chineezen. Wordt bezocht door een der pastoors
van Tegal. Brokx.
Batangas, hoofdstad der gelijknamige provincie
aan de Zuidzijde van het eiland Luzon (Filippijnen),
13° 30' N., 121° O. In 1927: 41 OO» inw.
Batang Gadis, rivier op Sumatra, ontspringt
op de grens van de Padangsche Benedenlanden en
Tapanoeli, stroomt in een lengtedal naar het N.W.
en daarna door een d warsdal Westwaarts naar den Ind.
Oceaan.
Batanghari of D j a m b i, rivier op Sumatra;
ontspringt in de Padangsche Bovenlanden; 800 km
lang, met een zeer groot stroomgebied. Bij normalen
waterstand bevaarbaar tot Djambi, 160 km van de
kust.
Batang Kocantan of rivier van In-
de r a g i r i (Sumatra). Het centrale deel der Pa-
dangsche Bovenlanden behoort tot den bovenloop.
Neemt de Oembilin op en voert dus ook het water
af van het Singkarakmeer.
Batang Loepar, gebergte op de grens van de
Wester-afd. van Bomeo en Serawak, waarop de ge-
lijknamige rivier ontspringt. De bewoners waren
vroeger beruchte koppensnellers.
Batang IViia, belangrijke rechterzijrivier van de
Kampar (Sumatra).
Batang Toroe of Batang Taro, rivier
op Sumatra; doorstroomt het landschap van Silin-
docng in een lengtedal, centrum Taroeroeng, ontspringt
ten Z. van het Toba-meer en voert het water naar den
Ind. Oceaan.
Batanta (N.O.I., 0° 45' tot 0° 51' Z., 130° 23' tot
130° 55' O.), eiland van de Radja-ampatgroep, aan de
W. kust van den Vogelkop van Ned. Nieuw-Guinee:
onderafdeel ing Sorong, residentie Temate, gouver-
nement der Molukken.
Batara Goeroe is een naam, die in den Indi-
schen Archipel (vooral op Java en op Bali) veelal ge-
geven wordt aan Sjiwa als opperwezen, wellicht ten
gevolge van identificatie met een oud-inheemsche
oppergodheid. De vroegere meening, dat de op Java
veelvuldig uitgebeelde zwaarlijvige man B.G. zou
zijn, is door Poerbatjaraka op goede gronden bestre-
den: deze houdt de figuur voor een voorstelling van
Agastya, den apostel van Zuid-Indië (en Indonesië).
Berg.
Ba talos, > Bataat.
Batava Gastra (a n t. g e o g r.), garnizoen
van een cohort Bataven in Ra et ia, bij de samenvloei-
ing van Inn en Donau, teg. Passau. Davids.
Bataven, vroeger ook ten onrechte Batavieren
genoemd, een Germaansch volk, verwant aan de
Kaninefaten, misschien ook aan de Ohatten, vestigden
zich in de eerste eeuw v. Chr. op het eiland der Bataven,
de Betuwe. Zij verspreidden zich in een niet nader te
bepalen omtrek. Zij hadden een zekere beschaving
bereikt, zooals blijkt uit de vondsten in de „woerden”,
vluchtheuvels, die zich bevinden in de Lijmers, de
Ooy bij Nijmegen, de Betuwe, Maas en Waal en
schaars ten Z. van de Maas. Ook aan den Rijn in
Holland en in de duinstreek. Zij kenden La Tène-aarde-
werk, werktuigen van been, vischnetten, bronzen
vischhaken en messen, hamers van steen. Zij stonden
onder Romeinschen invloed en sloten met de Romeinen
een verbond. Zij hadden houten huizen en stallen,
tot flinke hoeven vereen igd. Van versterkingen tegen
een vijand geen spoor, hetgeen op groote veiligheid
wijst. Ook vinden wij nederzettingen op den beganen
grond, die dijken veronderstellen. Hun hoofdplaats
en vluchtburcht lag op de Nijmeegsche heuvels, ten
O. van de tegenwoordige stad bij den Kopschen Hof.
Misschien was deze burcht het door Julius Civilis
in 70 n. Chr. verwoeste Oppidum Batavorum. Want de
Bataven kwamen in 69 n. Chr. in opstand tegen de
Romeinen, waarbij de Kaninefaten onder Brinno zich
aansloten. Het eiland der Bataven ging voor de
Romeinen verloren, Aquilius alleen hield daar nog
een wijle stand, Gallische en Germaansche benden
sloten zich bij den opstand aan en de Rijnvloot viel
Civilis in handen. Van alle kanten, ook uit vrij Ger-
manje, kreeg hij versterking. Met deze macht sloeg hij
het beleg voor Castra Vetera (Xanten) en verloor den
gunst igen tijd. Een ontzettingsleger daagde op.
Intussohen had de Rom. keizer Vespasianus zijn tegen-
stander Vitellius volkomen overwonnen. De Romein -
sche bevelhebber Vocula dwong Civilis het beleg op
te breken. Een oogenblik nog keerde de kans, toen een
oproer in het Romeinsche kamp tot den moord op
Hordeonius Flaccus en de vlucht van Vocula leidde.
Nu kwamen ook de Galliërs in opstand en de brand
van Rome’s kapitool gold als het einde van Rome ’s
macht. Vocula, die het leger had pogen te reorgani-
seeren, werd door zijn soldaten vermoord, Vetera en
Mogontiacum (Mainz) moesten zich overgeven. Maar
de samenwerking tusschen Germanen en Galliërs
liet veel te wenschen over. In het voorjaar van 70
daagden nieuwe legioenen onder Petilius Cerialis
en een nieuwe vloot op. Civilis alleen hield stand en
wierp zich nog onverhoeds op Trier, dat weer in Ro-
meinsche handen w\as gevallen. Hij werd tenslotte door
Cerialis teruggeslagen, kon zich ook te Vetera niet
handhaven, moest naar Oppidum Batavorum terug-
trekken en dit opgeven, na het in brand te hebben
gestoken. Nog wist Civilis eenige maanden in en om het
eiland der Bataven stand te houden. Hij moest echter
(op den afgebroken brug over de Nabalia, ligging on-
zeker) onderhandelen en eenige dagen later volgde
de overgave. Sindsdien zijn de Bataven woer de trouw'e
bondgenooten der Romeinen. Naar hen werd Patavium
(Passau) genoemd; na 480 komt hun naam niet meer
voor.
Bron: Tacitus, Hist. (IV). — L i t. : Blok, Gesch.
van het Ned. Volk ( 3 I, 28-34) ; Holwcrda, Nederland’s
Vroegste Gesch. ( 2 1 25-1 42). W. Mulder S.J.
Batavia. 1. Afdeeling (residentie).
De afdeeling B., provincie West-Java, omvat de
regentschappen Batavia, Meester-Comelis en Krawang.
Is 8 126,7 km 2 groot; hiervan zijn 228 164 ha droge
111
Batavia
112
mm]
lil! V •
r mt
Gezicht op Batavia in 1682. Uit : Nieuhof, „Zee- en landreize door verscheiden gewesten van Oost-Indien”.
en 323 473 ha natte (sawahs) bouwvelden der inland -
sche bevolking. De vorm van het inlandsch grondbezit
is erfelijk individueel. Het aantal erfpachtsperceelen
voor groot-landbouw is 39 tot een totaaluitgestrekt-
heid van 10 825 ha. Het oppervlak particuliere lande-
rijen -plantages met overheidsrechten bedroeg eind
1931 nog 263 169 ha, toebehoorend aan 64 ondernemers.
Van de particuliere landerijen — een rechtstoestand,
die niet gewenscht wordt — zijn van 1919 — ’31 door
het gouvernement teruggekocht 101 542 ha; de terug -
koopsom hiervan bedroeg in totaal 40 872 280 gld.
Deze terreinen zijn met inlandsche rechten aan de
inheemsche bevolking dan wel meest in erfpacht aan
niet-inlanders uitgegeven. Vrijwel de geheele afdeeling
is vlakte. De voornaamste cultuur van de Inlandsche
bevolking en ook van de ondernemingen is rijst. Het
aantal rijstpelmolens bedraagt 90. Zielental bedroeg
eind 1930: 38 561 Europeanen, 2' 440 128 Inlanders,
149 225 Chineezen en 9 121 andere Vreemde Ooster-
terlingen, in totaal 2 637 053 zielen; bevolkingsdicht-
heid 300 per km 2 . De inlandsche bevolking is in hoofd-
zaak Soendaneesch. In en rond de stad Batavia wonen
Batavianen, een mengsel van landaarden en rassen;
hun voertaal is Batavia -Male isch. Brokx.
II. Regentschap.
Het regentschap B., afdeeling Batavia, provincie
West-Java, omvat de districten Batavia, Weltevreden,
Tangerang, Balaradja en Maoek, bestaat geheel uit
laagland. Het klimaat is warm. Op menig gebied is
dit regentschap bij andere ressorten ten achter, doordat
de aanwezigheid van vele particuliere landerijen de
ontwikkeling in den weg staat. Het wegennet en irri-
gatie laten te wenschen over. Ook desawezen en volks-
onderwijs ontwikkelden weinig. De inlandsche bevol-
king is in het algemeen arm. Niet minder dan 514 000
zielen w'oncn op particuliere landerijen buiten de
gemeente gelegen. Te Tangerang in dit regentschap
ontwikkelde zich onder Fransche leiding een hoeden-
industrie. De hoeden w r orden gevlochten van bamboe
en palmblaren. In tegenstelling met andere regent-
schappen zijn in dit ressort vele Chineezen landbouwer.
Door bijzonder omstandigheden, verband houdend
met de geschiedenis van dit gebied, hebben zij grond-
rechten verkregen, die elders niet voorkomen. De
niet-inlandsche cultuur op en buiten de particuliere
landerijen is in hoofdzaak rijst. Staatsspoorlijnen door-
snijden dit regentschap in vier richtingen. Zielental
eind 1930: 31 422 Europeanen, 800 630 Inheemschen,
112 113 Chineezen en 6 673 andere Vreemde Ooster-
lingen. Opp. 1 476,89 km 2 , bevolkingsdichtheid (de
gemeente Batavia niet inbegrepen) 645,1 per km 2 .
De inlandsche bevolking is rondom en in de stad
Batavia een mengelmoes van landaarden en rassen,
verderop is deze bevolking Soendaneesch. Batavia is
in 1924 een regentschap geworden; tevoren w r erd dit
ressort bestuurd door een zelfstandig pntih. Brokx.
III. Gemeente (zie plaat t/o kol. 706, dl. III).
De stad B. is de zetel van de regeer ing van Ned.
Indië, hoofdplaats van de prov. West-Java, van de
afdeeling Batavia en van het regentschap Batavia;
gemeente; bisschopsstad.
Historie. Ten tijde, dat de eerste Nederlanders
113
Batavia
114
AjujoI
Jtys 'Velden
Ryr*yck'
aïavia'
uur jfaj
r onJer
ïbrtrn jéimL
Kaart van Batavia met omgeving in 1682.
Uit : Nieuhof, „Zee- en landreize door verscheiden gewesten van Oost-Indien”.
Java bezochten, lag ter plaatse, waar later de stad
Batavia zou verrijzen, een negorij, Djakatra genaamd
(Jav. Djajakerta of Djajakarta), zetel van een pan-
géran, die vazal was van den vorst van Bantam.
Met dien vazal werd in 1610 een overeenkomst gesloten,
waardoor de Nederlanders vasten voet in Djakatra
kregen. Jan. 1611 verkregen zij te Djakatra een stukje
grond, waarop een huis gebouwd werd. Aldra bleek
de vestiging in Djakatra de voorkeur te verdienen
boven die in Bantam. Doch ook te Djakatra liet de
veiligheid te wenschen over, waarom J. Pz. Coen
Djakatra in Juli 1618 een bezetting gaf. Deze sterkte
bleek echter te zwak, zoodat Coen eenige maanden
later een fort deed bouwen. Nauwelijks was men
daarmede klaar gekomen, of de Djakatranen, bijge-
staan door de Engelschen, vielen het fort aan. Coen
zeilde Jan. 1619 naar de Mo lukken om versterking
te halen. Eind Febr. sloot Van Raey een verdrag met
Djakatra en de Engelschen, waarbij fort, goed en
mannen zouden worden overgegeven ; fort en goed aan
de Djakatranen, de mannen aan de Engelschen.
Doch toen trad de vorst van Bantam, de leenheer
van Djakatra, tusschenbeide. Het verdrag werd niet
uitgevoerd; de bezetting bleef ingesloten, doch het
werd haar verder niet lastig gemaakt, noch door de
Engelschen, noch door de Djakatranen. Stemming
en gedrag van de bezetting lieten zeer veel te wenschen
over. Om er den moed in te houden werd er danig
gefeest. Op den 12en Maart liet Van Raey „alle
officiers ten eeten haelen. En sv bedroneken met mal-
canderen het fort Batavia”. Mei 1619 was Coen ter
reede van Djakatra terug, veroverde de versterkingen
der vijanden en legde geheel de negorij Djakatra in
asch. De versterking der Hollanders bleef den naam
Batavia behouden. Hiermede was B. gesticht. In 1620
liet Coen een nieuw fort bouwen, het „Kasteel”
genoemd. Coen wilde van B. een volkrijke stad maken
met een overheerschend Nederlandsch element, stond
daarvoor grond af, ook aan Chineezen en aan Inlanders.
Dit is het begin van het ontstaan van de particuliere
landerijen in en rond B., hetgeen veel later groote
moeilijkheden zou geven. De niet-Europeesche bevol-
king van B. was allerbontst. Er leefden allerlei
landaarden en rassen, vooral veel Chineezen. De stad
B. groeide zeer snel. Na eenige tientallen van jaren
had zij het aanzien van een typisch Hollandsche stad.
De huizen hadden het voorkomen van vaderlandscho
woningen, ze waren aan elkaar gebouwd. Ook grachten
ontbraken niet. Hierdoor was het in de stad zeer
warm en ongezond. Toen na verloop van jaren de
ommelanden van B. veiliger werden, lieten de notabe-
len al vrij spoedig buiten de stad de landhuizen bouwen.
Met de jaren vermeerderde het aantal dezer land-
huizen, zoodat allengs hoe langer hoe meer Europeanen
115
Batavia
116
het oude B. als woonstad verlieten en zich meer naar
het Zuiden, het Oosten en Westen gingen vestigen.
Zoo ontstonden Noorclwijk, Rijswijk en Weltevreden.
Gouverneur-generaal Daendels gaf in 1809 last tot het
bouwen te Weltevreden van een nieuw Regeerings-
gebouw, naderhand het Paleis en ook wel het Groote
Huis genoemd. Tijdens het bestuur van den com-
missaris-generaal Du Bus de Ghisignies werd dit
nieuwe gebouw voltooid en betrokken. Nadien is
oud-Batavia als woonstad voor de Europeanen allengs
geheel verlaten, terwijl als zoodanig Weltevreden,
thans officieel Batavia -Centrum geheeten, gestadig
groeide, in hoofdzaak in Zuidelijke richting. Tijdens
het Engelsche tusschenbestuur, van 1811 — 1816.
was B. de zetel van het Engelsche bestuur, zooals
na 1816 de Ntd. regeering te B. zou zetelen.
Ligging, klimaat en bevolking. B. is gelegen
aan de Tjiliwoeng (106° 48' 0.» 6° 7' Z.).Degemïddelde
dagtemperatuur is er 28,8°C, de gemiddelde nacht-
temperatuur 23,3°C. Maximum en minimum tempera-
tuur is 33,4°C, resp. 20,4 C C. Vooral in de kentering-
maanden — Maart — April, Oct. — Nov. — is het
dikwijls zeer warm. Lengte van dag en nacht schomme-
len zeer weinig. Het vroegst komt de zon op in Nov.
(5,57 v.m.), het laatst in Maart (6,29 v.m.); het vroegst
gaat de zon onder in Mei, Juni, Oct. en Nov. (6,14
en 6,16 n.m.), het laatst in Februari (6,47 n.m.).
De regenval is het grootst in Jan. en Febr., het gemid-
delde bedraagt dan 303 en 317 mm; het kleinst is de
regenval in Aug.. het gemiddelde is dan 42 mm.
Het jaargemiddelde is 1 806 mm. B. had eind 1930
435 184 inwoners. Hiervan waren:
Euro-
peanen
Inlan-
ders
Chinee-
zen
Andere
Vreemde
Ooster-
lingen
Totaal
Mannen
Vrouwen
16.012
15.118
164.816
161.162
40.868
30.820
3.429
2.959
225.125
210.059
Totaal
31.130
326.978
71.688
6.388
435.184
Onder de Europeanen komen nogal wat vreemde-
lingen voor. Hiervan zijn Duitschers en Engelschen
het grootst in aantal. Ook het getal Japanners — zij
zijn bij de jongste volkstelling, waaraan bovenstaande
cijfers zijn ontleend, als Europeanen geteld — is vrij
aanzienlijk. De Inlanders zijn van allerlei landaard;
de meesten zijn Batavianen, Soendaneezen en Javanen;
de taal, die er gesproken wordt, is een eigenaardig
soort Maleisch, sterk beïnvloed door het Javaansch,
het Soendaneesch en het Balisch (vroegere Balische
slaven). De andere vreemde Oosterlingen zijn meest
Arabieren en diverse rassen van Voor-Indië.
Batavia als rcgeeringscentrum. B. is de zetel van
de Nederlandsch- Indische regeering. De gouverneur-
generaal heeft er zijn paleis, gelegen aan het Konings-
plein en aan Rijswijk; meestentijds verblijft Z.E.
echter te Buitenzorg. De Volksraad, alsmede het
College van Gedelegeerden, vergaderen en hebben
kantoren in het Volksraadsgebouw in het Hertogs-
park. De Raad van Indië heeft zijn bureaux mede in
het Hertogspark. Te B. zijn verder gevestigd de
departementen van Binnenlandsch Bestuur, van
Justitie, van Financiën, van Burgerlijke Openbare
Werken, van Onderwijs en Eeredienst en van Marine;
dan het Hooggerechtshof, het Hoog Militair Ge-
rechtshof, de Algemeene Rekenkamer en tal van
centrales van belangrijke overheidsdiensten. De
onder volgende landen
hebben te B. hun consul-
generaal: de Ver. St. van
Amerika, België, Engeland,
China, Cuba, Duitschland,
Frankrijk, Japan, Noor-
wegen, Spanje en Zwe-
den; andere landen zijn er
vertegenwoordigd door een
consul. Te B. is ook
nog gevestigd de Provin-
ciale Raad van West-
Java en het College van
Gedeputeerden uit dien
Raad.
Batavia als economisch centrum. B., meest ge-
noemd een ambtenarenstad, is ook een groote handels-
stad. Zoowel import als export zijn van beteekenis.
Te B. hebben tientallen groote import- en export-
firma’s óf hun hoofdkantoor óf belangrijke filialen.
De in- en uitvoer bedroeg over de laatste vijf jaren:
Invoer U itvoer
Jaren
Bruto
gewicht
in
1000 kg
Waarde
in 1000
gld.
Jaren
Bruto
gewicht
in
1000 kg
Waarde
in 1 000
gld.
1927
384.627
173.652
1927
292.888
237.147
1928
382.704
188.355
1928
323.844
215.676
1929
467.262
207.400
1929
284.974
182.806
1930
450.572
170.589
1930
263.272
147.920
1931
418.991
123.185
1931
265.777
102.811
De Javasche Bank, N.I. Escompto Mij., Factorij
der Nederlandsche Handel Mij. en de N.I. Handels-
bank hebben hun hoofdkantoor te B.; mede zijn te B.
gevestigd de volgende banken: The Chartered Bank of
India, Australia and China, The Bank of Taiwan Ltd.,
The Yokohama Specie Bank Ltd. en de Hongkong
& Shanghai Banking Corporation. B. heeft verder
hoofdkantoren van de Koninklijke Paketvaart Maat-
schappij, de Stoomvaart Mij. „Nederland”, de Rotter-
damsche Lloyd en de Java — China — Japan Lijn,
alsmede hoofdkantoren van de Batavia Petroleum
Maatschappij en de Nederlandsche Koninklijke
Petroleum Maatschappij. B. heeft een zeer goede
haven te Tandjoengpriok. Het aantal binnengekomen
schepen bedroeg:
Stoom-
en motorschepen
Zeil- en motor-zeilschepen
Jaren
Aantal
Jniiouü m
1000 m*
netto
Aantal
Inhoud in
1 000 m 8 netto
1920
1.858
9.570
2.127
61
1925
2.269
13.639
2.696
80
1927
2.631
15.632
2.587
74
1928
2.891
18.104
2.590
72
1929
3.205
20 263
3.351
100
1930
3.134
19.182
3.158
83
1931
2.777
17.363
3.097
89
Het aantal vandaar vertrokken schepen was
ongeveer even groot. Grootindustrie heeft B. vrijwel
Wapen van de stad
Batavia.
117
Batavia
118
niet. General Motors is meer een montagewerkplaats
dan auto-industrie. Een bierbrouwerij is voorjaar 1933
geopend. Kleinindustrie komt wel voor, vooral
meubelen en koolzuurhoudende dranken. B. heeft een
gouvernem en ts -op iumf abr iek .
Het bestuur van Batavia wordt gevoerd zoowel
door organen van de centrale overheid als door de
organen van de gemeente. Voor de centrale overheid
is B. verdeeld in de districten Batavia en Weltevreden.
De districten zijn onderverdeeld in on derdist rieten,
die weer verdeeld zijn in wijken. Deze wijken zijn
administratieve eenheden en geen desa’s of kampongs,
welke volkseenheden zijn en waaniit elders de onder-
districten zijn opgebouwd. B. is door haar historie
de eenige stad op Java, welke niet uit desa’s of kam-
pongs bestaat. Dit gemis aan volkseenheden maakt
het besturen van B. moeilijker dan van eenige andere
stad op Java. Het centrale bestuur heeft in de stad
bevoegdheden op menig gebied; zoo is de politie orgaan
van de centrale overheid en niet van de gemeente.
Aan het hoofd der wijken, onderdistricten en districten
staan wijkmeesters, onderdistrictshoofden (assistent-
wedana's) en districtshoofden (wedana’s), allen onder-
geschikt aan den regent van Batavia, bijgestaan door
de Europeesche ambtenaren van het binnenlandsch
bestuur. Chineezen, Arabieren en andere vreemde
Oosterlingen hebben hun eieren hoofden met den titel
van majoor, kapitein, luitenant en wijkmeester.
Sedert 1905 is B. een gemeente. Aanvankelijk werd de
gemeenteraad van B. voorgezeten door den assistent-
resident ter plaatse, sedert 1916 door een burgemeester;
vanaf 1926 heeft B. ook zijn wethouders. Aan de
gemeente werden bepaalde werkzaamheden opge-
dragen. De eerste begroot ing (1905, over negen maan-
den) bedroeg 299 440 gld. Nu nog bestaat de taak der
gemeente in hoofdzaak in verrichtingen op hygiënisch
terrein. Op onderwijsgebied heeft de gemeente een
aanvullende taak. Het totaal der uitgaven voor den
gewonen dienst 1932 werd begroot op 6 264 677 gld.
Het restant der leeningschuld, door de gemeente
Batavia aangegaan, bedroeg eind 1931 in totaal
23 793 500 gld. De ingezetenenschap van Indische
steden is uitermate vlottend, hetgeen voor de stabiliteit
van gemeenteraden bijzondere bezw r aren oplevert.
Bij een bezetting van eerst 25, later 27 leden (15 Euro-
peanen, 8 Inheemschen en 4 Chineezen), had de
gemeenteraad van B. in de eerste 25 jaren van haar
bestaan 269 vacatures of rond 11 per jaar.
Aanzien van tegenwoordig Batavia. De groei
in de 19e eeuw was geleidelijk; na 1900 nemen groei en
bloei zeer snel toe door intensiveering van overheids-
bemoeienis op elk gebied en door de ontplooiing van
heel Indië. Geheel nieuwe woonwijken ontstonden,
terwijl oudere woonbuurten omgezet werden in winkel-
en kantoorstraten. Deze nieuwe wijken, in hoofdzaak
Gondangdia en Nieuw Menteng, waar bijna uitsluitend
Europeanen wonen, hebben een totaal ander aanzien
dan het oudere deel van B. Waren vroeger de huizen
ruim, maar weinig sierlijk, staande op uitgestrekte
erven, waaraan weinig zorg werd besteed, de later
ebouw T de woningen zijn bescheiden van omvang,
ebben het aanzien en het comfort van villatjes,
terwijl de erven veel kleiner zijn, met meest goed
onderhouden tuinen. De nieuwe wijken van B. zien er
dan ook frisch en vriendelijk uit, gelijken min of meer
op Hollandsche villadorpen. In de oudere wijken,
waar in hoofdzaak Europeanen wonen is veel ver-
bouwd. Vele oudere grootere huizen verdwenen om
plaats te maken voor kleinere woningen. Toch hebben
die buurten het aanzien van B. uit het begin dezer
eeuw nog niet verloren. Vrijwel alle Europeesche
winkels van B., waarvan de voornaamste in de buurt
Noord wijk, Rijswijk en Rijs wijkstraat worden aange-
troffen, zijn in ‘de laatste 20 jaar gebouwd of verbouwd.
Mede bouwde of verbouwde men in dezelfde periode
bijna alle banken, gronthandelslichamen en hotels. De
hotels, waarvan de grootste zijn het Hotel des Indes,
het Hotel der Nederlanden en het Hotel des Galeries,
liggen in de winkelbuurt, de banken en groothandels-
kantoren in de benedenstad. In deze benedenstad,
oud-Batavia, wonen nog uitsluitend Chineezen en
inlanders. Veel is daar behouden van hetgeen vroeger
was. Sommige punten zijn hier zeer pittoresk.
Zindelijkheid en orde laten echter nog zeer veel te
wenschen over, hoewel de gemeente hierin zeer veel
verbetering bracht. De Chineezen wonen verder in
hoofdzaak in de buurten Pasar Baroe en Senen van
Weltevreden. Eertijds mochten de Chineezen — en ook
andere vreemde Oosterlingen — alleen in hun aange-
wezen wijken wonen. Deze bepaling is sedert opgeheven,
maar niettemin is het gros der Chineezen in hun
vroegere wijken blijven w T onen. In die wijken hebben
de Chineezen hun winkels, hun ambachtswcrkplaatsen
en hun hotels. De inlandsche bevolking woont over
de geheele stad verspreid, behalve in de duurdere of
in de typisch Chineesche buurten. In het algemeen is de
huisvesting van deze bevolkingsgroep in B. zeer slecht.
De gemeente doet moeite, daarin verbetering te
brengen, doch het zal nog jaren duren en schatten van
geld kosten, vooraleer veel, dat verdwijnen moet,
opgeruimd is. Aan verbetering van de belangrijke
wegen te Batavia is van 1919 — ’29 bijna 2 1 / i millioen
gld. uitgegeven. Eind 1929 was 1 246 000 m 2 geasphal-
teerd; nog 350 000 m 2 viel toen te asphalteeren.
Batavia als woonstad. B. is geen mooie, maar wel
een schilderachtige stad. Vooral in de Europeesche
wijken is B. niet ongezond. Vroeger was dat heel
anders. Malaria, cholera, typhus kwamen toen veel
voor. Door waterleiding, betere afwatering, demping
van poelen, het schoonhouden van visch vijvers enz.
kwam zeer veel verbetering in den gezondheidstoestand.
Toch heerschen in vele inlandsche en Chineesche wijken
nog ernstige onhygiënische toestanden. Het jaarlijksch
sterftecijfer van' de inlandsche bevolking is 27,7% 0
en voor de totale bevolking 25,9% 0 . De medische
voorziening van B. is voldoende. Bekende zieken-
huizen zijn: het Militair -hospitaal, het Centraal
Burgerlijk Ziekenhuis, St. Carolus, het Ziekenhuis
Tjikini en het Ziekenhuis der Koninklijke Paketvaart
Maatschappij. De winkels te B. bieden ook den
Europeaan alles, waaraan hij behoefte heeft. Voor
woning, kleeding en voedsel kan hij terecht zoowel in
Europeesche als Chineesche zaken. Vrijwel alles, wat
in een grootere Europeesche stad te koop is, kan in
Batavia ’s winkels worden aangekocht. De prijzen
van sommige artikelen, vooral import-artikelen, zijn
duurder dan in Nederland, andere artikelen zijn
daarentegen goedkooper. De huishuur is vrij hoog,
bedraagt vrij spoedig 100 gld. per maand. Het gebruik
van waterleiding, gas en electriciteit is algemeen.
Scholen heeft B. van allerlei aard, zoowel voor de
Europeesche als voor de niet-Europeesche bevolking.
Er zijn openbare (gouvemements- en gemeentescholen)
en bijzondere scholen. Elementair onderwijs aan
Inheemschen wordt gegeven op volks- en schakel-
scholen, lager onderwijs op Westerschen grondslag
BATAVIA
\ Steenen huizen. Int Kampongs. St. 'Station, tl. 'tialte. f f Klappertuin. - Spoorwegen. Tramwegen.
Plattegrond van Batavia met naaste omgeving.
121
Batavia
122
aan Europeanen, Chineezen en Inheemschen resp.
aan de Europeesche, Hollandsch-Chineesche en
Hollandsch-Inlandsche scholen. Verder telt B. meerdere
scholen voor meer uitgebreid lager onderwijs, waarop
de algemeene middelbare scholen aansluiten, het
gymnasium Willem III, dat een H.B.S. vijfjarigen
cursus en geen gymnasium is, eenige particuliere
H.B.S. -en (3- en 5-j. c.), een lyceum en een handels-
school. Voor technisch en vakonderwijs heeft B.
mede eenige instellingen. Cursussen ter opleiding
voor de lagere en hoofdakte, alsmede voor diverse
bijzondere lagere akten worden te B. gegeven. Aan
de bestuursschool te B. wordt aan inlandsche bestuurs-
ambtenaren, die in de practijk goed voldeden, in een
tweejarigen cursus de theoretische kennis bijgebracht,
die zij in hoogere ambten bij den bestuursdienst noodig
hebben; mede worden aan deze school Europeesche
jongemannen opgeleid voor het binnenlandsch bestuur
buiten Java en Madoera als civiel gezaghebber. Het
hooger onderwijs is te B. sedert eenige jaren vertegen-
woordigd door een medische hoogeschool en door een
rechtshoogeschool, waaraan zoowel Europeanen als
Inlanders en Chineezen studeeren. De medische hooge-
school is in de plaats gekomen van de school tot
opleiding van inlandsche artsen. Behalve de boekerijen
van deze beide hoogescholen heeft B. eenige biblio-
theken, w.o. die van het Bataviaasch Genootschap,
gevestigd in het museum, een schat van werken heeft
op het gebied van taal-, land- en volkenkunde. In
’s lands oud archief Molenvliet ligt nog veel onbewerkt
materiaal op het gebied van Indische geschiedenis.
B. heeft zijn schouwburg, die echter alleen dienst doet,
als artisten B. bezoeken. Vrij dikwijls geschiedt dit,
vooral door musici, die alleen of in kleine groepen
tourneeren. In de latere jaren werd B. door kunstenaars
van grooten naam bezocht. De kunstkringen verrichten
op dit gebied verdienstelijk w T crk. Grootcrc gezelschap-
pen (tooneel, opera) zijn zeldzamer, doch komen voor.
De staf muziek, tot voor weinige jaren een corps van
uitstekende reputatie, viel als slachtoffer van de
jongste malaise. De grootste hotels en een enkel
restaurant hebben soms verdienstelijke musici in
dienst. Het aantal bioscopen te B. is legio. Het ver-
een igings leven te B. is zeer ontwikkeld, zoowel op
politiek, sociaal, als wetenschappelijk gebied. De poli-
tieke partijen der Europeanen: Indische Katholieke
Partij (I.K.P.), Christelijk Sociale Partij (C.S.P.),
Vaderlandsche Club (V.C.), Indo-Europeesch Verbond
(I.E.V.) en nog eenige andere hebben te B. hun
hoofdbestuur. Ook onder Inheemschen en Chineezen
komen veel vereenigingen voor. Te B. verschijnt een
drietal Europeesche dagbladen: het Bataviaasch
Nieuwsblad, het Nieuws van den dag voor N.I.
en de Java Bode, meerdere inlandsche en eenige
Chineesche bladen. Tot de bezienswaardigheden van B.
behoort het museum van het Bataviaasch Genootschap,
dat een groote hoeveelheid ethnographica herbergt,
en het aquarium in de benedenstad bij den vischpasar
(pasar ikan). De afstanden te B. zijn enorm. Daarom
wordt het gemis aan een behoorlijk trambaannet ten
zeerste gevoeld. De beide trams, die B. thans heeft,
voldoen niet aan matige eischen. Voor korten tijd is
de Nederlandsch-Indische Tram Maatschappij opge-
richt, waarin ook de gemeente deelneemt, welke het
tramvraagstuk tracht op te lossen. Groote afstanden
en gemis aan voldoende en behoorlijke trams
ontwikkelden in hooge mate het taxibedrijf, vooral als
kleinbedrijf. Bekend vervoermiddel is de sado, klein
wagentje, met een inlandsch paard bespannen, waarin
koetsier en passagier rug aan rug (dos a dos) zitten.
Ten slotte is de fiets bij alle rassen zeer populair.
Katholiek Batavia. Bijna twee eeuwen zou B.
de hoofdstad zijn van Nederlandsch-Indië, vooraleer
het zijn eersten priester kreeg. In den Compagniestijd
gold: „dat geen andere godsdienst of religie gepleecht,
veel min geleert of voortgeplant zal worden, hetzij
in het heymelick of openbaar, als de Gereformeerde
Christelijke Religie”. Toch „hielp het weinig of men
hun (de Kath. priesters) al het verblijf in de stad B.
ontzeide, hen voor den landraad bracht, hen in de
Waterpoort opsloot, hen naar het Vaderland zond, etc.,
telkens kwamen er weer nieuwe van Macao, Manilla
en elders”. Eerst in 1807 werd aan de priesters J. Nelis-
sen en L. Prinsen vergunning verleend, in Neder-
landsch-Indië dienstwerk te gaan verrichten. 10 April
1808 werd voor het eerst te B. in het openbaar de
H. Mis opgedragen. Aanvankelijk werd het H. Misoffer
voor de geloovigen opgedragen in een kazerne; daarna
heeft een gebouwtje, kapel genaamd, op Pasar Senen,
als kerk dienst gedaan tot in 1828, dank zij den steun
van den commissaris-gencraal burggraaf Du Bus de
Ghisignies, een aan het Waterlooplein gelegen pand
kon worden aangekocht. Hierop is de eerste Kath.
kerk van B. gebouwd, die 1830 plechtig werd inge-
zegend. 20 Sept. 1842 kreeg B. zijn eersten bisschop
in mgr. J. Grooff. Hij werd in 1847 opgevolgd door
mgr. Vrancken, onder wiens langjarig en zegenrijk
bestuur B. o.m. de eerste Katholieke school kreeg.
1856 openden de zz. Ursulinen hun school te Noordwijk.
1855 is de Vereeniging van den H. Vincentius a Paulo
opgericht, welke zich hoofdzakelijk bezighield met de
verzorging van weezen of verlaten kinderen. In 1890,
onder het bestuur van den derden bisschop,
mgr. Claessens, stortte de oude kerk te B. in. Na vele
wederwaardigheden is op dezelfde plaats de kathedraal,
welke nu de trots is van B., in 1900 ingezegend door
mgr. Luypen. Langzaam was het Katholieke leven te B.
gegroeid, tot na 1900 die groei van jaar tot jaar ver-
snelde. Niet alleen nam het aantal Katholieken sedert
dien hand over hand toe, maar de Katholieken kwamen
nu uit andere kringen. Het Kath. vereenigingsleven
ontwikkelde zich aan alle zijden; op allerlei gebied
is groote activiteit, overal is ontplooiing. Begin 1906
openden de broeders van den H. Aloysius van Gonzaga
de eerste Kath. school voor jongens. Thans telt B.
drie parochies, waarvan twee bediend door de pp.
Jezuïeten en de derde door de pp. Franciscanen, met
tezamen 22 priesters. Het aantal Katholieke Europea-
nen bedroeg in 1932: 7 730, dat van de Katholieke
niet-Europeanen (Inheemschen en Chineezen) 236.
Aan het Katholieke onderwijs wijden zich 15 broeders,
terwijl 171 zusters onderwijs geven aan de vrouwelijke
jeugd, zieken verplegen, dan w T el zorgen voor armen
en verwaarloosden. Katholieke scholen: twaalf Euro-
peesche lagere scholen, twee mulo-scholen, twee
H.B.S. met3-j. c., een H.B.S. met 5-j. c., een algemeen
middelbare school, een kweekschool, cursussen voor
vreemde talen, handwerken, stenographie en muziek,
ettelijke fröbelscholen en eenige inlandsche scholen;
aan een drietaldezer scholen is een internaat verbonden.
Van de Katholieke vereenigingen zijn te noemen:
de Derde Orde van St. Franciscus, Maria-congregaties,
St. Maria-Elisabeth vereeniging, St. Melaniaw r erk,
Strada-vereeniging, Katholiek Sociale Bond, Secreta-
riaat voor R.K. ambtenaren en particuliere werk-
nemers, Katholieke Jongelingen Bond, Katholieke
123
Batavia — Batetela
124
Padvinders Bond, Leo Comité, Katholieke Onder-
wijzers Bond, Indisch Katholiek Wetenschappelijke
Vereen iging, Indisch Katholieke Partij, Pastoor
Verbraak -stichting, R.K. Onderofficierenbond „St.
Ignatius”, R.K. Militair Tehuis, Ind. Kath. Radio
Omroep Stichting en het R.K. Ziekenhuis St.
Carolus.
L i t. : Encyclopaedie van Ned.-Indië ; Ned.-Tndiê
onder leiding van H. Colijn, Indisch Verslag 1932 (II):
De Kath. Missie in Ned.-Indië, Jaarboek 1932 van het
Centraal Missiebureau te Batavia : J. H. van der Velden,
de R.K. Missie in Ned.-Indië 1808-1908. Brok r.
Batavia, 1° plaats bij den Coppename-mond
in Suriname; van 1823 tot 1897 verblijfplaats
van de melaatschen, waar na mgr. Grooff de Eerbiedw.
P. Donders meer dan 26 jaren gewerkt heeft en 14 Jan.
1887 gestorven is.
2° Naam van verschillende plaatsen in de Ver.
St. van Amerika, a) B. in den staat New
York (43° N., 78° 12' W.) is het handclscentrum
van een rijke landbouw- en fruitteeltstreek en bezit
belangrijke industrieën (o.a. landbouwmachines);
in 1930: 17 367 inw. b) B. in den staat Illinois
(41° 48' N., 88° 26' W.): in 1930: 6 045 inw.
Bataviaansch-Malcisch, speciale vorm van
de lingua franca, het zgn. laag- of pasar-Maleisch.
Batavia is de poort van de Soenda-ei landen en Midden -
Java, het land der Javaansche hoogcultuur; vandaar
dat er veel Soendasche en Javaansche woorden in het
B. M. voorkomen. Ook de vreemdelingen, die de
havenstad bezochten, hebben natuurlijk hun invloed
niet gemist. De Ncderlandsche leenwoorden bepalen
zich vooral tot het huishoudelijk gebied; bijv. djongos
= jongen; setal = stal; pelanel = flanel, enz. Veel
baren (= nieuw aangekomen Nederlanders), die
nog geen Maleisch kennen, nemen inlanders als huis-
bediende; daardoor leeren deze laatsten de huishou-
delijke woorden. Daarnaast zijn er nog Engelsche en
Arabische leenwoorden; ook talrijke Portugeesche
vormen hebben zich kunnen handhaven. > Batavia.
L i t. : Jac. v. Ginneken, Handboek der Ned. Taal
(I *1928).
Bataviaasch Genootschap van Kunsten
en Wetenschappen (thans: Koninklijk), opge-
richt in 1778, een der oudste en stellig het meest
belangrijke wetenschappelijke genootschap in
Zuid-Oost-Azië. Vooral sinds zijn herleving omstreeks
1840 heeft het omvangrijk en waardevol werk verricht
op het gebied van taalkundig, cultuur-historisch
en oudheidkundig onderzoek van den Indischen
Archipel, inzonderheid van de hoofdeilanden. In 1926
is het uitgebouwd tot een soort Academie van Weten-
schappen. Het geeft verschillende belangrijke tijd-
schriften uit (Tijdschrift, Verhandelingen, Notulen)
en heeft een uitstekend museum in Batavia. Berg.
Batavieren, > Bataven.
Batavlerlijjn, een stoomvaartlijn, welke een
geregelden vracht- en passagiersdienst onderhoudt
van Rotterdam op Londen. Batavier was de naam van
het eerste Ned. stoomschip, dat omstreeks 1830 in de
vaart werd gebracht van Rotterdam op Londen door
de Nederlnndsche Stoomboot Maatschappij, welke
door Gerhard Moritz Roentgen in 1882 was opgericht.
De stoomschepen van de tegenwoordige Batavierlijn
dragen nog alle den naam Batavier (I, II, III, enz.).
De directie wordt gevoerd door de firma Wm. H. Muller
te Rotterdam. Bijvoet .
Batavische Gebroeders, treurspel door Joost
van den Vondel, verschenen in 1663, verhaalt hoe
Claudius Civilis in Romeinsche ballingschap werd
gevoerd, nadat zijn broer Julius Paulus door Nero’s
stadhouder Fonteius Capito verraderlijk om het leven
was gebracht. Het stuk had weinig succes, het beleefde
slechts drie opvoeringen in den Amsterdamschen
Schouwburg en wordt tot Vondels zwakkere werken
gerekend. Toch bevat het uitstekende fragmenten,
bijv. in het tweede gedeelte de Reij van Batavische
vrouwen, die het leven der Batavieren bezingt.
L i t. : dr. J. A. Worp, Geschiedenis van den Amster-
damschen Schouwburg (1920, 95). Asselbergs .
Batavodurum, plaatsnaam uit de le eeuw r
n. Ohr., onzeker van ligging. > Nijmegen; > Oppidum
Batavonim.
Bateke, volksstam in Afrika, die grootendeels
in Fransch Kongo woont. In Belgisch Kongo treft
men de Bateke aan ten Z. van den Stanleypool en
langs den linkeroever van den Kongostroom tot onge-
veer Koenzoeloe. > Kongo (Ethnographie).
Batenburg, gem. in Gelderland, in het Z. van
het Land van Maas en Waal, aan de Maas. Opp. 730 ha;
omvat, behalve het dorp B., de buurtschappen Lienden
en Laak; samen ruim 600 inw., waarvan ruim
400 Kath. De bodem bestaat uit rivierklei; landbouw
en veeteelt. Van het vroegere kasteel Batenburg
bestaan nog enkele bouwwallen (ringmuur met bas-
tions, een ronde toren en overwelfde kelders). In de
Ned. Herv. kerk (16e eeuw) een doopvont (13e eeuw),
oude grafzerken en familiewapens.
Batcson, W i 1 1 i a m, bioloog, aanvoerder
van de Mondelisten in Engeland. Hij schreef het
eerste handboek van de moderne erfelijkheidsleer
(1902) en wijdde het grootste deel van zijn weten-
schappelijke bedrijvigheid aan erfelijkheidsonderzoek;
* 1861, f 1926. Zijn voornaamste medewerkers waren
Saunders, Pumiett, Doncaster, Durham en Pellew.
Hij w r as achtereenvolgens proftssor in de biologie
te Cambridge, directeur van het John Innes Horti-
cultural Institution en professor in de physiologie
aan het Royal Institution.
Werken: Materials for the study of Variation
(1994) ; Mendels principles of Heredity, met ondertitel
„A defence” gericht tegen de biometrici, die de geldigheid
van de Mendelsche splitsingswetten bestreden (1902);
Segregation (1926) ; oorspronkelijke bijdragen in tijd-
schriften. Dumon.
Buletela. In 1896 richtte Léopold II een dubbele
expeditie in tegen de > Mahdisten (aanhangers van
den Mahdi), welke de N.O. grens van Kongo- Vrijstaat
bedreigden. De eerste groep stond onder het commando
van Chaltin met acht officieren en ongeveer 1 200 man.
De tweede, tellende 5 000 soldaten van den stam der
Batetela, werd aan Dhanis, den overwinnaar der
Arabieren, toevertrouwd, met hooger bevel op beide
legerkorpsen. Hij kreeg opdracht de oevers van den
Opper-Nijl te bezetten, waarvan het bezit door Enge-
land aan Kongo was afgestaan geweest door het
verdrag van 1894.
In het Aroewdmiwoud ontstond er een muiterij
door de moeilijkheden van den tocht veroorzaakt.
De voorhoede van Dhanis’ legerkorps vermoordde
haar officieren, keerde terug en versloeg achtereen-
volgens de verschillende groepen, welke zich niet bij
haar w ilden aansluiten.
Kongo -Vrijstaat beschikte niet over de noodige
macht om de muiterij spoedig te bedwingen. Nochtans
begon aanstonds de achtervolging. Luitenant Josué
125
Bath — Bathurst
126
Henry, met 80 soldaten, werd daarmee belast; weldra
werd hij door andere troepen geholpen. Maar de
Batetela, steeds dreigend en na elke nederlaag in de
inlandsche dorpen of in de wildernis van het bergland
of van het oerwoud schuilend, versterkt door de
muitelingen van Loelocaburg, hun rasgenooten, plun-
derden sommige gewesten van Kongo gedurende lange
jaren. Hun laatste groepen werden eindelijk uiteen -
gedreven door Malfeyt in 1901, toen zij op het punt
stonden Katanga te overrompelen. Monheim.
Bafh, 1° plaats in N e d., > Rilland-Bath.
2° De beroemdste Eng. badplaats, in het graaf-
schap Somerset (61° 23' N., 2° 21' W ), aan de Avon-
rivier; 09 000 inw. De warme minerale bronnen, de
eenige in Engeland, w^aren reeds bij de Romeinen
bekend (Aqua Solis): één van de „Roman baths” is nog
zeer goed bewaard gebleven. Het water (40 — 49°C)
is gipshoudend en wordt speciaal aangewend voor
chronische spierrheuma; voor drinkkuren wordt het
C0 2 -houdend gemaakt. O. de Vries.
Kunst te Bath. Resten van Romeinsche
Thermen. De oude stad w r as om de abdij heen gebouwd,
werd echter door John Wood uit Yorkshire (1725)
uitgebreid over de heuvels naar het Noorden (Milsom
Street, Queen Square, Circus). Wood’s zoon zette het
bouwplan van zijn vader voort: Royal Crescent. halve-
maan-vormig plein met uitzicht op het dal van de
Avon. De ligging der stad gaf aanleiding tot het
aan leggen van meerdere zulke parken in den vorm
eener wassende maan. In 1789 werd de stad nog verder
over de heuvels uitgebreid volgens de plannen, die
Robert Adam gemaakt had (1777— *82). De abdij,
die in het begin der 16e eeuw begonnen w r as, w r erd
ongeveer een eeuw later voltooid; haar kerk is drie-
schepig, met rechthoekigen toren boven de viering.
Zij geraakte in verval, w'erd echter volgens de plannen
van sir George Gilbert Scott (1864—73) herbouwd.
L i t. : Mowbray A. Green, The 18th century Architec-
ture of Bath (1904). Knipping.
Bath, Order of the, Ergelsche onderschei-
ding, door Hendrik IV in 1399 gesticht, in 1725
door Geo ge I als militaire orde vernieuwd, sedert
1847 ook voor burgers; drie klassen. Devies: „Tria
iuncta in uno” en: ,,I serve” op het lint. Teeken:
op ronden band een ovaal medaillon van goud met
het devies. In het midden een schepter en drie
kronen van goud, een distel en een roos op rooden
grond.
Bathildis, ook Balthildis, Heilige, Frankische
koningin; f 30 Jan. 680 (681) te Chelles bij Parijs en
aldaar begraven. Zij kw r am als Angelsaksische slavin
in het huis van den hofmeier Erchinoald en huwde
in 649 met Clodwig II. Na zijn dood (657) nam zij voor
haar minderjarigen zoon Clotarius III het regentschap
w T aar en toonde zich vrijgevig tegenover armen,
gevangenen en kloosters. Feestdag 26 Jan. of 3 Febr.
• J . v. Rooij.
Bath-metaal, een soort messing, bestaande uit
55% of meer koper en de rest zink. De toepassing
is zeer algemeen in den machinebouw, alsook voor
ku nstvoorwerpen .
Baf h och room, > Kleurstof.
Batholiet (< Gr. bathos = diepte, lithos =
steen), meestal granietische dieptegesteentemassa Y
die op onregelmatige wijze in de aardkorst liggen,
zulks in tegenstelling met laccoliten, die magma-
intnisies evenwijdig aan bepaalde laagvlakkcn in de
aarde voorstellen. Een groote intrusie noemt men eerst
dan batholiet, indien men niet weet, w T clke gesteenten
er onder voorkomen, m.a.w. wanneer de ondergrond
onbekend is. Door de erosie kunnen de bedekkende
lagen weggevoerd worden en kan het dieptegesteente
aan den dag komen. De afmetingen zijn zeer groot.
Zoo beslaat de Broeken -batholiet in den Ilarz -j-
200 km 2 en de intrusie van Eibenstock in het Erts-
gebergte ± 600 km 2 . De meest gangbare meening over
het ontstaan der b. is, dat onder zekere invloeden het
magma zich in gloeiend vloeibaren toestand naar
boven toe beweegt en zich in de vaste aardkorst insmelt.
De afkoeling geschiedt langzaam, w r aardoor het
gesteente een grove kristalliniteit bezit. Tevens zal
in de meeste gevallen het magma zich differentieeren
in een basisch en een zure fractie, die verschillende
gesteenten opleveren. Bij deze gefractionneerde
kristallisatie kunnen zich soms aanzienlijke hoeveel-
heden magmatische ertsen afscheiden. Tevens kunnen
zich in de omgeving der b. h> drothermale ertsen
afzetten, die vaak van groot economisch belang zijn.
Doordat de insmelt ing op onregelmat ige wijze plaats
heeft, kan men, indien door de erosie de deklagen
verwijderd zijn, soms midden in de in trusief massa
sedimentaire gesteenten aantreffen, die als resten van
het dak opgevat worden (zgn. dakhangers). Deze dak-
hangers vertoonen, evenals het omringend gesteente,
meestal een zgn. contacthof, d.w.z. een zone van
gesteenten, die door warmtetoevoer en misschien door
toevoer van magmatische materie sterk veranderd
zijn.
In vrijwel alle geologische tijden hebben zich
batholieten gevormd. Men kent er reeds uit het
Archaeïcum. Zij komen in bijna alle plooiingsgebergten
voor en er zijn aanwijzingen, die erop duiden, dat
gelijktijdig met de plooiing het magma opsteeg. De
groote granietintrusies van Baveno (aan het Lago
Maggiore) en van de Disgrazia (Beminagroep) worden
wel als batholieten opgevat, die tijdens de Tertiaire
orogenese opstegen.
Indien een batholiet zich tot dicht aan de aard-
oppervlakte insmelt, dan is het mogelijk, dat door den
gasdruk in het bovenste gedeelte in den batholiet-
koepel de aan de oppervlakte liggende aardlagen
doorbroken woorden; er kan dan een vulkaan ontstaan.
Lit. : Cloos, Das Batholitenproblem (1923).
Hofsteenge .
Bathonicn, onderafdeeling van den Dogger.
> Juraformatie.
Bathory, Zevenburgsch geslacht, afstammend
van Zuid-Duitsche kolonisten, waarvan verschillende
vertegenwoordigers een rol hebben gespeeld. De
wojwode Stephan B. werd in 1575 kon ing van Polen
(f 1586); zijn broeder Sigismund in 1595 als zelfstandig
heerscher over Zevenburgen door de Hongaarsche
kroon erkend (f 1612). Andreas B. werd in 1583
kardinaal. De laatste van het geslacht w r as Gabriël,
de zoon van koning Stephan (f 1613). v. Gorkom.
Bathron is een term uit de Grieksclie bouwkunst,
beteekent: trap of voetstuk.
Baf h Stone, een in Somersetshire (Eng.) voor-
komende zandsteen, witgrijs, fijnkorrelig en zacht;
w r ordt bij bouwwerken toesepast.
Bathurl, zoon van Nachor en Melcha, neef
van Abraham, vader van Laban en Rebekka.
Bathurst , l°stad in Nieuw Z. Wales (A u s t r.,
33° 28' Z., 149° 31' O.), in de Downs; 9600 inw. Het
is de eerste stad, die werd gesticht, nadat in 1813
de overschrijding der Blauwe Bergen gelukt was.
127
Bathyaal — Batikken
128
Van ouds veeteelt en akkerbouwcentrum (vnl, tarwe
en haver); de goudmijnbouw was er vorige eeuw van
veel belang, beteekent nu weinig meer. Uitvoer van
agrarische producten en wat goud per spoor naar
Sydney. Zwagemakers.
2° Hoofdplaats van de Britsche Garabiakolonie,
in West-Afrika; havenstad met 10 000 inw.,
aan de monding van den Gambiastroom.
Bathyaal (<Gr. bathus = diep) worden marine
sedimenten genoemd, die af gezet zijn in een zee, in
diepte varieerend tusschen 200 en 1 000 m. Bathyale
sedimenten , bijv. kalksteenen en dolomieten, worden
op vele plaatsen op aarde aangetroffen. Zij zijn vaak
gekenmerkt door een speciale fossiele fauna, waar-
onder weinig planteneters, daar door het weinige
licht geen plantengroei mogelijk is. Men treft in het
algemeen vele cephalopoda, decapoda en visschen aan.
Hofsteenge.
BatliyUus, historisch-onzckere persoonlijkheid,
alleen bekend uit een geïnterpoleerd leven van Ver-
gilius. Hij zou dezen dichter geplagieerd hebben en
daarvoor de bekende afstraffing hebben gekregen:
„sic vos non vobis vellera fertis oves”, enz.
Bulhyllus van Alcxandric, Griek, vrijge-
latene van Maecenas; voerde met Py lades ten tijde
van Augustus te Rome de pantomime in, B. het
komische, Py lades het tragische genre.
Batidaeeae (plant k.), de eenige familie van
de reeks Batidales. Het eenige geslacht Batis heeft
ook slechts één vertegenwoordiger, Batis mari-
t i m a. Dit kleine houtachtige struikgewas komt voor
in Amerika van Florida tot in Brazilië en verder in
Califomië en op de Sandwich-eilanden. Het is in het
bezit van dikke bladeren en past zich zeer goed aan
op zoutrijke gronden. Wetenschappelijke waarde
heeft deze plant niet, hoewel dit gewas mogelijk een
gedegenereerd type van een hooger ontwikkelde groep
kan zijn. Bouman.
Batiïïol, Pierre Henri, geleerd en gevierd
Fransch kerkhistoricus, * 27 Jan. 1861, f 13 Jan. 1929;
uit de school van Duchesne en in Rome van de Rossi.
Rector van het Institut cath. te Toulouse (1898—1906),
dat hij tot bijzonderen bloei bracht. Bij de reactie
op het modernisme zag hij enkele zijner opvattingen
gewraakt en moest hij genoemd rectoraat neerleggen,
maar bleef een vroom priester en gehoorzaam zoon
der Kerk. Hij bewoog zich vooral op het gebied van
het N. T., oud-Christ. literatuur en liturgiegeschiede-
nis. Hij was medewerker aan de Revue Biblique,
Rev. Apologétique, Buil. d’anc. lit. et d’archéol.
chrét.; stichter van het Buil. de lit. ecclésiastique,
president van de Amis de 1’art liturgique met grooten
invloed als zoodanig op clergé en volk. Hij trad op
tegen het modernisme, vooral op het gebied der N. T.-
exegesc, en was theoretisch zoo goed als practiscli
werkzaam bij de moderne hereenigingspogingen der
Kerken. Verscheidene eeretitels en wetenschappelijke
onderscheidingen vielen hem ten deel in binnen- en
buitenland en hij was een der w einige Kath. geleerden,
die ook door andersdenkenden werd bestudeerd en
gewaardeerd.
Voorn, werken: Hist. du bréviaire romain
(1893) ; Etudes d’hist. et de théol. positive (1902 en
1905); L’église naissante et catholicisme (1909) ; Le
Catholicisme de St. Augustin (1920) ; Le Siège Aposto-
lique (1924) (deze drie werken vormen een geheel en een
hist. pracht-apologie der Kerk tot haar volgroei in de
5e eeuw) ; Orpheus et 1’Evangile (1910) ; Le<?ons sur la
Messe (1919 ; wetenschappelijke vulgarisatie van de ont-
wikkelingsgeschiedenis der Mis) ; Et. de lit. et d’archéol.
chrét. (1919). — Lit.: Lagrange, Vie intellectuelle
(II 1929) : Morin, Hochland (XXVI, 1). J. Sassen.
Batikken (zie plaat tegenover kolom 129).
Het woord beteekent etymologisch: schrijven of
teekenen, en is van inheemschen oorsprong. Brandes’
daarop berustende opvatting (geuit in 1887), dat
de batikkunst van inheemsch- Ja vaansch en oorsprong
w'as, is onhoudbaar gebleken, vooral door de
onderzoekingen van Rouffaer. Deze heeft er de
aandacht op gevestigd, dat de batiktechniek volgens
de berichten van de Europeesche reizigers van de
15e tot de 18e eeuw in Voor-lndië inheemsch was,
en dat er omstreeks 1700 een geweldige export van
gebatikte goederen plaats vond uit Koromandel.
Intusschen is de herkomst er van nog niet zeker.
Rouffaer vermoedt (Encycl. Ned.-Indië I, 201b),
dat de kunst in Voor-lndië ontstaan is, vandaar naar
Java is overgebracht en van Java uit weer verbreid is
naar China en Japan, in welke laatste landen echter
het batikken niet ingeburgerd is. Intusschen is Java
hét land van de batikkunst bij uitnemendheid gewor-
den. Oudtijds was b. er een luxe -hand werk van de
vrouw r en van hoogen stand ; het hoorde dus thuis in
den Hindoe- Ja vaanschen kring, hetgeen in overeen-
stemming is met Rouffaer ’s theorie, dat de kunst op
Java geïmporteerd is. R. meent echter, dat het niet
van Oost-, doch van Midden- Java uit zich over de
rest van het eiland verspreid heeft. Er zijn thans ruim
1 000 patronen bekend, alle met Javaansche namen,
die men opgesomd vindt op blz. 454 — 495 van het
standaardwerk van Rouffaer en Juynboll, De Batik-
kunst in Nederlandsch-Indië (Utrecht 1914, doch
tusschen 1900 en 1905 geschreven). De verschillende
patronen hadden deels sociale beteekenis, doordat
zij op zware straffen slechts door bepaalde groepen
van personen gedragen mochten worden, vaak slechts
bij bepaalde gelegenheden, deels gevoelswaarde,
doordat zij allegorische of symbolische voorstellingen
bevatten, waarmede men (vooral vrouwen tegenover
mannen) gevoelens jegens anderen wilde uitdrukken.
In do gouvernementslanden, die aan geldig inheemsch
gezag onttrokken waren, kwam men er echter toe
patronen te gaan dragen boven zijn stand, en nu dit
misbruik ook in de vorstenlanden insluipt, gaat
daarmee de sociale beteekenis der patronen lang-
zamerhand verloren. Schmutzer heeft bij zijn pogingen,
om beelden voor den Katholieken eeredienst te schep-
pen naar Javaanschen trant, van de sociale waarden
der patronen echter weer gebmik gemaakt. Een andere
factor, die de door inheemschen aangevoelde waarde
der patronen ondermijnt, is, dat de bewerking der
doeken niet langer uitsluitend door adellijke dames
geschiedt als luxe bezigheid, maar dat het, sinds ong.
1850, een huisindustrie geworden is, w T aarin volks-
vrouwen een bestaan vinden, en zelfs fabrieksnijverheid,
waaraan mannen medewerken. Aan fabrieksgoed kan
uiteraard nooit de half magische, half religieuze kracht
worden toegekend, die de eigengemaakte stukken
bevatten. Daarom is de onder Europeanen verbreide
opvatting, dat batikpatronen om kleur en teekening
geliefd zijn en dat dus de Europeesche industrie een
goede kans op verovering van de markt heeft, wanneer
zij kleur en teekening goed weet na te bootsen of zelfs
mooie patronen weet te scheppen, fundamenteel
valsch, en slechts de materieele nood der Javanen, die
de duurdpre eigen maaksels niet kunnen betalen, heeft
de Eur. industrie terrein doen winnen. Eveneens vloeit
BATIKKEN
Het batikken van kaïns.
Tweezijdig gebatikte sarong uit Djambi.
Gebatikte slendang.
Eenzijdig gebatikte Koromandelsche doek.
Bataksche kampong (kampong Pinom). Hui* van oen Bataksch stamhoofd. Op don voorgrond in hot midden een
duiventil, links daarvan een schedelhuisje.
BATAKS
129
Batikken
130
uit het bovenstaande voort, dat onze waardeering
van batikwerk op geheel andere gronden berust en
uit geheel andere gevoelens voortkomt, dan bij de
Javanen het geval is. Berg.
Aanvankelijk hebben de Europeanen trouwens
weinig belangstelling voor de batikindustrie getoond.
Gouverneur -gen. van Goens schrijft in 1656 over het
„schilderen”, dan komt Chastelein, raad van ïndië,
met een kort bericht en daarna in 1787 resident de
Rovere van Breugel: „Cajoe soga is de bast van een
boom, alzoo genaamt, welkers afkooksel dient om de
batiks bruijn te verwen.” En later: „De damar catja
wordt het meest gezogt op Java tot het maaken van
batiks.” Eerst veel later nam de belangstelling in
Eur. voor batikken toe.
Bewerking. In grove trekken is de bewerking van de
b. als volgt: 1° het doek wordt op de vereischte lengte
gesneden of gescheurd ; 2° de stukken worden in water
a gespoeld ter (ge-
c
Batikinstrument (tjanting). a. Was-
reservoir. b. Kanaal voor toevoer van
de was naar de te behandelen plaats,
(a en b beide van koper.) c. Rieten
handvat.
deeltelijke) ver-
wijdering van
appret of finish;
3° in olie ge-
dompeld, wordt
het absorbee-
ringsvermogen
voor de verven
vergroot; 4° met
een gesmolten
mengsel van was
en hars worden
de plaatsen,
welke niet geverfd moeten worden, aan beide zijden
van het doek bedekt; 5° liet doek wordt ondergedom-
peld of herhaalde malen overgoten met de hoogstens
lauw-warme verfstof; 6° het was- en harsmengsel
wordt in kokend water afgesmolten en de doeken
gespoeld; 7° de doeken worden gelijkmatig nat gemaakt
met een sago-oplossing in kokend water, teneinde
opnieuw appret aan te brengen.
Dessins. Men maakt onderscheid tusschen de
volgende hoofdgroepen: 1° de zuivere Javaansche
dessins, tegenwoordig hoofdzakelijk in de Vorsten-
landen gemaakt met als kleuren soga -bruin tegen
donker indigo-blauw; 2° de doeken in Batavia,
Semarang, Soerabaja en nabijgelegen kustplaatsen,
waar zich allerlei invloeden hebben doen gelden.
Dikwijls gebeurt het, dat de batikster sommige
wasplekken, vooral bij de met sogamengsels te kleuren
gedeelten, met de vingers stuk knijpt, met de bedoeling
adertjes in bde teekening te brengen. Deze techniek
wordt echter alleen toegepast op de met sogamengsels
te kleuren gedeelten van een wit fond;
nooit ten opzichte van de blauwe plekken. Zij
wordt niet toegepast bij vorstel ij ke patro-
nen en in de Vorstenlanden bijna geheel achterwege
gelaten.
Het kenmerk van een goede batik is niet
alleen, dat de blauwe partijen scherp afgelijnd zijn,
maar ook, dat de witte stippels van de isèn (opvul -
motieven) scherp rond en helder wit zijn. De
Javaansche kenner kijkt het eerst naar deze figuren.
De verschillende benamingen bij batiks: kain-soga,
kain prada, kain -parang -roesak e.d. hebben betrek-
king op kleuren-combinaties, teekening, herkomst, enz.
Hoofddoek, pagi-soré, beteekent letterlijk:
dag-avond, d.w.z. men kan den hoofddoek zoodanig
gebruiken, dat nu eens de figuurranden van den eenen
driehoek, een andermaal die van den anderen driehoek
zichtbaar worden. Evenals voor den hoofddoek kan ook
voor de bebeds of kains de term pagi-soré worden
gebruikt. Het patroon van de eene helft van het doek
is dan anders dan dat van de andere helft, zoodat men
om beurten de eene of andere helft als w i r o n (d.i.
met plooienbundel) kan benutten.
Kain Prada (met goudblad belegde doeken).
Tn deze batiks wordt een zekere luxe gelegd door ze
met bladgoud te beleggen. Niet alle patronen leenen
zich voor deze techniek, omdat een goede verdeel ing
van het bladgoud over het geheele vlak een eerste
vereischte is voor artistiek werk.
Kain-parang-roesak (dit patroon mag
alleen door den vorst gedragen worden) leent zich
buitengewoon voor belegging met bladgoud.
Kain-tritik en kain-kembangan
(gekleurde doeken). De figuren van een k. tr. worden
gevormd door de stof langs een vooraf aangegeven
lijn door te rijgen en dit rijgsel tot een stijve plisseering
samen te trekken. Bij onderdompeling dringt de verf-
stof niet tusschen de plooitjes, zoodat kleine plekken
uitgespaard worden. Kain-kembangan wordt eveneens
door uitsparing verkregen. Na de tr itiek -figuren op
gewone wijze te hebben gevormd, worden bepaalde
gedeelten van den doek met pisangblad omwonden
om ook hier het doordringen van de verf te beletten.
T j a p p a n s (gestempelde doeken). Bij de goed-
koope doeken, welke bij groote hoeveelheden op de
markt verkocht worden, heeft het batikken plaats
gehad met de t j a p (wasstempel). Oorspronkelijk
van hout, zijn deze stempels nu van rood koper. Bij
nauwkeurig toezien is de tjappan wel van de batikkan
te onderscheiden. Elk foutje in den stempel herhaalt
zich. Het karakteristieke van het handwerk ontbreekt
geheel en al. Typisch is, dat het toelissen (d.i. het
aanbrengen van wasfiguren met een tjanting, een
roodkoperen reservoir, waaruit het vloeibare was-
en harsmengsel vloeit), uitsluitend gedaan wordt door
vrouwen, het tjappen door mannen.
Batikprocven in Nederland. Op het eind van
de vorige eeuw nam ook onder de kunstnijveren
in Nederland de belangstelling voor de batik-
techniek toe. Lion Cachet komt de eer toe, de batik-
techniek in ons land het eerst toegepast te hebben.
Het verschijnen van een geïllustreerde monographie
over Ind. batikkunst, door G. P. Rouffaer, was een
aansporing om op den ingeslagen weg voort te gaan.
Er volgde batikwerk van: Dijsselhof, Nieuwenhuis,
Thorn Prikker, Roelofsen, Chris Lebeau, e.a. Het
gemis aan goede kleurrecepten stond de uitbreiding
van de batiktechniek in den weg. Te dien einde werd
in Sept. 1900, onder leiding van dr. Greshoff, een
batikonderzoek ingesteld. Een half jaar is aan dezen
arbeid besteed, met als voornaamste doel: verfrecepten
uit te vorschen, die het onzen kunstnijveren mogelijk
maakten, de kleuren van de Ind. batiks zoo dicht
mogelijk te benaderen. Het onderzoek strekte zich
eveneens uit tot de wasmengsels. Na beëindiging
van het onderzoek is door mej. M. Weerman een
proeflap vervaardigd, overeenkomstig een tijdens het
onderzoek uitgewerkte methode. De bewerkingen,
welke deze proeflap heeft ondergaan, zijn beschreven
in een „Beschrijving eener proeflap, als voorbeeld
van batikverven in zes kleuren”, door Meta Weerman.
L i t. : Th. St. Raffles, History of Java (I 1817,
168-171) ; G. P. Rouffaer en dr. H. H. Juynboll, Do
Batikkunst in Ned. Indië en haar geschiedenis (1900-
IV. 5
131
Batioesjkow — Bato
132
'14^ ; H. A. J. Baanders, Over nieuwe proeven van batik-
technick in Nederland (1901) ; J. E. Jasper en Mas Pirn-
gadi, De inl. Kunstnijverheid in N.I. (III, De Batikkunst,
1916); J. D. Daubanton, De Batikindustrie op Java
(1916). J. Ruiten.
Batioesjkow, Konstantin Nicola-
j e w i t s j, Russisch dichter van de groep Arza-
m a s.. * 29 Mei 1787 te Wologda, f 17 Juli 1855. Als
soldaat begonnen en in den strijd tegen Napoleon ge-
kwetst (1807), werd B. gezantschapsattaché te Napels,
maar bracht na 1822 zijn leven in zwakzinnigheid
door. De vaak aangrijpende elegieën van B. (bijv.
Tasso’s dood) geven uiting aan een innerlijke ver-
scheurdheid, die hem reeds verbindt met Byron en
Poesjkin; toch leerde hij vooral van Voltaire en Gel-
lert, van Goethe en Schiller, en een deel van zijn werk
is zelfs zuivere Anacreontiek, „poésie légere”, van den
Franschen slag. Als Iloratius- en Tibullusvertaler
en nabootser van de klassieke metrische vormen
heeft B. beteekenis voor den bloei der neo -Klassiek in
Rusland.
U i t g . : Saitow en Majkow (Leningrad 1887, met
uitvoerige biogr. door Majkow). — L i t. : J. K. Grot,
B. (Leningrad 1887) ; E. Lo Gatto, Storia della lettera-
tura Russa (111 Rome 1929, 58 vlg.). Baur.
Ba lis, > Batidaceae.
Batist (cambrics, kamerdoek, nainsouk), fijn
platwecfsel, doorzichtig en toch dicht. Materiaal:
fijne katoenen garens, ook gekamd macogaren. Zacht
geappreteerd. De minst dichte soort heet batist-
claire, stijf geappreteerd. Wit, bednikt, met satijn-
of ajourstrepen in gaasbinding versierd, enz. Wol-
batist is uit dun kamgaren gemaakt. Linnen batist
bestaat uit fijne linnen garens. Glasbatist heeft een
glasachtig doorzichtig uiterlijk. Het is hard en stijf
en behoudt het glasachtig karakter ook na het was-
schen. Komt het meest voor in wit, echter ook in
lichte tinten. Glasbatist wordt vnl. gebruikt voor
kragen, manchetten op japonnen en voor babyjurkjes,
schortjes en mutsjes. De beste kwaliteiten komen uit
Frankrijk. Fijnste linnen weefsels tot 80 draden per
cm, los geweven. Linon en linnen > voile zijn batist.
Bal jan, 1° sultanaat, landschap staande
onder den sultan van B. Voornaamste eilanden: >
Bat jan -Archipel. Opp. 332 150 ha; 9 G00 inw.,
waarvan 5 100 onderhoorigen van den sultan. Deze
verblijft op de hoofdplaats Laboeha, ook Batjan ge-
naamd.
2° Onderafdeeling der residentie Ter-
nate, gouvernement der Molukken (N.O.I.), bestaande
uit het sultanaat B., heteil. Moeari en de Óbi-, Kehik-
en Law in -ei landen. Jloofdplaats Laboeha; civiel
bestuur ; 18 000 inwoners.
3° (Ook S e k i) Grootste eiland van den Bat-
jan-archipel (N.O.I.). Cappers.
Baf jjnn-arcliipel, eilandengroep in de Mo-
luksche Zee (N.O.L, tusschen 0° 5' en 1° Z., 127° 4'
en 128° O.), behoorende tot de onderafdeeling Batjan.
residentie Ternate, gouvernement der Molukken. De
B.-a. bestaat uit het sultanaat Batjan en het onder
rechtstreeksch bestuur staande Laboeha met het fort
Barneveld. Voornaamste eilanden: Batjan (Seki).
Kasiroeta, Latalata en Mandioli. Opp.: 3 321 km 2 .
De B.-a. is door Straat Patiëntie van Z. Halmahera
gescheiden.
Opbouw en reliëf: zeer bergachtig (Sibéla
2 199 m) en rijk beboscht; in het Z. van vulkanische
formatie.
Klimaat: tropisch. In den O. moesson staat
veelal Z. tot Z.O. wind; in den W. moesson Noorden-
wind. Gemiddelde jaarlijksche regenval 2 293 mm.
Flora: Vele houtsoorten, damar- en copal-
boomen (Dipterocarpaceeën en Agathis Alba), wilde
muskaatnoot en kruidnagel, verder sago, kokos, enz.
Fauna: herten, wilde zwijnen, apen (de eenigste
in de Molukken), papegaaien, parkieten en enkele
paradijsvogels.
Bevolking: ca. 10 000 inw., waarvan slechts
ca. 1 300 eigenlijke Batjanners, die van Alfoerschen
oorsprong zijn; voor de rest immigranten van Ternate
en Tidore; allen Mohammedaan; alléén te Laboeha
en Tomori zijn ± G50 Protestanten.
Bestaansbronnen: de bevolking leeft
van jacht, visscherij en tuinbouw. Zij verzamelt bosch-
producten als damar, copal enz. 2 700 ha land zijn
ontgonnen door de Batjan Archipel Mij. en de firma
Diepenheim (kokos, koffie en rubber). Er worden ook
aardolie, steenkool en edele metalen gevonden (nog
niet in exploitatie). In 1931 had de uitvoer een waaide
van 107 575 gld.
Geschiedenis: 1520 onder Simon Oorrea
kwamen de eerste Portugeezen in den Batjan-archipel.
Er werd te Laboeha een fort gebouwd (later door de
Spanjaarden bezet), dat in 1609 door Simon Janzs.
Hoen werd veroverd. Het kreeg den naam Barneveld.
De Paters Jezuïeten Alvarez, Vaz Nunez,
Koenraads e.a. brachten er het Christendom. Pater
Nunez bekeerde in 1649 den sultan van Batjan. Na
de uitdrijving der Portugeezen verdween ook stilaan
het Katholieke geloof. Het zelfbestuur bleef zich tot
op heden handhaven. 8 Juni 1910 legde de sultan de
..korte verklaring” af, waardoor aan het gouvernement
meer de vrije hand wordt gelaten, wat vooral noodig
was na de oprichting der Batjan Mij. In 1914 werd de
geheele bevolking ontwapend.
L i t. : Mededeelingen van het Encyclopaedisch bu-
reau, aflevering I Batjan (Weltevreden 1922); W. H.
Coolhaas, Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde
van Ncd. Indië (LXXX1I 1926, 403-485); B. J. J.
Visser M.S.C., Onder Portugeesch-Spaansche Vlag, De
Kath. Missie van Indonesië 1511-1605 (1926); C. Wes-
sels S.J., de Kath. Missie in het sultanaat Batjan (Mo-
lukken) 1557-1609, in Historisch Tijdschrift (VI II 1929,
nr. 2 en 3). Cappers .
Batka, R i c h a r d, muziekcriticus; * 14 JJec.
1808 te Praag, f 24 April 1922 te Weonen; gaf ver-
schillende tijdschriften op muziekgebied uit (o.a. de
Neue musikalische Rundschau, Der Merker), waarin
feuilletons verschenen. Schreef verschillende biogra-
phieën, een Geschichte der Musik in Böhmen (I 190G)
en andere publicaties.
Batmen, gem. in Ovcrijsel; opp. 2 771 ha; ca.
1 800 inw., bijna allen Ned. Herv ; grooten deels
landbouwende bevolking. B. ligt tusschen Schip-
beek en Dorthcrbeek, op een afstand van ± 10 km
ten O. van Deventer; aan de spoorlijn Deventer —
Almeloo.
De Ned. Herv. Kerk is de vroegere Lieve Vrouwe-
kerk uit het einde der 13e eeuw met vierkanten toren
in vier geledingen. Herbouw had plaats in de 15e
eeuw. Bij de vergroot ing van het gebouw in 1870
kwamen muurschilderingen aan den
«lag, voorstellende den dood der tienduizend marte-
laren, profeten met spreukbanden, waarop de tien
geboden en een Christushoofd. Deze fresco’s zijn later
gedoeltelijk weer overgewit.
Bato, de mythische stamvader der > Bataven.
133
Bato de Dalmatiër — Baton
134
Bato de Dalmatiër verwekte in 6 n. Chr. in zijn
geboorteland opstand tegen de Romeinen. Dit vorid
navolging in Pannon ië. Messalinus overwon B., die
zich met de Pannoniërs vereenigde. In 8 nam B. zijn
naamgenoot B..den leider der Pannoniërs, verraderlijk
gevangen en liet hem dooden. In 9 onderwierp B. zich
aan Tiberius tijdens de belegering van Andetrium:
hij werd geïnterneerd in Ravenna. Davids.
Cal o de Pannonici* verwekte onder de Breuci.
een Pannon ische stam, in 6 na Chr. een opstand tegen
de Romeinen, in navolging van de Dalmatiërs. >
Bato de Dalmatiër.
Ca toe, bijgenaamd de Goede, was een neef van
den Mongolen -khan Oktaï of Ogotaï. Hij kreeg in
1237 van den laatsten het bevel, alles tot aan den Donau
te veroveren. Om B. tot daden aan te zetten,
kreeg deze den onversaagden krijger Soeboetaï als
leider naast zich. Tevens zou deze den gcneralen staf
adviseeren. Geen wonder, dat we in ^veroveraars zoo
wild geleid zijn, als de onbeduidende B. Onophoudelijk
werd hem dcor Soeboetaï de les gelezen; zijn jeugdige
neven bespotten hem, vooral Goejoek, een dronkaard,
en Boere, een houwdegen. Die onversaagde krijgers
waren de oorzaak, dat B. een veroveraar werd. on-
danks zich zelf. Achtereenvolgens overwon hij in
vreeselijke slagen de Russen aan de rivier de Sit (ten
N. van Moskou) in 1238, de Polen bij Chmielmik in
1240, de Hongaren op de heide van Mohi aan de rivier
Sajo in 1241. Hiermede w'as heel Groot-Rusland door
de Mongolen veroverd. Daarna trokken ze naar Zuid-
Rusland, alwaar in hetzelfde jaar, dat de Polen ver-
slagen wxrden, na een buitengewone heftige verdedi-
ging Kiew werd veroverd. Vorst Dimitri lieten zij
in leven. Toen trok B. met een der vier afdeelingen.
waarin hij zijn leger had gesplitst, naar Hongarije
en nadat hier slag geleverd was, werd dit land door
de wilde horde op een ontzettende wijze vernield; bij
duizenden werden de inwoners gedood. Men zegt, dat
er bij Mohi slechts 15 Hongaren ontkwamen. Daarna
drongen de legerscharen van B. zelfs door tot in
Illyrië en Dalmatië. Bela IV, de koning der Hon-
garen, kwam als een vluchteling bij Frederik van
Oostenrijk aan en verzocht keizer Frederik 11 om hulp.
Ongetwijfeld was het diens taak geweest, de Christe-
lijke cultuur uit het dreigende gevaar te redden; de
paus had hem daarin kunnen steunen. Doch zelfs in
dezen noodtoestand werd de hangende strijd tusschen
paus en keizer geen moment bijgelegd; de keizer hielp
dus niet. Hertog Hendrik de Vrome van Neder-
Silezië nam zijn taak over. Deze held viel met de
kern zijner Christelijke legermacht bij Liegnitz (!)
April 1241) onder de slagen der heidensche horden.
Hun heldenmoed had echter op B. en de zijnen een
grooten indruk gemaakt, welke nog werd versterkt,
doordat de aanvallen der Mongolen op Bohemen en
Mahren werden afgeslagen. Zij keerden nu naar
Kroatië terug. Deze veroveringstochten waren door
B. slechts ondernomen, omdat zijn dienaar Soeboetaï,
de eigenlijke overwinnaar, het zoo wilde. Intusschen
had B. de tijding ontvangen, dat Oktaï gestorven was.
Hij besloot door Servië en Bulgarije temg te trekken.
Hoewel er veel door de Mongolen is vernield, was door
dit laatste besluit de Westersche cultuur gered. B.
hield het Zuidelijk deel van Rusland voor zich en
stichtte daar een onafhankelijk rijk, bekend onder
den naam van het R ij k der Gouden Horde
(< gouden ordoe = koningstent); ook wel naar de
landstreek Kiptsjak of Kaptsjak geheeten, met de
hoofdstad Sarai aan de Wolga. Het strekte zich Noord-
waarts tot Nowgorod uit, zóó dat de vorstendommen
der Ruriks onder opperhoogheid van B. bestaan ble-
ven. Sterfjaar van B. is onbekend; zijn dynastie bleef
twee eeuwen heerschen, tot ze bezweek voor de Russen.
Zie kaart bij > Mongoolsche Ri k°n.
Bronnen: Ssanang Setzène, Histoire des Mongols,
publiée et traduite par Schmidt (Petersburg 1829 ; nouv.
éd. par E. Hoenisch, Berlijn 1904). Gewaarschuwd moet
worden tegen het gebruik van het Königinhofer hand-
schrift, een vervalsching uit de 19e eeuw en het boek
van Palacky, Der Mongolcneinlall 1242, waarin dit
handschrift is benut. — L i t. : J. Curtin, The Mongols
(1908) ; E. H. Parker, A Thousand Ycars of the Tartars
( 2 1924). Uitgebreide bronnen- en literatuuropgave in:
Dr. J. Loserth, Gcschichte des spateren Mittelalters
1197-1492. Slootmans.
Ba toe- Angoes, vulkaan in de Minahasa, ge-
legen aan straat Lembeh. De Batoe Angoes, die een
breeden platten top bezit, is met de Goenoeng Batoe
angoes ba roe een onderdeel van de vulkaangroep der
Goenoeng Tonkoko.
Batoc-cilanclen, een groep van 3 groote en 48
kleine eilanden ten W. van Sumatra tusschen Nias
en de Mentawai-eil; de drie hoofdeilanden zijn Pini,
Tanahmasa en Tanahbala; veel klapperaanplantingen;
belmoren tot de res. Tapanoeli.
Batoek, actieve vulkaan op Midden- Java.
Batoclapa, > Masenrenpoeloe.
Batoem, haven aan de Zwarte Zee; hoofdstad der
autonome Sovjet-republiek Adsjaristan (Trans-Kau-
kasië); G5 000 inw.; belangrijke petroleumhaven;
sedert 1878 Russisch.
Batoer, 1° uitgedoofde vulkaan in
de residentie Bantam op Java, met een hoogte
van ± 680 m. De Batoer vormt samen met den Gedeh
het N.W. voorgebergte van Java.
2° V u 1 k a a n op B a 1 i, gelegen in het O. deel
van het vulkanische gebergte, dat Bali van Oost naar
West doorloopt. Door de hoogvlakte van Tjatar is de
Batoer met het centrale gebergte verbonden. Het Ba-
toercomplex bestaat uit een 2 250 m hooge ringwal
van trachiet, die een vlakte (gemiddeld 1 000 m boven
zeeniveau) omsluit. In het midden dezer vlakte ver-
heft zich de eigenlijke vulkaan, de G. Batoer, die nog
in het actieve stadium verkeert. De G. Batoer bezit
twee topkraters en eenige nevenkraters. Op de O.
helling bevindt zich een heilig meer; op de Z. hcliing
ligt de kampong Batoer met een bij de Baliërs in
hoog aanzien staanden tempel. Hof steenge.
Batoe-Hadja, stad in de res. Palembang, eenige
tientallen meters boven zeeniveau, aan de samen-
vloeiing van de Oganrivier en de Aek Langkajab.
Ba tor -Ta ra of K o m a b a, een vulkaan,
gelegen in de Banda -zee.
Baton, 1° in de Grieksche myth. schild-
knaap van Amphiaraus, met wien hij in den slag
der zeven helden tegen Thebe door de aarde werd
verzwolgen.
2° Oud-Grieksch dichter der Nieuwe Comedie
uit de eerste helft der 3e eeuw v. Chr.; in de schaar-
sche fragmenten valt hij de pseudo-philosophen aan,
maar prijst Epicurus.
Baton van Sinope, Grieksch rhetor en histo-
ricus uit de tweede helft der 3e eeuw v. Chr. (?), wiens
hoofdwerk handelde over Perzië. Weinig fragmenten
zijn bewaard.
Baton, 1° Henri, virtuoos als doedelzak-
speler; * 1710 te Parijs, f 1758 aldaar; zijn broer
135
Batoni — Battel
136
Charles B. was meester op de vielle of draailier.
De laatste heeft werken geschreven voor twee vielles:
Suite, op. 1 (1733); La Vielle amusante, op. 2; Amu-
sements d’une heure, op. 4. Hij publiceerde tevens
„Mémoire sur la vielle en D la ré” in de Mercure de
France (1757) en heeft deelgenomen aan den strijd der
buffonisten met een werk, getiteld: Examen de la
lettre de M. Rousseau sur la musique fran^aise (1753—
2754 ). Piscaer.
2° Rhené, > Rhené-Baton.
Batoni , Pompeo Girolamo, Ital. schil-
der uit de 18e eeuw. * 1708 te Lucca, f 178 < te Rome.
Na in zijn jeugd bij zijn vader de goudsmeedkunst
beoefend te hebben, ging hij zich door toedoen van
zijn voogd Alessandro Giunigi en der schilders Brugeri
en Lombard i op de schilderkunst toeleggen. In Rome
(1728) bestudeerde hij de antieke sculptuur en de
fresco’s van Raffaël in het Vaticaan. Om in het onder-
houd van zijn familie te voorzien, begon hij met het
schilderen van waaiers en het maken van miniatuur-
portretten, totdat door altaarstukken voor de kerken
van den H. Gregorius en van den H. Celsus de aan-
dacht op hem viel. Sindsdien was hij na Raphaël Mengs
de meest gevierde schilder van Rome. Met hem is hij
er de vertegenwoordiger van het neo-Klassicisme
(„Mengs is de schilder der philosophie, B. die der
natuur”, Onofrio Boni). Van hem ging invloed uit
op de Fransche school van het eind der 18e en het begin
der 19e eeuw.
Voorn, werken: Magdalena (1740; Dresden,
Gallerie) ; De Kunsten (1740 ; Frankfort) ; Bruiloft van
Psyche (Berlijn) ; Val van Simon den Toovenaar (Rome,
St. Maria der Engelen); Portretten. — Lit.: Bom,
Elogio di P. G. B. (1787). Knipring.
Baton Bomie, hoofdstad van den N.Amer.
staat Louisiana, 30° 30' N., 91° 15' W. In 1930: 30727
inw. (21 782 in 1920). Ligt aan den Mississippi, die
tot hier voor zeeschepen bevaarbaar is, en werd wegens
het overstroomingsgevaar op den hoogen linkeroever
(bluffs) der rivier gebouwd. B.R. is een kruispunt
van spoorwegen, bezit een luchthaven en een goed
geoutilleerde rivierhaven. Haar industrie verwerkt de
producten, die in haar omgeving gewonnen worden
(vooral suiker, rijst en hout), en produceert schei-
kundige meststoffen. Belangrijke petroleumraffinaderij
van de Standard Oil. De aardolie wordt door bus-
leidingen uit Oklahoma aangevoerd, en per tank-
wagens of -schepen uit Mexico, Texas en Galifomië.
In 1929 werden door de haven 397 000 ton (906 kg)
goederen geïmporteerd en 1 452 000 (vooral suiker en
katoen) uitgevoerd; bovendien werden 69 000 ton
door de kustscheepvaart aangebracht en 2 379 000
verzonden. B.R. is een der oudste nederzettingen
van de Franschen in Louisiana en bezit nog vele oude
gebouwen, meestal in Spaanschen stijl opgetrokken.
B.R. is de zetel van de Louisiana State University,
die in 1930- ’31 door 2 452 studenten werd bezocht.
Polsvod.
Batraehii, > Kikvorschen.
Batraeliomyomachia (Gr., = kikvorschen- en
muizenoorlog), Grieksch komisch heldengedicht, niet
gaaf overgeïeverd, als parodie bedoeld op de Ilias,
niet van Homerus, waarsch. geschreven in de 5e eeuw
v. Chr. De oorlogvoerders zijn kikkers en muizen.
Bilderdijk heeft het in het Nederlardsch bewerkt.
Voorn, ui tg.: A. Ludwich (Leipzig 1896).
V. Pottelbergh.
Batrachospermuiii , > Kikkerdrilwier.
Batroen, > Botrijs.
Batschia, ■> Humboldtia.
Batshecrs, Belg. gem. in de prov. Limburg, ten
Z.W. van Tongeren; ruim 150 inw.; opp. 227 ha.
Vruchtbare leemgrond. Kerk uit de 18e eeuw.
Batsjjioko. De meest verscheidene schrijfwijzen
vindt men voor dezen Afrikaanschen volksstam: Bad-
jok, Kioko, Chibokwe, enz. Zij wonen gedeeltelijk in
Portugeesch, gedeeltelijk in Belgisch Kongo. In Bel-
gisch Kongo treft men drie groepen aan: ëen belang-
rijke groep op den linkeroever van Opper-Kasai,
tusschen 6° en 9° Z.; een tweede groep in de nabijheid
van Dilolo; een derde groep, minder belangrijk, te
midden der Basjilele. -> Kongo (Ethnographie).
De Jonghe.
Batsjjka (Servisch: B a c k a, Hong.: B a c s k a),
landstreek in het N. van Zuid-Slavië tusschen Donau
en Theiss, zeer vruchtbaar door löss en zwarte aarde.
Veel landbouw (tarwe, maïs, wijn) en veeteelt. De
bevolking (± 80 per km 2 ) bestaat uit Serven, Magyaren
en Duitschers, is overheerschend Kath., met daar-
naast veel Gr. -Kath. en wat Protestanten. Steden:
Novi Sad (Neusatz 39 000 inw.), Subotitsa (Maria-
Theresiopel 104 000 inw.), Zombor (31 000 inw.),
Zenta (30 000 inw.).
Geschiedenis: in 1699 kwam B. aan den
keizer, was toen bijna onbewoond en werd in de
17e eeuw ontgonnen door bovengenoemde volken.
B. kwam in 1920 aan Zuid-Slavië. Hoek.
Batsman, in het cricketspel de speler, die het
slaghout hanteert.
Batta, 1° Alexandre, zoon van Pierre B.,
cellist, * 1816 te Maastricht, f 1902 te Versailles.
Het eerste onderricht genoot hij van zijn vader , daarna
studeerde hij bij Platei aan het conservatorium te
Brussel. In 1834 behaalde hij den eersten prijs als
cellist (tegelijk met Demunck), ging naar het buiten-
land en verbleef hoofdzakelijk in Parijs, waar hij als
virtuoos zéér gevierd was. Hij heeft romances voor
cello uitgegeven, fantasieën, variaties, enz. Piscaer.
2° Pierre. violoncelleeraar aan het conserva-
torium te Brussel; * 1795 te Maastricht, f 1876 te
Brussel.
Battagio, G i o v a n n i, ook Battacchio,
Ital. bouwmeester en terra-cotta -werker, werkzaam
in Lodi, einde 15e eeuw. Bouwstijl verwant met Bra-
mante ’s Sacristie van S. Satiro te Milaan. Als terra-
cottawerker is hij realistisch, doch van minder belang.
Voorn, werken: gevel van Palazzo Landi te
Piaccnza (1484); kerk der Incoronata te Lodi; ver-
sieringen in de S. Marcellino te Milaan. — Lit.: Mala
guzzi-Valeri, L’arte alla corte di Lodovico il Moro (II
1915, 235 vlg.) ; Venturi, Storia dell arte italiana (VIII
2, 1927, vlg. Index).
Battaglia, plaats in Italië met keukenzout-
houdende bronnen, radio-actieve modderbaden. Behan-
deling van rheuma en jicht.
Battarlsme ( ( Gr. battarizein == stamelen),
haastig spreken, waarbij de spreker soms geheele
lettergrepen weglaat, spraakklanken met elkaar
verwisselt en soms plotseling ophoudt, om adem te
halen. > Broddelen.
Battel, Wouter van, glasschilder van
Mechelen; kwam met „ghesellen” te Lier zijn spel
van St. Gommeer opvoeren in 1446; medestichter
in 1471 van de rederijkerskamer de Peoene, te Mechelen.
Lit.: G. J. J. Van Molckebeke, Gesch. Aenteek..
rakende de St. Jansgilde, bijgenaamd de Peoene (1862
13)
137
Battement — Battlc Crcck
138
Battement (Fr. ; muziekterm), een
versiering, waarvoor geen afzonderlijk teeken bestaat,
maar die in noten wordt uitgeschreven. Er wordt
onder verstaan een triller met de onder -secun de;
de bij trillers gebruikelijke naslag wordt eveneens door
sommigen b. genoemd.
Batten (cricket), het slaan met een slaghout
(bat) naar een geworpen bal, met het oogmerk runs
(loopen) te maken.
Battenoord, > Nieuwetonge (Z. H. gem.).
Batterij (in N e d.), 1° bij de landmacht,
legeronderdeel, bestaande uit één tot zes kanonnen van
hetzelfde kaliber, tezamen opgesteld voor de beschie-
ting van één doel. -> Legerorganisatie. Twee a drie
batterijen vormen een afdeeling. B. noemt men ook
de tijdelijke of permanente beschermende inrichting,
die rondom de kanonnen is opgesteld, bijv. kust-
batterij, pantserbatterij. Nijhoff.
2 ° B. aan boord beteekent óf alle aanwezige
vuurmonden, dan wel de aanwezige vuurmonden van
een bepaald kaliber. De meest gebruikelijke ver-
dceling is die in zware batterij, middelbare en lichte
batterij. De grens tusschen de eerste twee ligt ongeveer
bij 20 cm inwendigen diameter, die tusschen de laatste
twee ongeveer bij 10 cm. Ook spreekt men van anti-
torpedo -batterij en anti-luchtbatterij, waarmede dan
het doel, waarvoor de batterij dient, wordt aange-
geven. Meestal is de anti-luchtbatterij ook als anti-
torpedobatterij te gebruiken. Is de b. in groepen onder-
verdeeld, dan spreekt men van b.-divisiën. Cikot,
In België is b. een artillerie -eenheid, bestaande
uit twee secties elk van twee kanonnen van hetzelfde
kaliber onder een kapitein. Drie b. vormen een groep.
Alleen de infanterie-batterij van mortieren 7 cm 6
bestaat uit 3 peletons van 4 stuks.
Militaire tactiek: in batterij wil zeggen:
ter beschieting van een doel opgestelde automatische
vuurwapens en vuurmonden. ** V. Coppenolle.
Batter ijk ijker, prismakijker op drievoet,
bestemd voor de waarneming der artillerie; kan
tevens dienen om een batterij in de richting te brengen.
Bnttcux, abbé Charles, Fransch letter-
kundige en aestheticus, de toonaangevende en vol-
ledigste theoreticus der neo -Klassiek in West-Europa.
* 6 Mei 1713 te Alland’hui bij Reims, f 14 Juli 1780
te Parijs; werd in 1761 in de Académie Fran^aise
opgenomen.
Het werk, waarmede B. — die ook de geschiedenis der
wijsbegeerte beoefende — voortleeft in de aesthetica
en de letterkundige critiek, heet: Cours de
belles lettres (1747). Het eerste tractaat
hiervan. Traité des beaux arts réduits a un même prin-
cipe (1746), had tot doel, geheel in 18e eeuwsch ver-
lichten geest, de theorie der fraaie kunsten, met haar
tallooze „regels”, terug te voeren op één grondbeginsel:
nl. den Aristoteliaanschen regel der M im es is
of „nabootsing van de schoone natuur”. Alle
kunsten moeten nl. zich beijveren een excerpt van de
fraaiste natuur te geven, een soort anthologie van alle
natuurvoortreffelijkheden, tot een geheel herschapen,
dat mooier zou zijn dan de natuur, zonder nochtans
op te houden natuurlijk te zijn. De strijd tegen B.’s
opvattingen beteekende in de Germaansche litera-
turen tevens bevrijding uit den knel van de Fransche
pseudo-Klassiek (J. E. Schlegel en Klopstock in
Duitschland, van Alphen bij ons).
L i t. : M. Schenk, Ch. B. und seine Nachahmungs-
theorie in Deutschland (Leipzig 1909). Baur.
Batthyany, Hongaarsch magnatengeslacht,
sedert 1630 in den gravenstand, terwijl de jongere lijn
Batthyany-Strattmann in 1764 in den rijksvorsten-
stand werd verheven. Het bekendst zijn:
1 ° Karei L o d e w i j k die als veldheer optrad,
in den Oostenrijkschen Successie-oorlog (f 1772).
Het geslacht B. speelde een rol in den Hongaarschen
opstand 1848 — ’49 en bestaat thans nog. v. Gorkom .
2 ° K a s i m i r, graaf van B., Hongaarsch
liberaalgezind politicus. * 4 Juni 1807, f 13 Juli 1854
te Parijs. Nam deel aan den opstand van 1848 en ver-
sloeg tweemaal de Oostenrijksche troepen. Toen
Kossuth Hongarije voor onafhankelijk verklaarde,
benoemde hij B. tot minister van Buitenlandsche
Zaken, doch beiden moesten na de catastrophe bij
Villagos (1849) naar Turkije op de vlucht gaan. B. werd
te Sjoemla opgesloten, doch kon later naar Frankrijk
ontkomen; hij overleed te Parijs aan de cholera.
L i t. : L. Tóth, Gr. B. K&smer és emlékivatai
in Budapesti Szemle (1893); F. Eckhart, Introduction
a 1’histoirc hongroise (Parijs 1928 ; ook in het Italiaansch,
Milaan 1929). Lousse.
3° L o d e w ij k (Lajos), graaf van B.,
Hongaarsch liberaalgezind politicus. * 9 April 1809
te Pressburg (thans Bratislava), f 6 Oct. 1849 te
Pest. In 1848 eerste minister zonder portefeuille in
het eerste Hong. ministerie, doch weldra door de
radicale partij van Kossuth overvleugeld, daar hij
aan de unie van zijn land met Oostenrijk bleef vast-
houden. In 1849 trachtte hij bemiddelend op te treden
tusschen de overwiimende Oostenrijkers en de revolu-
tionnaire regeering van Hongarije. Toen deze naar
Debredczin week, bleef hij te Pest, werd 8 Jan. 1849
door Windischgratz gevangengenomen, en weldra
terechtgesteld.
L i t. : > B., Kasimir; M. Horv&th, Graf Ludwig B.,
ein politiseher Martyrer (Hamburg 1850) ; E. Friedrich,
Gr. B. L. utolsó nap j ai (De laatste dagen van graaf B. L.),
in Szazadok (1927). Lousse.
Bid tt iaden, de afstammelingen van > Battus
van Thera.
Batticc, Belg. gem. in de prov. Luik, ten N.O.
van Herve; ruim 3 100 inw.; opp. 2 005 ha. Heuvel-
achtige landbouwgrond; veeteelt, boter en kaas;
steenkool. Kasteelen: Biomont, Crèvecoeur, Rosmei.
Vroeger belangrijke rechtbank. B.werd in 1914 verwoest.
Batting, > Badding.
Battlsta Spagnuoli , > Baptista Mantuanus.
Battkc, muziektheoreticus; * 1863 te Schiffusz
(Oost-Pruisen), f 1916 te Berlijn. Studeerde o.a. aan
de Kgl. Hoehschule te Berlijn. Bekend leeraar en
dirigent. Stichtte in 1900 een Seminar für Musik.
Schreef meerdere werken over theorie en aesthetiek,
o.a.: Elementarlehre der Musik (1898), Tonsprache
und Muttersprache (1908), en verzamelde vele liederen
ten gebruike van het volksonderricht. H. Andriessen.
Baltic, abdij, niet ver van de Engelsche Zuidkust
gelegen, bij Hastings; opgericht ter plaatse van en ter
herinnering aan den inval der Normandiërs onder
Willem den Veroveraar, die aldaar 14 Oct. 1066 de
Angelsaksen in een bloedigen strijd versloeg.
Battlc Crcck, spoorwegknooppunt in den
N. Amer. staat Michigan, aan de muLding van de
Battle Creek in de Kalamazoo, 42° 20' N., 85° 13' W.;
vlieghaven. In 1930: 43 573 inw. Handelscentrum van
een rijk landbouwgebied. Ijzergieterij, productie
van machines en voedingsmiddelen. Internationaal
bekend sanatorium.
139
Battus van Thera — Baudelaire
140
Battus van Thera, historisch-legendarische
stichter van Cyrene (ca. G30 v. Chr.). B. raadpleegt
de Pythia om genezing te bekomen van een spraak-
gebrek; de profetes zendt hem naar Libië, waar hij
Cyrene sticht en waar hij geneest. Bij de markt aldaar
werd het graf van den held getoond.
Battuta (1 tal. ; muziekterm), maatslag.
De term a battuta geeft aan, dat de vrije voordracht
geëindigd is cn de strenge maatorde weer vereischt
woidt. De aanduiding ritmo di trc of di quatro battute
beteekent, dat de opeenvolgende 3 of 4 maten als
rhythmische eenheid moeten worden beschouwd.
Vgl. Beethoven, Scherzo der 9e symphonie.
Batua, een gouw, tegenwoordig de Betuwe.
Batwa, naam, gegeven aan talrijke dwergstammen
of pseudo-dwergstammen, die temidden van Kongo-
leesche volksstammen wonen. Het zijn gewoonlijk
rondzwervende stammen, die leven van jacht en roof.
Zij kennen geen hakbouw. Hun wapens zijn boog en
pijl. Uiterst primitief op economisch gebied, hebben
zij familiale inrichtingen en godsdienstige begrippen,
die gelijk staan met die van meer ontwikkelde volks-
stammen. > Kongo (Ethnc graphie).
L i t. : Schebesta, Bambute. Die Zwerge vom Kongo
(Leipzig 1932). De Jonghe.
Baty, Gaston, acteur cn regisseur, *1885
te Pelussin. B. is een der pioniers van de moderne
tooneel inrichting en wijze van opvoeren. Als geloovig
Katholiek zoekt hij op het tooneel een religieuze
synthese van alle kunsten te bereiken. Volgens hem
is het dan ook bij een tooneel opvoering niet de schrij-
ver, doch in de eerste plaats de regisseur, die scheppend
werk verricht. B. begon te Parijs in samenwerking
met Firmin Gèmier en stichtte in 1922 het theater
Chimère. In 1924 en 1925 was hij directeur van de
Studio des Champs Elysées, in 1928 van het Thèatre
de l’Avenue, in 1930 van het nieuwe Th^atre Pigalle.
Van zijn hand verschenen tal van bijdragen in de
tijdschriften „Bulletin de la Chimère” en „Masques”,
terwijl zijn in 1927 verschenen boek ,,Le masqué et
1’encensoir” veel bekendheid verkreeg, v. Thienen.
Batyclcs van Magnesia aan de Maeander, typische
vertegenwoordiger van de Archaïsche reliëfkunst in
Griekenland; vervaardigde ca. 550 v. Chr. den trotn
voor het bronzen beeld van Apollo te Amyclae (bij
Sparta), waarbij de in reliëf aangebrachte voor-
stellingen eenvoudig naast elkander geplaatst zijn
zonder verder innerlijken samenhang. W. Vermeulen.
Balypnoc, het dieper worden der adembeweging
bij bewuste ademhaling, bijv. bij het spreken.
Baubrrger, W i 1 h e 1 m, Duitsch schrijver van
onderhoudende Katholieke volks- en jeugdromans.
* 3 Mrt. 1809 te Tannhausen, f 8 Febr. 1883 aldaar.
Hoofdwerk: Die Beatushöhle (De Beatuskluis,
ook in het Ned. vertaald, 1839). — U i t g. : Samtliche
Schriften (1843-’64).
Bands, > Philemon.
Baud, Jean Chrétien, gouverneur-gene-
raal van Ned. -Indië, later minister van Koloniën;
* 1789. B. kwam omstreeks 1811 naar Java en was
daar getuige van de hervormingen, die Raffles en de
commissarissen -generaal in het bestuur van Indië
aanbrachten. Na in Indië van 1819 tot 1821 algemeen
secretaris gew’eest te zijn, keerde hij in 1821 naar
Nederland terug, waar hij het initiatief nam tot
oprichting van de Ned. Handelmaatschappij, die hij
als secretaris een tijd lang diende. In 1825 werd hij
directeur voor de zaken der Oost-lndische bezittingen
en hielp als zoodanig het cultuurstelsel mede invoeren.
In 1833 vertrok hij met een speciale opdracht naar
Indië, verving er eerst v. d. Bosch als gouverneur-
generaal ad interim om vervolgens tot 1836 gewoon
gouverneur-generaal te zijn. In Nederland terugge-
keerd, werd hij in 1838 lid van den Raad van State.
In 1840 werd hij minister van Koloniën, welke post
hij tot 1848 vervulde. Hij deed zich daarbij kennen
als voorstander van de volstrekte heerschappij van
het moederland, waarbij echter scherp gewaakt zou
moeten worden tegen machtsmisbruik. Het w T as een
speling van het lot, dat juist in do bewindsjaren
van B., die ondanks zijn utopistische opvatting van ko-
loniale staatkunde een bekwaam bestuursman was, de
geestelijke basis voor de latere „ethische” opvatting ge-
legd werd ; hijzelf werkte haar bovendien in de hand door
mede-oprichter te zijn van 't Koninklijk Instituut voor
de taal-, land- en volkenkunde van Ned. -Indië (1851).
Van 1850 tot 1858 was B. lid van de Tweede Kamer,
waar uiteraard vooral Indië zijn aandacht had. Berg .
Baudnrtius, Willem, fel Contra-Remon-
strantsch predikant, * 1565 te Deinse (VI.), f 1640
te Zutphen; een der vertalers van den Statenbijbel.
Zijn gevoelens blijken uit de: Memorijen ofte cort
verhad der gedenckweerdichste so kereklieke als
w'crltlicke gheschiedenissen (2dln. Arnhem 1624 — ’25).
Dit onbeholpen verzamelwerk van allerlei documenten,
zonder eenigen stijl, heeft als bronnenverzameling
voor de geschiedenis van het Bestand beteekenis.
Baiicle, 1° H e n r i, Fransch schrijver van de
school der Rhetoriqueurs, * ca. 1430 te
Moulins, f ca. 1496 te Parijs. Voor een verloren gegane
-> moraliteit, waarin hij de omgeving van den koning
hekelde, werd hij (1486) eenige maanden gevangen
gezet. De bewaarde werken zijn Lamentacions, Tes-
taments en Lectres in den stijl van Villonen de Basoche,
vol scherpe satire tegen geestelijkheid, gerecht en
hovelingen; een bepaald gedeelte ervan is grof obsceen.
Ui tg.: J. Quicherat (Parijs 1856); M. Schwob,
Parnasse satyrique du 15e siècle (3 dln. Parijs). — L i t. :
II. Guy, Histoire de la poésie fran^aise au 16e siècle
(Parijs 1910, 21 vlg.). Baur .
2° Jan Baptist, Vlaamsch dichter en
tooneelschrijver uit de 18e eeuw, ijverig lid van de
Brugsche Kamer De Dry Sanctinncn.
Baudelaire, Charles, Fransch dichter van
de school der >Parnassiens, hoewel reeds
af ge weken van en-
kele hoofdkenmer-
ken dezer richting.
* 9 April 1821 te
Parijs, f 31 Aug.
1867 aldaar, ver-
lamd en aphasiek
ten gevolge van
een vroeg opgedane
geslachtsziekte en
van een leven van
stelselmatige alco-
hol-, opium- en
hasjisjverdooving
(Paradis artificiels,
1860) cn van „ele-
ganfe"liederlijkheid,
ondor meer met een
Mulattin, zijn „Vé-
nus noire”, Jeanne Duval (Infame a qui je suis
lié, comme le for^at a la chaine).
141
Baudewijn — Baudin
142
Eenig kind van ouders uit den beteren stand, die
al te ongelijk in leeftijd waren, wordt B. nog jong
gewonnen voor liet > Dandyisme op zijn Beau
BrommeFs, en werkt dezen „godsdienst van de held-
haftige elegantie” uit — op den grondslag eener van
zijn vader geërfde, uiterlijke voornaamheid — tot
een > aesthetismc, dat de schoonhcidswaaiden voor
de absoluut hoogste in de rangorde der levenswaarden
verkondigt, en in een donker, pessimistisch getint
epicurisme uitmondt. In zijn Salons (1845 vlg.).
critiek der plastische kunsten, die met onbetwistbaar
gezag de grootheid van Manet, Daumier, Delacroix
e.a. vooruitzag, en in zijn schaarschere letterkundige
critiek, gaat hij uit van het 1’art pour Fart-beginsel.
Zijn politieke idealen schommelden tusschen het meest
verregaand > Proudhonisme, voor hetwelk hij in
1848 op de barricaden stond, en liet hoogmoedig
aristocratisme van later: „Je mefous du genre liumain”.
In de wereldletterkunde leeft B. voort met zijn
eenigen verzenbundel, Les fleurs du mal
(begonnen in 1841, verschenen in 1857, 2 1861), die
om een aantal stukken (nl. Les Bijoux , Le Lóthé.
A celle qui est trop ga ie, Leslos, Les métamorphoses
du vampire) gerechtelijk vervolgd werd. Uitgegaan
van de betwistbare stelling: „II faut peindre les vices
tels qu’ils sont”, gaf B. in dezen naar versvorm en
taalharmonie heerlijken bundel een poëzie van
morbiede zinnelijkheid en als aangekweekte perversi-
teit (bijv.: Le vin de Fassasin, Une charogne, Delphi ne
et Ilippolytc, Le serpent qui danse, Femmcs damnées),
maar tevens een poëzie van stnurlooze wanhoop in
het genot, hopelooze ontreddering, hunkerend doods-
verlangen, schaamteloos satanisme, zuivere ideali-
soering der vrouw en snikkende Godsaanbidding
tegelijk (bijv. Spleen, Le gouffre, L'idéal du poète,
Le possédé, Le reniement de S. Pierre, De profundis
clamavi). Een aantal der on vergete lijkste gedichten
(L 'albatros, Correspondances, Le mauvais moine,
Le cygne, L’homme et la mer, Harmonie du soir,
Les sept vieillards, Les petites vieilles, enz.) kondigen
reeds den stijl en gevoelstoon van het > Symbolisme
aan: een gevoelstoon, waarvan V. Hugo getuigde,
dat hij een „frisson nouveau” in de lyriek bracht en
die culmineert in den cultus van een kunstmatig-
complexe, verdorven moderniteit — vaak in gezochte
zonderlingheid ontaard („le beau est toujours bizarre 1”)
— waarbij de geheime schanden van de oververfijndo
stadscultuur verheerlijkt en tegelijk haar ondraaglijke
slavernij aangeklaagd worden. Door deze innerlijke
gespletenheid werd B. de meester van de decadente
lyriek bij de Westcrsche kunstenaarsgeslachten na 1890:
bijv. Veria inc, Huysmans, Rollinat, de Régnier,
Verhaeren, de Noailles in Frankrijk; Van Langendonck
en de generaties van 1905 in de Nederlanden; St.
George, R. Dehmcl, R. v. Schaukal in Duitschland;
Jakocbowitsj, Annensky in Rusland; Z. Przesmycki,
St. Przybyszewski in Polen; Swinbume, Pater,
O’Shaughnessy, O. Wilde in Engeland; J. Alcover
in Spanje; d’Annunzio in Italië.
Met zijn Petits poèmes en prose (1864)
werd B. de wegwijzer naar het rhythmisch proza dat,
na 1900, eenige toekomst in de Europeesche poëzie
blijkt te hebben. Zijn vertalingen uit de Quincey en
vooral de meesterlijke uit Edg. Poe (5 dln. 1856 vlg.)
maakten West-Europa vertrouwd met de vreemde
sidderingen des geestes van deze Angelsaksische
fantasten. Daarbij behoorde B. tot de vroegste Wagner-
propheten van Frankrijk.
Reeds A. France zag B. als zijnde „moins le poète
du vice que celui du péché”. Sindsdien hebben jonge
Katholieken en Katholiccerenden (Le Goffic, de Rey-
nold, Fr. Porché, St. Fumet e.a.) het waagstuk bedre-
ven Les fleurs du mal voor Katholieke poëzie uit te
ireven; maar de schrijnende tweeslachtigheid in een
ziel, die haar zonde bemint en verafschuwt, is niet de
specifiek Katholieke levenshouding, welke zich uit
niet in smartelijke velloïteiten, maar in sterke wils-
daden. De eigen geest van B. spreekt zich uit in macht-
spreuken als: „Le plus parfait type de Beauté virile
est Satan” en ,Siint Pierre a renié Jesus, il abien
fait!” Zie verder Le R e b e 1 1 e e.a. stukken.
Dit neemt trouwens niet weg. dat B. als Katholiek
zijn leven besloot; noch ook dat zijn aanhoudend
gestegen invloed de uitzonderlijke grootheid van zijn
dichterschap bevestigt, en een heele poëtische stroo-
nriing beheerscht: het B a u d e 1 a irisme.
U i t g. : Oeuvres complètes, édition critique et dé-
finitive (Parijs 1920 vlg.). — L i t. : Asselineau, B., sa
vio, et son oeuvre (Parijs 1869) ; Ch. Cousin et Spoelberch
de Lovenjoul, C. B. souvenirs, correspondanee, biblio-
graphie (Parijs 1872) ; A. Holitscher, C. B. (Berlijn 1904) ;
A. Cassagne, Versification et métrique de B. (Parijs
1906) ; E. Crépet, B. (Parijs 1907) ; M. Turquet, Influence
of B. in France and England (Londen 1913) : M. Franke,
Das Artifizielle in der franz. Literatur (Leipzig 1913) ;
O. Mauclair, C. B. (Parijs 1916); G. de Reynold, C. B.
(Parijs 1920); F. Brie, Aesthctische Weltanschauung
(Freiburg 1921); E. Raynaud, C. B. (Parijs 1922);
P. Flottc, B., 1’homme et le poète (Parijs 1922) ; G. Kahn,
C. B. (Parijs 1925, met bibliogr.) ; F. Porché, Vie doulou-
reuse de C. B. (Parijs 1926); S. Fumet, C. B. (Parijs
1926) ; J. Royère, C. B. (Parijs 1927) ; L. Lemonnier,
Les traducteurs de Poe en France (Parijs 1928); P.
Quennell, B. and the symbolists (Londen 1929) ; S. Rho-
des, The cult of Beauty in C. B. (2 dln. Londen 1929) ;
P. Klassen, B. (Weimar 1931); De Smaele, B. en het
Baudelairisme in de Ned. Letterkunde (Gent 1934).
Baur .
Baudewijn, prins, hertog van Saksen, prins
van Saksen-Koburg-Gotha, zoon van den graaf van
Vlaanderen, neef van koning Leopold II van België,
broeder van koning Albert I, vermoedelijk troon-
opvolger na den dood van koning Leopold ’s eenigen
zoon. Zijn schielijk overlijden deed de crfrechten over-
gaan op zijn broeder Albert. * 3 Juni 1869 te Brussel,
f 20 Jan. 1891 aldaar.
Baudewijns (B o u d e w ij n s), A d r i a e n
Frans, schilder en graveur te Brussel, in 1665
lid van het Lucasgilde. * 1644, f 1711. In zijn jeugd
naar Frankrijk, waar hij met Genoels en van Huchten-
burg ontwerpen voor tapisserieën teekende. Na 1671
te Brussel gebleven, waar hij als schilder, vooral van
landschappen in Ital. stijl, in aanzien was. Zijn kunst
is bescheiden, niet zonder charme.
L i t. : Houbraken. Groote Schouburgh ; Alfr. Michiels,
1’Art flamand (1877). Schretlen.
Buudin, 1° Charles, Fransch admiraal.
* 11 Juli 1784 te Sedan, f 7 Juni 1854 te Ischia (Napels).
Zoon van den revolutionnair Baudin des Ardennes.
Nam deel aan do expeditie van Nicolas Baudin naar
Australië (1800 — ’04). Verloor den rechter arm in
een gevecht tegen de Engelschen in de Indische Zee
(1808). Na den slag bij Waterloo wilde hij een poging
doen, Napoleon door de Engelsche kruisers heen naar
Amerika te brengen, maar de keizer weigerde. Onder
de Restauratie ontslagen, trad hij na 1830 wederom
in werkelijken dienst. 1838 schout-bij-nacht en opper-
bevelhebber van de expeditie naar Mexico. 1839 vice-
143
Baudiot — Baudouin de Sebourg
144
admiraal. 1841 minister van marine. 1841 — ’47 zee-
prefect te Toulon. Overleed slechts korten tijd nadat
hij tot admiraal was verheven. In 1883 werd de naam
van B. aan een Fr. pantserschip gegeven.
L i t. : Jurien de la Gravière, La marine de 1812 ;
id., Une expédition d’outre-mer en 1838 (Revue des
Deux Mondes LXXIII) ; R. Jouan, Histoirc de la ma-
rine fran<?aise (II Parijs 1932). Lousse .
2°Jean-BaptisteAlphonse Victor,
Fransch arts en politicus. * 20 April 1811 te Nantua
(Ain), f 3 Dec. 1851 te Parijs. Aanhanger van de
denkbeelden van Saint-Simon en lid van geheime
vereenigingen onder de Juli-monarchie. Afgevaardigde
in de Wetgevende Vergadering (1849), 3 Dec. 1851
op een barricade in den Faubourg St. Antoine door
een troep soldaten neergeschoten. In 1889 werd zijn
lichaam naar het Panthéon overgebracht; op het
kerkhof te Montmartre werd voor hem, als martelaar
der vrijheid, een gedenkteeken opgericht en, in 1901,
een tweede in den Faubourg St. Antoine zelf.
Werk: Les inflammations intestinales. Lousse.
Baudiot, Charles Nicolas, violoncel-
virtuoos; * 1773 te Nancy, f 1849 te Parijs; leerling
van den cellist Janson en in 1802 diens opvolger als
leeraar aan het conservatorium te Parijs. Hier schreef
hij met Levasseur en Baillot de cello -methode, die
officieel aan het conservatorium moest worden gebruikt.
In 1816 werd hij eerste violoncellist aan de koninklijke
kapel, in 1832 gepensionneerd.
Werken: vooral composities voor cello, 3 strijk-
kwartetten, een Méthode compléte de violoncelle, op.
25 ; Traité de transposition musical op. 35 (1837). Hij
schreef een handleiding voor componisten, waarin hij
hen wilde aantoonen, hoe zij voor violonccllo kunnen en
moeten schrijven (1849). Piscaer.
Bnudissin ,l°WolfHeinrichFriedrich
Karl, graaf von, Duitsch letterkundige, die
o.m. met dertien stukken de groote Shakespeare-
vertaling van Tieck en Schlegel hielp
voltooien, welke een zoo aanzienlijken invloed op de
Duitsche romantiek uitoefende. Ook uit Molière.
Goldoni, Gozzi, e.a. vertaalde hij. * 30 Jan. 1789
te Rantzau, f 4 Apr. 1878 te Dresden.
2 ° Wolf Wilhelm Friedrich, graaf
von, Prot. Duitsch Oud-Testamenticus en oriëntalist.
* 26 Sept. 1847 op Sophienhof bij Kiel, f 6 Febr. 1926
te Berlijn. Doceerde O. T. aan de universiteiten van
Straatsburg (1876), Marburg (1881), Berlijn (1900).
Zijn meeste werken zijn godsdienst-geschiedkundige
studies omtrent de betrekkingen tusschen de andere
Semietische godsdiensten en de Joodsche en Christe-
lijke godsdiensten. Zijn belangrijkste werken zijn:
Studiën zur semitischen Religionsgesch. (2 dln. Leip-
zig 1876 — 1878); Adonis und Eschmun (1911); Kyrios
als Gottesname im Judentum und seine Stelle in der
Religionsgesckichte (1926). Brans.
Baudot, Anatole de, Fransch architect.
* 14 Oct. 1834 te Sarrebourg, f 1915. Leerling van
Labrouste en Viollct le Duc. Was een overtuigd
aanhanger van de theorieën van Viollet le Duc. Werd
aangesteld als rijksbouwmeester en inspecteur van den
rijksgebouw’endienst in Frankrijk. Tevens was hij ook
werkzaam als restaurateur van vele oude gebouwen.
Werken: de kerken te Privas (Ardèche), Ram-
bouillet, enz. ; restauraties aan het kasteel te Blois, den
dom te Puy en Velay ; voltooide den toren van den dom
te Clermont-Ferrand. — L i t. : Bénézit, Dict. des
peintres. de Stuers.
Baudot- telegraaf toestel. In 1875 dacht
de Franschman Baudot een stelsel uit, waardoor
dezelfde telegraaflijn tegelijkertijd vier (soms zes)
verbindingen tot stand kon brengen. In den uitzend-
en den ontvangpost loopen twee armen, welke met de
lijn verbonden zijn, synchroon. Zij glijden langs vier
sectoren, w T elke eenerzijds met de uitzenders, ander-
zijds met de ontvangers verbonden zijn (zie figuur).
Daar de armen op 180 t/min draaien, moet iedere
bediende 3 letters /sec doorsturen. De eigenaardigheid
van het stelsel is nu, dat elke bediende de door te
sturen letter kan voorbereiden, terwijl de lijn ten
dienste staat van de drie andere bedienden. Elke
Schematische voorstelling van de werkingswijze van het
Baudot-telegraaftoestel.
sector van den uitzender is verdeeld in vijf contact-
stukken, welke met de vijf toetsen van het Baudot-
klavicr verbonden zijn. De Baudot-signalen zijn
samengesteld uit vijf stroom -impuls ies, welke ver-
schillende combinaties zijn van -f en — impulsies.
Deze worden ontvaugen in vijf electromagneten, die
vijf selectoren sturen, w r aarvan de combinatie den
stand van het typenrad bepaalt, waartegen op het
juiste oogenblik een papierstrook gedrukt wordt
(> Druk -ontvangst). Gillon.
Baudouin, LouisMarie, Eerbiedwaardige,
priester uit den tijd der Fransche revolutie, bijge-
naamd „apostel der Vendée. * 2 Aug. 1765 te Montaigu
(Vendée), f 12 Febr. 1835 te Chavagnes-en-Paillers.
Hij weigerde in 1792 den eed op de Constitutie af te
leggen, kwam in de gevangenis en ontvluchtte naar
Spanje. Van 1797—1800 oefende hij in het geheim de
zielzorg uit te Les Sables d’Olonne en was sedert
1801 pastoor te Chavagnes. Onvermoeid werker als
hij was, gaf hij bovendien zijn krachten aan de oplei-
ding van priester-studenten. Het w^erk van B. leeft nog
steeds voort in zijn twee stichtingen: de Ursulinen
van Jesus (Ursulinen van Chavagnes)
en een congregatie van seculiere geestelijken, zonen
(of kinderen) van de Onbevl. Ontvangenis van Maria,
bekend als: Pères de Chavagnes. Het
decreet tot inleiding van het proces zijner zalig-
verklaring dateert van 7 Sept. 1871. J. v. Rooij.
Baudouin de Sebourg, fantastische Fransche
kruisvaartroman uit het begin der 14e eeuw. De held
is de zoon van den koning van Nijmegen, w r ordt
seneschalk van den graaf van Vlaanderen, v T iens doch-
ter hij o.a. schaakt; beleeft allerlei avonturen, w r aarin
de kracht van zijn vierkante vuisten en de drang van
zijn zinnelijkheid hem telkens opnieuw verwikkelen;
verbonden met de galante en ridderlijke avonturen
van zijn broeders Esmore it, Gloriant en Alexander;
in verband gebracht met de kruistochten en met de
mythische geschiedenis van Godfried van Bouillon.
Want de held w r ordt koning Boudewijn, derde koning
van Jerusalem, al blijft er van diens geschiedenis
weinig meer dan de naam over. Sommige motieven
zouden wel op oudere Dietsche liederen kunnen
145
Baudouinville — Bauer
146
berusten. De dichter is ook een Fransch -schrijvend
Vlaming. Onze abele spelen hebben er uit geput.
Er heeft een Dietsche bewerking van bestaan, waarvan
nog 315 w. overblijven.
U i t g. : L. Bocca (2 dln. Valenciennes 1841).
V. Mierlo.
Baudouinville, > Boudewijnstad.
Boudour, gem. in de prov. Henegouwen, ten
W.N.W. van Bergen; opp. 2 359 ha, 4 500 inw.;
rivier de Hainc in de nabijheid; bosch van B.; heuvcl-
achtige streek, met bosschen en weiden; zandachtige
kleigrond; landbouw; potaarde; steenkool; potten-
bakkerij; porseleinfabrieken, houthandel. Kasteden
van Mont-Garni, de Fuisseaux en Le Louchier; merk-
waardige Gotische kerk; oude belangrijke heerlijkheid.
V . Asbroeck.
Baudrand , Barthélemy, Jezuïet, ascetisch
schrijver; * 18 Sept. 1701 te Névache, f 3 Juli 1787
te Vienne. B. was een geliefd en veel gelezen schrijver
en bijna al zijn ascetische werken zijn meermalen
herdrukt en vertaald tot op den dag van heden. Zijn
gezamenlijke geschriften zijn het best uitgegeven door
Misrnc (2 dln. Parijs 1855).
L i t. : C. Sommervogel, Bibliothèque de la Comp. de
Jésus (I, 1020-1048). J. v. Rooij.
Baudrillarl, l n A 1 f r e d, Fransch prelaat en
kerkhistoricus, Oratoriaan. * 6 Jan. 1859 te Parijs;
rector van het Institut Catholique aldaar, sinds 1918
lid van de Académie Fran^aise; mede -uitgever van
den Dictionnaire d’histoire et de géographie ecclé-
siastique (Parijs 1909 vlg.).
Voorn, werken: Philippe V et la cour de France
(5 dln. 1890 vlg.) ; Vie de mgr. d’Hulst (2 dln. 1901 vlg.) ;
L’Eglise catholique, la Renaissance et le Protestantisme
(1904) ; Quatre cents ans de Concordat (1905). —
Lit. : C. d’Habloville, Grandes figures de 1’Eglise con-
temporaine (Parijs 1925).
2° H e n r i Joseph Léon, Fr. economist,
vader van mgr. IJ. M. A. Baudrillart, hoogleeraar
in de economie aan de Ecole des ponts et chaussées,
leider van het „Journal des économistes”, „Journal
des débats” en „Journal constitutionel”. In zijn econo-
mische werken komt het zedelijk-wijsgeerig element
sterk uit.
Werken: Jean Bodin et son temps (1853) ; Publi-
cistes modernes (1863) ; Manuel d’économie politique
(1872) ; La familie et 1’éducation en France dans leurs
rapports avec 1’état et la société (1874) ; Histoire du
luxe privé et public (4 dln. 1878-’80) ; Des rapports de
1’économie politique et de la morale (1883) ; Les popu-
lations agricoles de la France (1885-’93). — Lit.:
Mémoires de 1’académie des Sciences morales et poli-
tiques (serie 2 XIX) ; Journal des économistes (1892) ;
Handwörterbuch der Staatswissenschaften.
M. Verhoeven .
Baudry, Paul Jacques Aimé, Fransch
portret-, genre- en decoratieschilder. * 7 Nov. 1828
te Napoléon (Vendée), f 17 Jan. 1886 te Parijs. Leer-
ling van Drolling en de Ec. des Beaux Arts. 1850 wint
hij den Prix de Rome, 1880 werd zijn 'werk bekroond
met de eeremedaille in de Parijsche Salon. Hij studeer-
de ook nog in Italië naar de werken van Raffael,
Titiaan en Correggio. Plafond- en wandschilderingen.
Werken: decoratieschilderingen voor den foyer van
de Opera te Parijs (1866-1872), voor het kasteel te
Chantilly, enz. ; schilderijen van hem o.a. in de musea te
Nantes, Lille, Bordeaux, en in het Luxembourg te
Parijs. — Lit.: Bellier-Auvray, Dict gén. des peintres ;
Ch. Ephrussi, Paul Baudry, sa vie et son oeuvre (Parijs
1878). de Stuers.
Bauclry-Laeautinerie, M a r i e Paul
G a b r i e 1, Fransch rechtsgeleerde, * 14 Juni 1837
te St. Sauveur de Nuaille; studeerde te Poitiers en
werd vervolgens professor te Poitiers en in 1871 te
Bordeaux. In 1886 werd hij aldaar deken der rechts-
geleerde faculteit. Zijn „Précis de Droit Civil” was
langen tijd klassiek in de Fransche en Belgische
rechtsfaculteiten. Zijn groote werk is echter zijn
„Traité théorique et pratique de Droit Civil”, waarvan
de derde uitgave vanaf 1907 in 29 deelen met de
medewerking van de meest vooraanstaande Fransche
juristen verscheen. Dit werk werd in de laatste jaren
aangevuld door prof. Bonnecase van de universiteit
van Bordeaux: 5 deelen van dit „Supplement” zijn
van 1924- ’33 verschenen.
Baudry-Lacantinerie wordt terecht beschouwd als
een der laatste groote vertegenwoordigers van de
verklarende rechtsschool (école d’exégcse), die bij
de interpretatie der wetten hoofdzakelijk aan den
wettekst getrouw bleven — terwijl de wetenschappe-
lijke verklaringsleer (école scientifique), waarvan de
eerste groote vertegenwoordiger prof. Geny is geweest,
ook ruime medezeggenschap toekent aan de maat-
schappelijke verhoudingen en de gegevens der mensche-
lijke rede.
Lit.: Bonnecase, Supplément (I, 372). Orban.
Bauer, 1° B r u n o, vrijzinnig Duitsch bijbel-
kundige. * 6 Sept. 1809 te Eisenberg, f 15 April 1882
te Rixdorf. Bestudeerde vooral het eerste Christendom.
Behalve enkele werken over politieke geschiedenis,
schreef B. zijn meeste studies over het N. T. De
radicale bijbelcritiek van Bauer, vaak voorgedragen
in den vorm van scherpe polemiek, ontstond en groeide
onder den invloed van de Hegeliaansche philosophic,
welke de feiten der geschiedenis verklaart als producten
of constructie van de reflexie of speculatie; speciaal
de godsdienstige ideeën concretiseeren zich in geschied-
kundige legendarische verhalen. Bijzonderen na druk
legt B. op een beïnvloeding van het eerste Christendom
door het Hellenisme.
Werken: o.a. Kritik der Evangeliën und Ge-
schichte ihres Ursprungs (4 dln. Berlijn 1850-1852) ;
die Apostelgeschichte (Berlijn 1850) ; Kritik der paulin.
Briefe (3 dln. Berlijn 1850-1852) ; Das Evangelium
(Berlijn 1880). Brans .
2° G u s t a v, Duitsch staatsman, * 1870 te
Darkehmen (O. Pr.). Eerst bediende, dan sedert 1912
soc. rijksdagafgevaardigde. In Oct. 1918 min. van
Arbeid; in Juni 1919 rijkskanselier, onderteekent het
verdrag van Versa illes. In 1920 ontslag, daarna min.
van Fin. en later van Verkeerswezen in het kabinet
Muller. Van Mei 1921 tot Nov. 1922 min. van Fin.
in het kabinet Wirth. Gewikkeld in Barmatschandaal,
1925 uit de soc. dem. partij gesloten, later gerehabili-
teerd. Cosemans.
3° K 1 a r a (pseud.: KI. D e 1 1 e f), Duitsche
schrijfster, die de stof voor haar feuilleton istische
vertelkunst ontleent aan het leven van de Russische
hoogere kringen. * 23 Juni 1836 te Swinemünde,
f 29 Juni 1876 te Breslau.
Hoofdwerken: Nora (1871) ; Schuld und Sühn©
(1871) ; Benedikta (1876) ; Russische Idyllen (1878).
4° Leopold, Oostenrijksch bouwmeester, van
1913 — ’18 prof. aan de Academie van Weenen, leerling
van Otto Wagner, ijvert voor zakelijke en doelmatige
woningconstructie. * 1872 te Jagemdorf (Oostenrijk).
5° Mari Alexander Jacques, Holl.
schilder, etser, lithograaf en illustrator (zie plaat
tegenover kolom 160). * 25 Januari 1846 te Den
147
Bauera — Bauhaus-groep
148
Haag, f 18 Juli 1032 te Amsterdam. Leerling van
de Haagsche academie en van S. van Witzen.
Rijke fantasie en bijzonder kleursentiment. Werkte
in Konstantinopel, Frankrijk, Egypte en in 18%
in Engelsch-Indië, Rusland en Ned.-Indic. Hij
is vooral beroemd als etser en tcekenaar van
Oostersche onderwerpen. Zijn graphisch werk onder-
scheidt zich door een virtuoos luchtig lijnenspel, een
groot uitbeeld ingsvcrmogen, een rijkdom in de compo-
sitie en beheersching van de techniek. Ook als litho-
graaf was hij persoonlijk en zeer sterk. Zijn composities
zijn vaak zeer doorwerkt, wel overwogen, de figuren
goed gearrangeerd in de omringende architectuur,
groot van visie en nimmer zich al te zeer verliezend
in het detail. Was ook als schilder een der belang-
rijkste onder de modernen. Werken van hem bevinden
zich in de meeste musea van Holland.
Lit.: Marius, De Holl. schilderkunst; Jan Vcth,
Notities ; Alb. Plasschaert, Iloll. schilderkunst ; Gram,
Onze schilders in Pulchri Studio (1880-1904).
de Stuers.
0° M o r i t z, componist, dirigent en musicoloog;
* 8 Apr. 1875 te Hamburg. Van belang zijn de studies
van B. over Schubcrt, in het bijzonder: Die Lieder
Franz Schuberts (1 1915).
7° Peter, Duitsch Katholiek schrijver van
gedichten, lebenden, novellen en letterkundige kritiek.
* 5 Juli 1885 te Worms.
Werken: Der heilige Bund (gedichten, 1919) ;
Die Gotteswiese (1919); Der Organist von Silberbuchen
(1921); Die Weggctrcucn (1922); Das Dreigespann
(1923) ; Der Geschwistorhof (1924).
8 ° W a 1 1 e r, Duitsch dichter van Christelijk
getinte arbeidspoëzie. * 4 Nov. 1904 te Merseburg.
Werken: Kameraden, zu Euch spreche ich (1929) ;
Stimmen aus dem Lcuna-Werk (1930).
Bsiucra (plant k.), de eenige vertegen-
woordiger van de onderfamilic Baueroideae, behoorend
tot de steenbreekachtigen (Saxifragaceae), is inheemsch
in Australië. De drie soorten van dit geslacht zijn
struikgewassen.
Büuerl, > Peuerl.
Bauerle, 1° A d o 1 f, Oosten rijksch -Duitsch
tooneel- en romanschrijver in den volkstrant; schiep
enkele specifiek-Weensche volksliederen. * 9 Apr.
1786 te Weenen. f 20 Sept. 1859 te Bazel.
U i t g. : O. Rommel, Ausgewahlte Werke (2 dln.
1910 vlg.). — Lit.: R. Fiirst, Raimunds Vorganger
(1907).
2°Hermann, componist van kerkelijke muziek
in den Palestrina-stijl en als musicoloog specialist op
het gebied der 16e eeuwsche kerkmuziek, * 24 Oct. 1869
te Egersberg (Wurttemberg). Hij promoveerde in 1906
te Leipzig op een belangrijk proefschrift over: Die
7 Buszpsalmen Lassos, en redigeert sinds 1903 een
Bibliothek altklassischer Kirchenmusik in moderner
Notation (werken van Palestrina, Lasso, Vittoria
en Fux). Publiceerde verder over: Liturgie (1908);
Der Vatikanische Choral in Reformnotation (1907).
Reeser.
Baucrnfeiml, prisma van, wwdt gebruikt
bij het landmeten om rechte hoeken uit te zetten.
Het is een driehoekig glazen prisma, met een gclijk-
beenigen rechthoekigen driehoek tot grondvlak.
Grond- en bovenvlak, benevens het opstaande zijvlak
van de schuine zijde, zijn verfoei ied, werken dus ais
spiegels. Over het prisma ABC heen ziende, viseert
men een baak Q, de baak P wordt dan door een hulp
zoodanig geplaatst, dat het beeld, door hot prisma
waargenomen, met Q samenvalt. De gang van de
lichtstralen in het prisma is in de afb. voorgesteld,
liet prisma is gewoonlijk op een klein opklapbaar
handvat gemonteerd, waardoor het geheel een gemak-
kelijk in den zak mee te nemen, handig instrumentje
vormt.
Het prismakruis van B. bestaat uit tw f ee
boven elkaar geplaatste prisma’s, waarvan de schuine
zijden loodrecht op elkaar staan. Kijkt men door het
gemeenschappelijke zijvlak, dan ziet men de beelden
van twee bakens samenvallen, indien zij met het
standpunt van den waarnemer op een rechte lijn ligiren.
Jong .
Baiicrhfelcl , Eduard von, Duitsch-Oosten-
rijksch blijspeldichter, wiens gevatte satire de behouds-
gezinde voorname Weensche kringen van voor 1848
met scherp-liberale strekking van Fransche herkomst
ten tooneele voert vooral in zijn meesterstuk Grosz-
j a h r i g (1846). * 13 Jan. 1802 te Weenen, f 8 Aug.
1890.
U i t g. ; Ausgewahlte Werke (4 dln. 1905). — Lit.:
B. Stern, B. (Weenen 1890); È. Horner, B. (Weenen
1900) ; W. Zentner, Studiën zur Dramaturgie B.’s
(Berlijn 1922). Baur .
Bauffc, gemeente in de prov. Henegouwen, ten
N.W. van Bergen; opp. 765 ha, 700 inw.; zandachtige
kleigrond; landbouw; kasteel van Flée.
Bauffc, V i c t o r, Holl.(?) landschapschilder.
* 1849, f 31 Oct. 1921 te Den Haag. Leerling van
I. II. Weissenbruch. Hij werkte o.a. veel te Noorden
bij Nieuwkoop, daarna ook te Kortenhoef, Renkum,
Voorschoten, enz. Schilderde in den beginne sterk onder
invloed van Weissenbruch e.a. meesters van de
Haagschc School. Maakte ook enkele stillevens.
Lit.: Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst.
Baugnics, Belg. gem. in de prov. Henegouwen,
ten Z.O. van Doornik; 600 inw., opp. 530 ha. Land-
bouw; kerk met gedeelten uit de 12e en 13e eeuw;
kapel van O. L. Vrouw, bedevaartplaats.
Bauhaus-groep, naam gegeven aan beoefenaren
van kunstvakken, voornamelijk architecten, die
gestudeerd en gedoceerd hebben aan het Bauhaus te
Dessau (gebouwd in 1925 door Walter Gropius,
opgeheven 1933), een onderw’ijs-inrichting w^aar ge-
streefd w r erd door groote zakelijkheid in de architec-
tuur en bij het vervaardigen der gebruiksvoorwerpen,
149
B au hin — B aum ann
150
zonder ornament of bijkomstigheden, aesthetische be-
vrediging te schenken en een nieuwe kunst te scheppen.
T hunnissen.
Bauliin, 1° Gaspar, Zwitsersch plantkundige,
zoon van een uitgeweken Franschen dokter, broeder
van Jean B., * 15G0, f 1G24 te Bazel. Hij studeerde
achtereenvolgens te Bazel, Padua, Montpellier, Parijs
en Tübingen. Hij werd professor in de plantkunde te
Bazel. Door zijn vele reizen kende hij veel plant-
kundigen, wat hem mogelijk maakte een zeer uit-
gebreide plantenverzameling aan te lessen.
Werken: Prodromus theatri botanici (1620); Pinax
theatri botanici (1623), waar 6 000 plantensoorten in
beschreven worden ; is zeer goed wat nomenclatuur
betreft.
2° Jean, broeder van Caspar B., eveneens plant-
kundige, * 1541, f 1G13 te Bazel. Een zeer belangrijk
plantkundig werk van zijn hand is „Histoire univcrsefle
des plantes”, in 1650 — ’51 uitgegeven als Historia
planturum universalia. Er worden 5 000 planten-
soorten in beschreven met 3 500 afbeeldingen.
Douman.
Bauhinia, een plantengeslacht van de familie
der peulgewassen (Leguminosae), en van de onder-
familie der Caesalpinioideae; komt in de tropen met
200 soorten voor als boomen. struiken en slingerplan-
ten. Van vele soorten worden de zaden geroosterd
gegeten, o.a. in Zuid-West Afrika die van B. escu-
lenta en B. macrantha. In tropisch Azië
en Afrika wint men olie van B. tomentosa.
Sommige leveren een goede soort hout, bijv. in Indië
en China de B. a c u m i n a t a. De bastvezels van
vele soorten gebruikt men voor het vervaardigen
van touwen, netten en weefsels. Daarnaast leveren ze
gom, kina, roode of blauwe plaatselijk gebruikte
verfstoffen, of dienen als volksgeneesmiddel. Als
sierplant worden in het Oosten ook enkele soorten
aangekweekt. Douman.
Bnuliinieac, een der peulgewassen (Leguminosae),
bestaat uit drie geslachten, waarvan slechts twee van
beteekenis zijn, nl. Gereis en Bauhinia.
Bauhinisclic klep (valvula Bauhini of coli)
is gelegen bij den overgang van den dunnen in den
dikken darm. De klep is een trechtervormige plooi
en zoo geplaatst, dat wel de inhoud van den dunnen
naar den dikken darm kan passeeren, maar niet
omgekeerd .
Bauhüt te, werkruimte der bij een bouw werkzame
bouwvaklieden; later organisatie der bouwlieden in
den vorm van gilden; voor enkele bedrijven, die niet
genoeg werk konden vinden in één stad, werden
grootere gilden -organisaties toegelaten; zoo werd bij
het bouwen van een dom de Bauhütte van elders
ontboden. Men treft de B. reeds aan sinds de 13e eeuw.
Baukema, 1° Philips, Holl. schilderes.
* 1863 te Ede. Zij schildert en teekent vooral land-
schappen, boschgezichten en soms bloemstil levens.
Werkte o.a. in Heelsum, Tiel, Arnhem. Een talent,
dat, zonder zich te veel in het detail te verliezen,
gaarne zich verdiept in een uitvoerige uitbeelding.
Zij teekent ook portretten.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst.
2° S., Holl. schilder; * 3 Apr. 1852 te Otdemirdum
(Friesland). Tot 1877 was hij teekenonderwijzor o.a.
aan de academie Minerva te Groningen. In 1879 deed
hij examen M.O. Werd directeur en leeraar der
Arnhemsche teekenschool. Schilderde portretten,
genrestukken en landschappen. de Stuers.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst.
Bnuldcwijn (B a u d o u y n), N o ë 1 (N a t a -
lis), Ned. componist; f 1529 te Antwerpen, waar
hij van 1513 tot 1518 kapelmeester was der O.L. Vrou-
wekerk. B. schreef motetten, waarvan vele in druk
verschenen, en missen (o.m. op het lied „Myns lief-
kens bruyn oghen”), die meestal in hs. bewaard
bleven. Lenacrts .
Baulcrs, gem. in Waalsch-Brabant, 1000 inw.;
opp. 1 074 ha ; landbouw.
Baulig, H e n r i, Fransch geograaf, prof. aan de
rijksuniveisiteit te Straatsburg. Volgeling der Amer.
school voor geomorphologie van W. M. Davis en
J. K. Gilbert, wiens laboratorium hij in Amer. bezocht.
Bestudeerde bijzonder de evolutie der erosie-schier-
vlakten, in zijn meesterwerk: Le plateau du Massif
Central. B. helt over naar het eustatisme, de absolute
verticale rijzingen en dalingen van het zeeniveau als
primordiale oorzaak van de jongste erosiemorphologie
der aardopperv lakte. * 1878.
Werken: Questions de morphologie vosgienne et
rhénane (Ann. de géogr. 1922) ; La notion du profil
d’équilibre (Kairo 19261 ; Le plateau central de la France
et sa bordure occidentale (Parijs 1928); Amér. Septen-
trionale (Canada et Etats-Unis) (Geogr. Univcrselle,
XIII Parijs 1933). Lejèvre.
Baum, 1° Oskar, Duitsch schrijver van
idealistische romans, die veelal spelen in de wereld
der blinden, waartoe B. zelf sedert 1894 behoort.
* 21 Jan. 1883 te Pilsen.
Werken: Die Memoiren der Frau Marianne Roll-
berg (1904); Die böse Unschuld (1907); Das Leben im
Dunkeln (1909) ; Die verwandelte Welt (1919) ; Die Tür
ins Unmöglichc (1920); Die neue Wirklichkeit (1921);
Die Frauen und ich (1928); Nacht ist umher (1929).
2° Pan 1, Duitsch landschapschilder. * 22 Sept.
1859 te Mcissen, f 1932. Werkte eerst aan de Porzellan
Manufaktur te Meissen. Studeerde daarna aan de
acad. te Dresden, en vervolgens te Weimar (bij
Th. llager). Hij reisde, behalve in Duitschland, ook
in Frankrijk, Holland, België en Italië. Zijn talent
ontwikkelde zich hoofdzakelijk onder den invloed
van de Fransche en Belg. neo -impressionisten Seurat,
Signac, v. Rijsselberghe e.a.
L i t. : J. Meier-Graefe, Entwicklungsgcsch. der mod.
Kunst; F. v. Bütticher, Malerwerke des 19. Jahrhs.
3° V i c k i, Duitsch schrijfster van overdreven
geprezen, gewild-modeme romans, waarvan vooral
de laatsten slap van bouw, oppervlakkig van psycho-
logie en vol ongezonde sensatie zijn. * 24 Jan. 1888 te
Weenen.
Werken: Frühe Schatten, das Ende einer Kindheit
(1920); Ulle der Zwerg (1924); Feme (1926); Helene
Willfuer (1929) ; Menschen im Hotel (1929).
Bauniaiin, 1° Alex ander, Oostenrijksch-
Duitsch blijspeldichter, die met een nog zeer ver-
litteraird dialect in den dialoog en in de liederen
151
Baumbach — Baumker
152
komische werking bereikt. * 7 Febr. 1814 te Weenen,
f 26 Dec. 1857 te Graz.
Hoofdwerk: Das Versprechen hinterm Herd
(1848). — L i t. : W. Jaffé, A. B. (Weimar 1913).
2° E m i 1 e, Fransch, Katholiek romanschrijver
van nationalistische richting en van streng ethische
probleemstelling. * 1868 te Lyon. De sterk gesloten,
als drama’s voortschrijdende romans van B. schilderen
bij voorkeur kloeke mannenzielen, die op het aambeeld
van bekoring en leed beproefd worden, maar in hun
strijd de sterkte der genade ondervinden.
Voorn, werken: La fosse aux lions (1911) ;
L’immolé (1912) ; Le baptême de Pauline Ardel (1913) ;
Le fer sur 1’enclume (1913-’20) ; Job le prédestiné (1923);
L’abbé Chévoleau. — L i t. : H. Bahr in Hochland
(1918, 1921) ; V. Klemperer, Die moderne französische
Prosa (II Leipzig 1923, 69 vlg.). Baur.
3° Oskar, Afrika-reiziger en geograaf. * 25 Juni
1864 te Weenen, f 12 Oct. 1899 aldaar; studeerde te
Weenen in geographie en natuurwetenschappen;
onderzocht in 1883 het Dormitorgebergte in Monte-
negro; als geograaf deel uitmakend van de Oosten-
rijksche Kongo-expeditie, deed hij in 1885 zijn eerste
reis in Afrika; in 1888 maakte hij met Hans Meyer
reizen in Du itsch-Oost- Afrika en in de volgende jaren
zette hij deze onderzoekingen voort, o.a. in Oesambara,
de gebieden ten Z. en ten W. van het Victoria -meer,
waar hij vaststelde, dat de Kagera de eigenlijke bron-
rivier van den Nijl is. Zanzibar, Pemba en Mafia
werden door B. wetenschappelijk onderzocht. Van
1896 — 1899 was hij Oostenrijksch consul in Zanzibar.
Werken: Beitrage zur Ethnographie der Kongo
(1887) ; Fernando Po (1888) ; In Deutsch-Ostafrika
(1890) ; Usambara (1891) ; Durch Massailand zur Nil-
quelle (1894); Der Sansibar-Archipel (1896-1899) ; Afri-
kanische Skizzen (1900). v. Velthoven.
Baumbach, 1° Max, Duitsch beeldhouwer.
* 28 Nov. 1859 te Wurzen. Leerling van de Berlijnsche
Kunstgewerbeschule (1881 — 1884) en het atelier
van R. Begas. In 1885 eerste tentoonstelling te Berlijn.
Zijn werk werd te Berlijn en te München bekroond met
de kleine gouden medaille. In 1893 de groote gouden
medaille te Weenen, daarna nog een medaille te
Chicago. Na voltooiing van het Kaiser-Friedrich
Monument te Worth in 1895 werd hij benoemd tot
professor en lid van de Kon. Pruis. acad. van Schoone
Kunsten.
Werken: bronzen ruiterstandbeeld van koning Al-
bert in Dresden (1901) ; monument van hertog Albrecht
van Pruisen in den dom te Berlijn (1903) ; portretbustes
van Fr. Haase, Ludw. Pietsch, Fr. Spielhagen e.a. —
Lit. : Deutsches Zeitgenossenlex. (Leipzig 1905).
de Stuers.
2° R u d o 1 f, populair Duitsch dichter van
gezonde, ietwat zoetige volksliederen, die om hun
gemakkelijken, vlotten gang in de studentenliedboeken
opgenomen werden. * 28 Sept. 1840 te Kranichfeld,
f 21 Sept. 1905 te Meiningen.
Hoofdwerk: Lieder eines fahrenden Gesellen
(1878) : Spielmannslieder (1882). — Lit.: K. Fuchs,
R. B. (Leipzig 1898) ; A. Selka, R. B. (1924).
Baumé (graden). Door Baumé is een areo-
meter ingevoerd met een bijzondere schaalverdeeling,
die in de techniek nog steeds in gebruik is. Volgens
het Bureau of Standards te Washington is deze schaal
als volgt berekend: voor vloeistoffen zwaarder dan
water geldt de formule : s = 145 /145 — n (bij 60°Fahren-
heit); voorvloeist. lichter dan water: s = 140/130 +n.
Hierin is s het soortelijk gewicht en n het aantal
graden Baumé der vloeistof. v. d. Beek.
Bau meister, W i 1 1 i, Duitsch schilder uit den
groep der „Konstruktivisten”. Legt zich in later tijd
vnl. op monumentale vlakke sierschilderkunst toe
(wanddecoraties). * 1889 te Stuttgart, woont in Frank-
fort a/d Main.
Ba timer. Dom Suitbert, Benedictijn,
* 1845, f 1894; monnik der abdij van Beuron, schrijver
der belangrijke „Geschichte des römischen Breviers”
en van andere studies op liturgisch gebied.
Baumes-Colles, Wet van, > Colles-
Baumes, Wet van.
Baumgarten, 1° Alexander Gottlieb,
Duitsch wijsgeer, aanhanger van Wolff, * 1714, f 1762;
hoogleeraar te Frankfurt a.O. B. vulde het stelsel
van Wolff aan met een aesthetica, die de regels voor
het juiste waarnemen zou moeten geven, zooalsde
ethica voor het juiste willen en de logica voor het
juiste denken. Hij heeft groote verdienste voor de
schepping der Duitsche wijsgeerige terminologie.
Kant beschouwde B. als den voomaamsten metaphy-
sicus van zijn tijd.
Werken: Metaphysica ; Ethica philosophica ; Aes-
thetica : Philosophia generalis. — Lit.: E. Bergman,
Die Begründing der deutschen Aesthetik durch A. G.
Baumgarten und G. F. Meier (Leipzig 1911).
F. Sassen.
2° Franziska, lector in de psychotechniek
te Bern; * 1888 te Lodz (Polen). Zij publiceerde o.a.
Beitrage zur Berufskunde des Versicherungswesens,
I Zur Psychologie und Psychotechnik des Versiche-
rungsagenten (1924), II Zur Psychotechnik und Charak-
tereologie des Regulierungsbeamten (1926) ; Die
Berufseignungsprüfungen (1928); tezamen met
G. Fabian: Psychotechnik der Menschenwirtschaft
(1930).
Baumgartner, Alexander, Duitsch
Jezuïet en vooraanstaand litterairhistoricus, van
grondig en veelzijdig weten, maar van een dogmatische
beperktheid, die o.m. ook Goethe (2 dln. 1885) in
zijn hoogste kunstenaarschap niet wist te erkennen.
Zijn onvoltooide Geschichte der Welt-
literatur (6 dln. en supplement, Freiburg 1897 —
1912) is een stevige aaneenschakeling van afzonderlijke
monographieën der onderscheiden letterkunden uit
Oost en West, waar dus de comparatistische beschou-
wingswijze totaal vreemd aan bleef. Ook Vondel’s
leven beschreef hij (1882). * 27 Juni 1841 te St. Gallen,
f 5 Sept. 1910 te Luxemburg.
L i t. : O. Pfülf in Stimmen aus Maria-Laach (1910) ;
N. Scheid, A. B. (Luxemburg 1911). Baur.
Baumliauer, F e 1 i x, Duitsch schilder, vooral
van onderwerpen uit de Christelijke kunst. Muur-
schilderingen, kerkramen (van een opvallende helder-
heid en doorzichtigheid). Zijn Madonna’s hebben een
wat droomerige uitdrukking. * 1876 in Lüdingshausen
(Westfalen), nu professor in München.
Voorn, werken: Kruisweg in den dom van
Bamberg (1920); vensters in de Lieve Vrouwekerk van
Worms (1921); mozaïeken in de kathedraal van St.
Louis (Ver. Staten, 1924-’25).
Baumker, 1° Clemens, Duitsch nieuw -
Scholastiek wijsgeer en geschiedschrijver, vooral
bekend door de „Beitrage zur Geschichte der Philo-
sophie des Mittelalters” (Beitrage-B.), een serie mono-
graphieën, sinds 1891 onder zijn leiding uitgegeven.
* 1853, f 1924, hoogleeraar te Breslau, Bonn, Straats-
burg en München.
Werken: Das Problem der Materie in der griech.
Philosophie ; Die Impossibilia des Siger von Brabant :
153
Baumstark — Bautersem
154
Wifcelo, Die christliche Phil. des Mittelalters (in Hinne-
berg’s Kultur der Gegenwart) ; Der Platonismus des
Mittelalters. F. Sassen.
2° Wilhelm, Duitsch Katholiek theoloog
en beoefenaar van de geschiedenis der muziek;
* 1842 te Elberfeld, f 1905 te Rürich. Hij studeerde te
Münster en Bonn, was van 1869 — ’92 kapelaan te
N iederkrüchten en daarna pastoor te Rürich. In 1889
werd hij doctor honoris causa in de theologie aan de
universiteit te Breslau.
Werken: zette het werk voort van Meister : Das
katholische deutschc Kirchenlicd in seinen Singweisen
(4 dln. 1886-1911). Verder: Niederlandische geistliche
Lieder nebst ihren Singweisen aus Hss. des 15. Jh. (1888);
Ein deutsches geistliches Liederbuch mit Melodien aus
dem 15. Jh. (1895). Piscaer.
Baumstark, A n t o n, Duitsch oriëntalist,
was achtereenvolgens hoogleeraar te Bonn, Utr. en
Nijmegen (tot 1930), doceert nu te Münster en te Bonn.
Schreef werken op het gebied der Oostersche talen,
literatuur en patrologie, der liturgiegeschiedenis, de-
Oostersch-Christ. archeologie en der klassieke philolo-
gie. Gaf uit van 1901 — 1905 en na 1911 de „Oriens
Christianus”. * 1872 te Konstanz.
Voorn, werken: Aristoteles bei den Syrern
vom 5. bis 8. Jahrh. (1900) ; Die christl. Literaturen des
Orients (1911-’12) ; Die Messe im Morgenlande (1916):
Gesch. der syrischen Literatur mit Ausschluss der christl.-
palastinischen Texte (1922). Knipping.
Baur, 1° E r w i n, Duitsch geneticus (* 1875),
heeft o.a. dcor zijn Antirrhinum -onderzoek veel
bijgebracht tot de betere kennis van het gedrag der
erffactoren. Zijn handboek „Einführung in die Ver-
erbungslehre” (7-n 1930) behoort tot het degelijkste
op dit gebied. In 1927 stichtte hij te Müncheberg
het Kaiser-Wilhelm-lnstitut für Vererbungsforschung,
waarvan hij thans nrg directeur is; hij is tevens
hoogleeraar aan de landwirtschaftliche Hochschule
te Berlijn. Met M. Hartmann bezorgt hij de uitgave
van het monumentale „Handbuch der Vererbungs-
wissenschaft” in 33 afleveringen, waarvan reeds 18
zijn verschenen. Dumon.
2° Ferdinand Christian, vrijzinnig
Duitsch bijbelkundige. * 21 Juni 1792 te Schmieden
(Wurttemberg), f 2 Dec. 1860 te Tübingen. Benoemd
in 1825 tot prof. van kerk- en dogma geschieden is aan
de universiteit van Tübingen. Schreef talrijke werken.
B. heeft vooral de geschiedenis van het eerste Christen-
dom bestudeerd. Hij is de stichter van do zgn. School
van Tübingen , welke het Christendom foutief verklaart,
doordat zij ook op den Christelijken godsdienst het
te algemeen philosophisch Hegeliaansch princiep
van de thesis, antithesis, synthesis toepassen wil,
en een objectieve critiek der historische bronnen
verwaarloost.
Werken: o.a. Symbolik und Mythologie (Stoccarda
1824-1825) ; Paulus der Apostel Jesu Christi (Stoccarda
1845, Leipzig 1866-’67 ; postume uitgave van E. Zeiler);
Vorlesungen über die christ. Dogmengeschichte (4 dln.
Leipzig 1865-1867) ; Gcschichte der christl. Kirche
(5 dln. Tübingen 1863-77). Brans.
3° Frank, professor in de literatuurgeschiedenis
aan de universiteit te Gent. * 1887 te Vilvoorde.
Schreef onder pseudoniem Aran Burfs essays
over Vlaamsche dichters, o.a. Onze dichters der Heimat
(1909). Na een degelijke studie over Gezelle’s jeugd
en leerarend priesterschap: Uit Gezelle’s Leven en
Werk (1930), bezorgt hij thans met dr. Allossery en
De Cuyper de jubileumuitgave van Gezelle’s werken.
A. Boon.
4° G e o r g e, zoöloog; * 1859 te Weisswasser,
f 1898 te München. Na zijn studies in het zoölogisch
instituut te Leipzig en in het geologisch -palaeonto-
logisch instituut te München, werd hij professor in de
vergelijkende osteologie te Worcester en daarna
te Chicago. Hij leverde verschillende vergelijkend-
anatomische studies over het geraamte der gewervelde
dieren en een beschrijving over schildpadden en
hagedissen van de Ga lapagos -eilanden. Van zijn
studies over den hand- en voetwortel der gewervelde
dieren verscheen slechts het eerste deel „Batrachia”
(Jena 1888). Willems.
5° K a r 1, Dnitsch beeldhouwer. * 21 Dec. 1881 te
München. Leerling van de acad. te München (onder
Ad. Hildebrand). Werd eenige malen bekroond, o.a.
in 1908 met zijn ontwerp van het Ludwigdenkmal te
Bamberg. Eerst na de tentoonstellingen te München
in 1908 werd zijn werk meer en meer bekend en kreeg
hij meerdere opdrachten. Van zijn werken zijn te ver-
melden: een liggende Narcissusfiguur en het graf-
monument van Freifrau von Bodmann te Freiburg.
Lit. : Die Kunst (IX 1904); Kunst für Alle (XIX,
481). de Stuers.
G° N i c o 1 a a s, Holl. zeeschilder; * 12 Sept. 1767
te Harlingen, f 28 Mrt. 1820 aldaar. Leerling van zijn
vader J. A. B. Hij schilderde aanvankelijk landschap-
pen en stadsgezichten, daarna zeegezichten en zeege-
vechten, enz.
Werken: o.a. in het Rijks Mus. te Amsterdam
en in het gem. mus. te Den Haag. — Lit.: Catalogus
Rijks Mus. te Amsterdam ; Van Eynden en v. d. Willigen;
Immerzeel, De Levens en Werken (I). de Stuers.
Bausehinger, een Duitsch wis- en bouwkundige;
* 1843 te Neurenberg, f 1893 te München; heeft veel
bijgedragen tot de ontwikkeling van het onderzoek
van bouwstoffen. Hij nam het initiatief tot het brengen
van internationale eenheid in de verschillende proef-
methoden.
Baussart, E 1 i e, Fransch-Belgisch publicist
van Katholieke denkrichting, die in zijn tijdschriften
Catholique (1911 vlg.) en vooral Terre wallonne
(1919 vlg.) een gezonde decentralisatie op regionalis-
tischen grondslag voorstaat. * 1887 te Couillet.
Baussnern, Waldemar von, dirigent
en componist, * 29 Nov. 1866 te Berlijn; een der
bekendste musici in Duitschland uit de eerste 15 jaren
van deze eeuw; is sinds 1923 secretaris der Akademie
der Künste te Berlijn. Schreef talrijke composities
op elk gebied, zonder tot een persoonlijken stijl te
geraken.
Bautain, Louis, philosoof en theoloog,
eclecticist; * 1796, f 1867 te Parijs; van atheïsme
tot het geloof teruggekeerd (1824), werd hij priester
(1828), maar bleef tegenstander der Scholastiek. Enkele
zijner geschriften werden veroordeeld door het kerke-
lijk gezag, waaraan hij zich onderwierp. In 1850 werd
hij vicaris -generaal van het bisdom Parijs en was
kort daarna tevens prof. aan de Sorbonne. In zijn
philosophisch systeem huldigt hij het traditionalisme
en fideïsme. J. Sassen,
Lit.: De Régny, L’abbé B., sa vie, ses oeuvres (1884);
Denzinger-Bannwart Enchiridion (no. 1622-1627).
Bautersem, Belgische gem. in de prov. Brabant,
aan den weg Leuven — Tienen, ruim 10 km van Leuven;
opp. 535 ha, ong. 1 200 inw. Oneffen, zandig terrein;
landbouw; bosschen. Kasteel.
Bautersem, Brabantsche ministeriale familie,
geheeten naar het plaatsje in Brabant, arr. Leuven,
155
Bautken— Bavay
156
kanton Thiencn. Zij komt het eerst voor in 1130,
verder in de 13e en 14e eeuw.
L i t. : Ganshof, Etude sur les Ministériales etc.
(127/128).
Baulkcn, Lieven, of Lieven Boghaert(?),
Capellaen ende Facteur van de Barberisten binnen
der stede van fihendt, schreef een gedicht (21 strophen)
op de geboorte van keizer Karei, bewaard in Marcus
van Vaernewyck’s Warachtighe Historie van
Carolus de vijfstc: in de eerste uitg. (1501) wordt het
gedicht toegeschreven aan Lieven Boghaert, in de
tweede (1504) aan Lieven Bautken.
L i t . : Fr. Van den Haeghen, Bibl. Gantoise (I Gent
1858, 149 en 181).
Bauloen. Jan, boer uit de Nieuvaart(De
Klundert), die een in het moeras verborgen H. Hostie
opgroef (ca. 1300). Deze gebeurtenis heeft de stof
geleverd voor het mirakelspel „Van den -> Sacramente
van der Nieuwervnrt”.
L i t. : N. Ncd. Biogr. Woordenboek.
Bautta (bauta), Venetiaansch kleed ingstuk,
een halflange, zwarte schoudermantel met capuchon,
vervaardigd van fluweel, zijde of kant. De b. was in
Venetië in de 18e eeuw voor mannen en vrouwen het
klcedingstuk bij uitstek voor carnaval en werd dan
gedragen over den > tabarro en in combinatie met het
witte, langneuzigc masker, dat den mond vrijliet,
terwijl over den capuchon de driekantige hoed werd
gedragen. Terwijl alle andere verklecdingen buiten
den carnavalstijd niet w’aren gepermitteerd, mocht
dit stuk ook van 5 Oct. tot 16 Dec. gedragen worden,
benevens op allerlei wereldlijke en kerkelijke feest-
dagen. Zoo werd de b. in het laat 18e eeuwsch Venetië
tot het algemcene nud^kleed.
L i t. : P. Molmenti, La storia di Venezia nella vita
privata (Bergamo 1908^ ; Fogolari, Jn tabarro e bauta.
in Settecento Veneziano, spec. nummer v. d. Illistrazione
Italiana (l924-’25). v. T Menen.
B:i ut zen, stad in de Saksische Opper-Lausitz
aan de Spree; 40 000 inw., overwegend Prot. Boven
de stad ligt de vesting Ortenburg, gedeeltelijk nog
uit de 10e eeuw. B. is een belangrijke industriestad
(textiel, machines). Op 20 en 21 Mei 1813 versloeg
Napoleon bij B. de Pruisen en de Kussen. Door neder-
lagen van Franschc maarschalken gingen de vruchten
van deze overwinning echter weder verloren.
Bauwens, 1° Cornelis A., stadsonderwijzer
te Lier en destijds befaamd letterkundige, schrijver
van een vijftal treurspelen en twee blijspelen. * 1758,
f 23 Aug. 1824 te Sas-van-Gcnt.
Werken: treurspelen : Cleomire, ersteld Pheni-
oiën of de zegepralende godsdienst; St. Gommar; De
Furie van Lier; Gabiana ; Adclson en Salvanie. Blij-
spelen: Anselmo en Pasquin ; De Dwaeshcid der Min-
naers. Godelaine.
2° I s i d o o r, geneesheer, schrijver van een
onvoltooid medisch woordenboek, van een paar
bekroonde tooneelstukken: het blijspel Hertog Philips
(1894), het treurspel Twee Tygerinncn (1897), van
het zangspel Quinten Metsys en het historisch melo-
drama Iwein van Aalst (1886), romantisch, volkseh,
simplistisch met enkel op effect berekend uiterlijk
gebeuren. * 1855, f 1918 te Aalst (België).
L i t. : Valory d’Hondt, lsidoor Bauwens* levens- en
boekbeschrijving (Aalst). Goddame,
3° Lieven, Gentsch industrieel uit een Lmilie
van leerlooiers, die met gevaar voor zijn leven de
machines voor mechanische katoenspinnerij uit Enge-
land naar het vaderland overbracht en aldaar ver-
beterde. * 14 Juni 1769 te Gent, f 17 Maart 1822 te
Parijs. Richtte fabrieken op te Passy (1798), te Gent
(1799) en te Drongen, bij Gent. Poogde na 1814 zijn
verloren fortuin te herwinnen door de verwerking van
zijde-afval. Voerde, als bestuurder der gevangenis te
Gent onder het Napoleontisch regime, aldaar het
stelsel in der werkverschaffing aan de gevangenen.
L i t. : L. Hebbelynck, Biographie de Liévin Bauwens
(1853); Biographie nationale de Belgique (II). Elias.
Buux, Les, Fransch stadje van 200 inw. in het
dept. Bouches-du-Rhone, ten N.O. van Arles; tegen
een berg gelegen; bezit schilderachtige ruines. In de
M.E. een groote stad; de Seigneurs van B. waren de
stamvaders van het huis van Oranje. In de nabijheid
veel bauxiet.
L i t. : Lcnthéric, les Villes mortes du Golfe du Lyon
(1875).
Bauxiet (ontdekt door Berthier in 1822 bij Les
Baux, bij Arles in de Provencc; vandaar de naam),
mineraal van de samenstelling Al 2 0 3 4- 3H 2 0.
Bauxiet is een verweer ingspre duet van stollings-
gesteenten, die rijk zijn aan aluminium. B. is een
belangrijk bestanddeel der terra rossa en van lateriet.
> Aluminiumertsen. In zuiveren toestand is het een
witte stof. Behalve in Frankrijk w T ordt b. gevonden
in de Vereeni<:de Staten (Arkansas, Georgië, Alabama).
Vei der in Ierland, Stiermarken, Dalmatië en Italië.
In Frankrijk is in 1930 meer dan 630 000 ton gew onnen.
In 1929 was het wereldverbruik 1 883 000 ton, waarvan
o.m. geleverd door: Frankrijk 600 000, Vereenigde
Staten 370 000, Hongarije 250 000, Italië 197 000,
Ned. Guyana 190 000. Het mineraal dient voor de
bereiding van aluminium.
Bauxictstccnen, een soort vuurvaste steen,
bestaande uit 60% aluminiumoxyde en 40% leem.
Als vuurvast materiaal behoort het tot de meest
resistente soorten. Het smeltpunt ligt boven 1 800°.
Bavay , Laurent de, directeur der tuinbouw-
school te Vilvoorde bij Brussel, pomoloog en schrijver;
* 1795, f 1855.
159
Bavegem — Bax
160
Bavecjem (< Bavo(?) persoonsnaam, heim =
woonplaats), een der oudste gemeenten in de prov.
O. Vlaanderen, 13 km ten W. van Aalst. Opp. 982 ha;
1 500 inw. Landbouw. In de 10e eeuw reeds een bid-
plaats, is B. vermeld in een charter van 976, waarbij
Otto II de St. Baafsabdij van Gent in het bezit van
haar goederen bevestigt.
L i t. : De Potter en Broeckaert (5e red., I) ; Oud-
heidkundige Inventaris van O. VI. (7e afl. 1916).
Ba vel, > Ginneken c.a. (N. Br. gem.).
Baveno, luchtkuuroord aan het Lago Maggiore.
Baviaan, ■> Aap.
Bavikhove, of Bavichove, Belg. gem.
in de prov. West-Vlaanderen, ten N.O. van Kortrijk,
op den linkeroever van de Leie; opp. 668 ha, 1 900 inw.
Zand- en kleigrond; landbouw, vlas; kerk uit de
13e eeuw; oude heerlijkheid.
Bavinck, Herman, hoogleeraar in de Gere-
formeerde dogmatiek; Christelijk paedagoog. * 1854
als dominees-zoon te Hoogeveen, f 1921 te Amsterdam.
In 1882 benoemd tot hoogleeraar aan de Theol. Sch.
te Kampen; werkte met succes aan de vereeniging der
Gereformeerde kerken. Sinds 1902 hoogleeraar aan
de Vrije Universiteit te Amsterdam, waar ook zijn
paedagogische werkzaamheid begon. Hij is een der
eerste mannen van erkende geleerdheid in Nederland,
die de opvoedkundige wetenschap beoefenden: „hij
heeft de paedagogiek voor ons gerukt uit de school-
boekenhoek” : herinnert door zijn philosophisch en
historische instelling sterk aan het werk van
Willmann; is een stelselbouwer van vaste beginselen,
weet het werk van andersdenkenden te waardeeren,
maar is slecht te spreken over de moderne paedagogiek;
groot mensch, groot Christen naar de Gereformeerde
opvatting, groot geleerde en vruchtbaar schrijver.
Hij was lid van de Eerste Kamer, van de Koninkl.
Acad. van Wetensch., voorzitter van den Onderwijs-
raad, afd. lager onderwijs.
Werken: Gereformeerde Dogmatiek, in 4 doelen
verschenen in 1895 en meerdere malen herdrukt : Begin-
selen der psychologie (1897) ; Paedagogische beginselen
(1904) ; De opvoeding der rijpere jeugd (1916) ; De nieuwe
opvoeding (1917) ; Bijbclsche en religieuze psychologie
(1920) ; Verzamelde opstellen op het gebied van gods-
dienst en wetenschap (1921). — L i t. : ds. J. H. Land-
wehr. Prof. dr. Herm. Bavinck herdacht door een zijner
oud-leerlingen (1921) ; fr. S. Rombouts, Prof. dr. H. B.,
gids bij de studie van zijn paedagogische werken (1922) :
J. Brederveld, Hoofdlijnen der paedagogiek van dr. H. B.
met critische beschouwing (1927). Bij Landwehr vindt
men een volledige lijst van B.’s geschriften.
Rombouts.
Bavinkhove, gemeente en kerspel in kanton
Kassei (Fr. Vlaanderen). 800 inw. Vlaamschsprekend.
Landbouw.
Bavius of V a v i u s, slecht Romeinsch dichter,
laatste eeuw v. Chr.; trachtte Vergilius tegen te
werken.
Bavo, Allowinus, Heilige, belijder. (Zie afb.)
Geb. in Haspengouw uit een adellijke familie, f op een
len Oct. omstreeks 650, waarschijnlijk te Gent. Trad
in het huwelijk met een dochter van graaf Adilio,
die het leven schonk aan een dochter Agletrudis. Na
den dood zijner echtgenoote kwam hij in betrekking
met den H. Amandus en werd door zijn voorbeeld
en prediking tot een deugdzamer leven bewogen.
Hij schonk al zijn goederen weg en begaf zich naar
Gent, waar de H. Amandus voor kort de twee abdijen
van S. Pieter en van Ganda had gesticht. In deze
laatste abdij werd Bavo opgenomen. Na den H. Aman-
dus een tijdlang op zijn apostolische tochten te hebben
vergezeld, vestigde hij zich als kluizenaar in de abdij
van Ganda, later naar zijn naam St. Baafsabdij ge-
noemd. De H. Bavo is patroon van de bisdommen Gent
en Haarlem. Feest op 1 Oct., vandaar het woord
Ba mis (Baafmis). > Bamcspacht.
L i t. : Vita Bavonis, ed. Krusch, Monumenta Ger-
maniae Historica rerum Merovingicarum (IV, 527) ; Van
der Essen, Etude critique et littéraire sur les Vitae des
Saints Mérovingiens de PAncienne Belgique (Leuven
1907). De Schaep drijver.
Voorstelling in de kunst. B. wordt
afgebeeld als gekroonde Vlaamsche graaf met zwaard,
scepter, boek en valk; geneest bezetenen, geneest een
overredene. Als monnik zijn aanneming door den
H. Amandus en in eenzaamheid mediteerend. Piolin
kent hem als attributen nog toe een boom, een wagen,
een kerk en een steen.
Bavo, Sint, godsdienstig weekblad voor het
bisdom Haarlem; verschijnt sinds 1 Jan. 1898.
Bavokcrk, S t., te Haarlem, kathedrale kerk,
door ir. J. Cuypers gebouwd; gewijd in 1898. Belang-
rijke baksteenbouw, rijk gedetailleerd.
Lit. : De Kathedrale kerk te Haarlem (1923 ; be-
schreven door Th. M. P. Bekkers en C. N. J. Meysing).
Bawean, een eilandje, in de Java-zee gelegen,
ten N. van Soerabaja en tot deze afdeeling behoorend.
Het middengedeelte bestaat uit een vulkanisch
bergland met den Goenoeng Besar als top (660 m).
Er liggen een bergmeer en eenige warme zwavel-
bronnen. De hoofdplaats is Sangkapoera, aan de Zuid-
kust gelegen, een haven voor schepen, varend tusschen
Soerabaja en Bandjermasin. Het eilandje is dicht
bevolkt: in 1930 woonden er 29 837 menschen. Er is
veel rijstbouw; de sawah’s worden meestal door de
vrouwen bewerkt. Men vervaardigt slendangs en sarongs
voor den uitvoer. Verder is er een uitgebreide visch-
vangst, maar het hoofdbestaansiniddel wordt gevormd
door den handel: het kleine eiland biedt geen onder-
houd voor alle bewoners, zoodat vele mannen bijna
altijd in den vreemde zijn, handel drijvend in alle
deelen van den Archipel. v. Velthoven.
Bawit, een oud-Koptisch klooster bij Hermopolis
(Midden-Egypte), gesticht door den H. Apollo (395),
leerling van den H. Pachomius. Het beleefde een tijd
van grooten bloei (was eens door ruim 500 monniken
bevolkt), maar werd in de 10e eeuw door de Arabieren
verwoest. De belangrijke resten weerden eenigen tijd
geleden door Chassinat, Clédat (1901 — 1904) en Mas-
péro (1913) uit het zand gegraven. Binnen een grooten
ringmuur lagen twee kloosters (één voor mannen,
één voor vrouwen), twee kerken, de eene uit gedroogde
tegels, de andere (grootere) uit groote vierkante steen-
blokken gebouwd, een pelgrimshuis en een groot aantal
kapelletjes en cellen, alsmede een uitgestrekte dooden-
stad. De kerken hebben nog resten van muurschilde-
ringen en zijn in rijke plastiek geornamenteerd. Ook
de kapellen zijn rijk aan inschriften en schilderingen
(uit de 6e — 9e eeuw), die tooneelen uit het O. en N.
Testament op sterk realistische wijze behandelen,
verder den tronenden Christus, Maria met Engelen
en Heiligen, symbolische voorstellingen en jacht-
tooneelen. De beste dezer schilderingen bevinden zich
nu in Kaïro en in het Louvre te Parijs.
Lit.: J. Clédat, Le MonasLère et la Nécropole de B.
(2 dln. Kaïro 1904 — ’12) ; Dict. d’Archéol. chrét. et de
Lit. (II 203-251). Knipping.
Bax, 1° Arno ld, een der meest vooraan-
staande nieuwere Engelsche componisten, * 8 Nov.
M. A. J. BAUER
Oostersche stadspoort.
Aquarel.
BEELD-TELEGRAPHIE
De beeld-telegraphie-installatie op het hoofdtelegraafkantoor te Berlijn. Het origineel wordt op den cylinder
bevestigd. Het kastje met den witten knop bevat de Kerr-cel.
161
Baxter— Bayle
162
1883 te Londen; schreef talrijke werken op nagenoeg
elk gebied, waarin hij zich als een volgeling van de
impressionistische muziek doet kennen, met veelszins
persoonlijke elementen. Reeser.
2° J a c o b u s, bisschopzen deling van de congre-
gatie van Scheut. * 26 Juni 1824 te Weelde (Antw.).
f 4 Jan. 1895 te Si-jing-tze (Mongolië). Priester te
Mechelen (1853), onderpastoor te Scherpenheuvel
(1854), trad in de pas gestichte congr. van Scheut
(1863). Bestuurder te Scheut (1865); als apostolisch
provicaris naar Mongolië in 1871. Eerste apostolisch
vicaris van Mongolië en titulair-bisschop van Adras
(1874); gewijd te Si-wan-tze 1875. Bij verdeeling van
Mongolië in drie vicariaten, in 1883, behield hij
Midden-Mongolië. Allossenj.
Baxter, R i c h a r d, Engelsch schrijver van
het klassiek Puriteinsch devotieboek „The Saints
Everlasting Rest” (1650) en andere stichtelijke litera-
tuur voor Protestanten.
* 1615, f 1691. Oefende de zielzorg uit in Kidder-
minster van 1641 tot 1662, maar werd na de Restau-
ratie herhaaldelijk vervolgd door de Staatskerk. Heeft
enorm veel geschreven, meer dan 150 werken. Alleen
zijn „Saints Everlasting Rest” en zijn autobiogra-
phische „Reliquiae Baxterianae” (uitg. 1696) zijn
bekend gebleven. Zijn theologische opvattingen waren
piëtistisch, ondogmatisch, vaag-Armeniaansch. Zijn
stijl is ongekunsteld, monotoon, populair. Pompen.
Bay, 1° Maria Caecilia, ook: B a ij,
abdis van het klooster S. Pietro in Montefiascone;
* 4 Jan. 1694 te Montefiascone, f 6 Jan. 1766. Zij was
rijk begenadigd en had gedurende haar leven veel
vernedering en lijden te doorstaan. Haar eenvoudige
openbaringen worden veel gelezen.
Uitg.: P. Bergamaschi (2 dln. Viterbo 1923 — *25).
J. v. Rooij.
2° M i c h a e 1 de, > Bajus.
Baya, stamgroep van de Adamanye, behoorend
tot de Soedan -Manfoe’s; > Afrika (Bevolking).
Bayanzi, > Bajanzi.
Bayard, 1° J e a n, Fransch tooneelschrijver
van tallooze blijspelen en libretti, dikwijls ais mede-
werker van Scribe. * 1796 te Charolles, f 1853 te Parijs.
Uitg.: Thé&tre (12 dln. Parijs 1855 vlg.).
2° P i e r r e du Terrail, seigneur de,
streed als veldheer in meerdere Italiaansche veldtoch-
ten onder Karei VIII, Lodewijk XII en Frans I en
werd als laatste voorbeeld van het middelneuwsche
ridderideaal, „le chevalier sans peur et sans reproche”.
* 1476 op het slot Bayard (dept. Isère). Na den slag
bij Marignano (1515) gaf hij den ridderslag aan koning
Frans 1. Op 30 April 1524 werd hij bij den terugtocht
van het Fransche leger uit Noord-Italië bij de rivier
de Sesia doodelijk gewond.
L ! t. : Poirier, Vie de Bayard (1889); Wille, Bayard
(1901); Plan, Histoire du chevalier Bayard (19131.
v. Gorkom.
Bay City, belangrijk verkeerscentrum (scheep- en
luchtvaart, spoorwegen) in den N. Amer. staat
Michigan, 43° 35' N., 83° 50' W., gelegen aan de
beide oevers van de Shiawasseerivier, niet ver van
haar monding in de Saginawbaai (Huronmeer), te
midden van Michigan’s steenkoolvelden en van een
rijke landbouwstreek (suikerbieten). In 1930: 47 355
inw. Voornaamste bestaansmiddelen: visscherij; hout-
bewerking en houthandel; suikerfabrieken; machine-
en scheepsbouw; zoutfabrieken en zouthandel; uitvoer
van gezouten visch en van steenkool. Polspoel.
Baye, Amour Aug. Louis, Fransch
archeoloog. Ontdekte de praehistorischc grotten rond
Baya, onderzocht Frankische en Gallische begraaf-
plaatsen, en deed ethnographische studiereizen o.m.
in Engeland, Hongarije, Rusland.
Werken: Archéologie préhistorique (1880) ; LTn-
dustrie Anglo-Saxonne (1889).
Baycr 205 (Germanin) in een gecompliceerd
ureumderivaat uit de aromatische groep, dat talrijke
aminobenzoëzuurresten in peptidevormige verbinding
bevat. Het is een grijs bittei smakend poeder, dat
sterke trypanosomen doodende eigenschappen heeft
en het krachtigst werkzame middel is voor de behande-
ling van de slaapziekte. Zijn werking werd voor het
eerst in Afrika bestudeerd in 1921 en ’22 dooreen door
de I. G. Farben industrie uitgeruste expeditie onder
leiding van prof. Kleine.
In het eerste stadium van slaapziekte brengt B.
vrijwel steeds genezing, in het tweede stadium bij
30—40% der gevallen. Intraveneuze (in de aders)
toepassing verdient het meest aanbeveling, echter
ook intramusculaire inspuiting is mogelijk.
B. kan nadeeligc gevolgen voor de nieren hebben.
E. Hermans .
Baycr, Johannes, sterrenkundige, * 1572,
f 1625. Publiceerde in 1603 in sterrenkaart, waarop
hij voor het eerst de sterren aanduidt door de letters
van het Grieksche alphabet. De helderste ster heet
meestal a, enz. Dit plan is voor de heldere sterren
bijgehouden ; later zijn ook Latijnscho letters en
nummers gebruikt.
Bayes, Regel van. Deze luidt in het een-
voudigste geval aldus: wanneer een waargenomen
gebeurtenis E door een van meerdere, a prior i even
goed mogelijke, oorzaken kan zijn teweeggebracht, dan
is de > wiskundige kans, dat de oorzaak Ui werk-
zaam w r as, gelijk aan de kans, dat de gebeurtenis
E door Ui tot stand komt, gedeeld door de » totale
kans, dat E tot stand komt. J. Ridder.
Baycu Subias, Francisco, Spaansch
schilder; * 9 Mrt. 1734 te Saragossa, f 4 Aug. 1795
te Madrid. Leerling van José Luxan en van Ant.
Gonsalez Velasquez te Madrid. Door bemiddeling
van Ant. Raph. Merys kreeg hij opdrachten voor
decoratie aan het nieuwe kon. paleis te Madrid, de
kerken, kapellen, kasteden te Aranjuez, S. Ildefonso,
de Franciscanerkerk te Madrid, de kathedraal te
Toledo, enz. Werkte in een eenigszins academische
conventioneele opvatting. Hij w T as de zwager van
Franc. Goya.
L i t. : P. Lafond, Les Bayeu, Revue de Part anc. et
mod. (XXII, 173). de Stuers.
Bayeux, arr. hoofdstad in het dept. Calvados
(Fr., 49° 30' N., 30° W.); 7 500 inw. (1926); 8 km van
de zee in een vruchtbare vlakte; katoen; boter.
B. was een bisdom sinds de 4e eeuw; 1802 vereenigd
met het opgeheven diocees Lisieux.
De kathedraal Notre-Dame is in Normandisch-
Gotischen stijl opgetrokken (13 — 15e eeuw); verder
een archeologisch museum met het bekende t a p ij t -
werk van B. (zie afb. kol. 163).
Lit. : Jean Valery-Radot, La cathédrale de B. (z.j.).
Bayle, P i e r r e, veelwetend Fransch geleerde en
verlichtingsphilosoof; * 18 Nov. 1647 te Carlat (Fr.),
f 28 Dec. 1706 te Rotterdam; zoon van Hugenotisch
geestelijke, onder invloed der Jezuïeten overgegaan
tot het Katholicisme, na l 1 / 2 jaar weer teruggekeerd
iv. o
163
Baylen — Bayou
164
Tapijt van Bayeux. Fragment, voorstellende de kroning van Harold.
tot Protestantisme; prof. der wijsbegeerte te Sédan en
te Rotterdam, afgezet wegens vrijdenkerij.
Scherp critisch verstand, dat aan alles twijfelt,
behalve aan de onhoudbaarheid van ieder dogmatisch
standpunt: openbaringsgeloof en wetenschappelijk
verstand staan in onverzoenbare tegenspraak tegen-
over elkaar; zedelijkheid is onafhankelijk van gods-
dienstige overtuiging, daarom zijn noodzakelijk
scheiding van Kerk en Staat en absolute verdraag-
zaamheid. Zijn werken oefenden grooten invloed uit
op de verbreiding der liberale gedachte.
Hoofdwerk: Dictionnaire historique et critique
(4 dln. Rotterdam 1740). de Bruin.
Baylen, stad in Spanje, aan de Z. helling der
Siërra" Morena, aan de spoorlijn van Puente Genil
naar Linares; 7 600 inw.; loodmijnen en loodgieterijen.
Capitulatie van Baylen. 23 Juli 1808 moet de
Fr. generaal Dupont zich aan den Spaanschen aan-
voerder Castanos overgegeven. Gevolgen van bijz.
beteekenis: heel Spanje komt nu in opstand; opleving
van het nationaal verzet in Duitschland; Napoleon’s
milit. prestige verzwakt. V. Claassen.
Baylon, Paschalis, > Paschalis Baylon.
Bayly, A d a Ellen, Eng. romanschrijfster
onder pseudoniem Edna Lyall. * 1857, f 1903. Suffra-
gette, verdedigster van vrouwenrechten, enz. Haar
meest bekende romans zijn: Donovan (1882), waarin
een godsdienstig liberalisme wordt geïdealiseerd;
We Two (1884), een vervolg van den eersten; In the
golden Days (1885), een historische roman van de
17e eeuw. *
Bay-olie, aetherische olie, welke wordt verkregen
uit de bladeren van verschillende soorten baaibessen-
boomen (Pimenta acris), die op de West-lndische
eilanden en vooral op Dominica gekweekt worden.
Gele, aan de lucht bruin wordende vloeistof met kruid-
nage lacht igen reuk. Wordt gebruikt in de reuk-
stoffen -industrie; opgelost in alcohol als haargroei-
middel en tegen tandpijn aanbevolen. Door distillee-
ren van Bay-olie met rum verkrijgt men deBay-nini
welke in warme landen als verfrisschend waschmiddel
wordt gebruikt.
In Ned. wordt ook laurierolie als „balsem van Baai”
gebruikt als rheumatiekmiddel; verwekt dikwijls
jeuk en uitslag. Hoogeveen.
Bayonnc, 1° arr. -hoofdstad in Frankrijk,
dept. Basses-Pyrénées (43° 30' N., 1° 28' W.), aan de
Adour, 6 km van zee; 31 727 inw. (1931). Eindpunt
der passen door de Pyreneeën; handelsstad, maar
zandbanken bemoeilijken de scheepvaart. Scheeps-
bouw, wol, wijn, chocolade. Sinds de 8e eeuw bisschops-
zetel; veel Baskische invloed.
Bezienswaardig zijn de 18e eeuwsche Gotische
kathedraal, de H. Geestkerk van een uitzonderlijke
Gotiek (16e eeuw), oud kasteel (15e eeuw) en bruggen
over de Adour en de Nive.
Om de Middellandsche Zee en Spanje voor Eng.
te sluiten, wilde Napoleon een familielid (Joseph)
op den Spaanschen troon; misbruikte daartoe de
oneen igheid tusschen Karei IV v. Sp. en diens zoon
Ferdinand. Op de samenkomst van B.
(Apr— Mei 1808) deed Karei afstand en werd Ferd.
daartoe door Napoleon gedwongen.
L i t. : Ducéré, Dict. Hist. de B. (2 dln. 1911-1915).
2° Stad in den staat New Jersey (N. A m e r i k a,
40° 40' N., 74° 7' W.), onmiddellijk ten Z. van Jersey
City op het uiteinde van de lange smalle landtong,
die de baai van New York van de baai van Newark
scheidt; door een brug met Staten Island verbonden.
In 1930 88 979 inw. B. is een der voornaamste wereld-
centra voor het raffineeren van petroleum. Het bezit
een uitgestrekt waterfront en groote steenkooldokken,
van waaruit deze brandstof over de verschillende
deelen van Groot-New York wordt verdeeld. Zeer
belangrijke metaal- en textielnijverheid (zijde);
productie van zeep en parfumerie-artikelen. B. werd
rond de jaren 1665 — *70 door Nederlanders gesticht.
Polspoel.
Bayot, A 1 p h o n s e, Belgisch Romanist,
hoogleeraar te Leuven. * 1876 te Chapelle-lez-Her-
laimont; specialiseerde zich in de studie en tekst-
kritische uitgave van dc middcl-Franschc epiek en
didactiek.
Werken: Le roman de Gillion de Trazegnies (1903);
La légende de Troie a la Cour de Bourgogne (1908);
Oeuvres de Jacques de Hemricourt (1910) ; Gormont et
Isembart (1914) ; Le poème moral (1929).
Bayou, een Engelsche conuptie van het Fransche
woord boyau (= darm), is de naam, die in het Z. van
de Vereenigde Staten gegeven wordt aan moerassige,
ondiepe meren of zijarmen, die door een rivier ten
gevolge van meanderdoorbraak werden achtergelaten.
165
Bayreuth — Bazaar
166
Bayreuth, hoofdstad van het regeeringsdistrict
Opper-Franken in een door den Rooden Ma in door-
stroomd keteldal tusschen Fichtelgebergte en
Frankische Jura. 35 000 inw., overwegend Prot.
Veelzijdige industrie: textiel,
machine-, porcelein-, piano-,
chocolade-, suiker-, zeep- en
oliefabrieken. De stad wist
haar karakter van 18e eeuw-
sche markgravenresidentie
op merkwaardige wijze te
behouden. Friedrich Liszt
ligt op het kerkhof van B.
begraven. B. is de stad van
Jean Paul en (waardoor zij
beroemd werd) van Richard
Wagner, en door dezen
laatste het centrum der
beoefening van het Wag-
neriaansche muziekdrama. Lijps.
In 1871 vestigde Wagner zich hier en een jaar later
legde hij den eersten steen voor het „Festspielhaus”,
waarvan de stichting niet alleen tot doel bad de opvoe-
ring van Wagner ’s muziekdrama’s, geheel volgens de
bedoelingen van den componist, maar ook van andere
Duitsche muziek -dramatische werken. Door het onder-
nemen van kunstreizen in en buiten Duitschland
bracht Wagner de eerste gelden, benoodigd voor de
Wapen van
Bayreuth.
Bayreuth. Opera.
stichting en bouw van een school ter opleiding der
artisten, bijeen. Voorts verleenden de met dit doel in
vele Europeesche steden opgerichte Wagnervereeni-
gingen haar medewerking in het bijeen brengen van het
kapitaal. Ook koning Lodewijk II van Beieren schonk
zijn financieelen steun aan de onderneming. In den
zomer van 1876 werd het Festspielhaus geopend met
de uitvoering van den geheelen Ring des Nibelungen,
die op 13 Augustus aan ving onder leiding van Hans
Richter. De cyclus werd in denzelfden zomer nog
tweemaal herhaald. De uitvoeringen leverden zoo’n
belangrijk deficit op, dat zij eerst in 1882 hervat
konden worden. Op 26 Juli van dat jaar beleefde het
„Bühnenweihfestspiel” Parsifal te B. zijn eerste
opvoering, onder leiding van Hcrmann Levi.
Wagner had den Parsifal slechts voor B. bestemd.
Het was zijn bedoeling, dat dit werk nooit op eenig
ander tooneel het publiek als amusement voorgezet
zou worden. Nadat echter in 1913 de wettelijke termijn
voor de bescherming van Wagner ’s werken was afge-
loopen, is de Parsifal in alle belangrijke Europeesche
en Amerikaansche steden opgevoerd.
Nadat Wagner in 1883 gestorven en in den tuin van
villa Wahnfried, welke villa hij te B. bewoonde,
begraven was, heeft zijn vrouw, Cosima, de leiding der
Festspielc, die als regel om de twee jaar plaats hadden,
oyergenomen, daarbij geassisteerd door haar zoon
Siegfried, die allengs de leiding geheel in handen nam.
Sedert zijn dood berust de leiding bij zijn weduwe,
Winnifred Wagner.
Richard Wagner ’s erfgenamen hebben het Fest-
spielhaus in zooverre aan zijn oorspronkelijke bestem-
ming onttrokken, dat ’t onder hun leiding slechts aan
de uitvoering van Wagner 's werken is dienstbaar
gemaakt. Tot op den huidigen dag gelden de Bay-
reuther Festspiele als de traditioneele opvoeringen van
Wagner ’s muziekdrama’s; in de latere jaren zijn ze
qualitatief wel door opvoeringen in andere theaters
geëvenaard. De Festspiele zijn ten gevolge van den
oorlog van 1914 — 1923 onderbroken geweest.
Bekende Bayreuther dirigenten zijn, behalve de
reeds genoemde : Michaël Balling, Karl Muck, Franz
von Hoeslin, Wilhelm Furtwaengler, Arturo Toscanini
en Karl Elmendorf. Hanekroot .
Bay-rum, aromatische vloeistof, verkregen door
destillatie van de bladeren van Pimenta acris met rum
of door oplossen van Bay-olie in rum.
Bays, Margaretha, gestigmatiseerde, lid
van de derde orde van den H. Franciscus; * 8 Sept.
1815 te La Pierraz (Zwitserland), f 27 Juni 1879 aldaar.
Zij was naaister en bezat een kinderlijken eenvoud.
8 Dec. 1854 werd zij op de voorspraak van Maria op
wonderbare wijze genezen van kanker en sinds dien
tijd droeg zij de wondteekenen des Ileeren (1854 — ’73
zichtbaar, verder onzichtbaar). Op Vrijdagen en in
den Vastentijd verdroeg zij ondraaglijke pijnen. Zij
werd begraven in de parochiekerk van Siviriez. Het
proces van haar zaligverklaring is aanhangig.
J. v. Rooij .
Baijum, dorpje van ongeveer 150 inw. in de
Fricsche gem. Hennaarderadecl.
Baza, stad in Spanje (37° 10' N., 2° 44' W.),
het Romeinsche Basti. Was in den Moorschen tijd een
rijke handelsstad; thans vervallen. 16 000 inw.; Kath.
Bazaar is de Perzische naam voor een complex
van winkelstraten in Perz. steden, later wordt het
woord meer algemeen voor elke winkelwijk in Ooster-
sche steden gebezigd, vnl. door de Europeanen. De
Arab. naam is S u k, de Turksche T s j a r s j i.
In Perzië is de b. een net van elkaar kruisende enge
straten, die met koepels en bogen overwelfd zijn.
Aan eiken boog beantwoordt aan beide zijden der straat
een overwelfde nis met platten bodem, waarop de ver-
kooper zijn waren uitstalt. Achter deze winkelruimte
bevinden zich de magazijnen. Op de kruispunten der
straten is vaak een fontein aangebracht. Midden
in het door verschillende straten omgeven blok ligt
de „Cliane” of „Klian”, vaak twee verdiepingen hoog,
die als opslagplaats of kantoor dienst doet. In grootere
bazaars bevinden zich soms badhuizen en kleine
moskees. Bekende b. in Tsfahan (Perzië); kleiner zijn
de Syrische (Aleppo) en Turksche bazaars (Konstan-
tinopel). Soms komen de bazaars uit vrome stichtingen
voort: hun opbrengst dient dan tot onderhoud eener
moskee of Madrasa. In Indiè is dit woord tot pasar,
passer, passar geworden.
167
Bazaine — Bazel
168
Thans noemt men in de Europeesche ste-
den de groote winkels, waarin een groote verschei-
denheid van artikelen te koop is, bazaar. Knipping.
Bazaine, F r a n q o i s Achille, maar-
schalk van Frankrijk, dapper soldaat, goed aanvoerder
maar geen veldheer, * 13 Febr. 1811 te Versa illes,
f 23 Sept. 1888 te Madrid. Als onderofficier naar
Algerië ( ’32) ; nam als off . deel aan de veldtochten in Sp. ,
Algerië, de Krim en Italië. 1 Oct. 1863 werd hij tot
opperbevelhebber van het Fr. bezettingsleger in
Mexico en 6 Sept. 1864 tot maarschalk benoemd.
Tegenover keizer Maxim iliaan speelde hij een dubbel-
zinnige rol. Hoewel hij na zijn terugkeer (1867) zeer
koel door Napoleon III werd ontvangen, werd hij
niettemin tot commandant van het 3e armeekorps
benoemd en in 1869 aan het hoofd van de keizerlijke
garde gesteld. Bij het uitbreken van den Fr.-D. oorlog
werd hij belast met het bevel over het 1 in ker- vleugel •
leger van het Fr. Rijn leger en vervolgens over het
Rijn leger zelf, maar was niet tegen de hem opgedragen
taak opgewassen. Hij werd weldra binnen de vesting
Metz geworpen en moest zich 27 Oct. 1870, met
173 000 man, aan den vijand overgeven. Na den
oorlog werd hij door een krijgsraad ter dood veroor-
deeld, doch deze straf werd in 20 jaar vestingstraf
veranderd (10 Dec. 1873). Het gelukte hem echter
te ontvluchten. Hij trok zich met zijn familie naar
België terug (tot 1875) en ging daarna naar Madrid.
L i t. : La Guerronière, L’homme de Metz (Brussel
1871) ; Daisème, L’affaire Bazaine (Parijs 1872) ; Stom-
por, Bazaine und die Rhein-Armee (Leipzig 1872) ;
Humbert, Bazaine et le drame de Metz (Parijs 1929).
Lousse.
Bazalgctte, L é o n, Fransch letterkundig
criticus. * 1865, f 6 Jan - 1929. Zi i n Magazin
international (1895 vlg.) werd een orgaan
van letterkundige bemiddeling tusschen Frankrijk en
de moderne Germaansche en Slavische letterkunden.
B. deed veel voor de verspreiding van de werken
van\V.\Vhitman,Verhaeren, Tolstoj, Kn. Hamsun,e.a.
Bazalt, > Basalt.
Bazard, Saint-Amand, volgeling van
Saint-Simon en medewerker aan het voornaamste
werk der Saint-Simon isten: Doctrine de Saint-Simon;
* 19 Sept. 1791 te Parijs, f 29 Juli 1832 te Courtry.
B. had behoord tot de samenzwering der Fransche
Carbonari en had in relatie gestaan met Lafayette;
hij wilde echter medewerken aan een nieuwen positie-
ven opbouw der maatschappij, leerde de denkbeelden
kennen van den graaf Saint-Simon en nam weldra
een eerste plaats in onder diens leerlingen. Met Olinde
Rodrigues en Enfentin nam hij de leiding der school
van Saint-Simon en van het weekblad „Le Producteur”
op zich. Dit weekblad stelde den productieven arbeid
op den voorgrond; de arbeidsidee zou de heele samen-
leving vervormen; tot nu toe was de maatschappij een
militaire geweest; in de nieuwe maatschappij moest
ieder werken, maar met dit werken werd niet uit-
sluitend handenarbeid bedoeld; alle productieve
klassen moesten vrijgemaakt worden en verheven door
middel der industrieele associatie. B. werkte later
mede aan de periodieken: L’organisateur, en: Le
globe. In reeksen van voordrachten verkondigde B..
dat de maatschappij moest worden gereorganiseerd
als een geheel, gehoorzamend aan een vaste leiding:
ieder moest er een plaats hebben naar zijn geschiktheid
en ieders inkomen moest beantwoorden aan zijn
prestatie; in de bestaande maatschappij wordt op
goed geluk af geproduceerd; er is geen evenwicht
tusschen voortbrenging en verbruik; er zijn in de
maatschappij organische en critische perioden geweest;
voorbeelden der organische perioden zijn o.a. de
middeleeuwen; van critische perioden o.a. de hervor-
ming der 16e eeuw; erfenissen moeten komen ten bate
van den staat; een groote centrale bank moet belast
worden met het verdeel ingswerk en moet de productie-
middelen toevertrouwen aan de meest geschikte
arbeidenden; de maatschappij zal ingedeeld worden
in drieklassen: mannen der kunst, geleerden en indus-
trieelen; naast een algemeene is voor elke klasse een
speciale opvoeding vereischt. Aan mevrouw Bazard
werd de leiding van de vrouwelijke adepten der Saint-
Simon isten toevertrouwd. Wegens oneen igheid met
Enfentin omtrent de kwestie der vrouw in het Saint-
Simon isme trad Bazard uit de school. Men zou B. een
voorlooper kunnen noemen van sommige fascistische
en nationaal-socialistische denkbeelden. En van die
eener plan -economie.
L i t. : Quack, Socialisten, Personen en stelsels (III);
J. Ruppert, Das soziale System Bazards (1890).
M. Verhoeven.
Bazel, 1° (Waas) gemeente in de prov.
O. V 1 a a n d e r e n, 7 km ten Westen van Temsche,
opp. 1 694 ha, 4 500 inw. Landbouw en klompen-
makerijen. Van de kerk is het koor van 1560; de hooge
spitstoren en de beuken zijn in Gotischen stijl her-
bouwd in de 19e eeuw. Het kasteel van Wissekerke,
oorspronkelijk een versterkte burcht uit de 10e eeuw,
is nu grondig en sierlijk omgewerkt. Blancquaert.
2° Kanton van het Zwitsersch eedgenootschap,
grenst in het N. en N.O. aan Baden, in het W. aan den
Elzas. Sinds 1833 gesplitst in twee halfkantons:
Bazel-stad (37 km 2 ,
154 000 inw.), waartoe alleen
de gelijknamige stad met on-
middellijke omgeving behoort,
en Bazcl-land (427 km 2 ,
82 000 inw.), dat een deel
van het Jura-plateau omvat,
doorsneden door de dalen van
Birs en Ergolz, en in het Z.
begrensd wordt door de ketens
van Hauenstein en Passwang.
Door economische banden zijn
verbonden. Het gebied is
Wapen van Bazel-land.
rijk aan romantische
169
Bazel
170
berg-ruïnen. Bloeiende groente- en fruitteelt. Van
de industrie is vooral de fabricatie van zijde-
linten, veelal nog als huisindustrie beoefend, be-
langrijk, verder nog katoen, passementen, chemische
industrie, machinebouw en bierbrouwerijen. De Katho-
lieken hooren tot het bisdom Bern. Op het gebied van
onderwijs en sociale voorzorg staat het land bovenaan.
3° Hoofdstad van het halfkanton Bazel-stad.
tweede stad van Zwitserland. Ruim 164 000
Kath. en 62.6 % Protestant.
B. ligt aan beide oevers van
den Rijn, die hier in de Boven -
rijnsche laagvlakte treedt.
Op den hoogen linkeroever
Groot-Bazel, rechts van den
Rijn, laag gelegen, Klein-
Bazel. Beide stadsdeelen zijn
door drie bruggen met elkaar
verbonden. De in 1460 door
paus Pius II gestichte uni-
versiteit w r erd door Erasmus
tot hoofd zetel van het Huma-
nisme gemaakt; in 1930 nog
door 1 460 studenten bezocht.
Voor industrie, > Bazel, 2°
(kanton). Vanuit verkeersoogpunt is Bazel een
hoofdtoegangspoort van Zwitserland; meer dan de
helft van den in- en uitvoer van het land gaat over
deze stad. De spoorwegen links en rechts van den Rijn
en door de Bourgondische Poort vinden hier aanslui-
ting aan het Zwitsersche net. B. neemt als Zuidelijkste
haven deel aan de Rijnscheepvaart (1927: 286 600 ton);
een zijtak voert over Hüningen naar het Rhóne-
Rijnkanaal. Er bestaan plannen om nog verder
stroomopwaarts tot het Boden-meer den Rijn be-
vaarbaar te maken. Lipa.
Bazel is verdeeld in vijf parochies en behoort tot
het bisdom Bazel-Lugano.
Kunst te Bazel. De oude Rijnbrug werd in
1226 gebouwd. Eerst in 1860 bij den aanleg der spoor-
lijnen ging men er toe over den muurring om de oude
stad te doorbreken. De oude stad is zeer onregel-
matig aangelegd, de nieuw T e echter, met breede, rechte
straten en typisch Noord-Zwitsersche één-familie-
huizen, wordt aangenaam door tuin- en park -aanleg
onderbroken. De kathedraal (het Munster)
is in zijn oudste deelen (Romaansch middenschip
en galerijen) van de eerste helft der 12e eeuw. Na den
grooten brand van 1185 moest veel wmrden vernieuwd
en bijgebouwd (koor onder invloed der Pransche
Gotiek met veelhoekigen kooromgang: begin 13e eeuw;
de rijk met beeldhouwwerk versierde Galluspoort en
het voorportaal). Na een aardbeving (1356) moesten
gewelven en koor worden gerestaureerd, in 1421 kw r am
de St. George-toren gereed, in 1488 de Martinus-
toren en de laat-Gotische kruisgang. In de kerk
bevindt zich de graftombe van Erasmus van Rotter-
dam.
Een hallenkerk is de door Hans Niesenberger (1492)
gebouwde St. Leonhards-kerk. Uit de
14e eeuw dateert de oude Franc iskanerkerk (nu
Historisch Museum). Typisch voorbeeld van modernen
betonbouw is de in 1926 door Moser gebouw de Antonius-
kerk met merkwaardige gebrandschilderde ramen.
Het raadhuis in Bourgondische laat-Gotiek
opgetrokken (1504 — ’13), moest reeds in 1535 aan de
achterzijde vernieuwd worden, terwijl in 1904 het
heele gebouw grondig gerestaureerd werd. Van de
poorten zijn de Spalentor (St. Paulus-poort)
en de Sankt Johanntor de bekendste. Van de vroegere
gevelfresco’s zijn alleen nog maar de ontwerpen (enkele
van Hans Holbein) over. Verder rijke gevels van patri-
ciërswoningen in Renaissance- en Rococo-stijl (Weisse
Haus, Reichenstein, His. Burckhardt, Seiden-hof,
enz.). Het museum bevat schilderwerk van Hol-
bein, Böcklin, Schongauer, Dürer, Grünewald, Hans
Baldung Grien, Manuel Deutsch, Stimmer, Sandreuter
e.a. Verder > Bazeler anUpendium.
L i t. : Sainte-Marie-Perrin, B&le, Bern et Genève
(1909, in de serie: Les villes d’art célèbres) ; Dehio,
Ilandb. der deutschen Kunstdenkmaler (IV 1926);
St&dtebau in der Schweiz (1929). Knip ping.
Concilie van Bazel. Krachtens vroegere concilie-
besluiten riep paus Martinus V in 1431 een algemeene
kerkvergadering te Bazel bijeen. Hij deed dit ongaarne,
wijl hij de moeilijkheden voorzag, die uit den sterk
heerschenden geest van ■> Conciliarisme zouden voor-
vloeien. Slechts weinig bisschoppen en abten ver-
schenen aanvankelijk; doch groot was het aantal
doctoren en theologen. Om de weldra blijkende,
inderdaad sterk conciliaristische gezindheid, en boven-
dien steunend op verkeerde inlichtingen, hief Martinus’
opvolger Eugenius IV reeds eenige dagen na de ope-
ningszitting het Concilie weer op en beriep het opnieuw
naar Bologna. Doch de vergaderden bleven bijeen en
stelden een reglement van orde op, waarbij het over-
wicht der beslissingen kwam te liggen bij de lagere
geestelijkheid, professoren en doctoren, niet bij paus
en bisschoppen (soort van parlementair-constitu-
tioneel kerkbestuur). In 1433 erkende Eugenius
nochtans het Concilie, dat nu heilzame hervormings-
maatregelen voorschreef, maar tegenover het opper-
hoofd der Kerk steeds meer aanmatigend optrad en
in diens rechten ingreep. De paus wilde hierop de
vergadering naar Ferrara verlegd zien (later naar
Florence; > Ferrara-Florence, Concilie van). Slechts
een minderheid voldeed aan dit bevel; de meesten
weigerden opnieuw' en bleven te Bazel. Van nu af
is dit Concilie schismatisch. Het suspendeerde in
1438 den paus, verklaarde hem het jaar daarop tot
ketter en zette hem af, terwijl het hertog Amadeus VIII
van Savoye tot tegenpaus (Felix V) verhief. Hiermee
verloor de vergadering alle aanzien; nog tot 1449
bleef een groep ontevredenen in onvruchtbaren arbeid
bijeen. De decreten tusschen 1433 en ’37 uitgevaardigd
gelden als oecumenisch in zoo ver ze door den paus
zijn bekrachtigd.
L i t. : Pastor, Gesch. der Pabste (I 5 - 7 1925, 290
vlg.) ; Hefele-Leclercq, Histoire des Conciles (VII, 2e
gedeelte, 663 vlg.). Gorria .
Confessie van Bazel, een geloofsbelijdenis, door
Oswals Myconius volgens ontw r erp van Oeco lampa dius
opgesteld en in 1634 door den Raad van de stad afge-
kondigd. De nuchtere anti-Luthersche avondmaals-
leer, in deze Confessie vervat, verwekte zulk een tegen-
stand, dat Bonifacius Amerbach een andere belijdenis
opstelde.
L i t. : K. Müller, Die Bekenntnisschriften der ref.
Kirche (1903) ; dr. Konr. Algermissen, Handbuch der
Konfessionskunde (1930) Wachters.
Vrcdes van Bazel. Frankrijk (Barthélemy) sluit
met Pruisen (Hardenberg, 6 April) en Spanje (Yriarte,
22 Juli) in 1795 vrede. Pruisen erkent bij voorbaat
den linker-Rijnoever als Fr. bezit; Spanje staat zijn
deel van San Domingo aan Fr. af en sluit met Fr. een
verbond tegen Engeland. Beteekenis: de Fr. régiciden-
inw., waarvan 30%
Wapen van
Bazel-stad.
171
Bazel — Bazin
172
republiek door vorsten erkend; de coalitie verzwakt,
overwinning van Fr. op Oostenr. vergemakkelijkt;
Fr. krijgt zijn „natuurlijke” grens (Rijn). F. Claassen.
Bazel en Lugano, grootste bisdom van
Zwitserland, vereen igt de gelijkgerechtigde bisdommen
Bazel en Lugano.
Het bhdom Bazel (met bisschop) omvat de kantons
Luzem, Bern, Solothum, Zug, Aargau, Thu*gau, Bazel
en Schaffhausen; telt ca. 685 000 Katholieken (op
1115 000 inw.); is verdeeld in 32 dekenaten en
422 parochies. Het bisdom Lugano (met apost. ad-
ministrator) omvat het kanton Tessino; telt ca.
140 000 Kath. (op 153 000 inw.); bestaat uit 24
vicariaten, 190 parochies met Romeinschen en 55
parochies met Ambrosiaanschen ritus.
Geschiedenis. Het oude bisdom Bazel,
ontstaan in 346 [zetel Augusta Rauracorum, vanaf
de 5e eeuw Bazel, in de Reformatie naar Pruntut
(Porrentruy) verplaatst], werd in 999 vorstendom.
In 1792 werd de bisschop verdreven door Fransche
reyolutionnaire troepen; zijn wereldlijke macht w r erd
opgeheven. In 1828 w T erd het bisdom hersteld (zetel
Solothum) en in 1888 met het bisdom Lugano
vereen igd.
L i t. : J. Trouillat, Monuments de Panden évêché
de B. (3 dln 1858) ; U. Stutz, Die papstl. Diplomatie
unter Leo XIII (1926); J. Kaelin, Das Bistum Basel
1828-1928 (gedenkschrift 1928) ; K. Müller, Die kath.
Kirche in der Schweiz (1928) ; U. Lamport, Kirche und
Staat in der Schweiz (1929).
Bazel, Karei Petrus Cornelis de,
architect; * 14 Febr. 1869 te Den Helder, f 28 Nov.
1923 (plotseling). Was o.a. werkzaam bij dr. P. Cuypers,
vestigde zich in 1900 als architect. Bouwde veel land-
huizen en groote gebouwen, o.a. Ned. Handelmaatsch.
te Amsterdam; ontwierp glaswerk, meubels; werkte
meestal op systeem. Een evenwichtig decoratief
kunstenaar, waarvan het werk een eigen karakter
heeft en uitmunt door goede verhoudingen.
Thunnissen.
Bazeldijk, dijk tusschen Alblasserwaard en Vijf-
heerenlanden in de prov. Zuid-Holland.
Bazeler antipendium, een met plaatgoud
beslagen houten voorstuk, door keizer Hendrik II
geschonken voor het altaar van den dom van Bazel.
Het werd met vele andere kunstschatten in 1836
verkocht en kwam aldus aan het Cluny-museum in
Parijs. Het B. a. dateert uit het begin der 11e eeuw
en is een product van de edelsmeed-school van Regens-
burg (volgens anderen van Reichenau of Trier).
Het werk, in ornamentiek en costumeering laat-antiek,
vertegenwoordigt echter in gelaatsuitdrukking, sym-
metrie, lichaamshouding en uitvoering (sterk van den
vlakken achtergrond afgeteekend reliëf der gestalten)
de hcerschende Ottoonsche kunst. Voorgesteld wordt
Christus met wereldbol in de linkerhand, de rechter
zegenend opgeheven, terwijl aan Zijn voeten de gekroon-
de schenkers neerliggen; naast Hem staan de H. Bene-
dictus en de drie aartsengelen. Het onderschrift
luidt: Prospice terrigenas clemens mediator vsias
(= Zie neer op ons, aardgeborenen, o goedertieren
Middelaar der natuur, nl. Christus, Die de menschel,
en goddel. natuur in Zich vereenigt). Het opschrift
geeft in hexameter de afgebeelde gestalten aan:
Qvis sicvt hel (wie is als God: Michaël) fortis (de
kracht Gods: Gabriël) medicvs (de geneesheer:
Raphaël) soter (de Verlosser) benedictvs. Knipping.
Bazias, stad in Roemenië (44° 48' N., 21° 24' O.),
begin van het Donau-dwarsdal door het Banater
Gebergte.
Bazielkruid of balsemkruid, Oci-
m u m, is een lipbloemengeslacht en omvat een
60-tal soorten, waarvan verschillende in de genees-
kunde of als specerij gebruikt worden. Het gewone
b., Ocimum basilicum, wordt hier speciaal voor de
worstfabricage gekweekt. Het heilige b., Ocimum
sanctum, is een van de heiligste planten bij de Indiërs.
Bazilc, naam van een der dramatis personae uit
Le Barbier de Sévilla van Beaumarchais (1775).
Een voorbeeld van de ongunstige beteekenis, die een
naam krijgen kan door een bepaald tooneelpersoon.
> Barbacole; > Bobèche.
B. is de lasteraar en rustverstoorder.
Bazin, 1° FranQois Eraanuel Joseph,
componist en muziek leeraar; * 1816 te Marsei 11e,
f 1878 te Parijs. Hij was leerling van het Parijsche
conservatorium, waar hij in 1840 den Prix de Rome
behaalde met de cantate „Louyse te Montfort”. Na
zijn terugkeer uit Italië (1844) .vestigde hij zich als
zangleeraar, werd in 1849 harmonieleeraar aan het
conservatorium, en volgde in 1871 aan deze inrichting
A. Thomas op als compositie leeraar, bij diens benoe-
ming tot directeur. In 1872 w r erd hij opvolger van
Carafa als lid der „Académie”.
Werken: van zijn 9 komische opera’s is er geen
enkele op het repertoire gebleven ; het meeste succes had
hij nog met : Le voyage en Chine. Schreef nog : Cours
d’harmonie théorique et pratique ; La musique & St.
Malo (1886). Piscaer.
2 Ü H e n r y E m i 1 e, Fr. ingenieur (f 1917), van
wien met name op het gebied der hydrodynamica
enkele formules bekendheid hebben verworven.
Bij de stroom ing van vloeistoffen door open kanalen
geldt Chezij’s formule: V = C l/~Kl, waarin V de
gemiddelde snelheid der vloeistofdeeltjes, R de
verhouding tusschen de natte doorsnede en den natten
omtrek van het kanaalprofiel, de zgn. hydraulische
straal, I het verhang van de vloeistof voorstelt en C een
coëfficiënt, die afhankelijk is van de geaardheid der
wanden.
Volgens B. is nu
C - 87 /< 1 + ï 7 S >
w T aarbij y varieert van 0,06 (voor zeer gladde)
tot 1,75 (voor bijzonder weerstandbiedende wanden).
De maximumsnelheid in een profiel van een open
kanaal of rivier ligt even onder den waterspiegel;
de snelheden der waterdeelen in eenzelfde verticaal
zijn voor te stellen als een parabool. P. Bongaerts.
3° R e n é, Fransch romanschrijver van Katho-
liek-idealistische beginselen. * 26 Dec. 1853 te Angers,
f 20 Juli 1932; sinds 1903 lid van de Académie Fran-
Qaise. In zijn vroegste w r erk, dat zelden te Parijs,
meestal in de rustige provincie speelt, is B. nog wat
aarzelend en vrouwelijk sentimenteel; omstr. 1900
durfde hij de groote tijdsproblemen (landsvlucht,
nationalisme, enz.) en de heldhaftigste verzakingen
aan in goed- gebouwde, boeiende verhalen, die tevens
het ethisch peil van den Franschen roman aanzienlijk
hielpen verheffen, zonder in oppervlakkige strekking
of loggen preektoon te vervallen.
Voorn, werken: Ma tante Giron (1886) ; Une
tache d’encrc (1888) ; La sarcelle bleue (1892) ; De toute
son &me (1897) ; La terre qui meurt (1899) ; Les Oberlé
(1901); Donatienne (1902); L’isolée (1905); Le bló qui
léve (1907) ; Mémoires d’une vieille fille (1908) ; La
173
Bazuin — Bearne
174
barrière (1910) ; Davidée Birot (1912) ; Les nouveaux
Oberlé (1919) ; Notes d’un amateur de couleurs (1920). —
Bloemlezing: Mettcrlé, Pages Choisies (Parijs
E.j.). — L i t. : Lccigne, R. B. (Parijs 1901) ; J. Mazin,
R. B. (Parijs 1905). Baur .
Bazuin, ook trombone genaamd, behoort tot
de groep der koperen blaasinstrumenten. De meest
gebruikelijke omvang is van ongeveer groot E tot bes
ééngestreept. De bijnaam schuiftrompet wijst op het
in- en uitschuiven der buizen, waardoor het vóórt-
brengen van alle chromatische tonen moge lijk is.
Dit „schuiven” bij de b. beteekent een feitelijk ver-
stemmen van het instrument, waardoor zeven zgn.
posities, elk met eigen grondtoon, mogelijk vrorden.
De eerste natuurtoon van elke positie is een zgn.
pedaaltoon. Oorspronkelijk waren op de b. alleen
natuurtonen mogelijk. Behalve de schuiftechniek
wordt sinds lang op de b. het systeem van pistons
toegepast. Men stelt dit systeem echter muzikaal niet
hoog, omdat de hierdoor voortgebrachte tonen minder
edel van klank zijn. De familie der b. bestaat uit alt-,
tenor- en basbazuin. De tenorbazuin is de meest
gebruikelijke. R. Wagner schrijft ook een contrabas-b.
voor. De b. komt in het orgel als pedaalregister van
16 voet en 32 voet voor. H . Andriessen.
Bazuin, De, apologetisch weekblad, bestemd
vooral voor gratis verspreiding. Opgericht 1911 door
H. van Wely, tegenwoordig onder redactie van
Th. Welter O.P. en F. Otten (Vragenbus). Verschijnt
te Amsterdam.
Bazzania, een levermos van de reeks van de
Jungermanniales. Het geslacht B. is in ongeveer
250 soorten over de geheele aarde verspreid; een van
de meest voorkomende is B . tr ilobata , de drielobbige B .
Bazzi, Giovanni Ant., > Sodoma.
B.C.G. -vaccin, afkorting van Bilié-Cal-
mette-Guérin -vaccin, aldus genoemd naar de profes-
soren Calmette, onder-directeur van het Instituut
Pasteur te Parijs (f Oct. 1933), en Guérin, oud-
bestuurder van het Inst. Pasteur te Rijssel, dir. van
het tuberculose laboratorium van het instituut Pasteur
te Parijs, die vanaf 1906 onderzoekingen deden naar
onvatbaarmaking tegen tuberculose, mede naar aan-
leiding van de ervaring, dat weerstand tegen een tuber-
culeuze infectie, dien de volwassen mensch niet zelden
bezit, zou kunnen worden toegeschreven aan het
doorstaan eener lichte infectie in de jeugd. Zij bezigden
hiertoe een vaccin, vervaardigd uit sterk verzwakte
runder-tuberkelbacillen. Teneinde de virulentie vol-
doende te verzwakken, kweekten zij een stam van deze
runder-tuberkelbacillen op een galhoudenden voedings-
bodem en entten deze cultuur gedurende 13 jaren om
de 14 dagen op gal (bilis) over.
Daar het vaccin preventief moet werken, dus vóór-
dat een besmetting met tuberkelbacillen heeft plaats
gehad, wordt het in den regel toegediend aan zuige-
lingen, voordat zij 10 dagen oud zijn, en wel óf drie-
maal, om den anderen dag, door den mond, óf in
sommige gevallen, sterk verdund, onder de huid.
Bij toediening aan ouderen, bijv. verpleegsters in
sanatoria, geschiedt dit steeds onderhuids. In Frankrijk
zijn reeds honderdduizenden kinderen met dit vaccin
behandeld.
De tot dusverre opgedane ervaringen schijnen de
onschadelijkheid dezer behandeling te bevestigen,
alsmede een daaruit volgende onvatbaarheid voor
tuberculose gedurende enkele jaren. Toch zullen de
onschadelijkheid en de voorbehoedende werking van
het B.C.G. -vaccin door de, gedurende vele jaren
zorgvuldig bij te houden statistieken nog moeten
bevestigd worden.
In Nederland wordt het vaccin aan de
geneesheeren verstrekt door het Rijks-Serologisch
Instituut te Utrecht en wel door bemiddeling van de
leiders van de Consultatiebureaux voor Tuberculose-
bestrijding. Dit B.C.G. -vaccin bestaat uit een emulsie
van levende tuberkelbacillen Calmette-Guórin inglu-
cose-oplüssing ter sterkte van 10 mg bacillen per cm 2 .
Veeger.
In België wordt het B.C.G. -vaccin voorbereid
volgens de methode van het instituut Pasteur te Parijs,
door het instituut Pasteur te Brussel, de instituten
voor Gezondheidsleer en Bacteriologie der Rijksuniver-
siteiten te Gent en Luik, het instituut voor Gezond-
heidsleer te Bergen, en door deze instituten aan de
geneesheeren op schriftelijke aanvraag verstrekt.
In 1931 werd door het ministerie van Binnenland-
sche Zaken en Volksgezondheid een beschrijving
van de eigenschappen en het gebruik van het B.C.G.-
vaccin aan al de Belgische geneesheeren verstrekt.
Vanaf 1924 tot 1933 werden ongeveer 10 000 kinde-
ren met dit vaccin in België behandeld; geen enkel
ongeval werd tot nu toe waargenomen. Heymans.
Bdclliuimjom, op myrrhe gelijkende gomhars.
Be (s c h e i k.), symbool voor het chemisch
element beryllium.
Bcaarding, oude naam voor het kerkelijk
begraven, zonder voorafgaanden dienst in de kerk.
Beachcomber, -> Morton.
Beachy Ilcad, krijtkaap aan de Zuidkust van
Engeland, tusschen Brighton en Hastings.
De zeeslag bij kaap Beachy Head vond
plaats op 1 Juli 1690, in den negenjarigen oorlog
tusschen Frankrijk eenerzijds, Nederland en Groot-
Brittannië anderzijds. De resp. admiraals waren
Tourville, Comelis Evertsen en Torrington. Tourville
behaalde de overwinning. Evertsen onttrok zijn vloot
aan nog grootere verliezen, door bij het optreden
van windstilte met staande zeilen ten anker te gaan.
Voor zijn tegenstander deze manoeuvre had onderkend,
was diens vloot door den stroom zoover afgedreven,
dat Evertsen buiten schot was. Cikoi.
Bcaconsf iclcl , > Disraeli.
Beademing (exsufflatio, insufflatio), liturgische
handeling, verzinnebeeldend den goddelijken geest,
gebruikelijk bij het toedienen van het Doopsel, de
wijding van het doopwater en de wijding van het
chrisma. > Handelingen en gebaren, liturgische.
Beaglc-kanaal, in Z. Amerika gelegen, eig.
een zeestraat, ten Z. van Vuurland; de eilanden
Navarin en Hoste worden hierdoor van de Zuidkust
van Vuurland gescheiden.
Béarn, Oostelijk deel van het Fr. dept. Basses-
Pyrénécs aan de Spaansche grens; bewoond door
Basken. Een mooi, vochtig klimaat; maïs in de vlakte,
wijn tegen de hellingen, veeteelt op de bergweiden.
Graafschap uit de 7e eeuw; in 1920 bij Navarre gevoegd,
in 1589 met Hendrik IV aan Frankrijk. Hoofstad Pau.
Li t. : Cadier, Les états de B. (1888).
Bearne, D a v i d, Engelsch Jezuïet en schrijver,
bekeerling. * 1856; van aanzienlijke afkomst; bekeerd
in 1877 ; Jezuïet in 1887 ; priester gewijd in 1896.
Werken: Ridingdale Stories ; The Golden Stair;
The Ridingdale Boys ; Stories from de Bright Agcs ;
Paying the Price ; Lance and his Friends ; Barnaby
Bright; Francis Apricot; Roddy; Claude Denvil, e.a.
175
Beas-rivier — Beatrijs
176
Beas-rivier, zijrivier van de Satladzj, een der
vijf stroomen in het Vijfstroomenland (Pendsjaab).
Beata, 1° ook Benedicta genoemd, Heilige
maagd. Zij wordt in het Martyrologium van Usuard
op 29 Juni vermeld en in Sens (Fr.) op 6 Sept. vereerd.
Haar leven is onbekend.
L i t. : Acta S.S. Jun. (VII 1709, 450 vlg.).
2° Ook Beroma of Beronia genoemd, Heilige,
martelares uit Afrika. Zij komt onder den naam Beron ia
in een der oudste Martyrologia voor en is zoo in de
middeleeuwsche martelaarsboeken overgenomen. Feest-
dag 8 Maart.
Li t. : Acta S.S. Mart. (I 1668, 756).
Bfsila nobis Gnuclia, Pinkstrr-hymne (Met-
ten) s dort de 10e eeuw algemeen inde West. liturgie.
Bratcnberj), ook San kt B., dorp in het
Zwitsersche kanton Bern ten N. van het Thuner-meer.
1160 m boven zee: ligt beschermd tegen N. en N.O.
winden. Luchtkuuroord, zeer geschikt voor long-
patiënten.
Bcatieum, middeleeuwsche naam voor de
H. Teerspijze, thans gewoonlijk Viaticum genoemd.
Beatificatie, * Zaligverklaring.
Beaton (B e t h u n e), 1° David, kardinaal,
aartsbisschop van St. Andrews, leider der Katholieke
partij in Schotland, strijder tegen de invoering van de
Reformatie en voor de zelfstandigheid van Schotland.
* ca. 1494, als zoon van John B. van Balfour, f J646
te St. Andrews. Studeerde te St. Andrews, Glasgow
en Parijs; bisschop van Mirepoix in Fr. (1537), kardi-
naal (1638); een jaar later aartsbisschop van
St. Andrews en primaat van Schotland. Zijn staat-
kundige arbeid begon met verschillende opdrachten
van Jacobus V voor Fr., waarvan David dankbaar
gebruik maakte om den koning steeds dichter tot dat
land te brengen en hem te weerhouden op de aan-
biedingen van Hendrik VIII in verband met diens
godsdienstige politiek in te gaan. In 1528 werd hij
zegelbewaarder en in 1643 kanselier. Zijn krachtig
optreden voor de Katholieke zaak leidde tot de
veroordeeling van den populairen Lutherschen pre-
dikant George Wishart. Uit wTaak werd hij 29 Mei
op zijn kasteel vermoord. De beschuldigingen van
wreedheid en immoraliteit zijn deels overdreven, deels
onwaar.
L i t. : Lyndsaye, Tragedy of David Cardinall and
archbishoppc of Sainct Andrewes (Londen 1546) ;
Herkless, Cardinal B., Priest en Politician (Edinburgh
1891) ; The Cath. Encyclop. (II, 372-374).
2° James, neef van David, laatste Katholieke
bisschop van Glasgow. * 1617, f 1603 ; zoon van
John Bethune van Auchmuty. De jaren van 1560
bracht hij als ambassadeur van Schotland te Parijs
door. Wachters.
Bcatrice, naam der geliefde van > Dante.
Bcutrix, Heilige, martelares uit Rome (in oude
bronnen altijd V i a t r i x genoemd). Zij werd
samen met Simplicius en Faustinus onder Diocletiaan
gemarteld en aan de Via Portuensis begraven. Feest-
dag 29 Juli.
Beatrix, dochter en erfgename van Reinald III
van Bourgondië. f 1184. Om B. als erfgename van
Reinald onschadelijk te maken, nam haar broer Willem
haar gevangen. Door keizer Frederik Barbarossa
bevrijd, huwde deze haar te Würzburg in 1156 en
kon daardoor het erfdeel van zijn vrouw, Opper-
Bourgondië, ook Franche-Comté genoemd, aan zijn
rijk toevoegen.
Beatrix van Dampierre, gravin van Holland,
echtgenoote van Flor is V, na eerst verloofd te zijn
geweest met Floris den Voogd.
Beatrix van Lotharingen, gravin van
Toscane, dochter van Frederik van Opper Lotharingen,
f 1076. B. was gehuwd met Bonifacius III van Toscane.
Uit dit huwelijk is Mathilde van Toscane geboren.
Weduwe geworden, hertrouwde B. in 1054 met God-
fried van Lotharingen, den hardnekkigsten vijand
van keizer Hendrik III. Zoowel tijdens het leven van
haar gemaal, die een zeer zelfstandige politiek voerde,
als na diens dood in 1069, toonde B. zich een toegewijd
bondgenoote der pausen. Zij streed eveneens voor een
kerkelijke hervorming in den geest van Gregorius VIL
Dit gaf den geschorsten kardinaal Hugo aanleiding,
in zijn mateloos overdreven rede vol beschuldigingen
tegen dien paus op den Rijksdag van Worms in 1076,
de schandelijkste dingen te vertellen over diens
verhouding tot B., keizerin Agnes en Mathilde van
Toscane.
L i t. : > Gregorius VIT, Mathilde van Toscane,
Koenraad II en Hendrik 111. Slootmans.
Beatrijs. Beroemd en zeer verspreid middel-
eeuwsch Maria-mirakel: een „nonne,
costerse”, wordt door de liefde zóó overmand, dat zij
zich door den jongen ridder, dien zij van haar
tw r aalfde jaar bemind had, laat ontvoeren. Zeven
jaar leven ze samen; maar den man „ontbrac die eerste
trouwe”. Zeven jaar moet zij nu met hare kinderen
bedelend omzwerven, levend van ontucht. Tot zij
eens bij haar vroeger klooster komt, waar zij in een
droom gewaarschuwd wordt naar het klooster terug
te gaan. Zij gehoorzaamt: Maria, van wie zij eens
smeekend om erbarm ing had afscheid genomen, wier
getijden zij dagelijks had gebeden om de genade van
boete, had al die jaren haar plaats ingenomen en voor
haar gediend. Dus werd de zondares bekeerd, Maria
te love, die hare vrienden in den nood niet verlaat.
Het thema wordt voor het eerst aangetroffen, nog
wel in tweevoudigen vorm, bij Cacsarius van Heister-
bach (einde 12e, begin 13e eeuw). In de meeste Euro-
peesche talen is het behandeld geworden. Veruit het
meesterstuk is de Middelncderlandsche B. Dit is veel
meer dan een Maria-legende: het is een brok volle
menschelijkheid. Hier ligt al de ellende der zonde
in uitgebeeld, met al hare wanhopige overmacht,
die boete en gebed en kastijding bezwijken doet voor
den drang der aardsche liefde, waar die eenmaal in
het hart werd toegelaten; met dat schrijnend bewust-
zijn van het kw r ade in de daad zelf, en toch, met dit
geloof en die liefde, die te voren om vergiffenis smeekt,
die bij Maria redding zoekt; de psychologische kracht
en diepte, waarmee die tragiek werd gevoeld en uit-
gebeeld is eenig. Maar grootcr dan de zonde is de
barmhartigheid Gods en de goedheid van Maria.
Een meesterstuk, niet slechts om die psychologische
diepte, die trouw'ens overal aangevoeld wordt: bij
de afspraak, bij de ontmoeting, in de werking der
wroeging bij de eerste vreugde, in de hartstochtelijke
liefdesontboezeming met het plotse besef der eigen
ellende; maar ook door de directheid, de natuurlijk-
heid, den eenvoud van het verhaal, de ongedwongen-
heid der samenspraken, de innigheid der gebeden;
door de bezonkenheid en beperking bij allen overvloed,
door de kieschheid en den eerbied voor het heilige.
Steeds heeft de dichter onze sympathie w T eten te bewa-
ren voor de zondares in de hoogheid van haar voelen
en in de zelfopofferende liefde voor haar kinderen.
177
Beatrijs van Nazareth — Beaucaire
178
En daarboven hangt de Liefde in het gemoed en de
ridderlijkheid in heel het vertoon; dit gedicht is nog
ontstaan in den tijd der hooge ridderlijkheid, vóór
het einde der 13e eeuw (door Diederic van Assenede?).
Nog in onzen tijd trekt de legende de dichters aan.
Karl Yollmöller breidde ze uit in 1911 tot een machtige
pantomime, die door Max Reinhardt geregisseerd werd
Bouten» dichtte ze om in een strophisch gedicht
met gekunstelde versvormen; Herman Teirlinck tot
een spel: „Ik dien”, waarin de vrome legende geheel
ontkerstend wordt. „Beatrijs” door Felix Rutten
(1918) blijft trouw aan den Katholieken geest, zonder
er de eenvoudige grootheid van te hebben bewaard.
Het legende-spel „Vallis Gratiae” van Amos Ander-
son (1924) behandelt de oude middeleeuwsche legende
als een stuk leven uit het middeleeuwsche Finland.
Over den oorsprong der legende werd niets ontdekt.
U i tg. : J. J. Gielen (1931) ; D. C. Tinbergen in Van
alle tijden (1932). — L i t. : J. Guiette, La Légende de la
8acristine (Parijs 19261 ; D. Stracke S.J., B. in de wereld-
literatuur (Brussel 1930). V. Mierlo.
Beatrijs van Nazareth, zoogenaamd naar
de Cisterciënserinnen-abdij van O. L. Vrouw van
Nazareth, bij Lier; mystieke schrijfster van het oudst
bewaarde, zeker gedateerde Dietsche proza. Zij moet
in het Dietsch een soort van autobiographie hebben
opgesteld, met het verhaal van haar inwendig leven,
met visioenen en geestelijke verhandelingen, dikwijls
van allegorisehen aard. Wij kennen er de meeste nog
van, door de samenvatting, die haar Latijnsche
levensbeschrijver er van gegeven heeft. In het Dietsch
bleef alleen gespaard de verhandeling van: S e v e n
Manieren van Minnen. Heel uitvoerig
is het niet; toch betoekent het een eerste, machtige
poging in stamelende menschentaal, die meermalen
tot ware kunst opstijgt, om den opgang der ziel naar
God langs zeven manieren, trappen of wijzen, voor te
stellen. Gedragen door een hooge opvatting van den
liefdedienst en een onstuimigen drang naar God, met
eenige mooie, reëele beelden uit het leven, is het een
schrift van blijvende waarde voor de geschiedenis
der mystiek in de volkstaal. Het ontstond misschien
nog vóór 1235. B. werd geboren ca. 1200 als dochter
van een Bartholomeus van Thienen, die drie Cister-
ciënserinnen-abdijen stichtte, waar zij achtereenvolgens
verbleef: te Bloemendaal, Maagdendaal en sedert
1236 te Nazareth. Ze overleed 1268.
U i t g. : L. Reijpens en J. Van Micrlo (Leuven 1927).
Vertaald door A. Helman (Utrecht 1928) ; door J. van
de Kun S.J. (Antwerpen. Bloemen van Ons Geestelijk
Erf) en Caeymans (Antwerpen 1929). V. Mierlo.
Beat tic, James, Schotsch dichter en prof.
in de philosophie te Aberdeen. * 1735, f 1803. Als
philosoof populair, maar zeer oppervlakkig; meer
bekend om zijn „The Minstrel” (1771), een lang didac-
tisch gedicht in de Spenser-strophe over de psycholo-
gische ontwikkeling van den dichter (voorlooper
van Wordsworth’s Prelude en van de Romantiek).
Invloed van Percy’s Reliques.
Beatus, ■> Zalige.
Beatus, Heilige, volgens de legende de eerste
apostel van Zwitserland; f 112. Daniël Agricola, een
barrevoeter uit Bazel, is de auteur van deze legende
in 1511 en hij baseerde zich hierbij op een der drie
levens van den heiligen B. van Vendóme. Latere
levensbeschrijvers van den Zwitserschen Heilige
steunen allen op dezen totaal oncritischen tekst, ook
de H. Canisius, wiens werk aanleiding was tot
vereering van B. als landspatroon. De vereering
van B. in Zwitserland gaat terug tot op de 12e eeuw
en sedert de 15e eeuw is de bedevaart naar „Sankt
Batten” bekend. Het is een onopgeloste kwestie, of B.
een nationale Heilige is, of samenvalt met den Fran-
schen heiligen Beatus. Feestdag (ook van den Fran-
schen B.) 9 Mei. B. wordt afgebeeld als kluizenaar
met stok en rozenkrans, meermalen vergezeld van
een draak.
L i t. : J. Stammlcr (Bern 1904) ; H. Morctus in Anal.
Boll. (XXVI 1907, 423-453). J. v. Rooij.
Bral us Hhetianus, 1° Humanist; scherpzinnig
handschriftenkenner en voorzichtig tekstcriticus.
* 1485 te Schlettstadt, f 1547 te Straatsburg. Hij gaf
o.a. Tacitus uit en schreef een goede gesch. van
Duitschland; vriend en biograaf van Erasmus.
2° Pseud. van Theodor > B i r t.
Bcatus van Liéhana, Spaansch priester-
monnik uit de 8e eeuw van de abdij van Liébana bij
Santander (Sp.), gaf in 776, waarsch. gedreven door
de meening, dat een spoedig wereldeinde (in 800) te
wachten was, een commentaar uit op de Apocalyps,
die reeds tijdens zijn leven sterk de aandacht trok (nog
twee uitgaven: in 784 en 786). Het is een soort catena
zonder originaliteit, maar die voor ons vele oude
teksten bewaard heeft. Zijn bronnen zijn hoofdzakelijk
de II. Hiëronymus, Augustinus, Ambrosius, Fulgen-
tius van Ruspe, Gregorius de Groote, lrenaeus en
Isidoms van Sevilla. Belangrijk is vooral de ver-
luchting van Beatus ’ commentaar geworden voor de
Spaansche en Romaansche kunst en iconographie.
Het oudste van de 30 bekende geïllustreerde hss. van
dezen commentaar, is niet vroeger dan het einde der
9e eeuw en van onbeholpen uitvoering (nu in de abdij
van Silos); in de volgende eeuwen werd het vooral
door de schrij versscholen van Leon en Castilië geco-
pieerd en allengs vaardiger verlucht. Verder schreef B.
tegen adoptianistische ketterij van Elipandus van
Toledo, in welk geschrift vooral zijn grondige kennis
der H. Schrift tot uiting komt. Men kent hem eenige
hymnen toe (bijv. ter eere van den H. Apostel Jacobus),
die later in de Mozarabische liturgie zijn overgenomen.
Werken: Beati presbyteri hispani Liebancnsis in
Apocalypsim ac utriusque foederis paginas commentaria
(uitg. Madrid 1770 door Florez, en Rome 1930 door
H. A. Sanders) ; Liber adversus Elipandum, sive de
adoptione Chripti Filii Dei (Migne. P. L. 96, kol. 859-
1030). — L i t. : Ramsay, The mss. of the Commentary
ol Beatus de Liebana on the Apocalyps, in Revue des
bibliothéques (1902, 9) : Goddard King, Divagations on
the Beatus, in Art Studies (1930) ; Neuss, Die Apoca-
lypse des hl. Johannes in der alt-span. und altchristl.
Bibelillustration : Das Problem der Beatus Hss. (1931).
Knipping.
Beatus illc. Bedtus ille, qui proeul negótiis,
Patéma rura bobus exercet suis (Lat.) = „gelukzalig
de mensch, die ver van het zakenleven, zijn erfgoed
bewerkt met eigen runderen”. Dit is de vertaling van
prof. J. J. Hartman in zijn buitengewoon boek:
Beatus ille (Leiden, S. C. Doesburg 1913, blz. 131 vlg.).
Uitdrukkelijk wil hij (blz. 128) niets weten van een
„idyllische beschrijving van landelijke bezigheden
enz.”, maar noemt het met Simon Karsten „een satire-
tje, of om met Tuckwell te spreken, een conversa tion”
(blz. 129). Brouwer .
Beau Brunimcl, > Brummel.
Beaucaire, mooi stadje van 8 480 inw. (1926)
aan de Rhöne, in het Fr. dept. Gard (43° 49' N.,
4° 39' 0.). In de M. E. bekende jaarmarkten. In de
179
Beaucamps-Ligny — Beaufort
180
nabijheid het Romeinsche Ugemum. Sinds 1226 aan
Frankrijk. In 1576 een der veiligheidsplaatsen van de
Hugenoten.
Bcaucamps-Lic/ny, gem. en kerspel in kanton
Harbodem (llaubourdin) in Fr. Vlaanderen, 600 inw.
Franschsprekend. Landbouw. Jongenspensionaat der
Broeders Maristen; meisjespensionaat der Zusters
van het Kindeke Jezus (Rijsel).
Beauee, Fransch landschap ten Z. van Parijs
(grootte ca. Friesland); Tertiaire kalk, bedekt met
vruchtbaar leem; de korenschuur van Parijs (tarwe
en suikerbieten). Vlakke plateau ’s, doorsneden door
vele beken, met vele dorpen en boomgaarden. Veel
grootgrondbezit. Belgen als seizoenarbeiders.
Beauccns, plaats in de Pyreneeën op 480 m
hoogte. Zacht klimaat, weinig nevel, lithiumhoudende
bronnen. Behandeling van rheuma, jicht en neuralgie.
Bcauchamps, l°Charles Louis, ballet-
mecster, dansleeraar van Lod. XIV, medewerker van
den operacomponist Lully e.a. (in de blijspelen van
Molière), choreograaf. * 1636, f 1705 te Parijs. Onder
zijn le id in g valt de o verga ng van het ballet de cour naar
het tooncelballet. Hij voegde de dansmomenten als
divertissementen, als rustpunten, tusschen de opera -
acten in. Terlingen-Lücker.
2 ° Pierre Franco is Godard de,
muziekhistoricus. * 1689 te Parijs, f 1761 aldaar;
schreef: Recherches historiques sur les théatres de
France depuis 1’année 1161 jusqu’k présent (1735)
en: Bibliothèque des théatres (1746 ; een opsomming
van opgevoerde drama’s, opera’s, enz., benevens
aanteekeningen over verschillende toonkunstenaars).
Piscaer.
Beauduin, N i c o 1 a s, Fransch dichter van
de richting van het zgn. Paroxysme. Zijn poëzie, naar
eigen bevestiging de vrucht van brandend-visionnaire
toestanden en een bestendige exaltatie, vertoont
eenige ongelijkmatigheid van vorm en stijl; maar
indrukwekkend is desondanks de schildering van den
innerlijken strijd tusschen de steeds hongerige zinnen
en den drang naar zuiverheid en spiritualistische
verheffing in den dichter. Vooral B.’s verzen van na
den oorlog, duidelijk door Rabindr. Tagore beïnvloed,
vertoonen in trouwens weelderig-exotische beelden
en in vormen, die, als bij Tagore, gaarne het vrije vers
tot een zacht rhythmisch proza laten vervloeien,
de gevaarlijke vermenging van Oostersche mystiek
en zwoele zinnelijkheid. * 10 Sept. 1881 te" Poix
(Somme).
Werken: Le chemin qui monte (1908) ; Les
triomphes (1909); La divine folie (1910); Les deux
règnes (1911) ; Les cités du Vcrbe (1911) ; Les princesses
de mon songe (1912): Les soeurs du silence (1912);
L’offrande héroïque (1916) ; Rhythmes et chants dans
le Renouveau (1920) ; Signes doublés (1921) ; Les enfants
des hommes (mystère, 1922) ; L'homme cosmogonique
(1922) ; Synopsis (1927).
L i t. : H. Maassen, La poésie paroxyste ; J. Muller et
G. Picard, Les tendances présentes de la littérature
fran^aise (Parijs 1913). Baur.
Braufays, Belg. gem. in de prov. Luik, ten Z.O.
van Luik; ruim 900 inw.; opp. 676 ha; bergachtig.
Kasteelen: Tiège, Bruyères, Wéhiret, Abbaye. B.
leed veel schade in 1914.
Beaufort, gem. in het groothertogdom Luxem-
burg, ten W. van Echternach; opp. 1 374 ha, ong.
1 200 inw. Aantrekkelijke wandelingen in de om-
geving; rijk versierde kerk; ruïne van oud kasteel
van B.
Beaufort, tak van het Huis Plantagenet*
1 ° H e n r y , kardinaal en staatsman.* 1374 of 1375,
f 1447 als bisschop van Winchester. Hij was een zoon
van John of Gaunt, hertog van Lancaster en daardoor
een halfbroer van den Eng. koning Hendrik IV, al
stamde hij dan ook uit een concubinaat met Catharina
Swynford. Door Richard II werden de kinderen in
1396 gewettigd. Na studies te Oxford tot priester
gewijd, maakte hij spoedig promotie en beklom in
1398 den bisschoppelijken zetel van Lincoln, dien hij
in 1405 verliet voor Winchester. Op het Concilie van
Konstanz wist hij een compromis tot stand te brengen
tusschen keizer Sigismond met de Eng. legatie, die
eerst de reformatie van de Kerk verlangden, en de
kardinalen, die de onmiddellijke keuze van den paus
voorstonden. Uit dankbaarheid bekleedde de nieuwe
paus Martinus V B. met het kardinalaat en benoemde
hem tevens tot legaat van Eng., Wales en Ierland,
welke waardigheid hij wegens protest van den aarts-
bisschop van Canterbury, met beroep op zijn rechten
bij den koning, niet kon aanvaarden. Zijn deelname aan
den kruistocht tegen de Hussieten na zijn benoeming
tot legaat van Duitschland, Hongarije en Bohemen
liep uit op een mislukking. De dood van Martinus
V maakte aan deze missie een einde (1431). Als bis-
schop ontplooide hij geen groote kracht, maar zijn roem
ligt meer in zijn optreden als staatsman. Tot driemaal
toe was hij kanselier van Eng. en als zoodanig toonde
hij zich een bekwaam financier en ijveraar voor den
vrede. Bij zijn vredespogingen met Fr. werd hij jaren-
lang gedwarsboomd door Humphrey, hertog van
Gloucester, die hem bij den koning wist te verdringen,
maar na 1440 het onderspit moest delven. Het sombere
verhaal, dat Shakespeare van zijn dood heeft gegeven,
mist eiken historischen grondslag. Hij werd begraven
in de onder hem voltooide kathedraal van Win-
chester.
L i t. : K. Yickers, Humphrey, duke of Gloucester
(Londen 1907) ; L. B. Radford, Henry B., bishop,
chancellor, Cardinal (Londen 1908) ; Dict. Hist. Géogr.
Eccl. (VII, 128-131).
2 ° John, graaf van Somerset, broer van Henry
* ca. 1373, f 1410. Hij steunde Richard II in de machts-
beperking der lords, waarvoor hij tot markies van
Dorset verheven werd, een titel, die hem na de afzet-
ting van Richard in 1399 weer werd ontnomen. Later
voerde hij het commando over de Eng. vloot. Zijn
dochter Janc huwde met Jacobus I, koning van Schot-
land.
3° Thomas, broer van Henry en John, kanselier
van Eng., f 1426 te Greenwich. Hij nam actief deel
aan het onderdrukken van den opstand in het N. van
Eng. en aan den strijd met Fr., waar hij een tijdlang
gevangen zat. Wachters .
Beaufort, 1°sir Francis, Britsch admiraal
en hydrograaf, * 1774, f 1857. De > Beaufort-
schaal (1806) voor windkracht en, in mindere
mate, de Beaufort-noteering van het
weer, door middel van letters van het alphabet, worden
nu nog in de meteorologie gebruikt.
2° Louis de, geschiedschrijver; voorlooper
van Niebuhr in de critische beschouwing der oudste
Rom. geschiedenis. Hij schreef in het Fransch. * 1703
te Den Haag, f 1795 te Maastricht.
L i t. : Nieuw Ned. Biogr. Woordenboek (VI, 85).
3° Willem Hendrik de, jurist, staatsman
en verdienstelijk geschiedschrijver. * 1845 te Leusden,
t 1918 te Den Haag. Werd in 1877 lid van de Tweede
181
Beauf ort-noteering— Beauj on
182
Kamer (Liberaal). In het ministerie Pierson-Borge-
sius (1897—1901) was hij minister van Buiten landsche
Zaken. In zijn ambtsperiode als zoodanig valt de eerste
Haagsche Vredesconferentie (1899), waarvan hij het
eere-voorzitterschap bekleedde, terwijl hij op de tweede
vredesconferentie (Den Haag 1908) optrad als gedele-
geerde van de Ned. regeering. Ook had hij zitting in
het bestuur van de Carneg ie -stichting en was hij langen
tijd lid van de redactie van „de Gids”.
Werken: o.a. Geschiedkundige opstellen (1892) ;
Staatkundige Opstellen (1904) ; Nieuwe Geschied-
kundige Opstellen (1911); dl. II van de Gesch. van
onzen tijd van P. L. Muller (1913). Verberne.
Beautfort-notcering , > Beaufort, sir Francis.
Beaufort-schaal. Oorspronkelijk werd de
kracht van den wind door de zeevarenden genoemd
naar de zeilen, die op een volgetuigd schip nog konden
worden gevoerd. Zoo sprak men van bramzeilskoelte,
gereefde marszeilskoelte enz. Ter nadere aanduiding
en ter bevordering der eenheid ontwierp in 1805 de
(latere) Eng. admiraal Beaufort een schaal, welke
naar hem genoemd werd en bij de zeevarende naties
ingang vond. In deze schaal werden de verschillende
windkrachten door getallen van 1 tot 12 voorgesteld.
Zij waren gebaseerd op een volgetuigd schip uit zijn
tijd; waarnemers op deze schepen verkregen al spoedig
voldoende ervaring om volgens deze schaal ook op
ander soort schepen de windkracht te schatten. Der-
gelijke waarnemers waren in staat ook op de latere
stoomschepen dezelfde schaal toe te passen en hun
kennis op jongere waarnemers over te planten. Hoe
wel de tegenwoordige zeevarenden meestal hun zee-
manschap alleen nog maar op stoomschepen opdoen,
is het in de praktijk gebleken, dat zij door nauwkeurig
acht te geven op de schattingen van oudere en meer
ervaren personen, spoedig met de toepassing der schaal
vertrouwd raken. De schaal wordt dan ook nog alge-
meen gebruikt en het schatten van de windkracht aan
boord der schepen geschiedt over het algemeen nauw T -
kcurig. Aan den w r al, waar men zich vroeger tot wind-
schattingen bepaalde, gebruikt men tegenwoordig
ter beoordeeling van den wind verschillende toestellen
om windsnelheid en -druk te meten. Bij de Beaufort-
schaal heeft men voor de verschillende w’indkrachten,
de gemiddelden voor windsnelheid en druk bepaald,
waardoor men in staat is bij waarnemingen met deze
instrumenten toch de windkracht volgens genoemde
schaal op te geven. Er bestaan groote verschillen in de
bepalingen van de gemiddelden; ten einde hierin een-
heid te brengen is men de laatste jaren met succes be-
zig dit internationaal te regelen. In de schaal op
kol. 183-184 zijn de kolommenl, 2 en 3 volgens de oor-
spronkelijke schaal, zooals Beaufort die ontwierp.
Kolom 6 is snelheid op 6 m hoogte boven het niveau,
dat vrij van huizen, boomen e.d. is, volgens de confe-
rentie van het Internationaal Meteor. Comité te
Weenen 1926. Kolom 8 is de classificatie volgens
de resolutie der conferentie te Hamburg in 1932.
Kol. 7 geeft een globaal equivalent voor den wind-
druk, ook stuwdruk genoemd, voor groote oppervlak-
ten, hetwelk men nog doende is internationaal vast
te leggen. Wissmann.
Beaugeney, Fransche vesting aan de Loire in
het dept. Loirct (47° 60' N., 1° 40' O.); 3 300 inw.
(1926). Wijnbouw. Kerkgebouwen uit de 10e— 12e
eeuw; Renaissanceraadhuis. Bekende slag 8 Dec.
1870, door de Duitschers gewonnen.
B emigrant, G u y o t, de, ook de Beau-
gran of Beaulgrant, Vlaamsch beeldhouwer
uit Mechelen, waar hij werkte voor de regentes Marga-
retha. f 1551 te Bilbao. In Brugge decoreerde hij met
Glosen camp, Rasch e.a. den schoorsteenmantel van
„het Vrije” (gedachtenis der overwinning van Karei
V op Frans I). In 1533 ging hij naar Spanje; te Bilbao
in de Sint Jacobskerk bevindt zich nog een altaar-
stuk van hem op het hoofdaltaar. Knipping.
Beauharnais, 1° Alexander, graaf; Fr.
generaal, * 1760 op Martinique, f 1794 te Parijs;
maakt den Amer. vrijheidsoorlog mee; heeft, als lid
van de Constituante ruim aandeel aan de besluiten
van 4/5 Aug. 1789; 1793 commando over het Rijn-
leger, neemt ontslag en wordt geguillotineerd als
medeplichtige(P) aan het verlies van Mainz aan de
Pruisen. Uit zijn mislukt huwelijk met Joséphine,
de latere echtgenoote van Napoleon I, twee kinderen:
Hortense en Eugène.
2° Eugène; door Napoleon als zoon geadop-
teerd; de keizer vond in E., die wel talenten had, een
gedwee helper. * 1781 te Parijs, f 1824 te München. E.
maakte den Ital. veldtocht en de Egypt. expeditie
mee; 1805 Fr. rijkskanselier en vice-koning van Italië;
huwt Augusta van Beieren; onderscheidt zich op den
tocht naar Rusl. en bij Lützen (1813). Leeft na 1815
in Beieren als hertog van Leuchtenberg en prins van
Eichstadt.
3° Hortense, koningin van Holland van
1806— ’10, huwde in 1801 op aandrang van Napoleon
met zijn broer Louis, ofschoon zij niets voor elkaar
voelden; sinds 1807 gescheiden. * 1783 te Parijs, f 1837
te Arenberg (Zwitserland). De jongste van hun drie
zonen was de latere Nap. III; 1815 werd H. uit Fr.
verbannen. V.Claassen .
4° Joséphine, keizerin der Franschen, eerste
echtgenoote van Napoleon I Bonaparte; * 23 Juni
1763 op het eiland Martinique, f 29 Mei 1814 te Mal-
maison. Dochter van den havenmeester Joseph
Tascher de la Pagerie; huwde in 1779 met vicomte
Alexandre de Beauharnais, die in 1794 werd geguil-
lotineerd; uit dit eerste huwelijk werden geboren
Eugène en Hortense. Tijdens het schrikbewind zat
Joséphine in de gevangenis. 9 Maart 1796 huwde ze
met generaal Napoleon Bonaparte, die haar 5 Dec.
1804 de keizerskroon opzette. Wijl Napoleon een erf-
genaam en troonopvolger wilde en Joséphine in dit
tweede huwelijk kinderloos bleef, werd een echtschei-
ding bewerkt (1809). Joséphine leefde daarna te
Malmaison met haar hofhouding en titel, en bleef met
Napoleon in verbinding.
U i t g. : Briefwisseling met Napoleon (2 dln. 1833 ;
laatste uitg. in het Duitsch door H. Szasz, 1929).
B i o g r a p h i e : Turquan (2 dln. 1895-’96) ; Masson
(3 dln. 1899-1901); Gérard d’Houville (1925); Driault
(1930) ; Mc Noir Wilson (1930) ; E. A. Rheinhardt (1932).
Beaujolals, beroemde Fr. wijn uit het landschap
tusschen Loire en Saöne, ten N.W. van Dijon. Centrum
Beaujeu.
Beau jon, A n t o i n e, hoogleeraar te Amster-
dam, opvolger van Pierson, economist der Ned.
school van den vrijhandel, bekend door zijn werk:
Handel en handelspolitiek. *28 Juni 1853 te Den Haag;
t 12 Dec. 1890 te Heidelberg. Was werkzaam aan het
ministerie van Financiën en werd buitengewoon
hoogleeraar in 1884; was hoofdredacteur van het statis-
tisch jaarboek van het Koninkrijk der Nederlanden
en zijn koloniën en van het in 1885 opgerichte tijd-
schrift: Bijdragen van het Statistisch Instituut. Sinds
Bcaufort-schaal
185
Beaulieu— Beaumont
186
1888 was hij lid der redactie van de Economist. Zijn
geschriften laten zich verdeelen in 3 groepen: prac-
tisch -economische, theoretisch -economische en statis-
tische. Naar aanleiding van „Merchant Shipping Act”
van 1876, schreef B. „Zeewaardigheid van schepen”
en op de prijsvraag, door het comité ter voorbereiding
der „International Fisheries Exhibition” in 1882
uitgeschreven, zag zijn bekroond werk „History of
Dutch Seafisheries” het licht. In 1888 schreef B.
„Handel en handelspolitiek”, dat ten doel had de
theorie te geven van den internationalen ruil en dit
dienstbaar werd gemaakt aan de bestrijding van het
protectionisme. Van protectionistische zijde werd het
bestreden door Armand Diepen in diens werk: „De
jongste uitingen van het anti-protect ion isme”, waar-
tegen B. zich verdedigde met zijn opstel: „Een leer-
boek van protectionisme” in de Economist van 1889.
Naar aanleiding van Leon Walras’ „Eléments d’écono-
mie politique” schreef B.: „Wiskunde in de economie”.
In de Revue d 'économie politique schreef hij: „A
propos de la théorie du prix”, waardoor hij de belang-
stelling voor de grenswaardeleer trok. Als directeur
van het Statistisch Instituut en door bijdragen in
binnen- en buiten landsche publicaties, maakte hij
zich verdienstelijk voor de statistiek.
L i t. : N. G. Pierson, A. Beaujon, De Economist
(1891) ; Handwörterbuch der Staatswissenschaften.
AL Verhoeven .
Beaulieu, wintersportplaatsje in de Fransche
Riviera, ten O. van Nizza in het dept. Alpes-Mariti-
mes; 2 250 inw. (1926). Zeer beschutte ligging, sterke
isolatie, vandaar de bijnaam Petit Afrique.
Bcaumanoir, Philippe de Remi,
seigneur de, Fr. rechtsgeleerde en dichter;
* 1246, f 1296. Uit een adellijke familie van Bretagm*
gesproten, bracht hij klaarblijkelijk verscheidene
jaren van zijn jeugd in Engeland door als page, om
er het hofleven en de krijgskunst te leeren. Daarna
leefde hij in Frankrijk als rechter op vele plaatsen.
In zijn gedichten verwerkte hij de oudste legenden van
zijn geboorteland. Zijn voornaamste werk echter,
vervaardigd in 1280— ’83 onder den titel Coutumes de
Beauvaisis, is een opteekening van het toen geldende
gewoonterecht, niet slechts van Beauvaisis, doch ook
het gemeenschappelijke van geheel Frankrijk. Hij
wijzigde het echter niet zelden volgens het Romeinsche
en canonieke recht, dat hij uitstekend kende. Ook
verwerkte hij hierin de ordonnances der Fransche
koningen. Het heeft echter weinig invloed gehad op
de latere juridische literatuur.
* Lit. : H. Bordier, Philippe de Remi, sire de Beau-
manoir, 1246—1296 (2 dln. Parijs 1869— '73, met
platen). v. d . Kamp.
Beaumarchais, Pi e r r e A u g u s ti n
Caron, genoemd de, Fransch tooneclschrijver
en onmiddellijk wegbereider van de Omwenteling
van 1789 (la révolution déjü en action, noemt hem
Napoleon I). * 24 Jan. 1732 te Parijs, f 18 Mei
1799 aldaar. Door zijn wrok om de omkoopbaarheid
van het gerecht, waarmede hij in langdurige
processen te doen had (zie Mémoires pour le Sieur
B., 1774 vlg.), kwam deze zoon van een uurwerk-
maker, die achtereenvolgens alle maatschappe-
lijke rangen had bekleed, tot de wrange heke-
ling van het ancien régime. In de wereldletter-
kunde leeft Beaumarchais met Le Barbier de
Sév il le (1776) en Le mariage de Figaro
(1781, pas toegelaten in 1784): twee blijspelen
in proza, die (vooral het laatste) de levendige, bonte
intrigue, den schitterenden, vlotten, nerveuzen dialoog
en de gekruide
scherts van de klas-
sieke comedie ver-
binden met de po-
litiek-sociale tijds-
satire in onbeheer-
schte heftigheid.
Figaro is de
aanklager van alle
sociaal onrecht, alle
adelsprivilegiën,
alle verdorvenheid
en hypocrisie der
hoogere standen ;
de spreekbuis, op
het tooneel, voor
al de strevingen
van den t i e r s
é t a t, zooals de Revolutie dien zal uitwer-
ken. De graaf Almaviva, de luchthartige Brid’oi-
son, en de jonge Cherub in werden spreekwoordelijke
figuren; Mozart maakte Figaro onsterfelijk in een
opera. De pogingen van B. op het gebied van het
burgerlijk drama behaalden minder bijval.
U i t g. : tekstkritische door de Marescot en de
Ileylli (4 dln. Parijs 1869 vlg.) ; — Bloemlezing:
Bonncfon, Pages choisies (Parijs 1902). — Lit.: H.
Cordier, Bibliographie des oeuvres de B. (Parijs 1883) ;
L. de Loménie, B. et son temps (Parijs 4 1880) ; E. Lintil-
hac, B. et ses oeuvres (Parijs 1887) ; P. Toldo, Figaro et
scs origines (1893) ; A. llallays, B. (Parijs 1897) : F.
Funck-Brentano. Figaro et ses devanciers (Parijs 1910) ;
A. Scligmann, Figaro’s Hochzeit in d. deutschen Lit.
(Troppau 1910); A. Bettelheim, B (München 2 1 91 1 ) ;
E. Ziegler, Das Drama der Révolution (Berlijn 1911);
A. Seligmann, L'influence du mariage de Figaro sur la
littérature frangaise (1914). Daur.
Beaumont, 1° Belgisch stadje, in het Z. van de
prov. Henegouwen, ten Z. van Thuin ; 1 700
inw., opp. 696 ha. Rotsachtig, kalk- en leisteen;
landbouwnijverheid; rivieren van B. en van Feaux.
Ruïne van versterkt kasteel, „Tour Salamandre”.
Zeer oude nederzetting, machtige vesting in de M.E.,
herhaaldelijk verwoest door oorlog en ziekte.
V . Ashroeck.
2 ° Stad in den N. Amer. staat Texas, 30° 10' N.,
94° 5' W.; spoorwegknooppunt aan de tot hier voor
zeeschepen bevaarbare Neches; handelsccntrum van
Z.O. Texas en Z.W. Louisiana, een streek met dichte
pijn- en cypresbosschen, uitgestrekte rijstvelden en
rijke petroleumbronnen, waarvan B. de producten
verwerkt. Het heeft zich vooral tengevolge van de
groote vlucht der petroleumindustrie ontwikkeld en
telde in 1930: 57 732 inw. In 1929 exporteerde de haven
830 000 ton (906 kg) en importeerde er 205 000 ;
bovendien werden 80 000 ton door do kustscheepvaart
aangebracht en 10 403 000 verzonden. Polspoel .
Beaumont, > Jan van Beaumont.
Beaumont, 1° Christophe de, aarts-
bisschop van Parijs, bijgenaamd de Fransche Atha-
nasius. * 26 Juli i703 op het kasteel la Roque, f 12
Dec. 1781 te Parijs. Na verschillende kerkelijke func-
ties werd hij in 1741 bisschop van Bayonne, vier jaar
later van Vienne en in 1746 van Parijs. Zijn regeering
stond in het teeken van strijd. Hij was in voortdurend
conflict met het parlement, omdat hij in verband met
de Jansenistische woelingen had voorgeschreven,
187
Beaumontgeweer-— Beaunier
188
niemand de Sacramenten der Stervenden toe te dienen
zonder vertoon van een biechtbewijs, uitgereikt
door een geapprobeerden priester. Verder streed hij
tegen de Jansenisten en de Encyclopaedisten, bij
wier aanvallen hij de krachtige beschermer der Je-
zuïeten was. Tot viermaal toe werd hij uit zijn diocees
verbannen. Zijn geestelijkheid volgde hem in trouwe
gehoorzaamheid. Hij was enthousiast voor de kerkelijke
liturgie en een vriend der armen. Zijn overtuiging en
ridderlijk karakter dwongen zelfs zijn vijanden eerbied
af (brief van J. J. Rousseau). Zijn waarschuwingen
voor het gevaar eener revolutie sloeg men in den
wind. .
L i t. : Biographie van E. Régnault, Chnst. de B.
(2 dln. Parijs 1882) ; Dict. Hist. Géogr. Eccl. (VII 1933,
204-206). Wachters.
2 ° Francis, Engelsch tooneelschrijver, wiens
naam onverbrekelijk met dien van John Fletcher ver-
bonden is. * 1584, f 1616. Studeerde voor rechtsge-
leerde. maar werd uitsluitend dramaturg; vriend van
Drayton en Jonson, en werkte samen met Fletcher
van 1605 tot zijn dood. Hun gezamenlijke tooneel-
stukken werden gedrukt in 1647. Hun levendigste,
lucht igste, meest gevarieerde blijspel, dat nog altijd
als volop modern aandoet, is „The Knight of the
Buming Pestle” (1609); hun meest Shakespaereaansch
drama, °maar zonder Shakespeare’s diepgang: „Phi-
laster” (1610); hun meest pakkende en tragisch -ont-
zettende „The Maid’s Tragedy” (1611). B. alleen
schreef in 1613 een „Masqué”, een der beste en dichter-
lijkste, die er bestaan. In de uitgave van 1647 staan
34 tooneelstukken op naam van B. en Fletcher, doch
slechts aan een twaalftal heeft B. meegewerkt.
13 i t g. ontelbaar ; de voornaamste en nieuwste zijn :
de groote Variorum-uitgave, onder leiding van A. H.
Bullen (in 12 dln., sedert 1904) ; de uitgave van A. Glover
en A. W aller (in 10 dln., sedert 1905). Pompen.
3 ° Jean Baptiste Armand Louis
Léonce Elie de, Fransch geoloog en de grond-
legger van onze kennis van de geologie van Frankrijk,
senator en permanent secretaris van de Académie
des Sciences. * 25 Sept. 1798 en f 22 Sept. 1874 te
Canon (Calvados). B. studeerde aan de Ecole Poly-
technique, waar hij in 1824 het diploma van mijn-
ingenieur behaalde, werd professor aan de Ecole des
Mines en aan het Collége de France (1832); hij werd
benoemd tot lid van verscheidene geleerde genoot-
schappen, de Royal Society te Londen, e.a. Met
Dufresnoy publiceerde hij voor de tentoonstelling
van 1855 de eerste geologische kaart
van F r a n k r ij k. Als een van de eersten venverpt
hij de heerschende opvatting van de gelijktijdigheid
van alle gebergtevorming, ziet het verband tusschen
discordantie en plooiing en schept het begrip der
orogenetische perioden.
Werken: Recherches sur quelques-unes des révo-
lutions do la surface du globe, Annales des Sciences
naturelles (XVI II en XIX 1829 — *30) ; Note sur les
8ystème8 des montagnes, een artikel in D'Orbigny’s
Dictionnaire des Sciences naturelles, later alzonderlijk
gepubliceerd (Parijs 1852). Jong .
4 ° Sir John, Engelsch dichter, oudere broeder
van Francis B., schreef eenige vrome Puriteinsche
gedichten en een (nu verloren) gedicht in 8 boeken:
„The Crown of Thoms”.
5 ° Simon van, Ned. dichter, rechtsgeleerde
en staatsman ; * 1574 te Dordrecht, f 1654 te Den Haag.
Bekleedde hooge staatsbetrekkingen als afgevaardigde
van Zeeland ter Algemeene Vergadering van de Staten,
buitengewoon gezant naar Zweden en Polen, pensiona-
ris van Middelburg 1623 — ’34, van Rotterdam 1634- ’49
en was een oorspronkelijk dichter, wiens sonnetten
vooral een groote frischheid bewaarden.
Werken: Rymspreucken (na 1630) ; Grillen naar
Martialis ; Tijdsnipperingen, Rijmen en Verzen (Den
Haag 1638). — L i t. : J. Tideman, Gedichten van Simon
van Beaumont (Utrecht 1843). Asselbergs .
6° Simon van, bezitter van een belangrijken
plantentuin, waarvan Kiggelaar in 1690 een catalogus
uitgaf en waaruit de hortus medicus te Amsterdam
veel materiaal ontving. * 1641 of 1642, f 1726 te Den
Haag. Linnaeus roemt zijn verdiensten voor de plant-
kunde en den invoer van vreemde gewassen.
Beaumontgeweer , achterlaadgeweer met
grendelsluiting, dat in 1871 in het Nederlandsche
leger is gewijzigd. Het voldeed als zoodanig niet en is
in 1895 vervangen door het thans nog in gebruik
zijnde Mannlichergeweer.
Beaumont sur OIsc, Fransch stadje van 5 170
inw. (1926) in het dept. Seine et Oise, ten N. van
Parijs. Kerk uit de 13e eeuw. Industrie.
Bcaune, arr. -hoofdstad in het Fr. dept. Cöte
d’Or (47° 1' N., 4° 52' O.); 11 860 inw. (1931). Oude
vesting; kathedraal (12e — 15e eeuw), oud ziekenhuis.
Wijnbouw. De stad kwam in 1477 met Bourgondië
aan Frankrijk.
In genoemd ziekenhuis bevindt zich het beroemde
Beaune-altaar, schilderwerk door Rogier
van der Weyden, voorstellend het Laatste Oordeel.
Vervaardigd in opdracht van Nicolas Rolin, kanselier
van Philips den Goeden, hertog van Bourgondië,
voor het hospitaal van Beaune (1448). Op den buiten-
kant der vleugels zijn Rolin en zijn gemalin knielende
afgebeeld met hun patroonheiligen. Rijp werk van den
meester. Zie pl. bij Rogier v. d. Weijden.
L i t. : F. Winkler, Rogier v. d. Weyden u. der Meister
v. Flémalle; Mely, Gaz d.b. Arts (XXXV 1906); M. J.
Friedknder, Alt-Niederl. Malerei (II).
Beaune, Florimond de, Fr. wiskundige.
♦ 27 Sept. 1601, f 19 Aug. 1652. Eerst officier, later
Conseiller Royal te Blo is. Was bevriend met Descartes,
met wien hij over wiskundige onderwerpen correspon-
deerde en wiens Géométrie hij voorzag van een com-
mentaar, die door Descartes zelf hoog wordt geroemd:
Notae Breves in Geometriam Renati Des Cartes,
opgenomen in de tweede Latijnsche editie van de
Géométrie door van Schooten (Amsterdam 1659).
Voor de geschiedenis van de infinitesimaalrekening
zijn van belang de krommen van de Beaune,
die gedefinieerd zijn door een eigenschap van hun
raaklijnen. Dijksterhuis.
Beaunevcu, A n d r é, schilder, boekverluchter
en beeldhouwer, geboren midden 14e eeuw te Valen-
cijn, f ca. 1413 te Bourges.
Voorn, werken: versiering van het kasteel
van Yolanthe van Bar te Nieppc (1360), op bevel van
koning Karei V le Sage ; beelden voor de abdij van
St. Dénis ; verluchting van psalter voor den hertog
van Berry ; grafmonumenten in de basiliek van St. Dénis
(van Philips VI van Valois, Jan den Goeden, koningin
Johanna van Bourgondië, Karei V). Hem wordt met
eenige waarschijnlijkheid een graf-bceld voor het monu-
ment van Philips VI toegeschreven, dat nu in het
Louvre berust. — L i t. : Marcon, Catalogue raisonné
du musée de sculpture comparée (1892, 35-42).
Bcaunier, A n d r é, Fransch romanschrijver
en letterkundig criticus, die vooral in de Revue des
deux mondes optrad. * 22 Sept. 1869 te Evreux,
f 10 Dec. 1925 te Parijs. B. verbindt als criticus de
189
Beaupré-eilanden — Bebel
190
documentaire werkwijze van den oud-leerling der
Ecole Normale met de smaak- en stijlvolle gratie van
den schoonheidsgenieter.
Voorn, werken: La poésie nouvelle (1902) :
Picrate et Siméon (1904) ; Le roi Tobol (1905) ; La fille
de Polichinelle (1909); Eloges (1909); Trois amics de
Chateaubriand (1910) ; L’homme qui a perdu son moi
(1912) ; Visages de femmes (1913) ; Les idéés et les
hommes (3 dln. 1913 vlg.) ; Joseph Joubert (3 dln. 1918
vlg.) ; Mme. de la Fayette (1922) ; Sous le regard de la
Déesse (1923) ; Eloge de la frivolité (1925). Baur.
Beaupré-eilanden, > Loyalty-eilanden.
Bcauraing, gem. in de prov. Namen, ten N.O.
van Rochefort; ruim 1 800 inw., grootendeels Kath.;
opp. 2 086 ha; landbouw, steengroeven. Merkwaardig-
heid: oud kasteel. Plaats, waar vijf kinderen uit de
familiën Vo is in en Degeimbre en later nog de arbeider
Tilman Cöme verklaren de Allerheiligste Maagd
Maria te hebben gezien en gehoord in den loop der
maanden Nov., Dec. 1932 en Jan. 1933. Naar aan-
leiding daarvan buitengewoon talrijke toevloed van
pelgrims. Bouw eener groote kerk in voorbereiding.
Wat de waarde der visioenen en genezingen betreft,
achten godgeleerden van naam nog de grootste reserve
geboden. Men doet goed, daaraan niet te groote
waarde te hechten. Onafhankelijk daarvan kan men
echter vrij Maria ter plaatse vereeren.
Ghoos/Brandsma.
Beauregard, Pierre Gustave Tou-
t a n t de, Noord-Amerikaansch generaal. * 28 Mei
1818 in Louisiana, f 21 Febr. 1893 te New Orleans.
Hij heette eigenlijk Toutant, doch noemde zich B.
naar de plantage van zijn vader. In 1833 ging hij naar
militaire school te Westpoint en werd in 1838 officier
bij de artillerie in het leger der V.S. Onderscheidde
zich in den oorlog tegen Mexico (1847). Tijdens den
Secessie-oorlog koos hij de zijde van de Zuidelijke
Staten, werd spoedig tot generaal benoemd, overwon
in den slag aan de Buil Run (20 Juli 186D, versterkte
en verdedigde Charleston (1863) en werd zelfs voor
korten tijd tot opperbevelhebber der gezamenlijke
legers verheven (Oct. 1864). Na den oorlog leefde N.
als eigenaar eener plantage.
L i t. : A. Roman, Military operations of gen. B.
(1884) ; Dictionary of American biography, onder
redactie van A. Johnson (II Londen-New York 1929).
Lousse.
Bcaurepard, > Mont Comillon.
Beau saiiit, Belg. gem. in de prov. Luxemburg,
ten Z.W. van Laroche; 670 inw.; opp. 2 692 ha.
Moerassige verweer ingsgrond; veeteelt, bosschen;
kasteel van B. Het is een oude heerlijkheid.
Beausoleil, stad in het Fr. arr. Nice, dept.
Alpes-Maritimes, nabij Monte Carlo; 13000 inw. (1931);
bekende winterbadplaats.
Bcauvais, hoofdstad van het Fr. dept. Oise,
ten N.W. van Parijs in het landschap Beauvaisis
(49° 27' N., 2° 4' O.), vruchtbaar leemgebied. 18 740
inw. (1931). Bisschopszetel. In de oudheid Bellovacum,
centrum van een Belgischen stam. In 1358 brak hier
de > Jacquerie uit. Karei de Stoute ontmoette in 1472
grooten tegenstand der vrouwen van B., onder aan-
voering van Jeanne Hachette. In dus t re (tapijten,
knoopen, borstels, enz.).
L i t. : Labande, Histoire de B. (1892). Heere.
Het oudste deel van de kathedraal is uit
na-Karolingischen tijd (990). Met den Gotischen bouw
werd omstreeks 1225 begonnen, doch wegens geldge-
brek moest men in 1272 ophouden: het koor was gereed
gekomen. In 1290 stortte het gewelf in. Men trachtte
dit nu verder te voorkomen door de pijlers te verdubbe-
len en zoodoende de spanwijdte te verminderen. De
overdadig versierde gevel is uit de late middeleeuwen.
De kathedraal van Beauvais wordt de laatste groote
schepping der Fransche Gotiek genoemd.
L i t. : Dehio en v. Bezold, Die kirchliche Baukunst
des Abendlandes (1884) ; Leblond, La cathédrale de B.
(1926).
Tapijtwerk van Beauvais. Hoewel
de weverijen van B. reeds eerder vermaardheid genoten,
werden ze toch eerst door Colbert (1661) georganiseerd.
Na een korte periode van verval kwamen ze in 1726
tot nieuwen bloei, die slechts onder de Revolutie
voor korten tijd onderbroken werd. Het tapijtwerk,
dat vervaardigd wordt, is hoofdzakelijk bestemd als
meubelbekleeding en als hanggordijn en trekt vooral
de aandacht door zijn rijke bloemenornamentiek.
Men werkt met kettingen, waarin wol en zijde zijn
vermengd: dit geeft het weefwerk vastheid, doch
tegelijk grooteren glans.
L i t. : Bousson, La manufacture nationale de tapisse-
rie de B. (1904). Knipping.
Bcauvcau, Renatus Franciscus de,
was in 1700 bisschop van Bayonne. Werd in 1708
bisschop (46e) van Doornik. Later, 9 Juli 1713, aarts-
bisschop van Tolosa en daarna metropolitaan van
Narbonne.
Bcauvcchain, > Bevekom.
Beau voorde, > Wulveringen.
Beauwelz, Belg. gem. in de prov. Henegouwen,
ten Z.W. van Chimay; 600 inw.; opp. 609 ha; rots-
achtige ondergrond; vijver van 40 ha opp.; veeteelt,
kaas.
Bcauxamis, Thomas, ook Bellamicus
genoemd, Karmeliet, bekend prediker en schrijver
uit de 16e eeuw; * 1624 te Parijs, f 1 Mei 1589 aldaar.
Hij bekleedde eenigen tijd het ambt van hofprediker
onder Catharina de Medici. Karei IX en Hendrik III,
en was kerkelijk legaat onder Hendrik III.
L i t. : Ilurter ( 3 III, 268 vlg.) ; Bibliotheca Carmcli-
tana (II 803). J. v. Rooij.
Bcauxiet, > Bauxiet.
Beaverbrook, William Maxwell
A i t k e n, Engelsch publicist; * 25 Mei 1879 te
Newcastle. Na een succesvolle handelsloopbaan in
Canada in 1910 in de politiek gegaan. In 1918 Engelsch
minister; na den wapenstilstand teruggetreden uit de
politiek, wijdde zich daarna geheel aan The Daily
Express, in welk blad hij reeds financieel geïnteres-
seerd was. Stichtte in 1921 The Sunday Express,
thans, na groote moeilijkheden een der populairste
Engelsche Zondagsbladen. Verschafte zich overheer-
schende invloeden in The Evening Standard. Staat met
zijn bladen een politiek voor, die de absolute autarkie
van het Britsche keizerrijk nastreeft. Weterings.
Beaver Indianen, stam der -> Indianen van
N. Amerika, Mackenzie-gebied; in het huidige Britsch-
Columbia (Canada).
Beavertecn of Beverteen, > Bever.
Bebbor, Wilhelm Jacob von, Duitsch
meteoroloog, aan de Deutsche Seewarte te Hamburg.
Classificeerde weerstypen en bepaalde de depressie-
banen over W. Europa. * 10 Juli 1841 bij Emmerik,
f 1 Sept. 1909 te Hamburg.
Bebel , August, stichter en leider der Duitsche
Sociaal-Democratische Partij, volksredenaar, bestrijder
van het kapitalisme en meer agitator dan theoretisch
191
Beboki— Beccari
192
socialist. * 22 Febr. 1840 te Keulen -Deutz, f 13 Aug.
1913 te Zürich. B. was de zoon van een onder-officier
werd schrijnwerker; sloot zich aan bij een vereen iging
tot ontwikkeling der arbeiders te Leipzig, verklaarde
zich eerst tegen het algemeen kiesrecht, wijl de arbei-
ders onvoldoende politieke ontwikkeling bezaten;
bestudeerde de geschriften van Lassalle; zijn omgang
met Liebknecht en de studie van de werken van
Karl Marx wonnen hem voor het Socialisme; in 1866
werd hij lid der Internationale. Bij de invoering van hel
algemeen kiesrecht werd hij tot afgevaardigde gekozen
van den Saksischen Landdag en later van den Rijksdag.
Met korte onderbrekingen duurde zijn parlementaire
loopbaan 40 jaren. Als demagoog werkzaam, kreeg hij
grooten invloed onder de arbeiders; van de tw*ee Duit-
sche fracties van het Socialisme wist de partij van
Liebknecht en Bebel bij de arbeidersverenigingen
den grootsten invloed te verkrijgen en Liebknecht
en Bebel bestreden samen de partij van Schweizer,
den leider der Lassalleanen; zij riepen in 1869 een
congres samen te Eisenach, om een zelfstandige
arbeiderspartij te stichten en zoo kwam de Duitsche
sociaal-democratische arbeiderspartij tot stand. In
1870 onthield B. zich van stemming voor de oorlogs-
uitgaven en werd door Marx in het gelijk gesteld.
Wegens zijn protest tegen de annexatie van Elzas-
Lothn ringen werd hij tot twee jaren kerkerstraf ver-
oordeeld. Ten einde de partij van Lassalle te winnen,
werden op het Congres te Gotha verscheidene concessies
gedaan en B. werkte mee aan de vereen iging der
volgelingen van het program van Eisenach met die
van Lassalle. Hij verdedigde met Liebknecht, Singer
en Auer het program van Erfurt tegen de linker- en
rechterzijde van het Congres en verklaarde zich tegen
het revisionistisch streven van Bemstein en tegen het
anarchisme. B. handhaafde den klassenstrijd tegen
den heerschenden staat, maar hij verzwakte den klas-
senstrijd door vele concessies; in 1877 kwam hij op
voor de verded iging des vaderlands en stemde in 1913
voor het budget van een verdediginpoorlog. B. nam
deel aan alle congressen der Internationale. Zijn werk
Die Frau und der Sozialismus beleefde tientallen
van uitgaven en werd in bijna alle talen der beschaafde
landen vertaald.
Werken: Unsere Ziele (1870) ; Der deutsche
Bauernkricg (1876) ; Die Frau u. der Sozialismus (1879) :
Au 8 meincm Lebcn (3 dln. 1 91 0-’l 4). — L i t. : Quack,
Socialisten, Personen en stelsels ; II. Wendel, Aug. Bebel.
ein Lebensbild (1913). Al. Verhoeven.
Beboki, een radjaschap op Timor, in Beloe.
Bcbosscliing, ■> Irrigatiewerken.
Bebouwing, Bouwverordeningen; > Uit-
breidingsplan.
Bebuiig (D.; Fr. balancement) (muziek)
was een licht beven van den toon op het •> clavichord
welk effect verkregen werd door den vingerdruk op
den neergedrukten toets afwisselend te vergrooten en
te verminderen. De tangent, die daarbij tegen de snaar
bleef, correspondeerde op deze bewegingen, en deelde
daardoor den toon een eigenaardig vibrato mede.
Op de tegenwoordige klavieren is uit den aard der
zaak (toonvorming door hamerstoot) deze speelwijze
niet mogelijk. W. Andriessen.
Bec, voormalige Benedictijner abdij in Normandië;
gesticht 1034; bloeiende kloosterschool onder leiding
van Lanfranc en Anselmus van Canterbury; tijdens
de Fransche revolutie verwoest.
Becaiius, 1° Johannes Goropius, de
eerste Nederlander, die aan vergelijkende taalweten-
schap deed. Kil iaën steunt voor een groot deel op hem.
* 1518 te Hilvarenbeek, f 1572 te Maastricht. B.
bracht het voornaamste deel van zijn leven te Antwer-
pen door, waar hij een beroemd medicus was. Later
echter wijdde hij zich geheel aan de taalstudie. Van
hem stamt de beroemde verklaring, dat het Antwerp-
sche dialect de oudste taal der wereld is, immers
duyts = douts; en duytse taal is dus „denudste’' taal!
Voorn, werken: Origines Antverpianae (1569).
— L i t. : Biographie nationale de Belgique (8, 120 vlg.) ;
A. Kluyver, Proeve eener critiek op het wdb. van
Kiliaan (Diss. Leiden 1884, 30-45); K. Kooiman, Spie-
ghels Twe-spraack (Diss. Leiden 1913, 76-80); C. G. N.
de Vooys, Gesch. van de Ned. taal (1931, 60). O/Jermans
2° M a r t i n u s, Jezuïet (familienaam waarschijn-
lijk Schel leken s), controversist; hoogleeraar
te Keulen, Würzburg, Mainz en Weenen. Biechtvader
van keizer Ferdinand II. * 6 Jan. 1563 te Hilvarenbeek,
f 24 Jan. 1624 te Weenen.
Voorn, werken: Analogia veteris et novi
Testamenti : Manuale controversiarum huius temporis. —
L i t. : N. Ned. Biogr. Woordenb. (IV, 93); Sommcr-
vogel, Bibl. de la Comp. de Jésus (I. 1091-1111 ; VIII,
1789 ; XI, 1598) ; Dict. Hist. Géogr. Eccl.
Beccadelli, A n t o n i o, Italiaansch Huma-
nist, beroemd om zijn uitstekende kennis van het Latijn
maar ook om zijn frivoliteit. * 1394 te Palermo
(Panormus) en daarom Panormita genoemd, f 6 Jan.
1471 te Napels.
Werken: o.a. Hermaphroditus, een verzameling
epigrammen (Bologna 1425, nieuwe uitg. Koburg 1824,
Parijs 1893) ; De dictis et factis Alphonsi regis Aragoniae
(1455, Duitsche uitg. 1925). Zijn brievon werden ver-
zameld in Antonii Panormitae familiarium liber' Napels
1470), later in Antonü Beccatelü . . . Epistolarum Galli-
carum libri IV (Napels 1746). — L i t. : Barozzi en Sabba-
dini, Studï sul Panormita e sul Valla (Florence 1891);
M. v. Wolff, Leben u. Werke des Antonio Beccadelli
(Leipzig 1894). Ulrix.
BeccaÜumi, D o m e n i c o, bijgenaamd i 1
Mecherino, Ital. schilder, die omstreeks 1510
te Rome werkte en Michelangelo en Raffaël bestu-
deerde, daarna in Siena zich vestigde en tot 1512
met II Sodoma samen werkte. Schilderde verder
in Pisa en Genua (verloren fresco’s in Palazzo Doria).
Tusschen 1518 en 1546 werkte hij aan den vloer van
Siena ’s dom. Goed colorist; invloed van Michelangelo,
Penigino, fra Bartolommeo en II Sodoma.
Voorn, werken: Stigmata der H. Catherina
(Siena, Accademia) ; Christus in de onderwereld (ibi-
dem) ; Geboorte der H. Maagd (ibidem). — L i t : von
Trotta-Treyden, Das Lebcn und die Werke des seneser
Malers D.B., genannt Mecarino (1913) ; Voss. Die Malerei
der Spatrenaissance in Rom und Florence (1 1920, 198
vlg.). Knipping .
Beccari, O d o a r d o, Italiaansch plantkun-
dige, * 1843, f 1022 te Florence. Hij studeerde te Pisa,
ging vervolgens naar Engeland, maakte in 1865 met
Doria een reis naar Borneo, in 1870 met Antinori naar
Abessinië, in 1871 — ’73 met d’Albertis naar Nieuw
Guinea, Kei- en Aroe-eilanden en Celebes. In 1875
j?ing hij weer naar Nieuw-Guinea. In 1876 werd hij
directeur van de hortus en het plantkundig museum
te Florence, waar zijn verzamelingen bewaard worden.
Gedurende zijn laatste levensjaren bestudeerde hij
vooral de Aziatische Palmae.
Werken: Reisbeschrijvingen, Malesia raccolta d’os-
«ervazioni botaniche interno alle piante dell* Arcipelago
indomalcse e papuano (3 dln. Florence 1877-’89).
Bouman .
193
Beccaria — Bechstein
194
Beccaria, Cesare, Italiaansch rechtsphilo-
soof en econoom. * 1738 te Milaan, f 1794; zoon van
markies Giovanni Saverio Beccaria en van Donna Maria
Visconti da Rho. B. was een publicist, wiens werken
van zeer uiteenloopenden aard zijn. Hij dankt zijn
vermaardheid en roem aan zijn boek: Dei delitti e
delle pene (Over misdrijven en straffen), uitgegeven
te Livorno in 1764, dat hetzelfde jaar nog verschillende
uitgaven kende en spoedig in vele talen vertaald werd.
De Fransche vertaling verscheen met een lange inlei-
ding van Voltaire. In dit werk oefent B. een uiterst
scherpe critiek op het bestaande strafrecht en het
heerschende straffenstelsel, en vooral op de wille-
keurige macht der rechters, de wreedheid der lichame-
lijke straffen, het overdreven toepassen der doodstraf,
welke de rechters door allerlei middelen gruwelijker
trachtten te maken; hij hekelt de inquisitoriale en
geheime rechtspleging, welke te dien tijde in gebruik
was, en vooral de pijnbank als middel van onderzoek.
B., die een groote vermaardheid verwierf, ook buiten
Italië, wordt beschouwd als een van de stichters der
klassieke school in het strafrecht. Het is ook onder
meer aan zijn invloed toe te schrijven, dat in het
begin der 19e eeuw de vrijheidstraf voor vele misdrijven
in de plaats van de doodstraf werd opgelegd.
Voorn, werken: Dei disordini a dei remedi
delle monete nello Stato di Milano (1762) ; Dei delitti e
delle pene (1764) ; Ricerche intorno alla natura dello
stile ; Lezioni o elementi di economia publica. — U i t g . :
Opere (2 dln. Milaan 1821- , 22). — L i t. : C. Cantu,
Beccaria e il diritto penale (Florence 1862) ; Baradez,
Etude sur Beccaria (Besan$on 1898) ; F.Scaduto, C.
Becc. (Palermo 1913) ; U. Spirito, Storia del diritto
penale italiano (I Da Beccaria a Carrara, Rome 1925) ;
Alex. Passerin d’Entrèves, B., in Görres, Staatslexikon
( 5 1926) ; De Marchi, Cesare Becc. e il processo penale
(1929). Collin,
Beccos, > Joannes Beccos.
Becelaerc, •> Beselare.
Becerra, Gaspar, Spaansch schilder, beeld-
houwer en bouwmeester, die omtrent 1550 naar Italië
trok en daar onder den invloed kwam van de navolgers
van Michelangelo. Zoo hielp hij Vasari bij de decoratie
van de groote zaal van het Palazzo della Cancelleria
te Rome, voerde een „Geboorte van Maria” uit in de
kapel van Lucrezia della Rovere in de Trinitè, dei
Monti, illustreerde het anatomie-boek van den medicus
Valverde (1556). Spoedig daarna vestigde hij zich in
Valladolid, beeldhouwde voor de kathedraal van
Astorga en werd in 1563 hofschilder van koning Phi-
lips II (schilderwerk in het Pradopaleis en het Alcazar
van Madrid; 1734 verwoest), maakte een liggenden
gestorven Christus (voorstelling, die langen tijd op
Goeden Vrijdag groote volksvereering genoot) en een
Geeseling. Hij is een der meest bekende italianiseeren-
de manieristen uit Spanje, zijn werk is echter hard en
droog en zonder veel levensgevoel. * ong. 1520 in
Baëza (Andalusië), f 1570 of 1571 te Madrid.
Knipping.
Bech, gem. in het groothertogdom Luxemburg,
ten Z. van Echtemach; opp. 2 331 ha, ong. 1 000 inw.,
drie parochies.
Béchard, beenkern van, de verbeen ings-
kern van de onderste epiphyse van het dijbeen. Deze
beenkern zou bij een voldragen vrucht aanwezig zijn
en bij een onvoldragen vrucht nog niet. Men heeft
echter ingezien, dat dit onderscheid ingsteeken niet
deze waarde heeft.
Beeher, 1° Alfred Julius, een van de
hoofdleiders der omwenteling van 1848 te Weenen.
* 1803 te Manchester, 23 Nov. 1848 te Weenen ge-
fusilleerd.
2° E r i c h, wijsgeer en ervaringszielkundige;
* 1 Sept. 1882 in Reinshagen (Rijnland), f 5 Jan.
1929 te München; leerling van B. Erdmann; prof. te
Munster en München. Zelfstandig, maar oppervlakkig
denker; uitgaande van de natuurwetenschappen komt
B. in de kennisleer tot een critisch realisme (neemt
een werkelijkheid aan onafhankelijk van ons den-
ken), in de metaphysiek tot een deductief verwerken
van de inductieve waamemingsgegevens. Het meest
bekend is hij door de aanname van een „fremddien-
liche Zweckmassigkeit” in de natuur, waaruit hij
concludeert tot een „überindividuellisch seelische”,
dat hij later God noemde, wien hij echter geen abso-
lute volmaaktheid toekende; waarom de menschen
met Hem mede moeten werken, om het kwaad in de
wereld te overwinnen; zedelijkheid bestaat in het
bevorderen van het maatschappelijk geluk.
Werken en leven in : Die deutsche Philosophie
der Gegenwart in Selbstdarstellungen (I Leipzig 1921).
de Bruin.
3° Johann Joachim, Duitsch mercan-
tilist (Kameralist), een der eerste en meest invloed-
rijke schrijvers van Duitschland over economische
problemen. * 1625 (volgens eigen opgave 1635) te
Spiers, f 1082 te Londen. Legde zich toe op de
toenmaals opkomende natuurwetenschappen en op de
zgn. kameralistiek ; publiceerde een honderdtal ge-
schriften op verschillend gebied, zooals: scheikunde,
natuurkunde, politiek en economie. Zijn voornaamste
economisch werk is: Politischer Discurs von den eigent-
lichen Ursachen des Auf- und Abnehmens der Stüdte,
Lander und Republiken, in specie wie ein Land
voUpeich u. nahrhaft zu machen u. in eine rechte
Societatem civilem zu bringen (1668). Ofschoon B.
mercantilist is, hecht hij toch groote beteekenis aan
den landbouw, want zonder den arbeid der boeren zou
de handwerksman niets te bewerken en zonder boer
en handwerksman zou de koopman niets hebben te
verhandelen. B. stond onder den invloed van Holland-
sche economisten als Pieter de la Court en zegt van
Holland, dat de handel dit land volkrijk heeft ge-
maakt, het in staat heeft gesteld zich voedsel te ver-
schaffen en dat er een „rechte Gemeinschaft” is ge-
schapen.
Werken: behalve bovengenoemde : Moral Discurs
von den eigentlichen Ursachen des Glücks u. Unglücks
(1669) ; Psycho-sophia oder Seelen Weisheit . . . (1678).
L i t. : P. Mombert, Gcschichte der Nationalökonomie
11927, 161 vlg.) ; Handwörterbuch der Staatswissen-
schaften ( 4 II, 447). M. Verhoeven .
Bechi, G i u 1 i o, Italiaansch romanschrijver,
schreef zedenromans, vaak met politieken ondergrond
en met een program van wereldverbetering en sociale
hervorming. * 20 Aug. 1870, f 1917 te Görz.
Werken: o.a. Tra il bianco e il nero, bozzetti afri-
cani (1898) ; Caccia grossa, scene e figure del banditismo
sardo (1899) ; La gaia brigata ; Lo spettro rosso (1909);
I seminatori (1913).
Bechstein, 1° Johann Matthaeus,
houtvester en vooral bekend als ornitholoog, entomo-
loog en botanicus; * 1757 te Waltershausen, f 1822
to Dreiszigacker. Studeerde theologie te Jena en werd
daarna leeraar aan een onderwijsinrichting te Schnep-
fenthal; in 1795 richtte hij nabij Waltershausen een
school op voor boschbouwkunde en stichtte het ge-
nootschap voor bosch en jachtkunde, vanwaar uitging
IV. 7
195
Becht — Becke
196
het tijdschrift „Diana”; in 1800 werd hij eerste direc-
teur der acad. voor boschbouw te Dreiszigacker.
Werken: Spaziergange auf alle Tage im Jahre
(8 dln. 1790-’93) ; Naturgesch. der Stubenvögcl (Gotha
1800 ; 6 1870 door E. Berge, Leipzig) ; Gcmeinnützige
Naturgeschichte Deutschlands (4 dln. Leipzig 2 1801-
1809) ; Naturgesch. der Vögel Deutschlands ( 2 1804-’09);
Forst- und Jagdwiss. nach allen ihren Teilen (14 dln.
Erfurt 1810-'27). Willems .
2° Friedrich Wilhelm Karl, piano-
fabrikant; * 1 Juni 1826 te Gotha, f 6 Maart 1900 te
Berlijn. Werkte eerst in verschillende Duitsche piano-
fabrieken, maakte studiereizen naar Londen en Parijs,
waar hij bij Pape en Kriegelstein werkte, en richtte
in 1856 een eigen fabriek op te Berlijn. Deze groeide
in den loop der jaren uit tot een der voornaamste
pianofabrieken ter wereld; in 1897 werd een vierde
fabriek in werking gesteld, en het naar aanleiding van
den lOOen terugkeer van Bechstein’s geboortedag
uitgegeven herinneringsboek (1926) vermeldt, dat de
firma B. tot dien 130-000 instrumenten afleverde. De
nood der tijden bracht de fabriek in 1932 in ernstige
financieele moeilijkheden. Bechstein’s instrumenten
behooren tot het beste, wat de Duitsche pianofabri-
cage heeft voortgebracht. W. Andriessen.
3° L u d w i g, Duitsch Germanist, die, op het
spoor der Grimms, vooral de folklore beoefende. * 24
Nov. 1801 te Weimar, f 14 Mei 1860 te Meiningen.
Hoofdwerk: Sagenschatz und Sagenkreise des
Thüringer Landes (4 dln. 1835 vlg.) ; Deutsches M&rchen-
buch (1844). — L i t. : Th. Linschmann, L. B.’s Schriften
(1907).
4° R e i n h o 1 d, zoon van Ludwig B., Duitsch
Germanist uit de school van K. Bartsch; speciali-
seerde zich in de tekstkritiek van middel-Hoog-
duitsche werken (Gottfrid v. Strassburg’s Tristan;
U. v. Lichtenstein). * 12 Oct. 1834 te Meiningen, 6
Oct. 1894 te Rostock.
L i t. : W. Golther in Allgem. D. Biogr. (XLVII 1903).
Bedil, E d u a r d, Holl. schilder, etser en kunst-
criticus. * 25 April 1868 te Den Haag. Studeerde aan de
Haagsche academie. Behalve eenige schilderijen,
etste hij enkele platen in het vern is -mou -procédé.
Hierin bereikte hij soms verrassende effecten, o.a. in
sommige landschappen. Schilderde ook enkele figuur-
stukken en schreef enkele artikelen over kunst. Hij was
als kunstcriticus verbonden aan de Avondpost.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst.
Beclitel, Friedrich, taalkundige, * 1855
te Dürlach, f 1924 te Halle, van 1884 af hoogleeraar
te Halle in de taalkunde. Zijn werken handelen inzon-
derheid over de oud-Grieksche taal: Die Vokalkon-
traktion bei Homer (1908); Die historischen Personen-
namen des Griechischen (1917). Op zijn: Sammlung
der griech. Dialektinschriften (1892) volgde zijn
standaardwerk: Die griech. Dialekte(3dln. 1921 — ’24),
tot hiertoe de volledigste beschrijving der oud-Griek-
sche dialecten. V . Pottelbergh.
Bcchterew, W 1 a d i m i r, Russisch neuroloog,
* 1859 te Wjatka, f 1927 te Moskou. B. was hoog-
leeraar te St. Petersburg en te Kazan. Hij is de grond-
legger der psychoreflexologie (iedere neuropsychische
handeling kan worden teruggebracht tot een reflex).
Hiermede sloot hij aan aan Pavlow’s proeven over
voorwaardelijke reflexen bij dieren: de methode der
voorwaardelijke reflexen werd door B. overgenomen
en niet slechts in dier-psychologie, maar ook in andere
takken van psychologie toegepast.
Werken: Objektive Psychologie (3 dln. 1907-*12);
Grundzüge der Reflexologie des Menschen (1918) ;
Die kollektive Reflexologie (1921). v . Daél .
Beek, 1° Jakob Sigismund, Duitsch
wijsgeer, * 1761, f 1840; te Königsberg leerling van
Kant, later hoogleeraar te Rostock. B. verwerpt de
opvatting van Kant, dat ons van buiten een indruk
toekomt. die aanleiding geeft tot onze voorstellingen,
en bereidt daardoor de verdere ontwikkeling van het
Kantianisme voor.
Werken: talrijke leerboeken van alle onderdeden
der wijsbegeerte. F. Sassen .
2° Johann Baptist, schrijver over muziek,
vooral over de troubadours; * 1881 te Gebwciler
(Elzas-Loth.); bezocht hier het gymnasium en ontving
muziekonderricht van den organist Brumpt, waarna
hij zijn studies te Parijs voortzette. Hij promoveerde
te Straatsburg; zijn dissertatie was de inleiding tot
een veel omvattend werk over de lieder-hss. der
troubadours. B. sluit zich geheel aan bij de theorie
van Runge en Riemann, door het rhythme der melo-
dieën ook af te leiden uit de versmaat van den tekst.
Nieuw is echter zijn leer, om de mode, zooals men
deze bij de mensuraal-theoretici aantreft, toe te passen
op de rhythmiek van den tekst.
Werken: Die Melodien der Troubadours (1908);
Der Takt in den Musikaufzeichnungen des 12. und 13.
Jahrhunderts (Riemann-Festschrift 1909) ; La musique
des Troubadours (Musiciens célébres, 1910) ; Corpus
Cantilenarum Medii Aevi, Les chansonniers des Trouba-
dours et des Trouvères (2 dln. 1928). Piscaer.
3° J o s e p h, Zwitsersch Katholiek theoloog,
paedagoog en socioloog, hoogleeraar aan de Kath.
staatsuniversiteit te Freiburg. * 28 Oct. 1858 te Sursee
(kanton Luzern). Met Decurtins en Feigenwinter was
hij een der leidende figuren der Katholieke sociale
beweging in Zwitserland, speelde een gewichtige rol
in de „Union de Fribourg” en was bestrijder van het
staatssocialisme. Sedert 1891 was hij hoogleeraar in
de pastoraal aan genoemde universiteit; van 1902 — ’06
was hij hoofdredacteur der „Monatschrift für christ.
Sozialreform”.
Werken: Die Kath.-soziale Bewegung in der
Schweiz (1903) ; Volkswirtschaft u. Sittengesetz (1908) ;
Ueber Socialp&dagogik (1911). M. Verhoeven.
4° Leonhard, schilder te Augsburg, werkte
veel in dienst van keizer Maximiliaan. Zijn kunst is
sterk beïnvloed door Burckmaier. Men kent ook
miniaturen van hem en een groot aantal houtsneden,
die lang niet de verdiensten hebben van zijn schilder-
werk. * 1480 te Augsburg, f 1542 aldaar.
L i t. : S. Laschitzer, Die Heiligen aus der Sipp- und
Magschaft des Kaisers Maximilian I (Wiener Jahrbuch
1887). Schretlen.
Beckboog, > Koolbooglamp.
Becke, Friedrich, Oostenrijksch minera-
loog en petrograaf van groote beteekenis. * 31 Dec.
1865 te Praag. Op 19-jarigen leeftijd ving hij zijn
studie te Weenen aan onder leiding van Tschermak.
Na in 1878 zijn studietijd beëindigd te hebben, werd
hij in 1882 benoemd tot buitengewoon, in 1886 tot
gewoon leeraar in de mineralogie te Czcrnowitz. In
1890 werd B. professor aan de Duitsche universiteit
te Praag; in 1898 tenslotte hoogleeraar aan de Ween-
sche hoogeschool, waar hij tot 1927 doceerde. B. heeft
uitgebreide onderzoekingen verricht op het terrein
der kristaloptica, terwijl hij ook veel publiceerde
over kristalhjne schiefers. Verder werkte hij o.a. mede
aan Tschermak ’s „Lehrbuch der Mineralogie” (8e uit-
gave 1921) en was van af 1907 medewerker aan Tscher-
197
Becker
198
mak’s mineralogische und petrographische Mit-
teilungen. Hofsteenge.
Lichtlijn van Beckc. Indien men een mineraal-
fragment inbedt in een vloeistof met een verschillenden
brekingsindex en het geheel door een microscoop
beschouwt, dan zal, als men den stand van den tubus
wijzigt, een lichtende lijn op de grens der twee media
optreden. Is de brekingsindex (n) der vloeistof
> n mineraal, dan beweegt zich, bij het opschroeven van
aen tubus, de lichtlijn naar de vloeistof toe; is daaren-
tegen n vloeistof < n mineraal, dan beweegt zich de licht-
lijn naar het centrum van het mineraalpartikel. Het
blijkt dus, dat bij het vergrooten van den afstand
tusschen het voorwerp en het objectief, de lichtlijn
zich beweegt naar de tusschenstof met den grootsten
brekingsindex. In de petrographie wordt deze methode
herhaaldelijk toegepast. Hofsteenge.
Indceling van Becke der chemische bestanddcelen
van een gesteente. Becke onderscheidt de volgende
groepen: 1° Si0 2 (Si); 2° CaO + K 2 0 + Na 2 0 = L;
3° Al 2 O a + Fe 2 O a 4- FeO + MgO = U. Uit chemische
analysen van gesteenten kan men de hoeveelheid
aan Si, L, en U in moleculair procenten uitdrukken.
Becke bracht de totaalsom op 20 en projecteerde ver-
volgens de analysen in een gelijkzijdigen driehoek
met als hoekpunten Si, L en U. Becke heeft deze
methode uitgedacht, om van de metamorphe gesteen-
ten na te gaan, of zij uit emptiva dan wel uit sedimen-
ten zijn ontstaan. Uit Becke ’s onderzoekingen bleek,
dat de projecties van emptiva en metamorphe emptiva
een bepaald gebied binnen den driehoek innemen,
gescheiden van dat der sedimenten. Hofsteenge.
Boeker, 1 ° Albert Ernst Anton,
componist van orkestwerken (o.a. een symphonie in g,
door de Gesellschaft der Musikfreunde in Weenen
bekroond, 1861), koorwerken (o.a. een groote mis in b,
1878), twee bundels Minnel ieder aus dem 13. Jahrh.
(bewerking van melodieën uit het zgn. liederenhand-
schrift van Jena) en kamermuziek. * 13 Juni 1834
te Quedlinburg, f 10 Jan. 1899 te Berlijn. Reeser.
2 ° Diedrich, organist te Alirensburg (Holste in),
later stadsmusicus te Hamburg, f 1679 aldaar; uit-
muntend violist.
Werken: B. heeft gepubliceerd : Musikalische
Frühlingsfrüchte (3-5-stemmige kamersonates met basso
continuo, Hamburg 1668 ; ook uitgegeven door P. Pha-
lèse, Antwerpen) ; dit werk heeft even groote waarde als
de eerste kamersonates van Rosemüller. Verder 2-stem-
mige sonates en suites met dubbelen basso continuo
(2 dln. 1674-1679). Een sonate werd in Einstein’s
Zur deutschen Literatur für Viola da Gamba (1905)
uitgegeven. Eenige geestelijke en wereldlijke gezangen
bleven in hs.
3° F r e d e r i k (F r i d o 1 i n), Holl. schilder.
* 24 Mrt. 1830 te Den Haag, f 2 Maart 1895 aldaar.
Schilderde portretten, genrestukken en landschappen
en behoorde tot den vriendenkring der Marissen. Dit
was niet zonder invloed op zijn werk.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst.
4° F r i t z, Duitsch bouwmeester, werkt veel
samen met E. Kutzner in Dusseldorf. Sinds 1919 is
hij aldaar professor aan de Staatliche Kunstakademie.
* 1882 te Worms a /d Rijn.
Voorn, werken: woon- en landhuizen in Dussel-
dorf en omgeving ; huis van den intellectueelen arbeider
op de „Gesolei” (1926) te Dusseldorf.
5 ° G u n d a h 1 Carl Johann, Duitsch
schilder en illustrator. * 4 April 1856 te Ballweiler,
f 1925. Leerling van de acad. te München. Daarna
leeraar aan de Stadt. Gewerbeschule te Kiel; 1882
wederom te München, studeerde bij Gabr. Max.
Schilderde en teekende figuur en landschap. Hij
werkte in de buurt van Braunau. Sedert 1905 begon
hij zich toe te leggen op fresco-schildering. Kreeg
opdrachten om kerken te versieren, o.a. de St. Maxi-
milianskirche en de St. Annakirche te München.
Was ook als teekenaar verbonden aan de Fliegende
Blatter.
Werken: wandschilderingen o.a. in de Kath. kerk
te Fremdingen bij Nördlingen ; schilderijen o.a. in de
Sezessions Galerie en de Neue Pinakothek te München. —
Lit. : Franz Wolter, Die Christl. Kunst (II, 173-177);
Kunst für Alle (XVII, 331 ; XXI, 236 ; 336, 427 ; XXIII,
216). de Stuers.
6° H u g o, violoncellist; * 13 Febr. 1864 te Straats-
burg; leerling van zijn vader Jean B. en van Kanut
Kündinger, later ook van Friedrich Grützmacher Sr.,
Karl Hess, Piatti en Jules de Swert. B. vormde een
eigen methode op physio logische basis. Van 1890 tot
1906 was hij cellist in het Heerman -kwartet. In 1901
volgde hij Piatti op als cellist bij de Londensche
Maandagconcerten, in 1896 werd hij Koninklijk
Pruisisch professor, in 1902 lid van de Koninklijke
Zweedsche Academie te Stockholm en in 1909 leeraar
aan de Kgl. Hochschule für Musik te Berlijn. Voorts
is hij bekend door zijn medewerking in het Trio
Flesch-Friedberg. B. componeerde een celloconcert
in A-dur, variaties en andere cellostukken.
Hanekroot.
7 ° Jean, violist; * 11 Mei 1833 te Mannheim,
f 10 Oct. 1884 aldaar. Leerling van Al. Kettenus en
Vincenz Lachner. Na korten tijd concertmeester te
Mannheim te zijn geweest, ondernam B. groote reizen
als virtuoos. In 1866 richtte hij te Florence het Floren-
tiner Quartett op, dat zich groote bekendheid verwierf,
tot het in 1880 ontbonden werd.
8° J é r o m e, Belgisch officier, ontdekkings-
reiziger ten dienste van het Belgisch Comiteit
der Internationale Afrikaansche Vereen iging. * 1850.
Vertoefde van 1880 tot *88 op den oever van het
Tanganjika-meer. Zijn vertrouwen in de Arabieren
werd door de feiten tegengesproken, toen de slaven-
handelaars de posten van den Staat overvielen.
0 ° J o h a n, Holl. schilder, etser en lithograaf;
* 11 Sept. 1870 te Soerabaja. Eerst opgeleid voor den
handel, was hij daarin een korten tijd werkzaam.
Leerling van de Haagsche acad. Na een verblijf van
een jaar te Londen, waar hij lessen gaf, keerde hij weer
naar Holland terug en schilderde veel landschappen *
o.a. uit de omstreken van Den Haag, in Overijsel en
Gelderland.
Lit.: Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst.
10 ° Johannes Robert, Duitsch schrijver
van de expressionistische, later van de pacifistisch -
communistische richting, hoewel in den beteren stand
te München geboren op 22 Mei 1891. De politieke lyriek,
waarin deze burgerjongen, niet zonder pathos en val-
sche rhetoriek, het proletariaat tot de revolutionnaire
daad opwekt, vervlakt steeds meer tot berijmd Jour-
nal isme.
Werken: De profündis Domine (1913) ; Verfall
und Triumph (1914) ; Das neue Gedicht (1918) ; Ewig
in Aufruhr (1920) ; Der Leichnam auf dem Thron (1925);
Arbeiter, Bauern, Soldaten (1925) ; Der einzig gerechte
Krieg (1926) ; Ein Mensch unserer Zeit (1930) ; Graue
Kolonnen (1930). Baur.
11 ° Johann Philip, Duitsch staatkundige,
schrijver en revolutionnair. * 19 Maart 1809 te Fran-
199
Beckerich — Becket
200
kenthal in de Palts, f 1886. Reeds vóór 1830 werd hij
lid van revolutionnaire vereenigingen. Wegens de
aanvallen, die hij te verduren had, verhuisde hij in
1837 naar Zwitserland, verwierf het burgerrecht te
Biel en stelde zich in dienst van Ochsenbein, bij diens
strijd tegen den Sonderbund. In 1848 — ’49 begaf hij
zich wederom naar Duitschland, met het doel om
Hecker in den Badenschen opstand bij te staan. Werd
lid van de pas gestichte socialistische partij en een
vurig propagandist voor de Eerste Internationale.
Werken: Geschichte der Süd-deutschen Mai-
Revolution des J. 1849. Vorbote (Genève 1866) ; Neue
Stunden der Andacht : satyrische Psalmen in Reimform
(Zürich 1868) ; Wie und wann (1869). Lousse.
12 ° Joseph Blasius, prof. in de theol. en
lid van het domkapittel te Mainz; * 3 Febr. 1857 te
Gonsenheim, f 28 Mei 1926 te Mainz. Hij studeerde
aan het Coll. Germanicum te Rome, en was verbonden
aan het groot -seminarie te Mainz achtereenvolgens
als assistent, professor in moraal, later dogmatiek,
en regens. B. schreef verschillende werken.
13 ° J u 1 i u s, Duitsch schrijver van mystisch-
getinte tooneelstukken, die bij de middeleeuwsche
tooneeltraditie aansluiten en van enkele romans.
* 29 Mrt. 1887 te Aschaffenburg.
Werken: Das letzte Gericht (1919) ; Der Sch&cher
zur Linken (1923); Das Friedensschiff (1926); Gilgamesch
(1928).
14 ° Kar 1 Ferdinand, Duitsch organist
en muziekleeraar; * 17 Juli 1804 te Leipzig, f 26 Oct.
1877 aldaar. B. is vnl. bekend door zijn muziekhisto-
rische verzameling en publicaties op dit gebied, in
het bijzonder: Systematisch-chronologische Darstel-
lung der Musikliteratur (1836, aanvulling 1839);
Die Tonwerke des 16. und 17. Jahrh. ( 2 1865); Die
Hausmusik in Deutschland im 16., 17. und 18. Jahrh.
(1840); e.a. Gaf J. S. Bach’s vierstemmige kerkzangen
(1843) en een Evangelisches Choralbuch (1844) uit.
15 ° N i c o 1 a u s, Duitsch dichter van conserva-
tief -patriottische liederen, o.m. van „Sie sollen ihn
nicht haben, den freien deutschen Rhein”, het voor-
beeld van da Costa’s: Aan Nederland, in de lente van
1844 (slotzang) en van H. van Peene’s Vlaam-
s che Leeuw. * 8 Oct. 1809 te Bonn, f 28 Aug.
1845 te Hünshoven.
Uitg. : Gedichte (1841). — Lit. : A. Jacob, in De
Nieuwe Taalgids (1915, 132); W. Deetjen, Sie sollen ihn
nicht haben (1920).
16 ° Philipp August, Duitsch Romanist,
die zich met tekstkritiek van middel-Fransche werken,
Fransche metriek, oud-Fransche en Spaansche lite-
ratuurgeschiedenis, later ook met de studie van Marot,
Pascal, Molière e.a. ophield. * 1 Juni 1862 te Mül-
hausen (Elzas). hoogleeraar te Leipzig.
Hoofdwerken: Der Südfranzösische Sagenkreis
(1898); Geschichte der spanischen Literatur (1904) ;
Grundriss der altfranzösischen Literatur (1907) ; Clé-
ment Marot (1926) ; Aus Frankreichs Frührenaissance
(1927). — Lit.: Hauptfragen der Romanistik, Fest-
schrift für Ph. A. B. (Heidelberg 1922).
17 ° Wilhelm Adolf, van 1836 af hoogleeraar
te Leipzig in de wetenschap der klassieke Oudheid.
Buiten belangrijke werken over antieke cultuurge-
schiedenis, als: Charikles oder Bilder altgriech. Sitte
(uitg. door Göll 1846) en: Gallus oder Römische Szenen
aus der Zeit Augusts (uitg. door Göll 1880), was zijn
hoofdwerk het in 1843 verschenen: Handbuch der
römischen Altertümer, dat in de latere bewerkingen
van Marquardt en Mommsen nog immer gebruikt wordt.
Beckerich, gem. in het groothertogdom Luxem-
burg, ten N.O. van Aarlen; opp. 2 841 ha, 1 800 inw.;
vijf parochies.
Beckcl, Thomas, Heilige, martelaar voor de
vrijheid der Kerk, aartsbisschop van Canterbury
en kanselier van Eng., * 1117 te Londen, f 1170 te
Canterbury. Zijn ouders, die uit Normandië naar Eng.
waren overgestoken, lieten hem in Parijs en Londen
studeeren. Door de gunst van aartsbisschop Theobald
van Canterbury, in wiens dienst hij was getreden,
en die hem op zijn reizen meenam, kon hij zich aan de
universiteiten van Bologna en Auxerre nog bekwamen
in het kerkelijk en burgerlijk recht. In 1154 benoemde
Theobald hem tot zijn aartsdiaken. Zijn leven nam
een andere richting, toen hij door koning Hendrik II,
tot wiens troonsbestijging hij veel had bijgedragen, tot
kanselier werd benoemd (1156). Hendrik wilde den staat
uit het verval, waartoe zijn voorganger Stephanus
dien gebracht had, oprichten. B. stond hem daarin
trouw ter zijde. Beiden waren één van geest en één
van hart, ook één in hun liefde voor pracht en praal.
B. volgde Hendrik, die niet altijd rechtvaardig was
in de keuze zijner middelen, tot in zijn caesaro-papis-
tische maatregelen. Een jaar na den dood van Theobald
werd B. aartsbisschop van Canterbury (1162). Hij
legde het kanselierschap neer en was van nu af de
onwrikbare strijder voor de rechten van zijn Hemel-
schen Koning. Van laveeren was nu geen sprake meer.
Met den Eng. koning, die den staat steeds machtiger
wilde maken ten koste van de Kerk, volgde de eene
botsing op de andere, de vriendschap werd vijand-
schap. Deze bereikte haar hoogtepunt, toen Hendrik
zich op den Rijksdag van Clarendon (1164) ontpopte
als de man, die het leven van de geestelijkheid perma-
nent onder de controle van den souverein gesteld wilde
zien en de stichting van een van den koning afhanke-
lijke nationale Kerk beoogde. In 16 artikelen liet hij
de rechten des konings ten opzichte van de Kerk
samenvatten. Deze zgn. rechten noemde hij „consue-
tudines avitae, voorvaderlijke gebruiken” en op dien
grond eischte hij hun herstel. Door deze eischen over-
bluft en door de sterke pressie van den koning in het
nauw gedreven, aanvaardde B. na lang aarzelen deze
Constituties van Clarendon. Maar nauwelijks had paus
Alexander III zijn veto uitgesproken, of B. herriep
de hem afgedwongen toestemming. Een lange laster-
campagne volgde, waarbij al zijn daden en heel zijn
financieel beheer als kanselier aan de meest hatelijke
critiek werden onderworpen, zoodat men hem zelfs
van hoogverraad beschuldigde. Aan deze onwaardige
behandeling wist hij zich te onttrekken door een
heimelijke vlucht naar Fr. (1164). Koning Lodewijk XII
ontving hem hartelijk. Daarna maakte hij zijn opwach-
ting bij paus Alexander III in Sens. Deze was zoozeer
van zijn onschuld overtuigd, dat hij van een ontslag-
aanvrage van B. als aartsbisschop van Canterbury
niets wilde weten. Na jarenlange onderhandelmgen
tusschen Hendrik, den paus en B. kwam in 1170 een
verzoening tot stand, die niet van langen duur kon
zijn, omdat beide partijen hun standpunt met betrek-
king tot de Clarendonsche artikelen handhaafden.
Óp 1 Dec. landde hij onder groote geestdrift in Eng.
Vier weken later werd hij in zijn kathedraal tijdens de
vespers door enkele edelen vermoord. In dc vijandige
uitdrukkingen van den koning, aan het adres van B.
gericht, schijnen zij een aanleiding te hebben gevonden
om de koninklijke gunst te winnen door hem van
dezen tegenstander te verlossen. Groote verslagenheid
201
Beckford — Becquerel
202
heerschte en de koning zag zich gedwongen, wilde hij
de volksgunst niet verliezen, openbare boete te doen
voor een misdaad, die hij wel niet direct bedreven,
maar toch door zijn vijandige houding geprovoceerd
had. In 1174, een jaar na Becket’s heiligverklaring,
bezocht hij als pelgrim diens graf. Feest 29 Dec.
L i t. : E. A. Abott, St. Thomas of Canterbury, his
death and miracles (2 dln. Londen 1898). Voor den tekst
van de constituties van Clarendon, zie Stubbs, Select
charters and other illustrations of English constitutional
history (Oxford 1870, 9 1913). Het artikel van de Ene.
Britannica (III, 289-290) is weinig waardeerend.
Wachters.
Beckford, W i 1 1 i a m, de zonderlinge schrijver
van „Vathek”. * 1759, f 1844; zoon van een Londensch
koopman, die een millioenenfortuin gemaakt had in
West-Indië; onderricht van huisleeraren; fantasie
ontvlamd door de verhalen van 1001 Nacht. Bracht
20 jaar (1777 — ’96) meestal in het buitenland door, in
Zwitserland, Italië, Frankrijk, Portugal en Spanje;
besteedde millioenen aan fantastische bouwerijen
op zijn landgoed Fonthill in Wiltshire, waar hij leefde
als boeken- en curiosa -verzamelende kluizenaar; en
toen zijn fortuin in 1822 een knak had gekregen, zette
hij op kleinere schaal zijn levenswijze voort te Bath,
waar hij stierf in 1844. Oostersche weelde van ver-
beelding en sombere hartstocht hebben gedurende de
18e eeuw nergens in Europa een rijker en kunstvoller
uiting gevonden dan in B.’s Vathek, geschreven te
Fonthill in klassiek Fransch proza in 1783, en uit-
gegeven in 1787 te Parijs en Lausanne en opnieuw
in 1815; herdrukt door St. Mallarmé in 1876 en 1893.
Een slechte Engelsche vertaling verscheen in 1786
(vóór het Fransch origineel!), en is tallooze malen
herdrukt. Een nieuwe vertaling door H. B. Grimsditch
verscheen in prachtuitgave in 1929. Van B.’s andere
werken verdienen vooral zijn fantastische en levendige
reisbeschrijvingen in helder klassiek Engelsch ver-
melding; zij dateeren van 1783, 1834 en 1835.
L i t. : Lewis Melville, Life and Letters of W. B.
(1910). In 1912 heeft L. Melville voor het eerst uit-
gegeven The Episodes of Vathek in het Fransch en
Engelsch. Vathek en The Episodes, uitg. G. Chapman
(2 dln. 1929). De reisbeschrijvingen zijn in prachteditie
in twee deelen uitgegeven door G. Chapman in 1928
(The Travel Diaries of W. B.). Volledige bibliographie,
ook van andere werken, door G. Chapman en J. Hodgkin
(1930) ; Life, J. W. Olivcr (1933). Pompen.
Breking, G u s t a v, musicoloog, * 4 Maart
1894 te Bremen; studeerde muziekwetenschap te Berlijn
en Leipzig, promoveerde in 1920 op een proefschrift,
getiteld: Studiën zu Beethovens Personalstil, Das
Scherzo thema ; werd in 1922 privaatdocent te Erlangen,
kort daarop hoogleeraar, en ging in 1930 als zoodanig
naar Praag. Publiceerde verder o.a.: Der musikalische
Rhythmus als Erkenntnisquelle (Augsburg 1928)
en gaf de „Veröffentlichungen des Musikwissenschaft-
lichen Seminars der Universitat Erlangen” uit.
Reeser .
Beekman, M a x, Duitsch schilder, * 12 Febr.
1884 te Leipzig. Leerling aan de acad van Weimar.
Daarna studies te Parijs en te Florence. Schilderde
figuur, genre en landschappen. Daarna ook kerkelijke
composities, o.a. een Kruisiging (nu in het mus. te
Weimar).
L i t. : Zeitschrift für b. Kst. (1907, 259).
Beckmann , 1 ° Ernst Otto, natuurkundige,
* 4 Juli 1853 te Solingen, f 13 Juli 1923 te Berlijn.
Werd in 1882 privaatdocent voor chemie en pharmacie
aan de Techn. Hoogeschool te Brunswijk, in 1891
directeur van het physico -chemisch instituut der
universiteit te Giessen, in 1912 professor en directeur
van het chemisch instituut te Berlijn. Behalve om een
groot aantal publicaties is hij bekend om den naar hem
genoemden thermometer met veranderlijke kwik-
vulling.
2° G u s t a v, Duitsch musicoloog en dirigent,
* 28 Febr. 1883 tc Berlijn; publiceerde: Das Violin-
spiel in Deutschland vor 1700 (1918; proefschrift 1916),
waarbij in 1921 een uitstekende Beispielsammlung
verscheen (uitg. Simrock).
Beckx, Petrus, Jezuïet, 22e generaal der
Orde. In 1853 gekozen; deed in 1884, wegens hoogen
leeftijd, afstand. * 8 Febr. 1795 te Sichem (België),
t 4 Maart 1887 te Rome.
L i t. : Verstraeten, Leven van den H.E. Pater Petrus
Beckx (Antwerpen 1889).
Beclers, Belg. gem. in de prov. Henegouwen,
ten O. van Doornik: opp. 1 334 ha, ca. 1 200 inw.
Landbouw. Kasteelen van Pétrieux en du Roy;
kerk met Gotischen toren.
Bccoringhen, Van vier, werk van Ruus-
broec; tegen de zucht naar zingenot, den geest van
pharizeïsme, den geestelijken hoogmoed, de valsche
ledigheid.
Bccque, H e n r i, Fransch tooneelschrijver,
de voornaamste figuur uit L e T h é a t r e 1 i b r e.
* 9 Apr. 1837 te Parijs, f 12 Mei 1899 aldaar.
Voorlooper van het naturalisme op het tooneel,
zoekt B. zijn kracht in overzichte lijken, eenvoudigen
bouw van de handeling, eerlijke, nuchtere onopge-
smuktheid van den dialoog en een teruggave van
karakterwerkelijkheden die alle vermooiende ideali-
seer ing uitsluit. Vooral de Fransche vrouw ontgeldt het
dikwijls bij hem. De atmosfeer van B. ’s meeste stukken
wordt daardoor donker, pessimistisch; en daar de
kijk, dien hij op de wereld heeft, uitgesproken materia-
listisch is, geeft dat alles bij de opvoering een onmee-
doogende hardheid, waartegen een reactie in den zin
van het lyrische, ook wel het luchthartige, opper-
vlakkige tooneel-als -amusement niet zou uitblijven.
Voorn, werken: Les corbeaux (1882) ; La
Parisienne (1885) ; Les ■ olichinelles (1891). — Uitg.:
Oeuvres complètes (7 dln. Parijs 1924 vlg.). — L i t. :
F. Dubois, H. B. (Parijs 1888) ; A. Got, H. B. (Parijs
1920) ; E. Dawson, H. B. (Parijs 1923) ; Arnatowitsj,
H. B. (3 dln. Parijs 1927) ; L. Treich, H. B. (1927).
Baur.
Béequer, Gustavo Adolfo, Spaansch
dichter, * 1836 te Sevilla, f 1870 te Madrid. B., bijge-
naamd De Arme Poëet trekt van Sevilla naar Madrid,
waar hij met vertaalwerk en het schrijven van dagblad-
artikelen in zijn noodzakelijk onderhoud voorziet.
Zijn werken, deels in proza, deels in poëzie, zijn melan-
cholisch van stemming, eenvoudig, vloeiend en
melodieus. B. uit zijn dichter lijke visie met bewonde-
renswaardige kunst.
Werken: Leyendas (invloed van Hoffmann ?) ;
Rimas (invloed van Heinc ?), na zijn dood gedrukt. —
Lit. : Monogr. van J. Andres Vasquez (1929). Borst.
Becquerel, 1° Alexandre Edmond,
natuurkundige, * 24 Mrt 1820 te Parijs, f 13 Mei 1891
aldaar. Zoon van Antoine César B. Leverde eerste
bruikbare photo van het zonnespectrum en van infra-
roode stralen.
2° Antoine Cés ar, natuurkundige, * 7 Mrt.
1788 te Chat illon-sur-Lo ing, f 18 Jan. 1878 te Parijs.
Hii construeerde bijna tegelijkertijd met Daniell het
203
Becquereleffect — Bed
204
eerste constante galvanische element; verder is van
hem de nauwkeurige bepaling van thermo-electrische
krachten.
L i t. : Bassal, Eloge biograph. de A. C. B. (Parijs
1879).
3° Henri An t o in e, natuurkundige, * 16 Dec.
1862 te Parijs, f 26 Aug. 1908 te Le Croisic. Zoon van
Alexandre Edmond B. Werd in 1908 permanent
secretaris van de
Parijsche acade-
mie. In 1876 vond
hij de draaiing
van het polarisa-
tievlak door het
magnetisch veld.
Door het onder-
zoek naar de wer-
king van infra-
roode stralen op
phosphoresceeren -
de stoffen kwam
hij op de uraan -
verb indingen,
waarvan hij in
1896 de radioac-
tieve werking
Henri Becquerel. vond. In den elec-
troscoop vond hij
een middel om deze naar hem genoemde stralen te
onderscheiden (a-, /?- en y-stralen). In 1903 kreeg
hij met het echtpaar Curie den Nobelprijs voor
natuurkunde.
L i t. : Revue générale des Sciences (1908, 802) ;
Victor Junk, Die Nobelpreistrager (Leipzig 1930).
J. v. Santen .
Becquereleffect, ontdekt in 1839 door E. Bec-
querel, die vond, dat bij belichting van een der beide
zich in een electrolytische vloeistof bevindende
electroden, deze een > potentiaalverschil vertoonen;
dit is enkele microvolts bij toepassing van goud- of
platina-electroden; sterkere effecten met > Sele-
niumelectroden of zulke, die een oxydhuid bevatten.
Oorzaak van het B. is vermoedelijk het > photo-
electrisch effect, zoodat door lichtabsorptie
in het huidje electronen worden vrij gemaakt, die in
de vloeistof treden, waardoor deze electrode pos. wordt;
soms echter (langgolvig licht) kan zij neg. worden.
Sommigen beschouwen photochemische werkingen als
oorzaak van het B. Voor lichtsterktemeting vindt het
B. weinig toepassing, omdat de zgn. photogalvanische
stroom ingewikkeld afhangt van electrodenoppervlak,
golflengte en intensiteit van het licht.
L i t. : B. Gudden, Lichtelektrische Erscheinungen
(Berlijn 1928). Custers.
Bed (in de meubelkunst) is een houten
of metalen meubel, tot rusten bestemd en voorzien
van matras, dekens, kussens, enz.
Bed in de Oudheid. Bij Egyptenaren, Assy-
riërs, Meden en Perzen vindt men het b. rijk versierd
met metaal, paarlemoer en ivoor Bij de Grieken
bestond het uit een houten, soms bronzen geraamte
met dwarslatten, waarop men kussens legde; voor ver-
siering gebruikte men kostbaar hout en ivoor, terwijl
de voeten van het b. soms van zilver waren. De rijken
belegden het b. met kostbare kussens en dekens.
Speciale fabricatie in Milette, Korinthe en Carthago.
Het Romeinsche b. was hoog, zoodat men er een
bankje bij gebruikte; aan het hoofd- en voeteneinde
lagen smalle kussens; dikwijls hingen kostbare kleeden
af tot op den grond. Het geraamte was, evenals bij de
Vormen van het bed in de oudheid :
1 en 2 Egyptisch, 3 Romeinsch.
Grieken, veelal van brons en met zilver ingelegd;
keizer Elegabalus bezat zelfs een b. geheel van zilver.
Men had lage b. voor zieken, voor het opbaren van
dooden, rustbedden voor lezen, enz., overeenkomend
met onze sofa’s. W. Vermeulen .
Nog zeker tot in de 6e eeuw bleven de aanligbedden
aan tafel bestaan. Tot aan de 13e eeuw zijn de bedden
meestal van brons en door kussens zoo opgehoogd,
dat men er ongeveer in zittende houding in moest
rusten. Geheel ontkleed wikkelde men zich in een laken.
De houten bedden, die in de 12e eeuw in zwang komen,
205
Beda — Bedammen
206
zijn vaak rijk met snij- en beeldhouwwerk versierd,
dek en matras zijn rijk geborduurd. Aan dwarsbalken
of aan een hemel worden bedgordijnen opgehangen,
een gewoonte, die tot in de 19e eeuw blijft voortbe-
staan. Meestal hing bij het bed (nog in de 13e en 14e
eeuw) een nachtlampje. De bedden worden luxueuzer:
een door vier pooten gedragen balustrade, aan een der
lange kanten middenin geopend, om aldus den toe-
gang tot het bed te vergemakkelijken. Men ligt laag,
alleen het hoofd is hooger gelegen, in de 14e eeuw is
het vooral het beddek, dat de belangstelling der
sierkunstenaars heeft, en waarvoor zijde, fluweel en
soms goudlaken gebezigd worden. Men gebruikt twee
lakens, zooals tegenwoordig. Uitermate groote afme-
tingen krijgt het 15e-eeuwsche bed; veeren matrassen
raken in gebruik („Sterfbed van Maria” van Hugo
v. d. Goes, ong. 1480). Omstreeks denzelfden tijd
Empirebed (ca. 1810).
komen in Frankrijk de zgn. paradebedden in zwang.
Hierop liggend ontving de koning gezanten, enz. Sinds
de 16e eeuw zijn alkoven bekend. Eind 19e eeuw gaat
de hemel verdwijnen en worden de bedden eenvoudiger.
In den laatsten tijd hebben stalen bedden, zgn. veld-
bedjes en opklapbedden de oudere vormen verdrongen.
L. v . d . Broek .
Beda , bijgenaamd Venerabilis (de Eer-
biedwaardige), Heilige, Benedictijn, kerkleeraar en
geleerde; * 673 (of 674) in Northumberland (Eng.),
f 26 Mei 735 in het klooster te Yarrow. Ging op
7 -jarigen leeftijd naar de kloosterschool te Wearmouth,
verhuisde in 682 met abt Ceolfrid naar het nieuw-
gestichte klooster Yarrow, behoorde met den abt tot
de eenigen, die aan de groote pest van 686 ontkwamen,
ontving in 692 de diaconaats- en in 703 de priester-
wijding. B. was een stipt en plichtgetrouw klooster-
ling en een ijverig leeraar met universeele kennis;
was buitengewoon vertrouwd met de geschriften der
oude Christelijke en heidensche schrijvers en schreef
tal van werken op elk gebied der toenmaals bekende
wetenschap.
Zijn grooten roem heeft B. vooral te danken aan
zijn geschiedkundig werk in vijf boeken: „Historia
ecclesiastica gentis Anglorum”, dat de kerkelijke
en politieke geschiedenis van Engeland
behandelt vanaf den inval van Caesar in Brittannië
tot het jaar 731. Om dit werk van groote historische
betrouwbaarheid, dat een rijke verzameling van
bronnen en gegevens bevat, wordt B. de „Vader der
Engelsche geschiedschrijving” genoemd. Waar B. soms
in dit werk wegens politieke toestanden niet alles onom-
wonden kon neerschrijven, heeft hij toch zoo’n weer-
gave gekozen, dat bedoeling en werkelijke toedracht
der geschiedkundige feiten duidelijk worden en een
betrouwbaar licht valt op verschillende duistere
vraagstukken uit dien tijd. Zijn werk; „De sex aeta-
tibus mundi” is mede de grondslag voor de universeele
kronieken der middeleeuwen. In zijn exegeti-
sche werken over Oudo en Nieuwe Testament
neemt B. vooral de allegorische verklaring aan, die
hij met zorg uit de Grieksche en Latijnsche Vaders
verzamelt.
B. is de eerste wetenschappelijke theoloog der
middeleeuwen en een voorlooper van de Scholastiek.
Zijn geschriften hadden nog lang een grooten invloed.
Paus Leo XIII heeft B. op 13 Nov. 1899 tot Doctor
Ecclesiae verheven. Feestdag 27 Mei.
Werken: in Migne P. L. (XC-XCV). — L i t. :
K. Werner ( 2 1881) ; G. F. Browne, The Venerable Bede
( 2 1928).
Verder schreef B. over cosmologie, chronologie en
rekenkunde. In zijn cosmologisch werk: De
natura rerum liber, maakt hij gebruik van het gelijk-
namige geschrift van Isidorus van Sevilla, maar
tevens van de aan dezen onbekende Historia Naturalis
van Plinius Maior, waardoor zijn werk op hooger
wetenschappelijk peil staat. Over chronologie
handelt: De temporum ratione (na 716), een uitwerking
van het in 703 geschreven: De temporibus. Hierin
wordt de berekening van het Paaschfeest geleerd en
een theorie van eb en vloed behandeld, waarin de oudste
vermelding van het begrip havengetal voorkomt
Het aan rekenkunde gewijde hoofdstuk: De
loquela per gestum digitorum, vormt de oudste en
voornaamste bron voor onze kennis der middeleeuw -
sche vingerrekening. Ten onrechte staat op naam
van Beda een geschrift uit de eerste helft der 9e eeuw:
De mundi caelestis terrestrisque constitutione liber,
waarin de planetentheorie van Heraclides (Mercurius
en Venus satellieten van de zon) wordt aanvaard.
U i t g. : Bedae Presbyteri Anglosaxonis opuscula
complura de temporum ratione, ed. Joh. Noviomagus
(Keulen 1537) ; Migne, Patrologia Latina (XC).
Dijksterhuis.
Voorstelling in de kunst. Bij Ros-
weyden (27 Mei) voorgesteld als middeleeuwsch klerk
met bonnet, in de eene hand een kruik, in de andere
een boek. Op de titelpagina van den Homiliarius
Doctorum (1498) zonder bonnet en alleen met een
boek. Hij wordt verder afgebeeld, schrijvend in zijn cel.
Bedagei, landschap met gelijknamige rivier in het
gouv. Oostkust van Sumatra.
Bedaja, > Bedojo.
Bedak, poeder, uit rijstmeel bereid, dat op Java
gebruikt wordt als toiletartikel, ongeveer op de wijze,,
waarop wij talkpoeder gebruiken.
Bedammen, > Bedijken.
207
Bedanye — Bedekte knoppen
208
Bedanye, Neder -Koes j iet ische stam van de Ha-
mieten; > Afrika (Bevolking).
Bédarieux, oud Fr. industriestadje (laken, leer),
8 000 inw. (1926), in het arr. Béziers, dept. Hérault
(43° 30' N., 3° 10' O.). Kerk uit de 15e eeuw.
Bedburg, of „B e t h a u s”, voormalig Prc-
monstratenser klooster in het diocees Keulen. Het
werd in 1124 als dubbelklooster gesticht door Arnold
II, graaf van Kleef; later alleen voor zusters; 1619
verwereldlijkt; na verschillende veranderingen te
hebben ondergaan in 1802 opgeheven.
L i t. : Ch. Hugo, S. Ord. Praem. annales (I, 241-245) ;
L. Sloet, Het hoogadellijk, vrij wereldlijk stift de B.
bij Kleef en zijne juffers (1879).
Boddegoed bestaat tegenwoordig meestal uit een
staaldraadmatras, waarop een matras met kapok ge-
vuld; verder uit wollen of molton-dekens, peluw en
hoofdkussen, eveneens met kapok gevuld. De lakens
zijn meestal van katoen, linnen of flanel. De veeren
bedden uit ouden tijd zijn broeierig warm en moeilijk
te hanteeren evenals de springmatrassen. In België
wordt dikwijls wol ter opvulling gebruikt. Voor
kinderen is zeegras aan te bevelen. Paardenhaar is een
geschikte, maar dure vullingsstof. De lakens mogen
niet te kort zijn; het is doelmatig de bovenste deken
van knoopen te voorzien, ongev. 50 cm van den boven-
rand af en daarop den overslag van het laken, waarin
knoopsgaten zijn aangebracht, te bevestigen. Droog.
Bedding, 1° van een rivier, de terreingeul
waardoor een rivier stroomt. Het gedeelte, dat bij
middelbaren rivierstand of bij normalen vloed door
de rivier wordt ingenomen, heet het zomerbed. Het
geheele terrein, ingesloten tusschen de hooge oevers
of tusschen de dijken, wordt het winterbed genoemd.
Bij hooge waterstanden neemt het werkzame winter-
bed deel aan den waterafvoer, terwijl het overige ge-
deelte dienst doet tot waterberging. J. ten Brink.
2° In de k r ij g s k., vloer, waarop een kanon bij
het schieten wordt opgesteld om het omwoelen
en het indringen van den vuurmond in den grond te
voorkomen. In eenvoud igen vorm soms door de onder-
deelen der artillerie medegevoerd (noodbedding).
Zwaar geschut in vaste opstellingen heeft dikwijls
een b. van beton. Nijhoff.
3° (T e c h n.) Onderdeel rond den toe- of doorlaat
van aflsuiter of veiligheid, waarop de afsluitklep
rust; wordt met het oog op de door te laten substantie
van een daartegen bestand materiaal vervaardigd. >
Zitting.
Beddoes, Thomas L o v e 1 1 , de Engelsche
schrijver van „Death’s Jest Book”. * 1803, f 1849.
Zoon van een beroemd en welgesteld geneesheer,
studeerde te Oxford, schreef drama’s, en woonde van
1825 af in Duitschland (Göttingen, Würzburg, Zürich,
Berlijn, Frankfort), waar hij deel nam aan verschil-
lende revolutionnaire intriges. Hij stierf onder ge-
heimzinnige omstandigheden te Bazel. „Death’s Jest
Book or The Fool’s Tragedy” werd begonnen in 1825
en hij heeft eraan gewerkt tot zijn dood. Uitg. door
zijn vriend T. E. Kelsall in 1850. Een fantastisch
historisch griezeldrama in blanke verzen met prachtige
liederen.
L i t. : Grete Moldauer, monogT. (Weenen 1924) ;
Werken uitg. E. Gosse (1928) ; Bloemlezing van F. L.
Lucas (1932). Pompen.
Bede, 1° (ook petitio, precaria). B.
was oorspronkelijk waarschijnlijk de som gelds —
slechts korten tijd was het een tegemoetkoming in
natura — op verzoek van den landsheer door de
onderdanen bijeengebracht als steun bij het uitoefenen
van diens taak als landsheer. De beden werden onder-
scheiden in gewone en buitengewone. De gewone, die
reeds in de 12e eeuw vaste heffingen zijn geworden,
moesten op bepaalde tijden (bijv. een- of tweemaal
per jaar) of bij bepaalde gelegenheden (bijv. huwelijk
van den landsheer) worden opgebracht; weigering
was onmogelijk. De buitengewone beden konden
rechtens worden geweigerd, hoewel weigering prac-
tisch nog grooter moeilijkheden meebracht. De Staten-
vergadering, het volk vertegenwoordigende, moest
de beden inwilligen en dankt daaraan juist, dat zij
zoo lang bleef voortbestaan, terwijl ze, door het stel-
len van voorwaarden, nog zijdelings invloed kon
uitoefenen op de regeering (-> Precarium).
2° (G o d s d.), > Gebed.
Beclcau, Mar ie Alphonse, Fransch
generaal. * 10 Aug. 1804 te Yertou bij Nantes, f 30
Oct. 1863 aldaar. Trad in 1825 als luitenant in het
leger. Werd in 1831 kapitein-adjudant van generaal
Gérard; nam in diens staf aan de belegering van Ant-
werpen deel (1832) en werd hier als parlementair naar
Chassé gezonden. Van 1836 tot ’47 onderscheidde hij
zich in Algerië en was, in Juli — Oct. 1847, waarne-
mend gouverneur -generaal van dit land. Vervulde
een zeer gewichtige rol tijdens de revolutie van 1848
en de Tweede Republiek, o.a. als min. van oorlog en
militair -gouverneur van Parijs. Bij den coup d’état
van 2 Dec. 1851 werd hij gevangen genomen en
vervolgens verbannen; hij ging naar België en leefde
daar teruggetrokken te Brussel. Na de amnestie van
1859 keerde hij naar Frankrijk terug. Lousse.
Bedeguar, ook rozenspons of slaapappel, gal
aan rozen, veroor-
zaakt door larven
van de rozengal-
wesp (Rhodites
rosae L.).
Bedekkings-
vermogeu, 1°
uitstrijkbaarheid
van een verf; het
min of meerdere
gemak, waarmede
de verf zich over
een gegeven op-
pervlak laat uit-
strijken. Niet te
verwarren met
> dekvermogen
van een verf.
2° Het afdekkingsvermogen van een verf; het ver-
mogen om het onderliggend materiaal te beschermen
tegen schadelijke invloeden.
Bedekovics, 1° Franz, Hongaarsch edelman.
* 1765, f 1825. Afgevaardigde van I&oatië. Vervulde
ook hooge functies aan het hof van keizer Franz I
van Oostenrijk, dien hij op verschillende veldtochten
vergezelde.
2° K o 1 o m a n, Hongaarsch edelman. Minister
voor Kroatië in het kabinet Andrassy (1867).
Bedekte knoppen zijn, in tegenstelling met
naakte knoppen (bijv. walnoot), jonge spruiten aan
planten, voorzien van een aantal schubben, vervormde
bladeren of deelen van bladeren, die de jonge bladeren
en /of bloemen in het ongunstige jaargetijde bescher-
men.
Bedeguar.
209
Bedektzadigen — Bedelarij
210
Bedektzadigen (Angiospermen, ^ Gr. aggeion
= vat, sperma = zaad) vormen die groep van zaad-
planten, waarvan de zaden in vruchtb la deren opge-
sloten zijn. Voor de bevruchting komt de stuifmeel-
korrel op den stempel en groeit vandaar met een
stuifmeelbuis naar het eitje. Men noemt deze groep
dan ook wel stempelplanten (Stigmateae, ^ Gr.
stigma = stempel).
Bedelaarsopera, > Ballade-opera.
Bedelarij is het herhaalde bedelen, of vragen van
aalmoezen door iemand, die armoede heeft of armoede
veinst; ook de toestand van degenen, die zich aan
bedelarij overgeven. De openbare onderstand en de
private liefdadigheid zorgen voor de armen. De ge-
zonde mensch, die geen inkomsten heeft, dient door
werken in zijn behoeften te voorzien. B. wordt dan
ook als een sociaal kwaad beschouwd, waartegen de
maatschappij zich heeft te vrijwaren. B. geeft overigens
aanleiding tot misbruiken van allerlei aard: afpersing,
diefstal, kindermishandeling, enz.
België. De wet van 27 Nov. 1891 (gewijzigd
door die van 15 Febr. 1897) en de wet van 15 Mei
1912 op de kinderbescherming, regelen de beteugeling
van de landlooperij en de bedelarij. De wet rangschikt
de bedelaars en de met bedelaars gelijkgestelde per-
sonen in verschillende categorieën. Voor elke categorie
wordt het meest geschikte stelsel aangewend in de
door den staat ingerichte instellingen: te w r eten in de
bedelaarsgestichten, de toevluchtshuizen, de weldadig-
heidsgestichten.
De bedelaarsgestichten zijn verbeter-
huizen, uitsluitend bestemd tot intemeering: 1° van
de personen, die de rechterlijke macht ter beschikking
stelt van de regeering, zooals de uitbuiters der lief-
dadigheid, de dronkaards, degenen, die zich aan de
de ontucht overgeven, enz.; de vrederechter kan op
hen intemeering van 2 tot 7 jaar toepassen ; 2° van de
landloopers en de bedelaars, die strafrechterlijk ver-
oordeeld zijn tot een straf, welke in bijkomende orde
het ter beschikking stellen van de regeering nasleept;
deze intemeering, w r elke aanvangt na het verlaten
der gevangenis, kan gaan van een tot zeven jaar. De
minister van Justitie mag te allen tijde een geïnter-
neerde in vrijheid stellen, indien hij oordeelt, dat een
langere intemeering niet noodzakelijk is. Al deze
geïnterneerden zijn aan werkplicht onderworpen; zij
ontvangen een loon, waarvan een gedeelte wordt in-
gehouden om bij het verlaten van het gesticht aan den
belanghebbende overhandigd te w r orden.
De toevluchtshuizen zijn liefdadig-
heidsinrichtingen, waar worden ondergebracht dege-
nen, die voor gewone bedelarij, zonder eenige bezwa-
rende omstandigheid, ter beschikking der regeering
worden gesteld, alsook de personen van meer dan 18
jaar, die, op verzoek der gemeente-overheid, er in
toestemmen voor een jaar — termijn w r elke kan ver-
lengd worden — geïnterneerd te worden. Werkplicht en
loonuitkeering zijn ook hier aan de basis van hetstelsel.
De weldadigheidsgestichten zijn
bestemd om de jeugdige misdadigers en de kinderen,
die misdadige neigingen vertoonen, te herbergen.
Wanneer minderjarigen van minder dan 18 jaar
zich gewoonlijk aan bedelarij of landlooperij over-
geven, kan de kinderrechter krachtens de wet van 15
Mei 1912 ofwel ze aan hun familie terug geven met
opdracht er voortaan beter over te waken, ofwel ze
tot hun meerderjarigheid toevertrouwen aan een be-
paald persoon, aan een vereeniging, of aan een open-
bare of private instelling van weldadigheid of van
onderwijs, ofwel ze ter beschikking stellen van de
regeering, die ze in een weldadigheidsgesticht kan
intemeeren, of ze insgelijks aan hooger bedoelde per-
sonen of vereenigingen kan toevertrouwen. De minister
van Justitie doet de plaatsen inspecteeren, waar min-
derjarigen zijn ondergebracht.
De kosten van inrichting der openbare bedelaars-
gestichten, toevluchtshuizen en weldadigheidsge-
stichten worden door den staat gedragen; doch de
onderhoudskosten van den geïnterneerde kunnen ten
laste gelegd worden hetzij van de familie, hetzij, in
de meeste gevallen, van de gemeente, w'aar de geïnter-
neerde zijn bijstandswoonst heeft.
In het stelsel der Belgische wetgeving w r orden
bedelaars en landloopers niet behandeld als mis-
dadigers, die men moet straffen, maar als hulpbe-
hoevenden, die men moet opbeuren en zedelijk ver-
heffen. F. Boon .
Nederland. Krachtens art. 432 W. v. Str.
is het in het openbaar bedelen strafbaar met hechtenis
van ten hoogste 12 dagen. Gepleegd door drie of meer
personen boven den leeftijd van 16 jaar wordt het
gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden
(art. 433). Bovendien kan de bedelaar, zoo hij tot
werken in staat is, in een rijkswerkinrichting worden
geplaatst voor ten hoogste 3 jaar; dit is een bijkomende
straf (art. 434). Dezelfde straffen zijn gesteld op >
landloopen en op de overtreding van een geheel ander
karakter, •> souteneurschap. B. is een zeer eigenaardig
strafbaar feit. De berechting geschiedt vaak op ver-
zoek van den bedelaar zelf, die daardoor onderdak in
een rijkswerk inr i ch t ing w r enscht te krijgen. De politie
spoort dit strafbaar feit veelal niet zelf op. Slechts
enkele rechtbanken zijn gul met het opleggen der door
de schuldigen gewenschte plaatsing in een rijksw r erk-
inrichting. Daarom wordt de berechting grootendeels
op deze rechtbanken geconcentreerd. Het verblijf in
de rijkswerkinrichtingen, in Veenhuizen, van zoovele
bedelaars en landloopers tezamen w T erkt in het alge-
meen immoraliseerend. Pogingen tot verbetering
zijn tot nog toe vrijwel mislukt. De rechtsgrond van de
bestraffing van bedelarij is hoofdzakelijk gelegen in de
gevaarlijkheid der bedelaars, in dien zin, dat men
allerlei misdrijven en met name overlast op het platte-
land van hen vreest. Deze rechtsgrond is bedenke lijk,
omdat bedelaars dan in den grond gestraft w orden voor
misdrijven, die men hun niet bewezen heeft. Een
statistisch onderzoek, in het begin dezer eeuw inge-
steld, heeft de vermeende gevaarlijkheid niet kunnen
aantoonen. B. kan onder omstandigheden onbehoorlijk
zijn. De Ned. wet is, in tegenstelling tot het oorspron-
kelijk ontw r crp voor het Wetboek, en in tegenstelling
tot latere ontwerpen, stellig te ruim in de strafbaar-
stelling. De oplossing van het vraagstuk der bedelarij
ligt wel in drie punten: 1° zooveel mogelijk voorko-
men, door maatschappelijke maatregelen; 2° voor-
zoover iemand tot bedelen komt, den bedelaar ver-
zorgen in particuliere gestichten (liet Leger des Heils
is hierin wel vooraan; men denke verder o.a. aan de
Katholieke inrichting Luctor et Emergo te Nijmegen);
3° voorzoover de bedelaar strafwaardig optreedt, bijv.
met bedrieglijke middelen of zoo, dat hij zijn gezin
schuldig verwaarloost, hem straffen.
Lit: o.a. Geschriften van de Nederlandsche Ver-
eeniging voor Armenzorg en Weldadigheid (L en LI
1930-’31); W. Pompe, in De Gemeenschap (Maart 1932).
Pompe.
211
Bedell — Bedelorden
212
Bedell, W i 1 1 i a m, Anglic. bisschop van
Kilmore in Ierland van 1629 — ’42, schrijver van vele
theologische werken in het Latijn en Engelsch, vooral
bekend wijl men aan hem de eerste Iersche vertaling
van het O. T. toeschrijft. * 1571 te Black Notley
(Essex, Eng.), f 1642 te Drumlor (Ierland). Stnd.
Cambridge, huiskapelaan van Sir Iienry Watton, Eng.
gezant te Venetië, waar hij Paolo Sarpi ontmoette;
rector van het Horanigshearth in 1615, proost van
Trinity College, Dublin, in 1627. De Iersche bijbel-
vertaling is niet van hemzelf afkomstig, maar is op
zijn last vervaard igd door Maoilin Mac Bruadadha,
Murtogh O Cionga en Dennis Sheridan. Deze vertaling
werd pas gedrukt in 1685.
L i t. : Two biographies of W. B. (1902) ; Feüm O
Briain, Analecta Franciscana Hibernica (1933).
O Briain.
Bedelorden. Over het ontstaan en de beteekenis
der B. is in de laatste jaren veel gedisputeerd. Vooral
trok daarbij de aandacht: de verhouding der B. tot
de zgn. Armoedebeweging der 12e eeuw en verder de
vraag, welk aandeel paus Innocentius III in het stich-
ten der B. heeft gehad. De naam Bedel orden
is eerst in de tweede helft der 13e eeuw ontstaan, als
benaming van de Orden, wier leden door bedelen in
hun levensonderhoud voorzagen. Juister zou eigenlijk
de naam Armoede - orden zijn, want in de strenge
onderhouding der armoede van Christus en de Aposte-
len bestond het karakteristieke der B. Zij wilden geen
bezit, ook niet voor het klooster. Het eigendomsrecht
van die goederen, welke de schenkers zonder eenig
voorbehoud af stonden, werd later door den Aposto-
lischen Stoel overgenomen.
Het ontstaan der B., waarvan de eerste is de door
Franciscus van Assisi gestichte Minderbroedersorde
(1209), is de verwerkelijking van het idee der na-
volging van de armoede van Christus, zooals dit
geheel de 12e eeuw door telkens weer de geesten
trok. Als bijzondere karaktertrekken onderscheidden
ze verder nog van de bestaande oudere Orden: het
sterk op den voorgrond treden van het actieve
leven, het geheel afzien van stabiliteit (het blijven
leven in een bepaald klooster), de vestiging midden
tusschen de bevolking der steden. In de ont-
wikkelingslijn, die de B. verbindt met het voor-
afgaande Órdewezen, neemt een heel bijzondere
plaats in: de door St. Norbertus gestichte Orde van
Premonstreit.
In het begin werden tot de B. gerekend: Minder-
broedersorde, Dominicanerorde; even later: Karme-
lieten, Augustijner Eremieten; en ten slotte nog ver-
schillende andere, als Servieten, Minimen, Jezuïeten,
enz. Het Kerkelijk Wetboek (can. 621) geeft bepalingen
over het bedelen der B. (vgl. Vermeersch-Creusen,
Epitome Juris Can. I).
L i t. : P. Mandonnet, Les origines de 1’Orde de
Poenitentia (Fribourg 1898); Lambermond, Der Armuts-
gedanke des hl. Dominikus (Zwolle 1926) ; Coll. Franc.
Neerl. (I 1927, 68 vlg.) ; Ons Geestelijk Erf (VII 1933,
188 vlg.) ; Doelle, in : Lex. Theol. Kirche (II, 266 vlg.).
v. d. Borne .
Kerkenbouw der Bedelorden. Ofschoon hiervoor
geen algemeen geldende voorschriften bestonden
(er werd zelfs door Humbertus de Romans O.P.
omtrent 1270 geklaagd over gebrek aan eenheid in het
bouwen), valt toch vanaf het begin een met den tijd-
geest samenvallend streven naar eenvoud in bouwplan
en versiering te bespeuren. De bepaling van den
H. Dominicus om de kerken niet hooger dan 30 voet,
zonder steenen gewelf, marmer of mozaïek te bouwen,
werd op het generaal-kapittel van 1297 geschrapt,
was echter reeds eerder niet meer nageleefd; de aan-
sluiting aan den bouwtrant der Cisterciënsers, in 1260
op het generaal-kapittel der Minderbroeders in Nar-
bonne voorgesteld, werd, op het verbod van torens na,
niet doorgevoerd. In midden-Italië waren
213
Bedevaart
214
het vooral de Bedelorden, die den weg naar de Gotiek
baanden, meestal in den geest van den Zuid-Franschen
baksteen -bouw. Gotisch zi jn bijvoorbeeld de Fran-
ciscus -basiliek te Assisi, de Frari in Venetië, de
S. Chiara van Assisi, de S. Francesco in Viterbo en
Pemgia. Aanvankelijk waren de kerken een- of drie-
schepig, vlak gedekt (zelden gewelfd), met dwarsbeuk
en in het O. een rij kapellen, waarvan de middelste
ruimte gaf voor het koor (S. Croce in Florence; zie
plattegr.). In de steden van het Noorden waren het
meestal de burgers, die de kerken bouwden, waaruit
aansluiting aan den heerschenden kerkenbouw volgde.
In het begin waren het dan basilicale kerken met klein
koor en zonder dwarsbeuk, zoodat het grootste deel
voor de leeken gereserveerd bleef; in den aan vang
der 14e eeuw (door grooter aantal kloosterlingen)
werd het koor verlengd. Een drie-schepige pseudo-
basiliek is bijv. de Dominicanerkerk in Maastricht
en de Franciscaner- (zgn. Broeren-)kerk te Bolsward.
Daarnaast ontstond de zgn. zaal- of hallenkerk, later
met één lageren zijbeuk, ofwel als een samenstel van
twee even hooge beuken (tweeschepige hallenkerk),
zonder toren, met alleen dakruiter (Dominicaner-
kerken S. Jacques te Parijs en Toulouse). In Ned.
werd de tweeschepige hallenkerk met smalleren zijbeuk
ongeveer regel: Dominicanerkerk in Nijmegen (1375);
de derde Zuiderbeuk werd in 1866 door dr. P. J. H.
Cuypers aangebouwd; zie plattegr.). Soms had elk
der beuken een eigen koorsluiting; in den hoek van
beide koorsluitingen verrees dan een kleine, achtkan-
tige traptoren (Kampen, Deventer; zie plattegr.).
Sinds einde 16e eeuw sloot men in verschillende
Minderbroederskerken het koor door een jubee af
(bijv. in de kloosterkerk te Venray, in 1926 verbrand,
en in Weert). Op dit jubee bevindt zich het orgel,
voor de beide flanken staan zij -altaren.
L i t. : Burckhardt, Cicerone (II z.j.) ; Biebrach.
Franziskaner und Dominikaner-Kirchen in Umbrien und
Toskane, in Bcitrage zur B au wissenschaft (1908 — 1909);
Gillet, Histoire artistique des Ordrcs Mendiants (1912,
29-62) ; Dehio, Geschichte der deutschen Baukunst (II
1921) ; Krautheimer, Die Kirchen der Bettelorden in
Deutschland (1925) ; Vermeulen, Handb. tot de gesch.
der Ncd. Bouwkunst (I 1928, 393 vlg.). Knipping,
Bedevaart.
I. Godsdienstig. B. is het groepsgewijs trekken
(Duitsch: wallen, vandaar Wallfahrt) naar een heilig-
dom, zoodat het daar druk is van vreemden
(Latijn: peregrini, vandaar peregrinatio ; Fransch
pèlerin, waarvan pèlerinage), die er komen bid-
den en vragen (Nederlandsch: bede, vandaar
bedevaart) onder allerlei vormen en ceremoniën:
stil (Stille Omgang bijv. naar en in Amsterdam ter
eere van het H. Sacrament van Mirakel) of zingend
en luide gezamenlijk biddend, onder meevoering van
banieren, vaandels, emblemen en beelden, of ook
dansend en springend (Springprocessie te Echtemach).
Soms spreekt men alleen van vaart, zooals te
Boxmeer van den tijd (week na H. Sacramentsdag)
waarin de „vreemden” komen om te bidden bij het
H. Bloed, elders, als te Aken en Maastricht, van
heiligdomsvaart; om het groepsgewijs
trekken spreekt men ook vaak van processie,
zooals in den regel, als men spreekt van de b. naar
Kevelaer, ook wel van de b. naar Lourdes en andere
plaatsen. De grondgedachte is, dat God aan bepaalde
plaatsen een bijzondere zegening, of heiliging heeft
verbonden en men daar moet heengaan om deze deel-
achtig te worden. Zoo moesten de Joden telken jare
naar Jerusalem gaan om in den éénen tempel voor
geheel het volk te komen bidden en offeranden op
te dragen. De jaarlijksche b. was bij het Joodsche volk
evenals ook bij vele anderen tevens een middel tot
bevestiging van de volkseenheid en de gemeenschap.
Vele volkeren hebben aldus hun heilige plaatsen. Voor
de Mohammedanen is een bezoek aan Mekka het ideaal
en de bron van zeer bijzondere heiliging. Wie Mekka
heeft bezocht, is daar van zijn zonden gereinigd en een
heilige hadsjii geworden, wiens tusschenkomst bij
God veelvermogend is. De b. naar Mekka is een der
fundamenteele instellingen van den Islam, waardoor
Gods zegen telkens weder over het volk wordt gebracht.
In Engelsch-Indië is de rivier de Ganges de heilige
stroom, waarin men zich onder allerlei riten en cere-
moniën komt baden om van alle zonde gereinigd,
voor alle kwaad behoed en van alle zegening vervuld
te worden. Ook de Grieken en Romeinen alsook de
Germanen hadden hun heilige bronnen, waar men zich
moest baden, hun heilige eiken of andere boomen, hun
heilige bergen en heilige steden, waar men een inniger
vereeniging met de godheid zocht en een bijzondere
bescherming kwam afsmeeken (orakel te Delphi,
H. Eik door Bonifatius in Hessen geveld, Helgoland).
Voor de Christenen waren van ouds vooral de plaatsen
of „staties” van het Leven en Lijden des Ileeren heilig
en gold het bezoeken daarvan als bron van zegening.
In de Brieven van den H. Hiëronymus en de Kerk.
Gesch. van Theodorctus wordt er reeds uitdrukkelijk
melding van gemaakt. Ook werden de graven der
apostelen Petrus en Paulus te Rome, later ook het
graf van St. Jacobus (San Jago of Santiago) te Compos-
tella in Spanje druk bezochte bedevaartsoorden. Zoo
kreeg men velerlei „genade-oorden”. Daar bewaarde
men gedachtenissen aan vereerde personen, relikwieën,
tafereelen uit hun leven. Hoe groote waarde men
vooral aan de H. Plaatsen in Palestina hechtte, blijkt
uit de onderhandelingen door Karei den Grooten met
succes met sultan Haroen al Rasjid gevoerd om deze
voor de Westersche bedevaarten opgesteld te krijgen
en nog sterker uit de Kruistochten, ondernomen om
ze weder in het bezit der Christenen te brengen. Velen
beschouwden den kruistocht tevens als een bedevaart
en bleven ook niet zelden op de H. Plaatsen om ze
geregeld te vereeren. Hadewych spreekt van haar
vrienden aldaar. Jacobus van Vitry schrijft er uitvoerig
óver in zijn Annalen. De Orde der Karmelieten dankt
daaraan haar opkomst in de 12e en 13e eeuw. Deze b.
worden niet zelden ondernomen zeer in het bijzonder
tot uitboeting van zonden en herhaaldelijk ook als
boete opgelegd. In oude vonnissen, ook in Nederland,
werd vrij dikwijls een grootere of kleinere b. als straf
gegeven (zie Bedevaart II. juridisch in dit
artikel). Zeer dikwijls ook maakte een b. het voorwerp
uit van een belofte ter verkrijging van een gunst. Zoo
werden de bedevaartplaatsen oorden van biecht en
boete en de b. een gewone vorm van boete en straf en
daarnaast een geliefde godsvrucht ter verkrijging van
gunsten. Een b. werd daarbij vaak aan zeer strenge
voorwaarden gebonden, men ging te voet, in armoede,
enz., zoodat voor de „arme” pelgrims toevluchtshuizen
moesten worden gebouwd, het pelgrimsgewaad het
symbool was van armoede en soberheid. In de b. zag
men ook een beeld van het leven, dat een „pelgrimagie”
is naar den hemel. Geleidelijk ontstond aldus ook een
meer geestelijke opvatting van de b. Vooral
toen de H. Plaatsen voorgoed in de macht der Moham-
215
Bedevaartmaaltijd — Bedford
216
medanen waren, voelde men bij den opbloei van de
godsvrucht tot het H. Lijden in den tijd der Moderne
Devotie behoefte aan een geestelijke b. naar het
H. Land. Typisch is hier het werkje van den Karmeliet
Jan Pascha: Een devote maniere om gheestelijck
pelgrimagie te trecken tot den heylighen lande (Leuven
1663 — 1576), waarin men in den geest naar Jerusalem
reist en daar den Kruisweg doet. Dit boekje vond veel
verspreiding en droeg veel bij tot invoering van den
Kruisweg in den huidigen vorm. Daarnaast bleef de
luisterrijke viering van godsdienstige feesten aanleiding
tot b., die heel licht periodiek werden. Vooral de
Maria -vereer ing deed vele bedevaartplaatsen opkomen,
bijv. in Nederland: de Zoete Lieve Vrouw van
Den Bosch, Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heiloo,
Maria van Sevenwouden te Bolsward, „Us Ljeaffrou”
(met Friesche kap) te Hemelum, „de Sterre der Zee”
te Maastricht, enz. Beroemde Maria-heiligdommen
buiten Nederland zijn van ouds in België: Halle
en Scherpenheuvel, in Fr. Lourdes, in ZwL Einsiedeln,
in Sp. Montserrat bij Barcelona, in Ital. Loreto, in
Polen Czenstochowa, in Beieren Altötting, in het Rijn-
land Kevelaer, sinds het begin dezer eeuw in Portugal
Fatima, in België in den aller laatsten tijd Beau-
raing. Behalve de Mar ia -b. blijft de godsvrucht der
Katholieken ook de b. in eere houden naar het graf
of de plaats van vereer ing van andere Heiligen.
Men blijft naar Rome gaan naar het graf der apostelen,
naar Echtemach (H. Willibrord), naar Fulda en
Dokkum (H. Bonifatius, tot wiens vereering de
kruistochtprediker Olivier in 1214 meer dan 12 000
pelgrims te Dokkum vond en waar nu nog ieder jaar
meerdere duizenden samenkomen), Egmond (H. Adel-
bert), Brielle (H. martelaren van Gorkum), Schiedam
(H. Liduina), Assisi (H. Franciscus en H. Clara),
Padua (H. Antonius), Napels (Bloed van den H. Janua-
rius), enz. De geestelijke b. naar de graven der Heiligen
en andere H. Plaatsen leeft nog voort in de „Staties”,
waarnaar bij de H. Mis het Missale verwijst en aan
welker gedachtenis door de pausen de zgn. „Statie-
aflaten” zijn verbonden. De b. naar Rome wordt nog
bijzonder bevorderd door de Jubilé -af laten, waardoor
de geloovigen ten tijde van een Jubilé naar Rome wor-
den getrokken en de banden der geloovigen met Rome
als middelpunt der Christenheid weder enger worden
aangehaald. Ook hier de b. als middel ter bevestiging
der eenheid. Brandsma.
Over de eerste bedevaarten in de
Z. Nederlanden ontbreekt het aan bijzonder-
heden. Wel mag verondersteld worden, dat een volk
zooals het Z. Neder landsche, gekerstend door de
pelgrims-geloofsverkondigers, al heel spoedig met
bedevaarten vertrouwd werd. En dat het in de Z. Ned.
gewesten aan bedevaartplaatsen niet heeft ontbroken,
zelfs vóór de 10e eeuw, mag afgeleid worden uit het
feit, dat voor het Merovingische tijdvak alleen niet
minder dan 82 Heiligen in België vermeld worden.
De Schaepdrijver.
L i t. : J. Marx, Das Wallfahren in der katholischen
Kirche (Trier 1842 ; historisch -critisch) ; Georg Ott,
Mariamim (Regensburg 1877) ; A. D. R., Les Vierges
miraculeuses en Belgique (Doornik 1878) ; J. A. F.
Kronenburg, Maria’s Heerlijkheid in Nederland (VI
1909) ; Maria’s heiligdommen in Nederland en België
(Den Bosch z.j.).
Bedevaart voor den koek heet de bedevaart naar
Wannegem-Lede in Vlaanderen, waar de H. Machutus
wordt aangeroepen tegen buikpijn door darmverstop-
ping, hetgeen aangeduid wordt met „den koek”; de
bedevaartgangers koopen drie koeken, waarvan éen
wordt geofferd, de beide andere thuis bij het houden
van een noveen worden gegeten.
L i t. : J. H. Nannings, Brood- en Gebakvormen en
hunne Beteekenis in de Folklore (1932, 141).
Knippenberg .
Bedevaarten onder de Republiek, > Plakkaten.
Bedevaart in de liturgie. De Kerk rekende niet
alleen de bedevaarten onder de goede werken en
verrijkte ze met af laten, zij legde ze ook als sacramen-
teele boete op. Verder voorzag zij, tegelijk met de
burgerlijke overheid, van geleidbrieven hen, die ze
ondernamen, te weten: na verplichte Biecht en H. Com-
munie, of na ontvangst van een plecht igen zegen over
persoon en uitrusting; gelijk zij hen ook zegende bij
terugkeer. Het Rituale Romanum bevat heden nog zulk
een dubbelen zegen (Benedictio peregrinorum). De
eerste bevindt zich ook, bijna volledig, in het Brevier,
als aanbevolen gebed bij het aanvaarden eener reis.
Zie verder > Processie.
L i t. : A. Franz, Die kirchlichen Benediktionen im
Mittelalter (Freiburg i. Br.). Louwerse.
II. Juridisch. In het strafrecht der M. E. een
straf, die zoow T el door den kerkelijken als wereldlijken
rechter voor de meest verschillende misdrijven werd
opgelegd. Zij ontstond in het kerkelijk recht uit de
verbanning; men schreef den misdadiger nl. voor,
gedurende dezen tijd een bepaalde bedevaartplaats
te bezoeken. Zoo bijv. veroordeelde Petrus Damianus
als pauselijk legaat in 1069 simonistische geestelijken
van Milaan tot bedevaarten naar Rome en Tours.
Voorts werden vaak Jerusalem en Santiago de Com-
postela, het Jerusalem van het Westen, aangewezen.
Sinds de 2e helft der 13e eeuw vindt men deze straf
ook in het wereldlijk recht. Aanvankelijk legde de
misdadiger deze aan zichzelf op in het vrede -contract
met het slachtoffer of diens familieleden. Later werd
ze wettelijk voorgeschreven. In de 14e en 15e eeuw
was zij in België zelfs de straf, die door den wereld-
lijken rechter het meest werd opgelegd. Men had lange
lijsten van bedevaartplaatsen voor alle soorten mis-
drijven, van moord tot de geringste overtreding.
L i t. : Et. v. Cauwenbergh, Les Pèlerinages expiatoi-
res et judiciaircs dans le droit communal de la Belgique
au moyen &ge (Leuven 1922). v. d. Kamp .
Bedevaartmaaltijd heet een oud Antwerpsch
gebruik, om op Witten Donderdag in het St. Julianus
Hospitaal twaalf armen feestelijk te onthalen aan een
welvoorzienen disch.
Bedevaartplaatsen, > Bedevaart; voor Ne-
derlandsch-Indië, > Islam; Java (Gods-
dienst) ; Kramat.
Bedford, 1° stad in den N. Amer. staat Indiana,
38° 50' N., 86° 30' W., vooral bekend om haar kalk-
steen, een der meest gewilde bouwmaterialen van de
Vereen igde Staten. In 1930: 13 208 inw.
2° Oude stad in Engeland aan de Ouse (52° 8' N.,
0° 28' W.), hoofdstad van het graafschap Bedfordshire;
40 000 inw. ; marktplaats ; groote fabrieken voor land-
bouwmachines. De omgeving van Bedford Levels in
het district Holland werd droogggelegd onder den
Hollandschen ingenieur Vermuyden, ca. 1630.
G. de Vries .
Bedford, John Plantagenet, hertog
van, derde zoon van koning Hendrik IV van Eng.,
broer van Hendrik V, die hem in 1414 tot hertog van B.
verhief. * 1389, f 1435. Hij verdedigde Noord-Eng.
217
Bediende — Bédier
218
tegen de invallen der Schotten en bestuurde Eng.
tijdens het verblijf van Hendrik in Fr. Na Hendrik ’s
dood (1422) moest, krachtens het verdrag van Troyes,
diens zoon den troon beklimmen. Aan B. had Hendrik
het regentschap over Eng. en Fr. opgedragen. Vooral
Fr. bracht hem zorgen, want de verdragen mochten
nog zoo plechtig zijn, eenige provincies mochten zich
hebben onderworpen, van een rustig bezit was geen
sprake. Met den steun van Philips van Bourgondië
versloeg B. het eenige weerbare Fr. leger van den
dauphin bij Verneuil in Aug. 1424. Zijn succes bleef
voortduren tot het beleg van Orleans, dat na een half
jaar in April 1429 door het optreden van de H. Jeanne
d’Arc opgebroken moest worden. Hij stuurde aan op
minnelijke scnikking, maar de gevolgde vredesonder-
handelingen te Arras (1435) leidden door de overdreven
eischen der Engelschen tot geen resultaat. Hij stierf
te Rouen, waar zijn lijk in de kathedraal werd bijgezet.
Voor de bevrijding van Jeanne d’Arc gaf hij zich geen
moeite. . ‘ Wachters .
Bediende (Belg. Recht), = beambte in
een private onderneming. De wet van 7 Aug. 1922
(zie onder), die het arbeidscontract van den bediende
regelt, heeft opzettelijk geen bepaling gegeven van den
b., wat aanleiding geeft tot moeilijkheden. De wet
van 9 Juli 1926 op de Werkrechtersraden bepaalt
echter in art. 4: Bediende is hij, die gewoon lijk en voor
rekening van een patroon geestesarbeid verricht, ge-
durende het gansche jaar, of op zekere tijdstippen.
Volgt een serie beroepen, die bij het bediendenberoep
moeten gerangschikt worden.
Het practisch belang nu van het voorgaande komt
neer op het volgende: de werkman valt onder toepas-
sing van de wet op het arbeidscontract; de bediende
onder toepassing van de wet op het dienstcontract.
Maar wanneer de b. meer dan 24 000 frs. per jaar ver-
dient, valt ook deze niet meer onder de wet van 1922
en 'wordt zijn toestand geregeld door de bepalingen
van het B.W.
Voornaamste bepalingen der wet van 1922:
Het contract kan worden nietig verklaard, wanneer
het overeengekomen loon meer dan de helft minder is,
dan het in de plaats gebruikelijke (art. 6). Gedurende
de eerste 30 dagen bij ziekte of ongeval behoudt de
bediende recht op het overeengekomen loon (art. 8).
Duurt de onmogelijkheid tot arbeiden langer dan een
maand, dan kan de patroon het contract doen eindigen,
doch moet dan een schadeloosstelling betalen van 3
maanden loon (art. 9). Gedurende den termijn van
opzegging kan de bediende, om een andere betrekking
te zoeken, twee maal per week uitgaan, mits dit te-
zamen niet langer is dan een dag arbeid (art. 13). De
vrouwelijke inwonende bediende kan het contract
doen eindigen, wanneer de vrouw des huizes sterft of
vertrekt (art. 19). Het beding, dat den bediende ver-
biedt na afloop van het contract een eigen zaak te
beginnen of bij concurrenten in dienst te treden, is
nietig (art. 20). Alle waarborgsommen tot nakoming
van het contract moeten worden geplaatst op de Ban-
que Nationale, de Caisse générale d’épargne of het
Grootboek der nationale schuld (art. 26).
Voor Nederland, > Kantoorbediende; Winkel-
bediende.
Bedienen is het toedienen van de verschillende
genademiddelen der H. Kerk als voorbereiding voor
den overgang tot het leven na den dood. Deze genade-
middelen zijn: het Sacrament der Biecht; het
H. Oliesel, de H. Communie als Teerspijze. Hieraan
wordt dan nog toegevoegd de Pauselijke Zegen met
vollen af laat in het oogenblik van sterven. Iemand alle
genoemde Sacramenten toedienen heet: ten volle
bedienen. De bediening is voor den zieke steeds een
groote weldaad en heel bijzonder, wanneer hij in staat
van doodzonde is. Wie in stervensgevaar geraakt,
heeft de zware verplichting voor zijn dood de H. Com-
munie te ontvangen en, wanneer hij in staat van
doodzonde is, ook te biechten. Het ontvangen van
het H. Oliesel is niet onder zware zonde verplicht.
Een goed Katholiek zal echter niet nalaten, alle drie
deze Sacramenten in stervensgevaar te ontvangen.
Volgens het Kerkelijk Recht is het de eigen taak der
parochiegeestelijken, hun parochianen te bedienen;
zij zijn uit strikte rechtvaardigheid daartoe verplicht,
als de geloovigen er om vragen. Andere priesters zijn
uit naastenliefde ertoe verplicht in noodgeval. Verder
rust op alle menschen een plicht van naastenliefde,
om naar vermogen mede te werken, dat een zieke tijdig
bediend worde, hetzij door een priester te ontbieden,
als de zieke er om vraagt, maar ook door een priester
er van in kennis te stellen, dat iemand ziek is, opdat
deze den zieke voorlichte en zoo noodig aanspore
om de H. Sacramenten te ontvangen. Een bijzondere
taak heeft hier de geneesheer. Deze immers kent in
den regel beter en eerder het gevaar, waarin de patiënt
zich bevindt; op hem rust dus de plicht, om zoo
noodig den zieke zelf of de familie of een priester te
waarschuwen. Vrees, dat de mededeeling een ongun-
stigen invloed op den zieke zal uitoefenen, mag geen
motief zijn, om hem bloot te stellen aan het gevaar
om zonder bediening te sterven. Het eeuwig heil mag
niet worden verwaarloosd uit vrees voor een tijdelijk
'nadeel. Bovendien is de vrees, dat de patiënt van deze
mededeeling nadeel zal ondervinden, veelal over-
dreven. De meeste geneesheeren zijn door een lang-
durige ondervinding tot de overtuiging gekomen,
dat een voorzichtige voorbereiding met de spoedig
daarop gevolgde bediening in den regel geen nadeelige
gevolgen heeft; integendeel bijna altijd aan den zieke
groote gerustheid geeft. Men moet met de bediening
ook niet wachten tot het uiterste stervensgevaar,
opdat aan den zieke niet de gelegenheid ontnomen
worde, zich goed voor te bereiden en met vol bewust-
zijn de H. Sacramenten te ontvangen en aldus zooveel
mogelijk deelachtig te worden aan de rijke uitwerkselen:
genade, troost en kracht in het lijden en soms lichame-
lijke genezing. Eender .
Bediening, 1° (liturgische term),
> Bedienen.
2° (O n d e r w ij s), > Benoeming.
Bédier, Joseph, Fransch Romanist en litte-
rairhistoricus der middeleeuwen. * 28 Jan. 1864 te
Parijs, hoogleeraar bij het Collége de France, sedert
1920 lid van de Académie Fran<jaise. Smaakvolle aan-
voeling van den middeleeuwschen geest stelde B. in
staat den bijna geheel verloren T r i s t a n van
Thomas en Béroul, naar de bewaarde vreemde bewer-
kingen ervan, te reprist ineeren (1902 vlg.). Zijn schran-
dere en grondige commentaren (o.m. Chanson
de Roland, 1927 vlg.) maken hem tot den
grootsten Romanist van Frankrijk na G. Paris en
P. Meyer (zie ook Etudes critiques, 1903).
Maar vooral blijft zijn naam gehecht aan Les légen-
des épiques (4 dln. 1908 vlg., 2 1914r— ’21):
een indrukwekkende poging om de geheele epische
productie der middeleeuwen naar haar oorsprong
vrijwel geheel los te maken van de vroegste, mondelinge
219
Bedilzucht — Bedojo
220
volksoverleveringen, die het historisch gebeuren
raken, dat erin verwerkt is. B. maakte ze tot een zuive-
re, bewuste kunstschepping, niet ouder dan de 12e
en 13e eeuw, geschreven door reizende joculatores
of speellieden, met het oog op de bedevaarten naar
die kloosters, waar de grafsteden of de reliquieën der
groote heldenfiguren uit den Merovingischen en
Karolingischen tijd vereerd werden. Niet aan de
gepoëtiseerde en door geleidelijke agglutinatie ver-
meerderde volkstradities dus, maar, met behulp
van de geïnteresseerde monniken dier abdijen, aan
Latijnsche V i t a e en andere documenten werd de
epische stof rechtstreeks ontleend. Niet alles in B.’s
theorie was nieuw: reeds hadden W. Ker (Epic
and romance, 1896) en Ph. A. B e c k e r (Grundriss
der altfranzösischen Literatur, 1907) in die richting
gewezen; maar B. bouwde de theorie uit tot een
gesloten geheel van imponeerenden omvang. Zooals
meestal met algemeene theorieën gebeurt, wordt ook
thans reeds de stelling der volslagen discontinuïteit
van middeleeuwsche volkstradities en letterkundige
epiek, in de absolute geldendheid, die B. ervoor op-
eischt, scherp aangevallen. F. L o t (Romania, 1926)
bracht er bedenkingen tegen in, die het vermoeden
wettigen, dat andere bronnen dan de monacale voor
den oorsprong der epiek moeten worden aanvaard.
Lit. : J. Salverda de Grave, in De Gids (II 1914,
432) ; G. Busken Huet, in De Beweging (II 1909, 282) ;
J. Nothomb S.J., in Essais pédagogiques (Brussel 1928).
Baur .
Bedilzucht is de ondeugd, waardoor de mensch
geneigd is ; anderen kleingeestig te becritiseeren,
zich met andermans zaken te bemoeien en aan iedereen
in alles zijn wil op te dringen.
Beding ten gunste van derden (Belg.
Recht). Beding is een rechtsterm en duidt de
wilsuitdrukking aan, waardoor iemand iets in zijn
voordeel bepaalt.
Volgens art. 1119 B.W. kan in het algemeen nie-
mand iets in eigen naam bedingen dan voor zichzelven,
zoodat het b. ten gunste van derden in principe waar-
deloos is. De wet gaat uit van het idee, dat degene, die
iets ten voordeele van een derde bedingt, daarbij geen
in geld waardeerbaar belang heeft, en derhalve de
uitvoering van dat b. in rechte niet vervolgen kan.
Ieder maal echter, dat de stipulant een geldelijk
belang bij de uitvoering van het b. ten gunste van een
derde heeft, kan hij er ook de naleving van opeischen.
Dit is volgens art. 1121 B.W. het geval, wanneer het b.
ten gunste van een derde de voorwaarde is van een b.,
dat men voor zichzelven maakt, of wanneer het b.
ten gunste van een derde de voorwaarde is van een
schenking. Feitelijk blijft er van het verbod van art.
1121 B.W. niet veel meer over.
Het b. ten gunste van een derde doet zich vooral
voor in het contract van verzekering op het leven.
In dat geval komt het kapitaal, dat ten gunste van een
bepaalden persoon bedongen werd, rechtstreeks aan
den derde toe, maar de assurantie-premiën, die de
stipulant betaald heeft, maken een schenking ten
voordeele van den beneficiaris der verzekering uit,
zoodat zij aan de regels van inbreng en inkorting onder-
worpen zijn. Kluyskens.
Voor Ned. Recht, > Derdenbeding.
Beding hum, 1° Engelsch componist uit de
tweede helft der 15e eeuw. Verscheidene zijner werken
bleven bewaard in de codices van Trente. Moderne
herdrukken vindt men in de Denkmaler der Tonkunst
in Oesterreich (VII, XI en XXXI).
2° John, ook Bedyngham, Eng. componist uit
de tweede helft der 16e eeuw.
Bedingtcr anlaut noemt men den > anlaut,
zooals deze zich onder den invloed van sandhi ontwik-
kelde. > Bedingter auslaut. De klanken van een
woord immers zijn van de verschillende plaatsing van
het woord in den zin afhankelijk, wijl de woorden, die
tot een gedachte-eenheid vergroeid zijn, ook meestal
met elkaar verbonden uitgesproken worden. Daarom
vindt men den anlaut van een woord zoo vaak afhanke-
lijk („bedingt”) van den auslaut van het voorafgaande.
Reeds in het oud-Indisch veranderde de anlaut soms
tengevolge van een onmiddellijk voorafgaanden
auslaut. En zoo vindt men ook in het Ned. gevallen
als: in ’t fuur < in ’t vuur; of se! < of ze! > Sandhi.
Weijnen.
Bedingtcr auslaut noemt men den •> auslaut,
zooals deze zich tengevolge van sandhi ontwikkelde.
> Bedingter anlaut. Immers de klanken van een woord
zijn van de verschillende plaats van het woord inden
zin afhankelijk, wijl de woorden, die tot een gedachte-
eenheid versmolten zijn, meestal ook met elkaar
verbonden uitgesproken worden. Daarom is de auslaut
van een woord ook afhankelijk („bedingt”) van den
anlaut van het volgende. Zoo wordt bijv. Ned. op den
boom: obdemboom en zijn de b en m voorbeelden
van bedingter auslaut. Reeds in het oud-Indisch
veranderde de auslaut soms tengevolge van een
bepaalden anlaut van het volgende woord. > Sandhi.
Weijnen.
Bedja-Bcdzja, Neder-Koesjietische stam van
de Hamieten; > Afrika (Bevolking).
Bed jakje, > Ziekenjakje.
Bcdkruik, steenen of metalen flesch, ook wel een
gummizak, welke, met heet water gevuld, in bed ge-
legd wordt om dit te verwarmen. De electrische
bedkruik bevat een in een warmte -accu muleerende
massa opgenomen verwarmingselement. Na een aan-
sluiting op het lichtnet van hoogstens 10 min blijft
de b. meerdere uren flink warm. Mag nooit ingescha-
keld in bed gelegd worden. Stroomverbruik ca.0,5kWh.
Bedlington, industriestad in het graafschap
Northumberland in Engeland (55° 7' N., 1° 38' W.).
30 000 inw. Kolenmijnen.
Bednyj Dein jan, > Pridworow.
Bcdocg, ccn sc inbekken, waarop op Java geslagen
wordt voor allerlei gelegenheden, alarm, oproep, enz.
Men geeft er ook de tijden voor de Mohammedaansche
godsdienstoefeningen mee aan (> Bang), en daar
deze op vaste tijdstippen vallen, is de bedoeg tevens
een tijdsein.
Bedocïnen (< Arab. badawi = bewoner van
de vlakte), veeteeltdrijvende nomaden uit het binnen-
land van Arabië. Honger en dorst, avonturenlust en
vraag naar nieuwe weiden dreef hen naar Noord -Afrika,
Syrië en xMesopotamië (> Arabieren).
De B. zijn slanke, magere, geharde menschen, die
leven van hetgeen schaap en kameel hun leveren aan
melk en vleesch, boter en wol. Lang wit kleed, hoofd-
doek; wapens, tenten en waterzak; tapijten als tent-
versiering. Zie pl. bij Arabië.
Lit.: E. Banse, Das Beduinenbuch (1931). Eeere .
Bedojo (Jav.; uitspr. o als in kom). De oorsprong
van den naam ligt in het duister. Op Oost- Java komt
hij in de H indoe- Javaansche periode niet voor. Moge-
lijkerwijze is het woord terug te brengen op Sanskrit
221
Bédos de Celles — Bedrog
222
boeddhaja(h) en verstond men er Boeddha -priesteres-
sen of in elk geval priesteressen onder.
De priesteressen in Achter-lndië zijn nl. qualitate qua
ook (tempel)danseressen en staan veelal in sexueele
relatie tot den koning of den opperpriester. Op Java
zijn tegenwoordig de bedojo ’s kratondanseres-
sen, die in een groep van negen plegen op te treden
en meestal tevens bijvrouwen zijn van den vorst.
> Srimpi. Berg .
Bédos de Celles, Benedictijn, de geleerdste
orgelbouwer en -kenner van zijn tijd. * 1706 te Caux
bij Béziers, f 1779 te Toulouse in het Benedictijner
klooster aldaar. Schrijver van het zeer belangrijke werk:
L’art du facteur d’orgues (3 folio-banden). Het boek.
dat o.a. zeer bijzondere teekeningen bevat, is de
grondslag voor alle latere orgelbouwkundige
geschriften. H. Andriessen.
Bed plaat bij een machine is het onderstel, waarop
de overige deelen steunen. > Frame.
Bedr al Dzjamali, > Badr al Dzjamali.
Bedreiging, 1° (N e d. Recht) is a) een
m i s d r ij f , duidelijk omschreven in art. 285 W. v. Str.
In de rechtspraak op dit artikel komt tot uiting, dat
strafbare bedreiging niet is: bedreiging met iets
anders dan feitelijkheden (Hooge Raad 19 Nov. 1923,
Ned. Jurisprudentie 1924, blz. 153), evenmin een
bedreiging, die niet zulk een indruk kan maken, dat
de persoonlijke vrijheid van den bedreigde in het
gedrang komt.
b) Bedreiging is ook een middel, waarmede
sommige misdrijven worden gepleegd, bijv. het mis-
drijf, omschreven in art. 95 W. v. Str., welk misdrijf
wordt gepleegd door geweld of bedreiging met geweld.
Men zie ook de artikelen 138, 180, 246, 248ter, 284
W. v. Str.
2° Belg. Recht. Art. 483 W. v. Strafrecht 1. 2
verstaat onder b. „alle middelen van zedelijken dwang
door vrees voor een nakend kwaad”. B. is a) een zelf-
standig misdrijf. Als zoodanig is strafbaar de b. met
een aanslag op personen of eigendommen, op welke
wijze dan ook, die strafbaar is met doodstraf of dwang-
arbeid (art. 327 — 329) of opsluiting (art. 330). De straf
is verschillend voor de verschillende gevallen en
bestaat in gevangenisstraf tot ten hoogste 3 jaar en
geldboete tot ten hoogste 500 frs. b) Een middel,
waarmee een misdrijf wordt gepleegd, bijv. weder-
spannigheid (art. 269), aanranding 1 der eerbaarheid
(art. 373), verkrachting (door „erge bedreigingen”)
(art. 375). c) Een strafverzwarende omstandigheid,
oijv. bij diefstal (art. 468 — 474). v. d. Kamp.
3° O p v o e d k. B. is de aankondiging van een be-
paalde straf of een straf in het algemeen. Iedere b.
moet uitgevoerd worden. Daarom zij men voorzichtig,
vooral met de eerste, die bindt aan een onzekere
toekomst. Zeer bovenmate onpaedagogisch is de bedrei-
ging met zulke vreeselijke straffen, dat angst ontstaat
of toeneemt, want angst is een gevaarlijke vijand voor
normale ontwikkeling. p. Gervanus.
Bedriaeum of Betriacum, in de Oudheid
stadje in N. Italië (teg. waarsch. Calvatone), aan
het strategisch belangrijk punt, waar de wegen Verona-
Cremona en Mantua-Cremona samenkomen. Veld-
slagen April en Oct. 69 n. Chr.
Bedrieglijke nootsclir ij vingen, > Trug-
schlusz.
Bedrog. 1° Ned. en Belg. Burg. Recht.
B. is een bedrieglijke kunstgreep, waarvan iemand
gebruik maakt om de tot een rechtshandeling vereischte
toestemming van een ander te verkrijgen. Art.
1357 Ned. B.W. (art. 1109 Belg. B.W.) verklaart,
dat de door bedrog verkregen toestemming niet van
waarde is. De bedrogene kan dan ook in rechten de
opheffing van de rechtsgevolgen zijner toestemming
vorderen, indien dat de tegenover hem gebezigde
kunstgrepen (aldus art. 1364 Ned. B.W.; art. 1116
Belg. B.W. ; een enkele kunstgreep is echter voldoende)
van dien aard geweest zijn, dat hij, zonder dezelve,
klaarblijkelijk de verbintenis niet zou hebben aange-
gaan. In het B.W. is van bedrog sprake: bij erkenning
van kinderen (art. 337 Ned. B.W.), bij testamenten
(art. 940 Ned. B.W.), bij aanvaarding of verwerping
van nalatenschappen (art. 1099 en lill Ned. B.W.;
art. 783 Belg. B.W.), bij boedelscheiding (art. 1158
Ned. B.W.; art. 887 Belg. B.W.), bij overeenkomsten
(art. 1357 en 1364 Ned. B.W., 1109 en 1116 Belg.
B.W.), bij betaling (art. 1434 Ned. B.W.), bij spel en
weddenschap (art. 1828 Ned. B.W.; art. 1967 Belg.
B.W.), bij dading (art. 1896 Ned. B.W.; art. 2053
Belg. B.W.), en in het Ned. W.v.K. bij wissel-
acceptatie (art. 119 Ned. W. v. K.). Niet slechts
door leugen en overdrijving kan men zich aan b.
schuldig maken, doch ook door zwijgen, nl. wanneer
spreken plicht was geweest, teneinde de bij de weder-
partij bestaande valsche voorstellingen op te heffen.
B. kan, behalve tot herstel in den vorigen toestand,
ook verplichten tot schadevergoeding wegens onrecht-
matige daad. Petit/V. Dievoet .
2° B e 1 g. S t r a f r e c h t. Er is b., wanneer
een persoon een ander persoon, met het inzicht, om
zichzelven of anderen een onwettig voordeel te ver-
schaffen, in dwaling brengt nopens zekere feiten.
De Belgische strafwet straft: 1° het b., gepleegd door
personen, belast met lever ingen, aannemingen of
regieën voor rekening van het leger of van het zee-
wezen, aangaande den aard, de hoedanigheid of de
hoeveelheid van de werken of den arbeid of de geleverde
zaken (art. 297 W. v. Str.) en de openbare ambtenaren
of agenten, die aan dit b. deelnemen ; 2° het b. omtrent
de identiteit, den aard of den oorsprong der verkochte
zaak (art. 498 W. v. Str.); 3° het b. omtrent de hoe-
veelheid van de verkochte zaken (art. 499, 1° W. v.
Str.); 4° het b., gepleegd door de in een overeenkomst
van huur betrokken partijen omtrent de hoeveelheid
van het geleverd werk, indien deze moet dienen om
het bedrag van het loon vast te stellen (art. 499, 2°
W. v. Str.). In het Burgerlijk Recht wordt b. meestal
> arglist geheeten. Collin.
3° In de moraal. Onder b. in algemeenen zin
valt iedere opzettelijke en kunstmatige misleiding
van den evenmensch door valsche voorspiegelingen,
gefingeerde voorwendsels, sluwe kunstgrepen, listig
ontveinzen der waarheid, enz. Het is een uitvloeisel
van een arglistig gemoed (astutia, een vorm van valsche
voorzichtigheid) en is onmiddellijk in strijd met de
waarachtigheid en den Christelijken eenvoud in handel
en wandel, en met de eerlijkheid en de goede trouw
in het verkeer aan den evenmensch verschuldigd
(cf. Ps. 5. 7; Prov. 11. 20; 12. 17; 20. 22; 1 Petr. 2. 1).
Dit geldt evenzeer van het vroom b. in den eigen-
lijken zin, dat door valsche en bedrieglijke middelen
de overwinning van het goede en den godsdienst wil
bevorderen ; voor een goed doel mogen slechts ware en
eerlijke middelen worden aangewend (Rom. 3. 8).
Niet zelden echter wordt vroom b. in een oneigenlijken
zin gebezigd voor onschuldige verschalking ten goede,
223
Bedrijf — Bedrijfsbelasting
224
waaraan iedere leugenachtigheid en dubbelhartigheid
vreemd is.
Meer bepaaldelijk vallen onder b. die vormen van
misleiding, waardoor het recht van den evenmensch
of van de gemeenschap geschonden wordt (onrecht-
matig b.); hier wordt b. een vergrijp tegen de
rechtvaardigheid, dat, voorzoover het ruilrecht wordt
geschonden, tot herstel van het aangedane onrecht en
van de daadwerkelijk toegebrachte schade verplicht.
Zoodanig b. is aanwezig, als men, door positieve mis-
leiding of door arglistig verzwijgen of ontveinzen
van wat men rechtens verplicht is te openbaren (bijv.
verborgen gebreken), den ander bij het stellen van een
rechtshandeling beïnvloedt en in zijn vrijheid van han-
delen belemmert; en verder in al die gevallen, waarin
men door welkdanig b. ook iemand in zijn rechtmatig
bezeten geestelijke, lichamelijke of uitwendige tijde-
lijke goederen of in zijn rechtelijke aanspraken daarop
schaadt. Overeenkomsten en andere rechtshandelingen,
onder invloed van dusdanig b. (dolus) tot stand ge-
komen, zijn volgens het natuurrecht vanwege de
veroorzaakte dwaling en het schenden der goede trouw
in sommige gevallen volstrekt nietig, in andere ver-
nietigbaar, in weer andere blijft de verbindende kracht
der overeenkomst onaangetast; dit hangt af van den
aard der veroorzaakte dwaling en van den invloed,
dien het b. op het aangaan der overeenkomst uitoefent;
maar in alle gevallen is de pleger van hetb. verplicht,
de daadwerkelijk toegebrachte schade te vergoeden.
Overigens behoeft het natuurrecht hier de nadere
omschrijving door het positieve kerkelijk en burg.
recht, welks normen daarom, voor zoover zij niet met
het natuurrecht in strijd zijn, ook in geweten gelden
(cf. C.I.C. can. 103—104; B.W. 1357, 1364). Het
meest voorkomende is het ge winzuchtig b.
(fraus), dat in handel en verkeer, vooral bij overeen-
komsten, en met name bij koop en verkoop, door op-
zettelijke misleiding of listig zwijgen bij het aangaan,
of door arglistig weigeren of ontduiken bij de uitvoe-
ring der verbintenis, aan het recht van de andere
partij te kort doet om zichzelf of een derde te bevoor-
deelen. Het is een zonde van onrechtvaardigheid, die
in de ongeregelde hebzucht haar wortel heeft. Met
uitbuiting van den nood van den evenmensch door
woeker vormt het de twee hoofdtypen van onrecht-
matige vervreemding van andermans goed in het vrij-
willige goederenverkeer (naast diefstal en roof, buiten
het vrijwillige verkeer om), die dan ook in de H. Schrift
(cf. Lev. 19. 11; 35 vlg.; Prov. 11. 1; 16. 11; 20. 10;
17. 6; 1 Cor. 6. 8; 1 Thess. 4. 6) en de documenten der
Kerk. Trad. (cf. X de empt. et vend. 3. 17) herhaal-
delijk worden gebrandmerkt. In zijn klaarblijkelijkste '
en meest nadeelige verschijningen wordt het ook
voor het burg. forum bestraft (W. v. Str. II, tit. 25
en 26). Speciale vormen, naast bedrog in straf-
rechtelijken zin, zijn valsche munt, valschheid in
zegels en merken, valschheid in geschriften, be-
drieglijke bankbreuk, oneer lijke concurrentie e.d.
Schoon van algemeen zedelijk standpunt veelal niet
te rechtvaardigen, mogen toch niet als eigenlijk
gezegd b., of althans niet als onrechtmatig b., worden
aangemerkt verschillende convent ioneele trucs, over-
drijvingen e.d., in handel en reclame, die, tot de
algemeene handelszeden behooren en daarom door ieder
worden doorschouwd of althans door de weder zijdsche
vrijheid daartoe zijn verrekend en zoo het karakter van
onrecht missen. Waar deze geoorloofde of niet-onrecht-
vaardige trucs eindigen en eigenlijk b. begint is dikwijls
moeilijk uit te maken; het W. v. Str. kan zeker de
norm niet zijn, daar voor het burg. forum alleen de
allerergste misdrijven kunnen worden bestraft; do
opvatting en practijk van ervaren en gewetensvolle
mannen van het vak is in den regel een veilige gids.
Overigens blijft het vooral van het standpunt der
publieke moraal van het allergrootste belang, dat alles
wat naar sluwheid en bedrog zweemt, zooveel mogelijk
uit de handelszeden worde gebannen ; het is uitermate
bedenke lijk, als door speculatie op de dwaasheid en
de grillen van het publiek, de zedelijke en rechtelijke
begrippen worden verward en verwaterd.
L i t. : St. Ambrosius, De officiis ministrorum (1. 3,
c. 9-11 ; M. P. L. 16, 163-166) ; St. Thomas Aq., Summa
tkeol. (II II, q. 55, q. 77, q. 118 a. 8) ; St. Alph. de Lig.,
Thcol. mor. lib. (III, 714, 715, 806, 808 vlg.) ; de Lugo,
De just. et jure (disp. 22, 67 vlg.) ; Banez, De jure et
just. (q. 77) ; Dict. Théol. Cath. (VI, 785 vlg. s.v. fraude);
Marres, De justitia (II 2 1888, 40 vlg., 342 vlg.); F. X.
Linsenmann, Lehrbuch der Moraltheol. (1878, 570 vlg.,
589 vlg.); Sweens, Inst. theol. de just. ( 2 1913, 459 vlg.,
520 vlg.); Duynstee, Burg. recht en zielzorg ( 3 1932,
152 vlg.). Buijs.
Bedrijf, > Bedrijfsorganisatie.
Bedrijfsbegrooting is de, in cijfers weerge-
geven, prognose van de werkzaamheid van het bedrijf
eener onderneming voor een kortere of langere, in de
toekomst gelegen periode, en de daarmede gepaard
gaande waardenverplaatsingen. Daarnaast spreekt
men ook van b. van publiekrech te lijke bedrijven, die
hun door wet of verordening wordt voorgeschreven.
Doel: 1° een program te geven, waarin de toe-
komst mogelijkheden — na onderzoek van alle het be-
drijf beïnvloedende factoren — concreet zijn vastgelegd
en dat als zoodanig dus als richtsnoer dient; 2° een
contröle-middcl (budget-contröle); 3° de samen-
stelling van een geschatte winst- en verliesrekening
en een balans voor het einde der bedrijf sper iode.
Grenzen. De b. is een schatting; geschat kan
slechts worden datgene waarvoor voldoend betrouw-
bare gegevens ter beschikking zijn, en voor een tijdvak,
dat afhangt van den aard van het bedrijf en het daarin
voortgebrachte product.
Uitgangspunt: meestal de afzet; ook de
productie-capaciteit, de financieele middelen, do
inkomsten en de uitgaven. Welk punt van uitgang zal
worden gekozen, hangt weer geheel af van den aard
van het bedrijf, de positie van de onderneming en de
gegevens, waarover kan worden beschikt. Een belang-
rijk onderdeel der b. is de kostenbegrooting.
L i t. : Mc. Kinsey, Budgetary Control (1922) ; M. Loh-
mann, Der Wirtschaftsplan des Betriebes und der Unter-
nehmung (1928). C. Janssens .
Bedrijfsbelasting. 1° N e d. Recht,
a) Tot 1914 werd in Ned. krachtens de wet van 2 Oct.
1893, Stbl. 149, een belasting op bedrijfs- en andere
niet-vermogens inkomsten geheven. De inkomst en
uit vermogen werden tot 1914 getroffen door de ver-
mogensbelasting. In 1914 is de bedrijfsbel. afgeschaft
en vervangen door de inkomstenbel. , die alle inkomsten
treft zonder onderscheid, of zij uit onderneming en
arbeid dan wel uit vermogen vloeien.
b) Afkorting voor:
Zakelijkc belasting op het bedrijf (Ned. Bel.
recht), een belasting, welke een gemeente krachtens
art. 282 gem. wet mag heffen van zoodanige onder-
nemingen en inrichtingen (ook van publiekrechtelijke
lichamen), 1° welke binnen de gem. een bedrijf uitoefe-
nen anders dan in stations en 2° waar ten minste
225
Bedrijfscontröle — Bedrijfshuishoudkunde
226
gemiddeld tien arbeiders werkzaam zijn, die minder
verdienen dan een bedrag, vast te stellen bij alg. maat-
regel van bestuur. Deze is vastgesteld bij K.B. van
12 Juli 1921, Stbl. no. 93G, waarin de loongrens is
bepaald op een jaarloon van 2 500, 2 300 en 2 000 gld.,
resp. voor de drie klassen van de gemeenten, genoemd
in bijl. D van het Bezoldigingsbesl. voor Burgerlijke
Bijksambtenaren 1920, Stbl. no. 37. Maatstaf voor de
heffing van deze bel. is het gemiddeld aantal van zoo-
danige arbeiders. Zij wordt verder geregeld bij gem.
verordening, doch mag nooit meer bedragen dan
12 gld. per arbeider. Over 1931 werd zij in 90 gemeen-
ten geheven; haar opbrengst bedroeg in totaal
2 270 000 gld. Smeets.
2° B e 1 g. Recht. De b. wordt geheven op de
inkomsten, voortgebracht door de uitoefening van
hetzij welk beroep of bedrijf. Behoort tot de groep der
rechtstreeksche (indirecte) belastingen en vormt een
der inkomstenbelastingen. De b. vervangt het vroe-
gere patentrecht.
Grondslag is het netto inkomen, voortge-
bracht door de uitoefening van hetzij welk beroep of
bedrijf, en namelijk op:
a) de winsten van de nijverheids-, handels- of
landbouwbedrijven; b) de bezoldigingen, toegekend
aan derden, niet verbonden door een contract van
aanneming; c) de bezoldigingen van beheerders,
commissarissen of vereffenaars van vennootschappen
op aandeelen; d) de baten van vrije beroepen, ambten
of posten. Zekere minima, die veranderen naar gelang
van het aantal inwoners der gemeenten en naar gelang
van de gezinslasten van den belastingschuldige, worden
van de belasting forfaitair vrijgesteld.
Bedrag. Het tarief verandert naargelang het
inkomen (progressieve belasting), de gemeente door
den belastingschuldige bewoond, en diens gezins-
lasten. De barema’s of schalen, uitgewerkt per klasse
van gemeenten, zijn vastgesteld door Kon. Besluit.
W i j z e van inning. De belastingschuldige
moet ieder jaar een aangifte doen. De personen,
die een nijverheids-, handels- of landbouwbedrijf of
een vrij beroep uitoefenen, betalen rechtstreeks in
handen van den ontvanger op voet van den aanslag,
volgens hun aangifte opgemaakt, zoo deze recht-
zinnig wordt bevonden. De bedrijfsbelasting, verschul-
digd door personen, die in dienst van anderen staan,
wordt in beginsel afgehouden aan de bron, en door
den werkgever ter ontlasting van den belasting-
schuldige aan den ontvanger overgemaakt.
L i t. : prof. G. Béatse, Impöts sur les revenus (1925) ;
Fr. Requette, Traité des impóts sur les revenus (1928) ;
Art. Claes en Ed. Gilet, Les Impots directs (1930) ;
Ch. Smeth en J. Carmois, Dictionnaire Fiseal (1929),
aangevuld door Supplément (1931). De Weerdt/Rondou.
Bedrijfsconlróie (landbouw), > Landbouw.
Bedrijf scrediet ontvangt een onderneming
ter voorziening in haar behoefte aan meerder los werk-
kapitaal, indien zij reeds over het noodzakelijke
anlagecrediet beschikt. B. geniet de onderneming
dus ter financiering van die vermogensbestanddeelen,
welke, zonder dat het bestaan der onderneming zelve
wordt aangetast, kunnen worden geliquideerd, zooals
daar zijn de vrij verkoopbare voorraden en de gemakke-
kijker inbare vorderingen. Veelal zal het b. worden
verkregen bij een bank (in reken ing-courant, door
verdisconteering of anderszins) of in den vorm van
leverancierscrediet. > Landbouw. Huysmans.
Bcdrijfsdemocratie, > Bedrijfsorganisatie.
Bedrijf sd rukte is een graad van productieve
benutting van de in het bedrijf beschikbare capaciteit.
Zij kan bepaald worden zoowel voor het bedrijf in zijn
geheel als voor zijn onderdeden. Haar uitdrukkings-
vormen zijn: eenheden voortgebracht product, een-
heden van dienstprestaties, uren nuttige aanwending,
verbruik aan grondstoffen of uitbetaalde loonen.
Van beteckenis als factor in de kostprijsberekening.
Het is voor een doelmatige verkoops- en prijspolitiek
van belang te weten, hoe de verschillende kosten op-
en afgaan met een wisselende b.; te kennen hun mate
van afhankelijkheid van die b. Bij de berekening van
den normaalkostprijs gaat men uit van een normale b.,
d.i. een voor een bepaalden bedrijfstak gemiddeld
bereikbare b. Deze prijs is van belang voor de verge-
lijking van eigen kosten met kosten van andere bedrij-
ven. Verder speelt de b. een rol in de zgn. rentabili-
teitsberekeningen bij de oprichting van nieuwe
ondernemingen, de wijziging in bestaande voortbren-
gingsmethoden en het ter hand nemen van de fabricage
van nieuwe producten. Meer in het algemeen wordt
de belangrijkheid van den factor b. bepaald door:
de kapitaal-intensiviteit van het bedrijf, d.w.z. door
de meerdere of mindere mate. waarin gelden zijn vast-
gelegd in machines, installaties, gebouwen en andere
langduriger gebruikte hulpmiddelen; den aard van het
bedrijf en het daarin bestaande directe of meer indi-
recte verband tusschen kosten- en prestatie-eenheden.
L i t. : Simon-Saarloo8, Kostprijsberekening en Ad-
ministratieve Fabrieksorganisatie ( 3 1920) ; H. Peiser,
Der Einflusz des Beschaftigungsgraden auf die indu-
strielle Kostenentwicklung (1924); Müllor-Bernhardt,
Industrielle Selbstkosten bei schwankendem Beschafti-
gungsgrade (1925) ; J. M. Clark, Studies in the Econo-
mics of Overhead Costs ( 2 1926) ; Schmalenbach, Grund-
lagcn der Selbstkostenberechnung und Preispolitik
( 5 1930). C. Janssens.
Bedrijfseconomie, > Bedrijfshuishoudkunde.
Bedrijfshuishoudkunde, ook genoemd
bedrijfsleer of bedrijfseconomie, is geen zelfstandige
wetenschap, doch een onderdeel van de economie.
Evenals de economie zoowel theoretische als practi-
sche wetenschap is, draagt ook de b. dit gemengd of
dubbel karakter. Terwijl de economie zich bezig houdt
met de individueele en maatschappelijke verschijnselen
onder het opzicht van het economisch-rationeele
welvaartsstreven van de maatschappij, beziet de b.
meer in het bijzonder de handelingen, die binnen het
bedrijf en de onderneming geschieden en wel onder het
opzicht van het rationeele streven naar het onder-
riem ingsdoel, d.i. de welvaart van de onderneming
en de tot deze organisatie behoorende groepen van
personen, welke welvaart gewoonlijk gemeten wordt
met den niet gelukkigen maatstaf van de kapitaal-
winst. Kort samengevat zou men kunnen zeggen,
dat de economie vooral het economisch organisme
der maatschappij als geheel en den ouderlingen
samenhang der organen beschouwt en dat de b. de
cellen van dit organisme in haar samenstelling en
levensuitingen bestudeert. De overtuiging, dat het
economisch organisme niet volledig kan worden ver-
staan en nog minder kan worden geleid, wanneer ook
niet het innerlijke leven der ondernemingen en even-
tueel andere bedrijfsvormen behoorlijk gekend is,
heeft geleid tot opbloei van de wetenschappelijke
beoefening der b., welke systematisch pas ter hand
is genomen tegen het einde der 19e eeuw. In Nederland
heeft de b. voor het eerst een plaats in het hooger
onderwijs gekregen aan de Technische Hoogeschool
IV. 8
I
227
Bedrijfshygiëne— Bedrijfsleiding
228
te Delft, waar prof. dr. J. G. Ch. Volmer in 1909 als
buitengewoon hoogleeraar optrad. Sinds de oprichting
der Ned. Handelshoogeschool te Rotterdam in 1913
staat de b. aldaar, evenais in Amsterdam (handels-
faculteit 1922) en in Tilburg (R.K. Handelshooge-
school, Hoogeschool voor Economische en Sociale
Wetenschappen, 19271 met de economie in het middel-
punt der studie. Doch ook vóór deze systematische
beoefening hadden sommige economie-beoefenaars
aan de eene zijde en mannen van de practijk en de
met hen nauw in contact staande beoefenaars van de
accountancy en het boekhouden, aan den anderen kant,
zich met speciale vraagstukken bezig gehouden. Bij
de keuze dier vraagstukken stond met name bij de
laatste groep van beoefenaars het practische doel voor-
op, om in de gegeven omstandigheden zich voordoende
bedrijfsprob lemen op te lossen. Studiën op het gebied
van het bedrijfsbeheer, de balansleer, kostprijsvraag-
stukken en financiering zagen het licht. De groeiende
beteekenis van de moderne groote ondernemingen
en het inzicht in de essentieele belangrijkheid van deze
voor de algemeene welvaart, heeft echter in de latere
jaren de belangstelling geprikkeld der economisten,
die inzien, dat zonder een diepgaande kennis van de
ondememingsproblemen een vruchtdragende beoefe-
ning der economie niet meer mogelijk is. Zonder deze
kennis van het steeds ingewikkelder wordend onder -
nemingsleven ontbreekt echter aan de economische
en aan de sociale politiek de zoo noodzakelijke reëele
basis. Juist nu de overtuiging steeds meer doordringt,
dat het vrije en ongebonden nastreven van de grootst
mogelijke rentabiliteit in de onderneming de juiste
economische orde niet brengen kan, en dus gezocht
moet worden naar een ander concreet ordenend begin-
sel, is het objectieve kennen van het ondernemings-
leven een punt van essentieel belang. Practische,
uitvoerbare en met de ethische nonnen overeen-
stemmende richtlijnen kunnen niet worden opgesteld
zonder deze kennis. De onderwerpen, die de b. behan-
delt, kunnen in enkele groepen worden ingedeeld:
1° de externe en interne organisatie van het bedrijf
en de onderneming (bijv. de ondernemingsvormen,
de ondernemingsconcentraties, de vestigingsplaats,
organisatie van den arbeid, de leiding, de toonstelsels);
2° de financiering; 3° de kostprijs; 4° de balansleer en
de waardeering; 5° de winst en de winstverdeeling.
De jeugd van dezen tak van wetenschap brengt mee,
dat een algemeen samenvattend leerboek, dat als
standaardwerk kan gelden, niet bestaat, alhoewel
meer of minder gelukte pogingen in die richting zoowel
in het buitenland als in Nederland niet ontbreken.
De publicaties betreffen in hoofdzaak monographieën,
die een of ander onderdeel der b. vaak zeer uitvoerig
en diepgaand behandelen.
Li t. : prof. dr. M. J. H. Cobbenhagen, De Bedrijf 8-
huishoudkunde als wetenschappelijk studievak ; haar
object en grondbegrippen (overdruk uit het Maandblad
voor het Boekhouden, 1932); prof. dr. ir. J. Goudriaan Jr.,
Bedrijfsleer als theoretische en als toegepaste weten-
schap (1926) ; dr. C. Huysman, Leerboek der bedrijfs-
huishoudkunde (1930) ; prof. dr. M. J. H. Cobbenhagen,
De Verantwoordelijkheid in de onderneming (1927);
Semaines Sociales de France, Les nouvelles conditions
de la vie industrielle (1929) ; Semaines Sociales de
France, La Morale Chrétienne et les affaires (1931);
J. G. de Jongh, dr. J. G. Ch. Volmer, Th. Limperg Jr.,
dr. W. J. Polak, dr. M. J. H. Cobbenhagen en dr. ir. J.
Goudriaan Jr., Bedrijfseconomische Studiën (1932).
Cobbenhagen.
Bedrijfshygiëne omvat behalve de > beroeps-
hygiëne, die in hoofdzaak de gezondheid van het
personeel behartigt., ook de bescherming tegen schade
en hinder aan omwonenden en omgeving toegebnicht
door de aanwezigheid van onhygiënische bedrijven,
waarvoor dan vooral fabrieken en werkplaatsen in
aanmerking komen.
Brand- en explosiegevaar (kruitmagazijn), hinder
voor gezonden en zieken door geraasmakende werk-
zaamheden, rook en roet van schoorsteenen, stank van
vetsmelterijen enz., die sluiten van ramen en vensters
noodig maken, vervuiling van bodem en water door
afvalproducten (wasscherijen, beender- en lijm-
fabrieken enz.) zijn even zoovele schadelijkheden,
die hinder voor gezondheid en rust der omwoners
opleveren of nadeelig zijn voor de gemeenschap.
De Ned. > hinderwet (in België de „Wet op
de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen”)
voorziet zooveel mogelijk in deze bezwaren: luid
geraas kan door geluiddempende muren, roet en
rook door liooge schoorsteenen, onvolledige ver-
branding door betere roosters, waterverontreiniging
door zuivering van afvalwater voorkomen worden,
en de hinderwet geeft in vele gevallen de be-
voegdheid daartoe maatregelen te nemen; terwijl
ook de gemeentewet toelaat verordeningen betreffende
de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid te maken
(politieverordening en bouwverordening) en te doen
na leven. Droog .
Bedrijfskapitaal is het geheel van middelen,
dat noodig is om een bepaalde onderneming te finan-
cieren. Men onderscheidt b. in eigen kapitaal en vreemd
kapitaal, naargelang het zgn. uit eigen middelen is
verkregen, dan wel ter leen is genomen.
Bedrijfskosten van een bemalings inrichting zijn
de kosten, welke bijv. op de installatie drukken, zuiver
als gevolg van de exploitatie daarvan, dus zonder
berekening van rente en afschrijving. Daarin zijn dus
begrepen de kosten van toezicht, bediening, verbruikte
materialen, brandstoffen (resp. kolen, benzine, ruw-
olie, electriciteit), reparatie en onderhoud. Een zoo
nauwkeurig mogelijke begroot ing der b. is voor de
berekening van de rentabiliteit van een onderneming
een eerste vereischte. Ook > Kostprijs.
P . Bongaerts.
Bedrijfsleer, Bedrijf shuishoudkunde.
Bedrijfsleiding. De grondleggers van de weten-
schappelijke b. zijn geweest F. W. Taylor (f 1916)
en H. Fayol (f 1926). Zij onderzochten de voorwaarden,
die zoowel den leidenden als den uitvoerenden arbeid
in het bedrijf beheerschen en bouwden op grond daarvan
een organisatiesysteem op, waardoor de hoogste
effectiviteit in het bedrijf kon worden bereikt. Taylor
ging daarbij uit van den uitvoerenden arbeid en bouwde
van die zijde uit zijn systeem op, Fayol begon met den
leidenden arbeid. Do groote fout van Taylor (Taylor-
stelsel) is geweest, dat hij met den mensch als mensch
te weinig rekening hield. Fayol vermeed in zijn stelsel
(Fayolisme) deze fout. Organisatievormen der leiding,
die vnl. in deze stelsels hun oorsprong vinden, zijn:
1° functioneel beheer; de leidende arbeid wordt ver-
deeld volgens functies; één man neemt een functie
waar in alle of meerdere afdeelingen;
2° militaire organisatie; het geheele beheer is een
hiërarchie, waarbij elke opvolgende instantie onder-
geschikt is aan de voorafgaande; ieder is verantwoor-
delijk voor zijn afdeel ing; één man neemt dus alle
functies waar in één afdeeling;
229
Bedrijfsorganisatie
230
3° de Line and Staff organisatie; de zorg voor de
uitvoering van den arbeid wordt gescheiden van de
voorbereiding van den arbeid, de planning. Het eerste
deel omvat de line, het tweede deel de staff. Het
systeem bestaat in werkelijkheid meestal uit een
combinatie van 1 en 2.
L i t. : H. Fayol, Administration Industrielle et
Générale (1920); F. W. Taylor, Principles of Scientific
Management (1923) ; O. Sheldon, The Philosophy of
Management (1930). C. Janssens .
Bedrijfsorganisatie. Geschiedkundige ont-
wikkeling. Toen de door het economisch liberalisme
sinds Let einde der 18e en het begin der 19e eeuw
gepredikte algemeene welvaart, als gevolg van vol-
komen doorvoering van individualisme, vrijheid en
internationalisme, vooral voor de arbeiders uitbleef,
werd langs twee wegen beproefd verbetering te brengen
in het economisch lot der arbeidersklasse: de sociale
wetgeving en de vorming van vakvereenigingen. Deze
vakverenigingen waren strijdvereenigingen, die door
de inschakeling van macht beproefden, het economisch
resultaat van het productieproces — dit in den ruini-
sten zin genomen — voor de arbeiders te verbeteren.
Geheel onafhankelijk van deze strijdvereenigingen der
arbeiders kwam er sinds de zeventiger jaren der vorige
eeuw, toen, naar algemeene erkenning, het hoog-
kapitalisme zijn intrede in het economisch leven deed,
aaneensluiting tusschen de ondernemingen van hetzelf-
de bedrijf. De trusts en kartels en vele andere vormen
van aaneensluiting beginnen te ontstaan. Geleidelijk
nu wordt een deel van die vereenigingen van onder-
nemers-kapitalisten vakvereenigingen en als zoodanig
strijdvereenigingen der werkgevers tegenover de
strijdvereenigingen der arbeiders in hetzelfde complex
van ondernemingen, het bedrijf. Zetten de arbeiders
met hun vakvereenigingen een werkstaking door,
de werkgevers beginnen antwoord te geven met hun
vereen iging en kondigen een uitsluiting af. In vele
gebieden wordt het een wedstrijd, welke partij met haar
strijdmiddel, staking of uitsluiting, zal beginnen.
Een groot deel van het bedrijfsleven verkeert nog
in dezen toestand. Telkens opnieuw breekt de strijd
uit en het perspectief van een anderen toestand is
nauwelijks te zien. In een ander deel van het bedrijfs-
leven echter hebben de vakvereenigingen van beide
partijen hun toevlucht genomen tot > collectieve
arbeidsovereenkomsten, als vredcstractaten, die voor
één of enkele jaren de minimumvoorwaarden vast-
stellen, waarop de arbeiders in dienst kunnen worden
genomen. Ook als vredesovereenkomst in het bedrijfs-
leven is de collectieve arbeidsovereenkomst ten zeerste
overschat. Van den kant der werkgevers beoogde men
dikwijls niets anders dan het bevorderen van zekere
rust en regelmatigheid in de ondernemingen, soms
zelfs het voorbereiden van strijd op het meest geschikte
tijdstip. Bij de arbeiders was de collectieve arbeids-
overeenkomst dikwijls een onderdeel van hun strijd-
politiek.
Het gewone type collectief arbeidscontract opent
geen perspectief. Het loonvraagstuk, het vraagstuk
der werkgelegenheid, worden geen stap verder gebracht
met het sluiten van deze overeenkomst. De arbeiders -
leiders, die hun handteekening hebben gezet, zijn nog
even wijs omtrent de economische mogelijkheden van
het bedrijf. De leiders der ondernemingen zijn evenmin
iets wijzer geworden. Zij moeten maar zien, of zij de
verhoogde kosten der arbeidsvoorwaarden in den prijs
terugvinden.
Economische bedrijfsorganisatie. Vakvereeniging
en collectieve arbeidsovereenkomst hebben sinds 1913
in het Ned. > boekdrukkersbedrijf een
heel bijzondere economische beteekenis gekregen.
Omstreeks 1910 was dit bedrijf er een, welks onder-
nemingen als zoodanig in een deerniswaard igen econo-
mischen toestand verkeerden. Dit was uitsluitend te
wijten aan de ongebreidelde vrije concurrentie. Als
gevolg daarvan voortdurend loonconflicten en toch in
verhouding tot bedrijven met ongeschoolde krachten
veel te lage loonen; in verhouding tot den om vang
van de ondernemingen en de gevraagde werkzaamheid
zeer lage belooningen voor de leiders der onder-
nemingen; zeer dikwijls volstrekt geen winst; talrijke
faillissementen.
In 1910 nu heeft men in dit bedrijf naar het middel
van de vakvereeniging gegrepen, ten einde in den
economischen toestand der ondernemingen een gron-
dige verandering teweeg te brengen. Dit verschijnsel
op zichzelf vertoont geen principieel verschil met de
kartelvorming, maar zeer spoedig werd aan het middel
der vakvereeniging in het plan der economische leiding
der werkgevers dit andere groote middel verbonden:
de arbeiders bondgenooten in de bedrijfspolitiek door
een collectief arbeidscontract met verplicht
lidmaatschap.
Het eerste collectief contract, 1914-H6, luidde een
geheel nieuw economisch stelsel, dat der economische
bedrijfsorganisatie, in. Prijspolitiek en andere bedrijfs-
politiek werd voor de gezamenlijke ondernemingen
mogclijk. Immers handhaving daarvan kon door het
verplichte lidmaatschap, later ook door contracten
met de bonden der leveranciers (papierhandelaren,
lettergieterijen, handelaren in graphische artikelen),
worden afgedwongen. Een geheel systeem van regelen
werd — volmaakter nog sinds het collectief arbeids-
contract 1917- ’19 — ingevoerd. Rechtspraak over
arbeids- en prijsgeschillen; tariefcommissies; syste-
matische bestrijding van drukkerijen in huurkoop, enz.
Kortom, het boekdrukkersbedrijf werd een economisch
geheel van werkgevers en werknemers, weldra de
honderd procent van beide groepen omvattende,
waarin steeds meer op de basis der redelijkheid, binnen
de grenzen van het economisch mogelijke, aan werk-
gevers en werknemers een bestaan werd verzekerd.
Niet lang heeft dit stelsel der economische bedrijfs-
organisatie ongeschonden stand gehouden. Daarvoor
zijn tal van redenen aan te wijzen. Tal van andere
bedrijven, voor welke deze opbouw even dringend en
noodzakelijk was, bleven afzijdig, terwijl in het boek-
drukkersbedrijf een vastberaden en deskundige econo-
mische leiding weldra kwam te ontbreken. Het
economisch liberalisme bleek nog zeer machtig in de
publieke opinie. De leiding in het boekdrukkersbedrijf
zelf deinsde daarvoor terug. Een matelooze, verre van
objectieve critiek barstte los, terwijl de regeering,
die behalve voor uitbouw ook voor afweer van niet
denkbeeldige gevaren had zorg te dragen, geheel in
haar taak te kort schoot.
Bedrijf. Met dat al was het begrip bedrijf, zoowel in
de practijk van het economisch leven, als in de econo-
mische wetenschap doorgedrongen. Onder bedrijf
werd van nu af verstaan: het geheel van ondernemingen
in denzelfden tak van productie of distributie. Of ook:
het geheel van ondernemingen in denzelfden tak van
handel, transport, nijverheid of landbouw. De begrip-
pen onderneming en bedrijf werden voortaan scherp
uiteengehouden. Onderneming werd het zelfstandig
231
Bedrijfsorganisatie
232
onderdeel van kapitaal en arbeid, dat, met andere min
of meer gelijkwaardige onderdeelen, het bedrijf
opbouwt. Daarmede werd ook bereikt, dat door over-
heid en particulier initiatief het bedrijf als een eenheid
op velerlei gebied — sociaal, economisch, juridisch —
werd gezien, wat in de naaste toekomst tot zeer belang-
rijke gevolgen moet leiden.
Bedrijfsradenstelsel. Op het einde van den oorlogstijd
was de vakbeweging der arbeiders in Ned. tot groote
macht gekomen. Waar de arbeiders streden om ver-
meerdering van het geldloon, daar wonnen zij ook.
Voor veel arbeidersgroepen was de verhooging van het
geldloon meer dan een schijnsucces; in sommige
bedrijven stegen de loonen zóó hoog, dat de arbeiders-
gezinnen de beschikking kregen over goederen en
diensten, waaraan zij in den tijd vóór den oorlog niet
hadden kunnen denken.
Het jaar 1919 is het jaar van de talrijke arbeids-
conflicten, die bijna alle met groot succes voor de
arbeiders eindigden. Geen wonder dan ook, dat de
stemming onder de Ned. arbeidersbevolking een zeer
opgewekte was en dat men gaarne het oog richtte naar
een toekomst, die den handenarbeid een beter lot
beloofde.
Over de Oostgrenzen lrwam het tooverwoord „socia-
lisatie”. Daarmee kwam echter geenszins een klaar
begrip van wat er in afzienbare toekomst ten bate van
de arbeidersmassa kon gebeuren. Maar zooveel was
zeker, dat de socialisatieleuze beteekende: afschaffing
van het privaat bezit der productiemiddelen, afschaf-
fing van het particulier ondememers-initiatief. Voor
hem, die de oplossing zocht in een samengaan van
ondernemers-kapitalisten en arbeiders bedrijf sgewij ze
en de vele goederen, door de economische organisatie
van het boekdrukkersbedrijf in het bijzonder voor de
arbeiders verkregen, beschikbaar wilde gaan stellen
voor alle arbeiders, was het dus betrekkelijk spoedig
beslist, dat hij aanvankelijk althans van de socialis-
tische arbeiders niets had te verdachten. Daarmee
was eigenlijk vanzelf aangewezen, dat een eerste
poging moest worden gedaan bij de Christelijke vak-
beweging, die altijd openlijk den grondslag der soli-
dariteit had erkend. En toen om tot dusver onverklaar-
de redenen de Prot.-Chr. vakbeweging zich afzijdig
hield, bleef de destijds reeds zeer sterke Kath. vakbewe-
ging over, om het initiatief te nemen tot ingrijpende
verandering in de sociaal-economische verhoudingen
in het bedrijfsleven.
De belangrijkste en meest practische hervorming,
die moest worden ingevoerd, was het overbrengen
van de rechtspositie der arbeiders in het boekdrukkers-
bedrijf naar het geheele verdere bedrijfsleven. Men be-
sloot tot de uitvaardiging van een Paaschmanifest,
waarvan dit het belangrijkste onderdeel zou zijn.
De vertegenwoordigers der Kath. grootwerkgevers
wilden hieraan echter slechts medewerken, indien de
uitspraak over de wenschelijkheid en mogelijkheid
van deze hervormingen aan een congres werd over-
gedragen. Daartoe werd dan ook besloten. Het Be-
drijfsradcncongres der R. K. Vakbeweging werd in
Juli 1919 te Den Haag gehouden. Driehonderd afge-
vaardigden, honderd vijf tig van werkgevers- en werk-
nemerszijde ieder, samengebracht in snel gevormde
bedrijfsraden, namen actief deel aan dit luisterrijk
congres. Er moest echter, naar de meening van den
initiatiefnemer, verder worden gegaan ten aan zien
van de rechtspositie der arbeiders. Naast de indivi-
dueele rechtsgoederen — beschermde plaats in de
onderneming der dagelijksche werkzaamheid, geldige
reden bij ontslag — naast de arbeidsrechtspraak
door colleges van werkgevers en arbeiders, moest er
komen: medezeggenschap in de bedrijfspolitiek. Het
beginsel der medezeggenschap van de collectiviteit
der arbeiders deed zijn intrede in het Ned. bedrijfsleven.
Door de heftige bestrijding, die de vertegen-
woordigers der grootwerkgevers ten beste gaven, kon
de in het Paaschmanifest geformuleerde conclusie
nog niet anders luiden dan aldus: „De organisaties der
werknemers werden door de organisaties der werk-
gevers geraadpleegd, ten aanzien van de prijsregelingen
en de overige bedrijfspolitiek in verband met de
arbeidsvoorwaarden” .
Een derde gedeelte uit het Paaschmanifest verdient
w’el zeer bijzondere aandacht. De laatste conclusie van
het Paaschmanifest luidde als volgt: „De R.K. Cen-
trale Raad van Bedrijven — dit w r as het lichaam, dat
in 1919 door de R.K. Vakbeweging in het leven werd
geroepen — tracht ten spoedigste tc komen tot de
publiekrechtelijke organisatie van het bedrijfsleven
in Nederland. Zij tracht de bedrijven te maken tot
organen van den Ned. staat, die grondw’etteiijk en
door een Bedrijvenw^et (weldra Bed rijf sradenw r et)
de bevoegdheden erlangen tot het vervaardigen van
bedrijfs- en arbeidsregelingen en tot het uitoefenen
van bedrijfs- en arbeidsrechtspraak.”
Toen w r eldra weinig of niets meer van het bedrijfs-
radenstelsel en den R. K. Centralen Raad van Bedrij-
ven over was — de grootwerkgevers verlamden bij het
begin der economische crisis 1920- ’23 alle activiteit
— w'as deze conclusie de meest blijvende winst. De
gedachte der publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
had haar intrede gedaan in practijk en wetenschap.
Zij raakte niet meer weg uit de openbare belangstelling
en luidde een der grootste hervormingsstelsels van het
economisch leven in.
Bedrijfsorganisatie in den Ffoogen Raad van Arbeid.
De ontwikkeling tot economische bedrijfsorganisatie
en tot het bedrijfsradenstelsel kon niet ontgaan aan
den minister van Arbeid, mr. P. J. M. Aalberse, die in
1918 als zoodanig was opgetreden. Hij legde aan den
door hem ingestelden Iloogen Raad van Arbeid een
aantal vraagpunten over dit onderwerp voor, die in
de Commissie XII van den Raad, onder leiding
van dr. W. H. Nolens, allereerst werden behandeld.
Twee jaren werden door deze commissie aan haar
arbeid besteed en het resultaat ervan werd neergelegd
in een prae-advies.
Drie standpunten traden vooral op den voorgrond. Dat
van de liberaal-economische werkgevers, die den
staat geheel buiten dit complex van vraagstukken
wilden houden; dat van de voorstanders van een
wettelijke regeling tot publiekrechtelijke bedrijfs-
organisatie; en eindelijk van een groep, die zich aan-
sloot bij een in 1911 reeds vaag ontwikkeld denkbeeld
(door de commissie ingcsteld door de „Vereen iging
van voorzitters en secretarissen van Kamers van Arbeid
in Ned.”) van de verbindendverklaring van collectieve
arbeidsovereenkomsten (> Bindendverklaring, -> Col-
lectieve arbeidsovereenkomst). Bij het voorstel voor
een wettelijke regeling tot publiekrechtelijke bedrijfs-
organisatie was als bijlage gevoegd de Proeve van Wet
(gepubliceerd in prof. dr. J. A. Veraart, Beginselen
der Economische Bedrijfsorganisatie, 1921).
De behandeling van het prae-advies in de plenaire
zitting van den Iloogen Raad van Arbeid bracht de
groote verrassing, dat een tusschenvoorstel of beter nog
233
Bedrijfsorganisatie
234
een grootste-gemeene-deeler-voorstel van de voor-
stellen tot publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en
tot verbindend-verklaring van collectieve arbeids-
overeenkomsten met groote meerderheid (20 — 7
stemmen) aan den minister werd geadviseerd. Dit voor-
stel luidde aldus: Afgezien van de problemen tot
verbindendverklaring van de collectieve arbeidsover-
eenkomsten en van de publiekrechtelijke bedrijfs-
organisatie in den zin van bijlage 3 (de reeds genoemde
Proeve van Wet) van het prae-advies van Commissie
XII, spreekt een groote meerderheid in den Raad
(20 — 7 ) als haar meening uit, dat in ieder geval de
overheid thans geroepen is tot het nemen van een
aantal maatregelen, die bevorderlijk kunnen zijn voor
den vrede in het bedrijfsleven en kunnen dienen om de
zoo gewenschte decentralisatie bij opbouw en uitvoe-
ring der sociale wetgeving te verkrijgen. Deze meerder-
heid meent, dat de volgende maatregelen thans bij
de wet zouden kunnen worden voorbereid:
1° Een aantal ondernemingen, behoorende tot die
takken van handel, nijverheid, transport, landbouw,
w T aar reeds geruimen tijd sprake is van regelmatig
overleg tusschen de organisaties van werkgevers en
werknemers, kunnen in publiekrech telijke lichamen,
zoogenaamde bedrijven, worden georganiseerd.
2° ln elk dezer bedrijven komt tot stand een bedrijfs-
raad, samengesteld uit een even groot aantal werk-
gevers- en W'erknemersafgevaardigden, gekozen op den
grondslag van evenredig kiesrecht door de vakvereni-
gingen, voorzoover die werkgevers en werknemers
van het bedrijf omvatten, en verder uit door den minis-
ter van Arbeid, Handel en Nijverheid te benoemen
personen als vertegenwoordigers van het algemeen
belang, onder wie de voorzitter van den bedrijfsraad.
3° De bedrijfsraad krijgt tot taak: a) de vakvereni-
gingen in het bedrijf te adviseeren over te sluiten
collectieve arbeidsovereenkomsten; b) mee te werken
aan de uitvoering van de sociale wetgeving, in zoover
de verschillende sociale w r etten die medewerking vast-
stellen; c) den minister van Arbeid, H. en N. en de
vakverenigingen van het bedrijf te adviseeren over
sociale en economische toestanden van het bedrijf,
en in aansluiting hiermede het in overweging geven
van maatregelen, hetzij door den wetgever, hetzij door
de regeering, hetzij door den bedrijfsraad te nemen.
4° Komt een wettelijke regeling omtrent het stellen
van algemeen bindende regels voor werkgevers en
arbeiders ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
in een bepaald bedrijf tot stand, dan zal de be-
drijfsraad : a) den minister hebben te adviseeren
omtrent het stellen van zoodanige algemeen bindende
regels ten aanzien van dat bedrijf; b) met recht-
spraak moeten werden belast omtrent de uitvoering
van zoodanige algemeen bindende regels.
Van deze of een andere regeling kwam echter niets.
De minister legde het advies van 1923 eenvoudig naast
zich neer. De zaak kwem weer voor het eerst aan de
orde, toen minister Verschuur kort na zijn optreden
in 1929 zijn ontwierp Bedrijf sraden wet bij den Hoogen
Raad van Arbeid aanhangig maakte. Deze heeft
echter met Bedrijfsorganisatie w r cinig of niets te maken
(> Bedrijfsradenwet).
Publiekrechtclijke bedrijfsorganisatie. De zaak
der publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie blijft als
voornaamste resultaat van de hier geschetste ontwikke-
ling als sociaal-economisch systeem van de toekomst,
aanhangig. De uit het oogpunt van menschenwaarde
en redelijke voorziening in redelijke behoeften vol-
komen onhoudbare kapitalistische organisatie van het
economisch leven roept om deze hervorming. Zij bergt
in zich de rechtspositie der arbeiders individueel en
als collectiviteit (> Medezeggenschap). Zoo bevordert
zij een gezonde bedrijfsdemocratie. Zij houdt in een
organisatie van de productie, die o.a. het crisisver-
schijnsel en de daarmee samenhangende werkloosheid
bestrijdt. Zij beteekent een arbeidsloon en voorzie-
ningen in tijden van nood, die de menschenwaarde
der arbeiders recht doen. Zij beteekent belemmering
van overmatige ondernemerswinst en kapitaalrente.
Zij decentraliseert de sociale wetgeving en past die
aan aan de behoeften van bepaalde groepen. Zij voert
de bestaande en te behouden sociale wetgeving in het
bedrijfsleven zelf uit. Zij grijpt heen over de grenzen
van de landen en verbindt uiteindelijk de bedrijven
van de geheele wereld tot verspreiding der juiste
rechtsbeginselen en tot ordening van een redelijke
productie. Kortom, zij vervult de redelijke idealen voor
het sociaal-economische en vele juridische vormen
van de geheele menschenmaatschappij.
L i t. : prof. dr. J. A. Veraart, Vraagstukken der
Economische Bedrijfsorganisatie (1917) ; mr. L. G.
Kortenhorst en mr. J. A. Veraart, Praeadviezen over de
collectieve arbeidsovereenkomst (1919) ; prof. dr. J. A.
Veraart, Beginselen der Economische Bedrijfsorgani-
satie (1921) ; prof. dr. H. W. C. Bordewijk, dr. J. van den
Tempel en prof. dr. J. A. Veraart, Is publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie wenschelijk ? Zoo ja, in welken vorm ?
(1921) ; jhr. G. W. van der Does, Ontwikkeling van de
Bedrijfsorganisatie in de Typografie ; F. M. Wibaut,
Economische Bedrijfsorganisatie ; prof. dr. H. W. C.
Bordewijk, Het tegenwoordige stadium der Economische
Bedrijfsorganisatie (1923) ; dr. R. E. Smits, Beschou-
wingen over economische bedrijfsorganisatie in hare
beteekenis voor de maatschappelijke welvaart (1924) ;
prof. dr. J. A. Veraart, Medezeggenschap en Bedrijfs-
organisatie (1931). Veraart.
In België.
Hier ontbreekt nog de basis, waarop een systeem
van publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie zou kunnen
opgebouwd worden, nl. een wet op de > Collectieve
Arbeidsovereenkomst. Toch bestaat hier en daar een
begin van collectieve bedrijfsregeling, hoewel nog in
zeer bescheiden mate: in 1930 (meer recente cijfers
waren niet te achterhalen) waren te zamen 329 000
industrie-arbeiders bij gemeenschappelijke overeen-
komsten betrokken. Overigens, de Belgische vakver-
eenigingen ontberen een wettelijk statuut en bezitten
geen rechtspersoonlijkheid. Wel is er een wet op de
> Beroepsverenigingen van 31 Maart 1898, doch er
zijn zeer weinig vakverenigingen, die zich aan de door
die wet gestelde voorwaarden onderwerpen.
Hoewel dus de grondslag, de C.A.O., ontbreekt voor
het instellen van een publiekrechtelijke bedrijfs-
organisatie, toch werd het vraagstuk aan Katholieke
zijde niet uit het oog verloren. De theoreticus, die de
kwestie grondig uiteenzette, is de Leuvensche prof.
M. Defoumy, met zijn werk: Vers la réorganisation
corporative. Verder hebben de Sociale Weken, te
Leuven in 1932 en 1933 door het Alg. Secretariaat
der Kath. Sociale Werken ingericht, daaraan lessen
gewijd. De Kath. werkgevers, gegroepeerd in het Alg.
Christelijk Verbond van Werkgevers, hebben eveneens
op hun eerste congres, gehouden te Kortrijk in Sept.
1933, het vraagstuk besproken. Sommige Kath. werk-
gevers hebben spontaan in hun onderneming een zekere
bedrijfsorganisatie verwezenlijkt ten voordeele van
hun personeel, sommigen in vorm van fabrieksraden,
anderen door het inrichten van een Socialen Dienst.
235
Bedrijfspolitiek — Bedrijfsradenwet
236
Opvallend is het wel, dat de uitbreiding der Christelijke
vakbeweging in enkele ondernemingen een einde heeft
gesteld aan de bestaande fabrieksraden, wat er wel op
schijnt te wijzen, dat de arbeiders min of meer wan-
trouwig stonden tegenover deze instellingen en hun
voorkeur gaven aan hun syndicale organisatie.
Van staatswege uit' beschouwd bestaan er
consultatieve organismen, die bijdragen tot een vreed-
zame bedrijfsregeling, en die als uitgangspunten zou-
den kunnen dienen voor een publiekrechtelijke bedrijfs-
organisatie. Onder deze organismen dienen vermeld
de door de wet van 16 Aug. 1887 ingerichte arbeids- en
nijverheidsraden, waarin werkgevers en werknemers
zouden samenkomen, ten einde de algemeene belangen
te bespreken omtrent de nijverheid, voor zoover de
arbeiders er in betrokken zijn. De bedoeling was vooral
een plaatselijke bedrijfsvertegenwoordiging te voor-
zien met bijzondere afdeelingen volgens de vakken.
Deze wet werd niet toegepast. > Arbeidsconflict
(België); > Arbeidsraad (België).
Een meer doelmatige en degelijke verwezenlijking
is die der > paritaire commissies, door ministerieele
besluiten ingericht sinds 1919. Naast de nationale
commissies voor bepaalde nijverheden, treft men ook
gewestelijke commissies aan voor gewesten met
specifieke gelocaliseerde nijverheden. De nationale
commissies bestaan uit een gelijk aantal werkgevers- en
werknemersafgevaardigden, benoemd door ministe-
rieel besluit. Hoewel deze commissies bij de oprichting
hun bevoegdheid slechts beperkt zagen tot den arbeids-
duur, hielden zij zich weldra bezig met andere vraag-
stukken betreffende de arbeidsvoorwaarden; zoo zien
wij hen vaak loonovereenkomsten vaststellen, bijzon-
dere regelingen uitvaardigen in verband met den
acht-urigen arbeidsdag (> Achturenwet), enz. Gewes-
telijke of regionale commissies kunnen op aanvraag van
een der partijen opgericht worden, na goedkeuring
van de nationale commissie.
Het ligt voor de hand, dat de paritaire commissies
kunnen uitgroeien tot een hechte bedrijfsorganisatie.
Doch om dit te verwezenlijken zouden enkele hervor-
mingen dienen doorgevoerd, die reeds door het alge-
meen Christelijk Vakverbond van België werden voor-
gesteld. De voornaamste zijn: vervol lediging der
paritaire commissies, verbindendverklaring van de
besluiten der nationale commissies, uitbreiding van
hun bevoegdheid tot de controle over de toepassing
der sociale wetten en tusschcnkomst in verband met
de voortbrenging en den verkoop der producten.
L i t. : R. Carels, Over bedrijfsorganisatie (1920) ;
prof. Defourny, Vers la réorganisation corporative
(Brussel 1926); Verslag 10e Congres van het A.C.V.
(Brugge 1932); Verslagen der Vlaamsche Sociale Weken
van Leuven van 1932 en 1933. Kuypers .
Bedrijfspolitiek, > Bedrijfsorganisatie.
Bedrijf sraad, > Bedrijfsorganisatie.
Bedrijfsradenstelsel, > Bedrijfsorganisatie.
Bedrijfsradenwet (Ned., wet van min.
Verschuur 7 April 1933, inzake instelling bedrijfsraden,
Stbl. no. 160). Door de Kroon kan een bedrijfsraad
worden ingesteld in elk bedrijf, „waarin de omstandig-
heden daartoe aanleiding geven”. Onder „bedrijf”
volgens de Mem. van Toelichting te verstaan: „Een com-
plex van ondernemingen, die een soortgelijk product
voort brengen”. De wet handelt dus niet — zooals
het Duitsche „Betriebsrategesetz” — over onder-
nemingsraden, fabrieksraden of zgn. „kernen”, die
ingesteld worden voor de arbeiders van een bepaalde
fabriek of onderneming, doch over bedrijfsraden,
waarvan de werkkring zich uitstrekt over de sociale
verhoudingen in een bepaalden tak van productie
(> Bedrijfsorganisatie).
Men zal veelal als regel kunnen aannemen — aldus
de Memorie van Toelichting — dat alleen die bedrijven
rijp zijn voor een bedrijfsraad, waarin het organisato-
risch overleg tusschen werkgevers en arbeiders vol-
doende gevorderd is.
De bedrijfsraad kan worden ingesteld hetzij voor
het geheele land, hetzij voor een gedeelte des lands
en verder voor het geheele bedrijf (bedrijfstak) of voor
een gedeelte van het bedrijf of voor een bepaalde groep
van ondernemingen. De wet geeft hier de noodige
vrijheid zich bij de practijk van het bedrijfsleven aan te
sluiten.
Het minimum aantal leden van den bedrijfsraad
is gesteld op 6 en het maximum op 20. De Kroon
bepaalt het aantal. Deze leden worden benoemd voor
de helft door een of meer vakverccnigingen van werk-
gevers, die de minister van Sociale Zaken daartoe aan-
wijst en voor de andere helft door een of meer eveneens
door den minister daartoe aangewezen vakvereni-
gingen van arbeiders, wier leden allen of voor een
gedeelte in het betrokken bedrijf werkzaam zijn.
Daarenboven kunnen door den minister aan den
bedrijfsraad nog een aantal leden en een voorzitter
worden „toegevoegd”, mits het personen betreft, die
niet werkzaam in het bedrijf zijn, waarvoor de bedrijfs-
raad is ingesteld. Het is mogelijk, dat een derge lijke
voorzitter slechts wordt toegevoegd voor bepaalde
werkzaamheden van den raad, bijv. alleen wanneer
de bedrijfsraad optreedt bij de beslechting van geschil-
len. Wanneer de minister geen onpartijdigen voor-
zitter aanwijst, of dezen alleen aanwijst voor bepaalde
werkzaamheden, wijst de bedrijfsraad zelf uit zijn
midden een werkgever-voorzitter en een arbeider-
voorzitter aan, die om beurten telkens voor een half
jaar als voorzitter optreden, tenzij bij door den minister
goedgekeurd reglement door den bedrijfsraad anders
is bepaald.
Alvorens tot de instelling van een bedrijfsraad door
de Kroon wordt overgegaan, wint de minister van
Sociale Zaken het advies in van een door hem aange-
wezen of samengestelde commissie. Ten aanzien van
de samenstelling van deze commissie is de minister
geheel vrij, doch in de Memorie van Toelichting wordt
gezegd, dat uiteraard in ieder geval gezaghebbende
personen uit de kringen van werkgevers en arbeiders
zullen worden uitgenoodigd in die commissie zitting
te nemen.
Omtrent den internen gang van zaken in den bedrijfs-
raad kan worden gezegd, dat de raad zoo mogelijk ten
minste 6 maal per jaar bijeenkomt in niet-openbare
vergaderingen, tenzij bij door den minister goedgekeurd
reglement anders is bepaald. Geen besluit mag worden
genomen, zoo niet de helft der leden, behoorende tot
den kring der werkgevers en de helft der leden, behoo-
rende tot den kring der arbeiders, aanwezig is. De
regeling van het stemrecht wordt overgelaten aan den
bedrijfsraad zelf, die daarvoor een reglement vast-
stelt, dat door den minister moet worden goedgekeurd.
De bedrijfsraad kan optreden als orgaan van
overleg, als orgaan van advies en als orgaan
van uitvoering in algemeenen zin en ook in
het bijzonder ten aanzien van bepaalde met name
genoemde wetten, en ten slotte als orgaan van be-
slechting van geschillen en van
237
Bedrijfsregeling — Bedrijfsuitkomst
238
bemiddeling. In de wet komen ook nog eenige
bepalingen voor over een mogelijk optreden van den
bedrijfsraad als zgn. „verordenend” orgaan, doch
alvorens deze bepalingen elfect zullen kunnen sor-
teeren, zal een nadere wettelijke regeling noodig zijn.
Als orgaan van overleg is de bedrijfsraad be-
voegd — niet verplicht — tot :
1° het ontwerpen van arbeidsvoorwaarden, zoo
mogelijk in den vorm van een collectieve arbeids-
overeenkomst;
2° het ontwerpen van regelen ter bevordering van
een goede vakopleiding in de vakschool, op vak-
cursussen en in de werkplaats;
3° het overwegen van maatregelen ter voorkoming
en bestrijding van werkloosheid en ter verruiming
der werkgelegenheid;
4° het bevorderen van het overleg tusschen den
werkgever en de arbeiders in de afzonderlijke onder-
nemingen, door middel van een daartoe strekkend
orgaan ;
6° het bevorderen van het tot stand komen van
fondsen en andere instellingen in het belang der arbei-
ders, hetzij voor het geheele bedrijf, hetzij voor een
of meer ondernemingen in dat bedrijf; benevens, op
verzoek van belanghebbenden, het uitoefenen van
toezicht op die fondsen en instellingen en de uitvoering
of het deelnemen aan de uitvoering van de reglementen
betreffende die fondsen en instellingen;
6° het bespreken van de technische en commer-
cieele aangelegenheden van het bedrijf, voorzoover
van invloed op de positie van den arbeider;
7° het verzamelen van statistische gegevens betref-
fende het bedrijf;
8° het bevorderen van al die maatregelen, welke
de goede verstandhouding tusschen werkgevers en
arbeiders in het bedrijf kunnen versterken.
Als orgaan van advies in algemeenen zin zal
de bedrijfsraad gevraagd of ongevraagd van advies
kunnen dienen aan overheid en particulieren over
onderwerpen, die betrekking hebben op den arbeid
in het bedrijf. Van beteekenis is, dat het advies van
den bedrijfsraad door den minister moet worden
ingewonnen, wanneer de minister als hoogste instantie
moet beslissen over een hooger beroep, ingesteld tegen
een voorschrift van een ambtenaar, die belast is met
de uitvoering resp. van de Arbeidswet, de Caissonwet,
de Stuwadoorswet, de Steenhouwerswet en de Veilig-
heidswet. Dit advies behoeft alleen niet ingewonnen
te worden in „spoedeischende gevallen”, en mag
niet worden ingewonnen, wanneer hij, die het beroep
instelt, daartegen bezwaar maakt. Wanneer de minis-
terieele beslissing afwijkt van het advies van den
bedrijfsraad, moeten de beslissing van den minister
en het advies van den bedrijfsraad in de Staatscourant
worden gepubliceerd.
De bedrijfsraad moet verder zijn medewerking
verleenen bij de uitvoering van wetten en algemeene
maatregelen van bestuur, welke deze medewerking
vorderen. Hier treedt de bedrijfsraad op als orgaan
van uitvoering in algemeenen zin.
Als orgaan van advies en uitvoering in bijzondere
gevallen treedt de bedrijfsraad op ten gevolge van een
aantal wetswijzigingen, die de Bedrijfsradenwet aan-
brengt in een aantal sociale wetten, nl. de Arbeidswet,
de Invaliditeitswet, de Ongevallenweten de Ziektewet.
Deze wetswijzigingen komen in hoofdzaak hierop neer,
dat telkens, wanneer in deze wetten verwezen werd
naar de vakverenigingen van werkgevers of arbeiders,
nu de bedrijfsraad, wanneer deze bestaat, wordt inge-
schakeld.
Ten slotte kan de bedrijfsraad optreden als orgaan
tot beslechting van geschillen en van bemiddeling.
Uiteraard bestaat de mogelijkheid, dat de bedrijfsraad
bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij een andere
regeling, die in het bedrijf tot stand komt, wordt
aangewezen als arbitrage-commissie, doch ook wanneer
de bedrijfsraad niet als een zoodanige commissie is
aangewezen, mag hij eigener beweging pogingen
aanwenden om een geschil, dat ontstaat of dreigt
te ontstaan, op te lossen of te voorkomen. Bij
wijziging van de Arbeidsgeschillenwet is vastgelegd,
dat de zgn. Rijksbemiddelaars zich moeten onthouden
van tusschenkomst of van verdere tusschenkomst in
een geschil, wanneer hun blijkt, dat de bedrijfsraad
pogingen aanwendt om het geschil te vereffenen.
De wet kent de zgn. verordenende bevoegdheid
aan den bedrijfsraad ni e t toe, doch regelt slechts de
procedure, die bij het totstandkomen en uitvaardigen
van eventueele verordeningen moet worden gevolgd,
voor het geval die verordenende bevoegdheid b ij
nadere wet aan den bedrijfsraad mocht worden
verleend.
De kosten van een bedrijfsraad zullen in het alge-
meen gedragen worden door de vakvereenigingen van
werkgevers en van arbeiders, die in den bedrijfsraad
zijn vertegenwoordigd. Daarnaast kan een over-
heidssubsidie worden verleend, wisselende tusschen
500 gld. en 2 000 gld. per jaar per bedrijfsraad. De wet
heet Bedrijfsradenwet.
L i t. : Commentaar, uitgegeven door het Verbond
van Ned. Werkgevers en Centraal Overleg in Arbeids-
zaken voor Werkgeversbonden ; Advies van den Hoogen
Raad van Arbeid over een voorontwerp van een Bedrijfs-
radenwet. Veraart.
Bedrijfsregeling (middenstand), > Distri-
butie.
Bedrijfssehap, vertaling van het Lat. woord
ordo, waarmee in de encycliek „Quadragesimo Anno”
de organisatie wordt aangeduid, die de werkgevers
en de werknemers van een bepaalden bedrijfstak moet
vereen igen. Gesteld tegenover de huidige maatschap-
pelijke „klassen” en de daaruit voortvloeiende klassen-
tegenstellingen, zooals deze tusschen vragers en
aanbieders op de arbeidsmarkt tot uiting komen, is
het b. een ordelijke aaneensluiting van diegenen, die
in weliswaar naar rang verschillende, maar niettemin
door het gemeenschappelijke van het object verwante
functies werkzaam zijn.
De eenheid, die hier door het gemeenschappelijke
doel, het gemeenschappelijke object verkregen wordt,
is uiteraard op haar terrein binnen zekere grenzen
autonoom, waarvoor een publiekrechtelijke regeling
onontbeerlijk is. De verschillende b. dienen verder
te worden ingepast in een algemeen verband, vaar-
voor het algemeen welzijn richtsnoer van het handelen
is. Verder > Beroepsorganisatie. de Mast.
Bedrijfsstelsels (landbouw), > Land-
bouw.
Bedrijfsstofwisseling, » Stofwisseling.
Bedrijfsuitkomst. In de psychotechniek tracht
men de waarden van de proeven te bepalen door keu-
ringsresultaten te vergelijken met de individ. prestaties
bij de uitoefening van het beroep. Deze prestaties
noemt men b. De b. kunnen subjectief en objectief
zijn. Men noemt ze subjectief, indien de
waardeering van de individueele prestaties der arbeids-
239
Bedrijfsvereniging — Bedstede
240
krachten afhankelijk is van een persoonlijken in druk
van een bedrijfsleider; objectief, indien deze
prestaties worden gemeten aan de hand van de hoe-
veelheid en hoedanigheid van de productie.
De objectieve b. hebben alleen dan waarde, indien
de beoordeelden onder volkomen gelijke voorwaarden
gewerkt hebben. In de werkelijkheid kan men om die
reden bijna nooit een objectieve b. tot vaststelling van
de waarde der psychotechnische proeven krijgen.
De betrouwbaarheid der subjectieve b. kan men ver-
grooten door meerdere personen onafhankelijk van
elkaar een dergelijk oordeel te laten geven. Indien dan
aangaande een psychotechnisch gekeurde de meeningen
der beoordeelaars uiteenloopen, mag men hem niet
meerekenen bij de waardeering (ijking) van de proeven.
> Landbouw. de Quay.
Bcdrijfsverceniging in N e d. is een rechts-
persoonlijkheid bezittende vereen iging, welke opge-
richt is eenerzijds door één of meer centrale organisaties
van werkgevers, anderzijds door vakcentrales of daarbij
aangesloten vereenigingen van arbeiders, en welke
ten doel heeft de uitvoering van een wettelijk geregelde
verzekering. Het begrip bedrijfsvereniging in Ned.,
voor het eerst voorkomend in de Land- en tuinbouw-
ongevallenwet 1922, is in de Ziektewet tot verdere
ontwikkeling gekomen. De b. in de Ziektewet heeft,
behalve de uitvoerende bevoegdheid, verordenende
bevoegdheid, inzoover zij haar eigen organisatie
autonoom kan vestigen, en rechtsprekende bevoegd-
heid, inzoover zij zelf een scheidsgerecht instelt. Deze
bevoegdheden worden verleend door de erkenning
door den minister van Arbeid. Het toezicht op de
uitvoerende bevoegdheid is opgedragen aan een daartoe
ingesteld college van toezicht. Het aantal bestuurs-
leden, aangewezen door de vereenigingen van arbei-
ders, moet minstens even groot zijn als het aantal
bestuursleden, aangewezen door de vereenigingen van
werkgevers. Om een b. te kunnen vormen, moeten de
arbeiders, voor risico der vereenigingen verzekerd,
minstens 2 1 / 2 millioen gulden loon per jaar ontvangen.
> Sociale verzekering.
L i t. : v. Bruggen en v. Lakerveld, de Ziektewet
(1930) ; Tien jaren Raden van Arbeid (1930). Struben.
Voor België, > Arbeidsongeval; > Arbitrale
Commissie.
Bedrijvende vorm, > Activum.
Bedrijvcnwct (N c d. Recht). Volgens
art. 88 der Comptabiliteitswet 1927, Stbl. 259, kunnen
bepaalde takken van Rijksdienst (> Staatsbedrijven)
op andere wijze worden beheerd dan in deze wet voor
de Rijksbegrooting en de Rijksrekening in het algemeen
is bepaald. Voorts bepaalt dit artikel, dat voor het
beheer van deze takken van Rijksdienst de noodige
algemeene regelen bij de wet zullen worden vast-
gesteld. Deze algemeene regelen omtrent het beheer
dezer diensttakken zijn vervat in de Bedrijven-
wet van 21 Juli 1928 (Stbl. 249); de wet,
welke deze diensten als bedrijf aanwijst, kan aanvul-
lingen of afwijkingen van deze algemeene wet bevatten.
Vóór de Bedrijvenwet 1928, Stbl. 249, gold de
Bedrijvenwet 1912, Stbl. 85 (houdende regeling van de
begroot ingen en rekeningen der staatsbedrijven).
De diensten, die als > staatsbedrijf zijn aangewezen,
zijn 1° de Algemeene Landsdrukkerij, aangewezen bij
de wet van 21 Dec. 1928, Stbl. 474; 2° de Rijksmunt,
aangewezen bij de wet van 21 Dec. 1928, Stbl. 483;
3° de Artillerie-inrichtingen, aangewezen bij de wet
van 29 Dec. 1928, Stbl. 511, gewijzigd bij de wet van
18 Maart 1931, Stbl. 110; 4° de Posterijen, Telegrafie
en Telefonie, aangewezen bij de wet van 29 Dec. 1928,
Stbl. 514; 5° de visschershaven te IJmuiden, aange-
wezen bij de wet van 29 Dec. 1928, Stbl. 515; 6° de
Staatsmijnen in Limburg, aangewezen bij de wet van
29 Dec. 1928, Stbl. 516, gewijzigd bij de wet van
18 Maart 1931, Stbl. 109.
De financiën dezer bedrijven zijn gescheiden van de
overige financiën van het Rijk. Zij hebben een eigen
begrooting en eigen rekening, sinds de Bedrijvenwet
1928 op commercieele leest geschoeid. De bedrijven,
die kunnen worden gedefinieerd als bestuurseenheden
met financieele zelfstandigheid, bezitten geen rechts-
persoonlijkheid; hun financieele zelfstandigheid is
van intern -a dm in istratieven aard.
Volgens art. 21 der Bedrijvenwet wordt van de
geldelijke betrekking tusschen het Rijk en een bedrijf,
voortvloeiende uit de bepalingen dezer wet, door den
minister van Financiën en door het bedrijf een reke-
ning-courant aangehouden, terwijl, indien noodig,
ook van de geldelijke betrekkingen tusschen de onder
deze w r et vallende bedrijven onderling rekeningen-
courant zullen worden aangehouden, een en ander
volgens regelen, bij algemeenen maatregel van bestuur
te stellen. Deze algemeene maatregel van bestuur is
vastgesteld bij besluit van 14 Mei 1930, Stbl. 182.
Stoer .
Bedsa, plaats in Britsch-Indië, ten Zuid-Oosten
van Bombay. Hier bevindt zich een groep in de rotsen
uitgehouwen Boeddhistische kloosters met als middel-
punt de ong. 17o voor Chr. eveneens uit de rots gekapte
Tsjaitja-hal. verwant aan de rotstempels van Ajanta
en Bhadsja. Het middenschip heeft een door 36,
oorspronkelijk beschilderde achthoekige pijlers ge-
dragen tongewelf. De pijlers zijn naar binnen ingebogen
en dragen klokkapiteelen, op wier breeden abacus
groepen dieren (stieren, olifanten) liggen (verwant-
schap met de Perzische kunst van Persepolis).
L i t. : Fergusson en Burgess, The cave temples of
India (1880) ; Coomaraswami, Geschichte der indischen
und indonesischen Kunst (1927). Knipping.
Bedsohakelaar dient om, onafhankelijk van
den schakelaar bij de deur, het electr. licht aan en
uit te doen. > Schakelaar.
Bedstede, ouderwetsche slaapplaats, met haar
Hollandsch binnenhuis met bedstede.
door betimmering vernauwden ingang eigenlijk
een diepe kast, die men met deuren of gordijnen
241
Bedum — Beechy
242
zelfs overdag nog voor licht en lucht kan afsluiten.
Ze is gewoonlijk vochtig en vormt een ideaal asyl
voor ziektebacteriën (tuberculose) en menschelijke
parasieten. Soms bevindt zich aan het voeteneinde
nog een kribbe voor een zuigeling.
In een b. kan de geneesheer een zieke moeilijk
onderzoeken of behandelen, omdat deze maar van
één zijde te bereiken is. Ook is ze vaak te hoog (be-
zwaar voor oudere menschen).
Meestal is de b. berekend op meerdere personen
en biedt dan vaak te weinig ruimte, zoowel in breedte
als lengte, zoodat gebruikers hun beenen niet kunnen
uitstrekken. Ook de trap, waaronder de b. dikwijls
gebouwd werd, neemt soms een groot stuk van de
ruimte weg, zoodat men zich moeilijk kan oprichten.
Bij voorkeur werd de b. vroeger in de woonkamer
aangebracbt en wel in den achterwand; er bleef
dan geen plaats voor een raam over en doorluchting
van de ruimte was uitgesloten. In dit ééne vertrek
werden de bedden geschud en opgemaakt, werd soms
het eten gekookt, werd ’s winters de wasch bij de
kachel gedroogd, werd ’s avonds gerookt, en moet
dus een vochtige, stoffige, zwoele lucht hangen.
Uit hygiënisch oogpunt is deze ..behaaglijke” broeikas-
atmosfeer niet streng genoeg te veroordeelen. Onder
de b. bevindt zich vaak een bergplaats (aardappelen,
vuile wasch!). Wanneer de b. op den beganen grond is
aangebracht, dus practisch in alle plattelands-
woningen, werd dit keldertje vaak tot den onderkant
der fundeering uitgediept. Afsluiting tegen vocht
en bodemstank was echter meestal zeer onvoldoende.
Vele bouwverordeningen verbieden tegenwoordig
het maken van bedsteden of eischen bepaalde ver-
beteringen (grootere afmetingen, ventilatie-raampje
in den bedstedewand, luchtdichte afsluiting of steenen
overwelving van den kelder).
Het gebruik van b. kan echter beter geheel worden
uitgeroeid. > Arbeiderswoning.
L i t. : dr. E. Droog, Kath. Soc. Weekblad (7 Mei 1910).
Bedum, gem. in de prov. Groningen, ten N.
van de stad Groningen; bestaat uit de kom en de
dorpen: Onderdendam, Zuidwolde, Noord wolde en
de gehuchten Westerdijkshom, Willemsstreek, Onder-
wierum, Terlaan, de Poel, Ellerhuizen en Noorder-
hoogebrug. Ca. 6 000 inw., ca. 6% Kath. Opp. 6 036 ha,
waarvan 2 364 ha bouwland en ± 2 100 ha grasland,
220 ha tuinbouw met glascultuur en warenhu isbouw.
Industrie: Coöp. fabriek van Melkproducten, met
2 000 leden en ± 140 arb.; grootste van Europa;
omzet in 1929 35 millioen gld. Verder: rijwielfabriek
(Veeno), steen- en pannenfabrieken , electr. groenten-
zouterij; landbouwwerktuigenfabriek, beton industrie.
Verschillende bankinstellingen. Kantongerecht te
Onderdendam. De dorpen B., Onderdendam en
Zuidwolde hebben ieder een Ned. Herv. en Geref.
kerk. Bedum bovendien een Chr. Geref. kerk en een
Kath. kerk. De parochie te Bedum werd na de her-
vorming opnieuw opgericht in 1642.
In het begin der 9e eeuw arbeidden in B. de evangelie-
predikers Ludger en Wilfridus. De laatste legde dijken
aan. Het wapen van B. met spade, kruis en wetstafel
herinnert aan zijn wereldlijken en geestelijken arbeid.
± 810 werd hij door de Noormannen vermoord. In 1636
werd het dorp B. door de Gelderschen verbrand.
B., oudtijds Bederawalda, beteekent waarschijnlijk:
wal (of dijk) van het bed der (rivier) Aa. Een andere
opvatting is afgeleid van Bedeheim (plaats om te
bidden). Nijenhuis.
Bedwan ts, andere naam voor > Wandluis.’*
Redwateren (E n u r e s i s nocturna),
nachtelijke onwillekeurige urineloozing, zoo genoemd
in tegenstelling met de enuresis diurna, welke over-
dag en niet in bed plaats heeft.
Wanneer b. bij kinderen na voltooiing van het derde
levensjaar geregeld voorkomt, moet dit beschouwd
worden als een ziekelijke afwijking. De oorzaak is in
de meeste gevallen van zenuwachtigen aard, doch
kan ook aan plaatselijke aandoeningen der urinewegen
te wijten zijn. Dikwijls treft men het b. bij zwak-
zinnige en idiote kinderen aan. Het geneeskundig
schooltoezicht herkent de daaraan lijdende scholieren
vaak gemakkelijk aan de kwalijk riekende urinelucht,
welke zij in hun omgeving pl gen te verspreiden.
Meestal verdwijnt de afwijking na het intreden van
de puberteit vanzelf. In enkele zeldzame gevallen
blijft zij gedurende het verdere leven bestaan, waardoor
de lijder onmaatschappelijk wordt.
Geneeskundige behandeling, die grootendeels
psychisch moet worden aangewend, kan tot genezing
leiden, doch slaagt dikwijls niet en moet gedurende
langen tijd, liefst in een vreemde omgeving, worden
voortgezet. v. Kranendonk Duffels.
Bedwelmende middelen zijn middelen, die
de functies van het centrale zenuwstelsel geheel of
gedeeltelijk kunnen opheffen.
Bedijken, het omringen met een dijk of dam van
een door aanslibbing verhoogd gedeelte van den zee- of
rivierbodem. > Aanwas.
Bedijking, het bedijken; ook: de aangelegde
dijken. Men spreekt bijv. van de bedijking van den
W ieringermeerpolder.
Beêbieren heetten oudtijds feestelijke samen-
komsten uit dankbaarheid voor bewezen burenhulp.
Beecher, Henry Ward, Amer. Puri-
teinsch zeer welsprekend dominé, broer van Harriet.
* 1813 in Connecticut, f 1887 in Brooklyn, New York,
waar hij sedert 1847 de leiding had van de Plymouth
congregational Church. Zijn theologie ontwikkelde
zich zeer snel tot een liberaal ondogmatisch Christen-
dom; en grootendeels door zijn bezielende woorden
en geschriften zijn de Congregationalists in Amerika
van een kleine, achterlijke sekte uitgegroeid tot een
machtige, vooruitstrevende organisatie. Pompen .
Bcecher-Stowe, Harriet Elizabeth,
> Stowe.
Beeching, Henry Charles, Angli-
caansch geestelijke, letterkundig criticus en historicus.
* 1869, f 1919. Kanunnik van Westminster Abbey
in 1902, deken van Norwich in 1911. Gaf een paar
versbundels uit, verschillende preeken, een goede
uitgave van Milton’s gedichten in 1900, en van
Shakespeare’s sonnetten in 1904. Artikelen, essays,
enz.
Bcechworth, stadje in Victoria (Austr.),
270 km ten N.O. van Melboume; 4 900 inw. Door
spoorlijn met Melboume verbonden, heeft B. om zijn
mooie ligging aan de N.W. afhelling der Vict. Alpen
veel toeristenbezoek. Voornaamste bron van bestaan
is de goud- en tinwinning; B. is ook marktplaats voor
landbouwprod. van den omtrek. Zwagemakers.
Beechy, 1° sir F r e d. W i 1 1 i a m F. R. S.,
Engelsch marine-officier en ontdekkingsreiziger,
* 1796, f 1856. In 1848 nam hij deel aan de Noordpool-
expeditie van Buchan en John Franklin, waarvan hij
een verslag uitbracht. In 1819 was hij onder sir E.
Parry in den Arctischen Archipel. Met zijn broer
243
Beeching — Beekbezinking
244
H. W. Beechey bereisde hij in 1821 de N. kust van
Afrika en onderzocht de streken van de oude Penta-
polis. In 1825 werd hij met de Blossom om Kaap Hoorn
gezonden naar de Beringstraat om samen te werken
met de expeditie van J. Franklin en Parry, in hun
poging de N.W. doorvaart te vinden. Drie jaren
was hij in dit gebied en ontdekte o.a. de Kotzehue
Sont, punt Barrow en Bonin-eiland. Later was hij
voorzitter van het Engelsche Koninklijk Aardrijks-
kundig Genootschap (Royal Geographical Society).
Werken: Voyage of discovery towards the North
Pole (1818) ; Proceedings of the expedition to explore
the Northern Coast of Afriea (1827); History of the
Cruise of the Blossom between 1825-’28 (1831).
de Visser.
2° Sir W i 1 1 i a m, Engelsch portretschilder.
Hij studeerde in de Royal Academie onder Zoffany en
copieerde veel Reynolds. Werd portretschilder van
koningin Victoria. * 1753 te Burdford, f 1839 te
Londen.
L i t. : Redgrave, A Century of Painters (I z.j.,
337-341) * Dayot, La peinture anglaise (1908).
Bceck, Martin van der, > Becanus
(Martinus).
Becckman, 1° I s a a c, Ned. geleerde, * 10 Dec.
1588 te Middelburg, f 19 Mei 1637 te Dordrecht.
Aanvankelijk theoloog, later medicus, 1619 conrector
van de Lat. school te Utrecht, woonde vanaf 1620
te Rotterdam, waar hij 1624 — '27 conrector van de
Lat. school was. Van 1627 tot zijn dood was hij rector
van de Lat. school te Dordrecht, die hij tot grooten
bloei bracht. B. is een autodidact van bijzondere
begaafdheid op het gebied der natuurwetenschappen,
die »n zijn tijd een groote reputatie genoot en die
veel invloed op de ontwikkeling der physica zou
hebben kunnen uitoefenen, indien hij zijn denkbeelden
had gepubliceerd. Hij verzamelde zijnaante keningen
in een omvangrijk handschrift, het Joumael, dat in
1905 door C. de Waard is teruggevonden en dat
sindsdien, vrijwel persklaar, op publicatie wacht.
B. kwam in 1618 te Breda in kennis met Descartes,
met wien hij natuurkundige problemen, de muziek-
theorie, de hydrostatica en de valbeweging betreffend,
bestudeerde. Descartes roemt den heilzamen invloed,
die hun omgang op zijn ontwikkeling heeft gehad.
Het belangrijkste werk van B. ligt op het gebied van
de dynamica der valbeweging; samen met Descartes
gaf hij 1618 de eerste dynamische afleiding van de
valwet, waarbij waarschijnlijk de physische gedachten-
gang van hem. het mathematische hulpmiddel (gra-
phische voorstelling) van D. afkomstig was. In zijn
denkbeelden over traagheid en luchtdruk is hij even-
eens zijn tijd vooruit.
L i t. : Miihatid, Descartes savant (Parijs 1921) ;
Oeuvres de Descartes, ed. Adam et Tannery (X Parijs
1908); E. J. Dijkstcrhuis, Val en Worp f1924).
Dijksterhuis.
2° J o h a n, Vlaamsch architect en academie-
leeraar, ging door voor een der knapste tooneelisten
van Vlaanderen. Alleen een paar lijkdichten ver-
schenen in druk. * 2 Juni 1786 te St. GiPis-bij-Dender-
monde, f 23 Febr. 1870 te Dendermonde.
Lit. : J. Broeckaert, Leven en Werken der Zned.
Schrijvers (I, 63). Godelaine.
Beefgras, > Trilgras (Briza).
Bcegrien, gem. in Ned. Limb., gelegen 6 km ton
Z.W. van Roermond. 764 inw. (1932), uitsluitend
Kath. Landbouw, baksteenfabriek.
Berk, 1° gem. in N e d. L i m b u r g, gelegen
13 km ten Z. van Sittard; omvattend het dorp Beek
en de gehuchten Neerbeek, Grootgenhout, Kleingren-
hout, Kelmond, Oensel, Geverik en Kerensheide;
6 440 inw. (1933), waarvan 96% Kath. en 6% Prot.
Te Beek industrie (sigarenfabrieken, cementsteen-
fabrieken, baksteenfabrieken); in de gehuchten land-
bouw en veeteelt. Drie parochies: Beek, Genhout
en Neerbeek. Toerisme; sportpark; oudheidkundig
museum van dhr. Beckers. Belangrijke fruitveiling.
v. Thitl.
2° > Bergh (Geld. gem.).
3° > Ubbergen (Geld. gem.).
4° > Princenhage (N. Br. gem.).
5° (ook: Beeck), Belgische gem. in de
prov. Limburg, ten N. van Bree; ong. 650 inw.;
opp. 1 590 ha; zandgrond; kanaal. Merkwaardige
Gotische kerk; kasteel Ghen-Aa.
Beek, d e, een klein watertje uit de duinen, dat
in Den Haag de vijvers in het Haagsche Bosch voedt.
Beek, 1°A. van der, Holl. graveur, werk-
zaam in het eerste kwart der 19e eeuw. Graveerde in
stippelprocédó en werkte naar composities en teeke-
ningen van H. W. Gaspari, N. Sonnenberg, A. Berg-
man, e.a. Met D. Sluijter graveerde hij het fraaie por-
tret van P. Chevallier naar Ch. H. Hooges.
de Stuers.
2° Henricus van, bisschop. * 24 Maart
1816 te Amsterdam, f 14 Oct. 1884 te Breda. Stu-
deerde te Hageveld en Warmond. 1842 priester gewijd,
kapelaan te Den Haag. 1848 professor te Hageveld,
1851 deken van Haarlem, 1862 vicaris-generaal van
het bisdom Haarlem. 1874 — ’84 bisschop van Breda.
Tijdens zijn episcopaat is de administratie van de
tijdelijke goederen van het bisdom nauwkeurig gere-
geld en een nieuw klein -seminarie gebouwd.
Lit.: Neerlandia Catholica (1888) en Katholiek
Nederland (1930). de Haas.
3° J. L. van der, Holl. graveur. Werkte op
het eind van de 18e eeuw, vermoedelijk in Amsterdam.
Graveerde portretten, hist. prenten en boekillustra-
ties. Zijn werken zijn gedateerd van 1782, 1794 en
1814. Graveerde eveneens in stippelprocédé.
4° P. van der, Holl. graveur. Werkzaam in het
eerste kwart der 19e eeuw. Stippelgravures. Vermoe-
delijk leerling van L. Portman. Werkte ook wel ge-
meenschappelijk met den graveur A. van der Beek,
vermoedelijk zijn broeder.
Lit.: Kramm, De Levens en Werken (65-66).
de Stuurs.
Beekbergen, dorp in de gem. Apeldoorn. On-
geveer 1 300 inw., meest Ned. Herv. Landbouw,
hoenderteelt, vreemdelingenverkeer, en door het
heldere water der beekjes, die van de Oost-Veluwe
afstroomen, wasscherijen. De Ned. Herv. kerk (13e
en 14e eeuw) is in 1905 gerestaureerd. In een prachtige
omgeving liggen tusschen B. en Loenen de stichting
Het Hoogland en Troelstra-oord. Ileijs .
Beekbezinking noemt men die grondsoort, die
ontstaat door mater iaalsedimentat ie in beken. Een
speciaal soort zijn de zgn. groengronden , die zich in
den winter, wanneer de beken buiten hunne oevers
treden, afzetten. Locaal bevatten de groengronden
soms mergel en ijzeroer. Dergelijke gronden vindt
men o.a. langs de Overijselsche Vecht, Dinkel, Regge,
Geleen en Dommel. Volgens van Baren dateert de
vorming van beekbezinking pas van na de vorming
van het laagterras der rivieren. Hofsteenge.
245
Beekdalen — Beelaerts van Blokland
246
Beekdalen zijn negatieve terrein vormingen, ver-
oorzaakt door de uitschurende werking van stroomend
water met de daarin aanwezige transportabele, niet
oplosbare stoffen. Fossiele beekdalen, die tijdens het
Diluvium zijn gevormd, werden o.a. bij Wageningen
in den Z. Veluwezoom aangetoond. Hofsieenge.
Beek en Donk, gem. in N. Brabant ten N. van
Helmond, bestaat uit twee parochiedorpen Beek en
Donk; 3 200 inw., bijna allen Kath.; opp. 1 613 ha.
Landbouw en veeteelt; veel industrie (ijzerdraad,
draadnagels, bouten, sluitringen, lascheinden; verder
naaigaren, gebreide kleed ingstukken e.d.). Oude toren
(ca. 1400); staat bij het dorp Beek, waarin drie klok-
ken. in 1801 gegoten door Henricus Petit. Het huis
Eikenlust heeft nog het oude poortgebouw van ± 1500.
v. Velthoven .
Beekforel, > Forel.
Beckkork, Herman Wouter, Holl.
schilder; * 12 Nov. 1756 te Leeuwarden, f 3 Juni
1796 aldaar. Kreeg eerst teekenonderricht in Leeuwar-
den, daarna van 1773 — ’76 te Amsterdam van Johan
van Dregt. Vestigde zich te Leeuwarden. Schilderde
vnl. landschappen, veestukken, historische composi-
ties en enkele kerkschilderingen en altaarstukken.
L i t. : Immerieol, De Levens en Werken ; v. Eijnden
en v. d. Willigen (II, 421); W. Eeckhoff, Beschrijving
van Leeuwarden (II. 347). de Stuers.
Beekman, 1° Antoon Albert, water-
staatkundige. * 5 Jan. 1854 te Amsterdam; doorliep
van 1870—1873 de Kon. Militaire Academie te Breda;
tot 1880 genie-officier. Daarna leeraar, achtereenvol-
gens te Zutphen, Schiedam en Den Haag. Maakte
een diepgaande studie van de Ned. waterstaatkundige
toestanden in het verleden en het heden. B. is (met
anderen) de grondlegger van den Geschiedk. Atlas
van Nederland. In 1914 werd B. dr. honoris causa
(universiteit Groningen).
Werken: Tactiek en Versterkingskunst ; Het Dijk-
en Waterschapsrecht in Nederland voor 1795 (2 dln.
1904-1906); Polders en droogmakerijen (1909-1913);
vele kaarten en verklarende beschrijvingen van den
Geschiedk. Atlas van Nederland ; Nederland als polder-
land ( 8 1932). v. Velthoven.
2° E 1 i a s, vaandrig in het Staatsche leger;
bekend door de verdediging van Aardenburg met 36
è, 38 soldaten en 175 weerbare burgers tegen den
Franschen generaal de Nancré, die het plaatsje op 25
en 26 Juni 1672 trachtte te overmeesteren met 8 a
9 000 man voetvolk en 900 ruiters. De Franschen
trokken, nadat Beekman versterking had ontvangen
(160 man), terug met een verlies van 500 man aan
dooden en gewonden en 620 gevangenen, v. Voorst .
Beckprik, > Prik.
Bcekpunge, Veronica beccabunga
van de familie der leeuwenbekachtigen of helm-
kruiden (Scrophulariaceae), is een op vochtige plaat-
sen veel voorkomende plant.
Beekvliet, klein-seminarie. Zie ’s > Hertogen-
bosch (bisdom).
Beekvlookreeft of zoetwatergamaal (Gamma-
rus pulex) behoort tot de familie der vlookretften.
Zijdelings afgeplat lichaam ; met drie paar zwtm-
en drie paar springpnoten aan het achterlijf ; komt
voor in snelstroomende wateren.
Beelaerts van Blokland, 1° Frans, Ned.
staatsman en diplomaat. * 21 Jan. 1872 te Den Haag.
Studie te Leiden. Werd in 1903 commies-griffier van
de Tweede Kamer. Van 1909—19 was hij minister-
resident te Peking met den persoonlijken titel van
buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister. Na
zijn terugkeer in Nederland werd hij gedetacheerd aan
het departement van Buitenlandsche Zaken. In 1921
werd hij met minister van Karnebeek en dr. Moresco
aangewezen als vertegenwoordiger van Nederland
op de conferentie van Washington. Na het vertrek
van minister van Karnebeek trad B. v. B. op als
leider van de Ned. delegatie, om na de totstandko-
ming van het Negen mogendheden verdrag wederom
zijn functie in Den Haag op te nemen. Bij de minister-
crisis van 1923 (naar aanleiding van de verwerping
van de Vlootwet) werd B. v. B. belast met de vorming
van een extra-parlementair kabinet, in welke opdracht
hij niet kon slagen. In 1927, kort na zijn benoeming
tot gezant te Brussel, aanvaardde hij de portefeuille
van Buitenlandsche Zaken, toen minister van Karne-
beek, wegens het verwerpen van het Nederlandsch-
Belgisch verdrag in de Eerste Kamer, zijn functie
neerlegde. Tot 1933 is B. v. B. onder de opvolgen-
de ministeries in
functie geweest.
Als vertegenwoor-
diger van ons land
bij den Volken-
bond trok hij de
aandacht door zijn
helder inzicht in
de internationale
verhoudingen en
door zijn kordaat
optreden ten gun-
ste van de inter-
nat iona le toenade -
ringsgedachte.
Een herziening
van het verdrag
tusschen Neder-
land en België jhr. mr. F. Beelaerts van Blokland,
werd tijdens zijn
ministerschap niet bereikt. April 1933 werd B. v. B.
vice-president van den Raad van State. Verherne.
2° Gerard, Ned. jurist en staatsman. * 1772,
f 1844. Werd in 1802 procureur-generaal bij den Raad
van Justitie in de Kaapkolonie, toen dit gebied onder
Ned. gezag terugkeerde. Ook trad hij op als gemachtig-
de van Gijsbert Karei van Hogendorp bij diens be-
kende kolonisatiepoging. Na de herovering van de
Kaap door de Engelschen in 1806 bleef B. v. B. nog
tot 1817 in Engelschen dienst. Toen keerde hij naar
Nederland terug. Na eenigen tijd bij de rechterlijke
macht werkzaam te zijn geweest, werd hij in 1823 lid
van de Tw eede Kamer. Dit bleef hij tot 1841, ook toen
hij in 1837— ’39 optrad als minister van Financiën.
Als kamerlid trok hij de aandacht als verdediger van
de handelsvrijheid en bij de behandeling van juridische
kwesties. In 1841 werd B. v. B. lid van den Raad van
State. Verberne.
3° Gerard Jacob Theodoor, Ned.
jurist en staatsman. * 1843, j* 1897. Studie te Leiden.
Na zijn promotie in de rechtsgeleerdheid werkzaam
achtereenvolgens als adjunct-commies, commies en
referendaris aan het departement van Justitie, tot
1883, toen hij gekozen werd tot kamerlid (Antirevo-
lutionnair). Van 1888 tot 1891 bekleedde hij het voor-
zitterschap van de Twxede Kamer. Ook nam hij de
functie waar van diplomatiek vertegenwoordiger van
de Zuid-Afrikaansche Republiek bij de Europeesche
247
Beeld — Beeldenstorm
248
Oude gravure, voorstellende den beeldenstorm.
hoven, behalve bij het Engelsche. Meermalen weigerde
hij zitting in een ministerie; eveneens werd hem drie-
maal vruchteloos een professoraat aangeboden.
Verberne.
Beeld. 1° In de s t ij 1 1 e e r is b. een indirecte
naam ; men noemt nl. iets niet met zijn eigen gebrui-
kelijken naam, doch met den naam van iets anders,
dat er op lijkt of er eenig verband mee heeft. Bijv.
„Je bent een ezel!” > Troop.
Lit. : dr. Jao. van Ginneken, De beeldspraak in
het alg. (Leuvensche Bijdragen, X 1912).
2° In de natuurk., > Afbeelding.
3° > Beeld Gods.
Beeldconstructie, > Afbeelding (natuurk.).
Beeldemakcr, Adriaen Cornelisz.,
schilder, * 1625 te Rotterdam, f 1690 te Den Haag;
werkzaam te Leiden, Dordrecht en Den Haag. Hij
schilderde voornamelijk portretten, die aan Maes
herinneren, maar veel zwakker zijn; ook wel jacht-
scènes in landschappen. Zijn zoon Frans (f 1728)
en nog twee naamgenooten Cornelis en Jo-
hannes werkten in zijn trant. Schretlen.
Signatuur van A. Beeldemaker.
Beeldenaar, afbeelding van een persoon op
een munt of penning.
Beeldende kunsten zijn volgens de meest
algemeene en meest verantwoorde beteekenis die
kunsten, welke een bepaald gegeven uitbeelden in de
ruimte. Hieronder vallen dan de beeldhouwkunst,
de schilderkunst en alle daarmee verbonden kunsten,
als teeken-, graveer- en etskunst, alsmede de photo-
graphische kunst. Dessoir neemt het „uitbeelden”
zeer breed en betrekt dan de bouwkunst ook onder de
b. k. Verder veronderstelt hij, dat de b. k. zijn de
kunsten van het rustige (niet dus van de bewe-
ging), waar de elementen naast, niet na elkaar
bestaan, en komt er dan toe de mimische kunsten
(mimiek, poëzie en muziek) uit te sluiten. Toch is
ook de beweging veelal van uitbeeldend karakter
en men zal bijv. moeten bekennen, dat de filmkunst
in groote mate uitbeeldend vermogen bezit. Enkelen
nemen het begrip b. k. zoo eng dat ze alleen beeld-
houwkunst daaronder willen ordenen. De term heeft
dus geen vaste beteekenis; de boven aangegeven
opvatting is echter de meest verantwoorde.
Lit.: Utitz, Grundlegung der allg. Kunstwissen-
schaft (II 1914, 28-39) ; Dessoir Aesthetik und allg.
Kunstwissenschaft (1923, 310 vlg.). Knipping.
Beeldendienst, > Beeldenvereering.
Beeldenmuur, » Iconostase.
Beeldenstorm. De B. is een woeste, plotseling
tot uitbarsting gekomen beweging in de Nederlanden,
waarbij op barbaarsche wijze de beelden en kerkramen
in de Katholieke kerken en kloosters werden stuk-
geslagen, de H. Hostiën over den grond gestrooid en
andere gruwelijke heiligschennissen bedreven, kost-
bare gewaden en boeken verscheurd en tallooze
schatten van middeleeuwsche kunst vernield werden.
Zij begon 10 Aug. 1566 in de buurt van St. Omer en
sloeg weldra over naar Antwerpen, Gent, Holland
(Delft 24 Aug.) en naar het Noorden en duurde de
geheele maand Augustus door.
249
Beeldenstrij d — Beeldenvereering
250
Van het geheele land bleven alleen Luxemburg,
Artois, Namen en Henegouwen voor den geesel
gespaard. In Vlaanderen alleen werden 400 kerken
geplunderd. Door panischen schrik verlamd, zag
de overheid meest overal werkeloos toe; de landvoogdes
Margaretha was niet in staat krachtig op te treden,
daar zij niet op het leger rekenen kon, welks aan-
voerders grootendeels tot het verbond der edelen
behoorden. Eerst toen de storm eenigszins geluwd
was, kwamen de Katholieken tot bezinning en beloof-
den aan Margaretha hun steun; de rust was nu spoedig
hersteld. Om den ongehoorden smaad, den godsdienst
aangedaan, te wreken, zond Philips II Alva naar ons
land.
W ie draagt de verantwoordelijkheid van den
beeldenstorm? Nuyens meent, dat hij is uitgegaan
van de Calvinistische consistories en predikanten
en volgens een te voren opgesteld plan, om zich door
een plotselingen overval van de Katholieke kerken
meester te maken. Ofschoon een vooropgezet plan
moeilijk te bewijzen is, ,,was de beeldenbreking stellig
een uiting van Gereformeerden geloofsijver” (Knappert,
blz. 389). Jarenlang hadden de Calvinistische predi-
kanten, die de beeldenvereering en vele Katholieke
ractijken als afgoderij beschouwden, in heftige
ew'oordingen hun volgelingen opgezweept. En talrijke
voorbeelden zijn bekend, dat predikanten en leden
van consistories een leidende rol bij de excessen
speelden. De Calvinistische leiders, die de beweging
ontketend hadden, waarbij zich spoedig ook ongure
elementen uit niet-godsdienstige motieven aansloten,
hadden haar spoedig niet meer in handen en hebben
haar in dezen vorm niet gewild. Doch „slechts
zagen zij er een (taktische) fout, geen misdaad in”
(Knappert, blz. 391).
L i t. : W. Nuyens, Gesch. der Ned. beroerten (I,
2, 100-145); L. Knappert, Het ontstaan en de vesti-
ging van het Protestantisme in de Nederlanden (382-
400) ; Corpus iconoclasticum, Documenten over den
Beeldenstorm van 1566, I Haarlem door J. Klcyntjcns
en B. Becker, II Nijmegen door F. van Hoeck (1929).
J . de Jong .
Beeldenstrijd. 1° In het Oosten.
Keizer Leo van Byzantium beval in 726 de verwijde-
ring van alle voorstellingen van heiligen en engelen
en in 730 de vernietiging van alle afbeeldingen van
Christus, Maria en de heiligen. Dat de vereering
vooral bewezen werd aan iconen of losse schilder-
stukken blijkt uit een bevel, om de beelden hooger te
hangen, opdat de geloovigen ze niet meer konden
kussen. De patriarch Germanus, die zich verzette,
werd tot abdicatie gedwongen. De pausen Gregorius II
en III excommun 'roerden de beeldstormers, maar
keizer Leo en zijn opvolger Constantijn Copronymus
voerden hun besluit met geweld door. De monniken,
die zich het krachtigst verzetten, werden gruwzaam
vervolgd. Eerst keizerin Irene maakte een eind aan
de vervolging, en de overwinning werd bekroond
door de detinitie van het tweede Concilie van Nieea
(787), dat de beeldenvereering goedkeurde en aanbeval.
Opnieuw woedde de vervolging onder Leo V den
Armeniër (813 — 830) en zijn opvolgers, totdat er in
842 onder keizerin Theodora voor goed een eind aan
kwam.
2° In het Westen. De b. van keizer
Leo III en zijn opvolgers was niet naar het W. over-
geslagen. Maar de besluiten van Nicea (787) waren
in zoo’n onjuiste Latijnsche vertaling aldaar bekend
geworden, dat men weigerde, het Concilie te erkennen.
Karei de Groote liet het protest tegen Nicea door
zijn theologen opnemen in de Libri Carolini en ook
officieel afkondigen op de synode van Frankfurt
(794). Ten onrechte werd verklaard, dat de beelden
of voorstellingen uitsluitend tot doel mochten
hebben versiering der kerken en beleering der geloo-
vigen. De stemming tegen de beeldenvereering werd
nog scherper onder Lodewijk den Vromen. Maar
tegenover bestrijders als Claudius van Turijn en Ago-
bard van Lyon stonden verdedigers op als Jonas van
Orleans en Dungal van St. Denis en de b. hield
weldra voor goed op, nadat Anastasius Bibliothecarius
een juiste vertaling der besluiten van Nicea had
gepubliceerd. Voor de b. in de Reformatie, Beel-
denstorm.
Lit. : Dict. Théol. Cath. (VII 1922, 577-590;
774-783) ; Lexikon f. Theol. u. Kirche (II 1931, 346 vlg.).
Frans es.
Beeldenvereering. T. Christelijk.
B. is godsdienstige vereering der beelden van God,
Christus, de heiligen. In het O. T. verboden (Ex. 20. 4;
Lev. 26. 1). Het N. T. zwijgt erover. De Kath. geloofs-
leer stelt de geoorloofdheid en het nut der beelden-
vereering vast (Conc. van Nicea II Denz. 30? vlg.;
Conc. van Trente, Denz. 984 vlg.). Het Conc. van
Nicea beroept zich op de traditie. De b. is een
relatieve vereering, geen absolute; d.i. het beeld
wordt niet vereerd om zichzelf, om eigen aard en
qualiteiten, maar alleen als voorstellende een ver-
eerenswaardige persoon. Het motief der vereering is
niet de vereerenswaardigheid van de zaak, die beeld
is, maar van den persoon, die is uitgebeeld. Het
Conc. van Trente stelt vast (Denz. 986): „In het beeld
zelf ligt geen kracht, waarom het is te vereeren. . . .
de eer, die aan de beelden wordt gebracht, gaat tot
het prototype, dat wordt uitgebeeld, zoodat wij door
de beelden, die wij kussen en voor welke wij het hoofd
qntblooten en knielen, Christus aanbidden, en de
heiligen, wier afbeeldsel ze zijn, vereeren.” De b.
is dus dogmatisch verantwoord en de gelijkstelling
van b. met afgoderij volstrekt ongegrond, liet verbod
in het O. T. werd den Joden gegeven om het gevaar
voor afgoderij, uit de heidensche omgeving en de
neiging der Joden zelf voortkomend, te ontgaan.
Een beeld is vereerenswaardig om de vereerenswaar-
digheid van den uitgebeelden persoon en niet om de
kerkelijke wijding van het beeld. Hierdoor wordt het
beeld aan profaan gebruik onttrokken en voor den
eeredienst bestemd.
Lit.: It. Beissel, Verehrung dor Heiligen usw.
1890-1892). Kreling.
Geschiedenis. Voor de eerste eeuwen is het woord
eigenlijk onjuist en moest men spreken van afbeel-
dingen. Losse beelden werden destijds nog niet ge-
maakt (uitgezonderd misschien: de jeugdige Christus
als Goede Herder en als Leeraar) en het Oosten kent
nog steeds uitsluitend schilderingen en mozaïeken.
Wel spreekt reeds Irenaeus (ca. 180) over Chris-
tusbeelden, maar daar schrijft hij tegen
> gnostieken, die dergelijke beelden maakten om ze
dan naast die van Pythagoras, Plato, Aristoteles te
bekransen en te eeren. Losstaande beelden zonden
te veel gelijken op de heidensche godenbeelden en daar-
door tot denzelfden cultus, tot afgoderij, kunnen
verleiden. Religieuze voorstellingen daarentegen als
wandschildering, als reliëf op sarcophagen, als mozaïek,
vindt men reeds in de eerste eeuwen vooral in de
251
Beeldenvereering.
252
catacomben. Eerst symbolen, bijbelsche figuren en
tafereelen, weldra ook voorstellingen van Christus,
Maria, de Apostelen en andere heiligen. Na de ver-
volgingen nam dit zeer sterk toe in de grootsche kerk-
gebouwen vooral in het Oosten. Aanwezigheid van
religieuze voorstellingen beteekent echter nog niet
per se b. Aanvankelijk was de bedoeling: passende
versiering der liturgische plaatsen en onderrichting
der geloovigen. Nog Gregorius de Groote legt ca. 600
sterk den nadruk op dit dubbele element. Op de
zijwanden boven de zuilen bracht men bij voorkeur
dé geschiedenis van Oud en Nieuw Testament in
beeld, in de concha van de apsis den verheerlijkten
Christus met de apostelen en de symbolen der Evange-
listen. In de 4e eeuw worden de eerste getuigenissen
gevonden van eer aan de beelden bewezen. Gelei-
delijk nam dit toe naarmate het gevaar voor afgoderij,
door den ondergang van het heidendom, verminderde.
In het Oosten droeg tot de verbreiding bij het geloof
in de zgn. Achiropoïeten, die door geen menschenhand
gemaakt, maar van den hemel neergedaald zouden zijn.
Ook in huis had men later beeltenissen (iconen),
waaraan men eer bewees. Het verbod der synode
van Elvira (ca. 300) om kerken te beschilderen, en
protesten van Eusebius van Caesarea en Epiphanius
hebben de b. niet kunnen tegenhouden en toen zij in
de 8e en 9e eeuw door de keizers werd bestreden,
werd zij krachtig verdedigd door kerkelijke
schrijvers en ten slotte officieel goedgekeurd en aan-
bevolen door het zevende Alg. Concilie (Nicea 787).
L i t. : Dict. Theol. Cath. (VII 1922, 766-844) ; Lexi-
kon für Theol. und K. (II 1931, 348 vlg.). Franses.
Liturgie. De beeldenvereering, in het bijzonder
de openbare, wordt door de Kerk gereceld door ver-
schillende voorschriften en bepalingen, bij welke
aanstonds het verschil in het oog springt tusschen
het Oosten en het Westen. Niet slechts w’aren los-
staande beelden, zooals die in het W. bijna uitsluitend
in gebruik zijn, in het O. over het geheel slechts
kort, en dan nog in beperkte mate, in gebmik, en kent
men er feitelijk slechts: óf geheel vlakke (schilderijen,
émails) óf vlak-reliëfs (in hout, steen, ivoor), maar de
vereer ing zelf heeft er een verschillend karakter,
alhoewel op hetzelfde beginsel berustend, nl. dat de
eer aan de beeltenis van een persoon bewezen, een
betrekkelijke is, d.w.z. niet die afbeelding maar den
persoon zélve geldt. In het O. wordt daarbij aan die
beelden feitelijk een plaats onder de > Sacramen-
taliën toegekend, d.i. onder die gewijde voorwerpen
waarvan het godvruchtig gebmik op zichzelf hcil-
veroorzakend is; iets wat in het W. minder op den
voorgrond treedt. Vandaar, dat aan de liturg, wijding
der beelden ginds meer gewicht wordt gehecht dan
hier, en het gebmik er van (in het bijzonder het
private) dat van de relieken in het W. evenaart.
Hierbij sluit zich aan. dat in het O. de uiterlijke vorm
strenger is (hiëratisch), en ook nauwer aan traditie
gebonden. Wel schrijft- ook in het W. de Kerk voor,
met de tradities niet te breken, maar zij laat overigens
vrijheid, onder toezicht der bisschoppen. Door nadere
voorschriften regelt zij zekere punten, als die van
aureool of stralenkrans, van de stoffen, waaruit
openbaar te vereeren beelden vervaardigd moeten zijn,
van hun plaatsing (> Patroonheilige), verder van
hun omsluiering op zekere tijden, van hun zegening
(plechtige bisschoppelijke, eenvoudige), van de
liturgische eerbewijzen (bewierook ing, groet: buiging,
knieling, enz.), van de plechtige > kroning van
beelden van Jesus of Maria. Kenschetsend voor de
vereering der beelden in het O. is, dat er daar op de
kalenders feesten voorkomen, waarvan beelden het
voorwerp zijn (Pontificale rom., Caeremoniale episcop.,
Rituale rom., Decreta authentica der Riten -Congr.,
Wetboek van het Kerktiijk Recht). Louwerse.
1 1 • Buitcn-Christclijk.
1° P r a e h i s t o r i s c h. Of de godheid in
het oud-steenen tijdperk in beeld werd voor-
gesteld en onder beeldvorm vereerd, hangt af van
de beteekenis, die men aan de steenen vrouwen-
beeldjes met weelderige lichaamsvormen uit dit
tijdperk toeschrijft. Moeten ze inderdaad als vrucht-
baarheidsgod innen verklaard worden, dan moet ook
de vereering van beelden der godheid tot in dien
tijd opklimmen. In het nieuw’ - steenen
tijdperk vindt men in de graven vaak een reliëfbeeld
van een vrouwelijk wezen, dat hoogst waarschijnlijk
wel een godin voorstelt, maar op w’elke manier dit
beeld vereerd werd, is onbekend. In het bronzen
tijdperk vindt men beeldjes van stieren, die w T aar-
schijnlijk als amuletten dienst deden, uit hout gesneden
mannelijke beeldjes, die vruchtbaarheidsgoden voor-
stelden, de afbeelding van de zon op haar zonnewagen
uit den Hallstatt-tijd, die waarschijnlijk rondgereden
w’erd om den weldoenden invloed der zon over de
streek te verspreiden. Er zijn ook beelden van dieren
(bison, beer) in deze tijdvakken, die naar veler meening
cultusobject waren.
2° Ethnologisch. Kenmerkend voor het
Hoogste Wezen der oerculturen is de afwezigheid
van beelden in zijn eeredienst. Een eerste poging om
het Hoogste Wezen voor te stellen vormen de figuren,
die, ter gelegenheid der inwijdingsceremonies, in
schors uitgesneden of op den grond uitgeteekend,
maar daarna weer vernietigd werden. De gewoonte,
die later ontstond om de dooden onder vorm van een
houten beeldje, dat echter niets met een portret van
den doode te maken had, voor te stellen of den schedel
met klei aan te vullen en zoo een hoofd te modeleeren,
verder de voorstelling onder beeldvorm van de stam-
ouders, van het totemdier op rotswanden, houten
palen, enz. kunnen tot de ontwikkeling van de beel-
denvereering hebben bijgedragen. > Fetisjisme;
> Totemisme ; > Polytheïsme ; > Maskers; > Wa-
jangpoppen.
3° Cultuurvolkeren. Meest alle volkeren
met een hoogere cultuur hebben beelden van hun
hoogcre wezens. Uitzondering hierop maken de
oude Litauers, de Joden, de Mohammedanen. (Voor
de Christenen, zie onder.) De Japanners kennen
beeldenvereering alleen onder den invloed van het
Boeddhisme, de Perzen waarschijnlijk alleen onder
den invloed van Babylon, de Romeinen onder den
invloed van Griekenland.
De góden werden meest altijd onder menschelijke
gedaante uitgebeeld. Goden met vele koppen, armen
en beenen vindt men in Indië, bijzonder ook in het
Noordelijk Boeddhisme; góden onder dierlijke gedaante
in Egypte, gemengde dierlijke en menschelijke vormen
vooral in Indië en Gallië; góden op een dier staande
bij de Hethiten en ook in Indië. Verder nog góden
onder koningsgedaante op Java. Aan die godenbeelden
werden offers opgedragen en wel vaak in een vorm,
die laat veronderstellen, dat het beeld op een of andere
manier geacht werd van het offer te genieten. In
Egypte w r erd het beeld der godheid spijs en drank
voorgezet, ’s morgens werd het gew r ekt, gewasschen
253
Beeld Gods— Beeldhouwkunst
254
Beeldenverering. Zonnewagen van Trundholm.
en gekleed, ’s avonds weer ter niste gelegd. De meeste
volkeren kennen ook processies met godsbeelden.
Vaak ook worden de góden, die niet helpen, getuchtigd.
Uit dit alles blijkt, dat men het beeld toch als iets
meer dan als een levenloos ding beschouwde, maar
daar mag men toch niet uit besluiten, dat de godheid
met het beeld geïdentificeerd werd. Het is voor ons
zeer moeilijk de juiste gemoedsgesteltenis der afgoden-
dienaars te begrijpen. We zouden bijna voor iederen
odsdienstvorm afzonderlijk moeten kunnen nagaan,
oe de beeldenvereering er ontstaan is.
L i t. : C. Clemen, Bilderverehrung, in Die Religion in
Geschichte und Gegenwart (I, 1098-1102); Images and
Idols (verschillende auteurs), Encyclopaedie ol Religion
and Ethica (Vil, 110-160). Belton.
De identificeering van den god met het beeld is
noch bij de G r i e k e n, noch bij de Romeinen
te bewijzen. Sinds de 6e eeuw v. Chr., toen men ook
menschen ging uitbeelden, werden de godenbeelden
steeds volmaakter uit een oogpunt van kunst. Rome,
dat zich aanvankelijk zeer heeft verzet tegen den
cultus van anthropomorphische beelden (Cato), volgde
weldra in ieder opzicht het voorbeeld van Griekenland.
Dat ook hier een beeld ten slotte symbool bleef volgt
o.a. duidelijk uit den plicht om de keizerbeelden te
aanbidden, terwijl de keizer elders leefde. Slijpen.
Beeld Gods. Een beeld van iets is datgene, wat
als gelijkenis van iets is voortgebracht. Volgens de
II. Schrift is de mensch als een gelijkenis van God
door God voortgebracht (Gen. 1. 26; 6. 1 — 3); alleen
de mensch wordt in onderscheid met de andere aard-
sche schepselen beeld Gods genoemd, omdat de mensch
alleen, krachtens zijn geestelijke ziel en qualiteiten,
op God, den zuiveren Geest, gelijkt. Wijl de mensch
krachtens zijn geest heerscht over de aarde, ziet de
H. Schrift in deze heerschappij het beeldschap Gods
zich uiten (Gen. 1. 26). Beeld Gods te zijn komt den
mensch dus van nature toe. Maar door de boven-
natuurlijke verheffing wordt hij als b. G. vervolmaakt.
Door de genade krijgt hij een bijzondere gelijkenis
met Gods natuur; door zijn bovennatuurlijke kennis
van en liefde tot God lijkt hij op den Drieëenen God,
in Wien krachtens de Goddelijke kennis en liefde
de Goddelijke personen voortkomen.
L i t. : Diekamp, Kath. Dogmatik (II, §23); A. Stin-
ker, Die Gottebenbildlichkeit des Menschen in der
christlichen Litteratur der ersten zwei Jahrhunderte.
Kreling .
Beeldhouwkunst (a e s t h e t i c a) is de
nabootsende kunst om een geestelijken inhoud in de
ruimte uit te beelden en wel in drie afmetingen. De
schilderkunst kan ook het tridimensionale uitbeelden;
doordat zij dit echter in een vlak doet, stelt zij ons
slechts den schijn der derde afmeting, de diepte, voor
oogen (perspectief). De b. gebruikt het geometrisch
lichaam voor haar gegeven, den meest volkomen
zinnelijk waarneembaren vorm, die niet enkel op
’s menschen gezichtsvermogen, doch ook op zijn tast-
vermogen is aangewezen. Deze plastische vorm is
ondergeschikt 1° aan den geestelijken inhoud; 2°
aan de bestemming van het beeldwerk (bijv. aan de
architectuur gebonden of vrij -staand); zie ook >
Bouwbeeldhouwkunst ; 3° gedeeltelijk aan het materi-
aal (graniet eischt andere vormgeving dan bijv.
brons). Wat het materiaal betreft, bestaat er veeleer
een wisselwerking, niet ongelijk aan die, welke er is
tusschen geestelijken inhoud en den vorm: de vorm
moet in harmonie zijn met den natuurlijken aard van
het materiaal (hij moet het marmer „bezielen”, doch
niet den bijzonderen aard van het marmer trachten
weg te tooveren). Elk beeldhouwwerk zal dus de voor
255
Beeldkromming — Beeldschrift
256
zijn geestelijken inhoud meest expressieve tridimen-
sionaliteit moeten bezitten. Deze bepaalt in elk geval
de mate van streven naar natuurwaarheid bij den na-
bootsenden kunstenaar. liet is derhalve onjuist te
denken, dat afwijken van de natuurgetrouwheid per se
aan de kunstschoonheid van het beeldhouwwerk
afbreuk doet. „Men kan een groot beeldhouwer zijn,
zonder zich de juiste uitbeelding der organische sa-
menstelling van een menschenlichaam tot taak te
stellen” (Pinder). Ondergeschikt aan den vorm is
ten slotte de kleur, welke aan het beeld gegeven zal
worden (> Polychromie). In grove lijnen onderschei-
den we: 1° het eigenlijke beeld, dat een meer in
zichzelf besloten leven uitdrukt: standbeeld, portret-
buste enz.; 2° de groe p, die een zeker naar buiten
treden van dat leven verbeeldt, altijd binnen het ver-
band van de groep; 3° het reliëf, een overgangs-
vorm naar de schilderkunst, waarin zich dan ook meer
de eischen van deze laatste kunnen doen gelden.
Lit. : Kuhn, Gesch. der Kunst. Plastik I (1890),
inleiding; Hildebrand, Das Problera der Form (1897);
Pinder, Der Begriff des Plastischen in der spatmittel-
alterlichen Kunst Deutschlands in Die Deutsche
Plastik vom ausgehenden Mittelalter bis zum Endo der
Renaissance I [z.j. (1924)]; Hermann Cohen, Aesthetik
des reinen Gelühls (II z.j., blz. 2 40-308). KniypinQ .
Technieken der beeldhouwkunst. De beeldhouwer
begint, evenals de schilder, zijn gedachte op papier
te schetsen. Zijn gegeven denkt hij zich steeds „en
relief” en niet gelijk de schilder in het vlak. Zijn
schets dient hem dan ook uitsluitend om het idee
vast te leggen, niet de verdere uitvoering daarvan.
Daartoe gaat hij over tot het „schetsen in klei”, d.w.z.
het maken van zijn ontwerp in drie dimensies, in
tegenstelling van zijn schets, waarbij hij zich slechts
van twee dimensies kan bedienen. Het begrip schets
houdt in, dat zijn maaksel slechts de opzet, compo-
sitie, omvang, enz. in hoofdzaak zal behandelen. Zijn
deze zaken eenmaal naar zijn intenties geregeld, dan
eerst gaat hij over tot het maken van een model,
waarin alle details, enz. uitvoerig en zorgvuldig be-
handeld worden. Van het materiaal, waarin zijn ont-
werp zal worden uitgevoerd, bezorgt hij zich een blok,
dat de grootste breedte, diepte en hoogte van zijn
model in klei zal hebben. Op dit blok worden de ver-
schillende punten gezet en lijnen getrokken, waarmede
het model als het ware op alle zijden van het blok
geprojecteerd is. Ter bepaling van de verschillende
diepten, welke hij vervolgens moet hakken om het
beeld te voorschijn te brengen, bedient hij zich van ver-
schillende passers en meetwerktuigen, die hem de
juiste diepte kunnen bepalen. Het beitelen in steen
vereischt groote ervaring, omdat men door een on-
juiste behandeling bepaalde materialen, bijv. marmer,
zgn. „dood” kan hakken, d.w.z. den glans verdrijven.
Het boetseeren geschiedt in den regel in klei, die voor
dit doel speciaal geprepareerd is. Voor werken van
grooteren om vang wordt vooraf een geraamte uit hout
of ijzerdraad vervaardigd, opdat de klei niet uit
elkaar zal vallen. De beeldhouwer werkt vooral met
zijn duim en vingers. Voor fijnere details gebruikt
hij boetseerstiften, houten pennen in verschillende
vormen en afmetingen. Wordt het boetseeren voor
eenigen tijd gestaakt, bijv. des avonds, dan wordt
het boetseerwerk bedekt met vochtige doeken om het
opdrogen der klei te voorkomen. Is nu de modeleur
gereed met zijn werk, dan wordt vervolgens het model
in gips gegoten en verkrijgt men het zgn. > afgietsel.
Voor fijnere werken met weinig reliëf wordt ook wel,
in plaats van klei, was gebruikt. Swillens,
Voor de geschiedenis der b., zie onder de ver-
schillende landen.
Becldkroinining (natuurkunde), beeldfout
(> Afbeelding), hierin bestaande, dat de beeldpunten
bij een optische afbeelding niet in één plat vlak, maar
op een gebogen oppervlak liggen. Men heeft, gebruik
makende van de nieuwere glassoorten van Schott,
lenzen geconstrueerd, waarbij de b. is opgeheven,
tegelijkertijd met het astigmatisme. Rekveld.
Beeldlijn, > Afbeelding.
Beeldoppervlak, > Afbeelding.
Beeldpunt, > Afbeelding.
Beeldschrift staat tegenover > klankschrift.
In het beeldschrift (ook ideographische teekens of
pietographie genoemd), een vorm van primitieve
kunst, werden oorspronkelijk alleen de dingen en
begrippen, en niet de woorden, door afbeeldingen
voorgesteld. Het is dus onmiddellijk en voor iedereen
/ /vwwv = water (n) 4 L _J * huis
2. CN== \ s slang (d ) «5. J\ » gaan
3. ^ * mond (P) 6. O « zon Jicht
Voorbeelden van beeldschrift, ontleend aan de Egyp-
tische hiëroglyphen. Men teekende dus het beeld om
het begrip op papier weer te geven. Bij de eerste drie
voorbeelden ziet men, dat het teeken ook de waarde
gekregen heelt van een klank, die in het Egyptische
woord voorkwam.
verstaanbaar. Later hebben sommige beeldschriften
zich verder ontwikkeld, als bijv. dat van het Chi-
neesch, dat woordenschrift werd: aan elk eenletter-
grepig woord beantwoordt een speciaal teeken; m.a.w.
hier wordt het heele woord door één teeken weer-
gegeven. Het b. is figuratief, als het bijv. een man of
een huis voorstelt door hun graphische afbeelding, of
symbolisch, als het bijv. een struisvogelveer gebruikt
om de rechtvaardigheid weer te geven. Het voordeel
van b. bestaat hierin, dat er geen bepaalde klanken
als bemiddelaars behoeven op te treden om den ge-
dachten-inhoud begrijpelijk te maken. Nadeelen
echter vindt men in het feit, dat het aantal beelden
veel te gering is voor het onbeperkt aantal voorstel-
lingen of begrippen, en dat vele van deze moeilijk of
niet door afbeeldingen kunnen worden weerg geven,
al bedient men zich nog volop van symbolen.
Men vindt b. op rotsen, steenen, leder, boomschors,
enz. Het komt voor in den steen- en bronstijd van
Europa, bij de Australiërs, de Micronesiërs, de Poly-
nesiërs, de Eskimo’s en de Indianen van N. en Cen-
traal -Amerika. Een beroemd Indiaansch beeldschrift
is bijv. „Walam-Olum” van de Lenape-Indianen.
Tot het figuratieve schrift kan ook gerekend worden
het knoopschrift van de Inka’s, den heerschenden
stam in Peru ten tijde der verovering door de Span-
jaarden. Het hiëroglyphen- en spijkerschrift is ten
deele figuratief, ten deele klankschrift. Beide schrift-
stelsels hebben zich tot gewoon klankschrift ontwik-
keld. > Alphabet ; > Schrift.
_^L i t. : Weule, Vom Kerbstock zum Alphabet ; Th. W.
257
Beeldspraak — Beelt
258
Danzei, Die Anf&nge der Schrift ; H. Jensen, Geschichte
der Schrift (Hannover 1925) ; Ebert, Reallexikon der
Vorgeschichte (Berlijn 1927, s.v. Schrift). Weijnen.
Beeldspraak, spreken in beelden, figuurlijke
of overdrachtelijke taal. B. ontstaat, wanneer wij den
indruk, door een ding of gebeurtenis vroeger op ons
gemaakt, voelen ineenvloeien met een indruk van het
tegenwoordig oogenblik, en dit uitspreken door woor-
den, die eigenlijk bij dat vroegere passen, met dit
tegenwoordige te verbinden. Dat ineenvloeien steunt
op de gelijkenis, die werkelijk of althans voor ons
gevoel bestaat tusschen het vroegere en huidige;
gewoonlijk gaan uiterlijke, objectieve gelijkenis en
subjectieve indruksgelijkenis tezamen. De reden
van b. is behoefte: b. wordt uit nood geboren; men wil
zijn eigen indruk bij een ander wekken en kan het niet
anders dan door te herinneren aan een vroegeren in-
druk, ook den ander in den geest. Soorten:
men onderscheidt gevoels-, verstands- en verbeel-
dingsbeeldspraak, naar gelang de overeenkomst of
het verband van beeld en verbeelde door het gemoed
gevoeld, door het verstand begrepen, door de phan-
tasie gezien wordt. Eigenschappen: b.
moet zuiver zijn, d.i. geheel beantwoorden aan gevoel,
verstand, verbeelding, al naar de soort. Een b. kan
onzuiver zijn voor het verstand en toch zuiver voor
het gevoel; b. moet oorspronkelijk zijn, minstens
nieuw van voorstelling; versleten b. (> Cliché) is
immers niet in staat den gewenschten indruk van
vroeger bij een ander wakker te roepen; b. moet ook
edel zijn: een beeld kan op zich of in bepaalde omgeving
grof of belachelijk wezen.
L i t. : P. Zeegers, De theorie der beeldspraak (Studiën,
LXX vgl.) ; G. Gezelle, Loquela ; Weinel, Die Bilder-
8prache Jesu (1900) ; A. Wünsche, Die Bildersprache
des Alten Testamentes (1906-’07) ; J. v. Ginnoken,
Het Gevoel in taal en woordkunst (Leuv. Bijdr. X,
afl. 1-2, 1912) ; H. Padberg, De mooie Taal (1924).
v. d. Eerenbeemt,
Beeld-telegraphie, het electrisch overzenden
van beelden door middel van stroom-impulsies, welke
analoog zijn aan die van de telegraphie. Vóór 1850
uitgedacht, heeft ze zich eerst onlangs uitgebreid,
en wordt nu veel, vooral door nieuwsbladen, gebruikt.
Zie plaat t/o kolom 161.
Voornaamste onderdeelen:
l°de uitzender, waarin het beeld „afgetast”
en de stroom-impulsies voortgebracht worden; deze
kan op verschillende princiepen berusten. Vooral
wordt nu de „photocel” gebruikt. Het op een cylinder
C vastgemaakte en ronddraaiende beeld (eerst op door-
schijnende film afgedrukt) wordt door een lichtstraal
schroefvormig afgetast: naarmate de helderheid van
het belichte punt grooter of kleiner is, wordt meer of
minder licht naar de photocel doorgelaten, waardoor
deze meer of minder stroomt levert.
2° De ontvanger werkt soms op electro-
chemische wijze (invloed van een stroom op een met
jodium en stijfsel bestreken papier), nu echter meer
electrisch. De aankomende stroom-impulsies worden
gestuurd in een oscillograaf O, waarvan de trildraad
min of meer het van L aankomende licht afspert. De
zoo gemoduleerde lichtstraal wordt dan geconcen-
treerd op een photographisch papier P, dat ook een
schroefvormige beweging heeft. De uitslag is een lijn,
waarvan de breedte met de hevigheid der stroom-
impulsies verandert (zie fig. 1). Ook gebruikt men de
Kerr-cel (in 1926 door Karolus uitgedacht), welke
berust op het Kerr-effect. De stroom-impulsies wor-
den versterkt en aangelegd aan een condensator, waarin
zich nitrobenzol bevindt. Deze wordt daardoor meer
of minder dubbelbrekend, en zal dus een gepolariseer-
Beeldtelegraphie. Boven : schema van uitzender.
Onder : schema van ontvanger.
den lichtstraal in veranderlijke mate tegenhouden
volgens de hevigheid der stroom-impulsies. De uit-
slag is in dit geval een lijn met constante breedte, maar
veranderlijke intensiteit (zie fig. 2).
De goede overzending der beelden vereischt een vol-
komen synchronisatie van uitzender en ontvanger.
Dit wordt dikwijls verkregen door middel van een
phonisch rad (insgelijks gebruikt voor de synchroni-
satie van televisie -toestellen).
L i t. : H. E. Ives, Picture transmission over telephone
line8 (Bell System Technical Journal 1925, 187). Gillon.
Beelen, Jan Theodoor, Nederlandsch
Kath. biblist en Oriëntalist; * 12 Jan. 1807 te Am-
sterdam, f 31 Maart 1834 te Leuven. Benoemd in
1833 tot prof. van de H. Schrift aan het Groot-Semi-
narie van Luik, in 1836 tot prof. aan de na de Fransche
revolutie heropgerichte Leuvensche Universiteit,
waar B. het initiatief nam tot een vernieuwde studie
van de Oud- en Nieuw-Testamentische exegese en van
de Oostersche talen. Zijn meest verspreide publicatie
is zijn gecommentarieerde Nederlandsche vertaling
van het Nieuwe Testament (Het N.T.O.H.J.C. volgens
den Lat. tekst der Vuig. in het Nederduitsch vertaald
en in doorloopende aanteekeningen uitgelegd, 3 dln.
Leuven 1859 — 1869), en van enkele boeken van het
O.T., daarbij inbegrepen een verdienstelijke commen-
taar op de Psalmen (Leuven 1878). Sedert 1926 ver-
schijnt bij K. Beyaert, Brugge, een nieuwe bijgewerkte
uitgave van Beelcn. Het O. en N.T. vroeger bewerkt
door mgr. Beelen, hoogl. te Leuven, en andere mede-
werkers; opnieuw bewerkt door Camerlijnck, Ceup-
pens O.P., Dignant, Keulers, Roelands S.J., Rijck-
mans, Van der Heeren, van Grinsven. Als een der
eersten onder de Katholieken stelde hij een Gram-
matica samen van het Nieuw-Testamentisch Grieksch
(Leuven 1857). Als exegeet trachtte B. vooral den
letterlijken zin van de H. Schrift vast te stellen, en
sprak zich uit tegen de pluraliteit van den letterlijken
schriftuurzin.
L i t. : J. Coppens, Ephem. Theol. Lov. (1932, 609-
611) ; G. Rijckmans, ib. (688-690). Brans,
Beelmeon, > Baalmaon.
Beelt, C o r n e 1 i s, schilder, werkzaam te
Haarlem in de 2e helft van de 17e eeuw; er is weinig
van zijn leven bekend. Eenige musea (o.a. te Haarlem)
bezitten schilderijen van hem (strandgezichten en
landschappen), die niet onverdienstelijk zijn en aan
Iz. van Ostade en Claes Molenaer herinneren.
L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Schretlen.
IV. 9
259
Beëlzebub — Been
260
Beëlzebub, 1° (Baalzebub) naam van een in de
Filistijnsche stad Accaron vereerde godheid (4 Reg.
1.2.6. 1G). Deze naam beteekent „heer der vliegen” en
werd waarschijnlijk aan den god gegeven, omdat hij
volgens de opvatting der Filistijnen de vliegenplaag
over het land bracht en het daarvan kon verlossen.
Zoo vereerden de Grieken Zeus als vliegenafweerder.
Als orakelgod werd B. o.a. door koning Ochozias ge-
raadpleegd (4 Reg. 1.2).
2° Benaming van den vorst der duivelen in den
Vulgatatekst van het N.T. (Mt. 12.24; Mc. 3.22;
Lc. 11.16). In het Grieksch vindt men telkens Beëlze-
bub wat de juiste lezing is. Dit woord wordt verklaard
als „heer van den mest”, omdat de afgodendienst in
de latere Joodsche literatuur met sibul (mest) aange-
duid werd. Anderen vatten het op als „heer der wo-
ning”, d.w.z. van het verblijf der booze geesten;
Mt. 10.26 schijnt op die beteekenis te zinspelen.
Keulers.
Beemd, drassig land, dat gew'oonlijk of reeds bij
een waterstand, die eenigszins boven den normalen
is, onder water staat.
Beemdcliampignon, > Weidechampignon.
Beemdgras, grassoort, welke vroeg, smakelijk
en voedzaam is. Men onderscheidt: v e 1 d - b. (Poa
pratensis) en r u w - b.
(Poa trivialis) ; het eerste
groeit vooral op hoogen
zandgrond, het tweede op
klei, veen en lagen zand-
grond.
Beeindlangbloem
(Festuoa praten*
s i s), goede grassoort,
w r elke lang doorgroeit en
voedzaam is.
Beemdooievaars-
bek (Geranium pra-
ten s e), familie der
ooievaarsbekken (Gerania-
ceae). Grootbloemige, over-
jarige plant. Groeit op
beschaduwde vochtige
plaatsen. Heeft insecten-
bestuiving.
Bceindvosscslaart
(A 1 o p e c u r u s pra-
tens i 8), grassoort met
lange groeiperiode en
groote hooiopbrengst.
Groeit het meest op lage
veen weiden.
Becmster, droogma-
kerij en gem. in de prov
N.H., ten N. van Purme-
rend; opp. 7 098 ha; één
groot dorp: Midden -Beem-
ster, verder landelijke be-
bouwing. Op 1 Jan. 1932:
6 212 inw. De Kath. (1/6
der bevolking) behooren
grootendeels tot de parochie
B., enkelen tot Purmerend en Schermerhorn. Na de
Haarlemmermeer is de B. de grootste droogmakerij
van N.H., onder leiding van Leegwater drooggelegd
van 1607—1612; het werk werd gefinancierd door
Amsterdamsche en Haagsche kooplieden. Op de oude
zeeklei worden veeteelt, land- en tuinbouw uitgeoe-
feDd; industrie ontbreekt vrijwel. De tramlijn Pur-
merend — Alkmaar gaat door de B. van der Meer .
Been, 1° (lidmaat), noemt men de achterste
ledematen van den mensch. Het bestaat uit het
bovenbeen, het gedeelte van bekkengordel tot knie,
het onderbeen vanaf knie tot enkel en uit den voet.
> Skelet. Voor menschelijke anatomie. -»* Ledematen.
2° Been of bot is de meest harde en vaste vorm
van steun weefsel, waaruit het geraamte der gewervelde
dieren, met uitzondering van de haaiachtigen en rond-
bekken, hoofdzakelijk is opgebouw T d. > Beenderen.
Samenstelling. Men kan in b. een organi-
sche en een anorganische substantie onderscheiden.
De organische of grondsubstantie (osseïnc) vormt
een onverkalkt, lijmgevend weefsel, opgebouw T d uit
tot bundels gerangschikte, uiterst fijne fibrillen,
waarin stervormig vertakte beencellen of been vormers
(osteob lasten), door fijne protoplasma -uitloopers
onderling samenhangend, liggen ingebed. De anorga-
nische substantie (beenderaarde) is een mengsel van
phosphorzure en koolzure kalk met gennge hoeveel-
heden phosphorzure magnesia en fluorcalciura. De
organische substantie geeft aan b. elasticiteit, de
anorganische hardheid. Procentsgewijze wordt 36%
organische substantie, 66% phosphorzure kalk, 8%
koolzure kalk, 1% phosphorzure magnesia en in het
email der tanden 1% fluorcalcium aangetroffen.
Deze samenstelling is echter zeer wisselend en ver-
andert sterk, o.a. naar leeftijd. In de jeugd bevat b.
meer organische substantie en is dientengevolge meer
elastisch, geneest gemakkelijker bij beenbreuken;
op ouderen leeftijd bezit b. meer anorganische sub-
stantie, is dan harder doch minder buigzaam en
geneest moeilijker. Ook de meer naar buiten gelegen
compacte massa van b. (compacta) bevat meer anor-
ganische substantie dan de meer naar binnen gelegen
spongieuze massa (spongiosa). Wordt b. in verdund
zoutzuur gelegd, dan worden de kalkzouten opgelost
en blijft alleen de organische substantie over, die nu
zeer buigzaam en gemakkelijk te snijden is. Bij gloeien
wordt b. eerst zwart, daarna krijtwit, waarbij alleen
de anorganische substantie overblijft, die broos doch
zeer hard is; ook na langdurig koken verdwijnt de
organische substantie. Na elk dezer behandelingen
blijft b. zijn vorm behouden.
Ontstaanswijze en groei. De grondvorm,
waarin b. wordt gevormd, is door bindweefsel of
kraakbeen gepraeformeerd. In het eerste geval hoopen
zich in het embryonale weefsel beencellen op, die
tusschen zich de grondsubstantie afscheiden, waarin
later de kalkzouten worden afgezet. Naar gelang het
verbeen ingsproces (ossificatieproces) vordert, komen
de beencellen als plasma-eenheden, onderling door
fijne uitloopers verbonden, in de grondsubstantie te
liggen. Deze bind weef sel verbeen ing treft men o.a.
aan in de dekbeenderen van den schedel. In geval
een reeds embryonaal aangelegd kraakbeen ig skelet-
stuk door b. wordt vervangen, moet men onderscheid
maken tusschen perichondrale en enchondrale been-
vorming. Bij perichondrale beenvorming w r ordt
vanuit het perichondrium (een het kraakbeen omge-
vende min of meer verdichte bindw'eefsellaag) buiten
op het kraakbeenmodel een beenmantel gevormd. Bij
enchondrale beenvorming woekeren van de
oppervlakte bloedvaatjes het kraakbeen binnen,
die beencellen meevoeren. Deze beencellen worden
in concentrische lagen om de bloedvaatjes gerang-
schikt en zetten nu de beenlamellen af. Door steeds
Veldbeemdgras.
261
Been
262
verder voortwoekeren der bloedvaatjes wordt ten
slotte het geheele kraakbeen geresorbeerd en door
been of beenmerg vervangen. Ook kandoor binnen-
drineende bloedvaatjes beenvormend materiaal naar
een centraal punt van het kraakbeen worden vervoerd.
De verbeening gaat dan uit van dit centrum (ossificatie-
centrum) en schrijdt van hier onder oplossing van het
kraakbeen naar de oppervlakte voort. Ook in deze
gevallen zijn het de osteoblasten, die tusschen zich
de grondsubstantie (osseïno) afscheiden, waarin
later de kalkzouten optreden.
Peiichondrale en cnchondrale beenvorming kunnen
in hetzelfde kraakbeenmodel plaats grijpen. Bij lange
skeletstukken begint de beenvorming perichondraal,
doordat om het middenstuk (diaphyse) vanuit het
perichondrium een beenen mantel wordt afgezet,
die het middenstuk als een manchet omgeeft. De uit-
einden (epiphysen) van het kraakbeenmodel blijven
voor loop ig nog kraakbeenig en steken buiten de
manchet der beenige diaphyse uit. In de dikte neemt
nu de beenmantel toe, doordat steeds nieuwe lagen
tegen dc oppervlakte worden afgezet (appositioneele
groei). Binnenin wordt door binnendringende bloed-
vaten en vooral door bijzondere cellen ^beeneters of
osteoklasten) het kraakbeen geresorbeerd. Naarmate
dit in de richting der epiphysen voortschrijdt, begint
ook de enchondrale beenafzetting (de spongiosa),
waarin uitspringende balken der kraakbeenige epi-
physen blijven bestaan en daardoor een vaste verbin-
ding houden met de diaphyse. In de lengterichting
groeit de beenmantel der diaphyse uit, doordat de
epiphysen, die nog steeds onder uitzetting hunner
kraakbeenige grondmassa in dikte, vooral echter in
lengte uitgroeien (interstitieele groei), steeds hooeer
door de nieuw afgezette beenlagen der diaphyse
worden omvat. Binnenin w T ordt door verdere afbraak
van het nog aanwezige kraakbeen en gedeeltelijk ook
van het enchondraal gevormd been de mergholte
gevormd. Van den anderen kant echter wordt, naar-
mate het been in de lengte groeit, binnenin in de
richting der steeds verder uitschuivende epiphysen
nieuw enchondraal been gevormd. Opbouw van buiten,
afbraak van binnen houden ten slotte gelijken tred.
Ook in de kraakbeenige epiph) T sen begint eindelijk
de beenvorming en wel van een centraal gelegen
enchondraal beenweefsel, dat van hier zich onder
oplossing van het kraakbeen naar de oppervlakte
uitbreidt en met de nu ook hier begonnen perichon-
drale beenvorming het ossificatieproces voltooit.
Op de gcwrichtsvlakken blijft echter een kraakbeen-
kapsel behouden. Ook tusschen epiphysen en diaphyse
blijft, zoolang het beenstuk nog niet zijn definitieve
lengte heeft bereikt, een kraakbeenschijf bestaan,
die er voor zorgt, dat nog steeds groei in de lengte kan
plaats hebben. Eerst dan, wanneer de volwassen toe-
stand intreedt (bij den mensch op ca. 20-jarigen leef-
tijd), verdwijnt deze laatste rest van het kraakbeen-
model. Verbeening van korte skeletstukken zooals
wervels, hand- en voetwartelbeentjes geschiedt
enchondraal en verloopt meestal op dezelfde wijze als
de verbeening der epiphysen der lange beenderen.
Anatomie. Wordt een beenstuk dwars door-
gesneden, dan treft men op de sneevlakte de volgende
onderdeden aan. Naar buiten ligt om het been het
•> beenvlies (periost) als een noodzakelijke bescher-
ming van het daaronder liggende been, daar dit
onbedekt te gronde gaat. Op het beenvlies volgt de
harde beenmassa, waaraan te onderscheiden valt
de naar buiten gelegen schorslaag of compacta en de
naar binnen gelegen spongiosa. In de compacta vindt
men talrijke openingen (0,08—0,12 mm middellijn),
Beenweefsel. a *= becnliolte, b = binnenwand, e — been-
cellen, d = kanaal van Havers, e = buitenwand.
die in lengterichting kanalen (kanalen van Havers)
vonnen en die onderling door dwarsverbindingen
(Volkmannschc kanalen) samenhangen. Om deze
kanalen vindt men de beenlamellen (Ilaversche
lamellen) in concentrische lagen gerangschikt, waarin
eveneens concentrisch geordend de beencellen met
hun fijne uitloopers liggen ingebed. De Ilaversche
kanalen dienen tot opname van zenuwen en bloed-
vaten, die vanuit het beenvlies of als vertakkingen
van in de buurt liggende groote zenuwen en bloedvaten
binnendringen. Naar buiten openen de Haversche
kanalen in het beenvlies, naar binnen in het been-
merg. Op de compacta volgt de enchondraal aan-
gelegde spongiosa, bestaande uit een systeem van
kanalen en holten, opgevuld met merg, en omgeven
door uit beenweefsel opgebouwde wanden. Het geheel
vertoont een sponsachtigen bouw. De balkjes en dwars-
balkjes zijn echter zoo gerangschikt, dat bij aan-
wending van de geringste hoeveelheid materiaal de
grootste steunkracht wordt verkregen. Bij de pijp-
beenderen heeft deze spongiosa grootendeels plaats
gemaakt voor de centrale mergholte. Korte beenderen
bestaan hoofdzakelijk uit spongiosa, terwijl de com-
pacta niet of bijna niet ontwikkeld is. Het beenmerg,
dat in kanalen en holten wordt aangetrolfen, is aan-
vankelijk zeer bloedrijk (rood beenmerg): later wordt
hierin (vooral in de groote holten der pijpbeenderen)
veel vet afgezet en krijgt het merg een gele kleur (geel
beenmerg). De roode bloedlichaampjes vinden hun
ontstaan in het roode beenmerg.
Technische verwerking. Been wordt
tot velerlei voorwerpen, als knoopen, knoppen, mes-
heften, pijpenroeren, toetsen van pianoborden, enz.,
verwerkt. De beenderaarde wordt tot beendermeel
vermalen en wordt dan als meststof gebruikt. Als
263
Beenbeweging — Beenderen
264
bijproduct wordt bij de beendermeelfabricatie uit
b. lijm gewonnen. Ook weet men door uitkoken het
vet te extraheeren, dat o.a. als grondstof bij de zeep-
fabricage dient. Willems .
3° In de meetkunde, > Hoek; Driehoek;
Trapezium.
Beenbeweging, de beweging der beenen, het
voetwerk genaamd, één der belangrijkste onderdeden
der bokssport. De b. speelt een aanzienlijke rol zoowel
bij aanval als bij verdediging. De voornaamste b.
zijn achter- en voorwaartsche passen, en zijwaartsche
sprongen achterwaarts, uitvallen voor- en schuin -
voorwaarts.
Beenbrand, heftige ontsteking van een beenstuk,
tot gevolg hebbende, dat een deel van het aangedane
bot af sterft. Dit afgestorven beenstuk komt na ver-
loop van enkele weken tot maanden los te liggen.
Zoo ’n losliggend dood beenstuk wordt sequester
genoemd. Het proces gaat met ettering gepaard, waar-
door > fistels ontstaan. v. Haeff.
Beenbreek, Narthecium ossifra-
g u m, familie der lelieachtigen (Liliaceae), zoo ge-
noemd, omdat het
vee door het eten
van deze planten
broze beenderen zou
krijgen. Zwak ver-
giftig en komt alge-
meen voor op moe-
rassige hei- en veen-
streken.
Beenbreker,
> Zeearend.
Beenbreuk
(Fractura ossium),
opheffing van den
normalen samen-
hang van de beenige
lichaamsdeelen, in
den regel veroor-
zaakt door geweld
(traumatische frac-
tuur), soms ook zon-
der aantoonbaar
geweld bij verande-
ringen in de been-
structuur (spontane
of pathologische fractuur), zooals voorkomt bij gezwel -
vorming, ontsteking of voedingsstoornis in het been.
De samenhang kan geheel zijn opgeheven (Fractura
completa) of slechts ten deele, zoodat de beenstukken
niet geheel los van elkaar zijn (Fractura incompleta).
Naar de wijze van breken onderscheidt men: b. door
afscheuring, door buiging, door afdraaiing, door
indrukking, door verbrijzeling. Het been kan breken
op de plaats van het inwerkend geweld (directe frac-
tuur) of op een afstand daarvan (indirecte fractuur).
Verschijnselen: 1° plaatselijke zwelling
door bloeduitstorting, omdat steeds bloedvaten mede
verwond worden; 2° plaatselijke drukpijnlijkheid ;
3° plaatselijke misvorming; 4° abnormale stand;
deze ontstaat direct door het inwerkend geweld, door
de zwaartekracht en door de reflectorisch optredende
spiertrekkingen ; 6° abnormale beweeglijkheid; 6° het
voel- en hoorbaar wrijven der beenstukken over elkaar
(crepitatie); 7° onbruikbaarheid van het gewonde
lichaamsdeel. Als complicaties kunnen optreden
verlamming door verwonding van zenuwen, verwon-
ding der huid (Fractura complicata), waarbij geheel
nieuwe gevaren optreden door de kans op infectie.
Verloop. Vanuit de wondvlakten wordt nieuw
granulatieweefsel gevormd, overgaande in bind-
weefsel, dat de breukstukken omhult. Meestal wordt
in het beenweefsel na een aantal weken nieuw been
gevormd (beenweer of callus). Geschiedt dit zeer laat,
dan spreekt men van vertraagde callusvorming; wordt
de breuk niet meer vast, dan spreekt men van pseud-
arthrose.
Behandeling. De eerste behandeling tracht
met een noodverband (spalken) de beenstukken zoo
te fixeeren, dat verdere complicaties of verschui-
vingen der breukstukken bij het transport voorkomen
worden. Bij de eigenlijke behandeling is het beginsel
om de callus te laten groeien bij goeden stand der
breukstukken. Daartoe moeten de breukstukken in
den goeden stand gebracht worden (gezet, gerepo-
neerd), al of niet onder verdooving in één zitting of door
langzame rekking in een > rekverband. De goede
stand wordt onderhouden door een fixeerend verband
(spalkverband, gipsverband) of in een rekverband.
Gelukt de repositie niet langs dezen weg, dan wordt
operatie noodig, evenals bij pseudarthrose en verlam-
mingen.
Bij gecompliceerde fractuur is de eerste zorg voor-
komen en bestrijden der infectie. Krekel.
Beencellen, > Been.
Beenderasch , beenderaarde, ontstaat
door verhitting van beenderen van zoogdieren onder
toetreding van lucht. De aldus overblijvende massa
bevat ongeveer 85% calciumphosphaat, 12% cal-
ciumcarbonaat, 1% magnesium carbonaat, en 1 tot
2% calciumfluoride. De toepassing bestaat in het
gebruik als kunstmeststof, in de glasindustrie voor
het maken van melkglas. Ook in de emailbereiding
wordt het gebruikt (als vertroebelingsstof). Vroeger
diende het ook voor de bereiding van phosphorus.
v. d. Beek.
Beenderbreccle, gesteentelagen, bijna geheel
opgebouwd uit beenderfragmenten van fossiele ge-
wervelde dieren. Beenderbreccies zijn o.a. bekend uit
het Rhétien (Juraformatie).
Beenderen worden de harde, uit beenweefsel
opgebouwde deelen van het geraamte der gewervelde
dieren genoemd. Dikwijls maakt men de volgende
onderscheiding: 1° lange of pijpbeende-
r e n met meest sterk ontwikkelde compacta en
sterk gereduceerde spongiosa, waarvoor een centrale
mergholte in de plaats treedt. Hiertoe behooren de
lange beenderen der ledematen. 2° Platte been-
deren, die meestal dienen om een holte te omslui-
ten en de daarin liggende organen te beschermen.
Zij bestaan uit twee platen compact beenweefsel,
waartusschen zich een dunne laag spongiosa, opgevuld
met merg en vele bloedvaten, uitbreidt. Hun groei
geschiedt meestal in de vlakke afmeting van de randen
uit en in de dikte vanuit een centraal punt. Men
rekent hiertoe de beenderen der schedelholte, van het
bekken, het schouderblad en de ribben. 3° Korte
beenderen, die in alle dimensies gelijk ontwik-
keld zijn. Het beenweefsel bestaat hoofdzakelijk uit
spongiosa met gering ontwikkelde schorslaag, zoodat
een werkelijke compacta ontbreekt. Hiertoe behooren
de beentjes van den hand- en voetwortel en wervels.
4° Sesambeenderen, aldus genoemd, omdat
hun vorm op een sesamzaad gelijkt. Zij ontstaan door
verbeening van een band- of peesgedeelte, zooals de
265
Beenderentuberculose — Beenstanden
266
knieschijf, het achtste handwortelbeentje en de twee
beentjes naast den grooten teen.
Naar hun ontstaan kan men de beenderen ver-
deden in dekbeenderen (ossa investientia of allostosen),
wanneer zij in bindweefsel ontstaan, en vervangings-
beenderen (ossa substituentia of autososen), wanneer
zij in kraakbeen ontstaan en dit geheel of gedeeltelijk
verdringen. > Been (2°). Willem .
Beenderentuberculose, beter nog g e -
wrichtstuberculose, omdat de tuberculose
van been, zonder dat een naburig gewricht tevens
aangedaan is, zeldzaam voorkomt. Dit komt, doordat
de tuberculose zich bij voorkeur ontwikkelt in been-
weefsel, dat vlak bij een gewricht is gelegen, zoodat
spoedig tevens het zieke gewricht geheel aan de tuber-
culose ten offer valt, waardoor het stijf en pijnlijk
wordt. De genezing vergt vooral bij volwassenen veel
tijd, in sommige gevallen zelfs tien of meer jaren.
Behalve de stijfheid van het gewricht kan de tuber-
culose ook tot gevolg hebben, dat op den duur een
min of meer sterke verminking ontstaat. Bij de ern-
stigste vormen van b. en gewrichtstuberculose kan de
lijder te gronde gaan; dit is echter zeldzaam. Voor
de behandeling zijn vele maatregelen aangewezen. Zee-
en bergklimaat hebben een gunstigen invloed, alsmede
een bepaald vitaminerijk voedsel; ook de plaatselijke
behandeling met doelmatige verbanden, bestralingen,
eventueel operatieve maatregelen kunnen de genezing
bespoedigen. v . Eaeff.
B eender kool (Spodium) of beenzwart. Door
verhitting van beenderen van zoogdieren buiten toe-
treding van lucht ontstaat een product, dat voor
6 tot 12% uit koolstof bestaat en verder uit calcium-
phosphaat (80%), calciumcarbonaat (8%), calcium-
sulfaat, alkalizouten, een weinig ijzeroxyde en wat
gebonden stikstof.
Bereiding. De beenderen worden in verticaal
staande gesloten ijzeren (ook wel chamotten) retorten
verhit door de verbrandingsgassen van een ernaast
gestookt vuur. De gevormde b. valt omlaag in een
ruimte, waar ze wordt gekoeld, en vandaaruit verder
getransporteerd.
Toepassing. De groote toepassing van b.
is het ontkleuringsvermogen, w T aarvan men o.a. ge-
bruik maakt in de suikerraffinaderijen en de olie-
industrie. Dikwijls wordt het te ontkleuren materiaal
over b. gefiltreerd, zoo bijv. oplossingen van ruwe
suiker. Bij een temp. van 60° gaat dit het beste.
Ook drinkwater wordt vaak over b. gefiltreerd. In
de geneeskunde vindt b. toepassing als absorptie-
middel voor vergiften. In het laboratorium en in de
pharmaceutische industrie dient b. veel voor het
zuiveren van allerlei producten. Ook de techniek der
oliën en vetten verbruikt een groote massa van dit
roduct voor de ontkleuring der ruwe, vaak donker-
ruin gekleurde producten.
L i t. : L. Singer, Anorganische und organische Ent-
f&rbungsmittel (1929). v . d. Beek .
B. heeft het vroegere lampenzwart, dat meestal
uit roet was samengesteld, geheel verdrongen, daar
het zeer constant in gehalte is en dus ook van kleur,
een eigenschap, die lampenzwart niet bezit, omdat roet
niet steeds van dezelfde grondstoffen afkomstig is,
en daardoor somtijds bruin, rood-bruin, geel-bruin,
blauwachtig en grijs is. Swillens.
Beenderlijm wordt vervaardigd door bewerking
van beenderen met stoom. Men ontdoet de gesorteerde
beenderen van vet en stof, maakt ze in een wals fijn
tot de grootte van een hazelnoot, wascht ze met koud
water en laat ze eenige dagen liggen in zwaveldioxyd-
houdend water, zoodat kleur- en reukgevende bijstoffen
verdwijnen. In een stoomketel wordt de lijmstof onder
een druk van l 1 / 2 atmospheer in lijm veranderd. Na
ongeveer een half uur wordt de stof weer onder nor-
malen druk gebracht en met kokend water bedekt;
na 2 uur is er 18% lijm door het water opgelost; nu
wordt het water afgegoten en de stof nog eenige malen
beurtelings door stoom en water bewerkt; de ver-
werking van de dan ontstane stof tot vaste lijm ge-
schiedt op dezelfde wijze als bij uit leder gemaakte
lijm. De b. heeft een melkachtige kleur.
Beendermeel, kunstmeststof; bevat phosphor-
zuur en stikstof. Wordt weinig gebruikt; werkt alleen
goed op zure en humusrijke gronden. B. wordt ook
als voederstof gebruikt.
Beendervet, door extractie uit beenderen ge-
wonnen vet voor zeep- en kaarsen industrie; smeervet.
Beenenscliaats, de oervorm van dc schaats,
dateerend van ong. 1160, vervaardigd uit dieren-
beenderen, vooral schenkels van paarden. Zeer sterk
drogen maakte deze b. ijzerhard.
Beeneter, een slepende ontsteking van het been-
weefsel, meestal van tuberculeuzen aard.
Beeneters of osteoklasten zijn bepaalde groote
cellen, die door bloed worden meegevoerd naar be-
paalde plaatsen in been en dit aanvreten en oplossen.
> Been (2°).
Beenlistel, > fistel, waarvan de inwendige
opening uitmondt in een beenholte. Oorzaak meestal
een > sequester, ontstaan na chronische of acute
beenmergontsteking of door een vreemd lichaam
(bijv. projectiel). Behandeling bestaat in verwijdering
van vreemd lichaam of van sequester, als de ontsteking
tot rust is gekomen.
Beenliaak, haakvormig chirurgisch instrument,
waarmee bij operaties beenstukken aangehaakt en
gefixeerd of verplaatst kunnen worden.
Beenhuid, > Beenvlies.
Beenmergontsteking (Osteomylitis), een op
jeugdigen leeftijd voorkomende heftige ontsteking van
het beenmerg, gepaard gaande met hooge koorts en
veelal hevige pijn. De behandeling eischt meestal een
operatief ingrijpen, waarbij de ontstoken plaats door
het wegbeitelen van een stukje beenschors bloot
gelegd wordt. v. Haeff.
Bccnnaad is de vereeniging van twee beenstuk-
ken 1° direct door spijkers, schroeven of draad (metaal,
kangoeroepees); 2° indirect door spalkjes (van metaal
of levend of dood been); toegepast bij beenbreuk of
pseudarthrose.
Beennecrose, > Beenbrand.
Beenschuhben, > Schubben.
Beensclerosc, verdichting van de structuur
van het beenweefsel. Komt meestal plaatselijk voor
in aansluiting aan de een of andere ontsteking van het
beenweefsel.
Beensplinter (sequester), los beenstuk, dat zijn
samenhang met de omgeving verloren heeft door
trauma of ziekteproces (vaak beenmergontsteking).
Beensplintertang (sequestertang), chirurgisch
instrument, dat beensplinters onwrikbaar kan vast-
pakken ter fixatie of verwijdering.
Beenstanden (veeteelt) zijn bij de ge-
bruiksbeoordeeling vooral bij het paard van belang.
In normalen stand moet het paard vierkant staan,
zóó dat voor- en achterbeenen en van terzijde gezien
267
Beentang — Beer
268
linker- en rechterbeen elkaar dekken. De voornaamste
afwijkingen in voor- en achterbeenen zijn: bodemwijd
en bodemnauw; O en X beenen; Fransohe- en toon-
tredersstand ; gestrekte stand; onderstand igheid; steile
kogels; weeke kogels; beervoet igheid; terwijl nog bij
de voorbeenen kunnen voorkomen: bokbeenigheid en
holle knieën. Verhey.
Boen tang, chirurgisch instrument, tangvormig
ebouwd in verschillende maten, om bij operaties
eenstukken te kunnen fixeeren en bewegen.
Becntje-over rijden, een soort van schaatsen-
rijden, waarbij bij iederen slag het eene been over het
andere wordt geslingerd en tevens sierlijke figuren in
het ijs worden gesneden.
Becntransplantatic, het overbrengen van een
stuk been op een plaats, waar dit om een of andere
reden gewenscht wordt. > Albee (operatie van).
Been verharding, > Beensclerose.
Bcenvervvceking, > Ostcomalacie.
Beenvisschen (T e 1 e o s t e i) zijn de meest
vormrijke orde der visschen. Van de ongeveer 12 000
bekende vischsoorten behooren er 95% tot de b. Hun
geraamte is hoofdzakelijk uit been opgebouwd, vooral
de schedel telt vele beenstukken; de kieuwen zijn
bedekt door een kieuwdeksel (operculum) ; de huid is
voorzien van echte schubben en wel uitsluitend rond-
of kamschubben. Deze schubben zijn hoofdzakelijk
uit kalk opgebouwd en bedekt door een laagje „gua-
nine”, een uitscheidingsproduct der huid. Soms zijn
de schubben microscopisch klein en in de huid ver-
borgen (aal).
Fossielen der beenvisschen w T orden reeds in Trias
gevonden. Willems.
Beenvlies (periost, < Gr. peri = om, osteon =
been) is een om het been heenliggend bindweefsel vlies
en een voor het been zeer gewichtig orgaan. Het bezit
een rijk bloedvatennet, dat in het kanalensysteem en
de mergholten van het been doordringt en daar voor
opbouw en voeding het noodige materiaal aanvoert.
Onbedekt been sterft dan ook spoedig af, daar het
van de bestanddeelen, die voor her instandhouden
noodzakelijk zijn, verstoken blijft. Men kan aan het
vlies onderscheiden een naar buiten gelegen gedeelte:
pars fibrosa, bestaande uit elkander kruisende vezelige
bind weef sellagen, waartusschen de pezen der skelet-
spieren vastgrijpen, en een naar binnen gelegen ge-
deelte: pars synovialis of cambiumlaag, met een losser
en meer cellenrijk weefsel, waarin, zoolang het been
groeiend is, de osteoblasten worden aangetroffen.
Waar twee tegen elkander grenzende beenderen een
gewricht vormen, grijpt het beenvlies van het eene
been op het andere over en vormt om de gewrichts-
spleet het gewrichtskapsel of de gewTichtsbeurs. Het
bindweefsel is hier veel sterker en dikker ontwikkeld
en scheidt meestal een gele taaie vloeistof af, die als
gewTichtssmeer dient om de gewrichtsvlakken meer
glijbaar te maken. > Been. Willems .
Beenvliesontsteking (Periostitis) komt zelden
op zichzelf staande voor. Meestal zijn het beenweefsel
en het beenmerg er tevens bij betrokken. Bij acuut
verloop is de oorzaak een infectie met etterbacteriën,
bij chronisch verloop is de tuberkelbacil veelal de
oorzaak. v. Haeff.
Bcenvormers, > Been.
Beenweefsel, > Been.
Beemveer (> Callus), beenige verbinding, die
bij > beenbreuk ontstaat tusschen de breukuiteinden.
Beenzwart, > Beenderkool.
Beenzweer (Ulcus cruris), weefsel verlies aan de
oppervlakte van het onderbeen, dat slechts traag of
in het geheel niet door vorming van nieuwe weefsels
wordt aangevuld.
Oorzaak: 1° ontsteking (tuberculose, syphilis);
2° trauma (bevriezen, verbranden); 3° zenuwstoornis;
4° voedingsstoornis door slechte bloedverzorging,
waartoe de meest voorkomende vorm behoort, die in
den regel optreedt in vereeniging met aderspatten
(Ulcus varicosum).
Behandeling: bij alle soorten de zweer in
zuiveren toestand brengen en houden, daarnaast de
oorzaak bestrijden; bij het Ulcus varicosum bijv. door
de bloedsverzorging te verbeteren (hoogleggen van
been, elastisch verband) en de aderspatten te behan-
delen. Krekel.
Beer, 1° > Beerachtigen.
2° Volwassen mannelijk varken.
Beer, mest, bestaande uit menschelijke uit-
werpselen. Het gebruik van b. in de groententeelt is
niet hygiënisch.
Beer (bouwk. vakterm), > Steunbeer.
Beer, Groote, (sterrenkunde) > Ursu major.
Beer, Kleine, (sterrenkunde) > Ursa minor.
Beer, 1° Arnold de, geestelijke, * te Ooster-
wijk. f 1679 als kapelaan aan St. Pieter te Leuven.
Stichtte een beurs aan het Pauscollege aldaar.
Lit. : N. Ned. Biogr. Woordb. (VI).
2° August, natuurkundige, * 1 Aug. 1825 te
Trier, f 18 Nov. 1863 te Bonn, waar hij sinds 1855
professor was. Bekend door de naar hem genoemde
absorptiewet in een medium: twee oplossingen van de
concentraties Cj en c 2 en de dikten hj en h a laten even-
veel licht door als <4 hj = c 2 h 2 (1862). J. v. Santen.
Wet van Beer. Volgens deze w T et is de absorptie-
coëfficiënt van een oplossing evenredig aan de con-
centratie der daarin opgeloste absorbeerende stof.
Dit komt hierop neer, dat, onafhankelijk van de dikte
der absorbeerende laag, de hoeveelheid geabsorbeerd
licht alleen afhankelijk is van de hoeveelheid
absorbeerende stof in die laag. De W. v. B. gaat alleen
op bij die stoffen, die bij verdunning geen verandering
(dissociatie, hydrolyse, e.d.) ondergaan. Vooral in
verdunde oplossingen gaat de W. v. B. goed op, daar
dan bij verdunning de kans op chemische veranderin-
gen klein is. Zij vindt practische toepassing in de
> kolorimetrie. A. Claassen.
3° F r a n z, bouwmeester uit Vorarlbe/g, * ca.
16G0, f 1726; één van degenen, die druk het zgn.
„Vorarlberger Schema” toepasten, waarin naar groote
soepelheid en zwierigheid in kerkenbouw gestreefd
werd.
Voorn, werken: Kloosterkerken van Irsee,
St. Urban, Rheinau, Weissenau.
4° J a k o b L i e b m a n n, > Meyerbeer.
5° Pieter de, Brabantsch priester-dichter der
17e eeuw. Schreef: Gheestelijcke Rijmkonst (Ant-
werpen 1667).
6 ° R i c h a r d, > Beer-Hofmann.
7° T a c o H a j o de, Ned. letterkundige;
* 18 Nov. 1838 te Maarseveen, f 1913 te Amsterdam.
H.B.S.-leeraar te Goes cn later te Amsterdam, redi-
geerde het maandblad „Noord en Zuid”, schreef eenige
werkjes van geringe letterkundige waarde, doch
had beteekenis wegens zijn groote vakkennis.
Asselbergs.
Beerachtigen
1. Bruine beer (Ursus arctos). 2. Grijze beer (Ursus horribilis). 3. IJsbeer (Thalarctos maritimus). jï
271
Beerachtigen — Beer-Hofmann
272
Beerachtigen , U r s i d a e, eene familie van
roofdieren, waarvan de verschillende soorten over
Europa, Azië, Amerika en misschien over een deel van
N. W. Afrika verspreid zijn; uit de Romeinsche Oud-
heid is nog bekend de naam van den Numidi-
schen beer, thans uitgestorven. In het Dilu-
vium leefde de holenbeer, iets grooter dan de
bruine beer, waarvan vele overblijfselen in Europa
gevonden zijn.
Beren zijn alleseters en in verband daarmee bevat
het gebit een aantal groote knobbelkiezen; zij zijn
zoolgangers, d.w.z. bij het loopen raakt de geheele
voet den grond. Alle soorten zijn gemakkelijk te
temmen en toonen dan slimme dieren te zijn. Zie afb.
Soorten. De bruine beer bewoont haast alle
hooggebergten van Europa: Pyreneeën, Karpaten,
Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavi-
sche Alpen, den Kaukasus en Oeral, geheel Rusland,
geheel Noord- en Midden-Azië en in Afrika misschien
den Atlas; hij voedt zich met planten, fruit, insecten
en kleine dieren, hij klimt goed en zoekt graag naar
honig. In N. Amerika leeft de zwarte beer
of baribal; in Canada de groote en gevaarlijke
g r ij z e (grizzly-)b eer. De i j s b e e r bevolkt de
kusten der Noordelijke Poolzee, is een uitstekend
zwemmer en voedt zich met robben, jonge vogels,
eieren en wier. Op Sumatra, Bomeo en Banka leeft
de kleine Maleische beer, door de inlanders
B r o e a n g genoemd, een klein ongevaarlijk dier,
dat echter op Bomeo het grootste en gevaarlijkste
roofdier is. In Japan en Tibet leeft de kraagbccr
of K o e m a met eene groote V-vormige witte teeke-
ning boven op de borst. In Voor-Indië komt de
lippenbeer voor met groote sikkelvormige
klauwen en stompen snuit met ver uitsteekbare lippen;
zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vruchten en
insecten.
Tegenwoordig worden als afzonderlijke familie afge-
scheiden de kleinberen (Procyonidae).
De bosschen van het Himalaya -gebergte worden be-
woond door den Panda of rooden katbeer,
die zoo groot is als een kater en wiens voedsel hoofd-
zakelijk uit vruchten en honig bestaat. Over geheel
Amerika zijn de w T aschberen verspreid, die
om hun pels veel vervolgd worden; zij voeden zich met
eieren, vogels en zoogdieren; een Z. Amerikaansche
soort geeft de voorkeur aan kreeften en krabben. In
het Noorden van Z. Amerika komen de neusberen
voor, die een slurfvormigen snuit bezitten; in
gevangenschap worden zij spoedig zeer mak; zij leven
van vruchten, eieren en insecten. Keer.
Becrblock, M a u r i c e, Fransch-Belgisch
dichter van het > expressionisme, die ook als ver-
taler uit de Engelsche letterkunde (J. K. Jerome,
O. Henry, H. de Vere) verdienste heeft. * 21 Sept.
1880 te Verviers.
Werk: L’atelier, poèmes.
Beerbohm, Max, Engelsch caricatuur-tee-
kenaar en essayist; halfbroeder van sir Herbert
Beerbohm Tree, den tooneelspeler. * 1872 te Londen,
studeerde Charterhouse en Oxford, huwde een
Amerikaansche, en ging wonen te Rapallo in Italië.
Is in Engeland vooral bekend om zijn geestige en
fijne, elegante caricaturen. Schrijver van keurig,
ietwat gekunsteld proza. Zijn eerste werk, op 24-jari-
gen leeftijd, was getiteld The Works of M. B.
Latere werken: More (1899) ; Yet again (1909);
Zuleika Dobson or An Oxford Love-Story (1911) ; A
Christmas Garland (1912, parodieën o.a. op A. C. Benson,
Chesterton, Wells, Conrad, Bennett, Shaw) ; And Even
Now (1920) ; Things New and Old (1923) ; The Dreadful
Dragon of Gray Hill (1928).
Beerbohm Tree, sir Herbert, > Tree.
Beerdiertjes, Tardigrada, een groep
van meestal bij de spinnen ingedeelde, microscopisch
kleine dieren, die op vochtige plaatsen, op mos, muren
enz. of in zoetwater (dakgoten, wijwatervaten)
leven. Zij zijn te kennen aan de 4 paar korte pooten,
die klauwtjes dragen, en aan de trekkende beweging
van het lichaam. Droogt het water uit, dan omgeeft
zich het diertje met een chitinehuid, waarin het lang
kan blijven leven. B. zijn over de geheele aarde ver-
spreid. M. Bruna.
Bcercndruiï, Arctostaphylos, een
plant van de familie der heideachtigen (Ericaceae)
en de onderfamilie der Arbutoïdeae. Met ongeveer
18 soorten komt dit geslacht meest voor in Westelijk
N. Amerika, in struikvorm. De gewone b. (A. uva
ursi) treft men in naaldwouden en heidevelden aan
op het geheele Noordelijke halfrond. De weinig sma-
kelijke vruchten worden soms door de Laplanders
gegeten. De bladeren worden gebruikt voor nier- en
blaasziekten; verder dient dit gewas nog voor de
bereiding van looistoffen en een zwarte kleurstof.
Bouman.
Beerendruifbladen, uva-ursi bladen,
enkelvoudige, kortgesteelde, tot 2,5 cm lange, ovaal-
langwerpige, of lancetvormige, omgekeerd-eironde,
gladde, groene bladeren van arctosthaphylos
uva ursi, een altijd-groene, boschbesachtige
heester, die in naaldbosschen en op heiden, zoowel in
Skandinavië als in Midden- en Zuid-Europa in het
wild voorkomt. B. zijn van andere vaccin iumsoorten
te onderscheiden, doordat hun waterig aftreksel met
ferrosulfaat een blauw-violette verkleuring geeft.
Bestanddeelen: de glucosiden arbutine en ericoline,
die bij splitsing o.a. hydrochinon geven, verder
looistof, chinazuur, galluszuur. Gebruikt als » af-
kooksel tegen blaaskatarrhen.
L i t. : Ned. Pharm. Ed. (V). Hillen.
Beercnhouclcrij, in Ned. een vereeniging
van enkele varkensfokkers, die een of meer beeren ter
dekking van zeugen houden. In sommige streken
leidt men den beer naar de zeugen (zgn. padbeeren).
Voor het houden van raszuivere beeren worden in
Nederland en in België aan de beerhouders premies
gegeven. Het is dan noodzakelijk, dat de beerhouder
behoorlijk en geregeld een dekboek (springlijst)
bijhoudt.
In België wordt elke private uitbating van
een of meer beeren een b. genoemd. Verhey.
Becr-Hoïmann, R i c h a r d, Duitsch-
Oostenrijksch dichter van de > neo -Romantische
richting. * 11 Juli 1866 te W T eenen. Als geboren Jood
in den kring der Blatter für die Kunst
(> St. George) opgenomen, begon B.-H. met klein-
epiek vol Weensche atmosfeer en een roman, maar
oogstte meer bijval met enkele treurspelen, waarvan
het laatste zijn stof aan den Bijbel ontleent en met
nadruk de roeping van het Joodsche volk tot God’s
uitverkorene verkondigt. Der Graf von Oha-
r o 1 a i s (1905) hervat het thema van Ph. Massinger’s
gruwelstuk: The fatal dowry, maar verrijkt het met
de diepe symboliek der moderne levensverhoudingen.
Werken: Novellen (1893) ; Der Tod Georgs (roman,
1900) ; Der Graf von Charolais (1905) ; Jaakobs Traum
BEETHOVEN
Ludwig van Beethoven.
Het geboortehuis van Beethoven
te Bonn.
Théróse von Brunswick.
Beethoven's geboortekamer.
Beethoven’s handen.
Hoorapparaten.
Masker, tijdens het leven gemaakt.
Doodenmasker.
BEGRAAFPLAATSEN
PrS
\m*ëi * i
Het Campo Santo te Genua.
Een begraafplaats te Nizza.
Een Duitsche oorlogsbegraafplaats te St. Laurent Blangy.
273
Beëri — Beers
274
(1918 ; eerste dl. van de trilogie : Historie von König
David) ; Schlaflied für Mirjam (1919). — L i t. : Th. Reik,
Das Werk B.-H.’s (Weenen 1919). Baur.
Beërf, 1° een Hethiet, vader van Esau’s vrouw
Judith (Gen. 26. 34); 2° vader van den profeet Osee
(Os. 1. 1).
Beerlegem, gem. in de prov. O. Vlaanderen,
20 km ten Z. van Gent. Opp. 225 ha; 400 inw. Land-
bouw.
Beermaki , arctocebus calabarensis, halfaap bij
de Nigermonding en in West-Airika, met grooteoogen
en ooren en wolligen pels; de staart ontbreekt bijna
geheel; een spoor van een wijsvinger is aanwezig in
den vorm van een wrat.
Becrmarter, arctitis binturong, vertoont over-
eenkomst met marter en met waschbeer; leeft in Indië.
Becrnacrt, 1° A d o 1 f, Vlaamsch dichter
van verschillende bundels huiselijke poëzie. * 1825 te
Evergem, f 1883 te Alveringem.
2° A u g u s t e, Belgisch Katholiek staatsman;
* 26 Juli 1829 te Ostende, f 6 Oct. 1912 te Luzem.
1873 min. van Openbare Werken in het min. Malou,
1876 verkozen als volksvertegenwoordiger te Tielt
(W. VI.). Na 1884 (val van het min. Frère-Orban)
terug als minister van Openbare Werken in het min.
Malou, zelf in Oct. van dat jaar kabinetsformateur.'
1884 — ’94 eerste
minister, tevens
min. van Finan-
ciën. Onder zijn
beleid: herziening
van de Grondwet
met algemeen
stemrecht; 1886
stichting der
Vlaamsche Aca-
demie; 1889 ver-
betering der wet
op het gebruik van
het Nederlandsch
in strafzaken.
Breed van ge-
dachten en ver-
draagzaam, leidde
B. de Kath. partij
in de richting eener politiek van sociale hervorming
(heftige tegenstand onder leiding van Woeste). De
strijd om de evenredige vertegenwoordiging, waarvan
B. voorstander was, bracht hem ten val (1894, her-
vorming pas doorgevoerd in 1899). Was van 1895 —
’99 voorzitter der Kamer van Volksvertegenwoor-
digers. Bestrijder van de koloniale politiek der re^ee-
ring, alhoewel hij Leopold II bijstond in zijn koloniaal
werk. B. behaalde in 1910 den Nobelprijs voor den
Vrede, ingevolge zijn activiteit op de Vredesconferen-
tie te Den Haag.
Lit. : Van der Smissen, Leopold II et B. d’après
leur correspondance inédite, 1884 — ’94 (2 dln. Brussel
1920). Elias.
3° Euphrosine, Belg. landschapschilders.
* 11 April 1831 te Oostende, f 6 Juli 1901 te Brussel.
Werken: in verschillende musea in België, o.a.
te Antwerpen, Brussel, Brugge, Gent, Leuven, Oostende,
Namen enz. — Lit.: Kramm, De levens en werken ;
Chronique des arts (1901, 215). de Stuers.
Becrnem, gem. in de prov. West -Vlaanderen,
ten Z.O. van Brugge; ruim 5 000 inw., opp. 2 947 ha.
Zandachtige grond; kanaal; landbouw; weldadig-
heids inrichting voor meisjes; kasteelen van: Beemem,
Reygerloo, Bloemendal, Bulskamp, Meerberg, Drie
koningen, Wildenborg. Oude heerlijkheid.
V. Asbroeck.
Beer Poortugael, jhr. J. C. C. den, gep.
luitenant-generaal, lid van den Raad van State, lid
van het „Institut de Droit international”, van 1 Febr.
tot 20 Aug. 1879 min. van Oorlog, bekend deskundige
op het gebied van oorlogs- en neutraliteitsrecht,
gevolmachtigd gedelegeerde van Nederland op de
le en 2e Vredesconferentie te Den Haag en op de
Conferentie van Genève in 1906. * 1832, f 1913.
Werken: o.a. Het oorlogsrecht (1872 en 1882) ; Het
Internationaal maritiem recht (1888) ; Oorlogs- en
neutraliteitsrecht (1900) ; Oorlogs- en neutraliteitsrecht
op den grondslag van de conferentie van Genève 1906
en de twee Haagsche Vredesconferenties (1907).
Nijhoff.
Beerput, ondergrondsch reservoir, waarin de
faecaliën, meestal tezamen met andere afvalstoffen
van woningen (wasch-, schrob- en keukenwater),
worden verzameld. B. kunnen afzonderlijk zijn of
door een overstort met de rioleering zijn verbonden.
Ze dienen waterdicht (beton of metselwerk) te zijn
en nu en dan door een verplaatsbaar pomptoestel
pneumatisch geledigd te worden; wenschelijk is ook
een ventilatiepijp.
Lit.: Carl Flügge, Grundriss d. Hygiene (1927).
Droog .
Beerrob (Arctocephalus ursinus), > Pelsrob.
Beerrups, > Beervlinder.
Beers, 1° gem. in N. Brabant, ten Z.O. van Grave;
ca. 900 inw. (Kath.); opp. 1 115 ha. Landbouw en
veeteelt; een weinig industrie. De beruchte > Beer-
sche Maas is naar dit dorpje genoemd.
2° Dorpje van bijna 200 inw. in de Friesche gem.
Baarderadeel.
Beers, 1° Jan van, VI. dichter. * 1821 te
Antwerpen, f 1888 aldaar. Reeds als student in klein-
seminarie te Mechelen door geloofstwijfels gekweld;
later vrijzinnig. On-
der-b ibliothecar is te
Antwerpen, 1849
leeraar aan nor-
maalschool te Lier,
1860 aan Athenaeum
te Antwerpen. In
een week -vrouwe -
lijken huiskring op-
gevoed, ooglijder en
zwak van gestel,
schreef hij zijn heele
leven door zwaar-
moedige, vaak zie-
kelijk-sentimenteele
verzen (De Zieke
Jongeling, uit eer-
sten bundel, toen Jan van Beers.
zéér populair, later
geparodieerd; De Blinde, De Zoon van den Metsel -
diender). Over zijn later werk, een toenadering tot de
buitenwereld, straalt meer zon en licht. Confiteor, uit
Rijzende Blaren, is een pleidooi voor zijn vrijzinnige le-
vens opvatting. Hij dichtte ook zangerige, maar senti-
menteele cantates, als De Oorlog, door P. Benoit getoon-
zet. Zeer populair, ook in Holland, w T aar hij dikwijls
met buitengewoon succes voorlas. Dat dankte hij aan
275
Beersche Maas — Beersche Overlaat
276
Orenjasse/t
rRAVE
Katwii
ïrootUnden
laren
Wëross
FGtffen
'land
finalen
Jt. Mubert
Traverse beersche Maas. ^ Geprojecteerde Maas.
„ « Dijken.
EES3 Beersche Maas en orerstroomde uiterwaarden bij
hooge Maasstanden m den winter.
Beersche Maas.
zijn gemoed el ijken toon en aan den keurigen vorm;
de visie is dikwijls vaag en zwak.
Werken: Jongelingsdroomen (1853) ; Levensbeel-
den (1858) ; Gevoel en Leven (1869) ; Rijzende Blaren
(1884), met den vijfjaarlijkschen prijs bekroond. —
Lit. : Pol de Mont, Drie groote Vlamingen (1901).
A. Boon.
2° Jan van, Belg. historie* en genreschilder,
* 27 Maart 1852 te Lierre (bij Antwerpen). Zoon van
den Vlaamschen dichter Jan van B. Leerling van de
Antwerpsche academie. Tusschen 1870 en 1880 schil-
derde hij hoofdzakelijk historiestukken, onderwerpen
uit de geschiedenis van Vlaanderen. Na 1880 genre-
tafereelen met sierlijke, modieuze vrouwenfiguren, ook
voortreffelijke portretten, o.a. het portret van Peter
Benoit (mus. te Antwerpen). B. heeft ook voor den
kunsthandel gewerkt.
Werken: o.a. in do musea te Antwerpen en te
Amsterdam. — Lit.: Cat. Sted. Mus. te Amsterdam ;
Pol de Mont in het Schilderboek van M. Roozes Wester-
voorde, Jan v. Beers in de Nieuwe Gids (1887).
de Stuers.
Beersche \Iaas, een periodiek tijdelijke af-
voer van het Maaswater, dat ten gevolge van de wer-
king van den -> Beerschen Overlaat uit de rivier-
bedding is afgeleid. De traverse van de B. M. loopt
van Escharen en Gassel tot Den Bosch* de breedte
bedraagt op enkele plaatsen 500 m, doch wisselt
overigens van 2 500 tot 4 000 m. J .ten Brink .
Beersche Overlaat, bestond voor 1880 uit
twee onbedijkte gedeelten op den linkeroever van de
Maas. De bovenmond van den B.O., lang 800 m,
gelegen tusschen Kuik en Mook, begon te werken,
wanneer te Grave een peil van omstreeks 10 m
+N.A.P. was bereikt. Ten behoeve van den aanleg
van den spoorweg Nijmegen — Venlo is de boven mond
tusschen 1880 en 1882 afgesloten. De benedenmond,
oorspronkelijk lang 2 500 m, is verbreed tot 4 100 m.
De benedenmond begon te werken bij een waterstand
te Grave van 10,35 m +N.A.P. In 1922 is in de B.O.
een kade aangebracht, aansluitende aan den dijk
van den sluispolder van Linden en aan de benedenzijde
aan den dijk van den polder van Gassel en Escharen.
De hoogte van de kade is zoodanig, dat de overlaat
over de geheele lengte begint te werken bij een water-
stand van 10,80 m -f N.A.P. te Grave overeenkomende
met ongeveer 5 m boven den middelbaren rivierstand.
Voor de verbetering van het afvoerend vermogen
van de rivier de Maas zal worden uitgegaan van een
hoogsten stand te Grave van 10,80 m + N.A.P. bij
een maximum te verwachten afvoer van 3 200 m 2 per
sec. (Rapport betreffende de verbetering van de Maas
voor groote afvoeren, door dr. C. W. Lely, hoofd-
ingenieur van den Rijkswaterstaat). De tot 10,80 m
+N.A.P. te Grave verhoogde B.O. zal dan tijdens de
uitvoering der rivierverbetering als veiligheidsklep
blijven bestaan, totdat door waarneming van de ver-
andering der hooge standen tijdens do uitvoering met
voldoende zekerheid kan worden vastgesteld, dat de
stand van 10,80 m -fN.A.P. te Grave inderdaad bij
den maximum afvoer niet noemenswaard zal worden
overschreden.
Als dit is vastgesteld, kan ten slotte als laatste
werk van de rivierverbetering beneden Grave de B.O. ,
die tijdens de uitvoering der verbeterwerken, waarmede
uiteraard in hoofdzaak van beneden af moet worden
277
Beerse — Beesd
278
begonnen, vanzelf geleidelijk minder zal gaan werken,
tot bandijkshoogte worden opgevoerd.
Mocht de waarneming van de verandering der hooge
standen tijdens de uitvoering leiden tot de gevolg-
trekking, dat de stand van 10,80 m -f N.A.P. te Grave
bij den maximum afvoer nog noemenswaard zon wor-
den overschreden, dan zullen de rivierwerken nog
zoodanig moeten worden uitgebreid als noodig is
om een definitieve opheffing van den B.ü. te bereiken.
J. ten Brink .
Beerse, gem. in de prov. Antwerpen, ten W. van
Turnhout, met 5 245 inw. (einde 1930), Kath. Opp.
2 973 ha. Kanton en dekenaat Turnhout. Heide- en
zandgronden, landbouw. De ondergrond bevat klei:
steenbakkerijen; fabrieken van cement, zeep en koper -
sulfaat. B. behoorde eertijds aan de heeren van Re-
nesse, later aan die van Turnhout; vormde tot 1776
één parochie met Vosselaar, eerst onder het patronaat
van het vrouwenklooster van Groot-Bijgaarden, later
van de St. Michielsabdij van Antwerpen. De pasto-
rie van 1776 draagt het wapen van prelaat De Vos.
St. Lambertuskerk, gebouwd in 1909, met toren van
1562 en ouden Calvarieberg. St. Comeliuskapel uit de
15e eeuw: het oude altaarstuk (uit de school van Jan
Lombard) staat thans in de kerk. Kasteel Tempelhof:
men vond er in 1880 een uitgeholden versteenden eik,
die in het Gallo-Romeinsch tijdvak tot put diende.
Monument der gesneuvelden 1914 — ’18, door J. Clei-
rens.
L i t. : Van den Eyndc, Historische aanteekeningen
rakende de heerlijkheid Beersse, de kerk en de kapel
van den H. Comelius (Turnhout 1892) ; Taxandria
(1931) ; Oudheid en Kunst (1932). Lauwerijs.
Beersel, 1° Belg. gem. op het hoogste punt der
prov. A n t w e r p e n (60 m), 14 l / 2 km ten O. van
Mechelen. Opp. 787 ha; ca. 3 200 inw. Zand- en leem-
grond. Steenheek. Klompenmakerijen. St. Remigius-
kerk met toren uit de 16e eeuw.
2° Gem. in Z. B r a b a n t, ten Z. van Brussel;
opp. 632 ha, ong. 2 500 inw.; landbouw, kaasmakerijen
(Brusselsche of stinkaardkaas). Merkwaardig middel-
eeuwsch, thans gedeeltelijk gerestaureerd burgslot,
verwoest door de Brusselaars in 1488.
Lit. : A. Wautcrs, Hist. des Environs de Bruxelles
(111 1854) ; Teirlinck-Stijns, Beersel bij Brussel (1883).
Becrsmans, 1° Catharina, Belgisch
toon eelspeel ster, * 30 Aug. 1845 te Turnhout, f No-
vember 1899 te Rotterdam; autodidacte, debuteert
in Vlaamsche schouwburgen, o.m. te Brussel onder
F. van de Sande (1857), verwerft in een prijskamp
onder Belgische tooneelisten (1869) den prijs van beste
speelster, maakt deel uit van het eerste gezelschap
van den officieelen Ned. Schouwburg te Gent (1871),
gasteert in Holland (1872), creëert er de Koningin
Louise, in Multatuli’s Vorstenschool, wordt opge-
merkt en geëngageerd bij het Rotterdamsch tooneel-
gezelschap (1877). In 1878 heet ze de eerste rol der
schouwburgen van Holland en België te zijn. Buiten
een ziekverlof wegens overspanning (1894), werkt ze
onverpoosd door tot aan haar dood.
Lit.: M. Sabbe, L. Monteync en II. Coopman Thz.,
Het Vlaam8ch tooneel (1927).
2° Maria Hortensia, in de tooneehvereld
M i n a, dochter van Catharina B. en echtgenoote
van den Vlaamschen acteur Jan Dilis. * 21 Nov.
1863 te Antwerpen. Opgeleid tot tooneelspeelster in
Holland, maar werkzaam in België. Godelaine .
Bccrst, gem. in de prov. West- Vlaanderen, ten N.
van Diksmuiden; ca. 1 100 inw.; opp. 1 165 ha; land-
bouwstreek; merkwaardige kerk en kasteel; vernield
gedurende den wereldoorlog.
Beerstraten, naam eener schildersfamilie; er
zijn drie leden bekend, waarschijnlijk broeders:
Abraham, Jan Abrahams z en Jo-
hannes, allen werkzaam in het midden der 17e
eeuw te Amsterdam. Hun werken zijn moelijk te
onderscheiden, w r at gedeeltelijk komt, omdat zij allen
dezelfde onderwerpen schilderen, nl. meest stads-
gezichten (veelal bij wdnter) en Zuidelijke zeehavens.
De verdienstelijkste is Jan Abrahamsz, f 1666,
van wiens kunst het Rijks Museum eenige zeer goede
stalen bezit. Men kent van hem ook vele teekeningen,
evenals de schilderijen voluit gesigneerd. Ten slotte
heeft men door een handteekening nog een vierde
van den naam, A n t o n i e B., ontdekt, die w T at
zwakker, eveneens dezelfde onderwerpen schildert.
Lit.: ’t Hooft in Oud-Holland (1904) ; v. Wurzbach,
Niederl. Künstlerlex. Schretlen.
Beert, Waalsch B r a g e s, gem. in Z. Brabant,
arr. Brussel, op de taalgrens, met bijna uitsluitend
Vlaamsche bevolking; ruim 500 inw.; opp. 298 ha;
landbouw.
Beerta, gem. in de prov. Groningen, ten N. van
Winschoten; bestaat uit de kom, Nieuwbeerta, Ulsda
en Drieborg. Ca. 4 000 inw., bijna allen Prot.; opp.
4 630 ha, bijna geheel uit kleigrond bestaande, in
gebruik voor landbouw. In Nieuw T beerta is een coöpe-
ratieve proefboerderij opgericht ter voorlichting van
de leden der plaatselijke landbouworganisaties. Do
teelt van bloembollen breidt zich uit. B. bleef bij de
Dollart -vloeden der 13e, 14e en 15e eeuw gespaard;
het Oosten der gemeente verdronk en werd later weer
ingedijkt. Nijenhuis.
Beerveldc, gem. in de prov. O. Vlaanderen,
tusschen Gent en Lokeren, 1 066 ha; 2 900 inw. Land-
bouw.
Bccrvlincler, bruine beer, Arctia caja, vlinder-
soort, middelmatig van grootte. Het lijf is dik, de
zuiger zwak; de voorvleugels donker met gele of witte
teekening; achtervleugels rood of geel. De vlinders
vliegen van Mei tot Augustus. Zelden zijn tw T ee exem-
plaren precies aan elkaar gelijk. Door ze te voeden
met de bladeren van den noteboom, radijsboompje
of sneeuwbes, verkrijgt men donker gekleurde vlinders.
Voor- en achtervleugel kunnen tijdens het vliegen
verbonden worden. De rups is zwart, met witte
wratten en lange zwarte, bruine en soms witgepunte
haren. B^rnink,
Beervoctiflheid, een gebrek in de > beenstan-
den van een paard. Het dier is sterk week in het kogel-
gewTicht en treedt door; er bestaat een knik tusschen
kogel en hoef.
Becsclitera, bijb. levietenstad in Trans-Jor-
danië (Jos. 21.27; Vuig.: Bosra), wellicht = Astarot,
zoodat B. eeo corrupte schrijving is voor Beth Ascktera
(Huis van Astarte), vgl. 1 Par. 6.71 (Hebr. 66).
Sxmons .
Beesd, gem. in Geld., in de Neder-Betuwe, aan
den rechteroever van de Linge en aan de spoorlijn
Dordrecht — Kesteren. De gem. omvat, behalve het
dorp B., de doqien Acquoij en Rhenoij en de buurt-
schap Mariënwaard. Gezamenlijke opp. 3 470 ha met
ongeveer 2 600 inw., waarvan ca. 1 400 Ned. Herv.
en 1 100 Kath. De bodem bestaat uit rivierklei en in
het N. uit laagveen. Landbouw is hoofdbedrijf, daar-
naast veeteelt en tuinbouw. Acquoij is de geboorte-
279
Beesel — Beethoven
280
5 laats van pastoor C. Jansen, grondlegger van het
ansenisme. Mariënwaard (Mariëndaal) is het
landgoed, dat op de plaats ligt der in de 16e eeuw
verwoeste gelijknamige adbij. Heijs.
Beesel, gem. in Ned. Limburg, gelegen 8 km ten
N. van Roermond, omvattend de dorpen Beesel en
Reuver en de gehuchten Bakheide, Rijkel, Bussereind,
Leeuwen en Offenbeek. In 1932: 4 367 inw. Twee
parochies: Beesel en Reuver. Te Reuver gresbuizen-,
dakpannen- en baksteenfabrieken (ca. 400 arb.);
daarnaast ook landbouw en veeteelt. Te Reuver R.K.
kweekschool voor onderwijzeressen en R.K. Bijz.
U.L. O. -school. Prachtige boschrijke omgeving. Te B.
hoofdzakelijk landbouw en veeteelt. Om de 7 jaren
wordt er het historisch spel van het draaksteken
opgevoerd. v. Thiel.
Beest, 1° Albertus van, Holl. zeeschil-
der, * 11 Juni 1820 te Rotterdam, f 8 Oct. 1860 in het
St. Lukas Hospita! te New York. Zwierf in zijn jeugd
veel op zee, leidde een avontuurlijk leven. Teekende
en schilderde veel. Vormde zich in hoofdzaak door
zelfstudie. Zijn werk trok de aandacht van prins Hen-
drik der Nederlanden. Hij vergezelde den prins op
een reis naar het Oosten. Veel studies naar schepen.
Daarna vertoefde hij in Amerika, woonde in Boston
en New York. Kreeg hier spoedig naam, doch ging
te gronde aan de gevolgen van een ruwe en ongebonden
levenswijze. Vooral een uitmuntend teekenaar van
vlugge, rake met sepia of O.-Ind. inkt gewasschen pot-
lood- en krijtsch etsen en penteekeningen met voor-
stellingen van schepen enz. Ook maakte hij eenige
goede dier- en landschapstudies.
Werken: o.a. in het Mus. Fodor en in het Rijks
Prentenkabinet te Amsterdam. — L i t. : A. Demmin,
Le peintre de marine realiste Alb. v. Beest (Parijs 1863).
de Stuers.
2° Petrus van, priester, * 1658 te Utrecht,
t 6 Dec. 1738, studeerde en doctoreerde te Rome, was
kapelaan te Leiden en pastoor te Voorburg, werd door
den provicaris Th. de Koek benoemd tot aartspriester
van Schieland, maar wegens zijn verstandhouding
tot dezen provicaris bij plakkaat van 10 Mei 1704 door
de Staten van Holl. verbannen. Hij hield zich een
jaar schuil bij de kruisheeren van S. Agatha bij Cuyck,
was 1705 — 1709 rector te Emmerik, 1709 — 1738 rector
te Huissen en tevens 1736 — 1738 aartspriester van
Gelderland.
Lit.: Arch. aartsbisd. Utr. (II, 145; IX, 250 en
passim ; XIX, 304) ; Knuttel, De toest. der Ned. Kath.
ten tijde der Rep. (II, 48) ; Van der Heijden in N. Ned.
Biogr. Wbk. (IV, 101). Rogier.
3° S y b r a n d van, schilder te Den Haag
en Amsterdam; * 1610, f 1674; zijne schilderijen, die
een levendig karakter dragen, stellen meest markt-
scènes of historische gebeurtenissen voor. Zijn beste
werken in Den Haag (Gem. Mus. en Mauritshuis).
Lit.: O. Holland II en IX; v. Wurzbach, Niederl.
Künstlerlex. Schretlen.
Beet, > Beetwortel.
Beetgum, dorp van ruim 1600 inw. in de
Friesche gem. Menaldumadeel.
Beethoven, Lu d wig van, (zie pl. t/o
kolom 272; zie signatuur bij > Autograaf) een van
de grootste muzikale genieën van den klassieken tijd,
die door de kracht van zijn uitdrukkingsvermogen een
muziek heeft geschapen, die zal blijven leven, wanneer
alle andere stijlen en richtingen reeds tot het verleden
zullen behooren. Hij is erin geslaagd het tijdelijke met
het eeuwige te verbinden; zijn scheppingen zijn het
resultaat van een worstelen om het hoogste gevoel
tot uiting te brengen en getuigen van een geest, die
de menschheid in liefde wil omvatten; een geest,
die zich zelfs door het grootste leed niet heeft laten
terneerdrukken.
Zijn muzikale beteekenis ligt vooral
in de instrumentale, meer in het bijzonder in de
symphonische kunst, waarin hij een hoogte heeft
bereikt, als geen enkele van zijn voorgangers. De
symphonie, de sonate, het strijkkwartet, kortom alle
vormen op het gebied der instrumentale muziek werden
door hem uitgebreid, naarmate zijn gedachten grooter
werden. B. was de eerste componist van uitgesproken
subjectieve muziek. Volgt hij in den aanvang nog zijn
groote voorgangers en tijdgenooten, na opus 21 (zijn
eerste symphonie) gaat hij zijn eigen weg. Terwijl zijn
doofheid voor hem als musicus eigenlijk een groote
ramp beteekende, werd het zijn scheppende kunst tot
zegen. Afgesloten van elk verkeer met de buitenwereld,
sloot hij zich als kunstenaar geheel in eigen wereld op
en zoo werden zijn gedachten, door geen enkelen invloed
gestoord, omgezet in machtige klankbeelden. Alleen
in de vocale composities komt zijn gemis aan contact
met de techniek der zangstem soms tot uiting: er
komen passages voor, die practisch bijna onuitvoer-
baar zijn (Missa Solemnis, 9e Symphonie). Op instru-
mentaal gebied daarentegen was hij absoluut heer en
meester.
Naar verhouding van zijn leeftijd heeft B. betrekke-
lijk weinig geschreven; uit de nagelaten schetsen
blijkt, dat hij langdurig en zorgvuldig aan een com-
positie werkte. Daarbij kwamen er tijden voor, waarin
vaak uiterlijke omstandigheden zijn scheppingsdrang
verhinderden.
Lu d wig van B., * 16 Dec. 1770 te Bonn,
f 26 Mrt. 1827 te Weenen, stamt uit een familie van
beroepsmusici, oorspronkelijk uit Vlaanderen afkom-
stig. Zijn grootvader, eveneens Ludwig geheeten
(* 1718 te Antwerpen, f 1773 te Bonn), was kapel-
meester in den schouwburg te Bonn en zijn vader,
Johann (* 1739, f 1792 te Bonn) was als tenor verbon-
den aan de kapel van den keurvorst, den aartsbisschop
van Keulen, wiens residentiestad Bonn was. Zijn
vader was ruw en drankzuchtig, zijn moeder, voor wie
B. een hooge vereering had, was ziekelijk, zoodat zijn
jeugd buitengewoon tragisch is geweest. Het eerste
onderricht ontving B. van zijn vader en op voorbeeld
van den jongen Mozart wilde ook Johann van B. zijn
zoontje Ludwig voor een wonderkind laten doorgaan.
Reeds op 8-jarigen leeftijd gaf B. zijn eerste concert.
Zijn tweede leermeester was de hoboïst Pfeifer en
later had hij nog les van den hoforganist Van den
Eeden en Rovantini; hij studeerde orgel bij pater Koch
en Zeese. Van al deze musici was het onderricht naar
het schijnt zeer middelmatig. Beter was het onderwijs
van den hoforganist Christian Gottlob Neefe (1748 —
1798), die hem bekend maakte met Bach’s „Wohl-
temperiertes Klavier’’, toen nog in manuscript.
Behalve van J. S. Bach was de invloed van Ph. Em.
Bach op den jongen B. het sterkst, vooral door diens
sonates. (Naar men zegt was Neefe de leerling van
Ph. Em. Bach.) B. had intusschen reeds zulke
vorderingen gemaakt, dat hij 1782 Neefe mocht ver-
vangen als organist. 1783 werd B. benoemd als accom-
pagnist in de hofkapel, zoodat het ongetwijfeld de
practijk is geweest, die toen zijn eigenlijke leermeester
was. Hij wekte aller bewondering door zijn impro-
281
Beethoven
282
visatiën aan het klavier en reeds nu schreef hij zijn
eerste 3 klaviersonates, welke hij opdroeg aan den
keurvorst van Keulen. 1787 ging hij op aanbeveling
van Neefe bij Mozart in Weenen studeeren; tot lessen
is het evenwel niet gekomen, hoewel hij wel voor
Mozart heeft gespeeld. Kort na zijn aankomst immers
werd hij teruggeroepen wegens een ernstige ongesteld-
heid van zijn moeder, die haar dood tengevolge had.
Belangrijk voor zijn ontwikkeling was het verkeer
te Bonn met de families von Breuning en Wegeler;
hier leerde hij ook graaf von Waldstein kennen.
Vooral door toedoen van dezen laatste Irwam B.
(echter eerst in 1792) voor de tweede maal en nu voor
goed naar Weenen, om bij Haydn les te nemen. Dit
werd B. ook mogelijk gemaakt door een stipendium,
dat hem door den keurvorst was geschonken. Het
onderricht bij Haydn duurde slechts twee jaar en ook
in dezen tijd was de eigenlijke leermeester niet Haydn,
maar de bekende componist van Singspiele: Joh.
Schenk. Met de tweede reis van Haydn naar Londen
(1794), kwam er definitief een einde aan de lessen bij
Haydn. B. studeerde nu contrapunt en kerkmuziek
verder bij Joh. Georg. Albrechtsberger, en dramati-
sche compositie bij Ant. Salieri, kapelmeester aan het
hof. Te Weenen werd B. spoedig bekend als voor-
treffelijk klavierspeler en zoo kwam hij weldra in
aanraking met verschillende aristocratische families:
Lichnowski, Brunswick, Van Swieten, Erdödy, e.a.
In dezen tijd, 1794, brak de Fransche Revolutie uit
en werd het keurvorstendom van Maximiliaan Frans,
zijn beschermer, opgeheven. Daar hierdoor het stipen-
dium niet meer werd uitbetaald, werd B. genoodzaakt
een tijd lang van lessen en composities te leven. Door
graaf von Waldstein, die naar Weenen was verplaatst,
genoot hij vooral nu veel steun van den Weenschen
adel. Zoo kende vorst Lichnowski hem in 1800 een
jaargeld toe (de relaties met dezen vorst werden in
1806 verbroken, omdat laatstgenoemde B. wilde
dwingen voor Fransche officieren te spelen). In 1809
was hij de huisgenoot van graaf Erdödy, enz. B. was
de eerste onder de groote meesters, die het wagen kon
om zonder vaste aanstelling geheel van de compositie
te leven. Dit w T erd vooral ook mogelijk gemaakt,
doordat von Waldstein een groep aristocraten op B.
opmerkzaam maakte, die hem in 1809 4 000 thaler per
jaar garandeerden, toen hem door koning Jeröme
Napoleon het ambt van kapelmeester te Kassei werd
aangeboden. Zoodoende bleef B. te Weenen gevestigd.
Genoemde som was in 1811 door de valuta reeds sterk
gedaald; toch is het leven van B. financieel niet zoo
zorgelijk geweest, als men zich gewoonlijk voorstelt.
De meeste moeilijkheden ontstonden door zijn karakter
en door een gehoorlijden, dat in 1802 begon en in 1818
in volslagen doofheid overging. Sedert dien kon men
slechts schriftelijk met hem converseeren; zijn „Kon-
versationshefte” zijn dan ook belangrijk biograpkisch
materiaal. Dit lijden is vnl. oorzaak geweest van B.’s
teruggetrokken, luimig karakter. Daarbij kwam nog,
dat zijn neef Karl, over wien B. voogd was, hem door
zijn lichtzinnig gedrag in zware zorgen bracht. Ook
283
Beets
284
op den duur toonde Karl voor de zorgen van zijn
oom niet de minste dankbaarheid. Dit alles onder-
mijnde B.’s gezondheid. Sinds jaren teruggetrokken
van de wereld, stierf hij in de benardste omstandig-
heden 26 Maart 1827, ’s avonds om kwart voor zes.
Reeds in 1802 had B. het „Heiligenstadter Testa-
ment” geschreven, w T aarin zijn karakter zeer sym-
pathiek uitkomt. B. is nooit gehuwd geweest, ofschoon
hij meermalen voor een vrouw liefde opvatte; belangrijk
als document is nog een driedeelige liefdesbrief aan
de „Unsterbliche Geliebte”; aan wie deze brief gericht
was, is tot nu toe onbekend.
In zijn werken onderscheidt men gewoon lijk
drie perioden: tot de eerste belmoren zijn composities
tot ca. 1802, een tweede tijdperk loopt tot ca. 1812
(van de 3e tot de 8e symphonie), een derde omvat zijn
laatste werken.
Instrumentale werken: 1° Voor orkest:
9 Symphonieën ; Ouvertures, o.a. : Egmont (1810) ;
Coriolao ; 3 Leonore-ouvertures (I en II 1805, III
1806) ; Fidelio-ouvcrture (1814). Balletmuziek : Prome-
theus (1801' ; 2 marschen ; 12 ContreULnze ; 12 Menu-
etten; 12 Ecos8aisses ; 12 Deutsche T&nze. Allegretto
voor orkest; 11 Mödlinger Walzer, Menuette und
Landler. 2° Voor solo met orkestbegeleiding : 5
klavierconcerten ; 1 vioolconcert: D*dur, op. 61, later
ook bewerkt als klavierconcert ; Tripelconcert ; Chor-
phantasie ; Rondo ; 2 Romancen voor viool en orkest.
3° Kamermuziek: Octet, op. 103, septet, op. 20,
2 sextetten op. 71 en op. 86. kwintet op. 16 voor klavier
en blaasinstrumenten, 2 strijkkwintetten. 1 klavier-
kwintet, 2 kwartetten voor bazuinen, 4 klavierkwar-
tetten, 16 strijkkwartetten, 5 strijktrio’s, 9 klaviertrio’s,
trio voor fluit, viool en altviool, i rio voor 2 hobo’s en
althobo, 3 duo’s voor klarinet en fagot, 7 variaties voor
fluit en klavier, 3 variaties voor violoncel en klavier,
10 sonates voor viool en klavier, 5 sonates voor violoncel
en klavier, rondo en variatie voor viool en klavier,
6onatc voor hoorn en klavier, trio voor klavier, klarinet
en cello. 4° Voor klavier: 38 sonates : 21 variatie-
werken, rondo’s, bagatellen, preludiën, andante, fantaisie,
dansen. 4-handig : sonate, 2 variatiewerken, 3 marschen.
Vocale werken: 1° Voor koor (soli) en orkest :
o.a. Oratorium Christus am Oelberg ; Mis C-dur ; Missa
Solemnb» ; opera Fidclio (1805). 2° Voor soli en
orkest: o.a. Ah perfido O 796 ) Elegischer Gesang.
3° Voor koor: 18 canons. 4° Verder 5 liederen, aria’s
en 66 liederen met pianobegeleiding, o.a. An die ferne
Geliebte. 7 Bundels Schotsche, lersche, Eng. en Wales-
sche liederen met begeleiding van klavier, viool en vio-
loncel.
Een catalogus der werken van B. werd uitgegeven
door Nottebohm (Thematische Verzeichnis, 1864) en
Thayer (Chronologische Verzeichnis, 1865) ; De „Gcsamt-
au8gabe‘* zijner werken verscheen bij Breitkopf und
Hkrtel van 1864-1867 in 24 deelen met een supplement
in 1888.
L i t. : Deze is over B. en zijn werken zóó uitgebreid,
dat volstaan moet worden met de opsomming der
voornaamste werken. Een complete uitgave van B.’s
brieven bezorgden Alfr. Kalischer (5 dln. 1906-1908) ;
Fritz Prelinger (5 dln. 1907) en Emerich Kastner (1901).
Bijzonderheden over B.’s leven vindt men in de bio-
graphieën, waarvan de bekendste zijn : G. Wegcler en
Ferd. Ries, Biografische Notizen über Ludwig von B.
(1838/1906); A. B. Marx, Ludwigs von B. Lebcn und
Schaffen (1859/1901); Th. von Frimmel, Beethoven
(1901); A. W. Thaycr-H. Riemann, Ludwigs von B.
Leben (5 dln. 1907/1923) ; Paul Bekker, Beethoven
(1911); Vincent d’lndy. Beethoven (1911, in Musicien6
Célèbres) ; R van Aerde, Les ancëtres flamands de B.
(1928) ; Ed. Herriot, Beethoven (1932).
Vrijwel al zijn composities worden in een of ander
werk besproken ; om ccnige te noemen : H. Riemann,
B.’s Klaviersonaten (1817-1919, Analyse) ; Th. Helm,
B.’s Streichquartette (1885) ; Grove, B. and his 9 Sym-
phonies (1896) ; W. Weber, B.’s Missa Solemnis (1898) ;
W. Nagel, B. und seine Klaviersonaten (1903/1924) ;
H. Wetzel, B.’s Violinsonaten (I, 1924) ; Brunstpin, B.’s
Leonore-ouvertüren. IHscaer.
Het religieuze element in Beethoven ’s werken.
Hoewel B. niet kerksch was, geloofde hij toch vast in
een hoogere macht, die het Al bestuurt, en in de kracht
van den menschelijken wil. Zijn leven is dan ook ge-
kenmerkt door een steeds weer opgevatten strijd om
een beter mensch te w T orden; zijn w’erken hebben een
ethischen grondslag en strekking, bedoelen do men-
sche lijke persoonlijkheid te veredelen en te verheffen.
Reeds zijn kleinere werken geven meer dan een
persoonlijke opvatting, maar vooral zijn grootere
werken (de meeste symphonieën en ouverturen en de
opera Fidelio) zijn een oproep tot de menschheid om
mee te strijden voor de idealen van humaniteit, vrij-
heid en zedelijke zelfoverwinning. Die ethische strek-
king, welke de werken uit de tweede periode kenmerkt,
komt tot een hoogtepunt in de derde periode, waarin
Beethoven geheel los van het aardsche staat, zijn
gedachten slechts gericht zijn op het hoogste en
eeuwige. Zijn Missa Solemnis, waarvan het religieuze
karakter langen tijd onbegrepen bleef, is een strijd
tegen een Christendom-uit-sleur, een steeds herhaalde
opwekking tot bidden, een aansporing tot een daad-
werkelijk beleven.
Becls, 1° gem. in het laagveengebied van de
prov. Noord-Holland, doorsneden door
de spoorlijn Purmerend— Hoorn; opp. 673 ha; omvat-
tend het dorp B. en de buurtschap Schardam aan het
Uselmeer. Op 1 Jan. 1933* 466 inw., grootendcels
Prot. Veeteelt met een zuivelfabriek, tuinbouw 7 en een
houtzagerij. van der Meer .
2° Dorp van bijna 1 700 inw. in de F r i e s c h e
gem. Opsterland.
Beets, N i c o 1 a a s, dichter en prozaschrijver.
Hij stond als student sterk onder den invloed van
Byron, en in het algemeen van de Engelsche en
Fransche Romantiek.
De Engelsche humo-
ristische literatuur
(Sterne) heeft hem
zeker mede tot den
schrijver van de Came-
ra Obscura gevormd ;
een verzameling ro-
mantisch - realistische
prozastukken, welke
hij onder het pseud.
Ilildebrand publiceer-
de. Dit proza ken-
merkt zijn zachtaar-
digen, vromen inborst,
die een zekeren hang
naar het weemoedige 1,eet8#
en zacht-mclancholische vertoont. Dit was het
eigenlijke deel zijner natuur, dat hij in zijn zooge-
naamden ,, zwart en tijd” als dweepziek, jeugdig Byron-
vereerder tevergeefs had trachten te forceeren tot
het tragische levensgevoel van de door hem be-
wonderde Romantiek.
Als dichter stelde hij zijn lier herhaaldelijk in dienst
van het vaderland, bij vreugdevolle en smartelijke
voorvallen. Hij was in zekere mate een zuiver dichter-
lijk talent; als poëet van de gezeten Hollandsche
burgerij en als schrijver van natuurgedichten heeft
285
Beetsjoeana
286
hij daarvan blijk gegeven. Beets was daarnaast geen
onverdienstelijk letterkundig essayist. * 1814 te Haar-
lem, f 1903; studeerde theologie te Leiden, werd
in 1840 predikant te Heemstede, in 1854 te Utrecht,
daarna in 1874 benoemd tot professor in de theologie
aan de universiteit van dezelfde stad.
Werken: gedichten-bundels : Korenbloemen (1853),
Najaarsbladen (t881), Dennennaalden (1900); proza:
Camera Obscura (1851 compleet); Verscheidenheden
meest op letterkundig gebied. — L i t. : E. J. Potgieter,
De copieerkunst des dagelijkschen levens (Krit. Stud. I) ;
L. v. Deyssel, Nic. Beets’ Camera Obscura ; P. D. Chante-
pie de la Saussaye, Leven van Nicolaas Beets ; A. Verwey,
Het Leven van Nic. Beets (De Beweging II 1905);
C. Scharten, Beets-Hildebrand (De Gids III 1914).
A. Sassen.
Beetsjoeana, een Bantoegroep, woonachtig in
Beets joeanaland, W. Transvaal en in den Oranje
Vrijstaat (zie kaart Afrika, staatkundig); is verdeeld
in vsch. stammen, bijv. Bak-
wena en Barolong, hoofdzake-
lijk landbouwers; de Bakala-
hari, nog nomaden. De voor-
naamste stammen der Oost-B.
zijn de Basoeto en Makolelo;
der West-B. de Barolong,
Bangwaketse, Batlapi, Ba-
mangwato en de Bakalahari.
Aantal wordt geschat op ca.
200 000, waaronder 2 000 blan-
ken verspreid wonen. Huid-
kleur is koffiebruin, die der
Barolong lichter getint. Tn
kleur gelijk aan de Amer. In-
dianen, maar kleiner in sta-
tuur; symmetrisch gebouwd;
haar wolachtig. Voor ethno-
logische samenstelling, > Ban-
toe. In taal, alsook in maatsch.
en staatkundige instellingen
vertoonen zij zekere elemen-
taire beschaving, en munten
zelfs uit in nijverheid en kunst:
houtsnijwerk, pottenbakkerij
en smeedkunst. Hun dorpen
zijn ook beter aangelegd dan
bij de Zoeloe ’s; hun woningen
kennen verdeel ing in kamers,
ook luchtverversching, hetgeen
stijging in cultuur toont. Hun
kralen (= dorpen) hebben
hutton met kegelvormig dak,
omgeven door een schaduw-
verstrekkende gang. Zij kennen
hoofdbekleed ing en schouder-
vellen, en zijn zacht en vrede-
lievend, zoodat hun stamtwis-
ten maar zelden leiden tot
bloedvergieten. Hun wapenen
bepalen zich tot een lichte speer (hun lievelings-
wapen) en schild, en zonder veel tegenstand werden
zij gemakkelijk onderworpen door hun meer oorlog-
zuchtige buren: de Koranna s en de Kaffers. Slavernij
is nauwelijks bekend.
Waar zulks mogelijk is, wordt de bodem zorgvuldig
bew’erkt; zij kennen geen bevloeiing. Veeteelt
wordt beoefend. Zij hebben talrijke kudden schapen,
maar weinig hoornvee, buiten de zeer gewaardeerde
melkkoeien. Zij onderscheiden zoet- en zuurveld,
Mestype der
Beetsjoeanen.
naar den smaak van het gras. De runderpest woedt
soms, maar verliezen w r orden snel hersteld. Zij bezitten
ca. een half millioen runderen, 150 000 schapen,
Doorsnede van een Beetsjoeaansch huis.
260 000 geiten, 10 000 ezels. Paard en ziek te komt veel
voor, waakzaamheid hiertegen blijkt uit toezicht op
invoer en verplaatsing van vee binnenslands.
De B. hebben een vaag Godsbegrip ; maar
geen tempels of priesters, geen afgoden of voor-
werpen van vereering, behalve apen, slangen en kroko-
dillen. De toovenaars, vooral de regenmakers, vreezen
zij. Veelwijverij en besnijdenis worden toegepast.
Door invloed van het Christendom is het lot der vrouw
verzacht, zij is ontslagen van de zwaarste vormen
van landarbeid. Zij zijn aanhangers van het
> totem isme.
Met o n d e r w ij s is door regeering en missie en
zending een begin gemaakt. Er zijn 10 scholen voor
blanken, 75 inboorlingscholen en 1 opleidingsschool
voor inlandsche onderwijzers.
De regeer insfs vorm der B. is monarchaal
en patriarchaal, en zeer menschlievend. Aan de meeste
stammen wordt volgens de beginselen, die bij de
Basoeto proefhoudend gebleken zijn, een eigen gebied
toegewezen, bestuurd door het stamhoofd, woonachtig
in de grootste kraal en krachtens erfrecht onschend-
baar. Onder deze hoofden of konimren komen de
districts- en dorpshoofden, dan de rijken, de aristo
craten van den stam. De macht der vorsten, overigens
zeer verstrekkend, wordt bepaald door een p i t s o,
den raad der magistratus minores. Het Beetsjoeana-
protectoraat staat onder een commissaris, benoemd
door de Britsche Kroon; hij is verantwoordelijk aan
den Br. Hoogen Commissaris in Z. Afr. Het protecto-
raat is verdeeld in een N. en een Z. gebied, elk onder
een assistent-comm., resp. te Francistown en te
Gaberones; elk gebied is onderveideeld in twee deelen
onder een magistraat en politie. Hoofdzetel der
regeering is te Mafeking, hoew T el buiten protectoraat-
gebied gelegen. Rechtsspraak over blanken berust
bij het Speciale Hof van het Br. protectoraat; die over
inboorlingen bij de inlandsche hoofden, met recht
van beroep op magistraat of ass. -commissaris. Belas-
ting op elko hut als woning gebruikt, bedraagt 3 p. st.,
en 3 sh. voor een fonds voor opvoeding en alg. belan-
gen; wordt geïnd door de hoofden, die 3% commissie
ontvangen. Het land is vrij van openbare schuld.
Handel e n verkeer. In het O. ligt 65U km
spoorweg, ter verbinding met Kaapprov. en Rhodesia;
wegen geschikt voor motorverkeer verbinden de voor-
naamste dorpen met den spoorweg; w^at daarvan meer
dan 80 km verwijderd is, moet van den ossenwagen
gebruik maken. Ngami, ruim 600 km van Talapye
(aan den spoorweg), heeft een rijweg.
Statistiek voor den handel ontbreekt.
Inkomende rechten worden aan de Uniehaven geheven
en kwartaalsgewijze wordt een vaste som door de
Unie-regeering aan het protectoraat van Beetsjoeana-
land betaald, behalve op sterken drank en vuur-
wapenen, die aan de protectoraatsgrenzen belast
287
Beetsterzwaag — Beetwortel
288
worden. Alcoholische drank mag aan een inboorling
verkocht noch gegeven worden. Invoer: dekens,
landbouwgereedschap, huishoudelijke art. en kruide-
nierswaren; uitvoer: huiden, vellen, wol en vee, doch
alleen boven zeker gewicht.
Lit. : Broadbent, Narrative of introduction of Chr.
among Bechuana (1865) ; Dehérain, L’expansion des
Boers (Parijs 1905) ; Annual Reports on B. Protectorate
(Colonial Office, Londen).
Geschiedenis der Beetsjoeana. Volgens volksover-
levering stammen de B. uit een grot, nog aangewezen
in het land der Bakoni, waar op een rotsplaat de
voetindruk van den eersten mensch, een B., nog te
zien is. Oudste historische grenzen: in het Z. de Oranje-
rivier, in het O. de kust van Natal en Mozambique,
in het N. Ngamimeer, in het W. Damara- en Nama-
qualand. Tegenwoordig kleiner door binnengedrongen
Afrikaners, die hun maatsch. en econ. overwicht
steeds meer vestigen. Over verbreiding der Bantoe en
hun evolutie tot B., > Bantoe. Reisbeschr. van Truter
en Sommerville (1801), Towan en Denavon (1808)
tot Mozambique; Burchell (1812) tot de Maloppo’s;
Campbell (1820) tot Karichoeene. Toen bestond reeds
een zendingspost te Litakoe. Smith drong 1834 — *35
door tot de Limpopo. Verdere bekende reizigers waren
Moffat en Livingstone; ca. 1817 heeft Moselikatze
Basoeto, grondvester van de Metabele en Basoeto-
natiën,als vluchteling voor Chaka het land bezocht
en zich in Metabeleland gevestigd. In 1818 stichtte
de Schotsche zendeling Robert Moffat een post te
Koeroemaa in het centrum van Beetsjoeanaland en
is daar een halve eeuw werkzaam geweest als opvoeder
der B. In 1841 voegde zich bij hem David Livingstone,
doorvorscher van het N. en zendeling der Bakwena.
Bij de Zandrivier-conventie van 1852, waarbij Groot-
Brittannië de onafhankelijkheid van Transvaal erken-
de, kwamen beide partijen overeen geen vuurwapenen
aan inboorlingen te leveren. Expedities tegen de
Bapedi en Bakwena waren noodig om deze stammen
tot rede te brengen. Verkeerd ingelicht omtrent de
naturellenpo litiek der Boeren (> Bantoe) door
Engelsche zendelingen ter plaatse, volgde de regeering
te Londen een politiek, die geweld deed aan de bepa-
lingen der Zandrivier-conventie. Dit leidde herhaal-
delijk tot wrijving, zooals met de stammen der
Bakwena en Barolong, totdat een verdrag van Paul
Kruger en Marth. Wessel Pretorius met Montsioa in
1870 tot stand kwam. Dat de toegeeflijke politiek
der Engelschen toch niet de juiste was, bleek wel,
toen gen. Charles Warren Beetsjoeanaland moest
bezetten. De Afrikaners hadden hun aloud beleid
van bevrediging door organisatie voortgezet, door
stichting van de republieken Goosen met hoofdplaats
Vrijburg en Stellaland in 1882, op Beetsjoeanagebied;
wegens voorgewende handelsbelemmering slaagde
Engeland er in ze te verdeelen tusschen Gr. Brit.
en Transvaal. Cecil J. Rhodes, met toepassing van
zijn imperiale expansie-politick, gebruikte hot nu
Britsche Beetsjoeanaland (evenals Metabele- en
Mashonaland) als een rooden gordel om Transvaal
Noordwaarts in te snoeren. In 1885 werd het N. deel
tot een Britsch protectoraat gemaakt; het Z. deel,
Britsch Beetsjoeanaland, wordt door de British S.
Africa Co. beheerd; is ingelijfd in de Kaapprov.
(1895).
Lit.: R. Moffat, Missionary labours and scenes in
S. Afr. (1842) ; G. W. Stow, The native races of S. Afr.
(Londen 1915).
Voor missie, zie kaart (Kerkelijke indeeling),
t/o kolom 537/8, deel I.
Beetsjoeanaland bestaat uit Britsch Beetsjoeana-
land tusschen Oranje- en Molopo-rivier en Br. protec-
toraat ten N. hiervan; grenst in het W. aan Z.W. Afr.,
in het N. aan Portugeesch W. Afr.; N.O. aan Zuid-
Rhodesia; Z.O. aan Transvaal en Kaapprov.; is nog
niet behoorlijk opgemeten en in kaart gebracht. Opp.
712 000 km 2 ; hoogte gemiddeld 3 300 voet. De meeste
bergen staan alleen; men vindt er pannen, holten,
waarin water kan voorkomen, vermoedelijk ontstaan
door werking van winden, of kaaltrappen en rond-
rollen van wild; bodem is zand of modder. Weinig
bovengrondsch water. In droge waterbeddingen vindt
men doorgaans water op een paar voet diepte. Water-
houdende rivieren zijn: Zambesi, Marico en Limpopo.
In het N. moerassen, vooral bij het Ngamimeer.
Zomers heet met koele nachten. Regenval: 15 tot 20 cm
in Dec. tot April. Weinig bosch; stofstormen. Doom-
bosschen belemmeren het verkeer. Hoofddeel is de
Kalahari, tusschen Oranje-rivier en Zambesi; het is
een hoogvlakte, in het O. snel dalende naar de Limpopo
en Vaal; alleen geschikt voor runderen, geiten en
schapen. De O. deelen zijn het dichtst bevolkt; door
dit gebied loopt de eenige spoorweg, van Kimberley
over Mafeking naar Boelawayo. In de woestijnvlakten
van de droge Kalahari zwerven nog Bosch jesraannen
en Beetsjoenastammen. Sommige inboorlingen-dorpen
hebben aanmerkelijken om vang, bijv. Serowe
met 25 000 inw. Indigo en katoen groeien in het wild,
ook watermeloen. Onverantwoordelijke verwaarlo-
zing van boomen en bosschen is oorzaak voor de opdro-
ging van het land, evenals onverstandige veeteelt
en grasbranden. Vooral de stichting van Kimberley
werkte de ontbossching in de hand (brandhout en
mijnstutten); toch komt er nog goed grasland voor.
Er zijn veel wilde dieren, zooals antilopen (bokken),
olifanten, nijlpaarden, rhinocerossen, giraffen, buffels,
leeuwen, luipaarden, hyena’s en jakhalzen; voorts:
struisen; slangen, pofaders en cobra; verder schor-
pioenen, tarantula, sprinkhanen, witte mieren en
muskieten en in enkele rivieren krokodillen.
Lit.: zie boven. Besselaar.
Beetsterzwaag , dorp van bijna 1 200 inw. in
de Friesche gem. Opsterland aan de tramlijn Heeren-
veen — Drachten, te midden van de grootste bosch-
gebieden van Friesland; toerisme.
Beetsyndicaten, vereenigingen van planters,
die ten doel hebben de suikerbietenopbrengst van hun
leden gezamenlijk en tegen de voordeeligste voor-
waarden te verkoopen.
In België bestaan dergelijke vereenigingen in alle
beetenstreken. Zij hebben als werkgebied een of meer
gemeenten en zijn gegroepeerd in gewestelijke verbon-
den, die over het afsluiten der contracten met de sui-
kerfabrieken onderhandelen. Luytgaerens .
Beetwortel, Bèta vulgaris, van de
familie der ganzevoetachtigen (Chenopodiaceae), werd
vroeger B. maritima genoemd, doch thans Bèta
vulgaris var. maritima. Afkomstig uit het Oosten,
heeft deze plant zich sterk langs de kusten van Europa
verbreid en zijn er door een zorgvuldige teelkunst
verschillende uiterst belangrijke variëteiten ontstaan.
De oorspronkelijke wilde soort bezat dunne wortels,
welke bij vele gekweekte soorten sterk verdikt zijn,
zooals de landbouwvar. veevoederbieten of mangel-
wortelen en de suikerbieten, bèta vuig. cicla en bèta
vuig. rapa(cea). Deze laatste heeft in de gematigde
289
Beetwortelsuiker — Begaafdenscholen
290
luchtstreken den grondslag gelegd voor de zoo belang-
rijke suikerindustrie. In den tuinbouw treft men nog
aan de roode bieten of kroten en snijbiet, welke laatste
zeer dunne wortels bezit. Bonman.
Beetwortelsuiker, suiker (> Saccharose),
dus niet druivensuiker, glucose, enz., verkregen uit
beetwortelen. > Beetwortelsuikerfabriek.
Beetwortelsuikerfabriek, inrichting, waar
uit beetwortelen suiker wordt vervaardigd. Zgn. ruw-
suikerfabrieken leveren een product af, dat bruin
gekleurd is, nog ca. 1 % asch bevat en van ± 96%pola-
risatie d.w.z. suikergehalte is. Steeds meer leveren de
b. een wit product af, daar de beetwortelsuikersappen
zich veel beter leenen tot het vervaardigen van witte
suiker dan de rietsuikersappen. Het witte product, dat
door de witsuikerfabrieken resp. witsuikerfabrieken-
raffinaderijen afgeleverd wordt, is van zeer verschil-
lende hoedanigheid. Gewone witsuiker is in West-
Europa niet voor de consumptie geschikt. Vele Ned.,
Tsjecho-Slowaaksche, Engelsche en tegenwoordig ook
Duitsche fabrieken leveren een product af, dat met
geraffineerde suiker kan worden gelijkgesteld en trou-
wens ook bij de fabricage zelf een soort raffinageproces
heeft ondergaan. P. van Ginneken.
Bectwortelvljanden, > Bietenvijanden.
Bcever, E. van, Holl. schilder, * 28 Maart
1876 te Antwerpen, f Juni 1912. Leerling van de
Quellinusschool te Amsterdam en van Alex Boom,
daarna van Ed. Frankfort te Amsterdam. Hij studeerde
ook 3 jaren aan de Acad. te Amsterdam. Schilderde
stillevens, interieur, genre en dorpsgezichten. Ook
enkele etsen.
L i t. : Alb. Plasschacrt, Holl. schilderkunst.
de Stuers.
Bcez, gem. in de prov. Namen, ten O. van Namen,
aan de Maas; 1 000 inw., grootendeels Kath.; opp.
314 ha; landbouw; kalksteen. Merkwaardigheid:
Romaansche kerk.
Bel. In de 17e eeuw benaming voor lederen platten
kraag (zoo is dan ook
van mantelbeffen sprake).
Waar de ontwikkeling
van den kraag in den loop
der 17e eeuw leidt tot een
vorm, smal rondom den
hals en met een breed
plat stuk op de borst,
gaat het woord bef voor-
al op dit laatste over.
Zoo is b. gebleven als
benaming van den hals-
tooi bij het ambtsge-
waad van advocaten en
predikanten, welke in de
laat-17e eeuwsche bef
haar oorsprong vindt.
v. Thienen.
Befana (etymol. afleiding van Epiphania onze-
ker), een heks, die in het Italiaansche volksgeloof een
zelfde rol speelt als bij ons vrouw Holle. In den Drie-
koningennacht wordt te Rome op de Piazza Navona
(Circo Agonale) met toeters en ratels een helsch lawaai
gemaakt om B. op de vlucht te drijven. De verdrijving
van het oude jaar en feestelijke inhaling van het
nieuwe, dat vroeger op Driekoningen gevierd werd,
zou hier aan ten grondslag liggen. Door kinderen wordt
een schoen of kous onder den schoorsteen geplaatst,
welke ’s morgens met suikergoed gevuld is (vgl. St.
Nicolaas).
L i t. : H. Usener, Religionsgeschichtl. Untersuchun-
gen (I 2 1911, 218 vlg.). J. van Rooij .
Beïfe, Belg. gem. in de prov. Luxemburg, ten O.
van Marche; 350 inw.; opp. 1109 ha. Rotsachtige,
beboschte omgeving; Ourthe; heerlijke ligging.
Beflljster (Turdus torquata), ook
krans-, kring- of kraaglijster genoemd, zangvogel uit
do familie der lijstervogels. Is grooter dan onze gewone
zanglijster en merel. Kenmerkend is de groote ring-
vormige witte keelvlek (bef); overigens is de kleur bij
het mannetje dofzwart met halvemaanvormige grijze
vlekjes, ontstaan door grijze omzooming der dek-
veertjes; de snavel is aan den wortel geel; bij het
wijfje is de kleur meer bruinachtig. De vogel komt in
het voor- en najaar op den doortrek in ons land en
blijft soms als wintergast; werd bij ons ook op enkele
plaatsen broedend aangetroffen; broeit overigens op
het hooggebergte van Skandinavië, maar ook in de
Pyreneeën en andere gebergtestreken van Europa.
Willems.
Bega, linker zijrivier van de Theiss in Z. W. Roe-
menië en N.O. Joego-Slavië, beneden Neliki-Betsj-
kerek gekanaliseerd. Van deze stad loopt het ruim
100 km lange B e g a-k anaal evenwijdig aan de B.
naar Temesvdr.
Bega, Cornelis, schilder en etser te Haar-
lem, * 1620, f 1664; leerling en navolger van Adr. v.
Ostade. Bijna uitsluitend kiest hij als onderwerpen
het boerenleven en kroegscènes. Deze zijn vrijwel
geheel in den trant van zijn leermeester behandeld,
echter veel zwakker. Hij was zeer productief. Zijn
teekeningen en etsen zijn verdienstelijker dan zijn
schilderwerk.
L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Schretlen.
Begaafdenscholen. Worden scholen voor zwak-
zinnigen steeds algemeener, ook met inrichtingen voor
de hoogstbegaafden werden hier en daar proeven ge-
Befvorm van omstreeks
1690.
v. i«
291
Begaafdheid— Begeerlijkheid
292
nomen, eerst te Berlijn, later ook in Hamburg, Frank-
fort en in Oostenrijk. De beweging ontstond tijdens
den grooten oorlog: ten gevolge van het enorme
menschen verlies kwam men tot. de overtuiging, zuinig
te moeten zijn met de verstandelijke gaven van het volk,
en met name de talenten, die ook onder de lagere
standen schuilen, niet in den grond te graven. Luid
klonk de leuze: Freie Bahn den Tüchtigen ! Daarom
moest tusschen lager en hooger onderwijs een brug
geslagen worden, die tot dusverre niet bestond: de
Ign. „Aufbauschulen” werden de weg, waarlangs
leerlingen met uitstekenden aanleg, die tot hun 13e
jaar de gewone volksschool bezocht hadden, een der
inrichtingen van het hooger onderwijs konden bereiken.
Aanvankelijk speelde bij de > selectie het testonder-
zoek een groote rol. Voor het samenstellen van zulke
be^aafdentests maakte zich, naast Moede en Pior-
kowski, vooral W. Stem verdienstelijk. Door de in-
voering van de vierjarige „Grundschule”, toegankelijk
voor iedereen, zijn de kansen van het gewone volkskind
vanzelf veel grooter geworden en heeft het probleem
der begaafdcnschool een eenigszins ander aspect ge-
kregen. Het is overigens een groote vraag, of bij de
selectie voor het hooger onderwijs alleen verstandelijke
aanleg den doorslag moet geven: voor het bekleeden
van hoogere betrekkingen zijn zeker ook traditie en
een zekere cultureele standing niet te venvaarloozen
factoren, terwijl de plotselinge verheffing uit minderen
stand gemakkelijk kan leiden tot een overdreven
gevoel van eigenwaarde met de nadeelige moreele
gevaren daarvan.
L i t. : S. Rombouts, Hist. Ped. (III 1928).
Romboufs.
Begaafdheid, een begrip, vooral gebruikt in
verband met het verstand. Men select ionneert de
begaafden door middel van verstandstesten: * Intel-
lectueel quotiënt. ..
Begard , begardisme, > Begijn.
Begas, 1° Karl (de Oudere), Duitsch
schilder, * 30 Sept. 1794 te Hainsberg bij Aken, f 23
Nov. 1864 te Berlijn. Leerling van Philippart te
Bonn, 1813 naar Parijs op het atelier van Jean Ant.
Gros; deze studietijd slechts onderbroken door den
oorlog; daarna keerde hij weer naar Parijs terug en
vestigde zich later te Berlijn. Schilderde voor den dom
te Berlijn een altaarstuk: De uitstorting van den H.
Geest (1821). Schilderde vele religieuze onderwerpen
doch ook genrestukken en portretten, zooals die in de
musea te Keulen en de National Galerie te Berlijn.
Voornaamste werk: „De doop van Christus”
in de Garnizoenskerk te Potsdam (1823).
2° Karl (de Jongere), Duitsch beeldhou-
wer, * 23 Nov. 1845 te Berlijn. Zoon van Karl B.
Leerling van de acad. te Berlijn en van zijn broeder
Reinold. Werkte ook nrg bij den beeldhouwer L.
Sussman. Studeerde te Rome. Werd leeraar van de
acad. te Kassei. Vestigde zich daarna te Berlijn.
Van zijn tabijke werken zijn te vermelden bronzen
bustes van Moltke, prins Friedrich Karl en van
Otto van Sparr (1882) in het Zeughaus te Berlijn ;
het marmeren standbeeld van den architect Knobels-
dorff in de Voorhal van het Alt. Mus. te Berlijn
(1887).
Lit. : Kat. der Berl. Nat. Gal. (1907, 411).
de Sluers.
Begbfe, H a r o 1 d, Engelsch journalist en
romanschrijver. * 1871, f 1930.
Werken: romans, politiekeren^ sociologische wer-
ken : The Ilandy Man (1900) ; Mastcr Workers (1906) :
The Priest (1906) ; In the Hand of the Potter (1911) :
Religion and the Crisis (1913) ; The Proof of God (1914);
enz.
Begeerlijkheid (Lat. concupisccntia, Gr. epi-
thumia). 1° In meer algemeenen zin isb.
het zinnelijk streef- of begeervermogen, waardoor
men liet door de zinnen waargenomen goed nastreeft.
Tn dezen zin is de b. uit zich noch goed noch kwaad:
het zinnelijk begeeren is goed of kwaad, al naar gelang
het al dan niet trouw blijft aan de zedelijke orde,
gelijk deze door de rede erkend w T ordt. Men onderscheidt
de voorafgaande en de gevolgelijke b. (coneupiseontia
antecedens et consequens), naar gelang zij het oordeel
der rede en het bevel van den vrijen wil voorafgaat of
door den vrijen wil wordt geboden en dezen dus volgt.
Natuurlijkerwijze heeft de wil geen „onbeperkte
heerschappij” over de b. (potestas despot ica >: het
redelijk en zinnelijk begeervermogen immers (wil en b.)
hebben ieder hun eigen sfeer en eigen voorweq)
(redelijk of zinnelijk goed): bovendien gaat zinnelijk
waarnemen en begeeren vooraf aan het verstandelijk
waarnemen en begeeren. Wel heeft de wil een „leidende
macht” (potestas politica of dominativa), in zooverre
hij macht heeft over het voorstellingsvermogen en
over de uitwendige zintuigen.
2° In engeren, theologischen, meest gebrui-
kelijken zin is b. het streven der zinnelijke begeer-
vermogens, dat ingaat tegen de zedelijke orde, gelijk
die door de natuur zelf is afgekondigd (natuurwet)
en voornamelijk, gelijk die in de bovennatuurlijke
openbaring is neergelegd (bovennatuurlijke zedenwet).
Gal. 5. 16, 17, 24; Eph. 2. 3; 2 Petr. 2. 10; 1 Joh 2. 16;
Jac. 1. 14; 4. 3; 4. 1,2; (zie Statenbijbel Gal. 6. 16;
24; Ef. 2. 3; 1 Joh. 2. 16; Jac. 1. 14. 15;) vandaar
de stereotype combinatie „ongeregelde (booze) b.”.
Deze beteekenis wordt soms uitgestrekt tot alle
begeeren, dat ingaat tegen de wet des geestes (Rom.
7. 7, 8): zoo spreekt men vaak, vooral op den kansel
en in ascetische geschriften, van de „drievoudige
begeerlijkheid” naar aanleiding van 1 Joh. 2. 16.
In den staat der > oorspronkelijke gerechtigheid
bestond ook de b. in algemeenen zin, maar het zinne-
lijk begeeren was volkomen onderworpen aan de rede,
gelijk deze aan God onderworpen was. Door de zonde
werd die harmonie verstoord en kw r am de b. in opstand
tegen de rede, evenals deze tegen God was opgestaan ;
aanduiding daarvan vindt men in Gen. 2. 25; 3. 7 — 11.
Die onderworpenheid van het zinnelijk begeeren aan
de rede was een gave, welke krachtens ’s menschen
natuur niet werd gevorderd. De tegenovergestelde
leer van Bajus werd door Pius V verworpen (Denz.
1026, 1065). De ongeregelde b. is dus feitelijk een
gevolg van de erfzonde; daarbij is zij een bron van
> dadelijke zonden, „fomes peccati”, een haard van
zonde (Conc. van Trcnte, Denz. 792). Zij blijft ook
na het Doopsel; echter kan zij in den gedoopte geen
zonde genoemd woorden in eigenlijken zin, daar in
het Doopsel al, wat den eigenlijken aard van zonde
deelt, wordt weggenomen. Wanneer de b. zonde
genoemd w’ordt door St. Paulus (Rom. 6. 12 vlg.),
kan dit t.o.v. den gedoopte alleen in wijderen zin
verstaan worden, in zoover de b. uit de (erf-)zonde
voortkomt en tot de (dadelijke) zonde voert. Deze
leer is door het Conc. van Trente als geloofspunt
vastgelegd (Denz. 792).
Volgens St. August inus ligt in de b. een wezenlijk
element der erfzonde. Hij onderscheidt in de erfzonde
293
Begeerte — Beginschop
294
het „kwaad” en de „schuld” (malum en reatus). In
het Doopsel nu wordt het karakter van „schuld”,
dat ook de b. draagt, weggenomen: het „kwaad”
echter, hierin bestaande, dat de b. strijd voert tegen
de wet des geestes, blijft ook in den gedoopte.
St. Thomas preciseert St. Augustinus’ leer, als
hij de b. vel niet als het formeele, maar als het mate-
rieele element der erfzonde aanduidt (I, II q. 82 a. 3).
De Hervorming leert, dat de b. ons schuldig maakt
voor God ; zij ziet er het wezen in der erfzonde, doch
b. moet dan verstaan worden in wijderen zin als het
ongeordend begeeren, zetelend zoowel in de hoogere,
als in de lagere vermogens. De b. blijft als zonde
ook in den gedoopte. Calvijn zelf erkende, dat de leer
der Ilcrv. hierin afwijkt van St. Augustinus (Instit.
II ï, 3, 10). Logisch leidt de Ilerv. hieruit af, dat de
uitingen der ongeregelde b., zelfs wanneer de wil er
zich tegen verzet, zonde zijn. Deze leer werd gedeelte-
lijk overgenomen door het Jansenisme (Bajus, Janse-
nius, Quesnel), dat eveneens in de ongeregelde b. en
in het ongeordend begeeren, ook als de vrije wil niet
erin toestemt, zonde ziet, gelijk het overigens alles
tot zonde stempelt, wat zonder de genade geschiedt:
„de begeerlijkheid of de wet des vleesches en hare booze
begeerten, welke de mensch tegen zijn wil gevoelt,
zijn eene echte ongehoorzaamheid aan de wet” (Bajus.
Denz. 1051).
Het standpunt der Kerk t.o.v. de uitingen der b.
zet het Conc. van Trente uiteen, als het leert, dat de
b. na het Doopsel weliswaar blijft, maar tot beproe-
ving: daarom kan zij „dengenen, die niet daarin toe-
stemmen en mannelijk met de genade van J. Chr.
daartegen strijden, niet schaden. Integendeel hij,
die wel zal gestreden hebben, zal worden gekroond
(2 Tim. 2. 6)” (Denz. 792). Zoo stelt de Kerk ook hier
tegenover het sombere pessimisme van Hervorming
en Jansenisme een gezond en krachtig optimisme.
L i t. : S. Thomas Aq. (I, II q. 30 ; q. 83 a. 3) ; Dict.
Théol. Vacant, art. Augustin, Concupiscence, Péché
Originel ; Diekamp, Katholische Dogniatik (II 5 1921);
Kors, La Justice Primitive et le Péché Originel d’après
S. Thomas (1922) ; Gredt, Elementa Philos. Aristot.-
Thom. ( 6 1 929) ; Mausbach, Die Ethik des hl. Augustinus
( 2 1929); Bavinek, Gereformeerde Dogmatiek (III 4 1929);
Geesink, Gereformeerde Ethiek (I 1931); Noble, Les
Passions dans la Vie M orale (I en II, 1931, 1932) ; Pohle,
Lehrbuch der Dogmatik (II 8 1932). v. d. Meulen.
Begeerte, booze, in den meest algemeenen
zin is ieder in de booze > begeerlijkheid wortelend
verlangen (concupiscentia actualis), iedere dadelijke
lust tot het kwade in onze zinnelijke streefvermogens
of in onzen wil. Ze is zondig, in strijd met het negende
en tiende gebod (Ex. 20. 17; Deut. 5. 25), als en inzoo-
verre de vrije wil er in betrokken is, door ze zelve te
verwekken of door in de spontaan opkomende roerselen
der zinnelijkheid toe te stemmen. Meer speciaal
wordt in de Katholieke moraaltheologie onder booze b.
verstaan het beraden wilsverlangen, dat uitgaat naar
de booze daad, of de toestemming van den wil tot
het daadwerkelijk volvoeren van het kwaad: een zonde
van dezelfde zwaarte (doodzonde of dagelijksche zonde)
en dezelfde soort als de daad zelf, waar zich het ver-
langen of het voornemen op richt, volgens Mt. 5. 28:
„wie een vrouw beziet om haar te begeeren, heeft
reeds overspel met haar gepleegd in zijn hart”. In
dezen zin vormt de booze b. met de vrijwillige ver-
lustiging in een voorgesteld kwaad en de vreugde over
een bedreven kwaad de drie hoofd typen van inwendige
zonden.
Lit. : jSt. Thomas Aq., Summa theol. (I II, qu.
74) ; Quacst. disp. de malo (qu. 2 en 7) ; Quaest. disp. de
ver. (qu. 15 en 25) ; St. Alph. de Lig. Theol. mor. (V,
12-15); Homo apost. (III, 47-54). Buys.
Begeleidende cellen, > Bast.
Begeleiders noemt men die mineralen in een
ertsafzetting, die, hoepel zelf geen erts zijnde, in een
bepaald genetisch verband staan met de belangrijkste
ertsen der ertsafzetting.
Begenncligingswaan, term, gebruikt in de
psychiatrie voor een bijzondere waan vorming, welke
voorkomt bij levenslang veroordeelden, die een
langdurige celstraf achter den rug hebben.
Bcgga, Heilige, dochter van Pepijn van Landen
en Itta, en zuster van S. Gertruud; was gehuwd met
Ansegisus, hofmeier onder den Frankischen koning
Sigebert III. Zij stichtte in 691 een klooster te Andenne
(België, prov. Namen), waar zij in 693 overleed. Haar
naam wordt ten onrechte in verband gebracht met de
Begijnen.
Lit.: Ghesquière, Acta SS. Belgii (V 1789, 70-111).
Lindeman.
Voorstelling in de kunst. Begga,
gekleed als begijntje, de handen gevouwen, zonder
eenig verder attribuut (van Lochom); als vorstelijke
vrouwe in wijden mantel en bij haar twee volkomen
gelijke kloosterkerken (Beckh).
Beggar’s Opera, > Ballade-opera.
Beggiatoa, > Zwavelbacterie.
Beghlnen, Vanden twaelf, laatste
werk van Ruusbroec, zoo genoemd, omdat het begint
met twaalf begijnen, die in verzen, door Hadewych
ingegeven, twaalf stemmingen in den dienst van Jesus
uitdrukken; een zeer los samenhangend werk, dat
handelt over de beschouwing, over den invloed der
planeten, over het liturgisch leven met Jesus’ lijden;
het belangrijkste deel gaat over de ketterijen, waarin
Ruusbroec Eckehart vooral op het oog heeft.
U i t g. : Nieuwe uitg. door J. van Mierlo (Mechclen
1932). — Lit.: J. van Mierlo, Ruusbroec’s bestrijding
der ketterij in : Ons Geestelijk Erf (1932). V. Mierlo.
Beginaccent. Bij b. valt het > intensiteits-,
ook wel druk- of expiratorisch accent genoemd, op
de eerste lettergreep van een woord. > Accent.
Beginlamp (Eng.: master-oscillator, Duitsch:
Steuerröhre). Hieronder verstaat men bij radiozenders
de eerste lamp, welke gebruikt wordt, om de frequentie
van de zendgolf af te leiden. De b. geeft óf dezelfde
frequentie als de zendgolf, óf een fractie van deze
frequentie. In dit laatste geval wordt de frequentie
van de b. één of meer malen verdubbeld of verdrie-
voudigd door daartoe geschikte schakelingen. De b.
geeft alsdan 1 / a , 1 / 4 , 1 / e , 1 / 8 of van de uiteindelijk
gezonden frequentie. Meer dan driemal ige verdubbe-
ling wordt met het oog op de stabiliteit van het
systeem zelden toegepast. Ten einde de b. zoo constant
mogelijk te houden, kunnen speciale voorzorgen
genomen worden. Ze wordt dan zeer weinig belast,
electrisch gescheiden van de rest van den zender
door middel van een zgn. separatorlamp. Haar span-
ningen worden zorgvuldig constant gehouden, terwijl
ze ook wel in een thermostaat geplaatst wordt.
Dubois.
Beginrijm, Alliteratie.
Beginschop. bij het voetbalspel een schop, waar-
mede het «pel begint, gedaan van het middelpunt
van het veld in de richting van de doellijn der tegen-
partij.
295
Beginsel— Begraafplaats
296
Beginsel of principe (^ Lat. principium,
Gr. archè — begin) is eigenlijk al wat op een of andere
wijze aan iets anders voorafgaat. Men onderscheidt
zijns- en denkbeginselen: het eerste in de zijnsorde
is het laatste in de denkorde, en omgekeerd. De weten-
schap der eerste beginselen heet wijsbegeerte.
Een z ij n s b e g i n s e 1, dat uiteraard het zijn
van iets anders bewerkt, heet oorzaak (Lat. causa);
een denkbeginsel, dat uiteraard het kennen
van iets anders bewerkt, heet grond (Lat. ratio).
Beginselen, die niet uiteraard maar op meer bijkom-
stige wijze het zijn en kennen van iets anders bewerken,
heeten hiervan de noodzakelijke voorwaarde (Lat.
conditio sine qua non) of aanleiding (Lat. occasio).
Eerste denkbeginselen zijn de allereerste enkel-
voudige begrippen (Lat. prima simplicia) en de aller-
eerste oordeelen (Lat. prima principia). Deze laatste
zijn de denkbeginselen in strikten zin en heeten
axioma’s. Het zijn de beginselen, die in de verschil-
lende onderdeelen der wijsbegeerte worden uiteengezet,
bijv. wat niet wezenlijk aan iets toekomt, komt van
iets anders (oorzakelijkheidsbeginsel) ; het goede
moet worden gedaan, het kwade moet worden gelaten
(moraalbeginsel). Ze moeten voor eenieder duidelijk
zijn; al onze verdere kennis (conclusies) berust er op,
maar zelf worden ze onmiddellijk gekend en kunnen
dus nooit in strikten zin worden bewezen.
Beginselen bezitten absolute geldigheid: onder
geen enkel beding mag er van worden afgeweken.
Ze worden toegepast in de zgn. regels, die uit-
zonderingen toelaten. Het allereerste denkbeginsel,
tevens zijnsbeginsel, is het beginsel van tegenspraak
(het axioma der axioma’s): iets kan niet tegelijkertijd
en onder hetzelfde opzicht zijn en niet zijn.
Lit. : Reg. Garrigou-Lagrange O.P., Dieu ( 5 1928);
J os. de Tonquédec, La critique de la connaissance (1929);
L. Fuetscher S.J., Die ersten Seins- und Denkprinzipien
(1930) ; P. Manser O.P., Das Wesen des Thomismus
(1932). v. d. Berg .
Beginselenwet (N e d. Recht), > Ge-
vangeniswezen.
Begin van een uitvoering (N e d. R e c h t),
> Poging.
Begonia, planten-
geslacht, waarvan ver-
schillende, meest Zuid-
Amerikaansche soorten
gekweekt worden in serre,
woning en bloementuin.
Soms groote, gewoonlijk
talrijke bloemen, fraai
gekleurde en geteekende
bladeren. De b. zijn niet
winterhard. Vermenig-
vuldiging door zaaien of
stekken. In de omgeving
van Gent heeft de han-
delscultuur der knol-
begonia’s een zeer groote
uitbreiding genomen:
haar begoniavelden zijn wereldberoemd.
Lit.: Vilmorin-Andrieux et Cie., Fleurs de Plaine
Terre ( 4 1894) ; K. Fotsch, Die Begonien (1933).
Begoniaceeën (Begoniaceae), een familie
met 420 soorten; grootendeels bewoners van de tro-
pen, met eenige soorten in gematigd klimaat; ook in
de koelere streken der tropische bergen treft men vele
soorten aan tot op 2 000 m hoogte; B. gemmipara
zelfs tot op 3 000 m. Behalve de geslachten Hille-
brand ia op Hawaii, Synbegonia op
N. Guinee en Begoniella in Columbia, welke
alle drie slechts enkele vertegenwoordigers hebben,
behooren de overige ongeveer 400 soorten tot het ge-
slacht Begonia en worden veelal als sierplanten
gebruikt. Voor den tuin komen in aanmerking de
grootbloemige knolbegonia’s en als kamerplanten de
bladbegonia’s, waarvan de bekendste is B. r e x. De
doorbloeiende B. semperflorens is zeer geschikt voor
bloembedden en balconversiering. Bonman.
Bcgovic, M i 1 a n, Serbo-Kroatisch dichter en
tooneelschrijver. * 19 Jan. 1876 te Wrlica (Dalmatië).
De poëzie van M.B. is pamassiaansch van vorm:
vooral de Italiaansche strophiek heeft hij, als geschoold
romanist, meesterlijk nagebootst. Later ging hij tot
het vrije vers over. Als dramaturg gaf B. enkele eigen
tooneelspelen in verzen en vertaalde hij vooral uit
Goldoni, Grillparzer en Ibsen.
(Werken: Pjesme (Verzen, 1890) ; Knjiga Bocca-
dora (Het boek Boccadora, 1900) ; Zivot za Cara (Het
leven bij den Isar, 1904) ; Knjiga sunce (Het boek van
de zon, 1907). T o o n e e 1 : Myrrha (1902) ; Venus
Victrix (1906) ; Gospogja Walewska (1906). Baur.
Begraafplaats. Zie plaat tegenover kolom 273.
Begraafplaats heet terrein, waar overleden personen
begraven worden. Ook kerkhof genoemd,
aangezien de b. vroeger meestal bij of om een
kerk lag. Bij voorkeur moet de b. vrij, op een hooge
plaats, niet aan een grooten weg aangelegd worden,
zoodat de lijken boven den hoogsten waterstand liggen.
Indien dit onmogelijk is, dan moet de b. opgehoogd
worden ofwel gedraineerd, waarbij men het ciraineer-
water moet behandelen als rioolwater. Er moet gelet
worden op de eventueele aanwezigheid van een grond -
waterstroom, welke verontreinigd zou kunnen worden,
en dat de meest heerschende wind niet eerst over de b.
en dan over de stad strijkt. De grootte van de b. is te
bepalen naar het aantal te verwachten sterfgevallen,
vermenigvuldigd met het aantal jaren, dat het graf
onberoerd moet blijven. De grootte van een graf is ca.
297
Begrafenis
298
2x1 m 2 . De graven worden in secties samengevat met
oppervlakten van bijv. 30x50 m 2 (Mftnchen) en
100x180 m 2 en 180x180 m 2 (Weenen). Voor geeste-
lijken een afzonderlijke sectie; eveneens voor kinderen.
Èr is een streven om van de b. een park te maken met
groote ruimte voor groen, bosch en alleeën. Voor een
Kath. b. moet het grafveld de hoofdzaak blijven, aan
de randen alleen parkaanleg. De plaatsing der graf-
teekens moet naar kunstzinnige opvattingen geregeld
worden. Voor beplanting en hoofdwegen te rekenen
op 20% van de opp. van de b. Behalve het genoemde
zijn voor een goed kerkhof noodig in de eerste plaats
een goed plan, waarin rekening gehouden wordt met:
a) het zakelijk benutten van den bodem ; b)gemakkelijke
oriëntatie en verkeer; c) de plaatsing van bouwwerken
van eenvoudige architectuur in harmonie met de om-
geving, en orde en rust in die van de grafteekens; d)
goed overwogen beplanting, welke de zonbestraling niet
te veel beperkt. Boomen met dichte kroon te beperken
tot de hoofdwegen; e) weloverwogen afscheidingen
ofwel hagen, waarachter boomen, ofwel karaktervolle
muren van goed baksteen materiaal (handvormsteen)
met zware contreforten, af gedekt met ezelsrug,
leien of pannen; f) de stemmige kapel voorde Kath.,
het geestelijke middelpunt, gelegen aan de hoofdallee;
aan de kapel nevenruimten; g) het hoogkruis, hoogge-
plaatst van vier zijden zichtbaar; h) de ingangspoort,
die een waardige voorbereiding moet zijn voor den
doodenakker. Daarboven toepasselijke reliëfs, bijv.
Christus Victor, Piëta ofwel toepasselijke opschriften.
Bij den ingang administratie-gebouw, waarbij tuin-
derij; i) grafkniisen van hout, brons, ijzer of steen,
met goede opschriften, makkelijk leesbaar en verwerkt
zooals het karakter van het materiaal zulks vraagt.
Geen marmer, noch gepolijst graniet; doch bijvoor-
beeld kalksteen in rustige groote vormen, vlak be-
handeld; j) bloemversiering: de gewone veldbloem,
mossoorten, vingerhoed, kamillen, klimop, wilderoos,
wingerd en verder boomen als pinus, els, en voor de
hoofdwegen eik, beuk, berk; k) grafkelders van ge-
wapend beton, water- en luchtdicht. Veel middelen
kan de kundige ontwerper van een b. toepassen. Op
de wegkruisingen rustpunten voor het oog te maken
bijv. eenvoudige fonteinen, kapelletjes, banken met
hagen omzoomd.
In laag land kunnen vijvers met terrassen -aanleg
gecombineerd worden; is het terrein heuvelachtig,
dan boomgroepen en heuvels in het plan verwerken.
Soldatengraven dienen om veel lijken te begraven.
Groote, gelijk-verdeelde velden, waarin zich op rijen
de graven bevinden, elk met eenvoudig kruis. Markee-
ring door groote kruisen, hagen of lage muren. Onze
landgenoot architect Ritzen ontwierp de b. voor de
gevallen Duitschers in België.
L i t. : Handbuch der arch. (IV 1907, nr. 3, Halbband
8) ; Anton Geitner, Das Christliche Grabmal (1922),
Gesellschaft für Christl. Kunst ; J. Hempelmann, Die
Praxis der Fricdhofsgartenerei, Verlag Paul Barey
(Berlijn 1927). Thunnissen.
De b. in het Ned. Rechl. De > begrafenis-
wet geeft in art. 13 — 30 regelen omtrent b. Zij onder-
scheidt algemeene, bijzondere en eigen begraafplaatsen.
Geen b. mag worden aangelegd op minder dan 50 m
buiten de bebouwde kom. De toegang tot een graf of
grafkelder mag niet in een kerk of ander besloten ge-
bouw zijn. Schaepman.
Belg. Recht. De teraardebestelling van de li-
chamen der afgestorvenen moet gebeuren in daar-
toe ingerichte gemeentelijke b., tenzij verlof wordt
gegeven om de begrafenis te doen op privaten grond.
Het decreet van 23en Prairial, jaar XII, regelt
deze kwestie. Er mag slechts op 35 * 40 m afstand van
de bebouwde kom der gemeenten begraven worden.
Geen onderscheid mag worden gemaakt tusschen per-
sonen. Ook werd de verdeeling van de b. volgens de
verschillende eerediensten impliciet door de Belgische
Grondwet afgeschaft.
De politie der begrafenissen en der b. ligt in de be-
voegdheid van den burgemeester. Hij is belast met de
toepassing der gemeentelijke reglementen en, bij gebrek
aan een reglement, handelt hij ingevolge art. 90, in
fine, en art. 94 der gemeentewet. > Begrafeniswet,
> Kerkhof, > Lijkverbranding.
L i t. : M. Vauthier, Précis de Droit administratif ;
Répert, Droit beige (II s.v. cimetière). V. Boon.
Liturgie. Voor de wijding der begraafplaatsen, >
Kerkhofwijding. Verder > Begrafenisgebruiken.
Hygiëne. Begraafplaatsen moeten o.a. om hygië-
nische redenen overal aan wettelijke eischen voldoen.
-> Begrafeniswet. > Begraafplaats.
Vroeger dacht men over de schadelijkheid
van b. veel ongunstiger dan tegenwoordig. Goed ge-
constateerde feiten tot bewijs dier schadelijkheid zijn
althans bij behoorlijk aangelegde kerkhoven niet
aangevoerd. In rotsachtige streken en bij massa -
begravingen kan het voorkomen, dat wegens onvol-
doende bedekking der graven onaangename geuren
opstijgen; maar in ’t algemeen werkt de omringende
grond op gassen zoo opslorpcnd en op ziektebacteriën
zoo vernietigend, dat ook gevaar voor verspreiding
van infectieziekten niet te vreezen is. De tuberkelbacil
is twee maanden na den dood van den lijder nog ge-
vonden, de cholera -viboio en de typhusbacil houden
het zoo lang niet uit. Het gelukte dan ook aan Fleck
in Dresden niet na onderzoek van het grondwater van
9 kerkhoven daarin kenmerkend verschil te vinden met
water van elders. Na 3 maanden is gewoonlijk het
rottingsproces met stankontwikkeling afgeloopen en
komt vermolming met schimmelvorming tot stand.
Na 7 jaren zijn de lijken der volwassenen tot op het been
verteerd, die van kinderen reeds na 4 jaar. In leem-
en kleigrond duurt het proces langer dan in losse
zand- of kiezelgronden.
L i t. : Saltet, Voordrachten over Gezondheidsleer
(1913) ; Carl Flügge, Grundriss der Hygiene (1927).
Droog.
Begrafenis. De kerkelijke begrafenisplechtighe-
den zijn zeer oud, zij dagteekenen van het ontstaan van
het Christendom zelf. Wat de hoofdtrekken betreft,
zijn zij dezelfde in het Oosten als in het Westen. In
de onderdeden bestaat een groote verscheidenheid,
deels doordat, reeds bij den aanvang, de Kerk zich
bepaalde bij het verchristenen van de bestaande (en
dus uiteraard verschillende) burgerlijke gebruiken,
deels doordat in den loop der eeuwen wijzigingen wer-
den aangebracht. Oorspronkelijk onderscheidden zich
de Christelijke plechtigheden door den eerbied aan het
lichaam bewezen en door haar triomfantelijk karakter.
Sinds heeft zich in het Westen de rouwtoon meer
op den voorgrond geplaatst, onder het besef, dat het
leven van velen niet dat van een strijder was geweest
(verbod van alleluia-zang en van Gloria in excelsis
in de 9e eeuw). In het O. bleef het oude karakter
bewaard (ten deele wel door de ontkenning, theoretisch
althans, van het Vagevuur).
Het Romeinsche Rituale maakt onderscheid tus-
299
Begrafenis
300
schen drie deelen, r die men overal terugvindt: de
overbrenging van het lijk naar de kerk, de dienst in
de kerk, de overbrenging van het lijk uit de kerk naar
het graf (meerdere plaatselijke, goedgekeurde, ge-
bruiken hechten zich hier op het voorschrift). Eigen-
lijk dient de geestelijkheid, processiegewijze, met
kruis, wijwater- en wierookvat en kaarsen, het lijk te
gaan afhalen van het sterfhuis, waar de priester den
psalm „De profundis” (met antiphoon) bidt (hier en
daar gevolgd door een gebed). Op weg naar de kerk
wordt de ps. „Miserere” (soms nog andere) met anti-
phoon gezongen, onder het gelui der klokken. (Ver-
ondersteld wordt, dat het lijk daarbij gedragen wordt.)
Waar dit afhalen om allerlei omstandigheden niet
kan plaats vinden, wordt het vervangen door het
inhalen aan de deur der kerk. Onder het vervoer
dóór de kerk wordt het responsorium „Subvenite”
gezongen of gebeden, waarna het Doodenofficie (zoo
dit niet reeds plaats vond, of ervan werd gedispen-
seerd), waarna de H. Mis wordt gezongen voor den
overledene, wiens lichaam midden in de kerk is ge-
plaatst. Na afloop wordt bij het lijk zelf een absoute
gedaan (voor bisschoppen 6), met wijwater-bf spren-
keling en bewierook ing. Op weg naar het graf wordt,
onder klokgelui, de antiphoon „In paradisum” gezon-
gen, waarin de oude jubeltoon behouden bleef. De be-
grafenis zelf is uiterst eenvoudig, maar wordt, ook hier
te lande, met plaatselijke gebruiken verrijkt. Zij wordt
besloten met een laatste gebed in absoute-vorm. Inliet
O. kent men verschil, in onderdeden, voor bisschoppen,
priesters, monniken en leeken. In het W. bestaat dit ver-
schil hoofdzakelijk in de kleeding, die moet w r ezen:
de liturgische hunner waardigheid. In het O. hebben
zalvingen plaats van het lijk, wordt het gelaat van een
priester bedekt met een sluier in de H. Mis gebruikt,
en hem een Evangelieboek op de borst gelegd, welke
gebruiken tijdelijk ook voorkwamen in Spanje (7e
eeuw), ten deele ook te Rome. Een oud gebruik was
ook, een absolutie-formule mede te geven in het graf,
gegrift op een kruis of geschreven op perkament. Het
laatste bleef in het O. bewaard. Een ander oud Ro-
meinsch gebmik was, den overledene een H. Hostie
mede te geven in het graf; in Spanje drupte men hem
van het H. Chrisma in den mond. Verder > Begra-
fenisgebruiken.
Lit. : Martène, De antiquis eccl. ritibus (III);
Bintcrim, Dcnkwürdigkciten (VI) ; Catalani, Comment.
in rit. rom., caerem. epis" 1 ., pontif. rom. ; Maltzer,
Begrabniss-riten (Berlijn 1896). Louwerse.
Kerkelijke begrafenis. Definitie. Kerkelijke
begrafenis bevat drie zaken: overbrengen van het lijk
naar de kerk, uitvaart in de kerk, begrafenis op het
kerkhof. Zoo mogelijk moet het lijk zelf in de kerk
worden gebracht, en het lichaam wordt in ge wijden
grond begraven, terwijl lijkverbranding in gewone
omstandigheden verboden is.
Kerkelijk begraven worden mogen niet: voor-
eerst niet-gedoopten, uitgenomen catechumenen, en
kinderen in den moederschoot met de gedoopte moeder
gestorven.
Vervolgens gedoopten na bepaalde misdrijven nl.,
tenzij een duidelijk teeken van berouw den dood vooraf-
ging: publieke apostaten; zij, die publiek behooren bij
een kettersche of schismatieke sekte of bij een ma<;on-
nieke of andere dergelijke vereen iging; zij, die door
uitspraak van den rechter in den ban zijn of onder
persoonlijk interdict; zij, die met overleg zelfmoord
pleegden, of in een duel, of gewond, ten gevolge van
een duel stierven; zij, die geboden hun lijk te verbran-
den en andere publieke zondaars, bijv. die jarenlang
hun Paaschplicht verzuimden. In twijfel beslist de
bisschop der plaats.
Kerk der uitvaart. Sterft men in eigen
parochie, dan is de uitvaart per se in de parochiekerk
der plaats van het sterfgeval (ook in geval van meer-
dere eigen parochies). Sterft men buiten eigen parochie,
dan is de pastoor aldaar bevoegd, tenzij ófw T el de af-
stand, naar het oordeel van den bisschop van den
overledene, niet te groot is om te voet het lijk over te
brengen (d.w.z. in het diocees Breda niet meer dan 8
km, in Dtrecht geen 8 km, in Den Bosch en Roermond
niet meer dan 5 km), ófwel het lijk toch, bijv. door de
erfgenamen op eigen kosten, wordt overgebracht.
Kardinalen en bisschoppen hebben een door den codex
aangegeven kerk voor de uitvaart. Mannelijke reli-
gieuzen en de novicen (niet de postulanten), wanneer
zij binnen het klooster sterven, of wanneer ze daar-
buiten sterven en de afstand is niet te groot, of het
lijk wordt toch naar het klooster gebracht, hebben de
uitvaart in de kloosterkapel; hetzelfde geldt voor
inwonend dienstpersoneel, doch alleen, wanneer deze
in het klooster sterven. Vrouwelijke religieuzen en
hare novicen hebben, als ze in het klooster sterven,
slechts dan de uitvaart in eigen kapel, wanneer zij
exempt zijn van de jurisdictiemacht van den pastoor,
anders in de parochiekerk of, naar gewoonte, in eigen
kapel; sterven ze buiten het klooster, dan volgen ze
de algemeene w r et. De bewoners van een seminarie
hebben de uitvaart in de kapel van het seminarie,
indien zij in het seminarie sterven.
Wanneer een kerk wettig is gekozen voor de uit-
vaart, en deze zulks aanneemt, dan geschiedt de uit-
vaart aldaar. Allen mogen persoonlijk of door een
afgevaardigde kiezen, uitgenomen: jongens beneden
14 en meisjes beneden 12 jaar (voor hen mogen ouders
of voogd kiezen), en geprofeste religieuzen (die geen
bisschop zijn); gekozen worden kan iedere parochie-
of reguliere kerk, en iedere kerk, die begrafenisrecht
ontving.
Plaats der begrafenis op het kerkhof. Per se
wordt het lijk begraven daar, waar de uitvaart plaats
had, volgens het principe „ubi funus, ibi tumulus”,
het oude adagium „ubi tumulus, ibi funus” schijnt
vervallen. Ieder, die de plaats van uitvaart mag kie-
zen, mag ook de plaats van begrafenis kiezen, en moet
dan aldaar, met verlof van hen, aan wien het kerkhof
behoort, worden begraven. Bestaat er een sepulcrum
majorum (familiegraf, algemeen graf eener religieuze
orde), dan heeft de begrafenis aldaar plaats, tenzij
de afstand te groot zij of een ander graf wettig
gekozen zij. De echtgenoote wordt, tenzij ze zelf een
begraafplaats koos, daar begraven, waar haar echt-
genoot of haar laatste echtgenoot begraven is.
Lit.: Coronata „Institutiones juris canonici” (vol,
II n. 797 ss.) ; „Ned. Kath. Stemmen»’ (1932 p. 147 ss..
p. 207 ss., p. 343 ss.). Beijersbergen.
Begraven te velde (in Nederland) van
gesneuvelde militairen geschiedt na het gevecht en
wel zoodra het mogelijk is. In Ned. wordt de tegenwoor-
digheid vereischt van een officier van gezondheid,
die den dood vaststelt en die adviseert omtrent de
plaats en de wijze van begraven. Na de schouwing
worden van elk lijk afgenomen het halve > herken -
ningsplaatje en het > veldzakboekje. In dit boekje
worden aangeteekend: de datum van overlijden, de
oorzaak van den dood en de plaats van begraving.
301
Begrafemsgebruiken— Begrafeniskosten
302
Verder ontneemt men aan het lijk brieven en brief-
kaarten, gelden en voorwerpen van waarde, welke
eveneens in het veldzakboekje worden geïnventari-
seerd. Een en ander wordt gezonden aan liet > Infor-
matiebureau van het Neder landsche Roode Kruis,
gevestigd te Den Haag.
Voor het begraven wordt bij voorkeur een droog,
licht hellend terrein uitgekozen; in lage terreinen, bijv.
in polderland, moet gezorgd worden, dat de bodem
van elk graf minstens 0,6 m boven het grondwater
gehouden wordt, ten einde het wegspoelen van de
hjkengiffen te voorkomen. Dit leidt er vanzelf toe,
dat men overgaat tot het maken van zgn. grafheuvels.
De laatste rustplaatsen worden op de een of andere
wijze kenbaar gemaakt, waarbij naam en rang ver-
meld warden. Lijken van paarden worden in het
algemeen verbrand.
L i t. : W. S. Göbel, De zorg voor de dooden (Mavors
2e jg. 1932). v. Leeuwen.
In België. Door besluit-wet van 5 Sept. 1917
worden blijvende begraafplaatsen verzekerd aan de
militairen van de Belg. en verbonden legers, die
tijdens den oorlog in België gestorven zijn. Afzonder-
lijke begraafplaatsen werden aldus ingericht op de
gemeentelijke kerkhoven en ook elders. Betreffende
de begraafplaatsen van militairen, die tot de vijande-
lijke legers behoorden, w r erd door het Tractaat van
Versailles (art. 225) een accoord getroffen. V. Dievoet.
Begraven op zee geschiedt bij de Kon. Mar. met het
volgende ceremonieel. De wacht is gewapend, de
commandant met de beschikbare officieren en schepe-
lingen zijn ongewapend aan dek. Het stoffelijk over-
schot, overdekt met de Ned. vlag, waarop zijn gehecht
het wapen, de distinctieven en de versierselen van
ridderorden en andere eereteekenen, wordt op het
voorschip neergezet en in den volgenden stoet drie-
maal het dek rondgedragen. Voorop gaan de p i j p e r s
en tamboers., het muziekkorps en het vuur-
peloton. De trommen zijn met blauw vlaggedoek over-
trokken, de instrumenten voorzien van een strik van
blauw vlaggedoek of floers. Hierop volgt het stoffelijk
overschot, gedragen door onderofficieren of man-
schappen afhankelijk van den rang van den overledene.
Achter het lijk volgt een deel der bemanning. Bij het
passeeren presenteert de wacht de wapens; de onge-
wapenden ontblooten het hoofd. Eventueel wordt bij
den laatstcn rondgang op het achterschip halt gehou-
den, waarna een toespraak van den commandant
volgt. Hierna w r ordt verder gegaan tot stuurboord ’s
valreep, alwaar, na afname van vlag en distinctieven
op commando van den chef der équipage „een, twee,
in Gods naam!” het lijk overboord wordt gezet. Bij
het opnemen voor den rondgang en onmiddellijk voor
en na het overboord zetten, geeft het vuurpeloton een
salvo af. Na het eerste salvo worden voor een over-
leden officier minuutschoten afgegeven en wel voor
een vice-admiraal 15 schoten en voor eiken rang lager
2 schoten minder. Cicot.
Begraïenisgebruiken verschillen in stad en
dorp, ook naar het gewest. Algemeen is het dragen
van rouwkleederen. Op plaatsen in Limburg en Noord -
Brabant dragen de vrouw r en der naaste familie nog de
falie. Vroeger droegen de mannen ook mantels en
hoeden van bepaald model, door don doodgraver
bezorgd. Voor volwassenen wordt een zw T art, voor
kinderen en ook voor ongehuwden hier en daar, een
w r it baarkleed gebruikt. Op dorpen dragen de buren
vaak nog het lijk, of het wordt geplaatst op een kar,
waarop cenige der naaste verwanten, meestal vrouwen,
plaatsnemen; vroeger zat de weduwe op de kist. De
stoet der deelnemers wordt gesloten door den hekken-
sluiter, op Walcheren rollcnsluiter genoemd, want
reeds dagen tevoren waren alle hekken geopend op
den lijkweg, doönweg, noodweg of reeweg, dien de
stoet volgen moest. Hier en daar in Limburg en Noord -
Brabant w r orden nog voor overleden meisjes door
meisjes palmtakken, voor overleden jongens door
jongens hulsttakken gedragen: grafmei of doodenmei,
omdat de takken op het graf worden geplant. Plaatse-
lijk w T orden de dooden nog met het gezicht naar het
Oosten gericht in de groeve neergelaten. Familieleden
en de andere begrafenisdeelnemers werpen ieder een
schep aarde op de kist. Men siert later het graf met
groen en bloemen. In Oostelijk Noord-Brabant wordt
bij de begrafenis van een in kraambed gestorven vrouw
een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Een
begrafenismaal besluit de uitvaart. In België wordt op
sommige plaatsen uitvaartbrood aan de armen uit-
gedeeld. Op eenige grensplaatsen van Friesland en
Drente wordt bij den terugkeer van de begrafenis
een licht uitgeblazen, dat brandde zoolang de doode
boven aarde stond. De rouwtijd verschilt in duur
naar den graad der verwantschap. Voor b. in
Indonesië, > Ned. Indië (volkenk.).
L i t. : Herm. Grolman, Volksgebruiken bij sterven
en begraven in Ned., in het Tijdschrift van het Aardr.
Genootschap (XL) ; dr. Jos. Schrijnen, Ned. Volkskunde
(I 2 1930, 339-344). Knippenberg.
Begrafenisgebruiken bij Grieken en Romei-
nen. A) Griekenland. In de Myceensche
tijden werden de dooden in den regel begraven of
(en) ingebalsemd. In den tijd van Homerus is verbran-
ding de regel. In de 6e en volgende eeuwen werd zoowel
verbrand als begraven. Van de oudste tijden af werd
het lijk gewasschen, gekleed en op een praalbed uit-
gestrekt (ekthèsis); dood enklach ten (thrènoi) en andere
heftige uitingen van smart, als het slaan op de borst,
vasten, het verscheuren der wangen, enz. gingen in de
klassieke eeuwen geleidelijk uit het gebruik. Met die
voorwerpen mede, die eens het liefste bezit waren
(of symboliseerden) van den overledene, werd dan het
lijk verbrand of begraven. Van de 4e eeuw v. Chr.
af werden de bijgiften veelal geheel of gedeeltelijk
vervangen door het „vaargeld”, een obool door den
doode te betalen aan Charoon, den ondcraardschen
veerman, die hem over den hellestroom, den Styx,
naar zijn bestemming bracht. In de vroege eeuwen
grepen ook, althans in voorname gevallen, lijkspelen
plaats, zoo bijv. ter eere van Patroclus (Ilias).
B) Rome. Hier waren de bijkomstige gebruiken
in wezen dezelfde. De oudste gewoonte in Italië
schijnt de verbranding; in den loop der 8e eeuw v. Chr.
komt het begraven op en wordt overheerschend in de
7e en 6e eeuw v. Chr. Later wordt in den regel ver-
brand en in de laatste tijden der Republiek werden
nog enkel kleine kinderen begraven. Van het begin
van den Keizertijd kwam het begraven weer in voege
en, onder den invloed van het Christendom, verdrong
het geleidelijk de verbranding. > Columbarium.
V. Poltelbergh.
Begrafeniskosten (Ned. Recht), komen,
blijkens de art. 178 en 1195 2° B.W., ten laste van de
nalatenschap van den begravene en zijn daarop zelfs
bevoorrecht; de rechter kan dit voorrecht echter
beperken tot een geringer bedrag, indien, naar stand
en vermogen van den begravene, bovenmatige kosten
303
Begrafeniswet — Begripsassociatie
304
ten nadeele der schuldeischers aan de begrafenis
zijn besteed. Niet steeds wordt de opdracht tot begra-
ven gegeven door alle erfgenamen; het valt echter te
betwijfelen, of de begrafenisondernemer, of die dezen
betaald heeft, wel den erfgenaam, die niet mede op-
dracht heeft gegeven, persoonlijk naar evenredigheid
van zijn erfdeel kan aanspreken. Vgl. Suyling-Dubois
(III, Ï07, 108). Rouwkleeding, grafzerk en zielmissen
zijn geen b., uitvaart, grafkruis en opschrift volgeas
sommigen evenmin.
L i t. : Vrieze, Begrafeniskosten, pr. (1932). Petit.
(Belg. Recht) De erfgenamen, de algemeene
legatarissen en, voor een evenredig gedeelte, de lega-
tarissen onder algemeenen titel zijn gehouden de
lasten van de nalatenschap te voldoen (B.W. art. 724,
art. 1009, art. 1012), en onder die lasten zijn de b.
begrepen. Tot de b. van den man behoort ook de rouw-
kleeding van zijn weduwe (B.W. art. 1481).
De b. zijn bevoorrecht op de roerende goederen
van de nalatenschap. Naar Belg. Recht komen deze
schulden op den tweeden rang. De aldus bevoorrechte
bedragen moeten bepaald worden naar den stand en
het vermogen van den overledene (Wet van 16 Dec.
1851, art. 19, 2°).
Het voorrecht wordt beperkt tot de noodzakelijke
uitgaven.
L i t. : Fr. Laurent, Droit civ. (XXIX, nrs. 357-380) ;
Suppl. (VII nr. 389).
Begrafenisfondsen bij de Romeinen. De Romeinen
stelden op een eervolle begrafenis en een behoorlijk
graf grooten prijs, met het oog op het rustig voort-
leven van de schim van den overledene in het hierna-
maals. Ten einde de kosten van begrafenis en graf te
bestrijden, sloten groepen van minder bedeelden
zich aaneen. Op het einde der Republiek ontstonden
zoo vereenigingen van socii columbarii.
De socii, deelgenooten, zonderden maandelijks een
klein bedrag af, dat door den quaestor, penningmeester,
geïnd werd. Bij overlijden van een socius zorgde de
vereeniging voor een behoorlijke begrafenis en voor
bijzetting van de asch-urn in het columbarium.
De aschumen werden nl. in nissen geplaatst, die in
een of meer rijen boven elkaar gebouwd werden en op
een columbarium of duiventil geleken. In den keizer-
tijd raakten de socii columbarii op den achtergrond;
ze maakten plaats voor de collegia funera-
t i c i a, begrafenisvereenigingen (benaming van
Mommsen), of collegia tenuiorum (antie-
ke benaming), vereenigingen van minderbedeelden.
De collegia waren niet zoo zeer begrafenisfondsen,
gelijk de socii columbarii bedoelden, als wel vereeni-
gingen voor levensverzekering. Deze collegia brachten
gelden bijeen om bij overlijden een zeker bedrag te
kunnen uitkeeren, waaruit op de eerste plaats de kosten
der begrafenis bestreden konden worden. Langzamer-
hand ging de zorg voor de begrafenis op den achter-
grond raken en werden de bedragen, die door ver-
schillende collegia uitgekeerd werden, voor diverse
doeleinden gebruikt. In deze collegia ziet men de
eerste sporen van een werkelijk levens verzekeringsidee,
zooals dit door de tijden heen meer en meer volmaakt
tot uiting is gekomen. > Vereenigingswezen in de
Oudheid.
L i t. : W. A. E. A. v. d. Grinten, Sporen van Ver-
zekering in dc Oudheid (1931, 60 vlg.). Davids.
Begrafeniswet (N e d. Rech t). Wet van
10 April 1869 Stbl. 65. Art. 1 bepaalt, dat elk over-
leden persoon of doodgeboren kind moet worden
begraven. Tegen lijkverbranding bevat de b. geen
sanctie. Ontleding en bewaring van een lijk in het
belang der wetenschap vereischen beschikking van
den doode of toestemming van de nabestaanden,
bovendien verlof van den burgemeester. Bij lijkonder-
zoek op rechterlijk gezag vervallen deze vereischten,
bij lijkopening of gedeeltelijke ontleding alleen het
verlof van den burgemeester. Geen begraving geschiedt
vroeger dan 36 uren of later dan na den vijfden dag na
het overlijden. Voor begraven is verlof van den ambte-
naar van den burgerlijken stand vereischt, gegeven na
overlegging van een overlijdensverklaring van een
geneeskundige. Schaepman.
Belg. Recht. Geen begrafenis mag geschie-
den dan 24 uren na het overlijden, en mits een geschre-
ven toelating van den ambtenaar van den burgerlijken
stand (B.W.a. 77; S.W.B.a. 315). Door de wet van
21 Maart 1932 en door het Kon. Besluit van 17 October
1932 wordt de lijkverbranding toegelaten en geregeld.
> Begraafplaats; > Kerkhoven; > Lijkverbranding.
L i t. : M. Vauthier, Précis do Droit admin. ; Rép.
prat. du Droit beige (II s.v. Cimetière).
Begraven, > Begrafenis.
Begrensd (wiskunde). 1° Een > puntver-
zameling E heet b., als er een positief getal G bestaat,
zoodanig, dat de onderlinge afstand van ieder
tweetal tot E behoorende punten kleiner dan G is.
2° Een > verzameling van reëele getallen is b.
naar boven, als zich een getal A laat aanwijzen,
zoo dat ieder getal der verzameling kleiner dan A is ;
ze is b. naar beneden, als er een getal B
bestaat, zoodanig dat ieder getal der verzameling
grooter dan B is. Een naar boven én naar beneden b.
verzameling van reëele getallen heet b. J. Ridder.
Begrinden, het opbrengen van grind voor weg-
verharding. > Wegenbouw.
Begrip is naar Thomistische opvatting de ver-
standsact (subjectief b.) of de kenvorm (objectief b.),
waardoor een voorwerp van buiten in ons kennen
wordt tegenwoordig gesteld, met ■> abstractie van
het individueele of eigen bepalende. Op grond van de
abstractie is ieder begrip algemeen, d.w.z. als prae-
dicaat van meerdere subjecten zegbaar.
Inhoud van het b. is datgene, wat in het b. wordt
uitgedrukt, of het geheel der kenmerken, die het bevat;
omvang is de som der subjecten, waarvan het als prae-
dicaat kan worden gezegd. Inhoud en omvang zijn
omgekeerd evenredig: het b. mensch bijv. is rijker
aan inhoud, maar kleiner van omvang dan het begrip
levend wezen.
Lit. : J. Th. Beysens, Logica ( 3 1923); M. Honecker,
Das Denken (1925). F. Sassen.
Begrippentaal is de taal, waarin hoogere.
bijv. wetenschappelijke, begrippen besproken worden;
zij heeft heel andere idealen dan de practische taal
en zal zich altijd slechts voor bepaalde doeleinden
in het leven houden, en wel als geschreven taal over
philosophische of abstracte stoffen. Maar daarom is
zij nog niet minderwaardig. Veeleer het tegendeel.
Begripsassociatie is het verschijnsel, dat een
begrip zich in zekere mate aan een ander begrip vast-
hecht, zoodat wanneer het eerste begrip wordt gewekt,
het geassocieerde tegelijkertijd min of meer bewust
wordt. De oorzaken hiervan kunnen zoowel binnen als
buiten den persoon gelegen zijn, bijv. in den klank
van het woord, dat een bijna gelijkluidend woord
in het geheugen roept (gelijkenis-associatie), of in
een persoonlijk ondervinden van bepaalde indrukken
BEGIJNHOVEN
Begijnhof te Amsterdam.
Begijnen voor den ingang van hun woning in het
Groot Begijnhof te Gent.
Groot Begijnhof te Gent.
Begijnhof te Brugge.
Begijnhof te Breda.
Begijnhof te Kortrijk.
\
BEIEREN
Zuid-Beiersche boerentypen.
Type van Zuid-Beiersche boerinnedracht.
Beiersch vakwerkhuis te Forchheim.
Beschilderde kerk te Füssen.
Gezicht op Gormisch-Partenkirchen.
De Ramsau bij Berchtesgaden.
305
Begroetingsformules — Begrooting
306
op het oogenblik, dat het eerste begrip in het bewust-
zijn was (contiguiteits-associatie). Deze indrukken
worden dan opnieuw gewekt, zoodra het begrip bewust
wordt. In de taalwetenschap speelt b. een belangrijke
rol, met name bij de beteekenisontwikkeling.
v. Marrewijk.
Begroetin f|sformules. Bij een heele reeks
volkeren en stammen over geheel de wereld verspreid,
is het de gewoonte zich bij het begroeten, het afscheid
nemen, het aanbieden van gelukwenschen of betui-
gingen van deelneming etc. te houden aan bepaalde
vaste ritussen, waartoe ook zekere hoofsche b. belmo-
ren. Zoo zegt men bijv. bij de Mossi-stammen, die
tusschen de beide takken van den Volta in den W.
Soedan wonen, bij het bezoeken van een zieke: „Dat
God U bijsta in Uw zorgen”; tegen een vertrekkenden
reiziger: „Dat God met U ga en dat hij U beware op
Uw reis !” (F. Froger, Manuel pratique de langue
mörè, Parijs 1923). Wils.
Begrooting. 1 . Van een staat.
1 ° In Nederland isb. het aangeven van de maxima
door den wetgever voor de bedragen, door de regeer ing
te besteden. Het belang van het recht van b. springt
in het oog, wanneer men bedenkt, dat regeeren zonder
geld onmogelijk is. De staatsb. bestaat uit hoofd -
stukken : Iluis der Koningin, Hooge Colleges van
Staat en Kabinet der Koningin, hoofdstukken voor
de onderscheidene departementen en voorts een
hoofdstuk Onvoorziene Uitgaven. Elk hoofdstuk
bevat bovendien nog een post Onvoorziene Uitgaven,
waaruit overschrijving mogelijk is. Ieder hoofdstuk
wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat
(art. 126 G.W.). Het tijdperk, waarvoor de be-
grootingen moeten dienen, mag niet langer zijn dan
twee jaar (art. 125 G.W.). Er bestaan afzonderlijke b.
voor verschillende instellingen en fondsen en voor de
> staatsbedrijven. Verder > Provinciale begrooting;
> Gemeentebegrooting. Schaepman ,
2° In België is b. de ramingstaat der voorziene
inkomsten en uitgaven tijdens een bepaalde tijdruimte,
welke men dienstjaar of begrootingsjaar noemt. De
„rekening” daarentegen is een hcrhalingstaat van de
werkelijk verwezenlijkte inkomsten en gedane uit-
gaven.
De Belgische landsbegrooting
moet elk jaar onder vorm van wet door de Kamers
gestemd worden en alle voorziene inkomsten en uit-
gaven vermelden (art. 116 G.W.). Het principe der
jaarlijksche stemming (art. 115, al. 1) vormt den grond-
slag van het Belgisch parlementair regiem; het stelt
de uitvoerende macht onder controle van de volks-
vertegenwoordiging.
Het principe der specialiseering van de begrootings-
artikclen (al. 2) behelst: 1° de aanwending voor het
aangegeven doel van de sommen, in elk artikel ver-
meld; 2° het verbod, de voorziene credieten te over-
schrijden, tenzij de wetgevende macht zelve een krediet
niet beperkend heeft verklaard wegens de onmogelijk-
heid, het bij benadering vast te stellen; 3° verbod,
overschrijvingen van kredieten te doen.
De regeering heeft tot grondwettelijken plicht de
begroot ing(en), zoo rechtzinnig mogelijk opgemaakt,
jaarlijks ter stemming aan de Kamers voor te leggen.
Regelmatig zouden de begrootingen vóór 1 Januari
van elk jaar dienen gestemd te worden. Deze regel
is echter moeilijk te volgen. Wanneer de begrooting
niet tijdig gestemd is, vraagt de regeering voorloopige
twaalfden aan, voorschotten, berekend per maand,
op de inkomsten van de begrooting, welke nog moet
aangenomen worden.
Wanneer tijdens het begrootingsjaar een noodzake-
lijke uitgave, welke niet voorzien werd, moet gebeuren,
of de voorziene credieten niet toereikend zijn, dan kan
op vraag van de regeering een buitengewoon crediet
door de Kamers aangenomen worden.
In theorie zou er voor den Staat maar één b. moeten
zijn, maar in werkelijkheid zijn er verschillende, of
beter, wordt de Landsbegrooting onderverdeeld en
deze onderverdeelingen worden insgelijks b. genoemd.
De gewone inkomsten van den Staat worden opge-
nomen in een enkele b.: de b. van landsmiddelen.
De uitgaven worden onderverdeeld volgens de be-
hoeften van de groote Staatsdiensten. Zoo heeft men
in het algemeen een b. per ministerieel departement,
een b. van de dotaties, welke insluit de dotatie van
de civiele lijst, de dotaties van de Kamers en de
dotatie van het rekenhof; voorts een b. voor de open-
bare schuld, een b. van de onwaarden en tegoed -
vindingen (oninbare belastingen en terugbetalingen
aan de schatkist); eindelijk een afzonderlijke b. voor
de buitengewone inkomsten en uitgaven, alsook voor
de inkomsten en uitgaven bij orde. •> Gemeentebe-
grooting, > Provinciebegrooting. F. Boon.
3° De b. voor Ned. Indië bestaat uit 12 afdeelings-
gewijze begrootingen: één voor regeering en hooge
colleges, negen voor de dep. van Alg. Bestuur, één
voor Ind. schuld en één voor den dienst der volks-
gezondheid. Iedere afdeelingsgewijze begrooting be-
staat uit vier hoofdstukken: A) begrooting van uit-
gaven, 1° uitgaven in Nederland, 2° uitgaven in N.I.;
B) begrooting van inkomsten (wet op de middelen),
3° inkomsten in Nederland, 4° inkomsten in N.I.,
terwijl daarbuiten nog een raming voor de middelen
in Ned. en een raming van de middelen in N.I. wordt
opgenomen. Ieder hoofdstuk is verdeeld in posten,
de posten der uitgaven bestaan uit een of meer artike-
len. Iedere afdeeling is gesplitst in onderafdelingen
van welke de laatste dient voor de onvoorziene uit-
gaven. In de eerste helft van het jaar houdt de raad
van Indië, door den gouv.-gen. gepresideerd, een
begrootings vergadering, bijgewoond door alle depar-
tementshoofden en eventueel daartoe uitgenoodigde
hoofdambtenaren. Deze vergadering heeft tot doel de
eindredactie vast te stellen van de begrootingsontwer-
pen, die door den gouv.-gen. aan den volksraad ter
behandeling zullen worden aangeboden. Bij de opening
van de eerste zitting van den volksraad (15 Juni
of de eerstvolgende vrije dag) biedt de gouv.-gen.
den volksraad deze begrootingsontwerpen aan, ge-
durende welker behandeling de departementshoofden
als regeeringsgemachtigden bij den volksraad, die
recht van initiatief en amendement bezit, voor toe-
lichting en verdediging zorg dragen. De ontwerpen
worden na behandeling en stemming door den volks-
raad uiterlijk 29 Aug. aan den gouv.-gen. terugge-
zonden. Deze stelt nu de begrooting en eventueele
aanvullende begrooting (waarbij de termijn van
terugzending der ontwerpen door volksraad aan den
gouv.-gen. door den laatste wordt bepaald) bij beslui-
ten (voor iedere afdeeling een besluit), in de Javasche
Courant te publiceeren, vast, voor zoover hij zich
met het gevoelen van den volksraad vereenigt. Is
de gouv.-gen. het met den volksraad betreffende een
geheele afdeeling niet eens, dan geschiedt vaststelling
bij de wet, wat ook kan voorkomen bij verschil van
gevoelen omtrent een onderaf d., indien en voor zoover
307
Begrij pen — Begijn
308
de behoefte daaraan bestaat. Vervolgens worden de
wetsontwerpen tot goedkeuring van de besluiten van
den gouv.-gen. bij de wet uiterlijk 16 Nov. van het-
zelfde jaar den Staten-Generaal ter behandeling aan-
geboden. waarna de gewone parlementaire weg wordt
gevolgd. De voorbereiding en vaststelling der begroo-
ting voor N.I. geschiedt alzoo in N.I., de eindbehan-
deling en wette lijke bekrachtiging in Nederland. De
gouv.-gen. kan, indien noodzakelijk, de in een zijner
besluiten vermelde uitgaaf doen, voordat de defini-
tieve goedkeuring is afgekomen (I. S., hfst. 4).
B. Damen.
4° Belgisch Kongo. Luidens art. 12 der Koloniale
Keure wordt de begroot ing der ontvangsten en uitgaven
van Belgisch Kongo jaarlijks door de Wetgevende
Kamers goedgekeurd. De minister van Koloniën stelt
de begrooting op en verdedigt ze. Te dier gelegenheid
worden de belangen der Koloniën in de Kamers be~
sproken. Feite lijk is er geen sprake van éëne, maar
van verscheidene koloniale begroot ingen ; begrooting
der gewone ontvangsten en uitgaven der kolonie,
begrooting der buitengewone uitgaven der kolonie,
begrooting der uitgaven van het Ministerie van Kolo-
niën, begrooting der inkomsten en uitgaven voor
order, begrooting der gewone ontvangsten en uitgaven
van Roeandi-Oerandi, enz.
Als gevolg van art. 1 der koloniale keure, dat een
scheidingslijn trekt tusschen de geldmiddelen der
kolonie en die van het moederland, vallen de kolo-
niale begroot ingen niet onder de bepalingen en voor-
schriften der financieele wetten van het moederland,
namelijk voor het toezicht van het Rekenhof. Daaren-
tegen wordt de begrooting van het Ministerie van
Koloniën op denzelfden voet gesteld als de begrootin-
gen der andere ministeriën van het Rijk.
In principo worden de koloniale begrootingen ge-
stemd voor een dienstjaar ingaande met 1 Januari
tot 31 December. In feite heeft soms de wet der be-
grooting deze geldig gemaakt voor een termijn van 2
jaren.
Met de uitvoering der begrootingen is belast in de
kolonie de gouverneur-generaal en, in België, het
Ministerie van Koloniën. Luidens art. 12 der koloniale
keuren, staat het aan den kon ing en aan den gouver-
neur-generaal vrij overschrijvingen van een artikel op
een ander, en zelfs, bij hoogdringendheid, nieuwe niet-
voorziene uitgaven te bevelen. Maar, in dergelijke
gevallen, moet de Minister van Koloniën, binnen de
drie maanden, een afschrift van het Koninklijk Be-
sluit of van de verordening van den gouverneur-
generaal aan de Wetgevende Kamer overmaken met
een wetsontwerp van goedkeuring.
Hier volgen voor de zes laatste jaren de cijfers der
gewone ontvangsten en uitgaven van Belgisch Kongo:
Jaar
Gewone ontvangsten
Gewone uitgaven
1928
521.563.586
621.241.955
1929
575.619.000
674.810.492
1930
690.810.000
690.732.121
1931
626.860.190
699.564.422
1932
434.674.476
608.666.921
1933
367.736.580
725.757.940
De Jonghe.
II. Van een werk is b. de raming van de te maken
kosten. Eerst wordt daartoe een voor loop ige (globale)
b. opgemaakt en na vaststelling van het plan van
uitvoering de definitieve. Bij aanbesteding van Rijks-
werken wordt het b. -cijfer (de raming) bekend gemaakt
en als regel het werk gegund, wanneer dat cijfer met
niet meer dan 10% is overschreden. P . Bongaerts.
Begrijpen is naar Thomistische opvatting de
functie van het verstand, waardoor wij de wezensken-
merken van een ding kennen, d.w.z. weten, wat een
ding is. Dit geschiedt in het > begrip, dat door
» abstractie tot stand komt.
L i t. : J. Th. Bcysens, Logica ( 3 1923) ; M. Honecker,
Das Denken (1925). F. S fissen.
Begrijpende psychologie, > Structuur-
psychologie.
Bégudien, onderafdeel ing van het boven-Krijt
in de Basse-Provence (Frankrijk), voor een groot deel
bestaande uit Pisolitische kalksteenen, genaamd
naar het plaatsje La Bégude.
Béguinet, Jan Baptist, Belg. landschap-
schilder. Werkzaam te Antwerpen. 1782 leerling van de
academie aldaar. 1794 werd hij nog vermeld, als te
Antwerpen werkzaam.
L i t. : Siret, Diet. des peintres (1883) ; v. d. Brander,
Antwerpsche schilderschool (1883).
Beguinisme, > Begijn.
Begunstiging is in de strafrechtwe-
tenschap de algemeene naam voor de strafbare
hulp, die aan een misdadiger, na de voltooiing van
zijn misdrijf, door een derde verleend wordt en die er
toe strekt hem de voordeelen van zijn misdrijf te ver-
zekeren, of hem aan strafvervolging te onttrekken.
B. moet als zelfstandig misdrijf strafbaar gesteld
worden, aangezien het niet mogelijk is den schuldige,
die zijn hulp eerst na de voltooiing van het misdrijf
verleent, als medeplichtige of als mededader te straffen.
1° Ned. Recht. Het eigenlijke begunstigings-
misdrijf is omschreven in art. 189 W.v.S. Dit art.
verbiedt het opzettelijk verbergen, of bij zijn vlucht
behulpzaam zijn van iemand, die schuldig is aan of
vervolgd wordt ter zake van een misdrijf, alsook het
vernietigen, wegmaken enz. van voorwerpen, waar-
mede of waarop een misdrijf gepleegd is, of van andere
sporen van een misdrijf (max. straf: zes maanden
gev. straf of 300 gld. boete). Intussehen is dit mis-
drijf niet opgenomen in Titel XXX van Boek II
(art. 416 — 420), die het opschrift „Begunstiging”
draagt. Hierin worden behandeld > heling en een
tweetal > drukpersdelicten, w r aarvoor de naam b.
hierom minder passend is, omdat zij over het alge-
meen niet gepleegd worden met het oogmerk een
misdadiger te begunstigen, doch veeleer uit winst-
bejag.
2° B e 1 g. Recht. De Belg. wet noemt als
begunstigingsmisdrijven: a) verschillende soorten van
> heling, nl. van personen, van lijken, van kinderen,
van onrechtmatig verworven voorwerpen, van goede-
ren eens gefailleerden; b) het bevorderen of vergemak-
kelijken van de ontucht, het bederf of de prostitutie van
een minderjarige, ten einde eens anders driften te
voldoen. Collin/Weitjens .
Begijn, lid van een religieuze gemeenschap
zonder eigenlijke kloostergeloften, voor jonkvrouwen
en weduwen, die samenleven in b e g ij n h o v e n,
(zie plaat tegenover kolom 304) hetzij velen tegelijk
in een conventhuis, hetzij afzonderlijk, onder het
bestuur van een groot- juffrouw L (groot-meesteres ,
309
Begijn
310
magistra), ter beoefening van de evangelische raden,
in een ernstig godsdienstig leven, in handenarbeid,
werken van liefdadigheid en gebed, met tijdelijke
beloften (steedsel) van kuischheid voor den duur van
haar verblijf op het begijnhof, en van gehoorzaam-
heid aan de oversten en de statuten.
In de middeleeuwen had het woord een veel uit-
gebreidere beteekenis. Het komt op in de Zuidel.
Nederlanden en de Rijnlanden, tegen het einde der
12e eeuw. Toen beteekende het, duidelijk genoeg,
ketter, en bepaaldelijk A 1 b i g e n s. In de Chronica
regia Coloniensis worden door verschillende conti-
nuatores, tusschen de jaren 1205 en 1220, de Albi-
genzen herhaaldelijk B e g g h i n i geheeten. Onder
dien naam zijn de in de 2e helft der 12e eeuw opko-
mende Albigenzen te onzent bekend geraakt. Men
stelt het soms voor, alsof Begghini toen reeds een
algemeene naam voor ketter zou zijn geweest. Maar dit
blijkt nergens, en wordt ten stelligste tegengesproken
door de vroegste geschiedenis van het woord. Een
gewone fout is in dezen de chronologie te verwaar loozen.
Het woord was in het begin der 13e eeuw nog een
nomen novum. Geen andere ketters worden door die
chronica, noch door wien ook in dien tijd, begghini
genoemd. Alleen en uitsluitend de Albigenzen heetten
zoo; en dezen zijn aanvankelijk te onzent onder geen
anderen naam bekend. Trouwens, uit diezelfde chronica
blijkt, dat begghini geen algemeene naam voor
ketters, maar de eigenlijke naam der Albigenzen was:
sprekende van het albigelsme wordt gezegd: „heresis
quaedam cujus cultores Begghini denom ina-
bantur”, een ketterij, waarvan de aanhangers
niet begghini waren, maar begghini heetten:
begghini was de naam zelf der Albigenzen. De nog
nooit gehoorde naam dier nieuwe ketters, Albigenses
of Albighini, is te onzent door het volk verbasterd
geworden tot bigghini, begghini, b e -
g u i n i, welke, met het vrouwelijke op -ae, de
vroegste vormen zijn van het woord. Dit stelt een
einde aan de zoo betwiste vraag naar de etymologie
van begijn, en plaatst de geschiedenis van het begui-
nisme in een geheel nieuw daglicht; de vroegste
beguini en beguinae waren Albigenzen, die zich echter
de kettersche grondslagen dier beweging niet bewust
waren en er alleen het kuischheids ideaal met gods-
dienstige oefeningen en gestrengheden van overnamen ;
wat trouwens ook weer uit de geschiedenis der vroegste
begijnen blijkt, die allerlei practijken, spreekwijzen
en bestrevingen met de Albigenzen gemeen hebben
gehad. Want de vroegst geheeten beguini en
beguinae (beguttae is niet oorspronkelijk
en stamt in den zin van kwezel eerst uit de 15e eeuw)
waren mannen en vrouwen uit die merkwaardige
mystieke vroomheidsbeweging, die, ook te onzent
in de 10e eeuw begonnen, in de 11e en vooral de 12e
eeuw zich machtig had uitgebreid over zoo goed als
geheel Westelijk Europa. Hiermee in verband staat,
behalve de opbloei der beschaving in die machtige
opwekking van het godsdienstig leven, onder de wer-
king van Cluny in Frankrijk in de 10e, van Hirsau
in Duitschland in de 11e eeuw, de ontwikkeling van
het oblaten- en conversenwezen, de uitbreiding der
kloosterorden, de vermenigvuldiging der abdijen,
de opkomst van nieuwe orden, evenals aan den anderen
kant de vele kettersche woelingen. Te onzent werd
die beweging in de 12e eeuw geleid door de Premon-
stratensers, later door de Cisterciënsers. Vele vrome
priesters hielden er zich mee bezig. De Luiksche
prediker Lambert li Beges (f 1177), wiens toenaam
wel zal geweest zijn 1 i b e g n i n, schijnt de bewe-
ging bepaaldelijk te hebben geleid in de richting van
het kuischheidsideaal, aansluitend bij het opkomend
albigeïsme.
Vele vrouwen traden in een der reeds bestaande
orden, of gingen de in het begin der 13e eeuw zich
sterk vermenigvuldigende Cisterciënzer innen -abdij en
bewonen. Zij, die om gelijk welke reden in geen orde
wilden of konden treden, werden bijeengebracht in
afzonderlijke vergaderingen en huizen, waartoe in
1215 toelating van paus Honorius III verkregen werd.
Zulke begijnenhuizen bestonden er in sommige steden
zeer vele: te Nij vel bijv. in het begin der eeuw 15;
te Keulen in de 14e eeuw 141. In de Nederlanden
ging de ontwikkeling nog een stap verder: tot de
begijnenparochiën, met omheiningsmuur en poort,
met de huizen en conventen langs straten opgetrokken,
als parochiën, met eigen kerk en pastoor, ingericht:
de b e g ij n h o v e n.
De oorzaken dier beweging waren wel vooral
van godsdienstigen aard, al kunnen andere, econo-
mische, sociale, demographische (het grooter aantal
vrouwen) er toe hebben bijgedragen. Tot die beweging
behoorden de meeste onzer heiligen uit de 13e eeuw;
daarin is de mystiek in de volkstaal ontstaan, met
Hadewijch, Beatrijs van Nazareth, Mechtild von
Magdeburg, enz. Aanvankelijk sterk aristocratisch,
werd de beweging, met de ontwikkeling der begijn-
hoven in de steden, steeds meer democratisch.
Van de mannen, de beguini, sloten velen zich
bij de bestaande of nieuwe orden, de bedelorden, aan.
Anderen, voornamelijk uit de arbeidersklasse, waar-
toe economische toestanden hebben bijgedragen,
vergaderden eveneens in afzonderlijke conventen.
Omstreeks 1250 werden ze beghardi geheeten:
woord van Dietschen oorsprong, ontstaan doordat de
uitgang -ijn, vr., in onze taal niet kon dienen voor de
mannen. Tot den verderen stap van begarden-
parochiën is het niet gekomen.
Beguini, beguinae heetten echter nog
steeds mannen en vrouwen in de wereld, die zich toe-
legden op een meer dan gewoon godsdienstig leven
en er de uitwendige kenteekenen, in kleedij. gedraging,
enz., van aannamen, hetzij ze leefden in eigen woning
of enkelen samen, hetzij ook omtrekkend, bedelend,
soms dweperig predikend, over het land. Sommigen
konden ook samenkomen in andere godsdienstige
gemeenschappen dan de begijnen- of begardenconven-
ten: in lazaretten, gods- of gasthuizen; zelfs voor het
geven van volksonderwijs. Welke dan, naast andere
namen, ook nog als beguini of beguinae konden
bekend staan.
Eerst omstreeks 1240 — ’50, als het woord zijn oor-
spronkelijke beteekenis niet meer laat voelen, geraakt
het ook elders, als nu ook in Frankrijk, bekend. Dan
ook, niet vroeger, begint de beteekenis ervan zich
uit te breiden: voor de aanhangers van allerlei ketter-
sche of verdachte richtingen, voor de broeders en
zusters van den nieuwen, of (14e eeuw) vrijen geest,
de Spirituales, de Fraticelli, de derde-ordelingen, enz.,
zoowel als soms voor de bedelmonniken.
Die mystieke beweging, bekend sedert het einde der
12e eeuw, weer niet vroeger, als beguinisme of
begardisme, onder welken naam op die wijze zeer ver-
schillende elementen werden opgenomen, sloeg ook
meermalen in dweperijen en buitensporigheden over.
Ze werd gevoelig getroffen door de veroordeeling
311
Begijnendijk — Behaim
312
op het concilie van Vienne (1311, doch eerst in 1317
bekend gemaakt) van een aantal kettersche stellingen:
errores beguinorum, waarin wij eerder
quietisme, dan, als gewoonlijk beweerd wordt, pan-
theïsme zien. De Kerk stond bijzonder wantrouwig
tegenover de vrije begijnen en begarden. De samen-
levende begijnen bleven meestal gespaard, zelfs
beschermd, al hadden ze door de onvermijdelijke
verwarring, daar ook zij geen echte kloosterlingen
waren, veel te lijden. In Zuid -Nederland konden de
begijnhoven zich verder ontwikkelen, onder leiding
meestal van de bedelorden, in het bijzonder van de
Dominicanen. Na een periode van inzinking, door
de Hervorming geteisterd, bloeide het instituut, door
de bemoeiingen van bisschoppen en ijverige priesters,
Nic. Eschius, Pelgrim Pullen bijv., met buitengewonen
luister weer op in de 17e eeuw. Kort te voren hadden
geleerden de begijnen doen gelooven, dat ze van hooge
afkomst waren en gesticht door de H. Begga, die ze
van toen af zijn gaan vereeren. De begijntjes waanden
zich nu een soort van kanunnikessen en kleedden en
gedroegen zich soms als zoodanig.
Na de Fransche revolutie zijn de begijnhoven, hoewel
minder geteisterd dan andere religieuze orden, voor-
goed gaan kwijnen, wijl ook allerlei nieuwe congre-
gaties de taak der vroegere begijnen hebben overge-
nomen. In een twaalftal begijnhoven van Zuid-
Nederland wonen nog soms slechts enkele
begijnen, terwijl er de andere huizen betrokken worden
door vrome dames of weduwen, of ook rustende
priesters, die er in een stil leven van afzondering en
gebed het einde hunner dagen afwachten. Alleen te
Gent herinneren het klein begijnhof en het thans te
St. Amandsberg gevestigde groot begijnhof aan den
vroegeren bloei. Ook N. -Nederland kende de
begijnen en zelfs de begijnhoven: te Breda kwamen ze
reeds in de 13e eeuw; te Amsterdam in de 14e, sinds
1304; in 1346 ontstond er het tegenwoordig begijnhof.
Geert Groote met zijn zusters van het gemeene leven
bracht feitelijk een vernieuwing van het begijnwezen.
In andere landen gedijden de begijnhoven minder.
In Duitschland, waar de begijnen in de Rijn-
landen bijzonder talrijk waren, gingen velen vanaf
de 14e eeuw, om aan vervolging te ontsnappen, tegen
de ketterij uitgesproken, tot een of andere der derde-
orden over, onder verschillende benamingen, als zoo
vele vertakkingen. In F r a n k r ij k ontstonden
ook eenige begijnhoven, zelfs reeds onder den
H. Bodewijk, bij Parijs. Zij overleefden echter zelden
de 14e eeuw.
De mannen, begarden, meestal uit den arbeiders-
stand, die in hun onderhoud voorzagen door hand-
werk (kam- en weverij vooral, de begijnen deden spill-
en bleekerij, doch ook anderen arbeid) of door werken
van barmhartigheid, om door de veroordeeling der
beguini niet getroffen te worden, verkozen het ook
dikwijls tot een der derde-orden toe te treden, onder
verschillende benamingen, met verschillende doel-
einden, als in de 14e eeuw de lollaards, de matemanen
en matewiven, die zich toelegden op ziekenverpleging
en doodenbegraving: alle vertakkingen ten slotte van
het begardisme.
De geschiedenis van het beguinisme als hier ge-
schetst zal verklaren, waarom begijnen en begarden
vooral in de Nederlanden en de Rijnlanden zijn ver-
spreid geweest. De begijnhoven vooral, en de begarden-
gemeenschappen, zijn, naast de andere vertakkingen,
de eigenaardige vorm, waarin die groote mystieke
beweging derJ12e~eeuw zich heeft opgelost. Elders
gaf dezelfde beweging aanleiding tot soortgelijke
instellingen, die er echter onder andere namen bekend
zijn en zich minder voorspoedig hebben ontw T ikkeld.
Zelfs de bedelorden van het begin der 13e eeuw, de
Franciscanen en Dominicanen, moeten in die alge-
meene godsdienstige strooming beschouwd worden,
als wellicht de voornaamste oplossing ervan.
Lit. : J. Greven, Die Anfange der Beginen (Münster
i.W. 1912) ; L. J. M. Philippen, De Begijnhoven (Ant-
werpen 1918) ; J. Van Mierlo, Het Begardisme, in Versl.
en Med. der kon. VI. Academie (Gent 1930); id., Op-
helderingen bij de vroegste geschiedenis van het
woord begijn ib. 1931) en de daar vermelde literatuur.
V. Mierb.
Begijnendijk, gem. in Belg. Brabant, N.W.
van Aarschot; 2 000 inw. (Kath.); opp. 988 ha; land-
bouw.
Begijiienrijst was met suiker en saffraan toe-
bereide rijst (een lievelingsspijs der begijnen), die te
Breda nog in de 19e eeuw aan vorstelijke personen bij
stadsbezoek werd aangeboden. Thans bestaat het
gebruik niet meer.
Begijnhof, > Begijn.
Begijntje (plant k.), > Randjesbloem.
Behaard, -> Haren.
Behacismc, de klank b wordt in het spreken
steeds door een anderen spraakklank vervangen. B.
komt voor als stamelgebrek; maar ook als dialectisch
verschijnsel. > Stamelen.
Behaeghel, P i e t e r, Vlaamsch onderwijzer
en taalkundige, die in den Spellingstrijd van 1839
heftig optrad tegen het voorstel der Commissie. * 1783
te Tielt, f 1857 te Brugge. Schreef een Nederduytsche
Spraekkunst in 3 dln. A. Boon.
Behaghel, Otto, Duitsch Germanist, hoog-
leeraar te Giessen; bevorderde o.m. de studie van de
Heliand- en de Veldeke -problemen; is vooral in de
taalstudie gespecialiseerd. * 3 Mei 1854 te Karlsruhe.
B. stichtte het Literaturblatt für germanische und
romanische Philologie (1880 vlg.), een der critische
hoofdorganen van dit dubbel studievak en gaf de
eerste beschrijvende syntaxis van het Duitsch op
historischen grondslag.
Werken: Die deutsche Sprache (1886, 8 1930) ;
Geschichte der deutschen Sprache (1891, 6 1928) ; Deut-
sche Syntax (3 dln. 1923 vlg.) ; Von deutscher Sprachc
(verz. opstellen 1927). — Lit.: in den B.-feestbundel,
uitg. W. Hom, Heidelberg 1924. Baur.
Behaim 1° (ook Beheim of Beha m),
Hans de Oudere, bouwmeester in Neuren-
berg, bekend sinds 1499. f 1538.
Voorn, werken: De zgn. Kaiserstallung auf
der Burg (eigenlijk een Graanhuis, 1494), het Waag-
gebouw (1497 — ’98) en de verbouwing van het Raad-
huis (1520).
2° Hans de Jongere, zoon van den vorige,
vestingbouwer in Neurenberg, Augsburg, Ulm e.a.
f1535.
3° Heinrich (Balier), misschien (volgens
Dehio) zoon van Heinrich Parler de Oudere, bouw-
meester. Werkzaam te Neurenberg aan het Oostkoor
der S. Sebaldus-kerk (1363 — ’78), ontwierp de
„Schone Brunnen” en verbleef na 1378 te Praag en in
Moravische steden.
Lit.: Neuwirth, Peter Parler von Gmünd (Praag
19011. j Knipping.
4° Martin, cosmograaf, * ca. 1460 te Neuren-
313
Behaïsme — Behangselpapier
314
berg, f 29 Juli 1607 te Lissabon; behoorde tot een
voorname patriciërsfamilie en reisde als koopman naar
de Nederlanden. Van 1484 — ’86 vergezelde hij Diëgo
Cao op zijn ontdekkingstocht langs de West-Afri-
kaansche kust en verbleef van 1486 — ’90 op de Azoren.
Daarna woonde hij tot 1493 te Neurenberg, waar hij
zijn beroemde aardglobe vervaardigde. Daarmee
stelde hij de aarde als een bol voor (zie afb. bij art.
> Aardrijkskunde, deel I, kolom 183/4). Deze globe
had invloed op Columbus’ tocht; hij bevindt zich nu
in het Germaansch museum van Neurenberg. In deze
stad is een standbeeld voor B. opgericht.
L i t. : Günther, Martin Behaim (1890) ; Ravenstein,
Martin Behaim, his life and his globe (1908).
v. Velthoven.
5° (ook Bcheim), M i c h a e 1, meesterzanger,
* 1416 te Sulzbach bij Weinsberg, f 1474 aldaar. Na
een veel-bewogen leven als soldaat en zanger in dienst
aan de hoven van Duitsche, Deensche en Hongaarsche
vorsten, werd hij als baljuw van Sulzbach vermoord.
Een der meesterzangers, die het nauwst verwantschap
toont met de oudere minnezangers.
Werken. Tijdens een gedwongen verblijf te Heidel-
berg (na 1462) schreef hij met Mathis von Kemnat een
groot heldendicht : „Friedrich I”. De meeste gedichten
van B. bleven in hs. Zijn „Buch von den Wienern”,
waarin hij de belegering bezingt van den keizerlijken
Hofburg door de Weeners, is uitgegeven door Karajan
(1843). Ook publiceerde deze 8 kleinere gedichten van
B. — L i t. : Alfr. Kiilm, Rhythmik und Melodik
M.B/s (1907). Piscaer.
6° Paul, zoon van Hans den Oudere, vesting-
bouwer in Neurenberg, f 1661.
Behaïsme, godsdienstige sekte, ontstaan als af-
scheiding van het > Babisme. De stichter Beha-Allah
(glans Gods) beriep zich erop, dat de Bab een volmaak-
ter openbaring voorspeld had en gaf zich uit als
emanatie der godheid en als belichaming van de
definitieve openbaring voor heel de menschhcid. Hij
noemde zich „schoonheid Gods” en „geschapen uit het
licht Gods”; zijn aanhangers bewezen hem dan ook
goddelijke eer.
Was het Babisme in wezen slechts een hervorming
van den Sjiïetischen Islam, het Behaïsme wierp zich
op als wereldgodsdienst. Alle wetten en voorschriften
van den Islam werden opgeheven, monogamie ge-
propageerd, oorlogen veroordeeld en een broederschap
der menschen als ideaal gesteld. Het kitab akdas
(heiligste boek) en zendbrieven dienden als tegenhanger
van de Ba jan. Beha-Allah, gestorven in 1892, na zijn
leven grootendeels te Haifa en Akka in Palestina te
hebben doorgebracht, werd opgevolgd door zijn zoon
Abbas Effendi, die door het gros der Behaïsten erkend
werd. Hij accentueerde nog sterker pacifisme en inter-
nationalisme, de band met den Islam werd geheel ver-
broken en ideaal werd, het beste van Christendom,
Islam, Boeddhisme, theosophie, enz. te vereenigen.
Hij had eenig succes onder vrijzinnige kringen in
Amerika, dat hij in 1912 persoonlijk bezocht; Haifa
werd pelgrimsoord voor vele Amerikaansche dames.
Een oncontroleerbare schatting geeft één millioen
als het aantal der Behaïsten in Perzië. Abbas Effendi
stierf in 1921 ; over de opvolging is nog geen eenstem-
migheid.
L i t. : Myron W. Phelps, Abdul Baha Abbas Leben
und Lehren (1922) ; zie verder > Babisme.
Zoetmulder .
Beham, 1° Barthel, schilder en graveur,
* 1602, f 1640; werkzaam te Neurenberg en München;
met zijn broeder Hans Sebald een der hoofd-
figuren der zgn. „Klein-
meister”. Hij is een
oorspronkelijk talent
met groote phantasie
en vrijwel onafhanke-
lijk van Dürer. Jong
gestorven op een reis
in Italië. Zijn gravures
zijn talrijk en geven
een volledig overzicht
van zijn kunst. Men
kent daarentegen slechts
weinig schilderijen van
hem ; hoofdwerk is
het „Kruiswonder” (in
Pinacotheek te Mün-
chen). Hij kreeg vele
opdrachten van Beier -
sche vorsten (portret-
ten), waarvan er nog verscheidene bestaan. Een ty-
pische vertegenwoordiger van den rijken bloei der
Zuid-Duitsche Renaissance.
L i t. : Singer, „Die Kleinmeister” ; Friedlander in
Rep. f. Kw. XVIII.
2° Hans Sebald, schilder en graveur, * 1500,
f 1560; werkzaam te Neurenberg, München en Frank-
fort a.M. ; oudere broeder van Barthel (zie boven).
Schilderijen van hem zijn zeer schaarsch, maar gra-
vures en vooral houtsneden zéér talrijk. Hij is niet vrij
van Dürer ’s invloed, maar een belangrijk en vrucht-
baar talent met veel phantasie en enorme metier-
kennis.
L i t. : Singer, „Die Kleinmeister”. Schreden.
Behang , een lange beharing bij een paard aan den
achterkant van het onderste gedeelte van voor- en
achterbeen; speciaal bij zware paardenrassen voor-
komend, o.a. het Friesche en Shirepaard.
Behangselbesluit, K. B. ex art. 14 en 15, >
Warenwet.
Behangselpapier is decoratief papier, waar-
mede muurvlakken in kamers bedekt worden. Het
raakte in gebruik als een veel goedkooper surrogaat
voor behangsels van brocaat, brocatel, zijde enz. en
voor wandgobelins en wandtapijten. Omtrent de op-
komst van b. tast men nog in het duister. Het oudste
voorbeeld, dat bekend is (1911 gevonden in den ingang
van het Christ College te Cambridge) dateert waar-
schijnlijk uit de eerste decennia der 16e eeuw. De eigen-
lijke ontwikkeling begon in Frankrijk (Rouaan), waar
onder Italiaanschen invloed het zgn. domino-papier
gefabriceerd werd. Dit papier, in blokdruk, versierd
met kleine geometrische figuren of grotesken, werd in
Italië voor boekomslagen gebezigd. In Frankrijk ging
men er nu de wanden mee behangen. Aanvankelijk
werden de kleine stukken papier (30 — 40 cm) aan den
muur vastgespijkerd, eerst veel later kleefde men
ze op het wandvlak. Het werd op een handpers ge-
drukt, met de hand volgens schablonen in gegomde
kalkverven gekleurd („papier peint”). Dit domino-
papier kwam druk in gebruik en in 1666 kennen we in
Frankrijk het gilde van de „dominotiers, tapissiers
et imagiers”. Naast dit soort papieren kwam al spoedig
ook gemarmerd papier (geschepte en volgens verschil-
lende marmerdessins geschifte kleuren) in omloop.
Jean Papillon (1661 — 1723) verbeterde het plaatsen
der patronen, zoodat deze op de verschillende papier-
Bocrendans. Gravure van
Hans Sebald Beham.
315
Behar — Behaviorisme
316
stukken aan elkander sloten en men zoowel horizon-
taal als verticaal een loopende teekening over het
wandvlak kon behouden. Zijn leerling Jacques Chauvau
ging er toe over ook de kleuren te drukken. Spoedig
ontstonden door geheel Frankrijk drukkerijen van dit
zeker minder fijn uitgevoerde papier. Foumier (1700)
maakte door het aan elkander kleven van 30x40 ern-
stukken de eerste rollen, ong. 12,60 m lang. In het
begin der 17e eeuw was men zich gaan toeleggen op
fijnere papiersoorten en trachtte men daarmee het
fluwcelen behang en het gobelin na te volgen. De zgn.
„pluizen- of v 1 o k k e n-” papieren, die, na
met een klevend vernis bedrukt te zijn, belegd werden
met verschillende kleuren fijn gehakte wol- of zijde-
draden, komen sinds 1G20 in Rouaan voor en worden
ook in Engeland spoedig nagevolgd, maar daar ge-
bruikt men als ondergrond in plaats van papier linnen,
zijde of leer (de zgn. „Londoniana”). Engeland gmg
in deze techniek zelfs zóó vooruit, dat het na 1760
leverancier van Frankrijk werd. Deze „v 1 okke n-”
papieren werden in houten lijsten op dikken linnen
ondergrond geplakt. Zoo ontstonden paneelen en
wellicht was het daardoor, dat de Franschman Reveil-
lon in de laatste helft der 18e eeuw geïnspireerd werd,
om geschilderde wandversieringen op b. na te bootsen.
Zijn ontwerpen liet hij door kunstenaars van naam
maken: Huet, Prieur, Lavallée-Poussin e.a. (voor-
beelden in Musée des Arts Décoratifs te Parijs). Hij
liet een bijzonder sterk soort papier voor zijn doel
fabriceeren. Nadat zijn personeel in 1789 de werkplaats
verwoest had en hijzelf als balling in Engeland was
overleden, zetten Jacquemart en Bénard het werk
voort. Engeland volgde. John Baptist Jackson schreef
een verhandeling: „Invcntion of Engraving and
Printing in Chiaro obscuro .... and the Application
of it to the Making of Paper Hangings”. Jackson
drukte in olie, graveerde zelf voor zijn doel naar Cana-
letto, Rembrandt, Titiaan enz. Nicolas Louis Robert
uit Essönes bracht in 1799 behangselrollen uit één
stuk in den handel. Men ging nu kamers met één
groot tafereel of met meerdere samenhangende scènes
behangen (de zgn. P a n o r a m a-papieren). Be-
kende voorbeelden: „De Jacht” te Compiègne, verder
stukken in het Victoria and Albert Museum te Londen.
Beroemd werden naast de papieren van Jacquemart
en Bénard, die van den Elzasser Zuber: „Vues de
Suisse” (1804), Joseph Dufour te Parijs: „Ontdek-
kingsreizen van kapitein Cook” (1804), „de twaalf
maanden” (1808), Jourdan Villers: „Slag van Auster-
litz” (1806). Naar Amerika werd veel Fransch en
Engelsch werk geëxporteerd. Aldaar verrees in 1739
de eerste fabriek van b., maar vooral sinds het begin
der 19e eeuw ontstond er een ware manie van be-
hangen.
Een ander soort papier was het naar Chineesche
modellen gecopieerd zgn. Ghineesch b. Reeds
door de handelslui der verschillende Oost-Indische
Compagnieën werden kostbare voorbeelden daarvan
uit China meegevoerd, maar men begreep, dat men
voord eeliger en even goed zelf door de drukpers de met
de hand geschilderde vogels en bloemen (gecopieerde
vaasmotieven) kon vervaardigen. In Engeland kwa-
men in de laatste helft der vorige eeuw vooral onder
invloed van Augustin Welby Pugin papieren met
Gotische patronen in zwang. In het begin dezer eeuw
ging men weer terug naar de 18e, doch spoedig werd
door de groote productie van mindersoortige namaak-
sels de fijnheid bedorven. Weer begon men het papier
bij wijze van paneelen te bezigen, terwijl dan de vrij-
gebleven wandvlakken een met het papier overeen-
komstige kleur kregen. Een tijdlang, vooral in Enge-
land en de Vereenigde Staten omtrent 1914, herleefde
de zin voor het oude panorama-papier en vonden
antieke maaksels gretig koopers. Ondanks het feit,
dat de fabrieken in de laatste jaren telkens nieuwe
modellen op de markt brengen, kan men toch niet
zeggen, dat de kunst van het behangsel na den wereld-
oorlog een groote vernieuwing heeft mecgemaakt.
We hebben nu het, meestal effen, soms nagebootst
juten enz., achtergrond -papier, waartegen schilderijen
en ingelijst werk behoorlijk moeten uitkomen; daar-
naast zijn vooral de effen of w ? einig gepatroneerde
zéér hel gekleurde soorten, zelfs ongebroken goud- en
zilverpapieren in gebruik. Deze worden dan in pa-
neelen gevat; verschillende kleuren past men in een
vertrek toe, soms 4 tot 6, een werkwijze, die herinnert
aan den eersten Pompejaanschen vers ieringsstijl, waar
men met verven hetzelfde effect verkreeg. Er is ge-
glazuurd papier voor keuken en badkamer, gemarmerd
voor de hall, gesatineerd, imitatie houtwerk en leer
etc. In Nederland zijn als ontwerpers van b. bekend
Cris Lebeau en L. Zwiers.
Behangselpapier is verkrijgbaar in uniform -rollen
van 8x0,60 m. Er bestaat het goedkoope, onbedrukte,
in het bad geverfde nature 1-papier. Wordt de
voorzijde met patroon bedrukt, dan spreekt men van
bedmkt naturelpapier. Is de voorkant eerst met een
grondkleur bestreken, dan heet het g e g ron-
de e r d papier. Is het bij het effenen onder de wals
glanzend gemaakt, dan wordt het gesatineerd
genoemd. Een mooie ruw-soort is het zgn. i n g r a i n-
papier (samengewalste lagen geverfde en ongeverfde
papierstof). Tecco en metaxin imiteeren
zijde, r e 1 i ë f-papieren gewuven stoffen en leder.
De opdruk w r ordt soms verguld, waardoor het idee van
goudleer ontstaat.
L i t. : Ackerman, Wall Paper, its History, Design
and Use (1923) ; Mc Clelland, Historie Wall Paper (1924);
Mc Clelland. in The Encycl. Brittanica (XII 17 1929,
490 vlg.) ; Zwiers, Ons huis [z.j. (1924)]. Knijyping.
Behar, > Bihar.
Beharing, > Haar.
BehavJor (Amer., = gedrag) heeft in de moderne
psychologie de beteekenis van uitwendig waarneem-
bare reactiewijze van een levend organisme, plant,
dier of mensch, in een bepaald milieu of prikkel-
situatie.
Behaviorisme (Eng. Behaviorism; Duitsch:
Verhaltungspsychologie; Fransch: Psychologie du com-
portement), psychologische richting, die zich vooral
of uitsluitend toelegt op de studie van „behavior”
(Amer.), d.w.z. de lichamelijke gedragswijze, die door
meerderen en niet enkel door het individu zelf geobser-
veerd of die door een instrument geregistreerd kan
woorden: de bewuste reacties op spieren en klieren,
alsook de onbewuste reflexen, zooals pupilreflex,
verandering van bloedsomloop en ademhaling, psy-
chogalvanische reflex, enz. Wanneer bijv. een mensch
in gevaar op de vlucht slaat, interesseert de behavio-
rist zich enkel voor de uitdrukking van zijn gelaat,
de snelheid van zijn loop, den hartslag, de zw r eetaf-
scheiding, zonder zich te bekommeren om wat zich
in de ziel van dien mensch afspeclt. Observatie van
zulke uitwendige reacties wordt objectieve methode
genoemd (vandaar objectieve psycholo-
gie), in tegenstelling met de subjectieve,
317
Beheer — Behendigheidsgymnastiek
318
die steunt op de zelfwaarneming der in het bewustzijn
voorhandene psychische verschijnselen.
Het b. werd vooral verbreid in Rusland door
Bechterew, en in de Ver. St. door John B. Watson
sinds 1912. Gronden van zijn ontstaan: 1°
reactie tegen een overdreven introspectionisme en
tegen dierpsychologen als Brehm en Romanes, die
de dieren menschelijke kennis en gevoelens toe-
schreven; £° invloed van het Amer. neo-realisme;
3° de succesvolle proeven van Pavlow, die het pro-
bleem der associatie en discriminatie bij de dieren
volgens een zuiver objectieve methode, die der > voor-
waardelijke reflexen, benaderde. De grondleggers
van het b. trachtten deze methode ook op kind en
volwassen mensch toe te passen, met verwerping van
de introspectieve, subjectieve methode. Een psy-
chisch verschijnsel is volgens hen niets anders dan een
zenuwstroom, die onder invloed van een prikkel-
consteilatie (stimulus) in het organisme wordt opge-
wekt en die zich naar buiten in een musculaire of
glandulaire verandering openbaart (response =
antwoord; vandaar stimulus -response
psy c h.). Het b. behandelt dus zijn subjecten op
dezelfde manier als de physiologie; verschil tusschen
beide is, dat de behavioristische psych. de reactie
van het individu als een geheel, de physiologie de
reactie van bepaalde organen beschouwt. Rich-
tingen: de radicale behavioristen verwerpen de
subj. methode volledig, hetzij ze eenvoudig het
bewustzijn ontkennen, hetzij ze dit als betrouwbare
bron van psych. kennis loochenen, zooals J. B. Watson,
A. P. Weis, W. S. Hunter; de gematigde partij, zooals
H. C. Warren, H. Piéron, W. Pillsbury, R. Wood-
worth, aanvaarden de introspectie enkel en alleen in
zooverre zij eenig licht op de uitwendige gedragswijze
kan werpen; tenslotte is er nog een derde groep, die
zich, gelijk Mc Dougall, wel behav. noemen, maar die
inderdaad niet ver van de traditioneele psychologie
af staan.
De biologische oriëntatie van het behav. is een heil-
zame reactie tegen de eenzijdige bewustzijns -psycho-
logie van Descartes en een terugkeer naar Aristoteles
en Scholastiek; maar in zijn loochening van het
bewustzijn maakt het zich evenzeer schuldig aan
eenzijdigheid: een bewustzijnsakt is evengoed een feit
als een uitwendige beweging en krachtens het argu-
ment der analogie zijn we gerechtigd aan andere men-
schen een zelfde bewustzijn toe te kennen als aan ons
zelf. Door mensch en dier als een machine op te vatten,
valt het b. in mechanisme en materialisme.
Lit. : Bechterew, La psych. objective (Parijs 1913);
Watson, Psych. from the standpoint of a Behaviorist
(N.York 2 1924) ; Piéron, Psych. expérimentale (Parijs
1927). v. d. Veldt.
Beheer, > Vennootschap; > Gemeenschap van
Goederen.
Bebeercn (N e d. en Belg. Recht), staat
tegenover beschikken. In de algemeene bevoegdheid,
dien den eigenaar ten aanzien van zijn eigen vermo-
en pleegt toe te komen, kan men onderscheid maken
tusschen zijn bevoegdheid tot beheeren van, en zijn
bevoegdheid tot beschikken over zijn vermogen. Be-
heeren is te omschrijven als het verrichten van hande-
gingen, die enkel het behoud en het vruchtbaar maken
van een zaak of vermogen ten doel hebben. Een scherpe
grens tusschen beheeren en beschikken is moeilijk
te trekken. Buiten twijfel zijn daden van beschikking
bijv.: vervreemding en bezwaring van onroerend goed,
schenking en verpanding'van roerende goederen ."Een
daad van beheer daarentegen is even zeker het soliede
beleggen van jaarlijksclm overgespaarde gelden, die
door uitloting van obligatiën of door andere schuld-
aflossingen zijn vrijgekomen. Evenwul, met die beleg-
gingen komt men alras op een gebied, waar de grens
tusschen beheeren en beschikken moeilijk te trekken
valt. Speculatieve beleggingen bijv. zijn zeker eerder
als daden van beschikking, dan als daden van beheer
te beschouwen. Maar het is niet mogelijk om objectief
uit te maken, hoe soliede de belegging wel moet zijn
om nog een „beheersdaad” te mogen heeten. Ook van
verkoopen van roerende goederen zal niet in het alge-
meen te zeggen zijn, of het beschikkings- dan w T el
beheersdaden zijn: het verkoopen van een versleten
automobiel zal bijv. een beheersdaad zijn, maar de
verkoop van een kostbaar schilderij zal als een daad
van beschikking moeten gelden. Intusschen levert
deze vage afgrenzing van beheer en beschikking voor
de practijk natuurlijk geen enkel bezwaar op, zoolang
maar dezelfde persoon zoowel tot beschikking als tot
beheer over een bepaald vermogen bevoegd is, en dit
is tenslotte het normale geval. Moeilijkheden zouden
eerst kunnen rijzen, wanneer iemand het beheer over
anderer goederen is opgedragen, met uitsluiting
evenwel van het recht om over dezelve te beschikken.
Zoo heeft bijv. de voogd het beheer van de goederen
van zijn pupil, de curator het beheer over de goederen
van den curandus, de man het beheer over de goederen
zijner vrouw. Bedoelde moeilijkheden heeft de wet-
gever echter in een zekere mate kunnen ondervangen,
of wel door het begrip „beheer” tamelijk ruim op te
vatten, maar dan ook den beheerder aansprakelijk
te stellen voor alle verzuimen in zijn beheer (op deze
wijze is het beheer van den man over de eigen goederen
zijner vrouw geregeld), of wel door nauwkeurig voor
te schrijven tot w T elke beheersdaden de beheerder be-
voegd is en hoe hij zich van zijn taak moet kwijten
(dit systeem is gevolgd ten aanzien van voogd en
curator). In het algemeen zij nog opgemerkt, dat de
wetgever in zijn terminologie de onderscheiding
tusschen beheeren en beschikken niet streng doorvoert,
zoodat men vaak uit het verband moet opmaken, welk
der twee begrippen hij op het oog heeft.
Kluyskens/ Stoop.
Beheercncl vennoot (complementaire vennoot,
complementaris) is de vennoot, die bij een comman-
ditaire vennootschap tegenover derden voor het geheel
aansprakelijk is. Zulks in tegenstelling met den
commanditairen vennoot, die niet verder aansprake-
lijk is dan tot het bedrag, hetwelk door hem in de
commanditaire vennootschap is ingébracht. Zijn er
meer beheerende vennooten, dan vormen deze samen
een vennootschap onder firma (art. 19 W. v. K.).
Alleen de beheerende vennoot kan de toegezegde
bedragen van den commanditairen vennoot opvorderen.
Voor België: zie W. v. K. tit. IX Vennoot-
schappen (art. 18 — 25). J. Schouten.
Beheerraad, > Vennootschap.
Bclicim, > Behaim.
Behcim-Schwarzbaeh, Martin, Duitsch
dichter van de richting der nieuwe > zakelijkheid,
en talentvcl verteller. * 27 April 1900 te Londen.
Werk: Die Runen Gottes (1927); Lorcnz Schaar-
manns unzulangliche Busze (1928) ; Die Michaclskinder
(1930).
Behendigheidsgymnastiek, gymnastiek, die
ten doel heeft den beoefenaar behendig, vlug te maken .
319
Bellistoen — Behoefte
320
Het zijn dus oefeningen, die de practische bruikbaar-
heid van het lichaam kunnen verhoogen. In de oefe-
ningen moeten daarom moeilijkheden voorkomen met
betrekking tot de vaardigheid en behendigheid der
leerlingen. Custers.
Bellis! oen (schrijfwijze ontleend aan Arabischen
geograaf Ja koet en sinds Rawlinson meer gebruikelijk
dan de inheemsch-Perzische vorm Bisoetoen), naam
van plaats in Perzië met beroemde rotsreliëfs, o.a.
van Darius den Grooten, dezen voorstellende met 2
officieren en 9 rebellenleiders, waaronder Gaumata
en Phraortes. Boven dezen de figuur van Ahoera Mazda.
Beneden en terzijde staan inschriften in Perzisch,
Soesiaansch en Babylonisch spijkerschrift. Diodoms
Siculus schreef het werk toe aan Semiramis. Euro-
peesche reizigers vanaf 17e eeuw brachten de meest
verschillende verklaringen (o.a. Gardanna: de 12
apostelen!), totdat Rawlinson (1835 — ’37) ten koste
van groote inspanning de eerste goede copieën ver-
vaardigde met een draaglijke vertaling van den Per-
zischen tekst. Dit was de beslissende stap tot de ont-
cijfering van het Babylonische spijkerschrift.
L i t. : L. W. King and R. C. Thompson, The Sculp-
tures and Inscription of Darius the Great on the Rock
of Behistun (Londen 1907). Simons.
Behm, Ernst, geograaf en statisticus, * 4 Jan.
1830 te Gotha, f 15 Maart 1884 aldaar; werd in 1856
verbonden aan de Geogr. Anstalt van Justus Perthes
te Gotha en werd redacteur van Petermanns Mitteil-
ungen. In 1872 toonde hij aan, dat de door Livingstone
ontdekte Loealaba identiek is met den Kongo. Hij
stichtte in 1866 het Geogr. Jahrbuch, dat hij tot 1878
leidde. In 1876 werd B. redacteur van het statistisch
gedeelte van den Goth. Hofkaleoder. Bekend is vooral
zijn: Die Bevölkerung der Erde (in samenwerking
met H. Wagner). v. Velthoven.
Belui 9 Aphr a, de eerste Engelsche schrijfster
van tooneelspelen en romans. * 1640 onder den naam
Aphra Amis van onbekende ouders, f 1689; leefde als
kind misschien in Suriname tot 1665, huwde een rijk
koopman van Ned. afkomst, Behn, die stierf vóór
1666. Werd daarna schrijfster om in haar levensonder-
houd te voorzien. Ze schreef anoniem een 20-tal
geestige, maar ruwe blijspelen, en bloedige treurspelen,
maakte zich als schrijfster bekend en werd populair
ca. 1681. Gedichten, geschiedenissen en romans o.a.
Oroonoko or the Royal Slave, een voorlooper van
Defoe’s romans.
L i t. : Novels uitg. E. A. Baker (1905) ; Works uitg.
M. Summers (6 dln. 1915). Hoe zij ficties als werkelijk-
heid uitgaf, ook in hare autobiographie, is bewezen door
E. Bierbaum in Mod. Lang. Assoc. of America 28 (1914,
432-’53). Pompen .
Behoedzaamheid (Lat. cautio) is een integree-
rend onderdeel van de kardinale deugd van beleid of
voorzichtigheid. Een behoedzaam mensch is geneigd
alles te vermijden, wat voor hem een beletsel is om
zijn einddoel te bereiken.
L i t. : S. Thomas, S. Theol. (II, II q. 49 a. 8).
Eender.
Behoefte. De mensch bezit in zichzelven niet
alles wat hij noodig heeft en al heeft hij nog zooveel
vermogen, toch kan hij alles niet in eens aanschaffen,
wat hii in zijn leven noodig zal hebben; hij voelt en
erkent telkens opnieuw de noodzakelijkheid en hij
moet telkens de mogelijkheid overwegen om het
ontbrekende aan te vullen. In subjectieven
zin is b. het gevoel en het bewustzijn, dat ons iets
ontbreekt, verbonden met het verlangen dit ontbreken-
de aan te vullen.
Een wilde kan wel veel ontbreken, maar hij is er
zich niet van bewust; een asceet kan wel het bewustzijn
hebben, dat hem veel ontbreekt, maar hij zet het ver-
langen van zich af naar middelen ter aanvulling van
zijn welvaartstekort. In objectieven zin is de
b. de toestand van gebrek aan een bepaald iets en
vervolgens de zaak, die men noodig heeft en verlangt.
Hoe meer gecompliceerd een levensproces is, des te
talrijker zullen de b. zijn. Uitbreiding der b. is dus
op zichzelve niet te verwerpen: een toenemende
beschaving brengt meerdere b. mee. Elke overdaad
is echter te vermijden; ontaarding zal lijden tot
onredelijke behoeftebevrediging, waaruit blijkt, dat
de bevrediging der b. aan zedelijke normen moet wor-
den onderworpen. Een doellooze toename en wijziging
der b. mag niet worden bevorderd, wel echter die, welke
rekening houdt met de ontplooiing der zedelijke,
intellectueele en godsdienstige vorming der per-
soonlijkheid en der maatschappij. In verband met de
lichamelijk-geestelijke natuur van den mensch kan
men spreken van stoffel ij ke en onstof-
fel ij k e b.; naar het ontstaan der b. kan men deze
indeelen in aangeboren en verworven b.
Om het min of meer dringende der b. aan te geven,
spreekt men van bestaans- en beschavingsbehoeften
of ook wel van natuur-, stands- en weeldebehoeften.
Er zijn b., die zoodanig met ons organisme verbonden
zijn, dat zij zich altijd doen gelden, zooals een zekere
lichaamswarmte; sommige b. treden met tusschen-
poozen of periodiek op, andere komen alleen op in
bepaalde omstandigheden. Naar het subject der b.
kan men onderscheiden: individueel e, ge-
zin s- en collectiviteits behoeften.
Men kan ook spreken van m i d d e 1 1 ij k e en
onmiddellijke b., naar gelang ze gericht zijn
op voorwerpen, welke direct in b. voorzien (eind-
goederen, voedsel, kleeding) of op die, welke noodig
zijn om eindgoederen te vervaardigen (productie-
middelen).
Het economisch-rationeele streven tracht een
optimum te bereiken bij het voldoen aan de ver-
schillende om den voorrang strijdende b. Bij een
voortgezette bevrediging van eenzelfde b. binnen een
bepaald tijdsbestek treedt een verzadiging in, waar-
door de stoffelijke behoefte-bevredigingsmiddelen
een afnemende nuttigheid verkrijgen. Bij geestelijke
goederen treedt deze af nemende bevrediging niet op;
hoe meer wetenschap en deugd men heeft, des te grooter
wordt het verlangen naar een rijker bezit; hij die veel
geld bezit, zal wel niet spoedig verzadigd zijn, wijl
het geld hem veroorlooft allerlei dingen aan te schaf-
fen; de toename van gebruiksgoederen van dezelfde
soort zal echter steeds minder voldoening brengen.
Hij die economisch -rationeel handelt, zal bij beschik-
king over beperkte middelen, hetzij in den vorm van
geld, productiemiddelen of verbruiksgoederen, een
absolute verzadiging of oververzadiging vermijden
en niet alles in één richting aanwenden; het grootste
voordeel zal hij behalen uit de beschikbare middelen,
als hij op een bepaald niveau gekomen bij de bevredi-
ging van de gewichtigste b., zich wendt tot een minder
gewichtige, maar die toch dringender is, dan de voort-
gezette bevrediging der eerste. Om verschillende
redenen zullen b. van het heden sterker gevoeld
worden dan die van de toekomst; toch moet men ook
voor de toekomst zorgen. De goederenproductie zal
321
Behoud — Behouden- Varen- Verzekering
322
meer en meer rekening moeten houden met de b.,
wijl er in sommige landen een teveel is van bepaalde
producten voor gebruik in eigen land en het buiten-
land deze producten niet meer afneemt. Elk redelijk
budget streeft naar een evenwicht tusschen middelen
en b.; een gesocialiseerde maatschappij zou stooten
op het probleem van een goed opgezet behoeftenschema;
de tegenwoordige economische ordening heeft tot
maatstaf voor de voorziening in de b. den marktprijs,
welke maatstaf wel niet volmaakt functionneert,
alleen reeds hierom, wijl de prijzen een onvolmaakte
uiting zijn der b. en zelfs der koopkracht en dus
correctieven vereischten, maar toch niet zal kunnen
worden vervangen door een regeling van bovenaf,
welke een evenwicht tot stand tracht te brengen tus-
schen productie en behoeften.
L i t. : H. W. C. Bordewijk, Economie en behoeften ;
F. Cuhel, Zur Lehre von den Bedürfnissen ; H. H. Gossen,
Entwicklung der Gesetzc des menschlichen Verkehrs ;
C. Menger, Grundsatze der Volkswirtschaftslehre ; H.
Fesch, Lehrbuch der Nationalökonomie (I) ; F. v. Wieser,
Der natürliche Wert. M. Verhoeven.
Behoefte is een der belangrijkste grondbegrippen
van de economie, de wetenschap der tijdelijke mensche-
lijke welvaart. De b. aan bevredigingsmiddelen, of
zuiverder aan gebruiksmiddelen en verbruiksmiddelen
van stoffelijken en onstoffelijken aard, beheerscht
voor een belangrijk deel het verzorgingsproces der
menschheid. Zij leidt de productie van bevredigings-
middelen in bepaalde richting. Door oudere econo-
misten werden bij de behandeling van dit begrip
twee groote fouten gemaakt. Vooreerst, dat zij, als
bij alle andere onderdeelen van de economie, niet de
dubbele beschouwingswijze, de realistische
en de doelmatig-critische toepasten.
Zij gingen uit van de b. als vaste gegevens, daarbij
vergetende, dat ook de b. ten slotte getoetst moeten
worden en wel aan het beginsel der r e d e 1 ij k h e i d.
Niet alle b. kunnen bij wetenschappelijke behandeling
zoo maar worden aanvaard. Een aantal moet worden
af gesneden en onbevredigd gelaten in een redelijk-
levende samenleving; maar ook moet een aantal hooger
worden opgevoerd en vooral bij die menschen, die door
gemis aan b. beneden het redelijk peil der menschheid
leven.
In verband met die eerste fout staat een tweede,
niet minder groot. Niet slechts de individueele b.
zijn van belang, ook de collectieve b. Dus van men-
schengroepen, in vereeniging, gemeente, staat. B. aan
allerlei instellingen als: rechtsinstituten, leger, vloot,
wegen, vervoer, enz.
Uit deze beide fouten blijkt, welk een verderfelijken
invloed de liberale of individualistische levens-
opvatting ook op dit belangrijk onderdeel der economie
heeft gehad.
Verkeerde gevolgtrekkingen bleven dan ook niet
uit. Nemen wij, om ons slechts tot Nederland te
bepalen, eenige der axioma’s van den Utrechtschen
hoogleeraar in de economie, prof. dr. C. A. Verrijn
Stuart. Deze stelt in zijn „De grondslagen der Volks-
huishouding”: „De economie gaat uit van het ervarings-
feit, dat de mensch, overal en altijd, te worstelen heeft
met een welvaartstekor t.” Verder „Wel-
vaart is nu: het vermogen om aan de begeerten, welke
de mensch zich bewust wordt, te voldoen.” Beide
stellingen zijn volslagen onjuist. Zoowel voor realis-
tisch onderzoek — Oostersche volken en ook de
Europeesche menschheid in een bepaald stadium —
als voor doelmatig critisch onderzoek — uitgangspunt
voor objectieve doelmatigheidscritiek: redelijke voor-
ziening in redelijke behoeften — bezwijken deze beide
stellingen. Zij zijn gedrenkt in de individualistische,
subjectivistische levensopvatting van den auteur.
Bij toenemende cultuur kan de b. aan bevredigings-
middelen, vooral van lagere orde, afnemen. Een sober
levend volk, dat afstand zou doen van den wirwar
van b. en dientengevolge bevredigingsmiddelen, die
in ons 20e-eeuwsch Europa zich vertoonen, zou veel
welvarender en cultureel veel hooger staand kunnen
zijn dan zoovele volken van thans.
Het vraagstuk der menschelijke b. toont zich zeer
belangrijk en ingewikkeld. De groote verdeeling naar
realistisch en doelmatig-critisch onderzoek staat voor-
op. Dan de b. der verschillende tijdperken en bescha-
vingen en volken. Vervolgens individueele naast
collectieve b. Dan de b. van hoogere en lagere orde.
Vooral op de verhouding onderling in deze laatste
beide groepen komt het aan. Daarmee houdt toch de
noodzakelijk-toekomstige ontwikkeling van het be-
hoef televen ten nauwste verband. Critici als prof. Ude
uit Graz — in hoeveel opzichten men het ook met hem
oneens moge zijn — hebben hierbij belangrijk werk
verricht.
L i t. : L. Brentano, Versuch einer Theorie der Be-
dürfnisse ; prof. dr. H. W. C. Bordewijk, Economie en
Behoefte ; dr. B. Missiaen O.C., L’appauvrissement des
masses ; prof. dr. J. A. Veraart, Arbeidsloon.
Veraart.
Behoud (der schepselen), ook conservatie
(Lat. conservatio) genoemd. De schepselen wordne
door God in hun zijn behouden. De schepselen bestaan
niet krachtens zich zelf, zij bestaan krachtens de Eerste
Oorzaak, die alleen uit zich zelf bestaat. De schepselen
bestaan, omdat God hun het zijn geeft. Niet alleen
het begin van hun bestaan vraagt een oorzaak, hun
bestaan zelf eischt als niet-noodzakelijk bestaan een
oorzaak. Daarom strekt Gods oorzakelijkheid zich
verder uit dan de schepping, waardoor de schepselen
uit het niets beginnen te zijn. Gods oorzakelijkheid
duurt, zoolang het bestaan van het schepsel duurt.
Het b. is niet een andere daad dan de scheppingsdaad,
van God, het is een voortgezette scheppingsdaad ,
want zoowel door de schepping als door het behoud
wordt door God het bestaan aan het schepsel gegeven.
Het verschil is slechts dit: door de schepping wordt
het bestaan der schepselen veroorzaakt als beginnend
na het niets, door het b. wordt het veroorzaakt, opdat
het blijft.
Tegen de stelling van het b. door God strijdt het
Deïsme, hetwelk Gods werkzaamheid tot de schepping
uit niets beperkt. Krachtens de daad van b. is God
in alle schepselen tegenwoordig ( > Alomtegenwoordig-
heid).
Lit. : S. Thomas (I, qu. 1014 a. 1. 2); Literatuur-
opgave : Diekamp, Kath. Dogmatik (II 6 1930-’31).
Kreling.
Behouden- Varen- Verzekering (Neder-
land) is een verzekering, waarbij aan den verzekerde
vergoeding wordt toegezegd van de schade, welke deze
lijdt, doordat een bepaald schip niet op de bestem-
mingsplaats aankomt. Hoewel met deze benaming
in de practijk met name op de verzekering tegen de
gevaren op zee wordt gedoeld, kan uiteraard zoo-
danige verzekering ook voor het varen op de rivieren en
binnenwateren worden gesloten. De behouden -varen -
verzekering wordt in Ned. geregeld in den 9en titel
iv. n
323
Behoud van arbeidsvermogen— Behuet’ dich Gott !
324
van het 2e boek van het Wetboek van Koophandel,
terwijl met betrekking tot de verzekering bij vervoer
van goederen op de rivieren en binnenwateren bijzon-
dere bepalingen in den 10en titel voorkomen. Voor-
zoover de artikelen dezer titels, ofwel de polisbepa-
lingen, daarvan niet afwijken, zijn de gewone wette-
lijke bepalingen inzake schadeverzekering in het alge-
meen toepasselijk. Doorgaans worden deze verzeke-
ringen gesloten óp condities, ter beurze te Amsterdam
of te Rotterdam gebruikelijk.
In het algemeen moet het niet-aankomen een gevolg
zijn van een der oorzaken, waartegen verzekerd is.
Zoo heeft bijv. de verzekerde, indien het geding „vrij
van molest” is gemaakt, geen recht op vergoeding van
schade tengevolge van zeerooverij, e.d. Het verzekerd
belang kan zijn: het schip (casco), de lading, de vracht,
de verwacht wordende winst, enz. Is dit in de polis
niet omschreven (hetgeen in de practijk herhaaldelijk
voorkomt), dan moet de verzekerde, ingeval van niet-
aankomen, aantoonen, dat hij daardoor schade heeft
geleden en welk verzekerd belang hij had.
Een der belangrijkste strijdvragen bij deze verze-
kering is : „Wat is te verstaan onder totaal verlies
van "het schip ?” In de practijk wordt daarmede
gelijkgesteld een zoodanige beschadiging, dat repa-
ratie in redelijkheid niet kan worden gevergd. Ariëns.
Behoud van arbeidsvermogen. De wet van
het b. kan in de klassieke mechanica aldus geformuleerd
worden: in een gesloten stelsel kan de som van poten-
tieel en kinetisch arbeidsvermogen door louter mecha-
nische veranderingen niet gewijzigd worden. Louter
mechanisch wordt een verandering genoemd, wanneer
daarbij geen omzetting van mechanisch in niet-mecha-
nisch arbeidsvermogen, zooals bijv. warmte, plaats
heeft. Tot de potentieele energie rekent men ook de
deformatie-energie van veerkrachtige lichamen. De
wet van het b. steunt op een langdurige ervaring, niet
zoozeer door rechtstreeksche proefneming dan wel
door veelzijdige toepassing, die nooit tot tegenspraak
met de ervaring leidde. Een gevolg is de onmogelijk-
heid van een mechanisch „perpetuum mobile”, d.i.
van een werktuig, dat niettegenstaande de onver-
mijdelijke weerstanden en zonder dat er van buiten
arbeid op wordt gedaan, voortdurend in beweging
blijft. In differentiaalvorm kan men de wet aldus
uitdrukken: dL = dT + dü, waarin L de arbeid, T
en U resp. het arbeidsvermogen van beweging en van
plaats voorstellen.
L i t. : Handwörterbuch der Naturwissensch aften (III,
509> ; A. Berliner en K. Scheel, Phygikalisches Hand-
wörterbuch (319). A. Mulder.
Bchram, > Bahram.
Behrend, W i 1 1 i a m, Deensch muziek-
historicus, * 16 Mei 1861, publiceerde o.a. een bio-
graphie van Gade (Leipzig 2 1918; vertaling) en ver-
schillende kleine studies. Gaf met Hortense Panum
en O. M. Sandvik een Deensch geïllustreerd Muziek-
lexicon uit (1924 vlg.).
Behrcns, 1° Bertha (pseud. W. Heimburg),
Duitsch schrijfster van onderhoudende jongemeisjes-
lectuur in de > Gartenlaube. * 7 Sept. 1860 te Thale
(Harz), f 9 Sept. 1912 te Kötschenbroda.
U i t g . : Gesammelte Romane undNovellen (1890vlg.).
2° Peter, Duitsch kunstenaar, bouwmeester
en decorateur, * 1868 te Hamburg. Van 1903 — 1907
was hij hoofd der Düsseldorfer nijverheidsschool,
sinds 1922 leeraart hij in woningkunst aan de kunst-
academie van Weenen, doch brengt een groot deel
van het jaar in Berlijn door. Fabrieken, decoraties in
tentoonstellingszalen, vergaderlokalen en woonhuizen.
L i t. : Fritz Hoeber, P. B. (1913); Cremers, P. B.
(1928). Knipring.
Bekring, E m i 1 v o n, baanbrekend bacterio-
loog, legde den grondslag der serumgeneeskunde.
* 15 Maart 1854 te Hansdorf (West-Pruisen), f 31 Maart
1917 te Marburg ;
aanvankelijk of-
ficier van gezond-
heid, later assis-
tent bij R. Koch.
In 1890 ontdekte
hij te samen met
Kitasato een se-
rum tegen wond-
tetanus, in 1894
een serum tegen
diphtherie. In
1895 werd hij
directeur van het
Instituut voor hy-
giëne te Marburg,
waar hij tot on-
derzoek en tot
samenstelling van
sera de Behringw erken stichtte. In 1901 ontving hij
den Nobelprijs.
Bchrmann, W a 1 1 e r, geograaf, * 22 Mei
1882 te Oldenburg; studeerde te Göttingen, Berlijn
en München geographie en wiskunde. Werd assistent
van Wagner en hield zich toen vooral met de carto-
graphie bezig. Van 1909— ’14 assistent van Partsch
en Penck, ging tot de morphologie over. B. nam deel
aan de Kaiserin-Augusta-Flusz-expeditie op Nw.
Guinee (1912— ’13); van hier uit bezocht hij China.
Sedert 1923 is B. prof. aan de universiteit van Frank -
furt a.d. Main.
Werken: Zur Kritik des flachentreuen Projek-
tionen der Erdkugel (1909); Die Oberflachengestalt des
Harzes (1914); Der Sepik und sein Stromgebiet (1917) ;
Das westliche Kaiser Wilhclmsland in Neu-Guinea
(1924) ; Rhein-Mainische Atlas (met Maull. 1929).
v. Velthoven .
Projectie van Behrmann is een aequivalente cy-
linderprojectie, gebruikt als kaartpro-
jectie. Ieder punt van een met de
aarde gelijkvormigen bol wordt zoo-
danig op een cylinder, die den bol
snijdt, overgebracht, dat de opper-
vlakken gelijk blijven. Daartoe worden
de punten loodrecht op den cylinder-
mantel geprojecteerd. De beide paral-
lellen, waar de cylinder den bol
snijdt, worden lengtegetrouw afge-
beeld. De afstand van de parallellen
bedraagt h:cos b, als h de afstand op
den bol is en b de breedte. Meridianen
en parallellen zijn elkaar loodrecht
snijdende rechte lijnen.
Deze projectie wordt gebruikt voor
de afbeelding van de gebieden in de
omgeving van den aequator; de ver-
teekening is dan het geringste, als
men de snijparallellen kiest halver-
wege den aequator en den rand van
de kaart (zie afb.). Jong.
Boblid’ dich Gott ! Behuet ’ dich Gott ! es
325
Beiaard
326
war’zu schön gewesen,/Behuet’ dich Gott, es hat
nicht sollen sein ! (Duitsch, = God behoede u !
het zou te mooi geweest zijn, God behoede u, het
heeft niet mogen zijn!) Het onweerstaanbare refrein
uit het lyrisch -romantisch epos van Joseph Yiktor
von Scheffel (1826 — 1886) „Trompeter von Sakkingen.
Ein Sang vom Oberrhcin”, verschenen op Kerstmis
1853 (met jaartal 1854). Het is het afscheidslied
van Werner. Brouwer.
Beiaard, vroeger ook beiaard, beijaard of beier
geheeten. Hieronder verstaat men een stel gehar-
moniseerde klokken, die door aanslaan met klepels
of hamers welluidende klanken en accoorden ten ge-
hoore brengen. Kiliaen vertaalt het woord beiaart door
„frequentamentum tintinnabulorum”. In het Latijn
wordt het werkwoord Beiaarden ook vertaald met:
armonisare cum campanis, d.w.z. harmoniseeren door
middel van klokken. In het Zuiden gebruikt men nog
steeds de woorden beiaard en beiaarden, afkomstig
van beieren, dat weer afgeleid is van baren of beren =
klank geven. In het Noorden spreekt men van klokken-
spel. De klank eener klok ontstaat, als haar wand wordt
geslagen, hetzij van binnen uit door een klepel, hetzij
van buiten af door een hamer. Bij de eerste en oudste
methode, ook thans nog in gebruik en „luiden” ge-
noemd, wordt de klok aan het zwaaien gebracht, zoo-
dat de klepel telkens twee tegenovergestelde punten
van den klokwand raakt. Voor godsdienstige plechtig-
heden wordt geluid, terwijl daarentegen bij blijde ge-
beurtenissen als de geboorte van een prins, een over-
winning in oorlogstijd enz. werd gebeiaard; hierbij
worden de klokwanden met houten hamers aan den
buitenkant geslagen. Reeds in 1370 wordt hiervan
melding gemaakt, waarbij echter alle gedachte aan
muzikale prestatie is uitgesloten.
De klokken werden gegoten zonder eenige zorg voor
harmonische boventonen en bespeeld door personen,
meestal zonder eenige muzikale opleiding.
Uit den uurslag der in de torens opgestelde mecha-
nische uurwerken ontstond eerst later behoefte aan
geharmoniseerd klokkenspel. De uurslag dezer uur-
werken, die voor het eerst omstreeks 1350 werden ge-
construeerd, ontging vaak de aandacht der bevolking,
daar oorspronkelijk geen voorslag den uurslag voorbe-
reidde. Als oplossing hiervan bracht men 3 lichte
klokjes, gewoonlijk bellen of schellen, aan. Ze waren
onderling op een accoord gestemd en werden wekke-
ringschellen of appeelkens (van het Fr. appèl) ge-
noemd. Een dgl. voorslag is nog in de 14e eeuw ont-
staan.
In den loop der volgende eeuw groeit het aantal dezer
schellen tot vier, zes en zelfs acht, met behulp waar-
van een melodie kan worden weergegeven. Dit is het
„voorspel”.
De eerste voorspelen, waarvan het oudste in de
abdij te Park bij Leuven werd gebouwd in 1480, wer-
den in werking gebracht door het draaien van een
houten trommel, bezet met ijzeren staafjes, die bij de
draaiing de met de hamers der klokken in verbinding
staande klavieren wegduwden. De houten trommel
maakte later plaats voor een ijzeren, terwijl in 1663,
waarschijnlijk te Delft, de eerste bronzen trommel werd
gegoten.
Deze af gestemde kleine klokjes waren bovendien
ook gemalielijk met de hand te bespelen, zoodat op
het einde der 15e eeuw met de klokkenspelen volks-
zangen en geestelijke liederen voor de bevolking ten ge-
hoore kunnen worden gebracht, wat veel bijval oogstte.
Dit wordt in 1477 te Duinkerken en in 1481 te Ant-
werpen vermeld.
Ter vergemakkelijking van het bespelen worden in het
begin der 16e eeuw klavieren gebouwd, waarvan de
toetsen uit stukken bestaan en die door middel van
draden in verbinding staan met de klepels, die nu ook,
in tegenstelling met de vroegere hamers, in de klok-
ken worden aangebracht (Oudenaarde, 1510).
Blijkens een publicatie in 1531 van den priester
Jacob de Meyer, professor en geschiedschrijver te
Ieperen en te Brugge, was dit klavierspelen toen reeds
algemeen bekend. Het klavier onderging kleine wijzi-
gingen in den loop der eeuw. Thans wordt algemeen
het Mechelsch model als standaardvorm aangenomen
en toegepast.
Het aantal klokken vermeerderde intusschen steeds.
Omvatte een klokkenstel eerst 5 of 6 diatonische
tonen, spoedig kwam men tot elf of 12 chromatische
tonen, een octaaf dus; op de helft der 16e eeuw is het
aantal tot 18 gestegen, dat vóór 1700, dank zij de toe-
passing van een voetklavier, uitgebreid wordt tot
22 tonen. In den loop der 17e eeuw steeg het getal tot
38 en bereikte in de 19e eeuw tot 50 toe. Het mechanis-
327
Beiaard — Beieren
328
me tot bespeling heeft geen gelijken tred gehouden met
dezen groei. De in de klok hangende klepel was met
een draad van den torenmuur verbonden. Aan het
midden van den draad was een andere bevestigd, die in
verbinding stond met de toetsen van het klavier.
Dit systeem, het zgn. broeksysteem, wordt verweten,
dat de bespeler tengevolge der losse verbindingen,
zijn spel niet genoeg meester kan zijn.
Jef Denijn, beiaardier der stad Mechelen, bracht
hierin verbetering door zijn „tuimelaarssysteem”. Met
behulp van veren, die de klepels terugroepen, en ver-
binding der klepels onderling heeft de beiaardier
thans zijn spel volkomen in handen. De mogelijkheid
een klok herhaalde malen na elkaar aan te slaan, te
laten trillen, geeft een gebonden klank.
In Nederland bestaan nog een zestigtal bespeelbare
beiaarden, waarvan 6 enkel met trommelklavier.
Verder heeft men nog gegevens over 45 verwoeste of
verdwenen beiaarden. In België zijn ongeveer 70 be-
speelbare beiaarden, waarvan 9 enkel met trommel-
klavier. Verder nog gegevens over een honderdtal
verdwenen beiaarden. Noord-Frankrijk bezit nu nog
36 klokkenspelen, waarvan een derde slechts auto-
matisch werken kunnen. Andere Fransche gewesten
bezitten nog 16 oude beiaarden waarvan 3 zonder
handklavier en een twintigtal moderne klokkenspelen.
Verder in Duitschland ongeveer twintig, Engeland
ongeveer twaalf evenals Amerika, Spanje zes, Portugal
twee en slechts enkele in Italië, Denemarken, Zweden
en Noorwegen.
Beiaard, De, maandschrift onder redactie van
Gerard Brom, Frans van Cauwelaert, J. H. E. J. Hoog-
veld, J. A. Loeff, B. H. Molkenboer en Jos. Schrijnen,
gesticht in 1916 als reactie op de beweging van het
maandblad „Van Onzen Tijd”, welke men te zeer
afhankelijk oordeelde van de Tachtiger Literatuur.
De Beiaard zocht nauwer contact met het openbare
Katholieke leven, en bereikte dit in zooverre het ro-
mans van Marie Koenen publiceerde, de stichting der
Keizer Karei Universiteit voorbereidde, en regelmatig
critiek uitbracht op gebruiken en toestanden. Letter-
kundig had het niet de beteekenis, die „Van Onzen
Tijd” had, ofschoon werd medegewerkt door Marie
Koenen, Felix Rutten, Kees Mekel, Bernard Verhoe-
ven, Jac. Schreurs. Daarentegen kan men zeggen, dat
uit het „Beiaard”-milieu de R.K. Universiteit is
voortgekomen. Cok mag men in de critiek van dit
maandblad een w’egbereiding zien voor het optreden
der zgn. „jongeren” in de Katholieke letterkunde na
1920. De Beiaard bestond 10 jaar. Asselbergs.
Beien (plant k.), > Lepeltjeheide.
Beier, Franz, musicoloog, componist en
dirigent, * 18 April 1857 te Berlijn, f 25 Juni 1914 te
Kassei; hoofdzakelijk bekend door zijn studie J.J.
Froberger und seine Suiten (diss. Rostock 1883).
Beieren, tweede staat van het Duitsche Rijk,
bestaat uit twee door Wurttemberg, Baden en Hessen
gescheiden deelen: Beieren rechts van den Rijn en de
Rijnpalts. Zie plaat t.o. kolom 305.
Beieren rechts van den Rijn ligt tusschen 9° 1' en
13° 50' O. en tusschen 45° 16' en 60° 34' N., werd
in 1920 met Koburg vereenigd en neemt met een opp.
van 70 492,41 km 2 het Z.O. deel van Duitschland in;
grenst aan Oostenrijk, Tsj echo -Slowakije, Saksen,
Thüringen, Pruisen, Hessen, Baden en Wurttemberg.
Het W. gebied, de Rijnpalts, ligt tusschen 48° 68'
en 49° 49' N., omvat 5 504 km 2 en grenst aan Baden,
Frankrijk, Pruisen en Hessen. In totaal bedraagt
de opp. 75 996 (met inbegrip van Saarpfalz 76 422) km 2 .
A) Natuurlijke landschappen en afwatering. Het
land is uit verschillende landschappen opgebouwnl.
Het Zuiden van B. maakt deel uit van het
Alpengebied en wel van de Noordelijke Kalkalpcn,
door het Inndal van de kristallijne zone gescheiden.
Ze zijn te verdeelen in Allgauer Alpen, Beiersche
Alpen en Salzburger Alpen. Van de Allgauer Alpen
tusschen Boden-meer en Lech hoort slechts het midden-
deel, het Iller-gebied, aan Duitschland.
De randketens uit Tertiaire Nagelfluh zijn een-
voudig geplooid met sterke afhelling naar het Noorden.
Door een scherpe breuklijn van het jongere Tertiaire
gesteente der buitenste randketens gescheiden, volgt
een gordel van Flyschgesteente (afgezet in Eoceen en
Oligoceen), nog reikend tot over de Iller. Het bergland
met zachte, ronde vormen is hier ten deele met bosch,
ten deele met liefelijke almen bedekt. Meer Zuidelijk
verheffen zich de waanden van het Gottesacker-plateau,
bestaande uit harde Schrattenkalk en met merkwaar-
dige „Karren velden”. De Zuidelijke ketens met echt
hooggebergte-karakter vertoonen een veel ingewikkel-
der structuur.
De kalkgesteenten (afzettingen uit Keuper en Jura)
zijn hier over de Flysch heengeschoven. Hier en daar
zijn zachtere Liasleien (Allgauschiefer) als donkerder
gesteente ingevoegd. Als hoogste toppen dienen
genoemd Madelegabel (2 646 m), Krottenkopf (2 665 m),
Hohes Licht (2 690 m). Oostelijk van de Lech volgen
tot aan het Inndal de Beiersche Alpen. De beide buiten-
ste zonen der Allgauer Alpen zijn hier sterk ingekrom-
pen. Tot de Voor- Alpen met hoogten tot 1 000 m
behooren: Ammer, Isarwinkel, en Mangfallgebergte.
Steil rijzen uit dit voorland de Kalkalpen op: het Wet-
tersteingebergte met Zugspitze (2 963 m), hoogste top
van het Duitsche Rijk, met meerdere kleine gletsjers
tegen de flanken, het Karwendelgebergte, dat grooten-
deels tot Tirol behoort. Het Inndal tusschen Oberau-
dorf en Kufstcin scheidt de Beiersche van de Salz-
burger Alpen. Hiervan behooren aan Duitschland:
de Chiemgauer Alpen, waar de Flysch weer een breeden
gordel inneemt, en tusschen Saulach en Salzach de
Berchtesgadener Alpen. Hoewel de geheele Alpen door
groote overschuivingen (> Dekbladenbouw) getroffen
zijn, bestaat toch tectonisch een verschil tusschen dit
gebergte en de Westelijk gelegen Alpen. Terwijl in
het W. plooiing plaats had, werd dit gebied sterk om-
hooggeheven. Hier dus een breukgebergte, w^aar vooral
de hardheid van het gesteente beslissend is voor het
reliëf. Als afzonderlijke groepen zijn te vermelden het
Watzmannmassief met twee toppen (2 724 m), het
plateau van het Steinernes Meer met beroemde Karren-
velden en de Hochkalter (2 600 m). Aan den voet der
alpen strekt zich het voorland uit met afhelling
naar het Noord -Oosten. De Z. helft is een uitge-
sproken moreenenlandschap. Waar eens de uit de
dalen stroomende gletsjers in het voorland aaneen-
smolten, hebben zij een bekken uitgeschuurd, de zgn.
centrale depressie, een gebied, dat Zuidelijk van Ammer
en Würmsee soms meer dan 100 m lager ligt dan het
jongmoreene-gebied in het Noorden. De afzettingen
van de laatste Glaciatie zijn nog zeer goed bewaard
gebleven; er is hier een drumlinlandschap, met als
gevolg slechte afwatering en derhalve meren en hoog-
veenvorming. Om deze jongmoreene heen, die beperkt
blijft tot den Z. gordel van het Alpenvoorland, bevin-
den zich de afzettingen der buitenste of oudere moreene,
maar het landschap biedt hier een veel rustiger beeld,
BEIEREN, WURTTEMBERG EN BADEN
Schaal M • 2 500 000
331
Beieren
332
doordat verweering en transport nivelleerend werkten.
Hiervoor ligt het gebied der Fluvio -Glaciale afzet-
tingen; het is te verdeelen in Iller-Lech -vlakte, de
vlakte van München (Dachauer Moos, Erdinger Moos)
en de Inn-Salzach-vlakte. Tusschen deze Fluvio-
Glaciale afzettingen in het Zuiden en het Donaudal
ligt het vaak zeer vruchtbare Tertiaire heuvelland.
Daar, waar de rivier door Zwabische en Frankische
Jura heenbreekt en bij Passau het harde graniet-
gesteente van het Beiersche Woud doorzaagt, is het
dal nauw en wordt een doorbraaksdal met sterk verval
gevormd (Donau-Ried bij Dillingen, Donaumoos bij
Ingolstadt). De breede vlakte bij Straubing is met
löss gevuld en werd daardoor de korenschuur van B.
Het Oostelijk grensgebied vonnen de uit graniet en
gneis opgebouwde Duitsche middelgebergten: Beier-
sche Woud, Bohemer Woud en Fichtelgebergte. Van
laatstgenoemd gebergte voert Westelijk het Franken-
woud en Thüringer Woud over de vulkanische Rhön
naar de bontzandsteentafel van de Spessart.
Een deel van de Mainvlakte bij Asschaffen-
burg vormt het uiterste N.W. van Beieren. Van
Spessart en Rhön Zuid-Oostwaarts volgt het Zwabisch-
Frankische Stufenland. Het W. deel vormt de Fran-
kische Muschelkalkplatte. Dan volgt als O. deel het
Frankisch terras. De Keuperlagen, die in het W. door
een zandsteenlaag zijn af gedekt, vormen hier een trap,
die tot 160 m boven het voorland uitsteekt en onder
den naam Hassberge, Steigerwald en Frankenhöhe
bekend is. Naar het O. gaat het land over in de met
verweeringsproducten van het Keuper -bergland opge-
vulde Middel-Frankische bekken. Behalve het Z. deel
(Wömitz en Altmühl) is ook het door de Rezat door-
stroomde Middel-Frankische bekken tributair aan
den Main. In een grooten boog hieromheen verloopt
de Frankische Jura, opgebouwd uit kalk, in het O.
begrensd door het bekken van de Naab. Het N. deel
van de Jura vormt de Frankische Schweiz met nauwe
rivierdalen en bekende grotten (bij Rabenstein en
Muggendorf bijv.), een echt toeristengebied.
De Rijnpalts heeft in het Oosten deel aan de vrucht-
bare Bovenrijnsche Laagvlakte. Het Haardt-gebergte,
de Noordelijke uitlooper van de Vogezen met Oostelij-
ken steilrand, bestaat in hoofdzaak uit bontzandsteen.
Zeer schilderachtig is het landschap rondom Dahn
door de eigenaardige verweering der bontzandsteen-
rotsen. In het Z.W. treedt de muschelkalk aan den
dag. In het Noorden hooren de vulkaankegels Donners-
berg (687 m) en Koningsberg (684 m) tot de hoogste
deelen van het land.
Het grootste deel van Beieren behoort tot het
stroomgebied van Rijn en Donau. De diepere crosic-
basis van den Rijn (bij Mainz 80 m, van den Donau bij
Passau 289 m) heeft als gevolg een grootere erodeerende
kracht en dus vergrooting van het stroomgebied van
den Rijn ten koste van den Donau. De waterscheiding
loopt over Frankenhöhe en Frankische Jura. Er be-
staan plannen het kleine Ludwigkanaal, dat nu beide
stroomgebieden verbindt, te vervangen door een
groot Main-Donau-scheepvaartkanaal. Kleine gebie-
den in N. en N.O. wateren door de Saaie af op de Elbe
en door een zijrivier van de Werra op den Wezer.
De bekoring van Zuid-B. schuilt voor een groot
deel in de talrijke meren; deels liggen zij in het voor-
land door den gletsjer in het tongbekken uitgeschuurd,
zooals bijv. Ammer-, Würm-, Staffel-, Chiemsee,
deels zijn het hooge alpenmeren als Kochel-, Walchen-,
Eib- en Königssee.
B) Klimaat. Beschut voor koude N. en O. winden,
verkeert het gebied om het Boden -meer en het dal
van den Main onder de gunstigste omstandigheden.
Tempera tuurgemiddelde van het Boden-meer :
Jan. — 1,4°C, Juli 18,4°C; van Würzburg: Jan.
— 0,9°C, Juli 18,4°C. De Jura vormt een duidelijke
klimaatscheiding tusschen N.W. Beieren en de Rijn-
palts, met maritiem klimaat, en het Zuidelijk en
Zuid-Oostelijk deel, waar het klimaat een meer
continentaal karakter heeft. Kenmerkend vooral voor
de hoogvlakte zijn de groote temperatuurwisselingen
tengevolge van luchtdrukverschuivingen (tempera-
tuurgemiddelde München: Jan. — 2,1°C, Juli 17,6°C).
In het Alpenland neemt in het algemeen de tempera-
tuur af met de hoogte, behalve wanneer omgekeerde
temperatuurtoestand intreedt, een verschijnsel, dat
vooral ’s winters niet zelden wordt waargenomen.
Van speciale beteekenis is ook de Föhnwind.
In het Alpengebied is ook de neerslag het grootst
(ca. 2 m); de meeste regen valt ’s zomers, vaak in den
vorm van onweersbuien. De middelgebergten hebben
koele, vochtige zomers, in den winter valt er veel
sneeuw, die tot laat in het voorjaar blijft liggen.
C) Bevolking. Deze telde in 1925 in totaal 7 379 000
inwoners. Dezen zijn tot drie groepen terug te brengen:
Oostelijk van de Lech is de bevolking Beiersch (Baju-
varen), Westelijk overheerscht het Zwabische element
(Alemannen), in het stroomgebied van Main en Rijn
wonen Franken. Niet alleen in volkskarakter en dialect,
ook in den vorm der nederzettingen zijn verschillen
aan te wijzen. De Lech scheidt het Zwabisch-Alemanni-
sclie huis (dat vooral in de lengte is gebouwd met
schuur en stal onder één dak) van het uit hout, leem
en steenen opgetrokken Bajuvarische huis, dat ook
twee verdiepingen heeft. In het hooggebergte liggen
de hoeven meer verspreid; waar op de hoogvlakte
meer ruimte geboden werd en de ligging ten opzichte
van het verkeer gunstig was, ontstonden kleine stadjes.
B. is overwegend Katholiek (70%), uitgezonderd
de voormalige vorstendommen Ansbach, Bayreuth,
Koburg, het gebied om Neurenberg en de Palts, waar
de Protestantsche godsdienst overheerscht (29% der
totale bevolking).
D) Bestaansmiddelen. Ondanks de sterke uitbrei-
ding der industrie in de laatste decennia is Beieren
toch een agrarisch land. Uitstekende graangebieden
zijn de Noordhelft van de Beiersche hoogvlakte, de
Donauvlakte van Ulm tot Neuburg en van Regens-
burg tot Vilshofen. Ook de dalen van Womitz, Alt-
mühl, Rezat, Main en de Rijnvlakte van de Palts
leenen zich uitstekend voor graanbouw (rogge, gerst,
haver, tarwe).
Begunstigd door het milde klimaat leveren de
Rijnpalts en het Maindal fruit, groente en wijn (Fran-
kenweinl). Tabak wordt verbouwd bij Fürth en Neuren-
berg. De verbouwing van hop vooral in het bekken van
Middel-Frankenland gaf aanzien aan de talrijke bier-
brouwerijen. De veeteelt neemt een eerste plaats in
in het Alpengebied en het voorland. Door omzetting
van bouwland in grasland en ontginning der woeste
gronden kon de veestapel zich nog uitbreiden. De
runderteelt is het belangrijkst, dan volgt de varkens-
teelt. Paarden- en schapenteelt gaan achteruit.
Waardevol om hun houtrijkdom zijn de middelge-
bergten. In Fichtelgebergte, Frankenwoud en Jura
overheerschen naaldboomen, Beiersche Woud en
Spessart dragen ook loofwouden.
B. is arm aan delfstoffen. Steenkool wordt
333
Beieren
334
ontgonnen in het Saargebied bij St. Ingbert en in
kleine hoeveelheden ook in de Opper-Palts en Opper-
Franken. Van meer beteekenis is de rijkdom aan
bruinkool (Peissenberg, Penzberg). B. heeft daaren-
tegen wel de waterkracht weten te benutten (14 groote
electr. waterkrachtcentrales). liet voorkomen van
kwarts in het Beiersche Woud heeft een bloeiende
glasindustrie in het leven geroepen. Wereldberoemd
is ook de winning van lithographensteen bij Soln-
hofen. Steenzout wordt bij Berchtesgaden ontgonnen.
Salinen vindt men nog in Traunstein en Rosenheim.
De industrie verwerkt op de eerste plaats producten
van het land. Zoo moeten genoemd worden de berei-
ding van boter en kaas in Allgau, de leerindustrie van
München, Augsburg, Neurenberg, Fürth. Het hout
wordt tot allerlei gebruiksvoorwerpen, voor huis-
houding en bedrijf verwerkt. Om him houtsnijwerk
hebben Berchtesgaden, Oberammergau en Garmisch-
Partenkirchen beteekenis. In Mittenwald worden
violen gemaakt. Neurenberg is bekend om zijn speel-
goedfabrieken. Vermeld werd reeds het beroemde
Beiersche bier; vooral München, Erlangen, Freising,
Ingolstadt, Neurenberg, Augsburg hebben groote
brouwerijen. Tabak wordt verwerkt meest tot pijp- en
pruimtabak. Prachtig spiegelglas leveren Fürth en
Neurenberg. Het voorkomen van kaolien deed porse-
leinindustrie ontstaan (Nymphenburg, Amberg, Hir-
schau); aardewerk leveren Treuchtlingen, Bergzabern,
Opper-Franken. Reeds in de M.E. waren de goud-
smeden van Augsburg en Neurenberg beroemd, terwijl
in lateren tijd ook Fürth en Neurenberg zich op
het gebied der metaalbewerking onderscheidden.
Door de goede verkeerswegen konden ook industrieën,
die hun grondstoffen van elders betrekken, tot bloei
komen, o.a. textiel- en ijzer industrie in München,
Augsburg, Neurenberg en Fürth. Van nog toenemende
beteekenis is ook de chemische industrie; grootste
fabrieken in Neurenberg (ultramarijnfabriek) en
Ludwigshafen (anilinefabriek); kleinere hebben
Schweinfurt, Augsburg, München. Ook het hotel-
bedrijf biedt velen een bestaan, terwijl tevens het
voorkomen van minerale bronnen het ontstaan van
talrijke badplaatsen bevorderde. Te noemen zijn
Alexanderbad, Steben en Kissingen in het Noorden,
Reichenhall, Berchtesgaden, Garmisch-Partenkirchen,
Oberstdorf en Tölz in het Zuiden.
E) Bestuur. B. werd na de revolutie van 1918
een parlementaire democratische republiek. De volks-
vertegenwoordiging bestaat uit één kamer, voor vier
jaar gekozen (1 lid op 128 000 inw.). Kiesrecht hebben
allen boven 20 jaar. Scheiding van Kerk en Staat
bestaat. Het ligt evenwel in de bedoeling der regeering,
de wetgevende bevoegdheid der Duitsche volks-
vertegenwoordigingen om te zetten in een adviseerende,
w'aarbij de differentiatie binnen deze lichamen bepaald
zal worden niet door partij verschillen, maar door
bepaalde sociale groepeeringen.
Wat de kerkelijke indeeling betreft, bestaat B. uit
twee kerkprovincies, het aartsb. München -Freising met
de suffragaan zetels Augsburg, Passau en Regensburg,
en het aartsbisdom Bamberg met de suffragaan -
bisdommen Würzburg, Eichstatt, Spiers. Beieren
telt (1925) 212 dekenaten, 3 261 parochies (zonder
Saarpfalz), 534 rectoraten, 188 nederzettingen van
kloosterorden en congregaties. Grondslag van har-
monische samenwerking tusschen Kerk en Staat is
het Concordaat van 29 Maart 1924 tusschen Beieren
en den H. Stoel. De Protestanten hebben een opper-
consistorie in München; daaronder ressorteeren de
consistories van Ansbach, Bayreuth en Spiers.
Leerplicht bestaat van 6 — 16 jaar. Goed verzorgd
is ook het hooger on-
derwijs. B. heeft drie
universiteiten : Mün-
chen, Würzburg (met
Kath. theologische
faculteit) en Erlan-
gen; 1 technische
hoogeschool in Mün-
chen; 1 landbouw -
hoogeschool in Wei-
henstephan. Philoso-
phisch-theologische
hoogescholen zijn ge-
vestigd in Freising, Passau, Regensburg, Bamberg,
Augsburg, Eichstatt, Villingen, enkel met facul-
teiten in theologie (Kath.) en philosophie (Augsburg
alleen philosophie).
Nationale vlag: wit blauw.
F) Statistisch overzicht.
District
Opp.
in km 2
Bevolking
in 1925
Bevolkings-
dichtheid.
Opper Beieren
16 683
1684 766
101
Neder Beieren
10 745
755 769
70
Rijn palts
(zonder Saargebied)
6 928
931 755
167
Opper-Palts
9 658
629 262
65
Opper-Franken
! 7 514
757 515
101
Middel -Franken
! 7 590
998 386
131
Neder -Franken
1 8 445
762 744
90
Zwaben
j 9 855
859 397
1
87
Gebruik van den bodem: cultuurland 71,8%,
bosch 22,1%, woeste grond 4,8% der totale opper-
vlakte.
Van het cultuurland wordt 62,31% ingenomen door
bouwdand, 37,21% door grasland, 0,48% door wijn-
gaarden.
Aandeel der bevolking aan land- en boschbouw:
43,8%, industrie: 33,7%, handel: 12,6%.
L i t. : A. Döberl, Entwicklungsgesohichte Bayerns
(1916' ; dr. J. Reinde, Bayerische Landeskunde (1920) ;
Haushofer Rothpletz, Bayern’s Hochland und München
(1924) ; J. Kempf, Die Bayerische Heimat (1927). —
Kaarten: Topogr. Atlas von Bayern ; Bayerische
General-Stabskarte (1 : 50 000) ; Süd-West-Deutschland
bis zu den Alpen (1 : 250 000) ; Schuster, Geologische
Uebersichtskarte von Bayern rechts des Rheins
(1 : 250 000), bearbeitet im Topogr. Bureau. Lips.
G) Geschiedenis. Beieren behoorde min of meer
tot de provincies Raetia en Noricum, die in 15 v. Chr.
door Tiberius en Drusus werden opgericht. Tijdens
de volksverhuizing vestigden er zich de Markomannen,
die wegens hun komst uit Bohemen, Ba ju waren of
Bojer w T erden genoemd, w T aaruit de naam B. is ontstaan.
Het eerste stamhuis is dat der Agilolf inger (555 —
788). Reeds in den Rom. tijd w^erd B. tot het Christen-
dom bekeerd, maar het was de H. Bonifatius, die de
vijf bisdommen oprichtte: Salzburg, Passau, Regens-
burg, Freising en Eichstatt. Karei de Groote overwon
Tassilo (757 — 788) en voegde B. bij zijn rijk. Na het
uiteenvallen van het Karolingische rijk herstelde
Arnulf, zoon van markgraaf Luitpold, in 912 het
Wapen van Beieren.
335
Beieren
336
zelfstandig hertogdom. Otto de Groote ontnam het
aan hertog Eberhard en schonk het zijn broer Hendrik
in 947. Diens zoon, Hendrik de Twistzoeker, stond
tegen Otto II op, werd afgezet in 976 en opnieuw
aangesteld in 985. Diens zoon Hendrik werd in 1002
tot keizer gekozen en stierf in 1024 kinderloos. Hij
is later heilig verklaard met zijn echtgenoote Cuni-
gonda. Otto van Nordheim (1061 — ’70) verkreeg het
hertogdom van de regentes Anna, maar, omdat hij in
den investituurstrijd de zijde van den paus koos, werd
het hertogdom hem ontnomen en geschonken aan het
geslacht der Welfen. Hendrik de Trotsche, die zich
als tegencandidaat voor het keizerschap tegen den
gekozen Hohenstauf, Koenraad III, verzette, verloor
in 1139 B. In 1156 schonk Frederik Barbarossa B.
terug aan Hendrik den Leeuw, zoon van Hendrik
den Trotschen, maar toen ook hij opstond, kwam het
hertogdom in 1180 aan den Gibellijn Otto von Wittels-
bach, wiens huis zich tot 1918 in B. wist te handhaven.
In 1214 verwierf Lodewijk I (1183 — 1231) de Rijnpalts,
Lodewijk III van B. (1294 — 1347) versloeg zijn mede-
dinger naar het keizerschap, Ferdinand van Habsburg,
in 1322 bij Ampfing, en breidde zijn huisbezit uit met
Brandenburg in 1323, met Holland, Zeeland en Hene-
gouwen door zijn huwelijk met Margaretha, dochter
van graaf Willem III, met Tirol in 1342. Maar al dit
gewonnene ging spoedig weer verloren: in 1363 kwam
Tirol aan Habsburg, in ’73 Brandenburg aan het huis
Luxemburg en de Ned. gewesten aan Bourgondië
in 1433. Bovendien had Lodewijk door het verdrag
van Pa via in 1329 aan zijn neef Rudolf de Rijnpalts
en Bovenpalts afgestaan. Zijn 6 zonen verdeelden het
erfland, dat na verschillende splitsingen weer in han-
den kwam van Albrecht IV, den Wijzen (1467 — 1508),
die, om nieuwe verbrokkelingen te voorkomen,
in 1506 het eerstgeboorterecht invoerde. Zijn opvolger,
Willem IV (1508 — ’50), is de Contra-Reformist, die
o.a. de universiteit van Ingolstadt aan de Jezuïeten
toewees. Albrecht V (1550 — ’79) zette na eenige
weifeling deze politiek voort en voerde de besluiten
van Trente in B. in. Hijw r as daarnaast verkwistend
en kunstlievend en aan hem dankt München zijn
opkomst als kunststad. Willem V (1579 — ’97) regeerde
in dezelfde lijn en wist het bisdom Keulen voor ca. 200
jaar onder Beierschen invloed te brengen. Na zijn
afstand volgde Maxim iliaan I (1597 — 1651), die de
orde herstelde en als voorzitter der Liga den strijd
aanbond tegen de Prot. Unie. Als belooning verkreeg
hij van den keizer, na de overwinning van den Witten
Berg, de Bovenpalts en de keurstem. In het vervolg
van den 30- jarigen oorlog had zijn land veel te lijden
van de Zweedsche en Fransche troepen. Daarom ijverde
hij voor den vrede, die in 1648 zijn verkregen rechten
erkende. Zoo waren er acht keurvorsten. Maximi-
liaan’s zoon Ferdinand, als stadhouder der Spaansche
Nederlanden, overwinnaar bij Nordlingcn in 1633,
regeerde van 1651 — ’79. In den Spaanschen Successie-
oorlog koos Maximiliaan II Eiiianuel (1679 — 1726),
wiens zoon Ferdinand (f 1699) volgens een deelings-
verdrag koning van Spanje zou geworden zijn, de zijde
van Frankrijk, gelijk ook in vroegere oorlogen het
geval was geweest. Karei Albert (1726 — ’46), gehuwd
met een dochter van Josef I, maakte, na den dood van
Karei VI in 1740, aanspraak op een gedeelte der
Oostenrijksche erflanden en liet zich zelfs tot keizer
kiezen als Karei VII (1742 — ’45). Hij werd gesteund
door Frankrijk, maar een Hongaarsch leger veroverde
B., zoodat zijn zoon Maximiliaan III Josef (1745 — ’77)
in ’45 met Maria Theresia het verdrag van Füssen
sloot, waarbij hij van alle aanspraken afzag. Hij
regeerde als een verlicht despoot en hief in ’73 de orde
der Jezuïeten op. Met hem stierf de rechte linie der
Wittelsbachers uit. Zijn opvolger was Karei Theodoor
van de Palts (1777 — ’99), die de nuntiatuur te München
oprichtte en, zelf kinderloos, niet ongenegen was B.
aan Josef II over te doen. Maar de naaste erfgenaam,
Karei van Palts-Zweibrücken, verzette zich hiertegen
en voerde, geholpen door Frederik den Grooten, den
onbloed igen Beierschen Successie-oorlog (1778— ’79,
Kartoffelkrieg). Bij den vrede van Teschen in 1779
verkreeg Josef het Innviertel. In 1784 bood Josef II
België aan in ruil voor B., maar ditmaal stichtte
Frederik II den Duitschen vorstenbond in 1785,
waardoor Josef van zijn plan moest afzien. Maximi-
iiaan IV Josef (1799 — 1825), zoon van Karei van
Palts-Zweibrücken, nam deel aan den tweeden
Coalitie-oorlog, maar, door Moreau in 1800 bij Uohen-
1 inden verslagen, moest hij in 1801 afstaan aan Frank-
rijk: de Rijnpalts, Zweibrücken en Gulick. Door het
voeren van een Fransch gezinde politiek onder minis-
ter Montgelas breidde B. zich uit, in 1803 met de
bisdommen Würzburg, Bamberg, Freising, Augsburg,
verder nog gedeelten der bisdommen Eichstatt en
Passau, 12 abdijen en 15 rijkssteden. In 1805 aanvaard-
de Maximiliaan den koningstitel en verrijkte zich met
de bisdommen Brixen en Trient, benevens met het
Pruisische Ansbach. Zijn dochter Augusta huwde
met Eugène de Beauharnais. In 1808 werd B. lid van
den Rijnbond, onder verplichting in oorlogstijd
30 000 man te leveren. Naar Fransch model en in
Franschen geest trachtte Montgelas de verschillende
deelen tot een gecentraliseerden eenheidsstaat te
maken, maar zijn anti-kerkelijke politiek leidde tot
den opstand van Tirol, door Oostenrijk ondersteund.
De nederlaag van Oostenrijk in 1809 gaf nieuwe voor-
deelen: Regensburg, Bayreuth, Salzburg en het Inn-
viertel. Binnen 10 jaar was B.’s grondgebied ver-
dubbeld en zijn bevolking van 1 millioen tot ruim
3 millioen gestegen. Na den slag bij Leipzig verliet
B. de Fransche zijde en sloot zich door het verdrag
van Ried in 1812 aan bij de bondgenooten. Generaal
Wrede trachtte het Fransche leger op zijn vlucht tegen
te houden, maar werd bij Hanau verslagen. Bij het
Weener congres gaf B. de Oostenrijksche landen terug
en verkreeg Aschaffenburg en het gedeelte van de
Palts, dat aan den linker Rijnoever ligt. Tevens werd
het lid van den Duitschen Bond. In 1817 kwam een
concordaat tot stand, waarbij de hiërarchie werd
bepaald op twee aartsbisschoppen en zes bisschoppen,
door den koning te benoemen. In 1818 schonk Maximi-
liaan zijn volle een Grondwet, waarbij een volksver-
tegenwoordiging van twee Kamers werd ingesteld.
Lodewijk I (1825 — ’48) verfraaide München met ge-
bouwen in Griekschen stijl en was een der weinige
vorsten, die den opstand der Grieken goedkeurde.
Vandaar dat zijn jongere zoon, Otto, de eerste vorst
van Griekenland werd in 1832. De opstanden in eigen
land in 1830 beteugelde hij met strengheid, de deel-
nemers aan het Hambacherfeest in 1832 werden ge-
straft. In 1833 sloot B. zich aan bij de Preusische
Zollverein. Van 1837 — ’47 was de overtuigde Kath.
Abel de leidende minister. Hij herstelde verschillende
kloosters en eischte zelfs, dat Protestantsche soldaten
geknield eer zouden bewijzen aan het H. Sacrament.
Hij verloor de gunst van Lodewijk, omdat hij weigerde
de Spaansche danseres Lola Montez in den adelstand
337
Beieren — Beiersch
338
te verheffen. De partijstrijd, daarover ontstaan tus-
schen Lolamontanen en Ultra montanen, dwong
Lodewijk in 1848 afstand te doen. Maximiliaan II
(1848— ’64) schafte verschillende verouderde toestan-
den af, bijgestaan door min. K. H. von der Pfordten
(1849 — ’59). Deze weigerde de besluiten van het
Frankforter Parlement te erkennen en bedwong in
1849 een opstand, daarover in de Palts ontstaan, met
behulp van Pmisische troepen. Hij verzette zich met
Oostenrijk tegen de Unieplannen van Pruisen en had
als ideaal voor de inrichting van Duitschland de zgn.
Trias, nl. naast Pruisen en Oostenrijk een bond van
middenstaten, onder leiding van B. In 1866 sloot zich
Lodewijk II (1864— ’86) bij Oostenrijk aan, maar werd
door de Pruisen verslagen. Desondanks werd hij uit
politiek oogpunt genadig behandeld: in oorlogs-
tijd moest zijn leger zich onder Pruisisch opperbevel
stellen. In 1870 was Chlodwig von Hohenlohe-Schil-
lenfürst, van afkomst Katholiek, maar liberaal van
gezindheid, eerste minister. Toen de Kath. de meerder-
heid behaalden, trad hij af. In den oorlog van 1870
streed B. mee o.a. bijWörth en Sedan en stemde 23 Nov.
toe in een verdrag met Pruisen, waarbij het toetrad
tot het Duitsche Rijk, met behoud van zelfstandigheid
op het gebied van diplomatie, leger, post en spoor-
wegen. Met moeite bracht Bismarck den koning er toe,
namens de Duitsche vorsten aan den Pruisischen
koning de Duitsche keizerskroon aan te bieden.
B. begon nog vóór Pruisen met den „Kulturkampf”.
Onder minister Lutz kwam de „Kanselparagraph”
tot stand en werden de Jezuïeten en de Redempto-
risten verjaagd. Lodewijk II zelf was onbekwaam om
te regeeren en bracht door zijn verkwisting en zijn
ongetemde bouwneiging de linanciën in gevaar.
Daarom besloot de ministerraad hem onder curateelc
te stellen van zijn oom Luitpold, omdat ook zijn
broer Otto krankzinnig was. Onder dit regentschap
(1886 — 1912) was de regeer ing genoodzaakt aan het
Centrum, dat meestal in de meerderheid was tot 1914,
verschillende concessies te doen. In 1906 werd recht-
streeksch kiesrecht ingevoerd. In 1912 werd de uitge-
sproken Kath. wijsgeer en staatsman, Freiherr von
Hertling, ministerpresident. In hetzelfde jaar volgde
Lodewijk III zijn vader op, niet als regent, maar als
koning, met voorbijgaan van Otto, die in 1916 over-
leed (Lod. II had zich in 1886 reeds verdronken).
Kroonprins Ruprecht voerde het commando aan het
Westelijk front. In Nov. 1918 brak de revolutie uit
en verklaarde Kurt Eisner, voorzitter der„Arsol”,
het huis Wittelsbach vervallen, waarop Lod. III
13 Nov. afstand deed (f 17 Oct. 1921). Bij de ver-
kiezingen van 1919 ontstond een burgerlijke meerder-
heid, waarvan de Beiersche Volkspartij, die zich
afgescheiden had van het Centrum, de sterkste was.
Toen Eisner in 1919 door graaf Arco werd vermoord,
brak een Communistische revolutie uit, die het gezag
legde in handen van de „arsol”. Dit schrikbewind,
naar Russisch model, duurde van 7 April tot 2 Mei,
waarna Pruisische, Wurttembergsche en Beiersche
troepen de orde herstelden. Een nieuwe grondwet werd
door den Landdag ingevoerd en B. deed afstand
van de vroeger gehandhaafde reservaatrechten omtrent
leger, enz. Tevens werd Coburg bij B. ingelijfd. In
1920 mislukte de Kapp -putsch. De burger lijke partijen
hadden zich bij de verkiezingen van 1920 versterkt
en de „arsolraden” werden door minister von Kahr
ontbonden. In plaats daarvan werd de „Orgesch”
tot handhaving van den toestand opgcricht, doch
deze moest op bevel van de Entente in 1921 ontwapend
worden. Met de Rijksregeering ontstond een geschil
over de invoering der „Ausnahmeverordnung” van
1921 en in 1923 nam dit zulke proporties aan, dat
Kahr, die inmiddels de geheele uitvoerende macht
in B. in handen had gekregen, aan een opmarseb
tegen de regeering in Berlijn dacht. In die omstandig-
heden ondernam Adolf Hitler, bijgestaan door Von
Ludendorff, te München 8 Nov. 1923 zijn ,. nationale
revolutie”, maar Kahr weigerde medewerking en de
„Putsch” werd door de Rijksweer afgeslagen. Met het
aftreden van Kahr in 1924 eindigde het conflict met
het Rijk. Held, leider der Beiersche volkspartij, vormde
in 1924 een ministerie, dat geregelde toestanden schiep
en 29 Maart 1924 een concordaat sloot, waardoor de paus
in het vervolg de bisschoppen benoemt op voordracht
van het kapittel, het voortbestaan der theologische
faculteit aan de universiteiten gewaarborgd wordt,
godsdienstonderricht als leervak in den lesrooster is
opgenomen, en onderwijs door religieuzen is toegestaan.
In 1928 leidden de verkiezingen tot een toename der
socialisten, maar het ministerie Held, steunend op de
B. Volkspartij, de Duitschnationalen en den Boeren-
bond, wist zich te handhaven tot 1933, toen een Rijks-
stadhouder werd aangesteld.
L i t. : Monumenta Boica (1763 — 1910) (49 aln.) :
S. Riezler, G schichte Bayerns bis 1726 (8 dln. 1878 —
1914) ; M. Doeberl, Entwicklungsgesch. Bayerns (3 dln.
München 1906 — ’31) ; voor het tijdperk 1825—1912 :
Revue de questions historiques (1932, 355). Derks.
Beieren, van, naam van meerdere vorstelijke
personen en bisschoppen. Nadere gegevens onder
hun doopnaam, Albrecht, Ernestus, Fernandus,
Jan, etc.
Beierland, of Hoeksche Waard, eiland
in Z. Holland, ingesloten door Haringvliet, Spui,
Oude Maas, Dordsche Kil en Hollandsch Diep.
Opp. ca. 29 000 ha. De bodem van het eiland bestaat
uit vruchtbare zeeklei, vooral voor veeteelt gebruikt,
in verband met de boterbereiding en margarine-
industrie in de omgeving (Vlaardingen, Rotterdam,
Dordrecht). Verder land- en tuinbouw, vooral vlas.
Een groot tramnet verbindt de talrijke dorpen. B.
werd genoemd naar Sabina van Beieren, echtgenoote
van Lamoraal, graaf van Egmond, die B. in de 16e
eeuw liet bedijken. Later slibde dit gebied aan en vorm-
de ten slotte met een deel der vroegere Groote Waard
één complex. Vele oude geulen (Binnen Maas) en een
netwerk van dijken verraden nu nog het ontstaan.
Als overal, liggen ook hier de vroegst ingedijkte
gedeelten het laagst, nl. 1,75 — A. P. bij de Binnen
gedijkte Maas, terwijl de jongste bedijkingen aan
den Zuidkant tot 1 m + A. P. liggen. Een gedeelte
der polders kan dan ook direct op het buitenwater
loozen, vooral in het Westen. Blaauw.
Beiersoh. Het tegenwoordige Beieren omvat een
Zwabisch gedeelte (Augsburg, Ulm) in het W., een
Frankisch (Neurenberg, W ürzburg, Bamberg) in liet
N. en N. O. ; echt Beiersch daarentegen is de Oostelijke
helft van het land en, wat het dialect betreft, geheel
Oostenrijk. De B. zijn in de geschiedenis de opvolgers
der Markomannen, een machtigen Germaanschen
volksstam, die eerst aan de Elbe gevestigd, op het
laatste der le eeuw v. Chr. Bohemen veroverde. Dit
land, toen Bojohaemum genaamd, behoorde aan een
Keltischen stam, de Boji, vandaar de naam „heim
der Boji”. Een verdere verhuizing bracht, na den val
der Romeinsche heerschappij in Z.Germanië, de
339
Beierscke Alpen — Beira
340
Markomannen, nu Beiers geheeten, naar het Donau-
gebied beoosten de Lech. De Lat. naam Baioarii,
uit Germ. Baiwarjoz, zou, naar een vernuftige inter-
retatie in zijn eerste gedeelte aan de boji en aan Bo-
emen herinneren en beteekenen „bewoner van het land
der Boji”. Na de verwoesting van het rijk der Avaren
door Karei den Grooten (791), richtte zich de Beiersche
expansie naar het O., waar zij reeds in de 12e eeuw de
tegenwoordige taalgrenzen van het Duitsch tegenover
Slavisch en Hongaarsch bereikte.
Het Beiersch is een Opperduitsch dialect, geken-
merkt door volkomen doorgevoerde klankverschui-
ving (bijv. paum = boom, lanckh = lang, enz.), af-
wezigheid van Umlaut in vele gevallen (pruck =
brücke, brag, bijv. in den plaatsnaam Innspruck)
alsook door een eigenaardigen woordenschat.
L i t. : Bremer, Ethnographie d. germ. Stamine
(Straatsburg 1900) ; Schatz, Altbair. Grammatik (Göttin-
gen 1907) ; Hoops, Reallexikon d. germ. Altertumskunde
(Straatsburg 1911 vlg., s.v. Baiern).
Beiersche Alpen , deel van de N. Kalk -Alpen,
op de grens van Beieren en Oostenrijk. > Beieren.
Beiersche Huis, ->■ Graven van Holland.
Beigem, gem. in Z. Brabant, ten N.O. van Brus-
sel; opp. 388 ha; ong. 800 inw.; landbouw. De kerk
en 32 huizen van de dorpskom werden in 1914 door de
Duitschers geplunderd en platgebrand; daarbij ver-
dwenen vier merkwaardige schilderstukken uit de
16e eeuw’, van een onbekenden meester, soms genoemd
„de meester van Beigem”. Lindemans.
Bei I en, gem. in de prov. Drente aan den spoorweg
Hoogeveen — Assen: veel natuurschoon door de nieuw
aangelegde bosschen, maar ook prachtige stukken
ongerepte natuur. De gemeente bestaat uit de kom,
Hooghalen, Drijber, Hijken, Wijster, Alting, Beiler-
vaart, Brunsting, Holtke, Klatering, Laaghalen,
Laaghalerveen, Lieving, Makkum, Smalbroek, Spier,
Ter Horst en Tiendeveen. 8 272 inw. (1 Jan. ’32),
waarvan 6 995 Ned. Herv., 1 684 Geref., 265 zonder
kerkelijke gezindte, 47 Kath., 45 Israëliet. Ned. Herv.
kerk en synagoge te Beilen; Geref. kerk te Beilen en
Hooghalen. Opp. 16 577 ha, waarvan sedert den wereld-
oorlog 2 300 ha nieuw in cultuur gebracht zijn.
Middelen van bestaan: landbouw en
veeteelt, meest in gemengd kleinbedrijf. Enkele groote
ontginningen, o.a. de ,, Landmaatschappij Drenthe”
1 000 ha; belangrijke veemarkt; in het Z. van de ge-
meente is tuinbouw in opkomst; industrie * aardappel-
meelfabriek, twee zuivelfabrieken. Van groote betee-
kenis belooft het bedrijf der Vuil-Afvoer-Maatschappij
tusschen Drijber en Wijster te w’orden, waar liet
Haagsche stadsvuil, door speciaal daarvoor ingerichte
treinen, door de modernste machines wordt bew’erkt
tot fijnkorrelige compost voor bemesting der landerijen.
De stichting Beileroord is de eerste kolonie
voor gezinsverpleging van zwakzinnigen in Neder-
land. Ongeveer 150 gezinnen verleenen hiertoe hun
medewerking.
Het dorp Beilen brandde in 1820 nagenoeg geheel
af, waardoor het karakter van Drentsch dorp verloren
ging. Een grafveld van buitengewone beteekenis
werd door den Groningschen archeoloog dr. van Giffen
blootgelegd. Nijenhuis.
Beiler Stroom, Dwingeler Stroom
of Oude Smildervaart, ontstaat onder
Westerbork uit verschillende waterloopen, die het
afstroomingsw’ater uit het midden van Drente ong.
17 k 19 m + A.P. afvoeren. Ook w’ordt door dit riviertje
het overtollige water van het 2e tot en met 4e pand
van het Oranie-kanaal afgevoerd. Keerschutten wor-
den in het voorjaar geplaatst om het water op te stuwen
ter bevloeiing. Te Beilen i3 een keerschut geplaatst
om de Drentsche hoofdvaart te voeden. Nijenhuis.
Beiler Y r aart, verbindt Beilen met de Drent-
sche Hoofdvaart en voert uit den Beiler Stroom zoo
noodig water aan voor het bovenpand van deze vaart.
De B.V. werd in 1790 gegraven, verbeterd in 1845.
Het Linthorst Homankanaal verbindt nu de Beiler
Vaart met de Verlengde Hoogeveensche Vaart.
Nijenhuis.
Bcinum, Eduard van, dirigent. * 3 Sept.
1900 te Arnhem, waar hij reeds op 17 -jarigen leeftijd
als altist w r erkzaam was bij de Arnhemsche Orkest-
Vereeniging. Van 1918— ’22 studeerde hij aan het
conservatorium te Amsterdam piano bij De Pamv en
theorie en compositie bij Bemard Zwecrs en Sem
Dresden. Daarna w T as hij dirigent van de Toonkunst-
afdeelingen te Schiedam en Zutphen. In 1927 werd hij
benoemd tot dirigent van de Haarlemsche Orkest-
Vereeniging, in welke positie hij zeer de aandacht trok
door zijn uitvoeringen van hedendaagsche, w.o. veel
Nederlandsche, werken en zijn streven naar stijlzuivere
uitvoeringen van 18e eeuwsche muziek. Sedert 1931
is v. B. tweede dirigent van het Concertgebouw-Orkest
te Amsterdam. Hanekroot.
Beïnvloeding van de erïelijkc structuur,
> Erfelijke structuur. (Nat. H i s t.). De meeste
moderne genetici nemen aan, dat het mogelijk is de
erfelijke structuur van een levend w r ezen kunstmatig
te wdjzigen. Verandering in het > genotype werd o.a.
te voorschijn geroepen door temperatuurwijziging bijv.
bij Drosophila (door Jollos) en door de inwerking van
radium en röntgenstralen.
Door zaden van een vermoedelijk zuiveren Antirrhi-
num-stam met radium te bestralen, bekwam Stein in
de nakomelingschap sterk afwijkende typen voor blad-
vorm. kleur en groeiwijze; bij verder genetisch onder-
zoek bleken deze storingsverschijnselen wel degelijk
over te erven. Ook Stubbe slaagde er in bij de leeuwen-
bek erfelijk gewijzigde nakomelingen te doen ontstaan
door inwerking op de bloemknoppen van röntgen-
stralen, ultraviolette stralen en temperatuurschom-
melingen. Die nieuwe feiten zijn van groot belang voor
de interpretatie van sommige > evolutie-theorieën.
L i t. : Paula Hertwig, Partielle Keimesschadigungen
durch Radium- und Röntgenstrahlen (Handbuch der
Vererbungswissenschaft III 1927, 130) ; Stein, in Zeit-
schrift für induktive Abstammungs- und Vererbungs-
lehre LXII (1931, 1-13) ; Jollos, ibid. (1932, 15-23).
Dumon.
Beira, landstreek in midden-Portugal tusschen
Taag en Douro; voormalige provincie, omvattend de
districten Aveiro, Castello Branco, Coïmbra, Guarda
en Vizéu; opp. 23 850 km 2 ; 1 600 000 inw. (Kath.).
Bouw. Een duinenrij scheidt talrijke liman ’s en
de groote, op een haf gelijkende Ria de Aveiro van
den Oceaan. Slechts aan de riviermonden konden
kleine havenplaatsen ontstaan. Achter deze, met pijn-
boomen begroeide, typische laaglandkust ligt het
vruchtbare, weinig geaccidenteerde Beiramar. Hierbij
sluit aan Beira Alta (= laag B.), het vochtige heuvel-
land van het midden en N.O., met groote bosschen
(pijnboomen, eiken, kastanjes) en veel natuurschoon
(toeristenverkeer). De steil oprijzende, woeste graniet-
massa der Serra da Estrella (tot 1990 m) scheidt het
van Beira Baixa in het Z.O. In de regenschaduw van
341
Beiroet — Beith
342
het gebergte gelegen en dus droog zijnde, is dit naar
den Taag afhellende, door vele kloven doorsneden
gebied voor exploitatie vrij ongunstig en dun bevolkt.
Bestaansmiddelen. Beiramar en B.
Alta bchooren tot de best gecultiveerde streken van
Portugal, met aanzienlijken landbouw (tarwe, maïs,
veel wijn en fruit, langs de kust toenemenden rijst-
bouw) en veeteelt (runderen, in de bosschen varkens).
Beide zijn vnl. kleinbedrijf. B. Baixa levert olijven
en heeft schapenteelt. Hier overheerscht grootgrond-
bezit . Rondom de Serra da F.strella („witte steen-
kool”) is een beteekenende wol- en papierindustrie.
De exploitatie der delfstoffen (steenkool, koper, voorts
wat zilver, tin, wolfram en arsenicum) is gerin|.
Langs de kust visscherij (sardines, oesters) en bij de
Ria de Aveiro zoutwinning. Verwiel.
Beiroet, de grootste stad van Syrië, aan den voet
van den Libanon (33° 54' N., 35° 32' O.); 130000 inw.
B. is vooral in de 19e eeuw opgekomen. Uitvoer:
zijde, olijfolie, katoen, vijgen, rozijnen, zeep, sponsen.
Gezond klimaat. B. is een apostolisch vicariaat;
bezit een Amerikaansche (1866) en Fransche universi-
teit (1876). Verder St. Josephcollege der Jezuïeten,
waar o.a. de bekende Vlaamsche Oriëntalist Lammens
aan verbonden is. Kath. Arabische drukkerij (al
Matbaa al katoelikijja). Tandradbaan door den Libanon
naar Damaskus en Aleppo. Heere.
B. was vroeger vermaard door haar in de 6e
eeuw n. Chr. tot grooten bloei gekomen rechts-
school. Men onderwees er het Romeinsch recht.
De hoogleeraren schreven verklarende aanteeke-
ningen in het Grieksch (sch oliën) op Rom.
rechtelijke teksten. Bekend zijn: Cyrillus, Doro-
theus, Domninus, Eudoxius. Hoogleeraren uit deze
school werkten mede aan de > codificatie van
Justinianus en oefenden op de samenstelling grooten
invloed uit.
L i t. : P. Collinet, Histoire de 1’Ecole de Droit de
Beyrouth, in : Etudes historiques sur le droit de Justinien
(II Parijs 1925); id., Les preuves directes de 1’influence de
1’enseignement de Beyrouth sur la codification de
Justinien, in : Byzantion (III 1927, 1,15).
Her mesdor /.
Geschiedenis. B. wordt reeds in de Amama-
brieven vermeld als Beroeta. Eerst als kolonie der
Romeinen, die haar naam Laodicea veranderden
(16 v. Chr.) in Colonia Julia Augusta Felix
Berytus, werd zij een belangrijke havenstad met
genoemde rechtshoogeschool. In 551 door een aardbe-
ving geteisterd, kwam zij, hoewel door Justinianus
herbouwd, niet meer tot gelijken bloei. In 635 werd B.
ingenomen door de Muzelmannen, van 1125 tot 1291
was zij bijna steeds in handen der Kruisvaarders.
Eerst in de 19e eeuw werd zij, onder invloed der
koloniseerende mogendheden, de voorn, havenstad
der Syr. kust. Na den Wereldoorlog werd B. hoofdstad
van het Fransche mandaatgebied Libanon. Van haar
oude monumenten is weinig gespaard.
L i t. : Salih Ibn Yahya, Hist. de Beyrouth, publiée
et annotée par lc P. L. Cheikho (Beiroet 1902).
Beisan, > Bethsan.
Beisler , Herman n, ridder van,
Bcicrsch staatsman. * 1790 te Bensheim; f 1859 te
Münchcn. Trad eerst in dienst als officier bij het
Beiersche leger en woonde verschillende veldtochten
in het Napoleontisch tijdvak bij. Na 1815 werkte hij
geruimen tijd bij het ministerie van Buitenlandsche
Zaken te München. Ofschoon de regeering zijn vrij-
zinnige gevoelens afkeurde, werd hij tot „Regierungs-
director” in Opper-Beieren en vervolgens tot „Re-
gierungspraesident” in Neder-Beieren (1838) benoemd.
Minister van Justitie (1847), van Eeredienst en Onder-
wijs (’48). Als afgevaardigde naar de Nationale ver-
gadering te Frankfort (1848) nam hij plaats aan de
rechterzijde, maar bleef toch steeds aan zijn vrijzin-
nige beginselen getrouw. Werd ten slotte president
der Rekenkamer.
Werken: Betrachtungen über Staatsverfassung
und Kriegswesen (18 22 ) ; Betrachtungen über Gemeinde-
verfassung (1831). Lousse.
Beispruchsrcclit. In de rechtsgeschiedenis is
dit een uiting van de medezeggenschap, die aan de
familieleden toekomt, wanneer onroerend goed ver-
vreemd wordt aan personen buiten de familie. De
verklaring van dit recht moet worden gezocht in het
feit, dat men in de te vervreemden goederen zag een
overblijfsel van het familievermogen. Oorspronke-
lijk vormden deze goederen inderdaad het familie-
vermogen. In sommige streken is dit recht, zij
het onder andere benamingen, gehandhaafd tot het
begin der 19e eeuw (invoering v. h. Wetb. v.
Napoleon 1809). Men vergelijke -> Naastingsrecht.
H er mesdor ƒ.
Beissel, S t e p h a n, Jezuïet, kunsthistoricus.
* 1841 te Aken, f 1915 te Valkenburg; vooral werk-
zaam in de studie der godsdienstige en Christelijke
kunst, middeleeuwsche, vooral Duitsche kerkelijke
architectuur en Christ. iconographie.
Voorn, werken: Geschielite der Trierer Kirchen
(2 dln. 2 1888) ; Die Bauführung des Mittelalters ( 2 1889) ;
Gesch. der Verehrung der Heiligen und ihrer Reliquien
in Deutschland wahrend des Mittelalters (1890 — ’92) ;
Bilder aus der Gesch. der altchristlichen Kunst und
Liturgie in Italien (1899) ; Fra Giovanni Angelico da
Fiesole. Sein Leben und seine Werke ( 2 1905).
Bolt, Bet, dialectische nevenvormen van het
klassiek-Arabische bait, gelijkwaardig aan het
Hebr. bet; komt voor in vele Arab. en bijb. plaats-
namen.
Bcit Dzjjibrin (— Huis van Gabriël?), huidige
naam van een plaats in Palestina ten W. van Hebron,
waarsch. verbasterd uit Bethogabra (Bethgabris),
zooals Flavius Josephus een stad noemt in de Rom.
prov. Judea. Deze werd eerst belangrijk in den tijd
der Ptolemeeën en Seleuciden onder den naam Eleu-
theropolis, waarvan de ruïnes zijn teruggevonden in
Teil Sandahannah ten Z.O. van B.D. Meer in de nabij-
heid van het huidige dorp zijn resten van de Rom.
periode en van de bouwwerken der kruisvaarders te
zien. Zeer merkwaardig zijn talrijke uitgestrekte
grotten en begraafplaatsen (columbaria en fresco’s).
Aan de Rom. en Syrische stad is waarsch. op deze
plaats een Oud-Testamentische, Maresa, en een
Grieksche, Marissa, voorafgegaan, waarvan de naam
voortleeft in het nabije Chirbet Meriasj. Simons.
Beitel, gereedschap, meestal bestaande uit een
smal stuk staal, met of zonder handvat, gebruikt bij
de bewerking van hout, metaal of steen om insnij-
dingen, uithollingen enz. te maken.
Beiteleg of schoffeleg is een eg, waarbij de tanden
naar beneden in een schoffel uitloopen.
Beith, industriestad in Schotland, in het graaf-
schap Ayr (55° 46' N., 4° 37' W.); 10 000 inw. Kolen-
mijnen.
Beith , sir John II a y, Engelsch humoristisch
schrijver onder pseudoniem: Tan Ha y. * 1876.
343
Beitin — Beke
344
Studeerde te Cambridge, officier in den oorlog, won
populariteit door humoristische oorlogsschetsen, ge-
riddeïd in 1918.
Werken: een twintigtal romans en bundels ver-
halen ; een tiental tooneelspelen (sommige met mede-
werking van > Wodehouse, P. G.).
Beitin, •> Bethel.
Beit Mirsim (of Teil B. M.), Arab. naam
van een ruïnenheuvel in Zuid -Palestina. Opgravingen
werden daar gedaan vanaf 1926 door een Amer. expe-
ditie (Albright en Kyle). De plaats bleek van ca.
2000 tot ca. 600 v. Chr. bewoond te zijn geweest. Een
der vele strata der ruïne wordt met groote waarschijn-
lijkheid geïdentificeerd met de Isr. stad Dabir (Debir),
in oudere tijden Kariat Sefer (Kirjat Sefer) geheeten.
De opgravingen worden voortgezet.
L i t. : W. F. Albright, The Arch. of Palest. and the
Bible, hfst. II : Unearthing a biblical City (New York-
Chicago. z.d., 63-127) ; idem, The Excavation of Teil
B.M. in Palestine (I, Annual of the Amer. Schools of
Oriental Research., XII 1930 — *31). Simons.
Beits. Onder dezen naam worden verschillende
stoffen samengevat, waarmede vaste stoffen worden
bevochtigd of gedrenkt, om ze te conserveeren, om
aan hun oppervlakte een bepaald aanzien te geven,
ofwel om ze voor een verdere behandeling voor te
bereiden. In de metaaltechniek vinden zuren en loogen
uitgebreide toepassing voor het reinigen der opper-
vlakte. Zoo bijv. bij ijzer alvorens dit te vertinnen of
te verzinken. Verder bij alle metalen en Jegeeringen als
voorbereiding voor de chemische metaalkleuring,
welke bewerking zelf ook vaak als beitsen wordt aange-
duid. Tn de looierij verstaat men onder b. allerlei
stoffen, die de huiden moeten ontkalken voor het
eigenlijke looien. Houtbeitsen zijn doorgaans extrac-
ten van kleurstoffen met ammonia, die voor het kleu-
ren van bout moeten dienen. Ten slotte dienen beitsen
in de ververij en drukkerij om de vezel geschikt te
maken om de kleurstoffen vast te houden. > Alumi-
niumoxyde. v. d. Beek.
Beitsen, stof- en kleurbewerking op vezelstoffen,
metalen, hout, hoorn, huiden, lithographische steen
en glas door middel van zuren en zouten. Te onder-
scheiden: metaalzoutbeits, tannine-, olie-, wasbeits.
Op vezelstoffen, > vczelbeits. Op metalen, steen,
glas, > etsen. Op huiden, > leerbereiding. Op
hout oliebeits en wasbeits; toegepast als bederfwerende
afdekking, kleurbewerking; ook wordt hout in beits-
middelen gedrenkt om de eigenschappen als hardheid
en buigzaamheid te beïnvloeden. Dringt ong. 5 mm
in het hout en wordt op blankgeschaafd hout aange-
bracht. Samenstelling voor houtb.: oplossingen van
teerkleurstoffen ; verfhoutextracten ; metaalzout met
kleurstof, waarbij de werking dezelfde is als op vezel-
stoffen; soms eenvoudig in lijnolie opgeloste chemi-
caliën met siccatief; gele was met ammoniak en kleur-
stof, enz. Houtb. is steeds transparant. De teekening
van het hout blijft zichtbaar. Goed beitsbaar zijn
eiken, mahonie, palissander, minder goed de noest-
rijke houtsoorten als grenen; deze geven onrustige
teekening. Olieb. als creosootolieb. kan zoowel
binnen- als buitenwerks worden toegepast; dof.
Wasb. uitsluitend binnenwerks; halfmat of eiglans.
Beynes .
Bei tskleur stof, kleurstof, die op een vezelstof
geverfd wordt, die met een metaalverbinding, bijv.
van aluminium, chroom of ijzer, is voorbehandeld.
Beja, 1° d i s t r i c t in het Z. van Alemteio
(Portugal).
2° H o o f d s t a d van het gelijknamige district
(38° 2' N., 7° 52' W.); het Romeinsche Pax Iulia;
bisschopsstad; 10 500 inw. (Kath.). De Santo Amaro
is een der vier in Portugal bekende prae-Romaansche
kerken. Het kasteel, van Romeinschen oorsprong,
heeft een zeer merkwaardigen donjon van 1310.
Archeologisch museum.
3° Suffragaan- bisdom van Evora (Portugal),
in 6e eeuw opgericht. Na opheffing in den Moorschen
tijd in 1770 hersteld. Aantal Kath. 156 466 (1927).
Vermei.
Bek, 1° (N a t. H i s t.) wordt dikwijls de mond
van dieren genoemd; vooral wordt hiermede de met
hoornscheden bedekte onder- en bovenkaak der
vogels bedoeld. > Snavel.
2° De, gewoonlijk t.o.v. elkaar beweeglijke, onder-
deden van een werktuig, die de ruimte vormen, waarin
het werkstuk ter bewerking wordt vastgezet. De vlak-
ken der bekken, waartusschen het werkstuk wordt
gegrepen, noemt men de wangen. Bijv. bij een breker
de vlakken , w r aartusschen het materiaal, cokes, erts,
enz., w r ordt gebroken, bij een bankschroef de door de
schroef t.o.v. elkaar verplaatsbare onderdeelen.
3° bij hou tverb inding: verdieping in een w r erkstuk,
waarin een overeenkomstig uitsteeksel of pen van een
bijbehoorend constructiedeel juist past: de werk-
stukkenbekken.
4° De sp leefvorm ige opening vóór den beitel van
een schaaf, waardoor de krul opkomt.
Beka, V Johannes de, > Johannes de
Beka.
2° S i b e r t u s de, > Sibertus de Beka.
Bckaa, E 1, hoogste deel (1 100 m boven zee)
van de inzinking tusschen Libanon en Anti-Libanon
in West-Azië. Het N. is dor, het Z. is besproeid en
vruchtbaar (tarwe, olijf, moerbei). Rivieren: Orontes
naar het N. en Leontes naar het Z.
Bekaden, > Bedijken.
Bekassine, -> Watersnip.
Beke, parochiedorp (1930) in de prov. O. Vlaan-
deren, gelegen ten W. van den weg Gent — Eekloo,
op grondgebieden Zomergem en Waarschoot. 1 150 inw .
Beke, J o o s t van der, genaamd van
Cleve, schilder, f 1541; geboortejaar onbekend;
hij werd in 1511 te Antwerpen in het Lucasgilde opge-
nomen, kwam daar tot hoog aanzien en bleef er tot zijn
dood. Bijna algemeen wordt thans aangenomen, dat
hij identiek is met den zgn. Meester van den Dood
van Maria. Dezen noodnaam had men hem gegeven
naar twee schilderijen met die voorstelling (te Keulen
en München) en het overige w r erk er stijlcritisch om
heen gegroepeerd. Hij was een zeer vruchtbaar mees-
ter, in wiens uitvoerig oeuvre de toenemende invloed
der Renaissance zich duidelijk afspiegelt. Onderwerpen
zijn bijna uitsluitend van religieuzen aard, maar ook
vele portretten (o.a. van Frans I), die tot het beste
zijner kunst behooren. Hoewel niet vrij van invloed
van anderen (vooral van Q. Matsijs en later van de
Italianen, vooral Leonardo) is hij vruchtbaar in het
345
Bekeerling — Bekermos
346
vinden van motieven, heeft zin voor sierlijkheid, die
echter vaak tot overladenheid voert. Zijn koloriet
is delicaat en teer; de geest van zijn werk ademt niet
meer (vooral in latere periode) de oprechte devotie,
maar zweemt wel eens naar het theatrale. Hij werkte
veel samen met Patinier, wiens landschappen hij met
figuren stoffeerde.
L i t. : Friedlander, Alt Niederl. Malerei IX.
Schretlen.
Bekeerling, ook convertiet of proseliet, wordt
iemand, die van overtuiging, gewoonlijk op gods-
dienstig gebied, verandert, genoemd door degenen,
bij wie hij zich aansluit, terwijl de door hem verlaten
groep hem afvallige, renegaat of apostaat noemt;
voor Katholieken zijn dus zij, die later Katholiek
worden, bekeerlingen. In minder eigenlijken zin wordt
ook van bekeerlingen gesproken bij menschen, die
strikter volgens hun godsdienstige opvattingen gaan
leven, of die veranderen van politieke of andere mee-
ningen. Beroemde voorbeelden zijn de H. Augustinus,
de H. Magdalena; uit den tegenwoordigen tijd G. K.
Chesterton en Fred. van Eeden. Bij oudere klooster-
orden dragen de leekebroeders nog den naam conversi,
omdat velen, die zich van een zondig leven bekeerden,
leekebroeder werden om te boeten, doch ook wijl de
nederigheid vaak van bekeering deed spreken, waar
eigenlijk juister gesproken zou zijn van een besluit
tot heiliger leven. In dezen zin wordt in het Mnl.
liet woord b. zeer dikwijls gebruikt. Pauwels.
Bekcgem, gem. in de prov. West- Vlaanderen,
ten Z.O. van Oostende; ca. 1 000 inw., opp. 466 ha.
Vlak landbouwland.
Beken, Lieven van der, ook Torren -
t i u s, was de tweede bisschop van Antwerpen.
Een krachtige figuur in de toenmalige staatkundige
en kerkelijke zaken. Als geschiedkundige, philosoof
en dichter gunstig bekend. * te Gent, f 27 April 1595
te Brussel, vóór de pauselijke bevestiging van zijn
keuze tot aartsbisschop van Mechelen gegeven was.
Valvekens.
Bekende term (w i s k.) heet die term in een
veelterm (of vergelijking), waarin de veranderlijke
(of onbekende) niet optreedt.
Bekendmaking der wet, > Wet.
Bekentenis (N e d. Recht) is een der bewijs-
middelen in het burgerlijk proces. In het algemeen
wordt door den rechter na een b. de vordering zonder
nader bewijs toegewezen. Anders is dit in processen,
waarbij niet alleen het belang der partijen, maar ook
dat van anderen, of de openbare orde betrokken is,
zooals de rechtsvordering tot scheiding van goederen,
tot ontkenning van de wettigheid van een kind e.d.
In processen tot echtscheiding en scheiding van tafel
en bed neemt de rechtspraak in tegenstelling met
gezaghebbende schrijvers de b. als voldoende bewijs
aan. De b. mag niet worden gesplitst, d.w.z. dat de
rechter den samenhang eener b. niet mag verbreken,
en de partij die haar af legde niet raag houden aan een
deel zijner b. Ook een b. buiten een proces afgelegd,
mondeling of schriftelijk, kan in een later proces als
bewijs worden aangevoerd; echter is de rechter dan
geheel vrij in de beoordeeling van de bewijskracht.
Herroeping eener in een proces afgelegde b. is alleen
mogelijk, indien men kan bewijzen, dat men haar in
dwaling omtrent de feiten heeft afgelegd. Witteman .
Voor België, > Bewijsmiddelen.
Beker (( Lat.: bicarium) is in de gebruikskunst
de algemeene naam voor verschillende soorten vaat-
werken, waaruit wordt gedronken. Meestal zijn deze
schaalvormig. > Drinkglas, Kelk, Kroes, Roemer.
Voor beker in de plantkunde, > Beker-
plantachtigen.
Voor beker in de sterrenkunde, > Crater
(sterrenbeeld).
Bekercellcii zijn groote epithiale cellen, die een
slijmerig of vetachtig secreet bevatten. Zij bezitten
een fleschvormige gedaante en worden dikwijls in de
huid of darm zoowel van ongewervelde als gewervelde
dieren aangetroffen. Zij kunnen als ééncellige klieren
worden beschouwd.
Bekergoudsblocm (Dimorphotheca
aurantiaca) behoort tot de familie der samen -
gesteldbloemigen (Compositae) en de onderfamilie
Tubulülorae. Het is een sierplant afkomstig uit
Z. Amerika. Zooals de wetenschappelijke naam aan-
duidt, vindt men in de uitgebloeide bloem zaden van
twee verschillende vormen (^ Lat. duo = twee,
Gr. morphè = vorm, thèkè = doos). Bouman.
Bekerkorst mossen (Cladoniaceeën), een
familie van de Lichenomyceten. Enkele soorten van
het geslacht Cladonia hebben een bekervormig vrucht-
baar gedeelte. > Bekermos.
Bckerkraakbeentjjcs, ook arykraak-
beentjesof arytenoïden (< Gr. aèr =
lucht, Lat. tenere = houden), twee lichte kraakbeen-
tjes, vlak boven het ringvormig kraakbeen van het
strottenhoofd, waaraan de stembanden van achter
vastzitten. Zij doen dienst bij het spannen der stem-
banden. Verder ->■ Strottenhoofd.
Bekerkwallen (Stauromedusen) zijn
de meest eenvoudige vormen van de groep der schijf-
kwallen. Ze bezitten een hooggewelfd scherm met
aan den rand eenvoudig gebouwde tentakels, die
dikwijls aan het einde netelbatterijen dragen ; de
mondbuis is vierzijdig en bezit een kruisvor-
mige opening. Vormen van de fam. der Lucemaridae
zitten meestal met de aborale (tegenover den
mond liggende) zijde aan den bodem vast, terwijl
de meeste vormen van de fam. der Tesseridae
vrij zwemmend zijn.
Bekermos, Cladonia, van de familie der Cla-
doniaceeën, een
korstmos, dat bij
ons veel op zand-
en heidegrond
voorkomt, voor-
al in de soorten
Cladonia
pyxidata,
het groene
b. met donker-
groene vrucht-
schijfjes op den
rand van het be-
kertje, het
vruchtdragend
gedeelte van het
mos en Cla-
donia cor-
n u copo ides,
het rood
bekermos met roode vruchtschijfjes. Bouman •
Bekermos.
347
Bekerplantachtigen— Bekken
348
Bekerplantachtigen, Nepenthaceae,
een familie met
slechts één ge-
slacht, Nepen-
thes, omvatten-
de ongeveer 60
soorten, zijn
klimplanten met
zeer eigenaardi-
ge bladeren. De
steel is eerst
bladachtig ver-
breed en gaat
verder over in
een dunrankend
deel, welke voor
het vasthouden
van het blad en
ook van de plant
dient; de blad-
schijf is omge-
vormd tot een
bekervormig in
den beginne met
een deksel af-
gesloten geheel.
Deksel en beker-
rand hebben
een zoet vocht
afscheidende
klier en de beker
is gedeeltelijk
met vertei ings
sappen gevuld.
Bekerplant (Nepenthes des TUlatoria). gelok^door geur
en kleur, glijden, zoodra zij op den bekerrand gaan
zitten, langs afhangende haren en verdrinken en ver-
teren in den beker. Men vindt deze planten in Z. Azië,
Australië en op de Z. Afrikaansche eil., doch op
Borneo en Sumatra komen zij het meest voor. Verschil-
lende soorten worden in kassen gekweekt. Bouman.
Bekcrsysteem, in het wedstrijdwezen ook wel
afvalsysteem genoemd. Het beoogt deelnemende
ploegen door loting te verdoelen in groepen, waarbij
de verliezers steeds afvallen, de winnaars doorspelen,
totdat er slechts één rest.
Bckcrzwammen zijn verschillende soorten
van het geslacht Peziza, behoorend tot de zakzwam-
men en de familie der Pezizaceeën. Ze hebben den
vorm van min of meer aan den rand omgebogen
of ingesneden kommetjes, die meestal in groepjes
zonder steel uit den grond of boomschors komen.
De sporen bevinden zich in de sporenzakjes, die in
het kraakbeenachtige w r eefsel liggen en in het komme-
tje uitmonden. Voorkomende soorten zijn: Peziza
aurantia, de oranjekleurige b., die 6 — 8 cm
groot wordt; groeit vooral in beukenbosschen, Peziza
scutellata , de schotelvormige bekerzwam,
grootte 1 cm, Peziza Nigrella, de zwarte b.,
Peziza acetabulum, de zwartbruine beker-
zwam, van buiten bleek en met gegaffelde ribben,
groeien in voor- en najaar in loofbosschen van Europa
en Noord -Amerika, eetbaar. Bouman .
Bekescsaba, provinciestad in Hongarije, ca.
50 000 inw. Een Slowaaksch centrum op de Alföld,
waar naast 30 000 Hong. ca. 20 000 Slo waken wonen.
23% Kath., 7% Herv., 62% Luth. Landbouw.
Bekisting van beton, de uit planken bestaande
vorm, waarin het > beton gestampt of gegoten wordt.
Ten aanzien van het wegnemen der b. (o n t k i s -
t i n g) zijn in de Gewapend Beton Voorschriften
(G.B.V. 1930) aanwijzingen gegeven, waaruit blijkt,
dat zij in geen geval mag verwijderd worden alvorens
er vier weken sedert de voltooiing van het betrokken
construct iedeel en één week sedert die van de eventueel
onmiddellijk daarop rustende constructiedeelen zijn
vcrloopcn. Bij gebruik van zgn. snclverhardend cement
kunnen deze termijnen verkort worden. In geval van
vorst moeten de termijnen langer genomen worden.
Bij het ontkisten van vloeren met kolommen moet
eerst de b. van de kolommen worden verwijderd,
zoodat deze aan alle zijden goed zichtbaar zijn.
P. Bongaeris.
Bekken, 1° (d i e r k u n d e), of bekkengordel
(pelvis) komt bij bijna alle gewervelde dieren voor en
dient bij visschen om de buikv innen, bij de tetrapoden
(viervoetigen) om de achterste ledematen te dragen.
Bij vormen, waar door aanpassing aan een bijzondere
levenswijze de achterste ledematen verloren zijn
gegaan, is ook het b. verdwenen of zeer sterk geredu-
ceerd.
Bij visschen, w r aar de vooruitstuwende kracht
bij het zwemmen vooral van den staart uitgaat en de
buikvinnen hieraan slechts een gering of geen aandeel
hebben, vinden wij een geringe ontwikkeling van het b.
Het bestaat bij de haaiachtigen uit een ventrale dwars-
liggende kraakbeenplaat, die bij beenvisschen is
verbeend. Deze plaat is ontstaan uit twee bekken -
helften, die ter weerszijde van het lichaam worden aan-
gelegd en in de buiklinie versmelten. Daar het b.
bij de visschen in tegenstelling met de overige verte-
braten geen verbinding zoekt met de wervelkolom
en slechts los in de spiermassa ligt, vinden wij het
dikwijls zeer ver naar voren geschoven, zoodat het soms
onder, soms zelfs voor den schoudergordel komt te
liggen. Bij de tetrapode dieren en daaronder vooral de
land vormen heeft het b. een veel grootere beteekenis.
Hier zijn het de ledematen, die het lichaam moeten
dragen en voortbewegen en het zijn vooral de achterste
ledematen, die zoowel bij de loopende als springende
beweging de vooruitstuwende kracht moeten leveren.
Overeenkomstig hiermede is het b. krachtig ontwik-
keld en bestaat uit twee helften, die van weerszijde
van het lichaam uitgaan en ventraal in het midden
samenkomen. Elke bekkenhelft bestaat uit drie been-
stukken, die zelfstandig vanuit een eigen verbeen ings-
centrum w r orden aangelegd. Deze drie beenstukken
zijn: het ilium (os ilei) of darmbeen, het ischium (os
ischii) of zitbeen, het pubicum (os pubis) of schaam -
been. Daar, waar deze drie beenstukken elkander
raken, w r ordt de gewrichtskom (acetabulum) gevormd,
waarin de kop van het dijbeen wordt opgenomen.
Onder de amphibieën bezitten de slang-
vormige blindwoelers geen ledematen en daarmede
overeenkomstig ook geen b. Bij de salamanders, die
veelal aan een waterleven zijn aangepast, is het b.
nog vrij zwak en bestaat uit een ventrale dwarsliggende
kraakbeenplaat, waarin door verbeening van <len
achterrand de beide ischia zijn ontstaan. Verbeende
pubica zijn niet voorhanden. Opzij van de kraakbeen-
plaat richten zich de staafvormige ilia dorsaalwaarts
en maken een losse bandverb inding met de ribben
(sacraalribben) van een der laatste rompwervels.
Veel krachtiger is het b. der kikvorschachtigen
ontwikkeld, in verband met hun (springende) beweging
349
Bekkenbeenderen — Bekker
350
op het land. Vooral de ilia zijn zeer lang en ver naar
achteren gericht. Vooraan zitten zij vast aan de krach-
tig ontwikkelde dwarsuitsteeksels van den laatsten
rompwervel en richten zich vanhier, als twee slanke
skeletstukken, parallel met de tot één beenen staaf
(urostyl) vergroeide staartwervels, achterwaarts en
dragen daar als sluitstuk vooreerst het nog kraak-
beenige pars pubica en vervolgens de beide verbeende
en met elkander vergroeide ischia. Bij reptielen,
uitgezonderd slangen en eenige pootlooze hagedissen,
bezit elke bekkenhelft de drie typische beenstukken.
Van de laterale zijde richten zich de pubica en
ischia ventraal en naar het midden, waar hun
eindstukken in de mediaanlijn elkander raken en
door een kraakbeen ige strook (symphyse) met elkan-
der worden verbonden. Doordat de pubica zich schuin
naar voren, de ischia zich schuin naar achteren rich-
ten, ontstaat er tusschen beide één opening (foramen
pubo-ischiadicum) of twee, wanneer door verbreeding
der eindstukken naar elkaar toe in de mediaanlijn
een overbrugging wordt gevormd; de opening wordt
meestal door een membraan gesloten. Van de laterale
zijde richten zich de ilia eenigszins in schuine richting
dorsaalwaarts en verbinden zich met de ribben (sacraal-
ribben) of dwarsuitsteeksels van één, meestal twee
wervels (sacraal- of bekkenwervels).
Bij vogels vertoont het b., in verband met hun
bipeden gang, enkele afwijkingen. Vooral de ilia vallen
sterk op door hunne zeer groote uitbreiding, zoowel
naar voren als naar achteren. Het zijn twee breede en
lange beenplaten, die ter weerszijde van de wervel-
kolom liggen en met een groot aantal wervels (tot 22)
in vaste verbinding treden. De beide ilia leggen zich
met de randen tegen elkaar, zoodat zij als een dak op
de wervelkolom rusten. Door den gang op de twee
achterpooten en de eigenaardige houding van het
lichaam, dat schuin naar voren neigt, komt het zwaar-
tepunt van het lichaam voor het steunpunt te liggen
en levert, voor den vogel het gevaar naar voren om te
slaan. Dit wordt nu ondervangen door de groote
uitbreiding en verbinding van de ilia met de wervel-
kolom, waardoor het draaipunt naar voren wordt
verlegd. Zoowel pubica als ischia zijn bij de vogels
veel zwakker ontwikkeld. Deze beide beenderen
richten zich hier niet naar de ventrale mediaanlijn,
maar buigen zich, aan elkander parallel, sterk achter-
waarts. De beide bekkenhelften vormen derhalve
ventraal geen verbinding; men noemt dit b. open.
Dit staat in verband met de grootte der eieren, die
een gesloten b., zooals bij de reptielen, niet zouden
kunnen passeeren. Het is opmerkelijk, dat struisen,
waarvan de eieren relatief klein zijn, een gesloten b.
bezitten.
Bij zoogdieren toont het b. veel overeen-
komst met dat der reptielen. De beide pubica komen
ventraal in de mediaanlijn samen en bezitten een kraak-
beenige symphyse; daarentegen blijven de ischia van
elkander gescheiden. De ilia vormen tamelijk lange
beenplaten en verbinden zich met drie tot vijf sacraal-
wervels van de wervelkolom. Daar deze wervels
met elkander vergroeien, vat men ze meestal samen
onder den naam van „os sacrum” (heiligbeen).
Willems.
Het menschel ij k bekken bestaat uit drie
deelen: het heiligbeen en de beide heupbeenderen.
Deze drie deelen zijn onderling door gewrichten met
elkaar verbonden, waarin zeer weinig beweeglijkheid
bestaat. Het bekken rust op de onderste ledematen
en het draagt de wervelkolom; in het bekken zijn bij
den mensch de inwendige geslachtsorganen gelegen,
Vrouwelijk bekken.
die door het bekken tegen beschadiging van buiten
grootendeels beschut worden. > Bekkenwervels.
A. v. Rooy.
2° In de oceanographie. Bekkens of
zeebekkens noemt men de verdiepingen van de diepzee
van eenige (soms groote) uitgestrektheid, waarvan de
diepere waterlagen niet of slechts in geringe mate in
horizontale gemeenschap staan met die van het andere
gedeelte der zee (bijv. Banda-zee en Flores-zee).
Wissmann.
Het Roode Bekken, naam door Von Richthofen
gegeven aan een inzinking, omgeven door hooge
bergen, in de Chineesche provincie Sz-tsjwan (30° N.,
107° O.). De rivier de Jang-tse-kiang doorbreekt
de Secundaire en Tertiaire mergel en klei; vruchtbaar
gebied, geschikt voor rijst, mits er gezorgd wordt
voor bevloeiing. De regen valt vooral in den zomer,
daarom is het klimaat drukkend (ca. 26°C). Opp. van
het geheele gebied is achtmaal Nederland, maar de
eigenlijke vlakte bij Tsjeng-toe is veel kleiner.
L i t. : J. Sion, Asie des Moussons (Parijs 1928, 109) ;
E. C. Abendanon, Overzicht der geogr. enz. van het
Roode Bekken, in Tijdschr. Kon. Aardr. Gen. (1908).
Heere .
Bekkenbeenderen, > Bekken.
Bekkenbreuk, opheffing van den normalen
samenhang der beenige deelen van het bekken, in
den regel door zwaar trauma, niet zelden gecompli-
ceerd door verwonding van naburige organen als
blaas, darm, urethra. Behandeling bestaat in lang-
durige absolute rust en verzorging der complicaties.
Krekel .
Bckkenflordel, > Bekken.
Bekkenwervels of heiligbeen wervels worden de
wervels genoemd, waardoor het bekken met de wervel-
kolom is verbonden. Meestal kenmerken zij zich door
een zeer krachtigen bouw en groote dwarsuitsteeksels,
die een vaste verbinding vormen met de ilia van den
bekkengordel. Het aantal is gewoonlijk bij de amphi-
bieën één, bij de reptielen twee, bij de vogels 9—22,
bij de zoogdieren 3 — 5. Bij vogels en zoogdieren zijn zij
met elkander vergroeid en vormen daardoor het zgn.
heiligbeen of os sacrum. > Bekken (1°). Willems.
Bekker, 1° G. J. B., Duitsch geleerde, * 1792
in Baden, die te Leuven onder het Hollandsch be-
wind, van 1817 tot 1834, daarna te Luik van 1834
tot aan zijn dood in 1837 den leerstoel in klassieke talen
en literatuur bekleedde. B. liet weinig werken na
351
Bekkerzeel — Bekoe-negers .
352
(o.m. een studie over het Leven van Apollonius door
Philostratus, een uitgave der Odysseia en van Isocra-
tes’ ad Demonicum), maar vormde een nieuwe gene-
ratie van klassieke philologen, w.o. Baguet en Roulez.
2° I m m a n u e 1, klassiek philoloog; * 1785 te
Berlijn, f 1871 aldaar. Hoogleeraar bij de in 1810 ge-
stichte Berlijner Academie. Vermaard om zijn zwijg-
zaamheid en vooral zijn reusachtige bedrijvigheid op
tekstcritisch gebied: hij onderzocht meer dan 400
Grieksche handschriften cn gaf ca. 60 deelen teksten
uit, w.o. Plato in 8 dln., 25 dln. van het Corpus
Historicorum Byzantinorum, 3 dln. Anecdota Graeca,
de editio princeps van Apollonius Dyscolus (De Pro-
nomine), de groote Ar istoteles -uitgave (4 dln. 1831 —
1836), zijn standaardwerk. V. Pottelbergh.
3° Paul, muziekcriticus en theaterintendant,
* 11 Sept. 1882 te Berlijn; publiceerde een reeks op-
zienbare boeken op muziekhistorisch gebied, waaraan
een persoonlijke aesthetiek ten grondslag ligt, die naar
veler meening sterk op „Einfühlung” gebaseerd is.
Werken: Beethoven (1911) ; Das deutsche Musik-
leben (1916) ; Die Sinfonien Gustav Mahlcrs (1921, zeer
belangrijk) ; Richard Wagner, Das Leben im Werke
(1924); Musikgeschichte als Geschichte der musika-
lischen Formwandlungen (1926). Kleinere studies: Die
Sinfonie von Beethoven bis Mahler (1918, belangrijk,
hoewel aanvechtbaar); Franz Schreker (1919), en vele
andere. B. geldt als een der invloedrijkste voorvechters
der nieuwe muziek. Reeser.
Bekkerzeel, gem. in Z. Brabant, ten N.O. van
Brussel; ong. 400 inw.; opp. 155 ha; landbouw.
Bekke voort, gem. in Belg. Brabant, ten Z. van
Diest; 2 500 inw. (Kath.); opp. 1 982 ha; landbouw
en veeteelt.
Bekkum, gehucht in de prov. Overijsel, behooren-
de tot de gem. Hengeloo.
Beklaagde. De term voor > verdachte in het
vroeger Ned. Wetboek van Strafvordering vóór 1926.
In België wordt een onderscheid gemaakt tusschen den
„verdachte” en den „beklaagde” of „beschuldigde”
naar gelang het vooronderzoek al dan niet is afge-
sloten: de beklaagde is hij, die naar de politierecht-
bank of de correct ionneele rechtbank, de beschuldigde
hij, die naar het Hof van Assisen wordt verwezen.
Beklag. In België is het recht van beklag
nauwkeurig omschreven in art. 101 vlg. van het
Tuchtreglement. Elk militair, die meent verongelijkt
te zijn door een hem opgelegde tuchtstraf, kan in
beroep gaan bij de hiërarchische meerderen van den
overste, die den disciplinairen maatregel trof. Deze
meerderen kunnen de tuchtstraf opheffen, wijzigen of
bekrachtigen. Het nemen van de eindbeslissing be-
hoort evenwel in geen geval tot de bevoegdheid van
een rechtscollege. De straffen of tuchtmaatregelen
worden geschorst vanaf het oogenblik, dat het beklag
is ingediend. Wordt het ongegrond bevonden, dan
geeft dit aanleiding tot strenge bestraffing.
V. Coppenolle.
Inde militaire rechtspraak is beklag
een recht, toekomend aan den militair, aan wien door
den meerdere een krijgstuchte lijke straf is opgelegd.
Men vindt het geregeld in de art. 61 — 68 van de Wet
op de Krijgstucht , welke regeling tegenover de zeer
vérgaande bevoegdheid, waarover de militaire auto-
riteit met betrekking tot het opleggen van discipli-
naire straffen beschikt, wel noodzakelijk was. Beklag
(of reclame) geschiedt bij den tot straffen bevoegden
meerdere, onder wiens rechtstreeksch bevel de straf -
oplegger gesteld is; wordt het geheel of gedeeltelijk
ongegrond bevonden, dan is de gestrafte bevoegd, de
eindbeslissing van het Hoog Militair Gerechtshof in te
roepen. Het beklag schorst de uitvoering of de verdere
uitvoering der straf niet, behoudens uitzonderingen.
Den strafoplegger is geen recht van beroep toegekend;
wanneer hij zich bezwaard acht, wijst art. 71 der Wet
op de Krijgstucht hem den weg zich te rechtvaardigen.
E. Lamers.
Bekieeden, het bedekken of beschermen van
grond, bouwwerk, enz., zoowel ter beschutting en
tegen verzakking als voor andere doeleinden, o.a. ter
versiering. Voor bekleeding kunnen verschillende
materialen dienst doen, als: ijzer, steen, hout, rijs-
hout, klei (> Bekleien).
Bekleedingsmuur, in het algemeen een muur,
welke dient tot keering van grond. Men onderscheidt
de b. in: steunmuren, als bescherming tegen afschui-
ving, kaai-, kolk- en walmuren, de eerste bij aanleg-
plaatsen van schepen, de tweede bij sluizen, de laatste
langs grachten enz.
De b. worden zoodanig gefundeerd, eventueel ver-
ankerd en van zoodanige zwaarte gemaakt, dat zij
onder den invloed van den gronddruk niet kunnen
kantelen of naar voren schuiven, noch scheuren of
breken. Ter verhooging van de stabiliteit kunnen de
b. aan de achterzijde worden voorzien van beeren
(contreforten) en voorts wordt ook wel de fundeering
naar achteren verlengd, waardoor ten deele de grond-
druk door dat gedeelte der fundeering wordt opge-
vangen en bovendien de daarop rustende grondlast
de stabiliteit vergroot. B. worden veelal onderheid
of op een zandstorting gefundeerd. > Beschoeiing.
P. Bongaerts.
Bekleien, het opbrengen van een laag klei of
ander materiaal (terpaardc, wierdegras, zeeslib) ter
verbetering van den bodem en ter bevordering van den
plantengroei.
Beklemde breuk » Breuk.
Beklemrecht (Ned. Recht), geheel van
regels betreffende het recht van beklemming. Dit
laatste is een zakelijk gebruiksrecht, toekomend aan
een bepaald persoon (meier) ten aanzien van eens
anders grond tegen betaling van een jaarlijksche ver-
goeding (huur). Het recht van beklemming brengt
tevens mee, dat de meier de bevoegdheid heeft op den
grond van den bloot-eigenaar een gebouw of beplan-
tingen te hebben. De grond van den bloot-eigenaar
staat „beklemd” onder het gebouw, enz. van den
meier. Verg. art. 1654 Ned. B.W.
L i t. : A. S. de Blécourt, Beklemrecht en Stadsmeier-
recht^ idem, Kort Begrip (4c dr., 224 vlg.) ; H. O. Feitk,
Het Groninger Beklemrecht (1828 — 1837) ; C. H. Gockin-
ga, Vererving van het recht van beklemming (in : Nw.
Bijdr. Rechtsg. en Wetgev., 1877, 249-286) ; R. P.
Cleveringa (in T. v. Rg., X, 321 vlg.) ; E. Heringa (in
W.P.N.R., 3264-3266). üermesdorf.
Beklimming (Belgisch Recht), ook
inklimming genoemd, is een verzwarende omstandig-
heid van diefstal. Onder b. verstaat de Belgische wet
elk binnenkomen in huizen, gebouwen, binnenplaat-
sen, neerhoven, bouwwerken van welken aard ook,
tuinen, perken, besloten erven, over muren, deuren,
daken of over elke andere soort afsluiting; het binnen-
komen langs een andere ondergrondsche opening dan
die, welke gemaakt is om tot ingang te dienen (art. 468
van het Strafwetboek). Collin.
Bekoe-negers — Moes ing a-negers =
353
Bekoring
354
M a t o e a r i-negers. > Boschnegers (aan de Sa -
ramacca-rivier).
Bokoring. Zoo noemt de theologische taal een
aanlokking tot zonde. Ze kan louter u i t e r 1 ij k
zijn, zooals de bekoring van Christus in de woestijn,
nl. zonder eenige inwendige neiging tot kwaad: een
innerlij ke bekoring bestaat juist in dergelijke
neiging. Uitwendige omstandigheden, eigen onvoor-
zichtigheid, andere menschen, soms ook de duivel
in werkende op verbeelding en gemoed en niet zelden
het kwaad voorstellende onder schijn van goed (sub
specie boni; zie Ignatius’ Geestelijke Oefeningen, de
discretione spirituum), geven aanleiding tot innerlijke
bekoring; maar de gewone oorzaak daarvan is *s men-
schen natuur, sedert de erfzonde onevenwichtig tot
het genot geneigd door de drievoudige ->• begeerlijk-
heid (Jac. 1.13—16).
Bekoring is nog geen zonde, daar deze slechts for-
meel ontstaat uit de vrije toestemming van den wil.
Men kan heelemaal vrij van schuld blijven, al is de
neiging tot het kwaad zeer levendig, al komt ze her-
haaldelijk terug, al blijft ze langen tijd aanhouden.
Doch indien men nalatig is in liet verdrijven eener
gevaarlijke gedachte of begeerte, kan van een halve
toestemming en bijgevolg van eene dagelijksche zonde
sprake zijn. Doodelijke schuld ontstaat inwendig als,
bij voldoende inzicht van de zwaarwichtigheid der
stof, de bekoorde gansch vrijwillig genoegen schept
in zondige gedachten of begeerten, tegen het geloof,
de liefde, de kuischheid enz.
God bedoelt en veroorzaakt de bekoringen niet:
dat ware on vereen igbaar met zijne oneindige heilig-
heid. Hij geeft aan wie bidt (Mt. 6.13) en voorzichtig
is, voldoende genaden om ze te boven te komen. Maar
dikwijls verhindert Hij ze niet, en wel omdat ze kun-
nen dienen tot geestelijk voordeel, zelfkennis, nederig-
heid enz.; ook baart de overwinning verdienste en ver-
sterkt de deugd. Talrijke en hevige bekoringen zijn
op zichzelf geen slecht teeken voor de heiligheid der
ziel. Men hoeft er zich niet over te bedroeven noch
te verontrusten, als men maar, kalm en vastberaden,
en met vertrouwen op de genade Gods, in den geeste-
lijken strijd een goede methode volgt: edelmoedig de
gevaarlijke gelegenheden vermijden, den biechtvader
raadplegen, bidden, vooral door een schietgebed op
het oogenblik der bekoring, dadelijk de slechte neiging
verdrijven. Stellig en geweldig daartegen ingaan is
niet altijd noodig, noch zelfs aanbevelenswaard ig.
Salsmans.
De Bekoring van Christus w T ordt verhaald door
de Synoptici (Mt. 4.1-11; Mc. 1.12-14; Lc. 4.1-13),
van wie Mt. waarschijnlijk de chronologische volgorde
heeft. Eerst zocht Satan Christus te verleiden steenen
in brood te veranderen en den honger te stillen, dus
zijn wondermacht aan te wenden om te voorzien in
eigen behoeften; vervolgens voerde hij Christus naar
de tinne des tempels, trachtte Hem te bewegen er af
te springen: als Hij Gods Zoon w r as zouden immers
volgens de H. Schrift (vgl. Ps. 90, vs. 11 en 12) de
engelen zorgen, dat zijn voet tegen geen steen zou
stooten. Hij trachtte dus Christus te bewegen tot een
ijdel pronken met zijn Messiaansche macht, buiten
beschikking van den Hemelschen Vader om. Ten
slotte toonde Satan aan Christus alle rijken der wereld
met hun glorie en zeide: Dit alles zal ik U geven als
Ge nedervalt en mij aanbidt.
De duivel kwam in zichtbare gedaante tot Christus;
had geen volkomen kennis van de goddelijke natuur
van Christus, want dan had hij de bekoring niet kun-
nen ondernemen; bedoelde te doorgronden of Christus
werkelijk Gods Zoon was.
De mogelijkheid der bekoring lag in Christus*
menschelijke natuur. De bekoring kwam echter niet
uit het innerlijke van Christus voort; kon er niet uit
voortkomen. Satan kon alleen, onder toelating van
Christus, een louter uiterlijken invloed, de influistering
(suggestio), uitoefenen zonder dat deze influistering
eenigen invloed op het innerlijke van Christus had
of kon hebben.
Ofschoon Christus nooit zondigde, niet kon zondigen,
had Hij toch de volledige vrijheid van den mensche-
lijken wil — zonde of mogelijkheid te zondigen be-
hoort immers niet tot het wezen der geschapen vrij-
heid — en dus de volledige verdienste van het weer-
staan aan de bekoring.
Het historisch karakter der bekoring valt niet te
ontkennen; ze wmrdt weergegeven als plaats vindend
in tijd en ruimte, als een uiterlijk gebeuren. Volgens
Mc. 1.13 (Lc.4.2) werd Christus bekoord gedurende
de 40 dagen, welke Hij in de woestijn doorbracht,
zoodat de drie bekoringen, bij Mt. en Lc. verhaald,
de drie laatste aanvallen zijn. Daarna verliet de duivel
Christus „usque ad tempus” (Lc.4.13), waarmee Lc.
waarschijnlijk zinspeelt op den tijd van Christus’
lijden (Lc. 22.53).
Bekoring van Christus. Houtsnede van
Christoph van Sichem
De eerste bekoring van Christus. A. Doop van Christus.
B. Christus gaat naar de woestijn. C. De berg, waar hij
heeft gebeden en gevast. D. Jesus zit na het vasten aan
den voet van den berg. E. De dieren zijn Zijn gezelschap.
F. De vorst der duivelen nadert om Hem te bekoren.
G. De hemel aanschouwt den strijd van den duivel
tegen Jesus.
iv. ia
355
Bekrachtiging
356
In de oud-Christelijke kunst wordt de bekoring
van Christus niet voorgesteld. Volgens Ermoldus
Nigellus moet er een voorstelling in het paleis van
Lodewijk den Vromen te Ingelheim bestaan hebben.
In het algemeen kunnen we twee vormen onderschei-
den: 1° de drie bekoringen te zamen, of elk afzonderlijk
in verband voorgesteld: zoo het handschrift van keizer
Otto in den Dom van Aken (School v. Reichenau, 10e
eeuw), de mozaïeken van Monreale en de S.Marcote
Venetië, het Albana-psalterium met drie aparte voor-
stellingen: de duivel verschijnt voor Christus met
steenen in zijn hand, hij wil Christus van het dak van
een huis naar beneden stooten, hij staat met Hem
op een berg, tusschen hen in liggen kronen en munten;
het Speculum Humanae Salvationis met voorafbeel-
dingen: Daniël velt den draak, David overwint Goliath
en doodt beer en leeuw; Botticelli (Sixtijnsche Kapel
te Rome), waar de duivel monnikspij draagt en staf
en rozenkrans in de handen houdt (Nederl. Primi-
tieven: Joos van Calcar, Corn. v. Oostzanen); 2° één
bekoring (niet zelden vermenging der drie: Breslau,
Graduale): fresco in S. Angelo in Formis; beeldhouw-
werk in Beaulieu, Saint-Nectaire, Notre-Dame du
Port (Auvergne), Fransche kathedralen; fresco in
Brinay (Cher): Christus tusschen twee duivels; Fra
Angelico (Florence, S. Marco), Perugino (Vaticaan),
Ghiberti(deurv. Baptisterium, Florence): Christus wijst
duivel af, Engelen komen om Hem te dienen. Knipping.
De tweede en derde bekoring van Christus. A. De
duivel draagt Jesus door de lucht naar den tempel. B. De
tempel van Jerusalem. C. en D. De duivel en Jesus op de
tinne van den tempel. E. De duivel voert Jesus op een
hoogen berg. F., G. en H. De derde bekoring : De duivel
belooft Jesus alle schatten der aarde als Hij nedervalt
en hem aanbidt. I. De duivelen vluchten voor Jesus’
Aanschijn. K. Lofzingende engelen.
De engelen naderen om Christus te dienen. A. De
Engelen brengen Christus spijzen uit den hemel. B. De
berg Nebo. C. De engelen dienen Jesus.
Bekrachtiging (techniek), excitatie
of opwekking is de magnetisatie van een
elcctromagneet door middel van een electrischen
stroom (bekrachtigings-, excitatie-, magneet-, magne-
tiseerende stroom). In het bijzonder de magnetisatie
eener electrische machine (veldbekrachtiging, veld-
stroom, magneetstroom).
Wordt de magneetstroom door de machine zelf
geleverd, dan heet deze: machine met zelf bekrachti-
ging; is dit niet het geval, dan wordt zij afzonder-
lijk, onafhankelijk bekrachtigde machine genoemd.
De machine of de accumulatorenbatterij, die dan
den veldstroom levert, heet bekrachtigingsdynamo,
-generator, excitatie-dynamo, opwekdynamo, veld-
dynamo, of bekrachtigingsbatterij, veldbatterij .
v. d. WelL
Bekrachtiging (N e d. R e c h t), de wils-
verklaring, uitdrukkelijk of stilzwijgend, waarbij
men goedkeurt de handeling, welke een ander zonder
volmacht in zijn naam heeft verricht (vgl. art. 1421,
1693, 1844 B.W.; Fr.: ratification, Duitsch: Genehmi-
gung), of afziet van de inroeping van de nietigheid
eener handeling (Fr.: confirmation, Duitsch: Besta ti-
gung; > Bevestiging). Degene, voor wien een onbe-
voegde heeft gehandeld, ontleent aan die handeling
eerst rechten en verplichtingen ingevolge de b.;
ondanks het stilzwijgen der wet wordt, naar Rome in -
sche traditie, aangenomen, dat de b. terugwerkt
(ratihabitio man dato aequiparatur), met dien verstan-
de, sedert de middeleeuwen, dat rechten door derden
te goeder trouw verkregen, zooals het eigendom
357
Bekrachtiging der Wet — Bel
358
tusschentijds door den eigenaar zelf overgedragen,
moeten worden geëerbiedigd. Eventueele vormvoor-
schriften gelden evenzeer voor de b. als voor de vol-
macht. Petit
De bekrachtiging in het Belg. Recht. De uit-
drukkelijke of stilzwijgende bekrachtiging (confir-
mation) van een vernietigbare handeling maakt die
handeling onaantastbaar, zoodat deze, van haar ont-
staan af, al haar gevolgen zal hebben. Voorbehouden
zijn nochtans de rechten van derden (art. 1338 B.W.).
Een handeling, die, zonder volmacht, voor iemand
werd verricht, verbindt dengene, wiens zaak werd
waargenomen, ingeval hij ze bekrachtigt (ratification),
doch ook, zonder bekrachtiging, ingeval hij daaruit
voordeel heeft gehaald, in de mate van dat voordeel
(art. 1375 en 1998 B.W.). F. Dievoet
Bekrachtiging der Wet, > Wet.
Bekrammen, het aanbrengen van > kram-
matten op een dijksbeloop. > Dijken.
Bekrassing van gesteente vindt voornamelijk
plaats, indien een gletsjer over zijn rotsbedding
voortschuift. In het gletsjerijs zijn nl. altijd steenen
ingevroren, die bijv. langs steenslagbanen in de rand-
kloof zijn terechtgekomen en dan door den gletsjer
vervoerd worden. Deze steenen nu veroorzaken krassen
in de rotsbedding en kunnen den natuurvorscher later
belangrijke aanduidingen geven over de bewegings-
richting van het ijs. Is het reliëf van de bedding geac-
cidenteerd, en bestaat zij uit harde gesteenten, dan
kunnen de steenen in den gletsjer zelf ook bekrast
worden. Bijna elke grondmoreene bevat gekraste
steenen; zoo bijv. ook de keileem in Nederland.
Hofsteenge.
Bektasjji, derwisj-orde, genoemd naar de Mo-
hammedaansche heilige Bektasj, doch niet door hem
gesticht. Zij is met zekerheid vanaf de 16e eeuw bekend
en vooral in Klein-Azië verbreid. Het is de meest
heterodoxe der derwisj -orden en hoewel ze zich als
Soennieten beschouwen, zijn het extreme Sjiieten.
Vele Christelijke, gnostische en heidensche elementen
zijn in hun leer aan te wijzen; de eerste, waartoe be-
hooren een soort drievuldigheid (Allah, Mohammed en
Ali), avondmaal met wijn en brood, biecht en celibaat,
doen vermoeden, dat het oorspronkelijk min of meer
geïslamiseerde Christenen zijn. Als veldpredikers der
Janitsjaren hadden zij politieke beteekenis.
L i t. : G. Jacob, Die Bektaschijjo in ihrem Verhaltni 9
zu verwandten Erscheinungen, in Abhandl. d. K. Bayer.
Akad. d. Wissens (1909). Zoetmulder .
Bekwaamheid (psychotechnisch) is
een dispositie voor physische en psycho-physische
functies, vnl. op zintuiglijk gebied. B. wordt ook
gebruikt voor verworven vaardigheid betreffende
physische en psycho-physische functies.
Bekwaamheid (N e d. Recht). Ieder is bevoegd
tot het genot van burgerlijke rechten (art. 2 B.W.)
en in het algemeen ook tot de zelfstandige uitoefening
dier rechten bekwaam; van deze bekwaamheid zijn
echter bepaalde groepen van personen: minderjarigen,
onder curateele gestelden en in een krankzinnigen-
gesticht verpleegden, gehuwde vrouwen bij de wet
uitgesloten (art. 163 vlg., 500 vlg., 1092, 1366, 1482
vlg., 1721, 1835), althans voor zooveel betreft die
handelingen, welker rechtsgevolgen hun ontstaan
danken aan het feit, dat de handelingen op dat ont-
staan waren gericht; tegen die rechtsgevolgen van een
toestemming, w T elke niet als volwaardig wordt aan-
gemerkt, kunnen deze „personea miserabiles” door
een rechtsvordering worden hersteld. De onbekwaam-
heid bestaat dus alleen voor rechtshandelingen, doch
niet eens voor alle: de gehuwde vrouw is slechts onbe-
kwaam tot die, welke naar hun aard vermogens-
rechtelijke gevolgen hebben en waarbij haar eigen
vermogen is betrokken, voorts tot processueele hande-
lingen; met name kan ook de minderjarige van 18
resp. 19 jaar testamenten maken en kinderen erken-
nen. In het gebrek aan bekwaamheid wordt voorzien
door de wettelijke vertegenwoordiging, althans voor-
zoover deze reikt (niet ten aanzien van testamenten
van krankzinnigen, onder curateele gestelden of ge-
stichtsverpleegden); de gehuwde vrouw kan ook zelf
handelen, met bijstand of machtiging; iets dergelijks
kan gelden bij handlichting (art. 479 B.W.). De
krankzinnige als zoodanig, de beschonkene e. d. zijn
slechts onbekwaam in feitelijken zin; hun ontbreekt
het vermogen tot toestemming (vgl. art. 942 B.W.).
Petit.
Bekwaamheid (Belgisch Recht). De
rechtswetenschap onderscheidt rechtsbevoegdheid en
rechtsbekwaamheid. De rechtsbevoegdheid wijst op
de mogelijkheid om rechten te bezitten, en behoort
toe aan iedereen, behalve enkele uitzonderingen, speci-
aal op het gebied van het publiek recht (stemrecht,
verkiesbaarheid, enz.). De rechtsbekwaamheid bedoelt
de mogelijkheid om zijn rechten zelfstandig uit te
oefenen. Ook de bekwaamheid geldt als regel: de on-
bekwaamheid onderstelt een door de wet bepaalde
uitzondering (art. 1123 B.W.).
Onbekwaam zijn, krachtens het B.W.: de minder-
jarigen, d.i. de personen, die den leeftijd van 21 jaar
niet hebben bereikt, de uit de uitoefening van hun
rechten ontzette personen, de gehuwde vrouwen en
sommige andere personen. De minderjarige, zoolang
hij niet ontvoogd is, wordt vertegenwoordigd door zijn
vader of zijn voogd; de ontvoogde minderjarige treedt
zelf handelend op, moet echter meestal zijn bijgestaan
door zijn curator. Ontzetting is ófwel wettelijk ófwel
gerechtelijk: de gerechtelijke ontzetting kan worden
uitgesproken tegen krankzinnigen, en heeft tot gevolg,
dat de uit zijn rechten ontzette persoon door een
voogd wordt vertegenwoordigd, zooals de minder-
jarige; de wette lijke ontzetting is een bijkomende
straf, die wordt opgelegd wegens misdaad (art. 21 — 24
S.W.B.). De gehuwde vrouw is, over het algemeen,
onbekwaam om rechtshandelingen te verrichten, be-
houdens machtiging door haar man of door den rechter.
Wegens geesteszwakheid of verkwisting kan iemand
een gerechtelijke raad worden toegevoegd, wiens
bijstand vereischt is voor alle daden van eenig belang.
Eindelijk is de gefailleerde ontheven van het beheer
van zijn goederen, en dus onbekwaam in de mate,
waarin zijn optreden zijn schuldeischers zou kunnen
benadeelen. > Onbekwamen.
L i t. : A. Kluyskens, De verbintenissen (1925,
40-44) ; H. De Page, Droit civil (I 1933, nrs. 75-82 en
726-7521. V. Dievoet.
Bel is de eenheid, waarin de luidheidsindruk,
dien men van een klank verkrijgt, wordt uitgedrukt.
Luidheid = O, als de intensiteit van het geluid zoo-
danig is, dat men het juist kan hooren. De luidheid
neemt vervolgens telkens met 1 bel toe, als de geluids-
intensiteit telkens 10-maal zoo groot wordt. De naam
dezer eenheid is ontleend aan Grahara Bell, den
uitvinder van de telephoon. Jonkergouiv.
Bel, electrische, > Schelinstallatie, elec-
trische.
359
Bel — Belangengemeenschappen
360
Bel, Babylonisch -Assyrische godheid (Beloe).
Bij de Soemeriërs was hij (Soemer.: > ENLIL =
heer der lucht) in oudste tijden de stadsgod van
Nippoer. Later werd hij de tweede in de goden-
triade: Anoe, Enlil, Ea. Tijdens de le dynastie van
Baby Ion (> Babylonië) werd B. door Mardoek ver-
drongen : Bel-Mardoek, stadsgod van Baby Ion, in
het O. T. steeds eenvoudig Bel genoemd. B. is ook
de naam van den Palmyreenschen zonnegod. Hij komt
overeen met den West-Semietischen Baal. Simons.
Bel, > Jean le Bel.
Bela, 1° koning der Edomieten (Gen. 36. 32);
2° de eerstgeboren zoon van Benjamin (Gen. 46. 21).
Bela (= Adelbert), koningen van Hongarije uit
het geslacht der Arpaden:
1 ° B e 1 a II, de Blinde, achterkleinzoon van
Bela I, regeerde 1131—1141. Hem werd als jongen
reeds het gezicht ontnomen. Hij stond onder den
invloed van zijn gemalin Helena.
2° B e 1 a III, regeerde van 1173 tot zijn dood in
1196, tweede zoon van Geza II. Ofschoon opgevoed
aan het Byzantijnsche hof, wist hij elke voogdijschap
van Konstantinopel te voorkomen. Aan Hongarije
gaf hij buiten de onafhankelijkheid een krachtig
bestuur, gebaseerd op Westersche practijken als gevolg
van zijn huwelijk met Margaretha van Frankrijk,
zuster van Philips II Augustus. Hij was een groot
staatsman, maar mengde zich zonder merkbaar voor-
deel te veel in de aangelegenheden der naburige staten
om voldoende aandacht te kunnen schenken aan de
veranderingen, die zich in zijn eigen gebied voltrok-
ken. Hier stond een machtige klasse landjonkers
gereed, om zich geleidelijk meester te maken van de
domeinen en de fiskale rechten ten nadeele van koning-
schap en schatkist. Een crisis was onvermijdelijk en
deze werd nog verhaast door B.’s dood. De Hongaar-
sche dramaturg Ede Szigliger vereeuwigde hem in een
tooneelstuk.
3° Bela IV. * 1206 te Pressburg, aan de regeermg
van 1235 tot zijn dood in 1270. Als opvolger van zijn
vader Andreas II vond hij Hongarije in een treurigen
toestand, waarvan de Gouden Bulle en de daarin
besloten capitulatie van den koning voor de land-
jonkers de hoofdoorzaak waren. B. trachtte te redden,
wat nog te redden was. De kroondomeinen, tijdens de
regeering van Andreas afgestaan, eischte hij tot
saneering der financiën terug. Hij moest zijn land
ontvluchten door den inval der Mongolen (1241,
> Batoe). Na zijn terugkeer begon hij den weder-
opbouw van zijn rijk. Het verlies der bevolking vulde
hij aan door kolonisten uit Duitschland en Bohemen.
Jammer, dat hij de heidensche Koemanen-families
binnenhaalde, die zijn opvolgers zooveel last zouden
veroorzaken. Verwoeste kerken en kloosters werden
hersteld, nieuwe daaraan toegevoegd. Alle groote
kloosterorden vonden in hem een beschermer, fran-
ciscanen, Kartuizers en Augustijnen werden naar
Hongarije genoodigd. Den Cisterciënsers schonk hij
verruiming van arbeidsterrein, de Dominicanen steun-
de hij in hun missie onder de in Klein -Azië achter-
gebleven Hongaren. De bescherming van Zevenburgen
vertrouwde hij den Johannieters toe. Tijdens zijn
regeering had hij te strijden met Oostenrijk (over-
winning bij de Leitha in 1246), met Venetië (verlies
van Zara), met Bosnië en Servië. Een nieuwen inval
der Mongolen onder Nogal Khan wist hij af te slaan
(1261). Zijn huisgezin was een voorbeeld van gods-
vrucht. Uit zijn huwelijk met Maria, dochter van den
keizer van Nicea Theodorus Lascaris, stammen drie
Zaligen: de Dominicanes Margaretha, de als Claris
gestorven Chunegundis of Kinga en Jolenta of Helena.
Wachters.
Bclad (< Arab. balad = land) is een krachtige
aflandige wind, die in den winter over de Z. kusten
van Arabië waait.
Beladen zegt men van een heraldiek stuk,
waarop figuren zijn aangebracht; bijv. een schuinbalk,
beladen met drie ankers (de Willebois). > Heraldiek.
Belajjev, Victor Michailowitsj, Rus-
sische schrijver over muziek, * 5 Febr. 1888 te Oeralsk,
werd in 1919 prof. aan de universiteit te Leningrad,
in 1923 aan het conservatorium te Moskou, is sinds
1922 lid der Russische academie voor kunstweten-
schappen en richtte in 1923 de vereen iging voor
hedendaagsche muziek te Moskou op. Was van 1911
af muziekcriticus aan vele bladen en tijdschriften,
publiceerde monographieën over hedendaagsche Rus-
sische componisten (Moskou 1927), gaf de brief-
wisseling tusschen Skrjabin en M. P. Belajev uit
(1922), schreef een boek over Glazounow (I 1921)
en kleinere studies over nieuwere muziek. Reeser.
Beln Kun, Hong. communist en agitator. * 1885.
Eerst journalist; tijdens den Wereldoorlog als krijgs-
gevangene in Rusland; komt er in betrekking met
Lenin. In 1918 sticht hij de communistische partij
in Hongarije. In Maart 1919 wordt door hem te Boeda-
pest de dictatuur van het proletariaat uitgeroepen;
hijzelf wordt volkscommissaris voor Buitenl. Zaken.
Valt 1 Aug. 1919; vlucht naar Weenen, dan naar
Rusland, van waaruit hij geheime comm. propaganda
voert tegen Hongarije. Weer aangehouden te Weenen
in 1928: vlucht naar Rusland.
Lit. Herczeg. Bela Kun (1918) : Lazarowies, Der
Bolsehewismus in Ungarn (1930).
Belangengemeenschappen, op contrac-
tueele basis tot stand gekomen vormen van samen-
werking tusschen twee of meer (doch steeds een beperkt
aantal) ondernemingen. B. hebben tot doel verhooging
van de rentabiliteit, door middel van het gemeen-
schappelijk behartigen van bepaalde belangen, ofwel
door daartoe vatbare gelijksoortige bedrijfsfuncties
voor gezamenlijke rekening tot uitvoering te brengen.
In de eerste plaats komen die ondernemingen voor b.
in aanmerking, die in gelijke richting, branchegewijs,
zijn georiënteerd. Deze toch hebben uiteraard de meeste
aanrakingspunten en bieden dus grootere ontwikke-
lingsmogelijkheden t.a.v. een collectief optreden.
De eenvoudigste toepassing van b. is wel de zgn.
„winstpooling”. Deze vorm was gebruikelijk tusschen
scheepvaartmaatschappijen. De winsten, over een
bepaalde periode behaald, werden samengevoegd
om vervolgens, op grond van een aangenomen sleutel-
verhouding, onder de deelnemers te worden verdeeld.
Veelal worden b. verstevigd door uitwisseling van
aandeelen der betrokken ondernemingen, al dan niet
vergezeld door wederzijdsche delegeering van directie-
leden of commissarissen.
Alhoewel b. meestentijds voor langen duur aange-
gaan worden (10 — 15 jaren), komen ook gevallen voor
van meer incidenteelen aard. Een voorbeeld hiervan
is het zgn. emissie-syndicaat, door enkele bankiers-
huizen gevormd tot het plaatsen van een leening of
kapitaalsuitgifte. Indien b. zeer intensief worden
opgevat, kunnen zij op den duur leiden tot volledige
samensmelting van voorheen zelfstandige onder-
nemingen (fusie).
361
Belangenvertegenwoordiging — Belangstellingvorming
362
Bij het uitwerken van plannen tot practische door-
voering komt het erop aan, dat de ondernemings-
leiding zich realiseert, welke afzonderlijke functies
in samenwerking met hoogere productiviteit kunnen
worden verricht, en welke zonder samenwerking.
Het volgende schematische overzicht, afkomstig van
prof. Goudriaan, laat zien welke functies in onder-
neming en bedrijf eventueel voor gecombineerde
uitoefening vatbaar zijn.
Technische
fimcties:
Normalisatie
Specialisatie
Gemeensch. research werk
Gemeensch. exploitatie van patenten
Taakverdeeling in de fabricage
Samenwerking bij het transport
Commereieele <, Gemeensch - inkoop
Lommercieele > Gemeensch _ rec)ame
functies: (
Administratieve
functies:
Gemeensch. verkoop
Gemeensch. bedrijfsstatistiek
Uniforme kostprijsberekening
Gemeensch. regeling van arbeids-
voorwaarden
Sociaal-economi- Samenwerking inzake leerling en
sche functies: opleiding
Gemeensch. psychotechnisch
onderzoek.
v. Berkum.
Belangenvertegenwoordiging (N e d.) is
de vertegenwoordiging van belangengroepen in de
staatsorganisatie, als eigen rechtsgemeenschappen.
Een voorbeeld vindt men in de publiekrechtelijke
> bedrijfsorganisatie.
Voor België, > Standsorganisatie.
Belangstellingsoentra. De methode der b.-c.
(centres d’intérêt of pivots) is van den Brusselschen
schoolhervormer dr. O. Decroly. Decroly gaat uit
van de natuurlijke belangstelling van het kind: „mon
but est de créer un lien entre toutes les matières et de
les faire converger ou diverger d’un même centre;
c’est vers 1’enfant que tout se dirige, c’est de 1’enfant
que tout rayonne; 1’intérêt de 1’enfant est le levier
par excellence: il faut en tirer parti.” Als Dewey,
de vader der project-methode, baseert Decroly zijn
onderwijs op de instincten, de aandriften van het kind
(waarin de natuurlijke belangstelling w r ortelt), en
onderscheidt als de voornaamste: de zucht tot zelf-
behoud, den drang naar voedsel, naar bezit, de zucht
tot zelfverdediging, tot spelen en w T erken, en de navol-
gingszucht. Door deze instincten wordt de belang-
stelling formeel bepaald; materieel door milieu,
opvoeding, ontwikkeling, leeftijd. Ten slotte brengt
Decroly zijn onderwijsstof tot vier groote complexen:
voeding, kleed ing, verdediging, arbeid. Uit deze
groepeering blijkt al terstond Decroly’s Amerikanis-
tische instelling op het vegetatieve en animale leven:
hoogere aandriften, als de drang naar zedelijkheid,
naar godsdienst, schijnen niet eens te bestaan (Dewey
spreekt ten minste óók nog van een kunstinstinct).
De genoemde complexen in hun eindelooze variaties
vormen een onuitputtelijke reeks onderwerpen. De
toeëigening daarvan geschiedt op vier manieren:
1° door waarneming: het verzamelen van
ervaringen uit de omgeving; 2° door de verwer-
king daarvan, ook geschied- en aardrijkskundig:
U association dans le temps et dans 1’espace; 3° door
de uitdrukking in taal, schrift, teekening,
handenarbeid, tooneel, spel, dans; 4° door de maat,
la mesure, d.i. meten, wiegen en berekenen, waaruit
geleidelijk abstract rekenen en wiskunde ontstaan.
Een groote rol spelen hierbij de „cahiers d’obser-
vation”, schriften of albums, waarin de leerlingen
alles beschrijven en illustreeren met eigen teekeningen
of zelfgezochte plaatjes en afbeeldingen. Ze dienen voor
repetitie en vormen een kostbaar bezit voor het kind,
dat er de vruchten van zijn persoonlijk initiatief
en kunnen in heeft vastgelegd. De „cahiers d’associa-
tion” (voor aardr. en gesch.) worden op dezelfde wijze
ingericht.
Lezen en schrijven leeren de kinderen in
de laagste klassen volgens de zgn. > globaal-
methode, die echter geen vast materiaal heeft,
daar dit genomen wordt uit de naaste omgeving en de
aan de orde zijnde complexen. Daar Decroly begrepen
heeft, dat voor het beklijven der leerstof herhaling
en oefening en dus een zekere mate van „dril” noodig
zijn en hij bovendien voorstander is van spelend
leeren, laat hij veel w r erken met zgn. „jeux éducatifs”
of didactische spelen, waarin de voornaamste taal-,
reken-, aardrijkskunde- en geschiedenismoeilijkheden
verwerkt zijn. Deze spelen omvatten voor de laagste
klassen allerlei lotto’s als voorbereiding voor het lezen.
Zooals bij Montessori zijn deze spelletjes gerangschikt
te vinden in enveloppen of kleine doosjes in de kast.
Het kind krijgt het werk waar het aan toe is, en er
wordt steeds bijgemaakt naar ieders behoefte, want
vastgelegd is dit leermateriaal niet. Ook bij het zwak-
zinnigen-onderwijs kan men een massa van zulke
spelletjes vinden; wat niet te verwonderen is, als mon
weet, dat Decroly zijn hervormingswerk met abnor-
malen begonnen is en het buitengewoon onderwijs veel
van hem heeft overgenomen.
L i t. : C. Philippi-Siewertsz van Reesema, Uit en
over de werken van prof. dr. O vide Decroly (1931).
Rombouts.
Belangstelling vorming . De belangstelling
is de betrekkelijk duurzame neiging van het subject
naar het object op grond van een waardeschatting.
Kennis, gevoel en streving werken samen om de
belangstelling op te wekken. De actueele belangstelling
is de daadwerkelijke heenneiging van het subject
naar het object en wordt ook aandacht genoemd.
De dispositioneele belangstelling berust op aange-
boren en verworven disposities en bepaalt de levens-
houding en berust op de betrekking, waarin de dingen
tot het subject staan. Hoe nauwer de band, des te
belangwekkender. De formeele belangstelling richt
zich naar de eigen daad, en het lustgevoel, dat zij
opwekt, verhoogt de belangstelling voor het voor-
werp. Heeft het voorwerp een eigen waarde, dan volgt
een onmiddellijke belangstelling. Ontleent een object
zijn waarde aan een ander voorwerp, dan is de belang-
stelling middellijk.
De belangstellingvorming eischt, dat men rekening
houdt met den leeftijd. Elke leeftijd heeft zijn eigen
belangstellingsfeer. Aanvankelijk bestaan er bij het
kind slechts vegetatief -sensitieve waarden (1-2 j.).
Daarna ontstaat de belangstelling voor de daad, die
vooral in het spel tot uiting komt en zich langzamer-
hand naar het object keert (3-7 j.). Vervolgens gaat
de activiteit naar de subjectief gerichte doeleinden
en ontwaakt de belangstelling voor geestelijke goederen
(8 j.- puberteit). De puberteit is de periode, waarin de
arbeid zakelijk is gericht, maar ook een tijd van gisting
en ontkenning.
De factoren, die de belangstelling bepalen, zijn:
363 Belasco — Belastingen 364
begaafdheid, neiging, streving, gewoonten, activi-
teit, opvoeding, voorbeeld, milieu, cultuur, geslacht.
Het beste middel om de belangstelling te vormen
is het opwekken der zelfwerkzaamheid, waartoe ver-
eischt wordt, dat de taak de krachten van het kind
niet te boven gaat. De motieven of w r aarden, die de
zelfwerkzaamheid opwekken, moeten subjectief een
goed zijn, dat bewust is van voldoende kracht, duur-
zaam, ter gelegener tijd bij de hand zijn en in de
structuur van het kind geplaatst worden. Men moet
beginnen met hetgeen in de belangstelling van het
kind staat en van hieruit voortgaan naar nieuwe
waarden, die in een complex, in een systeem moeten
worden ondergebracht. p. Joannes .
L i t : Lexikon der Padagogik der Gegenwart (I 1930);
F. X. Eggersdorfer, Jugendbildung ( 4 1933).
Belasco, D a v i d. Amerikaansch tooneel-
schrijver, eigenaar en directeur van het Belasco
Theatre te New York. * 1869 te San Francisco, had
zijn leerschool als secretaris van Dion Boucicault,
werd directeur van een schouwburg in San Francisco.
Heeft sedert 1884 tot 1915 tallooze tooneelstukken
bewerkt, weinig oorspronkelijk maar handig en op
effect berekend. Vooral Madame Butterfly (1900)
en The Return of Peter Grimm (1911).
Werken: Monogr. van W. Winter (1918) ; volledige
L ijst in Cambr. Hist. Amer. Lit. (IV 1921, 763).
Bclassitza-gebergte of Belesj-ge-
b e r g t e, W. uitlooper van het Rhodopemassief,
deels grensgebergte tusschen Griekenland en Bulgarije,
1 494 m hoog.
Belaste balken. De studie van dit onderwerp
omvat een zeer belangrijk en uitgebreid gedeelte der
mechanica en de berekening der b. b. vereischt een
aanzienlijke kennis der hoogere w'iskunde, ten einde
voor de zeer uiteenloopende en veelal ingewikkelde
gevallen van belasting de juiste vergelijkingen op te
stellen en haar oplossing te vinden. Men kan voor de
berekening van de onbekende krachten en momenten
uitgaan van drieërlei evenwichtsvergelijkingen, nl.
1° de som van de ontbondenen der uitwendige krachten
in de richting van een willekeurig aangegeven as
moet = 0 zijn ; 2° de som der ontbondenen van dezelfde
krachten in de richting van een as moet eveneens
= 0 zijn; 3° de som der uitwendige momenten ten
opzichte van een willekeurig aangenomen punt moet
= 0 zijn.
Een balk noemt men statisch bepaald, wanneer
de onbekenden uit deze evenwichtsvergelijkingen
berekend kunnen worden: hij is één- of meervoudig
statisch onbepaald, indien één of meer onbekenden
daaruit niet opgelost kunnen w r orden, zoodat de zgn.
elasticiteitsvergelijkingen te hulp geroepen moeten
woorden. Men heeft nu voor een groot aantal belastings-
gevallen van balken verschillende grootheden, zooals
steunpuntsreactie, buigingsmoment, weerstands-
moment, draagvermogen, grootste doorbuiging en
gevaarlijke doorsnede berekend, w'elke in de belang-
rijke technische handboeken te vinden zijn.
P. Bongaerts .
Belasting, 1° Technisch is b. de kracht,
welke op een constructiedeel werkt. Rustende b.
is die b., waarbij grootte en plaats van aangrijpen
constant blijven, veranderlijke of wisselende, die,
waarbij wel de plaats constant is, maar de grootte
verandert, mobiele, die, waarbij de last zich ten op-
zichte van het constructiedeel verplaatst (bijv. voer-
tuigen enz. op een brug). Toe te laten b. is de b., welke
op het constructiedeel uitgeoefend kan worden, zonder
dat hierin de maximale toe te laten spanning optreedt,
w T aarbij een zekerheids- of veiligheidscoëfficiënt in
rekening w T ordt gebracht. Vroeger werd de grootte
van dezen coëfficiënt op 4 è 5 gesteld, waarin een groote
overmaat van zekerheid der constructie is gelegen.
Nu in den lateren tijd, dank zij de talrijke onderzoe-
kingen in laboratoria en op de werken, de eigenschap-
pen der bouwmaterialen beter bekend zijn, kan deze
coëfficiënt kleiner worden aangenomen.
P. Bongaerts.
Belasting van een electrische machine
of van een transformator, het vermogen,
dat door een electrische machine of een transformator
geleverd wordt.
Een belasting, waarbij geen phaseverschuiving
optreedt tusschen den stroom (belastingsstroom) en
de klempspanning (bij gelijkstroom, voeding van
gloeilampen), heet inductie-vrij ; treedt er een phase-
verschil op, dan spreekt men van inductieve belasting.
v. d. WelL
Oppcrvlakte-belasting van den vleugel
van een vliegtuig is gelijk aan het max. totaal-
gewicht van het vliegtuig, gedeeld door het vleugel-
oppervlak. Dit getal varieert voor de verschillende
vliegtuigtypen van 40 — 90 kg/m 2 ; als uiterste komt
w r el 110 kg/m 2 voor. De minimum vliegsnelheid is
direct van deze oppervlaktebelasting afhankelijk
en stijgt evenredig met den vierkantswortel ervan.
Bij hooge vleugclbelasting zweeft het toestel niet
lang met afgezetten motor en vertoont, zelfs w r anneer
de snelheid nog betrekkelijk groot is, reeds de neiging
om door te zakken. De benoodigde aan- en uitloop
bij starten en landen woorden grooter, naarmate deze
min. vliegsnelheid grooter is. De hooge vleugel-
belastingen worden toegelaten om een min. weerstand
en dus max. snelheid te bereiken. v. Lammeren.
Nuttige belasting bij vliegtuigen is de
betalende last. Het totaalgewicht van een vliegtuig
bestaat uit: het leeggewicht, het gewicht der bedrijfs-
stoffen en bemanning, en den nuttigen last. In den
regel bedraagt het leeggewicht meer dan 60% van
het totaalgewicht. Het gewicht van benzine en olie
hangt af zooweel van de snelheid (motor-vermogen)
als van de actie-radius en bedraagt 1 / A kg per pk en
per uur. Hetgeen er ten slotte van het totaalgewicht
overblijft, is voor nuttigen last disponibel.
v. Lammeren.
2° Erfelijke belasting (genees k.). Deze term
wordt in het spraakgebruik vrijwel alleen gebezigd,
wanneer het betreft erfelijkheid van geestes-
ziekten. Men veronderstelt, dat ook deze erfe-
lijkheid (kiemaanleg) gebonden is aan de > Mendel-
sche wetten, hoewel dit nog niet bewezen is, doordat
de technische moeilijkheden daartoe te groot zijn.
Sedert de psychiatrische wetenschap de geestesziekten
in groote groepen heeft ingedeeld, kon deze groepeering
ook toegepast worden in de erfelijkheid. Op de eerste
plaats kunnen in dit verband genoemd worden: de
schizophrenie, de manisch -depressieve psychose, de
psychopathie en de epilepsie. Het rassenverschil
vormt ook bij erfelijkheid van geestesziekten een ge-
wichtigen factor. Hoelen.
Belastingen. I. Nederland.
A) Algemeen gedeelte.
Begripsbepalingen.
Belastingen zijn bijdragen tot de openbare middelen,
die een publiekrechtelijke corporatie (staat, provincie,
365
Belastingen
366
gemeente e.d.), in eenzijdig door haar vastgestelde
hoogte en wijze, heft van de aan haar gezag onderwor-
pen subjecten. Van belastingen zijn wel te onder-
scheiden: a)> retributies, die slechts geheven
worden van hen, die van zekere openbare inrichtingen
gebruik maken; b) staatsinkomsten uit eigen vermogen
of uit p r i v a a t r e c h t e 1 ij k e hande-
1 in gen (bijv. inkomsten uit domeinen en staats-
bedrijven) ;c) onregelmatig vloeiende
inkomsten (bijv. schenkingen, aan den staat
vervallen nalatenschappen, gedwongen leeningen,
onteigeningen, enz.).
Belastingsubject is de natuurlijke of
rechtspersoon, die de belastingschuldige is; belasting -
object of voorwerp der belasting is de handeling,
toestand of gebeurtenis, die de grondslag der heffing
is. Bron of belastingbron is het fonds, waaruit de
belasting betaald wordt. Belastingplichtige is degene,
die in beginsel voor belasting betalen in aanmerking
komt. Belastingschuldige is hij, die belasting daad-
werkelijk verschuldigd is.
Belastingstelsel is de vereeniging van
een aantal belastingen ter verwezenlijking van de als
juist erkende beginselen.
Belastingstraf recht is het geheel
der normen, die het mater ieele en formeele strafrecht
op fiscaal gebied regelen.
Belastingontduiking is zoowel het
geoorloofd ontgaan van belasting als het ongeoorloofd
zich onttrekken aan een aanslag, hetzij door dezen te
verhinderen, hetzij door de invordering onmogelijk te
maken, met inbegrip van de belastingvlucht.
Geschiedenis.
Hoewel de > Unie van Utrecht (art. 6), speciaal
voor de dekking van de kosten der defensie, een
uniforme belastingheffing voorschreef, was in de
Rep. der Ver. Ned. belastingheffing over het algemeen
zaak der (souvereine) provincies. De eenige „generali-
teitsbelastingen” waren: convooi- en licentgelden ;
last- en veilgeld, en de belastingen, die de > Generali-
teitslanden moesten opbrengen. Convoo igeld
was oorspr. een retributie, nl. een vrijgeleidegeld
voor koopvaarders ter zee; sedert 1603 werd het
geheven in den vorm van een in- en uitvoerrecht op
alle waren. Licentgeld moest oorspr. slechts
betaald worden door hen, die met den vijand wilden
handeldrijven; na den Vrede van Munster (1648)
werd het een belasting, geheven op den buitenland-
schen handel. Lastgeld werd bij aankomst en
vertrek van schepen geheven; veilgeld was een
in- en uitvoerrecht. De opbrengst der generaliteits-
belastingen diende uitsluitend voor de marine, maar
zij was daarvoor onvoldoende. Daarom werden nog
contributies van de verschillende provincies geheven.
De quoten der vsch. provincies werden vaak slecht
voldaan en dan betaalde Holland gewoonlijk voor de
wanbetalers. De provinciale belastin-
gen (vnl. accijnzen en invoerrechten) vertoonden
een bonte verscheidenheid. Vaak werden deze belas-
tingen verpacht aan den meest-biedende, die dan het
voorrecht van monopolie van verkoop der ,,verim-
poste” waren verkreeg. — Ook de plaatselijke belas-
tingen bestonden vnl. uit accijnzen. Aan den toentertijd
bestaanden chaos trachtte de staatsregeling van 1798
(der Bataafsche republiek) een einde te maken. Inge-
volge deze staatsregeling nam het V ertegen-
woordigend Lichaam in 1801 een stelsel
van algemeene belastingen aan. De provinciale be-
lastingen (voor zooverre zij niet vervielen) werden
rijksbelastingen en vloeiden voortaan in de nationale
kas. Gemeentebelastingen bleven in beperkte mate
bestaan; zij werden onderworpen aan de goedkeuring
van het Wetgevend Lichaam en aan de bekrachtiging
van het Departementsbestuur. De staatsregeling van
1801 volgde in hoofdzaak dezelfde richtlijnen; de
provinciale belastingen werden echter gedeeltelijk
hersteld in den vorm van departementale belastingen.
Hierbij werd echter gewaakt tegen belemmering van
het inter-departementale handelsverkeer. Na de
staatsregeling van 1805, onder Raadpensionaris
R. J. Schimmelpenninck, trad de groote financier
Gogel op, wiens belastingstelsel in Juni 1805 door het
Wetgevend Lichaam aangenomen werd. Dit stelsel
maakte een einde, zoowel aan de tot dusverre veel-
vuldig geheven buitengewone heffingen, als aan de
naar de vsch. provincies onderscheiden, provinciale
en gemeentelijke belastingen. In 1808 voerde koning
Lodewijk Napoleon voor de eerste maal een algemeene
inkomstenbelasting in tot dekking van rente en af-
lossing eener leening van 10 millioen gulden. Deze
belasting moest betaald worden door alle inwoners,
die in staat waren daarin eenig aandeel bij te dragen,
ieder „naar mate van zijn stand, verteringen en andere
bekende omstandigheden”. Departementale
belastingheffing kwam in het koninkrijk Holland
practisch niet voor. Na 1805 werden de gemeen-
telijke belastingen aan de goedkeuring
van het centrale gezag onderworpen. Een reglement
omtrent de invoering van plaatselijke belastingen
(wet van 20 Dec. 1805) beperkte de bevoegdheid tot
het heffen van hoofdelijken omslag tot gemeenten van
minder dan 2 000 inwoners. De overige gemeenten
mochten slechts opcenten op de rijksbelastingen heffen
en ccn matige belasting op „ Prachtvertoon ingen bij
Trouwen en Begraven”, en verdere soortgelijke „Ob-
jecten van Weelde”.
Door de Inlijving (1810) kwam Ned. onder de Frau-
sche belastingwetgeving. In de eerste jaren nadat Ned.
zijn onafhankelijkheid herkregen had (1813), verkeerde
het belastingstelsel in voortdurende schommeling,
totdat bij de wet van 12 Juli 1821 een stelsel van
belastingen ingevoerd werd, dat in zijn groote lijnen
tot op den huidigen dag is blijven gelden. Op 1 Jan.
1823 traden ingevolge deze algemeene wet in werking:
als directe belastingen, grondbelasting, patent-
belasting (op het bedrijf), personeele belasting; als
indirecte belastingen : registratie-, zegel-,
griffie-, hypotheek- en successierechten; rechten op
in- en doorvoer, buitenlandsch tonnengeld; een aantal
accijnzen; een collectief zegel (op kwitanties, enz.),
tollen op wegen en wateren; recht op gouden en zil-
veren werken; opcenten op vsch. directe en indirecte
belastingen. Rus s el.
Het belastingstelsel van 1821, met de daarin sedert
dien aangebrachte wijzigingen, werkte oorspronkelijk
onbevredigend, omdat de belastingschuldigen niet
voldoende in evenredigheid tot hun draagkracht
belast werden. Tot het einde der 19e eeuw heeft de
wetgever zich er nl. mede tevreden gesteld het inko-
men zijdelings te belasten, omdat hij een rechtstreek-
sere heffing naar het inkomen niet mogelijk achtte,
daar zij zou moeten geschieden op grond van eigen
aangiften, die hij niet vertrouwde. Langs tweeërlei
w r eg trachtte de wetgever nu het inkomen te benaderen.
In de eerste plaats door de z a k e 1 i j k e heffingen,
met name de grond- en de patentbelasting, die door
367
Belastingen
368
belasting van de bron van inkomen het inkomen zelf
wilden treffen. Heffing van andere bronnen, zooals
effecten, zou geen zin hebben gehad, omdat de fiscus
die bronnen niet kende, lntusschen belastte de patent-
belasting de dividenden van naamlooze vennoot-
schappen en andere lichamen, als zakelijke heffing.
De omvang en hoedanigheid der gronden en bedrijven
bepaalden de hoogte der heffingen, zoodat de uiterlijke
kenteekenen, die vaak bedrieglijk zijn, een beslis-
sende rol speelden. Als heffingen van bepaalde bron-
nen zijn ook te beschouwen de registratie-, mutatie-
en zegelrechten, die werden geheven op grond, dat de
belaste rechtshandelingen het vermoeden wettigen,
dat een der partijen voordeel, en bijgevolg inkomen
genoten heeft. Niet echter alleen het feit, dat er een
bron van inkomen is, benutte de wetgever om het
inkomen te treffen. Ook het feit, dat iemand verterin-
gen maakte, w T as een aanwijzing, dat hij een inkomen
had, waaruit hij die verteringen betaalde. De wetgever
trachtte nu de onvoldoende werkingen van de heffingen
bij de bron te corrigeeren door middel nl. van indi-
recte en directe verteringsbelastingen op
gebruiks- en verbmiks voorwerpen. Tot de eerste
behooren de accijnzen, geheven van den fabrikant en
den koopman, die deze belastingen verhalen op de
afnemers. Een d i r e c t e verteringsbelasting is de
personeele belasting. De verteringsbelastingen weer-
den geheven van werkelijke inkomsten -
bestanddeelen in het algemeen, terwijl de genoemde
belastingen bij de bron vermoedelijke in-
komstenbestanddeelen troffen. Het bleek echter
steeds duidelijker, dat dit stelsel geen billijke verdee-
ling van den belastingdruk waarborgde, w’ant de
accijnzen op levensbehoeften en vooral die op het
gemaal, de brandstoffen en de zeep (in den loop der
19e eeuw afgeschaft) en op zout (sedert aanmerkelijk
verlaagd), hielden geen rekening met de samenstelling
en de hoegrootheid van het gezin.
Daarom is ten slotte de rechtstreeksche heffing naar
het inkomen ingevoerd, hetgeen in tw r ee etappes
geschiedde. Eerst werd een gesplitste inkom-
stenbelasting ingevoerd: bij de wet van 27 September
1892, Stbl. 223, tot heffing eener vermogensbelasting
en bij de wet van 2 October 1893, Stbl. 149, tot heffing
eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten.
De vermogensbelasting bedoelde de inkomsten uit
het vermogen te belasten, de tw r eede w T et wilde de
niet uit het vermogen voortspruitende inkomsten
belasten. De w T etgever bedoelde de eerste inkomsten
zw r aarder te treffen dan de tweede.
De volgende etappe was de invoering eener onge-
splitste inkomstenbelasting, bij de Wet op de Inkom-
stenbelasting 1914, een algemeene heffing van het
geheele inkomen, in werking getreden op 1 Mei 1915.
Toen de inkomstenbelasting werd ingevoerd, gesplitst
in de vermogens- en bedrijfsbelasting, werd het
patentrecht afgeschaft, doch bleven de grond- en
personeele belasting en de meeste accijnzen in stand,
terwijl de zakelijke belasting op de dividenden van
naamlooze vennootschappen en andere lichamen uit
de patentbelasting werd gelicht en gehandhaafd.
De wetgever behield de verteringsbelastingen, omdat
hij gevoelde, dat de rechtstreeksche inkomstenbe-
lasting voorloopig verre van volmaakt zou w : erken en
bovendien omdat naast inkomen en vermogen ver-
schillende andere factoren bestaan, die het draagver-
mogen bepalen, zooals: het gehuw T d zijn, het aantal
kinderen, ziekten, enz. Door de personeele belasting,
de accijnzen, de belasting op gouden en zilveren
w T erken en de gemeentelijke hondenbelasting, de be-
lasting op de vermakelijkheden en dergelijke meer,
Cliché 6,6—12,2
Rijksinkomstenbelastingdruk in procenten van het
inkomen.
worden die elementen zooveel mogelijk in acht ge-
nomen. Het hedendaagsche belastingstelsel van het
Rijk is samengesteld zooals onderstaande tabel laat
zien.
Provinciale bel. sedert 1813.
De grondwet van 1814 kende zulke belastingen
niet; de grondwet van 1815 bepaalde, dat de Pro-
vinciale Staten, voor het onderhouden en aanleggen
van werken voor de provincie, den koning eigen belas-
tingen konden voorstellen. De practijk is echter verder
gegaan. De wet van 12 Juli 1821 kende nl. provinciale
belastingen, dienende tot dekking van uitgaven van
algemeen belang, te weten 6 provinciale opcenten op
de hoofdsom van de gebouw T de on ongebouwde eigen-
dommen en van het personeel. Later w r erden nog
opcenten op andere, ook indirecte belastingen toege-
staan.
De grondwet van 1843 schreef voor, dat provinciale
belastingen tot dekking van huishoudelijke uitgaven
369
Belastingen
370
door de wet moesten worden bekrachtigd . De provinciale
wet bepaalde, dat accijnzen, waaronder te bepijpen
de provinciale opcenten op rijksaccijnzen, niet als
provinciale belastingen mochten worden voorgedragen
en dat de provinciale accijnzen, die in sommige pro-
vinciën geheven werden, binnen 5 jaren na de dag-
teekening van die wet moesten worden afgeschaft;
het gevolg was, dat sedert 1856 de provinciën bijna
uitsluitend opcenten op de grond- en personeele
belasting hieven.
Na 1887 bepaalde de grondwet, dat elk besluit der
provinciale staten tot het invoeren, wijzigen of afschaf-
fen van een belasting aan de goedkeuring des konings
onderworpen was en dat provinciale belastingen het
handelsverkeer tusschen de provinciën niet mochten
belemmeren. De provinciale wet stelt, ingevolge een
grondwettelijk voorschrift, algemeene regels voor
de provinciale heffingen. De provinciale belastingen
bestaan sedert dien uit opcenten op de hoofdsom der
grond-, vermogens- en inkomstenbelasting, uit leges
ter griffie, tollen-, weg-, brug-, dijkgelden en andere
retributiën. Indien bijzondere omstandigheden in de
provincie de heffing van andere belastingen nood-
zakelijk maken, kunnen deze slechts bij wet worden
bepaald. De onderstaande tabel geeft een overzicht
van de tegenwoordige provinciale belastingen.
Gemeentebelastingen. De grondwet van
1848 verbood door middel van plaatselijke belas-
tingen het handelsverkeer tusschen de gemeenten
te belemmeren en eischte koninklijke goedkeuring
op gemeentelijke belast ingverordeningen. De ge-
meentewet stond daarop de navolgende heffingen toe :
opcenten op de hoofdsom der grond- en personeele
belasting en van andere daarvoor vatbare rijksbelas-
ting, direct naar het vermogen of inkomen geheven,
met uitzondering van het patentrecht; hoofdelijke
omslagen of andere directe belastingen; belastingen
op voorwerpen van verbruik; hondenbelasting;
belasting op tooneelvertooningen en andere openbare
vermakelijkheden ; de rechten , loonen en andere gelden
voor het gebruik van openbare gemeentewerken,
bezittingen of inrichtingen of voor gemeentelijke
diensten. De wet van 28 Juni 1881 voerde in het ver-
gunningsrecht voor den kleinhandel in sterken drank.
De gemeentewet gaf een uitvoerige regeling omtrent
plaatselijke belastingen op voorwerpen van verbruik;
deze gemeentelijke accijnzen werden zooveel mogelijk
beperkt. De wet van 7 Juli 1865, Stbl. 79, schafte ze
geheel af. De gemeenten mochten voortaan beschikken
over ten hoogste 4 / 5 van de opbrengst der personeele
belasting in hoofdsom en rijksopcenten.
De grondwet van 1887 met de wijzigingen tot op
het oogenblik, verwijst eveneens naar de gemeentewet,
welke heden ten dage de heffingen kent, die de hier-
onder opgenomen tabel aangeeft, waarbij speciaal valt
te vermelden, dat de belasting van de woon- en werk-
forensen 1 Mei 1931 is afgeschaft; sedert dezen datum
is een forensenbelasting nog slechts mogelijk in dezer
voege, dat een directe belasting kan worden geheven
van hen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf
te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan
90 malen nachtverblijf houden, anders dan als ver-
pleegde in een krankzinnigengesticht of ziekenhuis,
of er op meer dan 90 dagen van dat jaar voor zich of
hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar
houden. Die wooirïorensenbelasting mag echter slechts
geheven worden naar den duur van het verblijf, naar
de huurwaarde der gemeubileerde woning of naar ande-
re bij de verordening vast te stellen grondslagen,
met dien verstande, dat het bedrag der belasting niet
onmiddellijk of middellijk afhankelijk mag zijn van
het inkomen of een deel daarvan. De personeele be-
lasting is een rijksbelasting gebleven, doch wordt van
rijkswege ten behoeve van de gemeenten geheven.
De zgn. gemeentefondsbelasting is eveneens een rijks-
belasting, waarvan de opbrengst in het gemeentefonds
valt.
Soorten van belastingen.
De indeeling der b. in vsch. soorten geschiedt op tal
van wijzen. De oude verdeel ing in directe en indirecte
belastingen is in zichzelf niet duidelijk, daar zij zoowel
in den formeel-belastingtechnischen-staatsrechtelijken
zin als in economischen zin wordt gebruikt. Belasting-
technisch directe belastingen zijn de zoodanige,
die volgens vooraf vastgestelde kohieren worden
geheven, met name: grondbelasting (1870), vermogens-
belasting (1892), personeele belasting (1896), inkom-
stenbelasting (1914), verdedigingsbelasting (1918),
gemeentefondsbelasting (1929). Deze formeele onder-
scheiding is van belang: 1° omdat verschillende wetten
zelf van directe belasting spreken; 2° omdat de invor-
der ingswet van 1845 in het algemeen alleen voor de
directe belastingen, in staatsrechtelijken zin, geldt;
3° voor de regeling van voorloopige aanslagen ; 4° voor
de wet inzake de overschrijding van in belastingwetten
gestelde termijnen; 5° voor de wet op de zgn. Richtige
&ELA5 TIN6 OPBRENGS T IN 1930
Heffing der directe belastingen; 6° voor de opbrengst-
verantwoording op de rekening van het rijk, enz. Alle
overige belastingen (zie tabel) zijn indirecte.
De Stelselwet 1821 rangschikt ten onrechte noch de
accijnzen, noch de invoerrechten, noch de belasting
op gouden en zilveren werken onder de indirecte
belastingen. De economische onderscheiding in directe
en indirecte belastingen is er een naar de werking der
heffing : Directe belastingen zijn zoodanige, die op
den belastingplichtige zelf drukken, de indirecte
daarentegen de belastingen, die hij op anderen af-
wentelt. Anderen zien in de directe belastingen alle,
371
Belastingen
372
die naar de bedoeling van den wetgever
op den belastingplichtige zullen drukken, en in de
indirecte alle zoodanige, die hij volgens die bedoe-
ling op anderen zal verhalen. Beide criteria
zijn ondeugdelijk: het eerste, omdat het van aller-
lei omstandigheden afhangt of een belasting al dan
niet op anderen kan worden afgewenteld; het
tweede, omdat verschillende belastingen ten deele
onder de eene, ten deele onder de andere rubriek
zouden vallen, terwijl bij sommige geen bepaalde bedoe-
ling van den wetgever omtrent de afwenteling bestaat.
Zoo zal in de bedoeling van den wetgever de perso-
neele belasting van hotels, restaurants, café’s, winkels,
kantoren, lokalen tot uitstalling, zoowel nopens de
huurwaarde als het mobilair, ook betreffende de bil-
jarten in hotels, in restaurants en café’s, worden
verhaald op de klanten, bezoekers e.d.
Bij zegel- en registratierechten kan men de bedoeling
van den wetgever omtrent de afwenteling niet vast-
stellen ; bij successierecht zou men tot het karakter
van directe belasting moeten besluiten, ware het niet,
dat deze belasting rechten bevat, die de fiscus bij de
erfgenamen int, doch die zij naar ’s wetgevers bedoeling
zullen verrekenen met legatarissen en anderen.
In Katholieke theologische werken geschiedt de
onderscheiding in directe en indirecte belastingen
niet steeds naar dezelfde criteria. Meestal duidt de
schrijver aan, welke opvatting hij omtrent het cri-
terium heeft.
De technische deskundigen van den Volkenbond,
inzake dubbele belasting en belast ingontwijking, als
ook eenige internationale verdragen op dit gebied,
verdeden de directe belastingen in zakelijke en
persoonlijke. Zakelijke belastingen treffen elke soort
van inkomsten bij haar bron en houden geen reke-
ning met de persoonlijkheid der belastingplichtigen
zooals nationaliteit, woonplaats, burgerlijke staat,
familielasten. De persoonlijke belastingen houden
rekening met de personen en hun inkomen. Dit is een
verdeeling naar gelang van de betrekking der belas-
tingschuldigen tot de belastingen.
Sommigen, vooral onder Franschen invloed,
nemen het belastingobject tot criterium, en verstaan
onder directe belastingen die, w r elke het bezit of het
inkomen treffen en onder indirecte die, welke op be-
paalde handelingen of gebeurtenissen slaan.-Deze onder-
scheiding is er een naar den maatstaf der belasting.
Het belastingobject is eveneens het criterium voor
de onderscheiding van bezits-, verkeers- en verbruiks-
belastingen. Belastingobject bij de bezitsbelastingen
zijn de vermogenswaarden van het belastingsubject;
bij de verkeersbelastingen is het een gebeurtenis in
het rechtsverkeer, bij de verbruiksbelastingen een uit-
gave van vermogensw T aarden. De verdeeling in reparti-
tie- en quotiteitsbelasting hangt samen met de invor-
deringswijze. Bij de quotiteits- of collectebelasting
staat vooraf de belastingquote voor de contribua-
belen vast, doch niet de totale opbrengst; bij de
repartitiebelasting staat vooraf de totale opbrengst
vast, die over de afzonderlijke belastingplichtigen
volgens een of anderen maatstaf wordt verdeeld.
Men spreekt verder van opbrengstbelasting, indien zij
wordt geheven naar den maatstaf der opbrengst eener
bepaalde zaak, zooals van een grondstuk of een
fabriek, in tegenstelling tot inkomstenbelasting, die
het inkomen van een persoon als maatstaf neemt.
Van een verteringsbelasting is sprake, w r anneer
geheven wordt naar den maatstaf van de vertering
of van de uitgaven. Deze belastingen worden w’eer
onderscheiden in verbruiksbelastingen en gebruiks-
belastingen, naar gelang de maatstaf der heffing zaken
zijn, die wel, respectievelijk die niet door het gebruik
te niet gaan. Algemeene belastingen heeten zoodanige,
die dienen tot dekking van de publieke uitgaven in
het algemeen, bijv. de inkomstenbelasting; de bestem-
mingsbelastingen daarentegen zijn wettelijk gereser-
veerd voor bepaalde deelen der publieke uitgave,
bijv. wegenbelasting. Een onderscheiding van geheel
andere soort is die in rijks-, provinciale, gemeentelijke
en waterschapsbelastingen, naar gelang van den
belastingheffer. Men spreekt van evenredige belasting,
indien eenzelfde percentage geheven wordt van ver-
mogen, inkomen of ander belastingobject; van pro-
gressieve heffingen, indien het percentage stijgt met
de stijging van het belastbaar voorwerp. Degressieve
belasting noemt men die heffing, welke niet een ver-
hooging van belastingpercentage kent bij stijgend
inkomen, vermogen of ander belastbaar voorwerp,
doch vermindering van het normale tarief voor de
geringere waarden. Bij deze belasting gaat depercen-
tueele stijging over in evenredig percentage bij inko-
mens, vermogens en andere belastbare objecten, die
een bepaald bedrag te boven gaan. Men heeft de
degressieve belasting w T el genoemd de progressieve
heffing van boven naar beneden gezien. Omgekeerd-
progressieve belastingen zijn die, waarbij grootere
objecten relatief lager worden belast dan kleinere.
> Bedrijfsbelasting.
Algemeene beginselen der belastingheffing.
De eischen, waaraan een goed belastingstelsel moet
voldoen, woorden door de tegenwoordige schrijvers
in steeds meer groepen onderverdeeld. Adam Smith
stelde de volgende vier algemeene beginselen:
a) de belastingplichtigen van eiken staat moeten
in de uitgaven der regeering bijdragen, zooveel moge-
lijk in verhouding tot hun krachten, d.i. in verhouding
van het inkomen, dat zij onder de bescherming van
den staat genieten;
b) de belasting, die van iederen burger geheven
wordt, moet zeker zijn en geen willekeurige. Het
tijdstip, de wijze, de grootte der betaling, alles moet
duidelijk en klaar zijn;
c) elke belasting moet geheven worden op een tijd-
stip en een wdjze, die de meest geschikte voor den
belastingbetaler zijn;
d) elke belasting moet zoodanig geheven woorden,
dat aan de belastingschuldigen zoo weinig mogelijk
onttrokken wordt boven hetgeen in ’s rijks schatkist valt.
De eerste regel is er een van rechtvaardigheid;
de drie andere „beginselen” Zijn slechts practische
voorschriften.
Tegenwoordig splitst men de „beginselen” in eischcn
der financieele politiek en eischen der staathuishoud-
kunde, en soms bovendien in eischen van recht en
billijkheid. De eischen der staathuishoudkunde
toetsen de belastingvoorschriften aan de volkswel-
vaart, terwijl de financieele politiek de belastingen
uitsluitend beoordeelt naar haar feitelijke opbrengst.
Ideaal is het stelsel, waarin de drie groepen van
beginselen volledig tot hun recht komen. Indien zulks
niet mogelijk is en de beginselen in botsing komen,
dienen de beginselen der rechtvaardigheid den voor-
ang te genieten. Sommige schrijvers geven een zeer
uitvoerige onderverdeeling. Zoo bezien zij de alge-
meene, politieke, financieele, economische, sociale
en belasting -technische eischen, voorts de ideale
373
Belastingen
374
eis chen voor de directe en de indirecte belastingen,
om ten slotte belangrijke theoretische afzonderlijke
vraagstukken te behandelen. In het algemeen kan men,
zonder tot eenige onderverdeeling of zelfs tot eenige
indeeling der beginselen in bepaalde categorieën
over te gaan, voor een behoorlijk belastingstelsel
eischen, dat alleen die uitgaven door belastingen
worden gedekt, welke de belastingheffer niet kan
bestrijden uit inkomsten, die hij uit domeinen, uit
privaatrechtelijke handelingen of uit retributiën
kan trekken. De belastingen moeten het vermogen
onaangetast laten, d.i. uit het inkomen kunnen
worden betaald en bovendien een zoodanig gedeelte
van het inkomen onaangetast laten, dat hieruit na
behoorlijke voorziening in de levensbehoeften kapitaal-
vorming mogelijk is. De heffing is zoodanig in te
richten, dat zij op geschikte tijdstippen, met de
noodige soepelheid in betaling, plaats vindt en vol-
doende mogelijkheid biedt voor uitstel van betaling.
De inningskosten behooren slechts een gering percen-
tage der opbrengst van elke afzonderlijke belasting
te bedragen. Het spreekt vanzelf, dat de heffingen
voldoende moeten zijn om de behoeften te dekken,
de voortbrenging niet meer dienen te belemmeren dan
onvermijdelijk is, de belastbare objecten niet mogen
v ernietigen, een voldoende constante opbrengst moeten
verzekeren, gemakkelijk voor verhooging of verlaging
vatbaar en moeilijk te ontduiken moeten zijn. Een
der voornaamste eischen is, dat de belasting in even-
redigheid zij van ieders draagkracht, met name pro-
gressief, zonder dat deze bijv. door progressie van
progressie relatief te hoog wordt. Privilegiën, als gunst-
betoon, en dubbele belasting mogen niet voorkomen.
In een goed belastingstelsel zullen, naast heffingen
van het inkomen, belastingen van niet noodzakelijke
verteringen voorkomen. De inkomstenbelasting kan
óf een algemeene zijn, welke de inkomsten uit alle
permanente en niet-permanente bronnen gelijkelijk
treft met een zelfde tarief, in acht nemend een normale
progressie, die voor de opbrengsten der verschillende
bronnen gelijk is, óf een schedulaire belasting, waarbij
de opbrengsten van elke groep van bronnen (onroerende
zaken, roerend kapitaal, onderneming en arbeid,
enz.) afzonderlijk worden getroffen, al dan niet met
afzonderlijke tarieven voor de verschillende groepen
van bronnen, óf een schedulaire belasting en daar-
boven nog een algemeene inkomstenbelasting, bij
welke laatste de bijzondere factoren, die de draag-
kracht beïnvloeden, tot uiting komen bij de vaststel-
ling van het belastbaar object, zooals het gehuwd zijn,
het kinderaantal, overige familieverplichtingen e.d.
De verteringsbelastingen moeten geheven worden
van voorwerpen van gebruik zooals bij de personeele
belasting, en voorwerpen van verbruik, zooals bij de
accijnzen. Een groote verscheidenheid van heffingen,
in tegenstelling tot de te verwerpen enkelvoudige
belasting (impöt unique) kan rekening houden met
alle eischen van rechtvaardigheid, staathuishoudkunde
en financieel beleid.
Bankgeheim in belastingzaken bestaat in zoo-
verre, dat de banken, tenzij het betreft een boeken-
onderzoek naar de nakoming van hun eigen fiscale
verplichtingen, niet verplicht zijn den fiscus in-
lichtingen te verstrekken omtrent hetgeen zij weten
nopens vermogen of financieele transacties van hun
cliënten. Een bankgeheim bestaat niet in dezen
zin, dat de fiscus de bedoelde gegevens niet bij de
banken kan te weten komen. De belastingwetten
zijn met name zoodanig, dat practisch elk oogenblik
de belastingadministratie een onderzoek van boe
ken en bescheiden bij elke bankinstelling kan ten uit-
voer leggen, en alle gegevens omtrent cliënten ver-
zamelen. Ministerieele voorschriften omtrent de
vraag óf en hoe die gegevens mogen gebruikt worden,
beteekenen practisch niets, daar zelfs bij strikte uit-
voering dier voorschriften de cliënten er niet op kunnen
rekenen, dat hun transacties geheim blijven en ver-
volgens omdat de uitvoerende inspecteur zich er
niet steeds aan houdt. Zoowel de zegelwet, als de
wetten op de dividend- en tantièmebelasting, ver-
mogens- en inkomstenbelasting e.a., geven den fiscus
voldoende machtsmiddelen om, indien hij omtrent
een bepaalden persoon gegevens wil hebben, zich deze
bij de banken te verschaffen. Desnoods schakelt de
fiscus de Justitie in, die door huiszoeking bij bepaalde
banken de gewenschte gegevens bemachtigt. RusseL
B) Belastingwetgeving in Nederland.
1° Constructie van de heffingen. De belas-
tingen (in economisclien zin), welke ten behoeve van
het Rijk worden opgelegd, moeten worden geheven
uit kracht van een wet (art. 176 Grondwet). Hieraan
voldoen alle belastingen. Sommige zijn echter, hoewel
geheven uit kracht van een wet, juridisch niet als
zoodanig uitgewerkt, bijv. de vsch. crisisheffingen.
Enkele rijksretributies zijn daarentegen juridisch wel
als „belastingen” geconstrueerd. De Provinciale
wet geeft algemeene regels ten aanzien van de
belastingen, welke ten behoeve van een provin-
cie worden opgelegd; deze moeten worden ge-
heven uit kracht van een provinciale verordening.
De Prov. wet schrijft voor, dat ook de provinciale
retributies juridisch als provinciale „belastingen”
moeten worden uitgewerkt. De Gemeentewet geeft
algemeene regels ten aanzien van de belastingen, welke
ten behoeve van een gemeente worden opgelegd ;
zij moeten geheven worden uit kracht van een gemeen-
telijke verordening, waarop voorafgaande koninklijke
goedkeuring wordt vereischt. Ook de gemeentelijke
retributies, zelfs de schoolgelden van bijzondere
scholen, moeten juridisch als plaatselijke „belastingen”
worden geconstrueerd. De wijze van heffen van water-
schapslasten is overgelaten aan de reglementeerende
bevoegdheid van de provinciale staten, die dit
in de waterschapsreglementen moeten aangeven. De
omstandigheid, dat een belasting in economischen
zin juridisch niet als zoodanig is uitgewerkt, of dat
een retributie wél als „belasting” is geconstrueerd,
is van belang voor de berechting van overtredingen
(overtreding van bel. in juridischen zin wordt berecht
door de rechtbank), voor de toepassing der zegelwet,
alsmede, bij plaatselijke bel. (zie den staat in kol. 375).
voor de voorafgaande koninklijke goedkeuring, voor
de invordering en de administratieve rechtspraak door
den raad van beroep.
2° Overzicht van de verschillende belastingen
in economischen zin, welke in Ned. op 1 Jan. 1934 wor-
den geheven.
De belastingen, opgenomen onder nr. 23, 24 en 39
zijn juridisch niet als „belasting” uitgewerkt; alle
andere wel. Behalve deze laatste zijn tal van retribu-
ties als „belasting” geconstrueerd (zie onder 1°),
welke niet in het overzicht zijn opgenomen. — In
den staat zijn de vlg. afkortingen gebezigd:
Rijk = gewone dienst van het Rijk. Wegenf. = Wegen-
fonds. Gem. fonds = Gemeentefonds. Gem. = Ge-
meente. Prov. = Provincie.
375
Belastingen
376
Volg-
num-
Naam van de
belasting
Zij wordt
geheven
De opbrengst komt ten
goede van
Aanteekeningen
mer
door
Hoofdsom
Opcenten
1
Inkomstenbelasting
Rijk
Rijk
Rijk
Prov.
2
Gemeentefondsbelasting
»»
Gem .fonds
Gem. fonds
Gem. a)
Gem.
a) Voorzooveel be-
treft het classifica-
tie -verschil.
3
Vermogensbelasting
Rijk
Rijk
Gem.fonds
Gem.
Prov.
4
Verdedigingsbelasting I
„
6
Rechten van successie,
overgang en schenking
,,
»t
6
Grondbelasting
»
„ (voor y 4 )
Rijk b)
b) Alleen opcenten
Gem.
op de gebouwde ei-
gendommen.
Gem. ( „ %)
Prov. c)
c) De prov. Fries-
land heft onder den
naam „bemalings-
belasting” buiten-
gewone opcenten op
de ongebouwde ei-
gendommen.
7
Dividend- en tantième-bel.
«
Rijk
Rijk
Gem.
8
Personeele belasting
li
Gem.
Gem.
9
Invoerrechten
II
Rijk
Rijk d)
d) Alleen opcenten
op goederen, welke,
naar verwachting,
in Ned. niet worden
voortgebracht.
10
Statistiekrecht
jj
ii
Accijnzen op:
11
Gedestilleerd
*i
>i
ii
12
Wijn
ii
♦i
13
Bier
„
ii
ii
14
Tabak
»»
ii
„ e)
e) Alleen opcenten
op den sigaretten-
accijns.
16
Suiker
*l
n
.. f)
f) Bovendien op-
centen als crisishef-
fing (vgl. nr. 24).
16
Geslacht
.. *)
17
Zout
»l
ii
18
Registratierechten
♦>
ii
19
Zegelrechten
*1
ii
** s)
g) Alleen opcenten
op buitenlandsche
effecten.
20
Bel. op gouden en zilveren
werken
11
*i
21
Mijnrecht
lï
Gem.
22
Omzetbelasting.
i»
Rijk
377
Belastingen
378
Volg-
num-
Naam van de
belasting
Zij wordt
geheven
De opbrengst komt ten
goede van
Aanteeke-
ningen
door
mer
Hoofdsom
Opcenten
23
Naturalisatiegelden h)
Rijk
Rijk
h) De heffingen op-
genomen onder de
nrs. 23, 24 en 39
zijn economisch be-
lastingen, doch ju-
24
Crisisheffingen op tal van
landbouwproducten h)
*»
Landbouw-
ridisch niet als be-
lastingen uitge-
crisisfonds
werkt.
25
Wegenbelasting
»
Wegenf.
26
Rij wiel belasting
„
i) Wordt alleen ge-
27
Weggeld
Prov. i)
Prov.
heven in de prov.
Noord- Brabant en
Groningen.
28
Wegen-, straat- en vaart -
belasting j)
Gemeente
Gemeente
j) De gemeenten heb-
29
Bou wterre inenbelasting
»»
»»
den de bevoegdheid
30
Baatbelasting
»»
»»
de onder nrs. 28-38
31
Vermakelijkheidsbelasting
ii
opgenomen bel. te
32
Hondenbelasting
»»
»»
heffen: niet alle ge-
33
Zakelijke bel. op het bedrijf
»»
»»
meenten heffen in-
34
Woonforensen belasting.
»
»»
derdaad deze bel.
35
Vergunningsrecht
»»
36
Logccrgas tenbclast i ng
ï»
jj
37
Brandverzekeringbelasting
»*
jj
38
Reclamebelasting.
»
Kamer van
jj
Kamer van
39
Heffingen voor de Kamers
van Koophandel k)
Koophandel
Koophandel
k) Zie aanteeke -
ning h).
40
Waterschapslasten
Waterschap
Waterschap
Bij de Staten-Generaal op
1 Dec. 1933 aanhangig:
Couponbelasting.
Rijk
Rijk
Bel. van de doode hand
Aangekondigd is :
»»
Crisisinkom. tenbelasting
»
»»
Voor elk dezer bel. wordt naar de afzonderlijke trefwoorden verwezen.
Tot de belastingwetgeving behooren o.a. ook nog de
volgende wetten: wet tot bevordering van de > rich-
tige heffing der directe bel.; wet op de invordering
van de directe belastingen (-> Invordering); de wet
regelende het opleggen van voorloopige aanslagen
(> Aanslag); de wet, houdende een regeling betref-
fende het -> overschrijden van in belastingwetten
gestelde termijnen.
3° Indeel ingen van de onder 2° opgenoroen
bel. In staatsrechtelijken zin zijn direct bijv. de
bel. onder nrs. 1 — 4, 6 en 8; i n d i r e c t, die onder
nrs. 6. 7, 9 — 20, 22, 25, 26, enz.
Bestemmingsheffingen, tevens > „bijdragen”, zijn de
bel. onder nrs. 25 — 28, 30, 37 en 39. Bestemmings-
heffingen zijn overigens (zonder te behooren tot de
categorie der bijdragen): alle heffingen ten behoeve
van het gemeentefonds (de bel. onder nr. 2 en de op-
centen onder nrs. 2 en 3) en van het landbouw-crisis-
fonds (de bel. onder nr. 24); verder de bel. nr. 10 (ten
deele) en volgens sommigen nr. 40. De overige bel.
zijn „algemeene heffinge n”.
Voorbeelden van persoonlijke bel. zijn nrs. 1 — 4,
23 en 34; van sakelijke bel. de nrs. 6, 9 — 21,24 — 33,
35 — 38; van opbrengstbel. de nrs. 6, 7, 21, 31. Onder
de bel. naar het inkomen vallen de nrs. 1, 2 en 23;
onder die naar het vermogen de nrs. 3 — 5; onder ver-
teringsbel. de nrs. 8, 9, 11 — 17, 20, 22, 24, 31, 32,
34—36.
4° Opbrengst van de verschillende bel. Over
1928 bedroeg het totaal van alle Rijks-, provinciale en
gemeentelijke bel. (behoudens van enkele kleinere
heffingen, welke niet worden gepubliceerd) :
815 987 000 gld. Hieronder Ls begrepen aan „bijdragen”
29 118 000 gld. Van de overige 787 869 000 gld. werd
opgebracht door de bel. naar het inkomen: 278 938 000
gld. (35,4%); bel. naar het vermogen 83613000 gld.
(10,6%); Verteringsbel. 289 845 000 gld. (36,7%);
en overige heffingen 135 473 000 (17,3%).
379
Belastingen
380
Sinds 1928 is echter veel veranderd; de opbrengst
van de bel. naar inkomen en vermogen is sterk ge-
daald; bestaande verteringsbelastingen zijn verhoogd
en nieuwe ingevoerd. Onder de laatste zijn er, die om
> nevendoeleinden werden ingesteld, en mede daardoor
weinig rekening houden met draagkracht, o.a. de
•> crisisheffingen (opbrengst geraamd op zeker
150 000 000 gld.). De begroote opbrengsten per groep,
als boven zijn gegeven, kunnen over 1933 en ’34 niet
worden vermeld, omdat deze t.a.v. de provinciale en
plaatselijke bel. alsmede t.a.v. enkele rijksbelastingen
niet worden gepubliceerd. Zooveel mogeiijk worden de
laatst bekende opbrengsten van elke bel. bij de afzon-
derlijke trefwoorden opgenomen.
L i t. : Over do opbrengst der bel. : Statistiek der
Rijksfinanciën (div. jaren) ; Statistiek der gemeente-
financiën (div. jaren). Smeets.
Belastingwetgeving in Ned. Indië.
De bevoegdheid tot belast ingheff en komt in N.I.
toe aan het Land, Gewestelijke en Locale Raden ( > De-
centralisatie), Landschappen en Waterschappen. De
landsbelastingen worden bij Ordonnantie vastgesteld
en in de Begrooting opgenomen, zoodat de Staten -
Generaal het laatste woord er over hebben. Belastingen
en opcenten op de landsbelastingen, geheven door
Gewestelijke Raden etc., behoeven de goedkeuring der
Regeer ing. Landsbelastingen zijn te verdeden in:
1 ° d i r e c t e b e 1 a s t i n g e n. a) De op alle be-
volkingsklassen drukkende Inkomstenbe-
lasting (laatstelijk geregeld bij Ordonn. 1932
Stbl. no. 111), sedert 1922 vermeerderd met op-
centen (natuurl. pers. 30, na 1927 24, rechtspers. en
andere lichamen 20) en sedert de tweede helft van 1932
met een tijdelijke crisisheffing, b) Personeele
belasting, dateerend van 1 Januari 1879, sedert
1 Januari 1920 (Stbl. no. 679) op alle bevolkings-
klassen drukkend, uitgez. hoofden en inl. vaste inge-
zetenen der vrije dessa ’s op Java en Madoera en de
zgn. > perdikanlieden (Stbl. 1926 no. 329). c)
Vennootschapsbelasting (1 Januari
1925), in 1925 vermeerderd met 25, in 1930 met 20
opcenten, d) Grondbelasting, te verdeden in:
1° verponding, geheven van onr. goed, waarop Eur.
eigendom of ander zakelijk recht rust of dat bezeten is
krachtens titel, ontleend aan beschikking van het Br.
Gouvernement (18 Sept. 1811 — 19 Aug. 1816); 2° In-
landsche verponding, geheven van gronden op de
hoofdplaatsen, waarop inl. bezitrecht of agrar. eigen-
dom rust; 3° Landrente, geheven op Java en Madoera
(niet in de Vorstenlanden) van gronden, buiten de
hoofdplaatsen, waarop inl. bezitrecht of agrar. eigen-
dom nist (> Landrente). Voor droge gronden berekend
naar de grondwaarde; voor sawahs wordt een deel van
het product geheven, alzoo een oogstbelasting. e)
Sedert 1 Januari 1 932 wordt Vermogensbe-
lasting geheven van alle inwoners van N.I. en
niet-ürwonenden, die aldaar eigendommen, schuld-
vorderingen door hypotheek verzekerd, bedrijf of
beroep voor langer dan 3 maanden hebben. Vermogens
onder 25 000 gld. zijn vrijgesteld (Ordonn. 1931 Stbl.
nr. 405). f) Motorvoertuigenbelasting
1° voor de Buitengewesten (Stbl. 1933 no. 36); 2° voor
Java en Madoera (Stbl. 1933 no. 111).
2° Indirecte belastingen, zooals: in- en
uitvoerrechten en accijnzen (met wettelijk vastgestelde
tarieven). Voor in- en uitvoerrechten zijn de artikelen
speciaal aangewezen. Accijns is verschuldigd voor
tabak, lucifers, petroleum en inl. gedestilleerd. Indi-
recte belastingen zijn voorts: statistiekrecht (1 Mei
1925); rechten van successie en overgang bij over-
lijden (sedert 1836); rechten van overschrijving van
recht van (niet-agrar.) eigendom en opstal (1 Aug.
1924); vergunning tot het houden van Chin. speel- of
dobbeltafels (1912); vergunning tot het houden van
pandhuis of bank van leening in gew. Riouw, Amboina,
Timor en ass. res. N.Guinee (1869); Zegelrecht (1921),
hooger dan in Ned., wijl in N.l. geen registratiebelas-
ting bestaat; slachtbelastingen in verschill. deelen
van N.I.; bel. op de vischvijvers (1893); bel. voor
aanleg en onderhoud der wegen ter hoofdplaats Ben-
koelen (1876); bel. op de uitvoerproducten (gom, hars,
peper, pinang, vogelnestjes etc.) v.h. eiland We (1901);
bel. op het uitgraven van diamant in res. Z. en O. afd.
van Bomeo (1861); bel. op sago, klappers, copra en
klapperolie op Riouw en O. (1913); bel. ter vervan-
ging van heerendiensten in onderafd. Makassar (1891);
bel. 1/10 van het rijstgewas in gouvemem. Celebes
en O. (1893); vogelbelasting in Z.Nieuw-Guinee (1
Jan. 1928); loterijbelasting (1923); heffing van vendu -
salaris bij openb. verkoopingen (1908); heffing van
1 / ïooo voor de armen bij openb. verkoopingen (Gen.
Resolutie v.h. Kasteel Batavia 22 Febr. 1745).
In de Vorstenlanden: a) motorrijtuigenbei . (1925);
b) vermakelijkheidsbelasting, 20% v.d. entrée (1925):
c) vergunningsbel. (1926). B. Damen.
Belastingwetgeving in Suriname.
De navolgende directe en indirecte belastingen woor-
den geheven:
1° inkomstenbelasting;
2° belasting op de huurwaarde van gebouwen met
de daarbij behoorende erven;
3° paardengeld;
4° accijns op het binnenlandsch gedestilleerd;
5° recht op verlofbewijzen tot verkoop van gedes-
tilleerd ;
6° invoerrechten;
7° opcenten op de invoerrechten;
8° belasting op goud;
9° belasting op bauxiet ;
10° belasting op lucifers;
11° zegelrechten;
12° geneeskundige belasting;
13° successie- en overgangsrechten;
14° hondenbelasting;
15° rij- en voertuigenbelasting;
16° belasting op publieke vermakelijkheden;
17° heffingen in het bijzonder voor den aanleg, het
onderhoud en de verbetering van straten en wegen.
De voornaamste dezer heffingen zijn de invoerrech-
ten, die voor het dienstjaar 1934 op 1 450 000 gld.,
de inkomstenbelasting, die voor dat dienstjaar op
365 000 gld., de opcenten op de invoerrechten alsmede
de zegelrechten, die resp. op 362 000 gld. en 88 000
gld. zijn geraamd.
Belastingwetgeving op Cura^ao.
In de volgorde der begrooting zijn de belastingen de
volgende:
1° invoerrecht;
2° accijns op gedestilleerd;
3° accijns op geslacht;
4° zegelbelasting;
5° overdrachtsbelasting;
6° belasting op openbare verkoopingen van roe-
rend goed;
7° grondbelasting;
8° gebruiksbelasting;
381
Belastingen
382
9° inkomstenbelasting;
10° successiebelasting;
11° vergunningsrecht;
12° hondenbelasting;
13° motorrijtuig-, rijwiel- en motorbootbelasting;
Deze opsomming geldt voor de geheele eilandengroep ,
die onder de benaming Cura<;ao bekend is, met name:
CuraQao, Aruba, Bonaire, St. Martin (Ned. gedeelte),
St. Eustatius, Saba, met dien verstande, dat al die
heffingen gelden voor Curacao zelf en alle, met uit-
zondering van 3° en 6° voor Aruba. Voor Bonaire
worden niet geheven 3°, 5°, 6°, 8° en 10°. Voor St.
Eustatins en Saba bestaan alleen de onder 1°, 2°, 4°,
11° en 12° genoemde; voor St. Martin alleen de onder
1°, 4°, 11° en 12° vermelde belastingen. De voornaamste
belastingen zijn de invoerrechten, het accijns op ge-
destilleerd, de inkomsten- en grondbelasting. Russel.
C) Organisatie van den belastingdienst.
Aan het hoofd van den dienst der bel. staat de direc-
teur-generaal der belastingen. Aan het departement
van Financiën ressorteeren onder hem vijf afdeeJingen
(centrale directie, directe bel., indirecte bel., invoer-
rechten en accijnzen, hypotheken en kadaster). Buiten
het departement zijn onder leiding van den directeur-
generaal der belastingen werkzaam drie diensten, nl.
1° van de directe belasting, invoerrechten en accijn-
zen; 2° van de registratie en domeinen; 3° van het
kadaster.
1° De dienst van de directe bel., invoer-
rechten en accijnzen is belast met de uit-
voering van de wetten betreffende bel. naar inkomen
en vermogen, invoerrechten, accijnzen, grond-, perso-
neele omzetbel., wegen-, rijwiel-, waarborgbelasting,
recht op de mijnen, enz., met dien verstande, dat de
dienst der registratie en domeinen eveneens de bel.
naar inkomen en vermogen behandelt. De dienst van
de dir. bel., inv. en acc. telt 9 directies (Amsterdam,
Rotterdam, Utrecht, Breda, Den Bosch, Maastricht,
Arnhem, Zwolle en Groningen). Elke directie is ver-
deeld in inspecties; de inspecties hebben een afzon-
derlijke taak, die ófwel ligt op het gebied der dir.
bel. óf op dat der invoerr. en acc. waar-
onder ook de omzetbel. valt). Er zijn 88 inspecties
der dir. bel., 31 insp. der inv. en acc. en 4 sub-
inspecties der inv. en acc. Aan het hoofd van een
inspectie staat een hoofdnspecteur of inspecteur aan
wien inspecteurs enoms ontvangers, alsmede admi-
nistratief personeel zijn toegevoegd. In elke inspectie
zijn een of meer ontvangkantoren (260 in het
geheele land). Aan een kantoor der dir. bel.
is de invordering van de dir. bel. opgedragen,
alsmede de inning van de wegenbelasting, school-
geld e.a.; aan een 12-tal kantoren mede de inning
van de dividend- en tantièmeb. Op een kantoor der
accijnzen geschieden de werkzaamheden voor de inning
der acc. en der omzetbel.; op een kantoor der invoer-
rechten de toepassing van de tariefwet en de inning van
de invoerr. De «meeste kantoren hebben een ge-
mengde taak, zij heeten dan kantoren der dir. bel.,
inv. en acc., of der dir. bel. en acc. Bovendien zijn
op 73 plaatsen aan de grens kleinere kantoren uitslui-
tend voor de invoerrechten gevestigd, genaamd grens-
kantoren. Op ruim 800 plaatsen in het land zijn ver-
der gevestigd stationnementen van den acticven
dienst, welks ambtenaren met verschillende werk-
zaamheden buiten de kantoren zijn belast, bijv. met
bewaking van de grenzen, controle van de aangiften
ten in-, uit- en doorvoer, uitvoering van de accijns-
wetten, verzamelen van gegevens voor de aanslag -
regeling der dir. bel., de invordering (deurwaarders),
schatten van de waarde van meubilair, auto’s enz.
De contróle van de aangiften ten in-, uit- en doorvoer
geschiedt in hoofdzaak in secties van de invoerrechten
en accijnzen.
Onder de directies ressorteeren verder nog: a) de
accountantsbureau ’s (totaal 18), belast met de con-
trole der boekhoudingen ten dienste van verschillende
bel.; b) de controles der grondbelasting (totaal 16)
tot uitvoering van de wet op de grondbelasting; c)
de controles van den waarborg en de belasting der gou-
den en zilveren werken (totaal 8).
2° De dienst der registratie en domei-
nen is belast met de uitvoering van de wetge-
ving betreffende successie-, registratie-, zegel -
belasting, hypotheken en gedeeltelijk de bel. naar
inkomen en vermogen.
Er zijn zes directies (Amsterdam, Den Haag, Mid-
delburg, Maastricht, Arnhem en I eeuw r arden). De
directies zijn onderverdeeld in inspecties (totaal 48),
belast met aanslagregeling van de bel. naar inkomen
en vermogen en met toezicht op naleving van andere
wetten. In elke inspectie zijn een of meer ontvangkanto-
ren (totaal 109), belast met de toepassing van de succes-
sie-, registratie- en zegelw r et, de inning dezer bel. en het
beheer van de domeinen, en gew T oonlijk een hypo-
theekkantoor, aan welks hoofd staat een bewaarder
van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen
(totaal 34). Op 6 plaatsen is een hypotheekkantoor
gecombineerd met een ontvangkantoor.
3° De dienst van het kadaster is belast met
de opmetingen op het terrein ten behoeve van het
kadaster. Er zijn 7 divisies (Amsterdam, Den Haag,
Breda, Arnhem, Utrecht, Assen en Groningen), aan
welker hoofd een ingenieur -verificateur staat. In elke
divisie zijn verschillende standplaatsen (c.q. bureau ’s)
van landmeters (totaal 36).
In 1931 is een reorganisatie van den belastingdienst
aanhangig geweest, welke in hoofdzaak hierop zou
neerkomen, dat de inv. en acc. een afzonderlijke dienst
zouden worden, terwijl de dir. bel. en de reg. en dom.
zouden worden samengevoegd. De beslissing hierom-
trent is uitgesteld. Smeets .
II. België.
Begripsbepaling.
B. is een verstrekking in geld, in natura of in werk,
die door een publiekrechtelijke macht aan de particu-
lieren w r ordt opgelegd voor het dekken van uitgaven
van algemeen of plaatselijk nut. Het oude recht kende
hoofdzakelijk prestaties in natura of in werklevering
bijv. de tienden en de karweien. In het moderne recht
hebben de b. hoofdzakelijk een geldelijk karakter,
behalve bijv. de zgn. militaire verstrekkingen alsook
zekere werkleveringen, opgelegd voor het onderhond
der buurtwegen (Wet 10 April 1841). B. veronderstelt
dus een verstrekking, die wordt opgelegd door het
gezag en waarvan de opbrengst wordt aangewend tot
het bekostigen van openbare diensten. Ontbreekt een
van die karakters, dan is er geen b. (Hof v. verbr.
11 Dec. 1869). Hieruit volgt, dat het belastingrecht
of fiskaal recht behoort tot het publiek recht. Het
vermogen om belastingen te heffen is een van de
eigenschappen van het „imperium”. Hieruit volgt
eveneens, dat de zgn. vergeld ingstaksen, zooals bijv.
de plaatsgelden in de hallen, jaarmarkten of slacht-
huizen, het standgeld op den openbaren weg, de waag-,.
383
Belastingen
384
meet- en peilgelden, geen eigenlijke b. zijn; zij zijn
de betaling van een bewezen dienst.
Grondwettelijke regelen.
De grondslagen van de Belgische belastingspolitiek
zijn neergelegd in de art. 110 vlg. van de Grondwet.
a) Het hoofdbeginsel is de gelijkheid van alle
belastingschuldigen: geen voorrechten kunnen op het
stuk van b. worden verleend; geen vrijstelling of
vermindering van b. kan worden toegestaan dan uit
kracht van een wet (art. 112). Beoogd wordt hier
vooral het voorkomen van zekere privilegiën, die
tijdens het oud regime de b. op ongehjke mate onder
de belastingschuldigen verdeelden. In dien zin is art.
112 het gevolg van art. 6 van de Grondwet, dat het
onderscheid van standen in den Staat afschaft en alle
Belgen gelijk verklaart voor de wet. Het beginsel van
de gelijkheid der belastingschuldigen belet niet, dat
de wetgever bepaalde bronnen van inkomsten of be-
paalde categorieën van personen zou belasten. Alleen
wordt geëischt, dat alle schatplichtigen, die zich
in dezelfde voorwaarden bevinden, gelijk zouden
worden belast.
b) De b. van den Staat worden ingevoerd bij een
wet, die van de provinciën en van de gemeenten worden
respectievelijk ingevoerd met de toestemming van
den provincialen raad en van den gemeenteraad
(art. 110). Die bepaling vindt haren oorsprong in de
Constitutie van 3 Sept. 1791: „Tous les citoyens ont
le droit de constater, par eux-mêmes ou par leurs
représentants, la nécessité de la contribution publique,
de la consentir librement, d’en suivre 1’emploi et
d’en déterminer la quotité, 1’assiette et le recouvre-
rnent.” Evenals er in het strafrecht geen straf is zonder
wet, zoo ook is er in het fiskaal recht geen b. zonder
wet. Uit dit beginsel moet worden afgeleid, dat de
belastingwetten niet analogisch mogen toegepast
worden. De analogische toepassing van den tekst mag
echter niet verward worden met de extensieve ver-
klaring daarvan. Deze is in fiskaal recht evenals op
andere rechtsgebieden geldig. Uit ditzelfde beginsel
moet nog worden afgeleid, dat in geval van twijfel
de fiskale wet ten voordeele van den belastingschuldige
moet uitgelegd worden: In dubiis contra fiscum.
~c) De b. van het Rijk worden elk jaar bij stemming
vastgesteld (art. 111). In strijd met het algemeen
beginsel luidens hetwelk de wetten van kracht blijven
tot hun afschaffing, hebben de b. -wetten maar kracht
voor één jaar (zie de wet van 15 Mei 1846).
d) De b. -wetten behooren tot de openbare orde.
Aldus zijn zonder gevolg de dadingen tusschen den
Staat en den belastingschuldige getroffen, en kan door
dezen laatste geen compensatie worden ingeroepen.
Uit het karakter van openbare orde vloeit eveneens
voort het positiefrechtelijk verbod de b. te ontduiken
of overeenkomsten te treffen met het doel ontduikin-
gen te bevorderen. Er is echter geen ontduiking,
wanneer de belastingschuldige, die de keus heeft
tusschen twee bewerkingen, diegene verkiest, die
fiskaal het voordeeligste is.
e) De b. -wetten hebben geen terugwerkende kracht.
Het niet-retroactiviteitsbeginsel vindt zijn grondslag
niet in de Grondwet, maar in artikel 2 van het Burger-
lijk Wetboek, dat op alle wetten toepasselijk is,
tenzij de wetgever er anders over beslist. De wetgever
kan dus van het niet-retroactiviteitsbeginsel af zien
en aan een bepaalde belasting terugwerkende kracht
verleenen, zulks zou hij dan uitdrukkelijk moeten
verklaren.
Vordceling der b. en bestaande soorten van be-
lasting.
Men onderscheidt: 1° de staatsbelastingen; 2° de
provinciale en gemeentelijke belastingen. Hier wordt
alleen gehandeld over de staatsbelastingen. De > pro-
vinciale en -v gemeentelijke b. maken het voorwerp
uit van een afzonderlijk artikel.
Vroeger werden b. ingedeeld in omslagbelastingen
en quotiteitsbelastingcn. Omslagbelastin-
gen zijn die, waarvan jaarlijks „ne varietur” het
bedrag door de wet op voorhand wordt vastgesteld en
over de belastingschuldigen verdeeld naar rato van
hun inkomsten, vermogens of bezittingen. Vóór de
wet van 7 Juni 1867 was de grondbelasting in België
een omslagbelasting. De globale opbrengst werd
jaarlijks door de wet op voorhand vastgesteld en
verdeeld over de negen provinciën van het Rijk. De
provinciale overheid verdeelde ze over de gemeenten,
die op hun beurt het aandeel van iederen ingezetene
bepaalden. Dit systeem, reeds gehuldigd door de wet
van 3 Frimaire jaar VII, is thans in België voor de
Staatsbelastingen afgeschaft. De provinciën en ge-
meenten kunnen nog omslagbelastingen innen, alhoe-
wel zulks niet geschiedt. Quotiteitsbelas-
t i n g e n zijn die, waarvan de wetgever alleen het
tarief vaststelt, zonder vooraf bepaling van de
opbrengst. Deze wordt alleen bij benadering beraamd
in de begrooting van ’s Lands Middelen. Een andere
indeeling, die klassiek is en van den beginne af door
het Belgisch Beheer werd gebezigd, is die tusschen
de rechtstreeksche en de onrecht-
streeksche b. Onder rechtstreeksche b. verstaat
men die, welke, geïnd volgens nominatief opgestelde
kohieren, gelegd worden op dc goederen zelf of op de
inkomsten, die zij afwerpen. Onrechtstreeksche b.,
integendeel, woorden geheven bij den juridischen om-
loop of omzet der goederen, zooals de fabricatie, den
verkoop, het vervoer, den in- en uitvoer en het ver-
bruik (Instructie van 8 Jan. 1790 gehecht aan het
Decreet van 31 December 1789).
Deze indeeling is nog steeds de grondslag van de
organisatie van het belastingenbeheer. De belasting-
soorten, die er onder gerangschikt zijn, hebben echter
een zeer belangrijke evolutie ondergaan.
Voor den oorlog kende men als rechtstreeksche
belastingen: a) de grondlasten, van Fransch-revolu-
tionnairen oorsprong (wet van 3 Frimaire VII);
b) de personeele b. uit het Hollandsch tijdvak over-
genomen (wet 28 Juni 1822): deze laatste had een
indiciair karakter en werd gelegd op het vermoedelijk
inkomen, bepaald volgens zekere kenteekens nl. de
huurwaarde der woonhuizen, de deuren en vensters,
de haardsteden, het mobilair, het dienstpersoneel en
de paarden. Door een wet van 26 Juli 1879 werden de
haardsteden aan de personeele b. onttrokken; c) het
patentrecht, eveneens van Fransch-revolutionnairen
oorsprong (wet van 2 — 17 Maart 1791) en gelegd op
het uitoefenen van handel, bedrijf, nijverheid, ambacht
of slijterij. Na den oorlog w r erd dit systeem heelemaal
uiteengerukt. De personeele b. op de huurwaarde der
woonhuizen, de deuren en vensters, evenals het patent-
recht w r erden af geschaft en vervangen door een nieuw
belastingstelsel, dat hoofdzakelijk aan de Engelsche
„income-tax” is ontleend. Dit stelsel, opgebouwd
door de wet van 29 October 1919, onderwerpt aan de b.
385
Belastingen
386
de inkomsten van onroerende goederen (grondb.),
van roerende kapitalen (mobiliënb.) en van de uit-
oefening van een bedrijf (bedrijfsb.). Daarenboven
voorziet zij een aanvullende b. op het globaal inkomen
(supertaks).
Achteraf werd deze taks afgeschaft en vervangen
door een aanvullende personeele b. (wet 13 Juli 1930).
Deze laatste, evenals de vooroorlogsche personeele b.,
heeft een indiciair karakter en beteekent dus, in een
zekere mate althans, een terugkeer tot het vorige
regime.
De verschillende soorten van onrechtstreeksche b.
zijn nagenoeg dezelfde gebleven, alleen werd hun
veld van toepassing verbreed en werden de tarieven
aanzienlijk verhoogd. Nochtans dient een nieuwe
soort van onrechtstreeksche b. aangestipt nl. de
> „Taksen met het zegel gelijkgesteld”, waardoor de
juridische omloop van alle roerende voorwerpen wordt
belast.
In het thans van kracht zijnde regime zijn onder de
rechtstreeksche b. gerangschikt:
1° de inkomstenbelastingen, omvattende de grond-
belasting, de mobiliënbelasting, de bedrijfsbelasting,
de aanvullende personeele belasting en de crisis-
belasting; 2° de b. op het mobilair; 3° de b. op de
automobielen en andere motor- of stoomvoertuigen;
4° de b. op de openbare vertoon ingen of vermakelijk-
heden; 5° de b. op de spelen en weddenschappen;
6° de b. op het openen van slijterijen van gegiste of
geestrijke dranken; 7° de b. op de verhuring van jacht,
vogel- en vischvangst.
De onrechtstreeksche b. omvatten:
1° de tol- en accijnsrechten en den verbniikstaks op
de schuimdranken; 2° de registratierechten; 3° de
hypotheekrechten (omschrijving en inschrijvings-
rechten) en griffierechten; 4° de successierechten en den
taks op de vereenigingen zonder winstbejag; 6° de
zegelrechten; 6° de taksen met het zegel gelijkgesteld.
Deze laatste werden na den oorlog als nieuwe bronnen
van inkomsten in het leven geroepen om de zware
staatsschulden te delgen en de begrooting in evenwicht
te brengen. Zij omvatten onder meer: de overdracht-,
factuur- en w eeldetaksen ; den taks op de vervoer-
overeen komsten en op de verhuring van roerende
voorwerpen; den taks op de beursverrichtingen; den
taks op de voorschotten in banken; den taks op de
verzekeringscontracten en op de aanplakkingen.
Opbrengst der belastingen.
De economisten zijn het niet eens over de vraag,
welke soort van b. economisch de beste is. Sommigen
geven de voorkeur aan de rechtstreeksche b., zooals
o.m. Pesch (Lehrbuch der Nationalökonomie III,
760), die ze als ideaal beschouwt, op voorwaarde dat
ze een progressief karakter hebben. Anderen in tegen-
deel geven de voorkeur aan de onrechtstreeksche b.,
waarvan de verdeel ing gelijkmatiger is en de inning
gemakkelijker. ïn België hadden in den loop der 19e
eeuw de rechtstreeksche b. het overwicht. Sinds 1860
nochtans ziet men geleidelijk de opbrengst van de
onrechtstreeksche b. stijgen, in die mate dat ze in 1905
reeds de opbrengst der rechtstreeksche b. met 71 mil-
lioen overtrof. Na den oorlog zijn de onrechtstreek-
sche b. veruit de voornaamste bron van de staats-
inkomsten gewerden.
Zie onderstaande tabel van de ontvangsten van het
belastingjaar 1932.
1° Rechtstreeksche
a) Grondbelasting
b) Mobiliënbelasting . . . .
c) Bedrijfsbelasting ....
d) Aanvullende personeele be-
lastingen
e) Taks op het mobilair . .
f) Taks op jacht en vischvangst
g) Taks op de automobielen
h) Taks op de vermakelijkheden
i) Taks op de spelen en wedden-
schappen
j) Taks op het openen van
drankslijterijen
belastingen.
329.430.062.76 frs.
604.777.786,44 „
523.218.846,47 „
86.849.815,98 „
13.075.484,39 „
1.718.554,87 „
95.033.006,13 „
63.703.308,76 ,,
41.928.420,62 „
29.319.689,58 „
1.779.054.976,— frs.
2° Onrechtstreeksche belastingen.
a) Tolrechten 1.656.128.664,29 frs.
b) Accijnzen 819.327.101,35 „
c) Verbniikstaks op de schuim-
dranken 241.500.341,60 „
d) Registratierechten . . . 625.833.945,60 „
e) Griffierechten 9.065.200,81 „
f) Hypotheekrechten .... 13.036.809,47 „
g) Successierechten .... 212.108.637,28 „
h) Met het zegel gelijkgestelde
taksen 1.855.302.686,79 „
i) Taks op do vereenigingen
zonder winstbejag . . . 2.376.812,69 „
6.234.670.098,88 frs.
Algemeen totaal:
Rechtstreeksche belastingen 1.779.054.976. — frs.
Onrechtstreeksche belastingen 6.234.670.098,88 „
!) 7.013.725.074,88 frs.
J ) Cijfers genomen uit den „Moniteur” van 28 Mei
1933, blz. 2765.
De onrechtstreeksche b. verzekeren dus aan den Belg.
Staat een inkomen, dat circa driemaal zoo hoog is als
dat van de rechtstreeksche b. Het zegelrecht en de
met het zegel gelijkgestelde taksen verzekeren, zij
alleen, een grooter inkomen dan al de rechtstreeksche
b. samen. In de meest kritieke dagen van de financieele
crisis bezorgden zij aan den Staat een inkomen van
circa 7 millioen frank per dag (R. Symoens, La Taxe
de Transmission et les lmpóts connexes, blz. 7).
Belastingdiensten.
De inning van de staatsbelastingen behoort tot de
bevoegdheid van de uitvoerende macht en geschiedt
onder toezicht van den minister van Financiën, door
het Beheer der rechtstreeksche belastingen, door dat
van tol en accijnzen en door dat van Registratie en
Domeinen. De opbrengst der b. wordt door de ont-
vangers gestort in de kassen van de Nationale Bank,
onder toezicht van de agenten der schatkist.
A) Beheer der rechtstreeksche b. Naast het Midden-
bestuur, dat deel uitmaakt van de centrale diensten
van het ministerie van Financiën, omvat het Beheer
der rechtstreeksche b. plaatselijke diensten, die ver-
deeld zijn over 12 directies, nl. één per provincie met
uitzondering van Brabant, Antwerpen en Henegouwen,
die elk twee directies tellen. Elke directie omvat op
IV. 1*
387
Belastingen
388
haar beurt een zeker aantal inspecties, verdeeld in
controle -gebied en en ontvangerijen.
Kauw verband houdend met de directies van de
rechtstreeksche b. zijn de diensten der bewaarders van
het Kadaster. Deze zijn ten getale van 31 nl. één per
provincie, uitgezonderd voor Brabant en Henegouwen,
die elk twee bewaarders tellen. Elke dienst wordt
verdeeld in een zeker aantal gebieden aan het hoofd
waarvan een landmeter van het kadaster staat. Het
toezicht is toevertrouwd aan controleurs, waarvan het
aantal verschilt naar de belangrijkheid van den dienst.
B) Beheer van Tol en Accijnzen. De speciale en
technische diensten, hoofdzakelijk belast met het
voorbereiden en de uitvoering der wetten, het onder-
zoek der betwiste zaken, het toezicht op de ontvangers
en het opmaken van de handelsstatistiek belmoren tot
het Middenbestuur. De gewone diensten zijn verdeeld
in zes plaatselijke directies met elk een zeker aantal
contrölegebieden, op hun beurt verdeeld in ontvange-
rijen.
C) Beheer van Registratie en Domeinen. Heefteen
dubbele bevoegdheid nl. de administratie van het
privaat domein van den Staat (Beheer der Domeinen)
en de administratie van registratie-, zegel-, hypo-
theek-, successie- en griffierechten, alsook van de
met het zegel gelijkgestelde taksen (Beheer der
registratie). De plaatselijke diensten zijn ingedeeld
in negen directies met elk een zeker aantal ontvange-
rijen, minstens één per gerechtelijk kanton.
Het toezicht is toevertrouwd aan ambtenaars, die
volgens hun hiërarch ischen graad, inspecteur of
verificateur worden genaamd. Het toezicht van de
taksen met het zegel gelijkgesteld behoort bij speciale
controleurs, die den titel voeren van controleur der
overdracht- en weeldetaksen. Voor de bewaring van
de hypotheken bestaat er in beginsel een kantoor in
ieder gerechtelijk arrondissement.
Proceduur en strafrecht.
Voor de invordering der rechtstreeksche b. wordt
door den controleur de aanslag vastgesteld op voet
van de aangifte van den belastingschuldige, mits
deze aangifte juist bevonden werd. Tegen den aanslag
kan de belastingschuldige bezwaar indienen bij den
directeur van het gebied. Deze vaardigt een beslissing
uit tegen dewelke beroep kan aangeteekend worden
bij het Hof van beroep. Wordt de aangifte van den
belastingschuldige onjuist bevonden, dan kan de
controleur ze verbeteren, doch in dit geval doet hij,
alvorens den aanslag vast te stellen, aan den belang-
hebbende kennen, welk cijfer hij van plan is in plaats
van het aangegeven cijfer te stellen, tevens geeft hij
de redenen aan van de aangebrachte wijziging.
Wordt er geen aangifte gedaan, dan gaat de contro-
leur over tot een aanslag van ambtswege, na het
advies te hebben ingewonnen van een fiskale commissie.
Voor de onrechtstreeksche belastingen wordt, bij
niet toepassing of onvoldoende toepassing van het
eischbaar recht, door het Beheer een dwangbevel
uitgevaardigd, waartegen de belastingschuldige kan
in verzet komen. De zaak wordt dan door hem voor de
gewone rechtbank aanhangig gemaakt, volgens de
regelen van de burgerlijke rechtsvordering.
Strafbepalingen. Voor de rechtstreeksche b. is
voorzien een fiskale boete van 500 frs. tot 1 000 frs.
wegens de niet-naleving van de wettelijke voorschrif-
ten, o.m., wanneer geen aangifte wordt gedaan.
Valschheid en gebruik van valsche stukken, met het
inzicht de belasting te ontduiken, geven daarenboven
aanleiding tot de straffen voorzien in Hoofdstuk IV
Boek II Titel III van het Strafwetboek.
Voor de onrechtstreeksche belastingen onderscheidt
men eveneens twee soorten van strafmaatregelen nl.
de eigenlijke fiskale boeten, die opgelegd worden,
wanneer de overtreding geschiedt zonder kwade
trouw, en de correct ioneele straffen, die kunnen
opgelegd worden, wanneer de ontduiking met bedrieg-
lijk inzicht is geschied. De Weerdt/ Rondou.
Belastingwetgeving in Belgisch Kongo.
De regeling der inlandsche belasting in Belgisch
Kongo is bepaald in het decreet van 17 Juli 1914.
De belasting is tweeërlei: een hoofdelijke belasting
en een bijkomende belasting. De eerste is te betalen
door iederen volwassen werkkrachtigen kleurling,
die in den loop van het dienstjaar op het grondgebied
van de kolonie verblijft. De tweede is verschuldigd
door iederen kleurling, die meer dan één vrouw bezit,
en wordt berekend volgens het getal dier vrouwen, de
eersre vrouw uitgezonderd. Het bedrag der belastingen
wordt iaar lijks voor ieder gewest door den gouverneur-
generaal vastgesteld. Bij het vaststellen daarvan wordt
rekening gehouden met de middelen van bestaan en
de economische ontwikkeling der bevolk in?. De be-
lasting moet in één storting betaald en ter inning
gedragen worden. Na betaling ontvangt de belasting-
schuldige een kwitantie, die bij opvordering van de
staatsbeambten getoond moet worden.
De inning geschiedt door de staatsbeambten, daar-
toe pangesteld door den districtscommissaris. Voor het
inzamelen kunnen ook betrouwbare inlandsi he hoofden
en onderhoofden medewerken onder toezicht en beleid
der blanke inzamelaars.
In geval van nalatigheid in het betalen kan de be-
lastingschuldige rechtstreeks aan lijfsdwang onder-
werpen worden.
Voor Roeanda-Oeroendi bestaat een speciaal de
creet van 17 Juli 1931, dat de meeste bepalingen der
Kongoleesche wetgeving met hier en daar een wijziging
invoert. In die provincie bestaat ook een belasting
op het hoornvee, geregeld door het decreet van 14 Nov.
1927. De Jonghe.
111. Internationaal Privaatrecht. De verscheiden-
heid van de belastingsystemen der verschillende landen
kan tot gevolg hebben, dat dezelfde inkomsten twee-
maal aan eenzelfde b. onderworpen worden. Om die
dubbele b. te voorkomen werd in 1920 reeds door de
Internationale Financieele Conferentie te Brussel een
verzoek gericht tot den Volkenbond, ten einde Inter-
nationale Conventies dienaangaande te zien ontstaan.
Een zelfde verzoek werd door de Conferentie van Genua
in 1922 gedaan. Ingevolge dit verzoek heeft de Volken-
bond het probleem aangevat, en in 1928 hebben de
geaccrediteerde regeer ingsexperten verslag uitgebracht.
Dit verslag voorziet tw T ee- of meerzijdige overeenkom-
sten, volgens dewelke de inning der b. naar de volgende
regelen zou geschieden:
a) inkomsten uit onroerende kapitalen = inning
door het land, waarin de goederen gelegen zijn;
b) interesten van schuldvorderingen, leeningen, deposi-
to’s, obligatiën e.d. = inning door het land van den
schuldenaar; c) inkomsten uit aandeelen = inning
door het land, waarin zich do bestuurszetel bevindt
van de onderneming; d) inkomsten uit nijverheids-,
handels- of landbouwbedrijven = inning door het land,
waarin deze bedrijven gelegen zijn; e) inkomsten uit
loonen en salarissen = inning door het land, waarin
de loontrekkenden of gesalarieerden hun werkzaamheid
389
Belastingen
390
uitoefenen; f) successierechten = inning door den
Staat, waarin de overledene zijn woonplaats had op
den datum van zijn overlijden. Deze beginselen zijn
met lichte afwijkingen toegepast in drie overeenkom-
sten door België afgesloten met het groothertogdom
Luxemburg (9 Maart 1931), de Fransche Republiek
(6 Mei 1931) en het Italiaansch Koninkrijk (11 Juli
1931). — Teksten verschenen in den Moniteur van
17 Januari 1932.
L i t : Giron, Le Droit Administratif de la Belgiqiic
(188f>); Bcrnimoün, Les In.'titutions provincialcs ct com-
munales de La Belgique (lb92); Giron, Dicticnnairc de
Droit Administratif (3 dln. 189.S s.v. lm pets); Ingen-
bleek, La .lustice dans 1 Impöi (1918): Pandectes Beiges,
Vis CoiPributions, lmpóts, Taxes communales, Taxes
Provincialcs ; Errera. Traité de Droit Pub'ic Beige (1920):
Genin. Des lmpóts sur la Circulation Juridique des biens
(1927); Vauthier, Précis de Droit Administratif de la
Belgique (1928). De Weerdt/Rondou.
IV. Rechtsgrond en gewetensplicht.
Over rechtsgrond der belasting zijn vele belasting-
theorieën opgezet, die de vraag trachten te beantwoor-
den, uit hoofde van welke gebeurtenissen, hande-
lingen of toestanden, in het rechts- of economisch
leven, de overheid belastingen mag heffen en op grond
waarvan de belastingplichtigen deze belastingen
moeten betalen. Bedoelde theorieën kunnen in twee
hoofdgroepen verdeeld worden:
a) de individualistisch -atomistische staats- en
belast ingleer;
b) de organische of sociale en de solidariteitsleer.
De eerste leer kent aan de belastingen hoofdzakclijk
een privaatrechtelijk karakter toe en ziet in de belas-
tingverbintenis een contractueelc verbintenis, zoowel
in de actieve zijde, de belastingvordering, als in de
passieve zijde, den belastingplicht. In deze opvatting,
die overigens in verschillende schakeer ingen voorkomt,
is de belasting een vergoeding voor diensten, door de
overheid aan den enkeling bewezen, zooals waar-
borging der veiligheid, bescherming van het particu-
lier eigendom en verdere rechtsbescherming. De
voornaamste vertegenwoordigers van deze indivi-
dualistische atomistische staats- en belastingleer zijn:
in de 17e eeuw 1 lobbes in Engeland, in de 18e eeuw
Montesquieu in Frankrijk en Justi in Duitschland;
in de 19e eeuw de Manchesterschool in Engeland.
Een eerste schakeering ziet in het contract een
ruilcontract, d.w.z. gelijk voor sommige nuttig-
heden ruil plaats heeft tusschen particulieren, zoo kan
voor bepaalde andere prestaties ruil slechts geschieden
tusschen particulieren en een collectief persoon, die
staat heet (Proudhon, Théorie de Fimpót, 1868).
Dit leidt er toe, dat iedere belastingplichtige betaalt
naar verhouding van de diensten, die hij van den staat
geniet, zoodat in de practijk de heffingen de tegen-
prestaties voor bewezen diensten van velerlei soort
moeten zijn.
Zoo zullen de kosten van onderwijs door de school-
belasting, de kosten van openbare werken door tollen
of wegenbelasting e.d. gedekt moeten worden. De
algcmeene belastingen worden besteed tot dekking
van diensten, die de geheele gemeenschap aangaan,
bijv. voor de kosten van defensie, politie, justitie.
Een tweede schakeering vergelijkt het belasting -
contract met een assurantie-overeenkomst, dit is de
Assekuranz-theorie of de theorie van het contrat
d’assurance: iedere belastingplichtige betaalt een
rem ie om het rustig bezit te houden van hetgeen
ij heeft. Zoo betaalt dan een ieder naar evenredigheid
van zijn verzekerde bezittingen. Het resultaat van
deze leer moet een belasting zijn, hetzij op het ver-
mogen, hetzij op het inkomen op grond, dat dit kapitaal
vertegenwoordigt.
Een derde schakeering gaat uitsluitend uit
van de produceerende maatschappelijke groep, die zij
beschouwt als een productie-maatschap, waarvan de
staat beheerder is. De producten van rijkdom, die
tezamen de gemeenschap vormen, hebben zich ver-
een igd om een aantal zaken van gemeenschappelijk
nut te verkrijgen, die noodzakelijk voor de productie
zijn, zooals de algemeene veiligheid, bescherming der
eigendommen, een net van kanalen, wegen, spoor-
wegen en havens. De productiekosten bestaan aldus
beschouwd in individueele kosten, die ieder der pro-
ducenten voor de uitoefening van zijn onderneming
draagt, en in algemeene, die de gemeenschap betaalt.
„L’état est, en quelque sorte, le syndic de tous les
producteurs”, dus een lasthebber, door de gemeen-
schap aangesteld. De belasting dient ter bestrijding
der algemeene productiekosten. In die belasting draagt
elke producent bij naar gelang van zijn inbreng, dus
in verhouding tot zijn vermogen, zoodat daaruit een
enkelvoudige belasting op het vermogen voortvloeit.
Deze leer is die van Menier (Théorie de Fimpót sur
le Capital, 1874) en van de Broglie (Le libre-échange
et Fimpót, 1879).
Deze individualistische belastingleer is nog niet
geheel verdwenen. Zelfs Leroy-Beaulieu (Traité de
la Science des Finances) is er niet geheel vrij van.
Lijnrecht tegenover deze Aequivalenz-Assekuranz
en andere privaatrechtelijke opvattingen, staan de
organische of sociale en de solidariteitsleer, welke in
de verhouding van het individu tot den staat den
rechtsgrond voor belastingheffing zien.
De organische of sociale staatsleer kent bij de be-
lastingheffing geen grens, daar zij den staat een
absoluut recht toekent op de goederen van de burgers#
Dit recht tot belastingheffing vindt zijn grond onmid-
dellijk in het wezen van den staat. De verplichting
tot belastingbetaling is dan een absolute verplichting
van de onderdanen, een onmiddellijk gevolg van het
burgerschap. De staat is in deze opvatting „Selbst-
zweck”: hij is niet uitsluitend een middel tot het wel-
zijn der leden, maar heeft een eigen doel, met name
het staatswclzijn, bestaande in een steeds grootere
machtsontplooiing en een voortdurend grootere onder-
werping van het leven der enkelingen aan de gemeen-
schap. De theorie, volgens welke het onmiddellijk
staatsdoel niet het algemeen welzijn, doch de staat
zelf is, wordt in verschillende schakeer ingen geleerd.
Het verst gaan in dit opzicht Schelling en Hegel, die
den staat als God zelf beschouwen. Naast hen kan men
vooral noemen J. Stahl en A. Wagner, de vertegen-
woordigers van het Duitsche Staatssocialisme, dat
den staat veroorlooft, tot het gladstrijken van de
maatschappelijke tegenstellingen goederen van de
onderdanen naar zijn goedvinden tot zich te trekken.
De sociaal -democratie, die uit het Hegelianisme is
voortgekomen, ontkent principieel den particulieren
eigendom en erkent slechts den staat als eigenaar der
goederen; ook de hieruit volgende rechten tot belas-
tingheffing liggen voor de hand. Naast de organische
of sociale staatsleer moet men de solidariteitsleer
plaatsen. Ten aanzien der belastingheffing kent deze
opvatting aan den staat en het staatsgezag het recht
toe, de goederen der burgers in zulke mate tot zich te
nemen, als dit^voor het algemeen welzijn, het bonum
391
Belastingkonsulcnt — Belastingvlucht
392
commune, noodzakelijk is. Het recht tot belasting-
heffing en de verplichting tot belastingbetaling volgen
uit de natuur en het doel van staat en overheid.
Daar de staat een in de natuur der menschen wortelen-
de en door God gewilde instelling is, heeft die staat
ook van nature, dus door Gods wil, alle voor de
bereiking van dat doel noodige rechten, zooals het
recht zoodanige belastingen te vorderen, als hij
voor de vervulling van zijn taak behoeft. Ook de hoogte
der belastingen wordt bepaald door dit criterium.
De verplichting tot belastingbetaling volgt echter
niet alleen uit de natuurlijke zedenwet, maar ook uit
de positieve goddelijke wet, blijkens Mt. 22. 17 — 21
en 17. 24, Rom. 13. 6—7 en Tim. 6.2. Daaruit volgt
niet, dat iedereen verplicht is belasting te betalen,
doch dat een ieder een fiscaal offer moet brengen,
indien cn voorzoo ver een rechtvaardige wet zulks
gebiedt. Rustel.
Gewetensplicht. Het volgende geldt voor alle
soorten van belastingen; geenszins voor hetgeen aan
staat of gemeente enz. volgens een contract verschul-
digd is.
Grondstelling: krachtens de wettelijke
of sociale > rechtvaardigheid zijn alle burgers in gewe-
ten gehouden op redelijke wijze tot de staats uitgaven bij
te dragen Daaruit volgt, dat ze in den regel de ge-
eischte belastingen moeten betalen (Mt. 22. 21;
Rom. 13. 7), niet echter, dat ze overal en altijd tot den
laatsten cent hoeven te geven. Meent iemand met
reden reeds voldoende bij te dragen tot ’s lands welzijn,
dan is. hij tot meer, nl. tot volle naleving der belasting-
wetten, slechts op deze dubbele voorwaarde verplicht:
1° de belastingwet moet in hare volle draagwijdte
rechtmatig zijn, nl. waarachtig noodig tot
het algemeen welzijn: de staat heeft niethet recht tot
overdreven of afkeurenswaard ige uitgaven zijn onder-
danen van hun goed te berooven. Ook is de invordering
niet rechtvaardig, als ze niet evenredig alle burgers
treft volgens de verdeelende > rechtvaardigheid: de
eenen moeten nooit, betrekkelijk gesproken, een
merkelijk zwaarderen last dragen dan de anderen.
Zeker komt aan regeerders en wetgevers het oordeel
toe over de rechtmatigheid eener vordering: naar dit
oordeel moet men zich in geweten voegen, ten ware,
volgens de meening van wijze deskundigen in de
onderscheidene landen, een bepaalde eisch zeker
overdreven was.
2° I e w etgever moet zijn gezag hebben willen gebrui-
ken; hij moet waarlijk hebben willen gebieden
de belastingen voluit te voldoen. Anders (zooals in
België) mag men de wet als louter ■> p enaa 1 aan-
schouwen, volgens de opvatting der wetgevers zelf
en de openbare meening; zoodat iemand (die geen
groote sommen ontduikt en redelijk meent reeds genoeg
te betalen: zie boven) slechts zondigt door geweld-
dadig verzet als hij betrapt wordt, of door de beambten
om te praten.
Volgens deze beschouwingen wordt ook bepaald,
of men zekere aangiften onvolledig mag doen.
Verklaringen, die inderdaad volgens de algemeene
opvatting een leugen bevatten, zijn zondig, ja zwaar
zondig, als ze onder e e d e geschieden.
Al kan hier geen sprake zijn van een eigenlijke
restitutie, toch blijft wie aan een gewetens-
plicht van te betalen te kort gekomen is, nog die som
aan den staat schuldig, omdat die plicht nog op een
nuttige wijze kan vervuld worden. Salsmans.
Belas tincjkoiisiileiit, deskundige, die zich
belast met de behartiging van de belangen van zijn
opdrachtgevers op belastinggebied, voornamelijk
op het terrein der directe belastingen. Meestal zijn dit
accountants. In 193J zijn pogingen in het werk gesteld
door een daartoe gevormd curatorium om te komen
tot een bepaalde regeling van het beroep.
C . Janssens.
Belast injjschema noemt men een schematische
voorstelling van een zgn. type -trein, -vrachtwagen
of assenstel, met gelijke asbelastingen en in ronde
getallen uitgedmkte radstanden; deze voorstelling
dient om de berekening van bruggen en andere kunst-
werken te vereenvoudigen. P. Bongnerts.
Belast infjscjrcns. De meeste materialen volgen
de Wet van > ïlooke niet tot aan de breukbelasting.
Echter zijn, op een enkele uitzondering na, alle sterkte-
berekeningen gebaseerd geweest op elasticiteitsfor-
mules, die deze wet tot uitgangspunt hadden. Van
principieel standpunt bezien hebben deze berekeningen,
voorzoover zij de breukbelasting als toelaatbare grens-
belasting van het materiaal aanvaardden, slechts dén
beteekenis, wanneer zij betrekking hadden op materia-
len, die de Wet van ïlooke ook werkelijk tot aan hun
breukbelasting volgden. Dat in vele gevallen, waarin
aan dezen eisch niet voldaan was, de sterkteherekenin-
gen toch tot bevredigende resultaten voerden, vindt
zijn verklaring in de invoering van een veiligheids- of
zekerheidscoëfficiënt. Stel bijv. dat de breuk-trek-
spanning van een materiaal 4 000 kg /cm 2 is, en de
zuivere trekspanning, waarbij het materiaal ophoudt
de Wet van Hookc te volgen, 2 000 kg /cm 2 , dan zal
bij invoeren van een zekerheidscoëfficiënt n = 6
geëisoht worden, dat de grootste optredende trek-
spanning kleiner blijft dan of hoogstens gelijk is aan
800 kg /cm 2 , hetgeen de belastingsgrens van het mate-
riaal zou zijn. Omdat dit bedrag lager is dan dat,
waarbij de Wet van ïlooke ophoudt geldig te zijn,
houdt de sterkteberekening natuurlijk haar volle
beteekenis. Zij zou die eerst verliezen, w f anneer n (2
genomen zou worden. De beperktheid van ons vermo-
gen om voor een andere wet dan die van ïlooke tech-
nisch bruikbare elasticiteitsformules af te leiden,
eischt de invoering van een minimum veiligheids-
coëfficiënt. Echter is de veiligheidscoëff., dien men
bij sterkteberekeningen om andere redenen moet
invoeren, zooals: onzekerheid omtrent de max.
belasting van een construct Meel. mogelijke over-
belasting, mogelijkc materiaal fouten, meestentijds
grooter dan deze, zoodat men altijd tot aan de daaruit
voortvloeiende belastingsgrens van de geldigheid
van de Wet van ïlooke verzekerd kan zijn en de
bekende sterkteformules kan toepassen, v . Lammeren.
BclasUngsinisvoriniiiff, vervorming van het
1‘chaam, optredend onder den invloed vanjiet lichaams-
gewicht, omdat aan het normale lichaam te hooge
eischen gesteld worden (bijv. platvoet), of omdat een
verzwakt lichaam geen weerstand kan bieden aan
normale belasting (de verschillende misvormingen
bij Engelsche ziekte). Krekel.
Belastingvlticht (N e d. bel. recht) is
het zich onttrekken aan een rechtmatige heffing of
het ontgaan van een vastgestelden aanslag door de
wijk naar het buitenland. De belastingexperts van den
Volkenbond hebben door het ontwerpen van tractaten
betreffende voorkoming van dubbele belasting en
van belastingontwijking, getracht de belastingvlucht
te bemoeilijken. De vlucht voor de Ned. belastingen
is vergemakkelijkt vooreerst, doordat gijzeling w T egens
393
394
Belastingvrijheid der v geestelijken — Beleedigdejpartij
directe bel. tot voor kort niet mogclijk was en wegens
indirecte bel. alléén mogelijk is, indien de rechter deze
uitspreekt wegens hetgeen een koopman of fabrikant,
die crediet of fictief entrepot geniet, verschuldigd is.
en vervolgens, doordat de Staat in het buitenland geen
executoriale macht ter zake van een belastingvorde-
ring heeft en evenmin tegen den wanbetaler aldaar
vonnis kan krijgen. Nederland heeft in 1933 met
België een tractaat gesloten, dat in een beperkte
mate de wederkeerige invordering van belastingaan-
slagen regelt. Tusschen buiten landsche Staten bestaan
reeds vele vérgaande tractaten van dien aard. In
Nederland is onlangs een wet ingevoerd, die ter
zake van directe belastingen en van de dividend-
en tantièmebelasting gijzeling op zeer gemakkelijke
wijze mogelijk maakt. Russel .
Belastingvrijheid der geestelijken. Reeds
in het Romeinsche Rijk werden geestelijken van eenige
openbare diensten en lasten vrijgesteld. De wetgeving
daaromtrent bleef in de Germaansche landen veelal
bestaan, maar daar het belastingwezen geheel veran-
derd w r as, konden de wetten niet w T orden toegepast.
De goederen, waaruit de geestelijken hun inkomsten
trokken, werden in allerlei opzichten door den Staat
belast (spoliën, regaliën, servitium). De geestelijken
waren bovendien onderworpen aan tollen en accijnzen,
tenzij zij door speciale privileges daarvan w'aren vrij-
gesteld. Als directe belasting gold de bede, welke reeds
omstreeks 1100 een verplichte grondbelasting was.
Dc goederen der geestelijke instellingen, niet het
particuliere bezit van geestelijken, waren van deze
belasting vrij. De goederen, die eenmaal bedeplichtig
w T aren, bleven dit, ook al kwamen zij later in handen
van geestelijken. In de 14e eeuw werd bijna overal
een nieuwe directe belasting ingevoerd (bede, morgen-
geld, huisgeld); hiervan waren de geestelijken niet
vrijgesteld. Toen echter Philips IV van Frankrijk een
dergelijke directe belasting van de geestelijken vroeg,
kwamen zij in verzet en do paus handhaafde de belas-
tingvrijheid der geestelijken. Wel w r erden vele vrij-
willige giften toegestaan. In Frankrijk bleven de
geestelijke goederen vrij van de taille en de geestelijken
van de zoutbelasting tot aan de Fransche Revolutie.
In de 14e en 15e eeuw werden herhaaldelijk bepaalde
procenten van het inkomen der geestelijken aan den
Staat toegekend. Het moderne staatsrecht erkent op
dit gebied geen voorrechten der geestelijken.
L i t. : J G. Avis, De directe belasting in het Sticht
Utrecht (1930). p os i .
Bclawan, plaats op de Oostkust van Sumatra
(3° 47' N., 98° 40 O.). Telde in 1931: 5 000 Inlanders,
1 600 Fhineezen, 110 Europeanen en Br. Indiërs.
In 1887 werd te B. door de D(eli) S(poorweg) Maat-
schappij) een spoorweghaven aangelegd, en door een
spoorlijn met Medan verbonden. Dit havenemplace-
ment werd in 1912 door het Gouv. overgenorren.
B. neemt dan de taak van Laboean over. In 1891 komt
de verbinding niet Batavia tot stand door de Kon.
Paketv. Mij. Sedert 1915 doet de Mij. Nederland Bela-
wan aan doch de schepen moesten tot 1921 nog op de
reede blijven liggen. Toen werd B. een oceaanhaven
en werd voortaan in geregelden dienst aangedaan door
de Mij. Nederland en den Rotterd. Lloyd. De uitvoer-
producten zijn rubber, tabak, vezel, palmolie, thee
en copra. De palmolieproductie gaat sterk vooruit,
ondanks de wereldcrisis. B. exporteert ook nog veel
van deze olie vanuit Straits, dank zij het tanksysteem
en de vrijstelling van rechten voor transito.
v. Vroonhoven.
r i
f
wr-cn
fan
' Utvot* VAh
Krt** OCA
UIAWAH
out)
K
1 \
** 1 \
/ N
/ V
A
' \
\
~T
1
1
1
1
r*\
1 »
'
*#
/
\ <
\/
Y
r‘
/ V.
1
7
f
P
ISO. Mf
A
/
/
Y
/
1
, P
'V
)
/
u/rvoem
_[
‘”* v wv lm wo na ritr
Belawan.
Bol Canto (Ttal., = mooie zang), een stijl in de
vocale muziek, waarbij de zangstem de virtuositeit
van een instrument nastreeft. Edele toon en stem-
vaardigheid voor de uitvoering van schitterende
passages en versieringen zijn hoofdzaak. Op de bel
canto-periode volgt die van de dramatische muziek
(sinds Wagner), waarbij tekst en voordracht eerder
tot hun recht komen.
Belelier, John. Engelsch architect einde
19e eeuw. Zijn werk in Renaissance-vormen is deftig,
schoon ietwat nuchter, in het genre van Vingboons.
Kloek, voornaam o.a. accountants-institute Londen
in Palladiaanschen stijl.
Beleikmvski, Adam, > Beltsjikow’ski.
Belcolor-inelliode is een drie kleuren raster-
diepdruk -procédé. De deelnegatieven voor geel, rood
of blauw woorden gecopieerd op geel, rood of blauw
gekleurde pigmentbladen. De gele deelplaat brengt
men over op wit porcelein, de roode en blauwe op
celluloidvellen. Na het ontwikkelen en drogen legt
men de afbeeldingen nauwkeurig op elkaar en contro-
letrt, in welke platen te weinig of te veel van de
betreffende kleur aanwezig is en welke dus bijgew r erkt
moeten worden. Ronner.
Belde mand is (Beldomandis, Beldcmando),
Prosdoc imus de, theoreticus, * ca. 1375 ;
omstreeks 1422 professor in de philosophie in zijn
vaderstad Padua. Schriftgeleerde, wiens voornaamste
geschriften over mensuraal muziek werden afgedrukt
in Ccussemaker’s werk: „Scriptorcs de musica medii
aevi” (III).
Werken: R. beschreef een enharmonisch -chro-
matische toonladder, waarbij het octaaf werd verdeeld
in 17 deelen (Riemann. Gesehichte der Musik-theorie,
2e druk). — L i t. : Baralli-Torri, II trattato di Pr. de B.
contro il Lucidario di Marehctto (Riv. mus. 1913).
Pis aer.
Bele Aelis. oud Fransch danslied met mimische
voorstelling: soort van ballet, tusschen hij, zij en koor,
waarvan de tekst uit een lied van den trouvère Baude
de la Quarière is opgemaakt.
L i t. : J. Bédier et P. Hazard, Ilist. de la litt. fran-
Caise (Parijs z.j., 49).
Beleedigde partij in het strafproces is degene,
395
Beleediging
396
die onmiddellijk tengevolge van het strafbaar feit
waarvoor de verdachte terechtstaat, nadeel heeft
geleden. Zij heeft het recht zich in de strafzaak te
voegen d.w.z. haar vordering tot schadevergoeding
gelijk met de strafzaak aanhangig te maken, hetgeen
zij doet door opgave van den inhoud daarvan ter
terechtzitting, waarop de strafzaak behandeld wordt,
vóórdat de Officier van Justitie requisitoir neemt.
Het bedrag, dat aldus gevorderd kan worden, is
beperkt tot 50 gld. bij den kantonrechter, tot 150 gld.
bij de rechtbank en andere rechtscolleges. Kleene .
In België wordt de beleed igde partij, die een vorde-
ring tot schadevergoeding voor den strafrechter instelt,
> Burgerlijke partij genoemd. Het bedrag van die
vordering is niet beperkt tot een bepaald bedrag,
evenmin voor den politierechter als voor de andere
strafrechtbanken.
Beleediging (contumclia) is het krenken van
den evennaaste in zijn eer, wanneer het geschiedt
in zijn tegenwoordigheid. Zij geschiedt meest door
woorden, soms ook door schrift (in brieven, kranten,
enz.) of door daden (misprijzende gebaren, teekeningen.
kaakslag, enz.). Beleediging is een zonde tegen de
rechtvaardigheid, omdat zij den evennaaste berooft
van een goed, waarop hij recht heeft, namelijk zijn eer.
En omdat de eer algemeen wordt aangezien als een
groot goed, is de beleediging op zichzelf een dood
zonde. In sommige gevallen zal zij echter een dagelijk-
sche zonde zijn, wanneer zij geschiedt zonder voldoende
beraad (uit onachtzaamheid, plots opkomende woede),
zonder boos inzicht (niet ernstig gemeend, louter
uit scherts) of wanneer geen erge krenking der eer uit
de beleediging voortvloeit (zooals dat dikwijls het
geval is, wanneer mannen en vrouwen uit de lagere
volksklas elkander bij het twisten allerlei aantijgingen
en schimpnamen naar het hoofd werpen). Om de
gewichtigheid der krenking van de eer en dus de?
beleediging vast te stellen, moet men rekening houden
met de waardigheid van den beleed igden persoon,
met den stand en de gesteltenis van den beleediger
en met de gevolgen, die er uit voortvloeien.
Het is een eisch der Christelijke zedenwet, dat men
de beleed igingen geduldig verdrage, d.w.z. men moet
zoo gesteld zijn, dat men bereid is de beleediging
te verdragen, waar dit passend is, „si expediens
fuerit” zegt St. Thomas. Soms zal men echter goed
doen met de beleediging af te weren, hel zij om wille
van den beleediger (om zijn driestheid en vermetelheid
in te toornen en te beletten, dat hij nog herbegint),
hetzij om wille van anderen of om een grooter kwaad
te voorkomen. Het is echter niet geoorloofd den belee-
diger tot een tweegevecht uit te dagen, hem te kwetsen
of te dooden.
L i t. : S. Thomas, Summa theologica (II, II, q. 72) ;
D. Prümmcr O.P., Manualc theologiue moraUs (11, 3e
en 4e uitg., Freiburg 1928, 1G7): B. H. Merkelbach,
Summa thcologiae moraiis (11 Parijs 1932, 448).
A. Janssm .
Nod. Recht. A) B u r g e r 1 ij k Recht. B. is
een bijzonder geval van onrechtmatige daad, waardoor
ontstaat een verbintenis uit de wet (art. 1408 — 1415
B.W.). Deze art. omschrijven niet, wat onder b. valt
te verstaan; naar de rechtspraak is slechts wegens b.
verbonden, wie als dader of mededader een der in de
art. 261— 270 W. v. Str. omschreven misdrijven heeft
begaan, bijv. niet eens de uitgever van een beleedigend
geschrift, 'indien hij aan het misdrijf slechts mede-
plichtig is. De verbintenis strekt tot vergoeding van
stoffelijke schade, voorts tot „bercring van het
nadeel, in eer en goeden naam geleden”, volgens de
rechtspraak door geldelijke vergoeding ook der on-
stoffelijke schade, volgens sommigen door openbaar-
making van het vonnis in nieuwsbladen, welke echter
de rechtspraak weigert, ten slotte tot verklaring.dat
de gepleegde daad is lasterlijk en beleedigend. en
aanplakking van het vonnis. Hetzelfde kan worden
gevorderd, wegens b. na den dood aangedaan, door
cchtgenoote en naaste bloedverwanten.
De vordering kan niet worden toegewezen, zoo
de dader heeft gehandeld in het algemeen belang
ot tot noodzakelijke zelfverdediging, evenmin, indien
de beleed igde aan het ten laste gelegde feit bij gey ijsde
onherroepelijk is schuldig verklaard, doch ook in het
laatste geval is schadevergoeding verschuldigd door
dengene. die , .kennelijk met het eenige doel van b.”
den ander ,,met b. vervolgt”. Kwijtschelding, ook stil-
zwijgende, doet alle vorderingen vervallen; de open-
bare spijtbetuiging met eerherstel voor den rechter
laat den schadevergoedingsplicht bestaan. Petit.
B) In het strafrecht is beleediging de naam
voor de misdrijven, die bestaan in het aanranden van
iemands eer of goeden naam (art. 261 vlg., 111 vlg.,
117 vlg. W.v.Str.l. Deze misdrijven zijn eenvoudige
beleediging, smaad, smaadschrift, laster, lasterlijke
aanklacht. Zij worden niet vervolgd dan op klachte
van dengene, tegen wien het misdrijf is gepleegd.
Ambtshalve worden echter vervolgd beleediging,
aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake
van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,
beleediging van den koning of de koningin, den troon-
opvolger, een lid van het koninklijk huis, den regent,
een regeerend vorst of een ander hoofd van een be-
vrienden staat, een vertegenwoordiger van een buiten-
landsche mogendheid bij de Nederlandsche regeering.
De zoogenaamde collectieve beleediging, beleediging
van vereen igingen, van groepen van personen, kan
slechts worden bestraft, indien de beleediging, hoewel
tegen een collectiviteit geuit, een individueel karakter
heeft. Ter vergadering van de Nederlandsche Juristen-
verceniging van 1915 stond de praeadviseur van der
Feltz de meening voor, dat wetswijziging bestraffing
van de collectieve beleediging mogelijk diende te
maken. Slechts in den alkrlaatsten tijd [ 1933) ver-
neemt men, dat een dergelijke wetswijziging wordt
voorbereid.
Beleediging is het aanranden, het krenken, door
woord of daad , van iemands eer of goeden naam , waar-
bij de eer beteekent het eergevoel, dat in verband staat
met de zedelijke waarde van den mensch, en met den
goeden naam bedoeld is de eer, die men van mede-
menschen geniet. Beleediging, die bestaat in telast-
legging van een bepaald feit met het kennelijk doel,
daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt gequalificeerd
als smaad. Smaadschrift is smaad gepleegd door
middel van geschriften of afbeeldingen.
In sommige gevallen, genoemd in art. 263 W.v.Str.,
wordt de verdachte toegelaten tot het bewijs van de
waarheid van het bepaalde feit, door telast legging
waarvan hij iemands eer of goeden naam heeft aan-
getast. In dit geval volgt veroordeel ing wegens laster,
indien het bewijs van de waarheid van het telastgelegde
feit niet wordt geleverd, en de telastlegging tegen beter
weten is geschied. De sanctie tegen de beleediging,
die is opgesloten in het bij de overheid schriftelijk
inleveren of in geschrift doen brengen van een valsche
klacht of aangifte, waardoor de eer of goede naam
397
Beleefdheidsvorm — Beleggingstrust
398
van een bepaald persoon wordt aangerand, vindt men
in art. 268 W.v.Str. Het woord overheid moet in meer
algemeenen zin worden opgevat: niet slechts de justi-
tie is daaronder begrepen. Bepaaldelijk als strafbe-
dreiging tegen misleiding van de justitie is art. 188
W.v.Str. te beschouwen. Weitjens.
Belgisch Recht. B. is elke gedraging van aard
om een ander persoon in zijn eer te krenken, zonder
dat er nochtans een bepaald feit aangetijgd wordt.
Is er aantijging van een bepaald feit, van aard om een
ander persoon in zijn eer of in zijn aanzien te krenken,
dan bestaat er > laster of > eerroof. B. door daden,
geschriften of zinnebeelden, in het openbaar, wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee
maanden, en met geldboete van 26 tot 500 frs., of met
een van beide straffen (art. 447 Strafwetboek). Elke
andere vorm van beleediging wordt met eenvoudige
politiestraffen bestraft (art. 561, 7° Strafwetboek).
De beleed igde persoon kan herstelling vorderen
van het door hem geleden nadeel, hetzij voor den
strafrechter (> Burgerlijke Partij), hetzij voor den
burgerlijken rechter. Collin.
Beleefdheidsvorm noemt men in de gramma-
tica het gebruik van afzonderlijke pronomina in
beleefd verkeer, naast die, welke in gemcenzamen
omgang gebezigd worden. Men vindt den b. in meerdere
talen; gewoonlijk is het pronomen van den tweeden
persoon meervoud een beleefdheidsvorm, terwijl het
enkelvoud een meer gemeenzame vorm is. Zoo bijv.
Fr. vous, tegenover tu. In het Mnl. ontwikkelde zich
zoo het gebruik van gi naast du. Later werd dit gi
meest vervangen door U. In het Duitsch bestaat ook
de vorm van den derden persoon meervoud (Sie) als
beleefdheidsvorm. In sommige Indonesische talen
heeft zich een sj’steem van beleefdheidsvormen ont-
wikkeld, dat diep in den woordenschat en zelfs in de
grammaticale vormen ingrijpt. > Kromo.
Beleen in cj is een vorm van credietverleening»
waarbij de beleener tot zekerheid voor de nakoming
van zijne verplichtingen of die van een ander aan den
schuldeischer roerende zaken in pand geeft, den
schuldeischer het recht gevend, om bij niet nakoming
der verplichtingen door den schuldenaar tot verkoop
van het in pand verstrekte over te gaan. Beleen ing
vindt meestal plaats tegen onderpand van effecten,
wissels, ceelen of goud. Jn engeren zin verstaat men
ter beurze van Amsterdam onder b. een geld leen ing
tegen ondequind van effecten, die voor drie maanden
wordt aangegaan en waarbij het onderpand minstens
20% overwaarde moet hebben. Huysmans.
Deze vorm van credietverleening is in België ook
algemeen in gebmik, met deze beperking, dat het
onderpand in haast alle gevallen bestaat uit effecten
of ceelen. Te Antwerpen worden ook veel leeningen
afgesloten met inpand-geving van diamant, ruw of
geslepen. Beleen ingen zijn minder gekend aan de
Belg. effectenbeurzen. Alleen prolongatieverrichtingen
worden daar afgesloten.
Beleg , Staat van (N e d. Recht).
De grondwet (artikel 189) geeft den koning de bevoegd-
heid tot handhaving der uit- en inwendige veiligheid
elk gedeelte van het grondgebied des rijks in staat
van beleg te verklaren. In dat geval gaat het hoogste
gezag over in handen der militaire autoriteiten.
Krachtens artikel 78 van de Invoeringswet Militair
Straf- en Tuchtrecht is ieder, dus ook degenen die
anders niet tot het militair verband behooren, aan
den Militairen Rechter onderworpen voor misdrijven
tegen de veiligheid van den staat of tegen de konink-
lijke waardigheid (artikel 92 — 114 Wetboek van Straf-
recht) alsook voor alle misdrijven omschreven in het
Wetboek van Militair Strafrecht. E. hamers .
Belegging is de wijze van aanwending van
middelen, die men gedurende geruimen tijd niet
onmiddellijk voor zichzelf of in het eigen bedrijf ter
beschikking behoeft te hebben. De meest gebruikelijke
vormen van b. zijn het koopen van vermogensbestand-
deelen als effecten, vaste goederen, het uitleenen onder
hypothecair verband, het uitzetten op een spaarbank
of h deposito e.a. Geschiedt deze b. slechts in uiterst
solide vermogensbestanddeelen, dan spreekt men wel
van weduwen- en weezenbelegging; geschiedt zij op
meer riskante wijze, dan spreekt men van speculatieve
b. Meestal geschiedt b. in vermogensbestanddeelen,
die een rendement afworpen. Een juiste belcg-
gingspolitiek is erop gericht, zoo solide
en rendabel mogelijke vermogensbestanddeelen te
koopen, waarbij een zoo ruim mogelijke risicoverdeeling
over de diverse bestanddeelen in acht is te nemen, bij
voorkeur op dusdanige wdjze, dat de nadeel ige kansen
van het eene onderdeel van vermogen gecompenseerd
worden door gelijktijdig te verwachten voordeel ige
kansen van een ander onderdeel. Huysmans.
Moraal. Verstandige belegging van het ver-
mogen is van zedelijk standpunt alleszins gerecht-
vaardigd en in omstandigheden zelfs plicht, in zoover
dat valt binnen de grenzen van een redelijke zorg voor
het tijdelijk welzijn van zich en de zijnen voor heden
en toekomst. Het overtollige moet krachtens do
natuurlijke bestemming der aardsche goederen voor
het welzijn van allen, en de daaruit voortvloeiende
sociale plichten, die op den eigendom rusten, zóó
worden beheerd, dat het ten nutte van het gemeen
strekke. Dit geschiedt echter niet alleen door aal-
moezen en andere werken van liefdadigheid, maar ook
door sociaal -nuttige ondernemingen en door b., die
op een of andere wijze ten algcmeenen nutte strekt;
niet alleen de oogenblikkelijke nood moet worden
gelenigd, maar evenzeer moet de toekomstige nood
w r orden voorkomen en de ontwikkeling van het econo-
misch leven, die tot grootere algemeerie wxlvaart kan
leiden, worden bevorderd. Voor nadere uitwerking,
> Eigendom; Vermogen; Spaarzaamheid; voor ren-
dabele belegging onder rente, > Inkomen (arbeids-
loos). Buys .
Beleggingsraad, > Sociale verzekering.
Beleggingstrust (Eng. > Investment trust)
is een instelling, die een groote effecten portefeuillo
bezit en daartegenover aandeelbewijzen (trustshares)
plaatst bij het publiek. Vaar zulk een portefeuille
veelal is samengesteld uit een groot en gesorteerd
aantal aandeelen in ondernemingen van allerlei soort,
zoomede uit obligaties van verschillend kaliber, wordt
de belegger door het koopen van trustshares in de
gelegenheid gesteld te participeeren in een portefeuille
van beleggingswaarden op een dusdanige wijze, dat
hij niet al te groot risico loopt. Hij kan zijn bezit aan
trustshares immers tot een betrekkelijk gering bedrag
beperken, hetgeen hem sterk wordt vergemakkelijkt,
doordat dergelijke trustshares in zeer kleine coupures
verkrijgbaar zijn. Elke uitgegeven trustsharo vertegen-
woordigt een evenredig deel van de effectenporte-
feuille, waartegenover zij blijkens het prospectus
der b. is uitgegeven. De waarde der trustshares houdt
399
Belegklamp — Belemmeringenwet
400
Belemnoidpa.
a) Belemnites semihastatus (Dogger). b) B. canaliculatus (Dogger), c) B. giganteus (Dogger), d) B. brevis (Lias),
e) B. tithowcus (Tithoon). f) B. clavatus (Lias), g) B. acuarius-tubularU (Lias).
dus rechtstreeks verband met de beurswaarde der
fondsenportefeu ille der b. Kan de leiding der b
in de samenstelling der portefeuille, zooals deze in
het prospectus is aangegeven, als regel geen wijziging
brengen, dan spreekt men van een f i x e d trust.
Kunnen de beheerders der trust de samenstelling der
portefeuille naar goedvinden wijzigen, dan noemt men
dit een managed trust. Deze laatste vorm
biedt den houders van trustshares uiteraard veel min-
der waarborgen dan de eerste. Vooral in Engeland,
Schotland en Noord-Amerika is de b. tot groote
ontwikkeling gekomen; niet ontkend kan worden, dat
in de hausse- ja ren 1928— n 29 in de Vereen igde Staten
de uiterst speculatieve samenstelling der portefeuilles
van verschillende b. aan het goedgeloovige publiek
menige groote teleurstelling heeft bezorgd.
Huysmans.
Belegklamp, houten of ijzeren haakvormige
klamp om hijschtouw’en aan te bevestigen. Ook wel
kikker genaamd.
Beleg ijzer, ijzeren plaat ter bescherming van
het uiteinde van een houten
balk. Ook en meer in het
bijzonder een bepaald soort *
profielijzer volgens neven-
staand profiel. Ook Zorès-
ijzer geroemd.
P. Bongaerts.
Beleid, > Voorzichtigheid.
Beltin (afkorting van Bethlehem) is een W. voor-
stad van Lissabon (38° 41' N., 9° 12' \V.). Het door
Manuel 1 in 1496 gestichte Convento dos Jerónimos
de B. is een hoofdmonument van den Emmanuel-
stijl, hoewel de verbouwing tot weeshuis na de secu-
larisatie (1834) de eenheid van bouw heeft bedorven.
De kloosterkerk Santa Maria bevat de graven van
Manuel 1 en zijn opvolger, van Vasco da Gama en van
den dichter Camoens. De kruisgang is het meesterwerk
van Joao de Castilho. Zeer belangrijk voor de kennis
der Iberische prae-historie is het Ethnologisch Mu-
seum in den onvoltooiden Zuidvleugel. Residentie
van den president van Portugal is het architectonisch
onbelangrijke Pa^o de Belëm, welks rechten’ leugel
een der belangrijkste rijtuig-musea van Europa bevat.
Vermelding verdienen nog de Botanische tuin bij
het Paco da Ajuda en het park Tapada da Ajuda
(200 ha), waarin de landbouw-hoogeschool en het
astronomisch observatorium. Ver wiel.
Belém clo Para, of Para, hoofdstad van
den staat Para (N. Brazilië), gelegen aan de Rio Para,
een der mondingen van de Amazone, 138 km van den
Atl. Oceaan; 279 000 inw. Voor de scheepvaart op
de Amazone, als distributie- en ontvangstccntrum
van goederenvervoer, is Para het uitgangspunt. Vele
oceaanstoomers uit alle landen leggen hier aan.
Uitvoer van caoutchouc, paranoten, rijst, cacao,
suiker, katoen, tabak, boschproducten ; verder veel
industrie. liet is een modern gebouwde stad, echter
reeds in 1616 gegrondvest. Spoorweg van Bragan^a
aan de kust. Het aartsbisdom B. omvat meerdere
staten, en telt ruim 500 000 Kath. Zuylen.
Belemmeringemvet (N e d. Recht). Bij
de wet van 23 Mei 1899, Stbl. 129, sedert de w^et van
24 Dec. 1930, Stbl. 508, aangeduid als de „Belemme-
ringwet verordeningen” zijn enkele bepalingen vast-
gesteld, krachtens welke een einde kan worden gemaakt
aan belemmeringen, die bij de uitvoering van openbare
werken worden ondervonden en voortspruiten uit
bepalingen, welke in verordeningen van de onderdee-
len des Rijks — provinciën, gemeenten of water-
schappen — voorkomen. Evenw'el moet het werk,
ten behoeve w’aarvan men de w T et toegepast wenscht te
zien, daarvoor van voldoende beteekenis zijn. Vandaar
geeft de wet een opsomming van groepen van open-
401
Belemmering van het verkeer — Bel-esprit
402
bare werken, bij de uitvoering waarvan van haar
bepalingen gebruik kan worden gemaakt.
Een pendant van genoemde wet is de wet van
13 Mei 1927, Stbl. 159, tot opheffing van privaat-
rechtelijke belemmeringen, welke bij de wet van
24 Dec. 1930, Stbl. 608, den officieelen naam van
„Belemmeringenwet privaatrecht” verkreeg. Ook deze
wet kan ten behoeve van alle openbare werken,
waarvan het openbaar belang voldoende vaststaat,
worden toegepast. Wanneer ten behoeve van een der
groepen van openbare werken, in deze wet nader
omschreven, duurzaam of tijdelijk gebruik moet
worden gemaakt van onroerende goederen, kan krach-
tens deze wet ieder, die eenig recht heeft t.a.v. die
goederen, behoudens recht op schadevergoeding, ver-
plicht worden te gedoogen, dat het werk wordt aan-
gelegd en in stand gehouden. De verplichting tot
gedoogen van den aanleg of de instandhouding van
het werk vloeit niet rechtstreeks uit de wet voort,
maar kan, nadat een zekere procedure is gevolgd,
worden opgelegd, en wel bij een besluit van den
minister van Waterstaat. Op in de wet omschreven
gronden kan ieder, die eenig recht heeft t.a.v. het
onroerend goed, aan het Gerechtshof binnen het
gebied waarvan het gelegen is, vernietiging verzoeken
van de beslissing, waarbij voorschreven verplichting
is opgelegd. Stoer .
Belemmering van liet verkeer op een
openbaren weg en zonder verlof van het openbaar
g» zag, is strafbaar (N e d. Recht, W. v. Str.,
art. 427 6°). Een tolgaarder, die den w T eg verspert
om tot rechtmatige tolheffing te geraken, is niet
strafbaar, want hij handelt niet zonder verlof van het
bevoegd gezag. Is de automobilist strafbaar, als hij
door zijne weigering om de verschuldigde tolgelden
te betalen, in verband met de daarmede samen-
hangende weigering van den tolgaarder om den tol-
boom te openen, het verkeer belemmert? Kennelijk
beantwoordt do Ilooge Raad deze vraag in ontken-
nenden zin.
(Belg. R e c h t). B. v. h. verkeer is strafbaar
ingevolge den wegcode van 1933. Weitjes.
Belemnieten zijn de versteende rostra van het
inwendig skelet van fossiele inktvischachtige dieren.
Belemnieten, die o.a. in ons land in het Liniburgsche
Krijt voorkomen, worden door de bevolking wel
donderkeilen genoemd. > Belemnoidea. llofsteenge.
Belemnitella, geslacht der Belemnitidae
(> Belemnoidea), gekenmerkt door een cylindrisch
rost mm met een korte ventrale vore. Belemnitella
mucronata, o.a. voorkomend in Limburg, is een
gidsfossiel voor het boven -Senoon.
Het gesteente, waar dit fossiel in voorkomt, w’ordt
wel mucronatenkrijt genoemd. Hofsteenge.
Belemnitella mueronata, > Belemnitella.
Belemnoidt'a, tot de orde der Dibranchiata
behoorende weekdieren met een inwendig kalkskelet.
Zij bezitten 6 tot 10 armen, die meestal met haakjes
zijn bezet. Zij worden onderverdeeld in: 1° Belemni-
tidae; 2° Spirulidae.
1 ° Belemnitidae. De inwendige kalkschaal
is kegelvormig en bestaat uit drie stukken, nl. ros-
trum (r), phragmocoon (p), en proöstracum (po)
(zie afb.). Het rostrum is een stevig, sigaarvormig
kalklichaam. Aan het achtereinde loopt het spits
toe; aan de voorzijde bevindt zich een groote kegel-
vormige holte, waarin het phragmocoon past. Hit
rostrum, dat vooral voor fossilisatie geschikt is, bestaat
uit radiale kalkvezels, die schijnen uit te stralen van
een langsgroeve. de zgn. apicale lijn. liet rostrum ver-
toont vaak indrukken
van bloedvaten, die
bewijzen, dat het
werkelijk een inwen-
dig skeletdeel is.
Voorts zijn op het
rostrum meestal twee
dorsolaterale groeven
aanwezig. Het phrag-
mocoon is kegel-
vormig en bestaat uit
schijfvormige kamers
(loculi), doorboord {
door een excentrische
sipho: de vorm en
bouw van het phrag-
mocoon doen sterk
denken aan de
Pa laeozofcche primi-
tieve cephalopoden-
schalen van ürtho-
ceras en Endoceras.
Het phragmocoon
bezit een eigen schaal,
de conotheca. De
buitenste laag hier-
van vertoont groei-
strepen, die op de
ventrale zijde bijna
horizontaal op de
dorsale zijde sterk
convex naar voren
zijn gebogen. De wand
van het phragmocoon
zet zich aan de
dorsale zijde voort in
een langgestrekt, dun
bladvormig lichaam,
het proöstracum, dat
dezelfde versiering
vertoont als de cono-
theca. liet proöstra-
Schematisehe tockening van het
inwendig skelet der belemnieten.
r “ rostrum, p « phragmo-
coon, po = proöstracum.
cum komt overeen met de schelp der recente inkt-
visschen. De belemnieten treden voor het eerst op in de
Tii isformatL* en stirv< n uit in het Krijt. Zij 1 elmoren
met de ammonieten tot de b« l.mgrijkste g dsfossi len
van h t Misozoicum. Men ondeis«h idt tallijke onder -
geslachten, o.a. M»gateuthis. Belemnops 8, Actinoca-
max en Beleranitclla. Bekende gidsfossielen uit de Krijt-
formatie in Nederland zijn Beleranitella mucronata en
Actinocamax quadratus uit 't Limburgsche Senoon en
Belemnopsis minimus uit ’t Gault van den Achterhoek.
2° Spirulidae. De in kamers verdeelde schelp is
spiraalvormig opgerold. Zij treden voor 't eerst op in het
Oligoceen en even nog in de tropische zeeën. De bekend-
ste genera zijn Spiniliro^tra en Spirula. llofsteenge.
Belendend, tegen iets aanliggend, aan iets
grenzend, bijv. het belendend perceel.
Belenus, Keltische godheid, speciaal vereerd
in Noricum en Gallië, werd in verband gebracht met
Apollo, ook vereerd als beschermgod van een genees-
krachtige bron; komt voor op talrijke inscripties.
Belèrang, vuurspuwende berg (1 451 m) op
het eiland Lomblen (Ned.-lndië, ten O. van Flores).
Belesj-gebergle, > Belassitza -gebergte.
Bel-csprit (Fr., = fraaie geest), gemakkelijk-
403
Bel-étage — Belfort
404
heid om onderhoudend te spreken of te schrijven over
verschillende onderwerpen. Op den persoon over-
gebracht: hij, die zoodanige begaafdheid bezit of er
zich den schijn van geeft. De term kwam meer alge-
meen in gebruik door de letterkundige salons in den
tijd van Lodewijk XIV. Tegenwoordig nog al eens in
minder gunstigen zin, met de bijgedachte, dat betere
eigenschappen ontbreken. v. d. Wijnpersse.
Bel-étage, de eerste en voornaamste verdieping
van een gebouw. Gewoon lijk ligt de b. iets hooger dan
het trottoir; bij aanwezigheid van een sousterrain
of van een lage onderverdieping ligt de b. daarboven.
Belcth, J o a n n e s, professor der theologie
in Parijs in de 12e eeuw; schreef een Divinonim offi-
ciorum explicatio, een goede verklaring der Liturgie
met vermelding van merkwaardige liturgische gebrui-
ken. Daar ze veelal te zamen afgedrukt werd met het be-
roemde Rationa Ie divinonim officiorum van Durandus.
werd ze o.a. in de uitgave van Migne (Patrol. Lat. 202)
ook Rationale genoemd. Andere werken zijn nog steeds
niet uitgegeven, o.a. een commentaar op de Sententies
van Petrus Lombardus en een Gemma animae.
L i t. : Franz, Die Mcsse im deutschen Mittclalter
(1902, 443 vlg.1 ; Dict. Arch. Liturg. (II 649 vlg.) ;
Lcxikon f. Theol. u. Kircho (II 1931, 120). Franses.
Beletsel (Lat. obex). In de Sacramentenleer
wordt b. genoemd een gemis aan vereischte gesteltenis,
waardoor belet wordt, ofwel dat het Sacrament
tot stand komt, ofwel dat de genade door het Sacra-
ment wordt meegedeeld. In het eerste geval spreekt
men van beletsel voor het Sacrament (obex sacrament i),
in het tweede van beletsel voor de genade (obex
gratiae). liet eerste is bijv. schuldig gemis aan berouw
in de biecht. Als het Conc. van Trente vaststelt, dat
de Sacramenten genade verleenen aan hen, die geen
beletsel stellen (Denz. 849), moet dit niet slechts in
negatieven zin worden opsevat, alsof een zich passief
houden van den ontvanger volstaat, want een positieve
dispositie van den volwassen ontvanger i3 vereischt
(Denz. 807, *19).
L i t. : Sacrament. Kreling.
Voor beletsel (Lat. impedimentum), > Huwelijk;
> Wijdingen (Heilige).
Beleving is de ervaring van een psychisch-
geestelijk gebeuren. Zoo spreekt men wel van een
emotioneele b., wanneer men het oog heelt op de erva-
ring eener emotioneele gebeurtenis. In de psychologie
staat het beleven naast het doorleven (verwerken).
Belevingssehool, > Arbeidsschool (4°).
Belezen, ook wel bespreken genoemd, is
een bijgeloovig gebruik (vana observantia), dat op
het platteland nog veelvuldig voorkomt. Sommige
personen kunnen menschon zoowel als dieren van
bepaalde ziekten, zooals verstuikte ledematen, brand-
wonden, wratten e.d., genezen. Over het zieke lichaams-
deel worden kruisjes gemaakt onder het bidden van hef
St. Jansevangelie of het uitspreken van bepaalde
formules. liet mcercndccl dezer genezingen moet
toegeschreven w T orden aan suggestie, terwijl bij dieren
is aan te nemen, dat ze tóch wel genezen zouden zijn,
ook al w r aren ze niet belezen. De mogelijkheid van
bovennatuurlijken invloed, hetzij door een bergen -
verzettend geloof en heiligen levenswandel, hetzij
door aanroeping van den duivel, is hierbij niet
uitgesloten. J. v. Rooij.
Bel fust, hoofdstad van de provincie Antrim
in Ierland (54° 37' N., 5° 56' W.), zeer belangrijke
handels- en industriestad, veilige en uitgestrekte
haven bij de uitmonding van de rivier Lagan in het
Meer van Belfast. 440 000 inw. Fabrieken van linnen,
jute, spiritus, tabak, meel, margarine. Scheepsbouw.
Universiteit. Kath. cn Anglicaanscho bissehop.
G . de Vries .
Op kunstgebied is B. onbelangrijk. De
voornaamste gebouwen, zooals de City-Hall , en
Queen’s University, de Protestantsche kathedraal en
het Parlementsgebouw, zijn pompeuze maar prozaï-
sche gebouwen, meest gemodelleerd op Londensche
voorbeelden, liet museum bevat talrijke oudheden
van Ulster, en eenige goede schilderijen; vooral een
serie portretten van sir John Lavery; landschappen
van C. R. W. Nevinson, S. J. L. Birch en anderen.
Belfeld, gen. in Ned. Limburg, gelegen 6 km
ten Z. van Venlo, omvattend het dorp Belfeld en het
gehucht Geloo. In 1932: 1 961 inw. Dakpannen- en
grasbuizen industrie met resp. 120 en 60 arb.; verder
land- en tuinbouw. Ter hoogte van B. stuw in de Maas.
v. Thiel .
Belfort of Beffroy wordt genoemd do voor-
naamste verdedigingstoren van een middeleeuwschen
burcht, gewoonlijk op de minst toegankelijke plaats,
De Belfort van Doornik.
op rond of vierkant grondplan, opgetrokken. De naam
ging later over op de fronttorens van stadhuizen en
verkoophallen, voornamelijk in de Z. Nederlanden.
Voor dat geval wordt ook de naam „halletoren”
gebezigd. > Bclfroot. Knipping.
Belfort, een op zich zelf staande afdeeliug en
GIE
BELGIE NAT
yiissingè'i
stende
Öupme SKleirv
.e^yV^Brab;
Gent
T
'oTorhout
RUSS
Hazebrouck
RIJ SS
O- 20 I H OO- 200
0-100 I 1 200-500
boven 500
;haal 1 ; 1.150.000
100 200 300 400 500 pp
Turn nou
Roermond
^VVERPE^
rdi Kem?
• dever/oo
A ECHELEN
>antsche
'5tTrui<
•5t-i
chefort
UURKUND1G
405
Belfort— België
406
vesting in Frankrijk (47° 38' N., 6° 57' O.) (1931
42 600 inw.) in de 28 km breede Bourgondische Poort.
In 1648 kwam het aan Frankrijk. Handel in wijnen;
spinnerij, weverij. Heere.
Ten einde den meest Zuidelijken toegangsweg ten
Noorden van Zwitserland naar het hart van Frankrijk
af te sluiten, werd B. reeds in 1687 door Vauban ver-
sterkt. In 1870 weerstond B. onder bevel van Denfert-
Rochereau aan de belegering door de Duitschers onder
von Tresckow. In het na 1870 aangelegde Fransche
vestingstelsel nam B. wederom de plaats van rechter
hoekpijler van het front in. Krachtige aanvallen
vonden in den Wereldoorlog hier niet plaats.
BHfort, Het, Katholiek maandschrift, gewijd
aan letteren, wetenschap en kunst (Gent 1886 — ’99;:
verdedigde een conservatief en streng-orthodox stand-
punt. Een bijblad: Philologische Bijdragen, verscheen
op onbepaalde tijdstippen. Versmolt in 1900 met
Dietsche Warande tot D. W. en B.
Bei f root, burgerlijke klokketoren, merkteeken
der gemeentelijke vrijheid van de middeleeuwsche
steden in Vlaanderen. > Belfort.
Belga, Belgisch telegraafagentschap, opgericht
te Brussel na den oorlog.
Belga. Door het Koninklijk Besluit van 25 Oct.
1926 betreffende de muntstabilisatie werd de wissel-
koers van den Belg. frank tegenover het buitenland
bepaald in belga ’s. De nieuwe noteering werd aange-
nomen ten einde aan destabilisatie van de munteen-
heid een tastbaren vorm te geven. De b. alleen wordt
genoteerd met het oog op den wisselkoers. Het is ver-
boden den wisselkoers van den Belg. frank onder een
anderen vorm bekend te maken. Ook de Nationale
Bank neemt deze eenheid aan als grondslag voor haar
betalingen in goud. De frank behoudt echter zijn rol
in de b innen landsche economie; in dezeeconomieisdeb.
om zoo te zeggen ongebruikt gebleven. De b. is dus geen
nieuwe munt, maar alleen een wisselmunt, gelijk aan vijf
frank: beide munten zijn ten allen tijde onderling ver-
wisselbaar op den voet van vijf frank voor een belga.
De pariteit van de b. met de buitenlandsche munten
wordt bepaald naar rato van 0,209 211 gram fijn goud
per b. De waarde van den Belg. frank bedraagt daar-
van een vijfde, d.i. een zevende van zijn vroegere
geldwaarde. V. Dievoet .
Belgac. Het gebied der B. omvatte ten tijde van
Caesar tot aan den val van het Romeinsche rijk in
het W. (58 v. Chr. tot begin der 5e eeuw n. Chr.) de
streek benoorden de Seine en de Mame tot aan den
Rijn in het O. en N., dus N. Frankrijk, België, Neder-
land bezuiden de Waal en den linker oever van den
Rijn in Duitschland. De naam B. raakte spoedig in
onbruik en werd eerst in de 15e eeuw weer kunstmatig
in het leven geroepen als benaming van de Bour-
gondische, later Spaansehe Nederlanden.
De oude B. zijn ongetwijfeld Galliërs in levenswijze,
zeden, taal (alleen bekend door plaats-, persoons- en
volksnamen) geweest, maar ze waren van over den
Rijn gekomen (ca. 250 v. Chr.) en volgens Caesar voor
het ïnecrendeel Germanen van afkomst. Onder de
nieuwere Germanisten wordt deze voorstelling zeer
betwist. In elk geval zijn volgens Caesar de Aduatici
(in de omstreken van Namen, België) een rest der
Cimbri en Teutones, die ongetwijfeld Germanen
waren. Aan een anderen kant zullen de B., zelfs die
van Germaansche afstamming, sterk gckeltiseerd zijn,
wat het belang van het vraagstuk aanzienlijk vermin-
dert. De B. waren krijgshaftiger dan de overige Gal-
liërs en eerst, na een hardnekkigen weerstand en de
volkomen uitroeiing der Eburones gelukte het Caesar
de Romeinsche heerschappij voor goed onder do B,
te vestigen. De B. hadden ook in hot Z. van Gr.
Brittannië veroveringen gemaakt, soms nog aan den
naam te herkennen, bijv. Venta Belgarum, d.i. Win-
chester.
Vier eeuw r en lang bleef het land der B. aan het
Romeinsche Rijk gehecht, eerst als provincia Belgica
(tusschen Noordzee, Rijn, Saêne en Seinc), later, onder
Diocletianus, gesplitst in Belgica Prima (hoofdplaats
Trier) en B. Secunda (hoofdplaats Reims). Deze
provinciën, vroegtijdig geromaniseerd, grootendeels
tot het Christendom bekeerd en begiftigd met de
bisschopszetels van o.m. Trier (ca. 250 opgericht) en
Tongeren (eerste helft der 4e eeuw), stonden van ca.
250 onafgebroken bloot aan de invallen der van over
den Rijn aan rukkende Franken en Alamannen, evenals
der van over zee aankomende Friezen en Saksen, en
werden in de eerste helft der 5e eeuw door de Franken
onder leiding van Clodio (Chlogio) voor goed onder-
werpen, opgeslorpt of uitgeroeid. Terzelfdertijd ver-
dwenen in het Noordelijk gedeelte de Latijnsche taal
en de Gallo-Romeinsclie, Christelijke beschaving.
V. PotUlbngh.
Lit. : Holder, Altccltischcr Sprachschatz (Leipzig
1896 vlg., s.v. Belgae, Belgicus, Belgium) ; Jullian,
llistoire do la Gaule (Parijs 1908 vlg.); Dottin, Manuel
pour servir a 1’étude de Pantiquité celtique (Parijs 2 1915).
Belgicu-eiluiirien, Belgica -expeditie.
Belgica-expeclitic, Belgische Zuidpool-
expeditie, onder leiding van Adrien de Gerlache
(1897 — ’99) in het gebied ten Z. van Vuurland.
De Bransfield-straat tusschen Grahamland en de
Zuid-Shetlands-ei landen werd nader onderzocht. Het
ten W. daarvan gelegen gebied, het eerst door den
Amerikaanschen walvischvaardcr Palmer opgemerkt,
werd door de B.-e. onderzocht; het bleek een archipel
te zijn: de Belgica-eilanden, ook de Palmer-archipel
genoemd, door de Gerlache-straat van Grahamland
gescheiden. De grootste eil. zijn: het Antw^erpen-
eiland en het Brabant-eiland. Alle zijn met sneeuw
en ijs bedekt. v. Velthoven.
België*
I. Koninklijk Huis en Familie.
L e o p o 1 d I, koning der Belgen, jongste zoon
van hertog Frans van Saksen-Koburg, * 16 Dec. 1790,
f 10 Dec. 1865 te Koburg.
Leo po ld II, koning der Belgen, * 1835 te
Brussel, f 17 Dcc. 1909 te Laelcen.
A 1 b e r t, koning der Belgen, * 8 April 1875 te
Brussel, zoon van Z.K.II. prins Philippe, graaf van
Vlaanderen, en H.K.H. Marie, prinses van Ilohen-
zollcm-Sigmaringen. Werd tot koning gewujd en legde
den eed op de GroncUvet af op 23 Dec. 1909.
Koningin E 1 i s a b e t h, hertogin van Beieren,
* 25 Juli 1876 te Possenhoven.
Kroonprins L e o p o ld, hertog van Brabant,
* 3 Nov. 1901, burgerlijk getrouwd te Stockholm
4 Nov. 1926, kerkelijk gehuwd te Brussel op 10 Nov.
1926 met: Prinses A s t r i d, prinses van Zweden,
hertogin van Brabant, * 17 Nov. 1905 te Stockholm.
Uit dit huwelijk weerden geboren: José Charlotte,
* 11 Oct. 1927 te Brussel; prins Boudewijn, hertog van
Ilainaut, * 7 Sept. 1930 te Brussel.
Prins Karei Theodoor, hertog van Vlaan-
deren, * 10 Oct. 1903 te Brussel.
Prinses Marie-José, *4 Aug. 1906 te Ostende,
407
België
408
gehuwd te Kome op 8 Jan. 1930 met den kroonprins
van Italië: ïlumbert, prins van Piemont.
II. Aardrijkskunde.
Algemeen overzicht. Het koninkrijk België, met
als hoofdstad Brussel, beslaat 30 444 km 2 opper-
vlakteen telde in 1932: 8 160000 in w., d.i. 268 inw. per
km 2 . Voor astronomische ligging en grenzen, zie kaart.
B. behoort gedeeltelijk, nl. het N.W., tot de uit-
gestrekte Europeesche laagvlakte en gedeeltelijk tot
de plateau- en bergstreken van Middel-Europa.
Met zijn 67 km lange, lage kust ondergaat het den
verzachtenden invloed van de Noordzee.
De ligging tusschen de voornaamste staten van
Europa, het gunstig zeeklimaat, de voordcelige
bodemgesteldheid, de rijkdom van bodem en grond,
de werkkracht van de bevolking, de degelijke organisa-
tie, een uitgestrekt net van verkeerswegen hebben
van het kleine B. een machtig land gemaakt. Ook op
cultureel gebied leverde het kenmerk van doorvoer-
land voordeel op.
A) Aardkundige bouw. 1° Verspreiding
der aardkundige vormingen (zie
krt. België aardkundig). B. vertoont groote verschei-
denheid in de geologische vormingen: van het Z.O.
naar het N.W. ontmoet men talrijke aardlagen, die
verschillen in ouderdom, samenstelling en structuur,
en, behoudens eenige uitzonderingen, alle sediment-
gesteenten zijn.
Volgens den geologischen ouderdom kan men drie
deelen onderscheiden: a) de Z.O. hoek van Luxemburg,
die samengesteld is uit Secondaire afzettingen, Trias
en vooral Jura, bestaande hoofdzakelijk uit mergel,
zandsteen, klei- en kalksteen.
b) Ten N. van de voorgaande streek, tot de lijn
Sambre — Maas — Vesdre ongeveer, komen Primaire
lagen aan de oppervlakte. Cambrische kwartsieten
en leisteenen in de hoogstgelegen Ardennen, nl. in de
omgeving van Stablo, Vielsalrn, Libramont, Bouillon
en het Zuiden van de provinciën Namen en Hene-
gouwen. Verder, het Pevoon en het Carboon, die zich
over de Ardennen, Condroz en Tusschen -Sambre-en-
Maas uitstrekken. Deze Palacozoïschc gesteenten zijn
opgebouwd uit zandsteen, psammieten, kalksteen,
leisteen, conglomeraten en steenkool, in het Sambre—
Maasdal.
c) Ten N. van de grens Sambre — Maas— Vesdre
liggen de Primaire afzettingen, nl. de steenkool,
doorgaans bedolven onder Secondaire krijtlagen en
Tertiaire en Kwartaire zand- en kleimassa's. In den
boven loop van sommige rivieren, zooa ls Dender en Dijle,
treft men ontsluitingen aan van oude Cambrische
en Siluurgesteenten. De Tertiaire bedekking van
België is zeer zandachtig in de Kempen en in Brabant,
klei- en zandachtig in Vlaanderen. Verder moeten de
volgende Kwartaire formaties vermeld worden: de
klei van het Polderland, het leem van Ilaspengouw
en Brabant, de puinkegel van de Maas, in de Oostelijke
Kempen. Al deze aardlagen bezitten een kenmerkende
tekstuur en bevatten vaak rijke vindplaatsen van
ouderdom -bepalende fossielen.
2°Tectonische kenmerken. Uit het
onderzoek van de ontsluitingen blijkt, dat de Primaire
sedimenten hevig geplooid zijn; de streek, geleden
tusschen Sambre— Maas— Vesdre en den Z. hoek van
Luxemburg, vertoont een opeenvolging van ingewik-
kelde plooien en breukzones van Z.W. — N.O. richting.
De Secondaire, Tertiaire en Kwartaire gebieden zijn
niet of zeer weinig geplooid, en waar deze lagen het
Palaeozoïsche massief raken, neemt men discordantie
waar.
Als men een doorsnede toekent van den ondergrond
van B., ongeveer van hot N.W. naar het Z.O.. onder-
scheidt men de volgende tectonische gebieden (zie
fig. 1): 1° het synclinaalbekken van de Kempen, waar-
van enkel de Zuidelijke rand aangeboord werd, en
waarvan de gestoorde steenkoollagen bedekt zijn
met weinig hellende Perm-, Krijt-, Tertiaire en Kwar-
taire vormingen. 2° Het anticlinaalgebied van Bra-
bant, met de oude Cambrium- en Siluurkernen, die
zich ontsluiten in den bovenloop van enkele rivieren
en die van weerskanten bedolven liggen onder Ter-
tiaire zand- en kleilagen. 3° Hot synclinaalbekken van
Namen, waarvan de kern uit Carboon bestaat en waar-
van de Zuidrand zeer verhakkeld is door ontelbare
breuken. 4° Een onvolledig ontwikkelde anticlinale
Siluurstrook, die een gewichtige breukzone bevat,
waarlangs geweldige verschuivingen hebben plaats
gehad. 6° Het svnclinaalgebied van Dinant, dat zelf
uit kleinere Devoon- en Carboonplooiingen is opge-
bouwd. 6° De anticlinale Ardennenkam, met Cam-
brische kern. 7° De Devonische Eifelsynclinale.
8° De anticlinale plooi van Givonne. 9° Het Secondair
bekken van Gaumais.
De geologische studie leert, dat België tweemaal
geplooid werd: een eerste plooiing, op hef einde van
het Siluur, deed het Caledonische gebergte ontstaan,
waarvan de Ardennen deel uitmaakten; een tweede,
na het Carboon, dat de Hercynische bergstreek vormde
on waartoe de Primaire grond van B. behoorde.
Terw ijl hot Noordelijk gedeelte van het land een daling
onderging, doorstond de Zuidelijke helft geweldigen
druk, die talrijke plooien en breuken veroorzaakte en
zelfs, naar de nieuwste opvattingen, overschuivingen,
waarbij omvangrijke laagcomplexen over andere
w erden hcengestuwd, zoodat er een dekbladenstructuur
ontstond. Dat bodembewegingen van kleineren omvang
zich voordeden gedurende het Secondair en Tertiair
en dat zij zelfs nu nog voortwerken gedurende het
Kwartair, blijkt uit het nauw keurig onderzoek van die
formaties en ookuit soms plaats vindende aard bevingen.
. ») Dc land vorm en cn hun ontslaan. 1° De
1 a n d v o r m e n (zie kaart België, natuurkundig).
De bodemgesteldheid van B. omvat in het Z.O. een
rotsachtig bergland van maximum 694 m hoogte
in de Ardennen, dat geleidelijk naar de kust afdaalt
en er een klei- en zandachtige vlakte ontvouwt.
Een doorsnede van het reliëf gaande van het N.W.
tot het Z.O. heeft ongeveer het profiel, dat op de fig.
in kol< m 411/2 is aangebracht.
Het uitzicht van den bodem laat toe drie reliëf-
gebieden te onderscheiden, die nagenoeg evenwijdig
loopen met de kust: a) het laagland, langs de kust en
de Beneden-Schelde: b) het plateaulandschap, ten Z.
ongeveer begrensd door het Sambre — Maasdal; c) de
bergstreek, die het overige gedeelte van B. beslaat.
liet Vlaamsche laagland ligt tusschen de kust
en een lijn, die ongeveer loopt over leperen — Aalst —
Aarschot — Turnhout. Deze vlakte bereikt nauwelijks
20 m hoogte, behalve in het Land van Waas en in de
omgeving van Torhout — een deel, de Polders, daalt
zelfs beneden het hoog-zeepeil — en is van de zee
gescheiden door een tot 30 m hooge duinenreeks.
In de dalen van Schelde en bijrivieren reikt de hoogte-
lijn van 20 m zeer ver Zuidwaarts.
Het plateaulandschap strekt zich uit
van de Z. en O.grens van het laagland tot in de om-
409
België
410
m nr
m w m u z.s.
ns
Fig. 1 Schematisch geologisch 'profiel door België van UW -ZO
l : Kwartairtn Tertiair 1 1 i ‘ 1 1 Secondair (knjt). BEEE3 Secondairfjmnielrmg.
Steenkool
Ska/k.
\steen
Cambrn -Jï/uur.
B a groote brtuk
bt.... bn : breuken
T - JK. - technische gebieden (zie tekst).
Fig. 2. Schematisch profiel van het Reliëf van België, fi. W. -ZO.
Z.=- Zeepe/i.
J.- Strand.
D- Duinen.
P- - Polders
VI. * Vlaamsche laagvlakte.
Sc. = Schelde dal
Vl.H- Vlaamsche heuvels
PI . * Plateau Igndschap.
tl.*
C . -
Fa.*
A. *
Maasdal.
Condroz.
Famenne.
Ardennen.
Ö.L. * Belgisch lotharingen.
j^eving van het Sambre — Maasdal. Domineerendo
is hier het plateau, vooral in het Oosten, waar men
dat van Brabant, Ilaspengouw en de Kempen onder-
scheidt. ïn het W. echter verheft zich een heuvelrij,
de Vlaamsche heuvels, waarvan de voornaamste
toppen tot boven 150 m reiken. Dit plateaulandschap
(20—220 m) is doorkorven door een aantal dalen,
in het algemeen met Z.W. — N.O. richting en vooral
in Brabant en Henegouwen tamelijk steile oevers.
De bergstreek (200 — G94 m) beslaat heel Zu id-
België en vertoont twee hellingsvlakken, van weers-
kanten van den harden Ardennenkam, die in N.O. —
Z.W. richting loopt o.a. over Botrange (G94 m),
Baraque Michel (674 m) en de hoogten van Rocroi,
390 m. Ten N. worden de Ardennen begrensd door de
lager liggende vlakten. In het N.O., tusschen Vesdre
en Maas, ligt het heuvelachtige land van Ilerve. De
diepe en breede gleuf van Sambre — Maas begrenst
de bergstreek ten Noorden.
2° Ontstaan van het reliëf. Het
verschil in de bodemgesteldheid van B. is toe te
schrijven aan de drie volgende oorzaken:
1° De lithologischesamenstelling
der grondformaties verschilt van streek tot streek.
In het Zuidelijk bergland komen harde Primaire
rotsen aan de oppervlakte, zooals kwartsiet, zandsteen,
kalksteen, leisteen, die meestal een hevigen weerstand
bieden aan verweer ings- en erosiekrachten. In de pla-
teaustreek en vooral in het laagland treft men bijna
uitsluitend poreuze krijtbnnken of losse klei-, zand- en
leemlagen aan, die gemakkelijk afgespoeld worden.
Bij uitzondering zijn de bestanddeelen soms aaneen*
gekit en dan vormen zij harde steenmassa’s; dit is het
geval met de glauconietzanden, die nl. in de omgeving
van Diest tot bruin ijzerzandsteen overgaan; o< k
gebeurt dit in het Tertiair zand der omstreken van
Brussel en op de Vlaamsche heuveltoppen.
2° De t e c t o n i e k. Zooals hierboven is gezegd,
werd het Zuidelijk gedeelte van B. hevig geplooid
bij de Caledonische en Ilercynische bergvorm ingen.
Men kan haast overal in de Ardennen en in de omlig-
gende gewesten ontsluitingen waarnemen van sterk
geplooide en gestoorde Primaire steenlagen.
Ten N. van de Sambre — Maas liggen de Primaire
anticlinale en synclinale plooien discordant bedolven
onder inachtige Secondaire, Tertiaire en Kwartaire
sedimenten, die een zachte helling vertoonen. Hier
greep een doorzukken plaats in een geosy nel inaai
gebied, hetgeen de geweldige dikte verklaart der
ost-Palaeozoïsche lagen. Ook de jongste tectonische
ewegingen, plooien en breuken hadden en hebben nog
invloed op het morpliologisch verloop van het land*
411
België
412
3° V e r w e e r i n g en erosie. In de sterk
geplooide bergstreek was cn is thans nog de verweering
aanzienlijk, en de riviererosie zeer sterk. Hierdoor
kreeg Zuid-België een kenmerkend uitzicht van een
schiervlakte, die door diepe insnijd ingsdalcn verbrok
keld wordt. In de kalkstreken vonnde de karsterosie
mooie grotten, zooals die van Ilan, Rochefort en
Remouchamps. In liet Noorden werd het afgedragen
materiaal (keien, grint, zand en klei) in de vlakte
afgezet of naar zee gevoerd; hier had dus de sedimen-
tatie de overhand.
Door winderosie ontstonden landduinen in de
Kempen en zeeduinen langs de kust.
C) Klimaat. Door de ligging aan de Zuidkust
van de Noordzee, waar zich de Golfstroomdrift doet
gevoelen, ondergaat B. den matigenden invloed van
het zeeklimaat, vooral in het N.W. gedeelte.
Ten gevolge van verschil in bodemgesteldheid
komen eenige regionale afwijkingen voor. In de berg-
achtige Ardennen, die hooger liggen en verder van de
zee, alsook in de Kempen, met haar zand- en grint-
achtigcn bodem, doen zich reeds Continentale invloe-
den gelden, waardoor in die streken de winter meer
guur is en de zomer heeter dan elders.
De Z.W., de W. en de Z. winden zijn overheerschend ;
zij brengen veel regens mee, die, bij het ontmoeten
van het Zuidelijk bergland, hun maximum bereiken.
De jaarlijksche neerslaghoogte gaat van ongeveer
700 mm langs de kust, tot 1 500 mm in de Ardennen,
om daarna weer te dalen tot ongeveer 900 mm in den
Z.O. hoek van Luxemburg.
Locale invloeden verzachten soms het klimaat, bijv.
in de beschutte rivierdalen en in Belgisch Lotha-
ringen.
De gemiddelde jaartemperatuur bedraagt voor
Vlaanderen iets meer dan 9°C, voor de Ardennen iets
meer dan 7°C cn voor Bel^. Lotharingen bijna 9°C.
De vorstdagen zijn het talrijkst in de Ardennen; ook
sneeuwt en vriest het er vroeger en langer dan elders.
De meeste regen valt in den zomer, maar dank zij
de actieve verdamping gedurende dat seizoen, wordl
een aanzienlijke hoeveelheid water niet door de rivie-
ren opgevangen. Herfst- en winterneerslag oefenen den
sterksten invloed uit op de waterloopen. V. Aslroeck.
_!») . De walerloopen. 1 ° Beschrijving.
Behoudens eenige uitzonderingen, vloeit al het rivier-
water van België naar de Noordzee. In het algemeen
helt het land trouwens af in die richting. De Ardennen -
kam en de heuvelrug van Artois vormen de scheiding
voor het stroomgebied van Rijn, Seine en Somme
eenerzijds, Maas en Schelde anderzijds.
De Schelde, die op de hoogte van St. Quentin ont-
springt en daarna door N. Frankrijk, het Belgische
plateaulandschap en de Vlaamsche laagvlakte stroomt,
heeft een zeer gering verval. Het is een vlaktestroom;
zij is tamelijk diep, en in haar benedenloop, die een
zeearm is, ondergaat zij de werking van eb en vloed.
Haar oevers zijn in den benedenloop met dijken opge-
hoogd. Zij maakt vele bochten; de groote zeehaven van
Antwerpen bevindt zich aan de buitenbocht van zulk
een meander. Rechts, waar het stroomgebied zich
ongeveer uitstrekt over de helft van België, neemt zij
een aantal belangrijke bijrivieren op. De O.W. Haine
of liene, waarvan vooral de bijriviertjes een groot
verval vertoonen. De Dender, die ongeveer evenwijdig
vloeit met de Schelde en in haar bovenloop nogal veel
verval heeft bij het doorbreken van de Vlaamsche
heuvelen. De Rupel is een korte, maar breede zijarm,
die verschillende waterloopen opvangt: de Zcnne, met
de Dijk, waarin zich de Denner ontlast, die op haar
beurt de Geete en de Ilerck ontvangt; in de Kempen
vloeien de Groote en de Kleine Nethe samen en komen
ten \V. van Mechelen in de Rupel terecht. De boven-
loop van deze rivieren heeft een merkbaar verval en
vaak steile oevers; de benedenloop ervan is traag.
Links heeft de Schelde een veel geringer en lager
stroomgebied en slechts één groote bijrivier, de
kronkelende Leie, die zich te Gent in de Schelde ont-
last; haar water is zeer geschikt voor het roten van
vlas, evenals dat van haar bijloop, de Mandei. De
Durme vloeit aan den rand van het Land van Waas,
bij Tielrode, in de Schelde.
De Maas, die op het plateau van Langres ontspringt
en vervolgens in een diep en breed dal Noordwaarts
slingert, is in Frankrijk zeer arm aan bijrivieren,
die meestal werden onthoofd ten voordecle van Rijn
en Seine. In België zijn de snelle nevenloopen talrijk
en hebben een zeer groot verval. Even vóór het door-
breken der Ardennen vangt de Maas de Chiers op met
Ton en Vire; daarna de kronkelende Semois. Stroom-
afwaarts, links, de Viroin en de Hermeton; daarna,
rechts, de Lesse, die met haar bijrivieren door een
prachtig karstlandschap vloeit, waar zich de grotten
van Han en Rochefort hebben gevormd. Ten N. van
Dinant de Molignée met haar steile oevers en de Bocq.
Te Namen neemt zij de breede Sambre op, waarin zich
reeds ontlastten: de Biesmcle, te Thuin, de Eau-
d'Heure en de Piéton, ten W. van Charleroi, de Orneau,
ten O. van Tamines. Vanaf Namen storten zich nog
in de Maas: de Samson, de zeer snelle Hoyoux, de
Méhaigne, de waterrijke, mooie Ourthe, waarin zich
werpen: de Amel, met de grotten van Remouchamps
en de Coo-waterval, de Vesdre met de Gileppe; verder
nog de Berwinne, de Jeker en de Boschbeek. In de
Ned. vlakte wordt de Maas veel kalmer. In lioog-
België komen nog cenige rivieren voor van minder
belang, die niet tot het stroomgebied van de Maas
behooren, nl. de Oise in Z. Henegouwen, een neven loop
van de Seine; de Attert, Sauer en Wiltz, die in het
gebied van den Rijn liggen. Langs de kust moet ver-
meld worden de IJzer met de IJperlee, die door het
lage polderland vloeien en gedurende den Wereldoor-
log een gew ichtige rol speelden. Hun loop w r erd aan-
zienlijk gewijzigd door menschenwerk.
2° K e n m e r k e n. De waterstand van de Belgische
rivieren, vooral van het gebied der Schelde, is tamelijk
regelmatig, behalve gedurende den herfst en in den
winter. Vooral ’s winters, maar ook ’s zomers is de
regenneerslag van belang, de actieve verdamping ge-
durende het warme seizoen werkt echter den invloed
van den hoogen neerslag tegen.
Waar de ondergrond ondoordringbaar is, ontwik-
kelt zich een dicht watemet; dit is het geval met N.
Haspengouw, dat daarom ook wel Vochtig Ilaspen-
gouw genoemd wordt; in het Zuidelijk gedeelte, of
Droog Haspengouw, waar geen kleilaag tusschen de
löss en het krijt ligt, is het oppervlaktewater uiterst
zeldzaam. Wanneer de helling onvoldoende is, vormen
zich doorgaans moeraspiassen, bijv. in de Hooge
Venen en op het plateau van de Kempen. Is de grond
zeer doordringbaar, dan kan zich in de bovenliggende
sedimenten een machtige grondwater-reserve vormen,
zooals dit het geval is met Vlaanderen en de Kempen.
In de kalkgesteenten deden zich merkwaardige kust-
verschijnselen voor, nl. te Han, Rochefort, Remou-
champs, Dinant. De meer beboschte gewesten, bijv. in
413
België
414
de Ardennen, vangen een groote hoeveelheid regenwater
op en oefenen een regulariseerenden invloed op de
rivieren uit; de werking ervan wordt echter veelal
overdreven; de invloed van de bodemgesteldheid
blijkt overwegend te zijn. De W. O. loop van de Ilene,
Sambre en Maas valt samen met een geplooide
strook, de synclinale zone van Namen. Het dwarsdal
van de Maas ten Z. van Namen vertoont een geheel
ander kenmerk, zooals ook de meeste bijrivieren van
het bergachtige Zuiden. Het zijn epigcnctische water-
loopen: zij ontstonden op een minder verheven vlak,
dat, naar het N. hellend, bedekt was met jongere neder-
zettingen. Terwijl de stroomen hun bedding zochten
op die jongere sedimenten, begon een nieuwe beweging
het land omhoog te heffen; daardoor nam de erosie-
kracht toe en schuurden de machtigste rivieren diepe
dalen uit. De terrasvormige niveau ’s en de talrijke
insnijdingsbochten in de meeste dalen van de berg-
streek leveren hiervoor een belangwekkend studie-
materiaal op. De jongste bodembewegingen gaven
dikwijls aanleiding tot onthoofding, hetgeen het
plotseling ombuigen verklaart van menige rivier.
Het denudatieproces had ten gevolge, dat een
ontzaglijke massa grond wegspoelde naar de zee. Het
N.W. van België, dat hoofdzakelijk uit losse af-
zettingen is opgebouwd, onderging een ingrijpende
vernietigende werking, waarvan de thans nog goed
zichtbare resten der Vlaamsche heuvelen een bewijs
leveren. Het Zuidelijk geplooid bergland werd veref-
fend tot een eigenaardige schiervlakte.
Op de veel omstreden vraag, hoe den geologischen
ouderdom der waterloopen te bepalen, mag geant-
woord v orden, dat het huidig continentaal tijdstip
begon met het terugtrekken der laatste Tertiaire
zeeën in N. O. richting, dat aan het rivicrstclsel zijn
algemeene richting gaf. De waterloopen van het N.
van België werden later nochtans beïnvloed door een
paar transgressies. De eigenlijke uitschuring der
rivierdalen geschiedde het hevigst in het Plistoceen;
de vondsten van fossiele overblijfselen in de Alluviale
nederzettingen toonen dit voldoende aan. Volledig-
heidshalve echter moet worden opgemerkt, dat veel
neven loopen der voornaamste rivieren hun dal pas
begonnen te vormen gedurende het Holoceen.
Uit het onderzoek van de kenmerken der rivieren
blijkt, dat die van het N. gedeelte van het land bijna
alle een regelmatigen watertoevoer bezitten en haar
dalen doorgaans diep genoeg zijn om benuttigd te
kunnen worden door de scheepvaart; dit economisch
voordeel bezitten de Ardensche waterloopen om de
hooger vermelde redenen niet; het toeristisch belang
der Zuidelijke insnijdingsdalen is echter des te grooter.
V. Asbroeck,
E) Bevolking. 1° Ethnographische
kenmerken. Men onderscheidt in B. twee
menschenvariëteiten: het Vlaamsche type en het
Waalsche type: de Vlaming is doorgaans van grooter
gestalte en heeft een lichtere tint van oogen en haar
dan de Waal. Dit verschil is echter tamelijk theore-
tisch, hetgeen begrijpelijk is, als men denkt aan de
menigvuldige wederzijdsche invloeden gedurende de
geschiedenis.
Reeds in het Kwartair was B. bewoond: de voor-
historische vondsten te Spy, Engis, Turfooz, Wóris too-
nen dit aan. Jn den loop der geschiedenis werd het N.
bevolkt door Germaansche stammen, terwijl het Z. meer
bewoond bleef door volken van Romaanschen oorsprong.
Hoe dichter men de kedendaagsche periode nadert,
des te zwakker wordt dit ethnisch verschil merkbaar.
2° T a 1 e n. Op een totale bevolking van 8 1G0 000
inw. (1932) spreken er ongeveer 43% uitsluitend
Vlaamsch, 40% uitsluitend Fransch en ruim 16 000
uitsluitend Duitsch; 13% Fransch en Vlaamsch;
Fransch en Duitsch ruim 45 000; de drie landstalen
ruim 33 000.
De zeer grillige taalgrens loopt van O. naar W.
ongeveer over de volgende plaatsen: Eben-Emaal,
Landen, Waterloo, Edingen, Ronse, Meenen, Armen-
tières, St. Omer, Duinkerken; ten N. ervan wordt er
Vlaamsch gesproken, ten Z. Waalsch. In den N.O.
hoek van Luik, ten O. en ten Z. van Malmedy en in de
omstreken van Aarlen spreekt men Duitsch.
3° Verspreiding der bevolking.
Sedert 1830 is de bevolking van B. meer dan verdub-
beld. Het zijn vooral de industriestreken en de groote
steden , die het dichtst bevolkt zijn (zie kaart); daar ook
bereikt het aantal immigranten het hoogste percentage.
Vier provincies telden in 1932 ruim 1 millioen inw.:
Brabant 1 680 000, Henegouwen 1 270 000, Antwer-
pen 1 173 000, Oost- Vlaanderen 1 150 000.
Van de 2 671 gemeenten zijn er 12, die meer dan
50 000 zielen tellen: Antwerpen 284 000, Brussel
200 000, Gent 170 000, Luik 165 000, Schaarbeek
119 000, Elsene 84 000, Anderlecht 80 000, Molen-
beek 65 000, St. Gillis 64 000, Mechelen 60 000,
Borgerhout 56 000, Brugge 51 000. De bevolking is
bijzonder dicht (zie kaart) in het Zuidelijk industrie-
bekken van Borinage, Charleroi en Luik; daarna
komt de beneden -Scheld estreek, Gent en omgeving,
het Leiedal, het Sennedal met Brussel als kern. De
minst bevolkte gewesten zijn: de Ardennen en de
Kempen; deze laatste streek echter is bezig zich tot
een dicht industriegebied te ontwikkelen, sedert de
ontdekking van de steenkool.
Zoo de natuurkundige kenmerken (grondstoffen,
vooral steenkool, vruchtbare landbouwbodem, water-
voorraad, enz.) dikwijls, en vooral vroeger, het ver-
schil in verspreiding der bevolking verklaren, mag
de invloed van historische en economische factoren
niet verwaarloosd worden; dit is nl. het geval voor de
textielcentra van Vlaanderen. Daarbij kan het modern,
snel en goedkoop verkeer merkbare gevolgen hebben:
de industriegebieden zouden in B. nog veel dichter
bewoond zijn, indien er bijv. geen goedkoope en snelle
reizen werden ingericht, die de arbeiders toelaten dage-
lijks of wekelijks van veraf gelegen gemeenten te gaan
werken in de nijverheidscentra; hetgeen o.a. meer even-
wicht teweeg brengt in de verspreiding der bevolking.
F) Delfstoffen. De grond van B. is rijk aan nuttige
delfstoffen, dank zij de verscheidenheid in den aard-
kundigen bouw.
De Primaire nederzettingen [zie Aardkundige bouw
(II. B) in dit artikel] bevatten leien, kwartsieten en
zandsteen, vooral in de Ardennen; zandsteengroeven
in het Devoon zijn talrijk in de dalen van de Óurthe,
Hoyoux en Maas. Te Quenast en Lessen vindt men
groeven van eruptiegesteenten (porphier).
Het Devoon van Condroz, tusschen Sambre en
Maas, en van de strook ten N. van de Hene-Sambre
levert verschillende soorten van kalksteen, die in
den handel als marmer bekend zijn. Het Carboon in
Z. België is rijk aan kalksteen (kolenkalk) en aan
steenkool (zie lager, onder Nijverheid); ook de onder-
grond van de Kempen.
De Secondaire formaties bevatten phosphaten en
mergel, die vooral in den landbouw van nut zijn.
415
416
ook krijt voor cementfabrieken. Het Tertiair, dat voor-
al ontsloten ligt in het Vhiamsche land, levert klei,
zand en soms ook zandsteen. Deze grondstoffen deden
vaak ter plaatse nijverheidstakken ontstaan (> Nijver-
heid).
G) Landbouw en veeteelt. Van de 723 000 ha,
die in 1931 aan «rraan- en meelgewassen besteed werden
komen vooral in aanmerking: haver (ongeveer 295 000
ha), rogge (ruim 220 000 ha), tarwe (ruim 164 000 ha).
Do peulvruchten besloegen een opp. van ruim
22 000 ha; de nijverhcidsplanten ongeveer 76 000 ha.
waaronder: suikerbieten 62 000 ha, vlas ruim 14 600 ha,
cichorei 6 500 ha, tabak 2 834 ha, hop 830 ha.
De wortelplantcn verspreidden zich over meer dan
262 000 ha, nl.: aardappelen 172 000 ha, voeder-
bieten 84 000 ha.
De voedergewassen bedekken een totale oppervlakte
van ruim 390 000 ha, de tusschengewassen onseveer
150 000 ha. Daarbij dienen vermeld te worden 3G2 000
ha weiland en boomgaarden.
Ongeveer 48% der landsopp. wordt besteed aan
cultuur, 12% aan weiland en boomgaarden, 18% aan
bosschcn.
B. telde in 1931 ongeveer 242 000 voor landbouw
gebruikte paarden, 1 768 000 runderen en 1 236 000
varkens. De streken, die het meest voordeel trekken
uit den landbouw zijn de Polders, Z. Vlaanderen,
Brabant, Hnspengouw, Henegouwen, Namen, omdat
zij doorgaans een vruchtbaren bodem bezitten of door
de bewoners tot vruchtbaarheid gedwongen worden.
II) Nijverheid. B. is een der meest geïndustriali-
seerde staten van de wereld, want bijna 47% der be-
volking is werkzaam in de ver uitgebreide takken der
nijverheid. Volgens de bedrijfstelling, die gedaan werd
in 1926, worden de industrieën van meer dan 10 werk-
lieden als volgt ingedeeld:
Industrieën
Aantal
onder-
nemin-
gen
Be-
dien-
den
Werk-
lieden
Mijnen
743
7.960
182.002
Groeven
637
2.077
37.249
Metaalbewerking , . .
2.157
23.821
203.143
Aardewerk
479
1.510
28.407
Glas bewerking ....
127
1.670
35.241
Chemische nijv. . . .
681
7.825
62.163
Voedingsindustrie . .
1.155
6.700
56.321
Textielbewerking . . .
1.980
7.749
164.495
Kleed ingind ustrie . .
693
3.207
21.199
Bouwbedrijf
1.282
1.999
40.260
Hout- en meubelbewer-
king
1.147
2.231
36.073
Lederindustrie ....
660
1.895
27.337
Tabakbewerking . . .
Papiernijverheid . . .
193
981
9.770
195
1.077
13.970
Boeken industrie . . .
376
2.338
12.805
Kunst industrie ....
522
2.558
22.267
Vervoer
341
20.894
123.850
Visscherij
15
72
779
Totaal
13.082
96.667
1.080.33 1
1 ° Steenkoolindustrie [zie Aardkundige
bouw (II. Bi en Delfstoffen (II. F) in dit art.). In
het Zuiden ligt het Waalsch steenkoolbekkcn, waarvan
re« ds meerdere putten vei laten werden ofwel omdat de
voorraad uitgeput is of ook omdat de oude inrichtingen
den strijd niet konden volhouden tegen de modern
uitgeruste koolmijnen. Er dient evenwel opgemerkt,
dat sedert den wereldoorlog veel materiaal vernieuwd
werd en dat er nieuwe stcenkoolvelden werden ontdekt
in het Z M dank zij de moderne geologische vondsten,
steunend op wetenschappelijk onderzoek. Het n ook
de aardkundige studie, die A. Dumont tot de ontdek-
king bracht van de steenkool in de Kempen, die diep
bedolven ligt onder dikke krijt-, zand- en kleilagen,
die gevaarlijk grondwater bevatten. Het Zuiderbek*cen,
dat zich splitst in Borinage, Centrum, Charleroi,
beneden -Sa mhre en Luik, leverde in 1930, met 93 mij-
nen, ruim 47 000 000 ton steenkool. In het Kempisch
bekken, waar thans zes mijnen in exploitatie zijn,
waarvan Genk het centrum vormt, werden in 1930
ongeveer 6 600 000 ton steenkool ontgonnen. De reu-
zenvoorraad en de moderne bouw der Kempische
mijnen zullen van deze streek een machtig industrie-
gew r est maken.
2° De metaalbewerking, die in den
beginne zich vestigde in de nabijheid van de vind-
plaatsen der grondstoffen, raakte allengs los van dezen
band, naar gelang de voorraad verminderde, de ver-
voermiddelen zich ontwikkelden en het vakonderwijs
vorderde. Zoo komt het, dat men thans bijv. in het
Vlaamsche land metaalbewerking aantreft, waar noch
steenkool, noch ijzererts te vinden zijn (zie kaart).
De machtigste nijverheidsinrichtingen, die het
metaal bewerken, treft men aan in het Zuidelijk steen-
koolbekken: Borinage, Centrum, Charleroi, Luik,
verder treft men er aan in den Z.O.hoek van Luxem-
burg, waar ijzererts gevonden wordt, en in eenige
Vlaamsche centra, nl. Brussel, Gent, Antwerpen,
Leuven, Mechelen, enz.
Terwijl B. rijk is aan steenkool, is de ertsvoort-
brengst integendeel zeer gering. Ook wordt er thans
ijzererts ingevoerd uit het groothertogdom Luxemburg,
Frankrijk, Zweden, Spanje.
De zinkind ustrie vestigde zich in de pro-
vincies Luik en Limburg.
Metaalnijverheid in België.
1926
1930
IJzcr
R u w ij z e r :
Fabrieken
16
16
Hoogovens
56
65
Productie (in ton)
Waarde der productie (in
3.368.347
3.365.240
1 000 fr.)
1.474.929
1.798.337
Aantal arbeiders
6.152
7.144
Gewoon ij z e r :
Fabrieken
48
40
Pudelovcns
15
12
Productie (in ton)
Waarde der productie (in
169.861
122.730
1 000 fr.)
136.625
109.643
BELGIE. KONINKLIJK HUIS
KONING LEOPOLD I.
KONING ALBERT.
(Photo Conthie, Brussel)
KROONPRINS LEOPOLD.
(Photo Marchcmd, Brussel)
KONING LEOPOLD II.
KONINGIN ELISABETH.
(Photo Alban, Brussel)
PRINSES ASTRID.
(Photo Marchand, Brussel)
KUNSTSCHATTEN IN BELGIË
1. Tabernakel te Zout-leeuw, door Cornelis Floris. 2. Koorbanken in de St. Geertruidakerk te Leuven. 3. Schoorsteen
in het Vrije te Brugge. 4. Het onbloedig Offer der Nieuwe Wet, door Rogier van der Weyden. 5. Detail van het
Gentsch Altaar, door Hubert en Jan van Eyck, in de St. Bavo te Gent. 6. St. Ursula. Voorzijde der Ursula-schrijn,
door Hans Memlinc, in het St. Jans Hospitaal te Brugge. 7. Madonna, door Dirk Bouts. 8. Val van Icarus, door Pieter
Brueghel den Ouden. 9. Antoine Anselm en zijn vrouw, door Maarten de Vos. 10. H. Magdalena, door Quinten Matsijs.
4, 7, 10 in het Kon. Museum te Antwerpen. 8 en 9 in het Musée Ancien te Brussel.
417
België
418
(Vervolg)
1926
1930
Staal:
Fabrieken
34
34
Retortovens
99
105
Staalovens
45
36
Electrische ovens
5
7
Productie (in ton)
Waarde der productie (in
2.481.753
2.600.760
1 000 fr.)
Aantal arb. der ijzer- en staal-
1.989.788
2.608.083
fabrieken
Zink
34.784
35.340
Smelter ij en:
Smelterijen in werking . . .
15
12
Productie (in ton)
Waarde der productie (in
188.767
176.230
1 000 fr.)
934.616
510.147
Aantal arbeiders
7.432
5.897
Pletter ij en:
Plctterijen in werking. . . .
9
9
Productie (in ton)
Waarde der productie (in
67.338
74.890
1 000 fr.)
374.666
270.203
Aantal arbeiders
1.169
1.307
Lood, zilver, koper
Fabrieken in w r erking. . . .
10
11
Loodproductie (in ton) . . .
Waarde der productie (in
87.876
85.370
1 000 fr.)
424.612
276.814 i
Zilverproductie (in ton) . . .
Waarde der productie (in
105
105
1 000 fr.)
75.298
49.899 ,
Koperproductie (in ton) . .
Waarde der productie (in
10.006
96.200 ]
1
1 000 fr.)
111.285
1.040.299 (
Aantal arbeiders
3.076
4.117 j
3° Vroeger was de omgeving van Charleroi, Jumet,
Dampremy en Lodelinsart wereldberoemd voor haar
g 1 a s b 1 a z e r ij e n. Deze verdwenen na het uit-
vinden van de mechanische vervaardiging van het
glas en dit veroorzaakte een crisis in die streek, w T aar
duizenden werklieden een nieuwe bezigheid moesten
zoeken. Mechanische glasfabrieken vervingen de oude
in de streek van Charleroi en werden opgericht in de
Kempen, nl. te Mol, waar wit zand gedolven wordt.
4° In de laatste jaren heeft de scheikundige
industrie groote vorderingen gemaakt. Van
belang zijn nl. de foto -artikelen, vooral de Gevaert-
fab rieken te Oude God, Antwerpen; de electriciteit-
en gasproductie, in de groote centra; pharmaceutische
producten en vernissen, in de groote steden; stijfsel,
kunstzijde-fabrieken; lucifers te Ninove en Geeraards-
bergen, radiumbehandeling te Ooien.
5° Ook de automobiel productie nam
snel toe. Men onderscheidt nationale producenten,
nl. de F.N. te Herstal, Minerva te Antwerpen, Jmperio-
Excelsior, te Brussel, en fabrieken die vreemde merken
vervaardigen.
0°De aardewerk-industrie, steen-
en pannenbakkerijen en cementfabrieken treft men
vooral aan in de Rupelstreek, in de omgevin^ van
Turnhout, in West -Vlaanderen en te Andenne.
7 ° B. bezit een eeuwenoude textielnijver-
hei d, vooral gclocaliseerd in Vlaanderen en te
Verviers. Voor het Vlaamsche land is Gent het mach-
tigste centrum; daarna dienen vermeld te worden:
Kortrijk, St. Niklaas, Mechelen en verschillende andere
Vlaamsche steden en dorpen, waar hoofdzakelijk vlas
en katoen verwerkt wmrden. Te Verviers integendeel
bewerkt men vooral wol, die uit de Engelsche bezit-
tingen en uit Argentinië ingevoerd wmrdt.
De Vlaamsche kantbewerking, die als huisindustrie
wereldbekend was, verdwijnt met de ontwikkeling
van de moderne techniek der fabrieken.
3° De industrie van voedings- en genot-
middelen en van luxe-artikelen wordt bijzonder
aangetroffen in de groote steden, alsmede die der
kleeding.
I) Handel en Verkeer. > Bank, sub II, 3°. B. is
verplicht ongeveer een vijfde der voedingsmiddelen te
koopen in den vreemde, ter oorzake van zijn hoog
bevolkingscijfer. Dank zij dc macht der Belg. industrie,
die veel uitvoert, maar die ook grondstoffen moet
invoeren en dank zij het dichte net van allerhande
verkeerswegen zijn dé handelsbetrekkingen zeer leven-
dig. B. drijft veel handel met de omliggende landen:
Frankrijk, Engeland, Duitschland, Nederland, groot-
hertogdom Luxemburg en met andere landen van
Europa, alsmede met de overzeesche gewesten. Meer
en meer dringt zich de rijke Kongo-kolonie op in het
economisch leven van het moederland.
Invoer, uitvoer en doorvoer (waarde in 1 000 fr.) in 1930.
Overschot
Djorvoer
Landen
Invoer
Uitvoer
van den
van den
in binnenw.
in buitenw.
invoer
uitvoer
richting
richting
Frankrijk
6.516.473
4.130.638
1.385.835
6.833.099
10.679.850
Duitschland
6.170.906
2.988.102
2.182.804
9.501.858
4.034.181
Nederland
4.015.553
3.467.712
547.841
3.267.475
2.790.692
Groot-Brittannië . . .
2.831.734
4.998.666
2.166.932
4.606.974
4.880.439
Vereenigde Staten . . .
3.105.719
1.332.826
1.772.803
1.779.692
896.710
Argentinië
1.651.705
713.137
838.568
1.144.418
774.049
Belgisch Kongo . . .
1.185.960
693.559
492.401
236.726
255.821
Italië
366.146
595.863
239.718
943.793
428.168
Zwitserland
381.789
666.181
284.392
1.163.666
1.890.097
1T. 14
419
België
420
Invoer
Uitvoer .
Doorvoer .
Handelsbeweging in de jaren 1840—1930 (waarde i
in 1 000 0
00 fr.).
1840
1850
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
205.6
139.6
43,9
221,9
210,0
201,2
516,7
470.3
409.3
920,8
690,1
831,7
920,8
1.216,7
1.008,4
1.672,1
1.437.0
1.511.1
2.215.8
1.922.9
1.374,6
4.264,9
3.407,4
2.287,2
12.941,8
8.862,0
7.423,0
31.094,2
26.158,9
34.692,8
Havens
Binnengekomen
schepen in 1930
tonnenmaat
(in 1.000)
Antwerpen
Gent . .
Oostende.
Zeebrugge
Brugge. .
Brussel .
Andere plaat
sen . . .
Totaal . .
23.861
2.882
1.187
1.010
288
243
166
29.637
Uitgevaren
schepen in 1930
tonnenmaat
(in 1.000)
23.741
2.860
1.187
1.010
280
240
162
29.480
Vliegtuigen
komst en vertrek) .
Reizigers (aankomst
en vertrek). . . ,
Vervoerde goederen
(kg) .
Vervoerde poststuk-
ken (kg).
Brussel
Ant-
werpen
Totaal
9.282
4.504
16.207
19.383
8.563
31.767
1.089.283
204.220
1.391.114
154.695
12.022
173.852
Duidelijk is het, dat de bevaarbare rivie-
ren vooral en bijna uitsluitend worden aangetroffen
in het Noordelijk gedeelte van het land (zie kaart),
dat laag is en niet rotsachtig.
Daar ook werden de kanalen gegraven en is
het spoorwegnet bijzonder dicht (zie kaart)
vooral rondom de groote steden en in de nijverheids-
gewesten. Door het graven van breede en diepe kanalen
kunnen thans zeeschepen de havens van Brussel,
Gent en Brugge bereiken.
Kanalen
Lengte
(in km)
Vervoerde
goederen
(1.000 1, 1930)
Kanaal Gent-Temeuzen . .
17,5
4.052
Kanaal Brugge-Zeebrugge .
12,0
2.588
Willebroek-kanaal ....
31,5
355
Kanaal Brugge-Ostende . .
20,8
171
De snelle ontwikkeling van de nieuwe Kempen
heeft daar meer spoorwegen doen ontstaan en was de
voornaamste aanleiding van het graven van het reus-
achtige Albcrt-kanaal, dat ook voor Luik en vooral
voor Antwerpen van belang is. In de laatste jaren
levert het autovervoer op het dicht ontwikkeld wegen-
net een emstigen strijd aan het treinverkeer, dat zich
daardoor heeft moeten plooien volgens de nieuwe
economische toestanden.
Een der jongste uitingen van het modern verkeer
is de luchtvaart, die zich snel ontwikkelde na den
wereldoorlog.
Luchtverkeer in 1930 van de vlieghavens Brussel
en Antwerpen:
L i t • Livre d’or du centenaire de lTndépendance
beige (1830—1930) ; G. Kurth, La frontière linguistique
en Belgiquc et dans le Nord de la France (2 dln. Brussel
1898); J. Cornet, Etudes sur 1’évolution des rivières beiges,
in Annales de la Société géelogique de Belgique (XXXI
Mémoire, 1904, 260-500); L. De Ract, Vlaanderen’»
Economische ontwikkeling; E. Mahaim, Les abonne-
ments d’ouvriers sur les lignes de chemin de fer beiges
et leurs effets sociaux (Brussel 1910) ; O. Quelle, Belgien
und die Franz. Nachbargebiete (1915) ; A. Deichmann,
Die Binnen-Wasserstraszen Belgiens (Brussel 1917) ;
H Demain, Les migrations d’ouvrières k travers la
Belgique (Leuven 1919); E. Van den Broeck, E. A.
Martel et E. Rahir, Les cavernes et les rivières souter-
raincs de la Belgique (2 dln. Brussel 1920) ; M. A. Lefèvre,
L’habitut rural en Belgique (Luik 1925) ; Enquête
sur la situation des industries au 31 Oct. 1926 (2 dln.
Brussel 1927, 1928); J. Cornet, Le<?ons de géologie
(Brussel 1927); A. Demangeon, Belgique, Pays-Bas,
Luxembourg, in Géogr. universelle (Parijs 1927);
G. Omond, Belgium (Londen 2 1928) ; F. Leyden, Die
Volksdichte in Belgien, Luxemburg und den Nieder-
landen Petermanns Mitteilungen (Gotha 1929) ; Jaarboek
van het Vlaamsch aardrijkskundig Genootschap (1 1930 —
*31) ; W. Tuckermann, Landerkunde der Niederlande
und Belgiens, in Encyclopaedie der Erdkunde (Lcipzig
1931) ; Vlaanderen door de Eeuwen heen (1932) ; Statis-
tisch jaarboek voor B. en Belg. Kongo (1933).
J) Toerisme, bezienswaardigheden. België mag
zich voorzeker verheugen in een belangrijk toe-
ristisch verkeer. Voor vele Engelsche toeristen is B.
de eerste etappe van een uitstap op het vasteland ; voor
de Nederlanders ligt het op den weg naar het Zuiden.
Vooral lokken de beroemde kunststeden Brugge, Gent,
Antwerpen, Mechelen, Brussel, Leuven, Luik, Door-
nik, alsook een groot aantal mindere steden met eigen
bekoorlijkheid en bezienswaardige monumenten uit
het verleden, jaarlijks een groot aantal vreemde be-
zoekers. Bevat B. behalve de grotten van Han en
Rochefort geen overweldigende natuurwonderen, toch
vertoont deze kleine bodem een groote verscheiden-
heid van uitzicht: moderne wereldsteden, zooals Brus-
sel en Antwerpen met een intens stadsleven, naast
pittoreske oude hoekjes en stemmige begijnhoven in
alle kleinere steden; dichtbevolkte, rijke, kleurvolle
landbouwstreken met een weelde van schilderachtige
421
België
boerderijen, naast geweldige nijverheidscomplexen
m de omgeving van Charleroi en Luik; een der drukste
zeehavens te Antwerpen; stroomen, rivieren en kana-
len; een zeestrand met een van de Ncderlandsche tot
de Fransche grens schier onafgebroken rij van frissche
badplaatsen; een stille heidevlakte in de Kempen en
een bekoorlijk bergland in de Ardennen. Verder ook
eenige historische landschappen van internationale
beteekenis (slagveld van Waterloo), doch vooral,
sedert den wereldoorlog, tal van bedevaartplaatsen
voor de oudstrijders der verbonden legers.
België bezit het dichtste spoorwegnet van de wereld
en ook een uitgebreid (doorgaans goed onderhouden)
wegennet ten gerieve van het steeds meer toenemend
toerisme per auto. De hotels zijn er doorgaans uit-
stekend. De groote internationale hotels kunnen wed-
ijveren met de beste uit het buitenland. Garages en
dergelijke instellingen, die het toerisme te stade komen,
zijn overal langs de groote wegen voorhanden. In de
toeristische centra bestaan vereenigingen ter bevor-
dering van het vreemdelingenverkeer en inlichtings-
bureelen ten gerieve van de toeristen. Er zijn ook
officieel gediplomeerde gidsen voor de toeristen.
Naast het internationaal toerisme bestaat er ook in
B. een zeer ontwikkeld binnenlandsch toeristen-
verkeer. In het Vlaamsche land heeft die beweging
sedert een twaalftal jaren een ongemeenen om vang
aangenomen, dank zij de prachtige werking van den
Vlaamschen Toeristenbond (in 1933
ca. 120 000 leden; afdeelingen over het gansche
Vlaamsche land ; voortreffelijk bondsblad „Toerisme”;
actie op velerlei gebied ook voor bescherming van
gebouwen en landschappen). De jaarlijksche Ijzer-
bedevaart trekt tot 200 000 menschen uit alle hoeken
van Vlaanderen te Diksmuiden bijeen. Speciale vor-
men van toerisme zooals het „trekvogel” -toerisme,
kampeeren, water- en luchttoerisme, wintersport, enz!
nemen voortdurend toe.
Voornaamste bezienswaardigheden van België.
1 ° Oost- en Wes t-V laanderen. Oude
Vlaamsche monumenten en pittoreske stadsdeelen
vooral in Brugge, Gent en Veurne; getrouw hersteld
na de verwoesting in 1914— ’18 te Ieperen, Nieuw-
poort, Diksmuiden; bezienswaardige oude bouw-
werken in W. VI.: te Kortrijk, Oostende, Damme,
Torhout, Loo, Poperinge, Harelbeke; in O. VI.:
te Oudenaarde, Dendermonde, Aalst, Ninove, Gee-
raardsbergen, Ronse, Deinze, St. Niklaas, Temsche,
Rupelmonde; interessante oude kasteden te Wijnen -
dale, Ooidonk, Laame, Beveren-Waas, Moorsel,
Ingelmunster; het Groot-Begijnhof van Gent, te St.
Amandsberg, het voornaamste van B.; museums van
schilder- en beeldhouwkunst te Gent en Bnigge; het
„Lam Gods” in St. Baafs te Gent; de Memlinc-
meesterstukken in St. Jans-hospitaal te Brugge; mu-
seums van oudheidkunde en folklore te Gent; zeestrand
en badplaatsen: Oostende, Blankenberge, Heist,
Nieuwpoort (alwaar ook overal visschershavens),
Knokke met de Zoute en Duinbergen, Wenduine, den
Haan, Mariakerke, Middelkerke, Westende, Koksijde,
de Panne (alwaar de schoonste en hoogste duinen);
historische landschappen uit den wereldoorlog: de
IJzerstreek (de Uzertoren, te Diksmuiden, hulde aan
de Vlaamsche gesneuvelden), Ieperen (Meningate,
voornaamste Britsche oorlogsmonument in B.), Zee-
brugge (Vindictive-memorial van de Britsche vloot),
Kemmelberg, enz.; mooi heuvelland, met uitgestrekte
vergezichten in het Z. van Ieperen, evenzoo in het
Z. van Ronse (de „Vlaamsche Ardennen”) en in de
omgevingvan Geeraardsbergen ; het land der Vlaamsche
schilders: de Leie- en Scheldeoevers ; Gentsche „Flo-
raliën” ; H. Bloedprocessie te Brugge (eerste Maanda*
na 2 Mei); Boetprocessie te Veume (laatste Zonda*
van Juli). °
2° Antwerpen, Limburg en Vlaamsch
Brabant. De groote steden Brussel en Antwerpen
bezitten, naast oudere en nieuwere monumenten, de
belangrijkste museums van B.; ook Mechelen en Leu-
ven bezitten vele oude interessante bouwwerken; ook
Tongeren is belangrijk voor archeologie en kunstge-
schiedenis; verder zijn een bezoek overwaardig de
stemmige stadjes Lier en Diest; verder nog belangrijk
oude gebouwen en kunstvoorwerpen te Heren ta ls *
Hoogstraten, Geel en Turnhout, in de provincie Ant-
werpen; te St. Truiden, Hasselt, Maaseik, Borgloon,
Tessenderloo, in Limburg; te Tienen, Zoutleeuw,
Aarschot, Vilvoorde, Grimbergen, Halle, Assche,
Alsemberg, O.L.V. Lombeek, in Brabant. Oude
kasteden te Gaasbeek, Beersel, Heverlee, Rotselaar;
Elewijt, Bomem; oude abdijen te Tongerloo, Aver-
ee, Park-Heverlee, Postel; mooie nieuwe arbeiders-
wijken in de Limburgsche mijnstreek, vooral te Water-
schei en Winterslag.
Ongerept natuurschoon: de Kempische heide (aldaar
o.a. de Genksche vennen); Zoniënwoud, ten Z. van
Brussel; bekoorlijk heuvelland in Brabant en Z.
Limburg; beroemde bedevaarten te Scherpenheuvel,
Halle, Hakendover; beiaardconcerten te Mechelen.’
3 J Wallonië. De bekoring, die van de Waal-
sche provinciën op de toeristen uitgaat, komt in de
eerste plaats door het vele natuurschoon, dat zij
bieden. Toch zijn steden als Doornik en Luik tevens
rijk aan merkwaardige oude monumenten en bezitteri
een ongemeenen kunstschat. Evenzoo vallen treffende
bouwwerken te vermelden te Nijvel, Hoei, Dinant,
Walcourt, Thuin, Binche, Bergen, Zinnik, Lobbes!
Floreffe, St. Hubert, Bastogne, Bouillon, Aarlen
(Gallo-Romeinsche oudheden) ; indrukwekkende ruïnen
van oude abdijen te Villers, Orval en Aulne; histo-
risch landschap en gedenkteeken te Waterloo; de
parken van Belceil en Mariemont; de nijverheids-*
landschappen uit Borinage, en in de omgeving van
Charleroi, La Louvièrc, Luik. De meest bezochte
valleien zijn: Maas (Hoei, Marche-les-Dames, Namen,
Yvoir, Dinant, Anseremme, Waulsort, Hastière);
Ourthe (Houffalize, Hérou, Laroche, Durbuy, Esneux,
Tilff), Amel (Stavelot, Coo-waterval, les Quarreux,
Remouchamps, Aywaille), Warche (Malmédy), Salm,
Vesdre (Eupen, Limburg, Pepinster, Chaudfontaine)*
Gileppe (kunstmatig meer, ontstaan door afdamming
der vallei), Houyoux (Modave), Samson, Bocq, Molig-
née (Montaigle), Lesse (grot van Han, Ciergnon,
Houyet, Walzin), Lomme (grot van Rochefort), Se-
mois (Chiny, Florenville, Bouillon, Rochehaut, Alle,
Vresse, Bohan). De hoogvlakte der Ardennen is op
vele plaatsen nog een ruw en eenzaam boschland;
evenzoo de Hooge Venen (600 u 700 m boven zeespie-
gel) met het Hertogenwald. Eene bijzondere vermel-
ding verdient hier nog Spa, in eene heerlijke om-
geving gelegen, eene vanouds bekende badplaats, die
door vele buitenlanders bezocht wordt. Lindemans*
K) Plantengroei. Op een klein grondgebied ver*
toont B. eene groote afwisseling in klimaat en grond;
dus eene groote verscheidenheid in plantengroeL
Alhoewel cultures en boschbouw zeer uitgebreid zijn,
blijven er toch nog in elke streek menigvuldige
423
424
België
standplaatsen met kenmerkende inlandsche flora.
Volgens schatting bestaat de inlandsche flora uit
ongeveer 1 250 soorten Phanerogamen en meer dan
8 000 soorten Cryptogamen. Daarbij komen nog vele
gekweekte en ingevoerde soorten, waarvan het getal
niet juist kan bepaald worden. Onder de inheemsche
planten dient de grassoort Bromus arduennensis Kunth
en hare variëteit Villosus vermeld te worden (omstre-
ken van Rochcfort), de eenige endemische soort der
Belg. flora. , . ...
Op gebied der plantenaardrijkskunde vervalt Belgie
in 13 districten, die zich alle in de naburige landen
voortzetten, en w’el die van Noord- en Midden-België,
tot aan de lijn Sambre-Maas, welke deel uitmaken van
het gebied der Balto -Atlantische vlakten, en die van
Hoog-België, welke behooren tot het gebied der ge-
bergten van Midden-Europa.
In de meeste districten komen bijzondere flora stot
stand. De duinen der kuststreek bezitten eene ken-
merkende zandflora, waarvan vele soorten (Cakile
maritima Scop., Salsola Kali L., Carex arenaria L.,
verschillende grassoorten, enz.) verregaande xero-
phitische aanpassingen vertoonen, die men ook vindt
bij de slikke- en schorreplanten. De aangespoelde
gronden langs de rivieren dragen een weelderigen,
maar eentonigen plantengroei. Het district der Polders
is grootendeels ingenomen door weilanden en cultures
en bezit eene gewone onkruidflora. Hetzelfde geldt
voor de overblijvende gedeelten van West- en Oost-
Vlaanderen en voor het Haspengouwdistnct, dat heel
Midden-België beslaat. In Haspengouw treft men
daarenboven eenige uitgestrekte beukenbosschen aan,
als het Zoniën- en het Meerdaelbosch. De zandgronden
der Kempen dragen uitgestrekte heideformatics van
Cal lu na vulgaris Salisb., onderbroken door dennen-
boschjes van Pmus sylvestris L. De moerassen dezer
streek, vooral rond Genk, bezitten een rijken planten-
groei met meerdere zeldzame soorten.
De krijtstreek (land van Herve) bestaat grooten-
deels uit weilanden zonder typische planten, terwijl
de kalkstreek gekenmerkt is door eene bijzondere flora
van zgn. kalkplanten, zooals Helianthemum chamae-
cistus Müll., Calamintha acynos Clairv., verschillende
soorten van Dianthus, enz. In deze laatste streek treft
men ook vele dennen- en loofboombossehen aan.
Het district der Ardennen is grootendeels bedekt met
beuken-, eiken- of dennenbosschen. De mergelstreek,
die het uiterste Zuid-Oosten van België beslaat, bezit
eene zeer rijke flora, waaronder een groot getal soor-
ten van Midden-Europa. Eindelijk, de streken, die
meer dan 600 m boven den zeespiegel liggen, vormen
bet subalpnne district (Baraque Michel), bijna uit-
sluitend bedekt met hooge venen met verschillende
arctische en subalpiene soorten, zooals: Vaccinmm
uliginosum L., Arnica montana L., Meum athaman-
ticum Jacq., Trientalis europaea L., Empetrum
nigrum L., enz.
L i t * F. Crépin, Manuel de la Flore de Belgique
(5e uitg.) ; J. Massart, Esquisse de la géogr. botamque
de Belgique (Brussel 1910) ; J. Mac Leod en G. • t^es,
Geïll. Flora (*1930). Bobijns.
L) Dierenwereld. Niettegenstaande zijn geringe
oppervlakte heeft België een soortrijke fauna, veroor-
zaakt door het samenvloeien van niet minder dan
4 faunistische gebieden, afgezien dan nog van de
Noordzeezone langs de kust.
Van een specifiek Belg. fauna kan er echter geen
sprake zijn, daar al deze gebieden zich verder over de
naburige landen uitbreiden. Daarom komen de meeste
soorten, die in Laag-België voorkomen en die tot de
Baltische fauna behooren, eveneens in een groot deel
van Nederland voor. De fauna van Midden-Belgie
biedt veel gelijkenis met die van Noord-Franknjk
en maakt deel uit van het Kelto-Britsch gebied. Soor-
ten, die in Hoog-België voorkomen, wijzen er op, dat
deze streek bij het Germaansche gebied thuishoort.
De mergelstreek in het uiterste Zuid-Oostcn (omstre-
ken van Virton) is vooral in entomologisch opzicht
merkwaardig: haar fauna sluit zeer duidelijk aan bij
de Bourgondische.
De dieren, die men in de Noordzee langs de Belg.
en de Ned. kust aantreft, zijn nagenoeg dezelfde,
met dit verschil evenwel, dat er naar dc Belgische
soms vormen van de Kanaalzone overkomen.
Van de groote zoogdieren blijven er slechts hert,
ree en everzwijn in de bosschen van Hoog-België
over. Daar leven ook nog adders. In de beken van
genoemde streek veel forellen. Op ornithologisch
gebied valt er niets merkwaardigs te vermelden; de
meeste vogels zijn bekende trekvogels.
Bijzondere melding verdient de fauna van de
Hooge Venen (omstreken van Baraque M ichel),
voor haar arctisch -subalpiene karakter. Alhoewel
deze streek nog geen 700 m boven den zeespiegel ligt,
leven er tal van soorten en vormen, overgebleven uit
het ijstijdperk, die men elders eerst boven de I 200 m
of ver naar het Noorden toe aantreft en die er. dank zij
het bijzonder koude en vochtige klimaat, kunnen
stand houden. .
L i t. : A. Lamecre, Manuel dc la Faune de Belgique
(3 dln. Lamertin, Brussel 1895) ; L. Fredeiicq. I-a faune
et la Ilore glaciaires au plateau de la Baraque Michol
(Buil. Ac. Sc. Belg. 1904); A. Lameere, Sur lep Fauncs
continentalcs de la Belgique (C.R. Congrès Nation. des
Sc., Brussel 1930). Koen.
III. A) Profane Geschiedenis.
De Belgen, waarschijnlijk tot de gegermaniseerde
Kelten behoorend, worden door Caesar, die hen in
57 v. Chr. onderwierp, het eerst vermeld (> Belgae).
Rome richtte de provincia Belgica op, die onder Dio-
cletianus werd verdeeld in Belgica secunda (Reims)
en Germania secunda (Keulen); een klein gedeelte
rond Arlon behoorde tot Belgica prima (Tner).
Tijdens de volksverhuizing vestigden zich de Friezen
en Saksen langs de kust tot Duinkerken (ca. 300),
de Ripuarische Franken in het Oosten, terwijl de
Salische Franken in 431 zich een rijk stichtten te
Doornik. De inval der Germanen in het geromaniseerd
land was de reden van het taalverschil tusschen Walen
en Vlamingen. De grens — sedert dien bijna onver-
anderd — loopt langs de linie Maastricht, Tongeren,
Thienen, Hal, Ronse. Moescroen. Bezuiden werd het
Romaansch tegen Germaanschen invloed tijdelijk
verdedigd; de legers immers van het Keizerrijk
konden zich na de eerste invallen langer handhaven
op de heuvels en achter den met kleine casteNi
versterkte steenweg Keulen — Bavay. Het evangelisa-
tiewerk, tijdens de Romeinsche bezetting begonnen,
zegevierde in Neustrië sinds de 7e eeuw en in Austrasië
van af het begin der 8e eeuw.
In 843 kwam B., behalve Vlaanderen, bij het
Middenrijk, in 870 (verdrag van Meersen) bij het
Oost-Frankische Rijk en werd in 925 voorgoed bij
Duitschland gevoegd ais een onderdeel van het
hertogdom Lotharingen. Door verschillende factoren
ontstonden de feodale rijken: Brabant, Limburg,
425
België
426
Het Hof van Brussel. Gravure van Hans Collaert ( 16 e eeuw).
Luxemburg, Henegouwen, Namen, Vlaanderen. Bra-
bant werd het machtigste en door de vereeniging met
het hertogdom Limburg (slag bij Worringen, 1288),
werd het meestor van den belangrijk commercieelen
weg tusschen Rijn en Schelde. Een poging van VI.,
zich van Frankrijk los te maken, mislukte in 1214
(Bouvines), maar had in 1302 (Kortrijk) meer succes.
In 1339 sloot Jacob van Artevelde een handelsverdrag
met Brabant, Henegouwen en Luik. Dit was de eerste
oging tot samengaan der Zuidelijke gewesten. Op
et einde van de 16e eeuw stierven bijna al de natio-
nale vorstenhuizen uit. Van de drie dynastieën:
Beieren, Luxemburg en Bourgondië, die in deze ge-
westen meester wilden worden, won het de laatste.
Philips de Stoutmoedige (1384—1404) huwde met
Margaretha van Male, erfdochter van Vlaanderen, en
verkreeg tevens Artois. Zijn kleinzoon Philips de
Goede kocht in 1429 Namen, verkreeg door het over-
lijden van zijn jongeren broer Antoine in 1430 Brabant
en Limburg, in 1433 Holland, Zeeland en Henegou-
wen, in 1436 (verdrag van Atrecht) de Sommesteden,
in 1451 Luxemburg. Tevens werd de Bourg. invloed
gevestigd in de bisdommen Utrecht, Luik en Kamerijk.
Philips de Goede onderwierp den adel door instelling
van het Gulden Vlies (1430): aan de steden ontnam hij
een deel harer zelfstandigheid en begon met de orga-
nisatie eener centrale regeering door het oprichten
van den Grooten Raad en de bijeenroeping van de
Staten -Generaal (1464). Karei de Stoute <1467— ’77)
poogde het oude Lotharingen te herstellen, maar de
„groote Hertog van het Westen” werd verslagen
en sneuvelde. De echtgenoot van Maria van Bourgon-
dië (1477 — ’82), Maximiliaan van Oostenrijk, wist door
den vrede van Senlis (1493) Artois en het vrijgraaf-
schap, door Lodewijk XI afgenomen, te herwinnen.
Zijn zoon, Philips de Schoone (1494—1506), de eerste
„nationale vorst”, werd opgevolgd door Karei V
(1506 — ’56), die voorloopig het bewind overliet aan
zijn tante Margaretha van Oostenrijk. Karei slaagde
er in ook de Noordelijke gewesten te verkrijgen en
wist het leenverband, waarin VI. tot Frankrijk stond,
in 1526 (slag van Pavia en tractaat van Madrid) te
verbreken. In 1548 maakte hij de overige gewesten
practisch los van het Duitsche Rijk. In 1549 voerde hij
de Pragmatieke Sanctie in, waarbij de erfopvolging
voor alle gewesten dezelfde werd verklaard.
De Spaansche Nederlanden (1555 —
1713). In 1555 deed Karei afstand ten behoeve van
zijn zoon Philips II van Spanje (1555— ’98). Bij zijn
vertrek in ’59 benoemde de koning zijn halfzuster
Margaretha van Parma tot landvoogdes (1659— ’67).
Reeds onder haar uitte zich de ontevredenheid van
adel, steden en Calvinisten, die onder de Spaansch-
absolutistische maatregelen van Alva (1567 — ’73)
tot openlijken opstand werd. Onder Requesens
(1673— ’76), Don Juan van Oostenrijk (1576— *78)
en Parma (1578 — ’91) werden de verwikkelingen zoo-
danig (* Nederland), dat in Mei 1579 Artois, Hene-
gouwen, Namen en Kroon- Vlaanderen zich aan Parma
onderwierpen. Deze onderwierp bovendien Mechelen,
Gent, Brussel en in 1585 Antwerpen. Als landvoogd
werd Parma opgevolgd door Fuentes en Mansfeld in
1592, van 1594— ’95 door aartshertog Ernst en in 1596
door zijn broer aartshertog Albrecht. Deze huwde
met Clara Isabella Eugenia, dochter van Philips II,
te wier behoeve koning Philips afstand deed van de
427
België
428
Ned. gewesten, onder voorwaarde, dat, als het huwelijk
kinderloos zou blijven, de Nederlanden weer aan Spanje
zouden terugvallen. Hun regeer ing was populair.
In 1604 werd Ostende gewonnen en ging Sluis verloren.
In 1611 vaardigden zij het Eeuwig Edict uit, gedeelte-
lijk een erkenning der oude privilegiën, gedeeltelijk
een poging tot centraliseering der wetgeving voor alle
gewesten. Albrecht stierf in 1621 en de Nederlanden,
sedert 1598 onafhankelijk, keerden terug tot de
bezittingen van de Spaansche kroon. In 1632 complot-
teerden enkele edelen, o.a. Hendrik van den Berg en
de graaf van Warfusee, tegen Isabella, maar door
het Artois en elf steden, waaronder Duinkerken en
Philippeville. In 1668 (vrede van Aken): Rijsel, Douai,
Charleroi, Oudenaarde, Binche, Ath. In 1678 (vrede
van Nijmegen) wederom dertien plaatsen, waarvan in
’97 (vrede van Rijswijk) enkele werden teruggegeven.
In den Spaanschen Successieoorlog (1701— ’13)
worden de bloedige slagen geleverd van Ramillies
(1706), Oudenaarde (1708) en Malplaquet (1709).
Bij den vrede van Utrecht (1713) kwamen de Zuide-
lijke Nederlanden aan Oostenrijk. Door het Barrière-
tractaat, in 1715 geteekend te Antwerpen, verkreeg
de Republiek het recht garnizoen te leggen langs
at W al tn
htWelt ftt foctHt f( rn '
MLUUUOtCHj
vVMIHOO al/
WttirL
HiER machmen Antwerpen
PLAÜSANT AEN SCHOWEN GELEGEN
AENb SCHELD MET DIE
V VLAEMSCHE LANDOWE
Wm
Gezicht op Antwerpen. Gravure van Melchisedech van Hooren (1562).
gemis aan medewerking van de bevolking konden
zij weinig afbreuk doen. Isabella stierf in 1633. Haar
regeering was een opbloei geweest van kunsten, weten-
schappen en godsdienst, maar een economische achter-
uitgang door de plundering der troepen cn de sluiting
der Schelde. Tevens waren onder haar N. Brabant
(Den Bosch, 1629, en Maastricht, 1632) verloren ge-
gaan. In 1635 besloten bij verdrag Frankrijk en de
Republiek der Vereenigde Nederlanden Zuid-Nederland
onderling te verdeden, maar de krijgstocht mislukte.
De vrede van Munster (1648) handhaafde de Republiek
in haar veroveringen en de Schelde bleef gesloten.
Gedurende de tweede helft der 17e eeuw had B., het
slagveld van Europa, van de invallen der Franschen
te lijden. In 1659 (vrede der Pyreneeën) verloor
de Fransche grens in een lijn van Veurne en Knocke
(op den IJzer) over Doornik naar Namen.
De Oostenrijksche Nederlanden
(1713 — 1792). Waren de Staten-Generaal onder het
bewind van Isabella tweemaal samengeroepen (1600
en 1632), de Habsburgers voerden een soort van ver-
licht despotisme en streefden naar centralisatie. In
1717 richtte Karei VI te Weenen een Hoogen Raad
op, die vandaaruit de Nederlanden zou regeeren.
Een opstand daartegen van Anneesuns (1719) werd
onderdrukt. De Oost-Indische Compagnie, door Karei
te Ostende in 1722 opgericht, werd op aandringen van
Engeland en de Republiek in 1731 opgeheven. In 1725
werd de Pragmatieke Sanctie afgekondigd, maar dit
belette niet, dat in den Oostenrijkschen Successie-
BELGIË (ca. 1575).
431
België
432
oorlog (1741— M8) de Franschen, onder aanvoering
van Maurits van Saksen, in de Nederlanden vielen en
ze door de slagen van Fontenoy (1745;, Roucoux
(1746) en Lafeld (1747) veroverden. Bij den vrede van
Aken (1748) gaf Lodewijk XV het veroverde gebied
terug. Josef II (1780- ’90) slaagde er in door het
verdrag van Fontainebleau (’85) de vreemde garni-
zoenen te verwijderen, maar zijn poging om de Schelde
te openen werd verijdeld. Hij voerde verschillende
absolutistische hervormingen in: een algemeenen
Bestuursraad, een nieuwe regeling der rechtspraak:
kantongerechten, twoe Hoven van Appèl en een Hoogen
Raad, hij hervormde de gilden en wilde zelfs de kermis-
sen voor heel het land op één tijdstip vaststellen. In
Henegouwen en Brabant, waar adel en geestelijkheid
en derde stand in 1788 weigerden belasting te betalen,
uitte zich het eerst de ontevredenheid. In 1789 hief
Josef de „Blijde Inkomste” op, waardoor het verzet
nog toenam. Leiders waren de advocaten \an der
Noot en Vonck. De eerste wilde terug naar het herstel
der oude instellingen, de tweede, onder invloed der
Fransche Revolutie, wilde een democratische omwente-
ling. Een leger, onder generaal Van der Meersch,
bezette Turnhout, Gent en bijna heel het land. De
afgevaardigden der verschillende gewesten kwamen
7 Jan. 1790 te Brussel bijeen in Nationaal Congres
en proclameerden de „Vereenigde Belgische Staten”,
met eigen driekleurige vlag. Onderlinge oneenigheid,
de druk van het buitenland: Engeland, Pruisen en de
Republiek, de dood van Josef en de gematigdheid
van zijn opvolger, Leopold II (1790 — ’92), herstelden
het Oostenrijksche gezag. Dit duurde slechts kort, want
de overwinningen van Jemappes in 1792 door Dumou-
riez en van Fleurus in 1794 door Jourdan leidden tot
den vrede van Campo-Formio in 1797 , waarbij Frans II
de Zuidelijke Nederlanden aan Frankrijk afstond.
De Schelde was sinds 1792 geopend.
Het Fransche Bewind (1794 — 1814)
bracht de Fransche wetgeving: verdeeling in negen
departementen, de Fransche taal verplichtend, de
conscriptie. Hiertegen en tegen de vervolging der
geestelijkheid brak in 1798 — ’99 de Boerenkrijg uit,
waaraan Napoleon o.a. door het Concordaat een einde
maakte. Hij versterkte Antwerpen, het pistool op de
borst van Engeland. Na den val van Nap. in 1814
werd door de tractaten van Parijs en de 8 artikelen van
Londen beslist, dat Holland vermeerdering van ge-
bied zou ontvangen en zoo werden de Nederlanden,
met inbegrip van Luik, weer hereenigd, behalve
Eupen, Malmedy en St. Vith, welke drie aan Pruisen
kwamen. De nederlagen van Ligny, Quatre-Bras en
Waterloo (16-18 Juni 1815) kostten Frankrijk nog
den afstand van Philippeville, Mariënburg en Bouillon
aan de Nederlanden.
Het Koninkrijk der Nederlanden (1815 —
1830). De nieuw r e staat was door de Mogendheden
bedoeld als bolwerk tegen Frankrijk en kon, omdat
beide deelen elkaar economisch aanvulden, een bloeien-
de toekomst tegemoet gaan. De bestaande verschillen
in godsdienst, geschiedenis en taal zouden wellicht
te overwinnen zijn geweest, als koning Willem I,
bijgestaan vooral door baron Goubeau en minister van
Maanen, zich niet als een „verlicht despoot” gedragen
had, waarvoor de tijd voorbij w r as. Al bevorderde
Willem de industrie te Seraing (Cockerill), Gent en
Verviers, de ontevredenheid over zijn bestuur nam
steeds toe. Vooreerst de wijze, waarop de grondwet
van 1815 als aangenomen werd beschouwd, ofschoon
de meerderheid der Notabelen haar verwierp (796
van de 1 603 stemmen, met 280 onthoudingen). Ver-
volgens: een verzw r aring van de staatsschuld door het
amalgama, in 1819 het voorschrift, dat de Nederland -
sche taal de eenige officieel geldende zou zijn, in 1824
een impopulaire belasting op het gemaal en geslacht,
de achterstelling bij benoemingen in het leger (nog
geen vijfde deel der officieren was uit het Z. afkom-
stig) en in de staatsbetrekkingen. De Belgische libera-
len wcnschten ministerieele verantwoordelijkheid, toe-
zicht op de financië”, vrijheid van drukpers. (Over de
grieven der Katholieken zie bij Godsdienst in dit
artikel.) De gezamenlijke grieven tegen „la domina-
tion hollandaise” leidden tot de Unie der liberalen
en Katholieken in 1828, door toedoen vooral van den
Luikschen afgevaardigde De Gerlache. In sommige
opzichten gaf de koning toe: wijziging in het onderwijs
en gebruik der Fransche taal, maar toen hij in 1829
te Luik het gedrag der oppositie als „infame” veroor-
deelde, verdubbelde het verzet. De Juli-revolutie
in Frankrijk gaf den eersten stoot tot den opstand.
25 Aug. 1830 werd te Brussel „La muette de Portici”
gespeeld. Na afloop plunderde de menigte het huis
van minister van Maanen en verwoestte de drukkerij
van „Le National”, een regeeringsblad onder Libry-
Bagnano. 27 Aug. vormde zich tot handhaving der
orde een burgerwacht, onder bevel van baron Van der
Linden d’Hoogvorst en tooide zich met de kleuren
van de Vereenigde Belgische Staten in 1789. Dit
voorbeeld vond navolging in Luik, Verviers, Leuven,
Namen en elders. 28 Aug. riep Willem de Staten-
Generaal bijeen tegen 13 Sept. en zond tevens een leger
Zuidwaarts onder zijn zoons Willem en Frederik.
3 Sept. vergaderde de populaire kroonprins met de
notabelen te Brussel, die administratieve scheiding
verlangden. Maar de koning wilde de eenheid met
geweld handhaven en belastte prins Frederik met de
bezetting van Brussel. Van 23—26 Sept. streed deze
in de straten en rond het Park te Brussel, maar keerde
na aanmerkelijke verliezen terug. Op denzelfden dag
trad een Voorloopig Bestuur op, bestaande o.a. uit
Rogier, Gendebien, de Mérode. 4 Oct. riep dit de onaf-
hankelijkheid van het land uit en schreef verkiezingen
uit voor een Nationaal Congres, dat 10 Nov. bijeen-
kwam. Onder voorzitterschap van Surlet de Chokier
vervaardigde het een grondwet, die 7 Febr. 1831 werd
aangenomen. Deze grondwet heeft voor vele andere
staten, o.a. Pruisen, als model gediend. Van de waar-
neming van het koningschap w r as het Oranjehuis door
het Congres zelf uitgesloten, de prins van Leuchten-
berg, als een Bonaparte door Fr. tegengewerkt en de
hertog van Nemours, zoon van den Fr. koning, door
Eng. ongewenscht. De Eng. candidaat, Leopold
van Saksen-Coburg, weduwnaar van Charlotte, doch-
ter van George IV, w r erd 4 Juni gekozen en aanvaardde
21 Juli 1831 de regeering. De groote mogendheden,
oprichters van den Nederlandschen staat, w r arcn te
Londen in conferentie bijeengekomen, stelden 20 Dec.
1830 in beginsel de scheiding vast en verklaarden
België onafhankelijk. De protocollen van Jan. 1831
bepaalden de voorwaarden der scheiding, maar deze
w r erden door het Congres als te onereus verwerpen.
Ofschoon onherroepelijk, werden zij 26 Juni 1831
in 18 art. gewijzigd, waarmee Willem het niet eens
w r as, die daarom zijn toevlucht nam tot den 10-daag-
schen veldtocht (2 — 12 Aug. 1831). Bij Hasselt werd
Daine, bij Leuven w r erd Leopold zelf verslagen. De
tusschenkomst van een Fransch leger, onder Gerard,
BELGIE EN LUXEME
VU s sin gén
Kripkke
Blanke nbi
Vf/ddeJkerki
TTÜGiGg A fèf<fëffërn'cpE e k/o 0
O'euwfic ort
(Torhout
/Broek
Veum
Diks/n
'ntbrugge
> oru ±e-
rijk ^T^^ena^rde
ry &eraa rdsb er gen,
^j r *Hon$ey^i y ' \ dr.
••• •. °. - ; ƒ
^LessenOj
H e
v° 7 V ' jnfwestgy^
y\/\nfólng tpfr>s%^
t^Móe^kroej
Meenen
Ha^bbrouck
T2\ÖaSf^pik
tan'
I Jurne'
ï&tfa LdLouvtere ,
m.g^MSPc&Ü
Yra mer/es auPo ^ft
[Mare
\ ne/jé
i Doür
At ree h
?rV\
'/** T“ / \ ‘►JQ '
*
V - Chivna'
»LS-t h-r
ie 5
eb PLAATSEN van meerdan 100.000 inw.
® PLAATSEN van 100.000- 50.000 ••
© Plaatsen " 50.000“ 25.000 »
o Plaatsen « 25.000“ 10.000 *
• Plaatsen beneden 10.000 «
— -Spoorwegen Kanalen
De hoofdsteden zijn onderstreept
Schaal 1 = ' 1 . 150.000
100JQ_0 100 200 300 400 500 pp^
3URG STAATKUNDIG
K7 Turnhout
t 'w e r p €
■y ±
^WERPEN^
^ertvon
,s/
Ooien
Beeringen
JBorglói
andkh
'dnn\
wormfc
SeraNrt<
\ Anden \
i rnarf&y
'iy/
'e'hvi/ii
-GIË
433
België
434
redde België. De mogendheden veranderden nu enkele
bepalingen ten voordeele van Nederland in de 24 art.
van 14 Oct. 1831: Willem 1 behoudt een deel van
Luxemburg als groothertogdom, een deel van Lim-
burg, met Maastricht en Zeeuwsch -Vlaanderen. België
zal al« jaarlijksche renten hebben te betalen: 8 400 000
gld. Het Congres nam dit aan, maar Willem weigerde
en zoo ontstond de status quo, waaraan een embargo
op Ned. schepen een einde afdwong. De citadel van
Antwerpen werd door Chassé behouden tot 23 Dec.
1832. De ontevredenheid in het Noorden over de
onvruchtbare toename der schuld dwong Willem in
1838 tot toegeven, maar België, dat gedwongen ook
kosten had gemaakt, wenschte enkele wijzigingen, die
het eindtractaat van 19 April 1839 bevatte. België
werd nogmaals een onafhankelijke en eeuwig neutrale
staat verklaard, onder garantie der groote mogend-
heden. De rentebetaling werd tot 6 millioen jaarlijks
verminderd, in 1842 tot 400 000 gld. temggebracht
en in 1873 voor 8 900 000 gld. afgekocht.
België (1831—1914). L e o p o 1 d I (1831—
1866) huwde met Louise Marie van Orleans, dochter
van Louis Philippe van Frankrijk. Hij bevorderde
de economische ontwikkeling van het land door aanleg
van spoorwegen (de eerste in 1835 tusschen Brussel en
Mechelen), door organisatie van het postwezen,
aanleg van telegraaflijnen (de eerste in 1846) en het
graven van kanalen. De samenwerking der partijen
duurde zoo lang als de bedreigingen van de zijde van
Holland. Maar na het verdrag van 1839 kwamen de
meeningsverschillen van Katholieken en liberalen
opnieuw naar voren. Het eerste homogene ministerie
was dat van de liberalen Lebeau en Rogier (1840);
na een terugkeer tot het gemengde stelsel (Nothomb
en Van de Wever, 1841 — 1846) keerde graaf de Theux
(Katholiek) terug; maar in 1846 organiseerden de
liberalen zich op het liberale congres te Brussel en de
verkiezingen van 1847 gaven hun de meerderheid.
De vereen igingspolitiek had uitgediend en keerde
eerst in 1914 terug. Uitgezonderd van 1856 tot 1857
(min. De Decker — Vilain XIV), blijven de liberalen
aan tot na den dood van Leopold I (1868), meestal
onder Rogier en Frère-Orban.
Leopold II (1865 — 1909). Intusschen hebben
de Kath. zich ook versterkt, terwijl het lib. min. zich
voor groote legeruitgaven gesteld ziet. Het gevolg
is, dat de Kath. van 1870— ’78 het bewind voeren.
Eerst onder d’Anethan- Jacobs, daarna (1871 — ’78)
onder Malou. Van 1878 — ’84 treedt het lib. min.
Frère-Orban -Bara op. In 1879 vaardigde dit een
onderwijswet uit, waarbij elke gemeente verplicht
werd neutrale en kostelooze scholen op te richten,
terwijl het godsdienstonderwijs slechts op verzoek der
ouders en buiten de schooluren mocht gegeven w r orden.
De „aangenomen” (adoptées) scholen moesten ver-
dwijnen. Aldus ontstond de schoolstrijd. De bisschop-
pen protesteerden en veroordeelden deze w r et (ongeluks-
wet): de Kath. richtten op eigen kosten vrije scholen
op. De betrekkingen met den paus w r erden verbroken.
De strijd had de Kath. opgewekt en vereen igd, zoodat
zij in 1884 een meerderheid behaalden, die zich tot
1914 handhaafde. Het eerste w T at het Kath. min.
Malou -Jacobs -Woeste deed, was de schoolwet wijzigen:
het godsdienstonderwijs kon weer toegelaten worden
op verzoek van 20 huisvaders; de aangenomen scholen
werden hersteld. In 1895 werd het godsdienstonderwijs
zonder meer verplicht gesteld en kon iedere vrije
school, die aan de wettige eischen voldeed, aange-
nomen worden. Ook werd in 1884 het gezantschap
bij den paus hersteld. Maar Leopold had een af keer
van de principieele politiek van Woeste en Jacobs
en maakte van den uitslag van gemeenteraadsverkie-
zingen in de groote steden gebruik om hun ontslag te
eischen. Malou trad af en werd vervangen door Aug.
Beemaert (1884 — ’94). Sinds 1886 werd het land door
een geweldige beweging ten gunste van het algemeen
kiesrecht verontrust; wanordelijkheden, vooral in
1887 en 1890, ontstonden in de nijverheidsgebieden.
Na de algemeene staking van 1891 besloot de Kamer
tot herziening van de Grond w r et, die in 1893 tot stand
kwam. Het bezit van koloniën werd moge lijk gemaakt
en het algemeen kiesrecht, getemperd door de „vote
plural”, werd ingevoerd. Deze bestond hierin, dat een
huisvader, een eigenaar, een belastingbetaler, de
bezitter van een hooger studiediploma, op dien titel
ook een stem mocht uitbrengen, maar nooit meer dan
drie. De verkiezingen volgens dit nieuwe systeem
gaven als uitslag: 104 Katli., 14 lib. en 34 soc. Na het
min. Burlet (1894 — ’96) kwam De Smet de Nayer
(1896 — ’99), die in 1899 als eerste min. werd opgevolgd
door J. van den Peereboom, die door een wetsvoorstel,
dat beoogde de Kath. meerderheid stabiel te maken,
zulk een oppositie in de Kamer en verzet in den lande
ondervond, dat hij in hetzelfde jaar vervangen w r erd
door De Smet de Nayer. Deze voerde de evenredige
vertegenwoordiging in (1899) en trad in 1907 af.
Zijn opvolger De Trooz overleed nog in hetzelfde jaar
en van 1908 — '11 trad Schollaert op, die het verdrag
met den koning over den Kongo wist te doen aannemen.
In 1909 werd de persoonlijke dienstplicht ingevoerd;
de wet werd door den koning nog op zijn sterfbed onder-
teekend. Het min. de Broqueville voerde in 1913
een nieuw’e legerwet in en een verscherpte schoolwet
in den vorm van leerplicht, die onder de Duitsche
bezetting is toegepast.
Zijn kolonie van Kongo heeft België te danken
aan het genie en de volharding van Leopold TI. De
Internationale Afrikaansche Vereeniging, onder zijn
voorzitterschap in 1876 te Brussel gesticht, zond tal-
rijke expedities naar midden -Afrika. Na zijn reis dwars
door Afrika stelde zich Stanley ter beschikking van
koning Leopold; in 1879 trok hij naar Kongo terug en,
in naam van het studiecomité van den boven -Kongo
(1878 gesticht), dat in 1882 in de Internationale
Vereeniging van Kongo w ? erd herschapen, nam hij
bezit van een groot deel van het Kongobekken. Koning
Leopold, die het Studiecomité gesticht had met de
bedoeling Kongo te annexeeren, slaagde erin de
Intern. Vereen, van Kongo te doen erkennen als een
souvereinen staat, eerst door de Vereen igde Staten van
Amerika, dan achtereenvolgens door de veertien staten,
die deel namen aan de Conferentie te Berlijn in 1886;
de onzijdigheid van den Kongostaat was facultatief
en niet gew T aarborgd. Den 26en Februari w r as Leopold II
erkend als Staatshoofd. Hij breidde zijn grondgebied
nog uit, zorgde voor het aanleggen der spoorlijn
Matadi-Leopoldstad (1890 — ’98) en, te midden van
ontzaglijke moeilijkheden, zegevierde hij in den strijd
tegen de Arabische slavenhandelaars (1891 — ’94),
tegen de Madhisten uit Soedan (1891 — ’97) en tegen de
Batetela-opstandelingen. Ofschoon enkel door Perso-
neele Unie met Kongo vereenigd, had België den
jongen staat herhaaldelijk gesteund door leeningen;
anderzijds had koning Leopold Kongo aan België
per testament vermaakt (2 Aug. 1889). Na pijnlijke
onderhandelingen tusschen den koning en het parle-
435
België
436
ment (1906 — ’08), bewilligde dit de onmiddellijke
inlijving den 20en Aug. 1908.
Leopold werd opgevolgd door zijn neef A 1 b e r t
(1909), gehuwd met Elizabeth van Beieren. Door zijn
rechtvaardigheid, zijn juist begrip van de rechtmatige
verlangens zijner onderdanen en zijn vastberadenheid
in den oorlog heeft hij de sympathie der Belgen
gewonnen. De toekomst der dynastie schijnt verzekerd
door kroonprins Leopold, hertog van Brabant (geb.
1901) en zijn zoon prins Boudewijn (geb. 1930).
België in den Wereldoorlog (1914 —
1918). > Wereldoorlog. 2 Aug. werd het Duitsche
ultimatum om doortocht door B. afgewezen; 4 Aug.
trokken de Duitschers bij Gemminich over de grens,
6 — 16 Aug. werden de forten rondom Luik belegerd;
18—20 Aug. beletten de Belgen met succes den over-
tocht der Duitschers aan de Gete te Halen; 20 Aug.
werd Brussel bezet en Namen belegerd. Van 27 Sept.
tot 7 Oct. werd Antwerpen belegerd, waarna het
Belgische leger grootendeels naar den Ijzer aftrok.
Daar werd van 16—31 Oct. de Ijzerslag geleverd;
de Duitschers trachtten tevergeefs den spoorweg
N ieuwpoort — Dixmu iden te bemeesteren ; en van 21 — 31
Oct. belette de inundatie hun het laatste stuk van B.
te bezetten. 14 000 Belgen waren er gesneuveld. Nu
begon de positie-oorlog, waarin in 1916 een kleine
verandering kwam door uitbreiding van het B. front
tusschen Knocke en Boesinghe en in 1918 tot in de
buurt van Ieperen. De pogingen der Duitschers dit
front te doorbreken werden in 1915 afgeslagen bij
Steenstraete en in 1918 bij Merxkem. In Visé, Aarschot,
Dinant en Leuven enz. richtten de Duitschers deerlijke
verwoestingen en fusillades aan. De Belg. regeer ing
had zich te Le Havre (Ste Adresse) gevestigd. Het D.
stadhouderschap werd achtereenvolgens waargenomen
door von der Goltz, von Bissing en von Falken-
hausen. Zij benutten de ontevredenheid der Vlamingen
om de eenheid in het verzet te breken. In 1916 werd
te Gent de Vlaamsche hoogeschool opgericht, in 1917
kwam de administratieve scheiding tot stand en pro-
clameerde de Raad van Vlaanderen (22 Dec.) de
politieke scheiding van Wallonië. > Activisme.
Onder leiding van kardinaal Mercier en burgemeester
Max van Brussel volhardde het meerendeel in zijn
passief verzet. De arbeiders weigerden voor de Duit-
schers te werken en 150 000 werden ófwel naar D.
óf achter het front in dwangarbeid gedeporteerd. Een
Commission for Relief in Belgium onder Hoover
zorgde voor de voedselvoorziening der burgerlijke be-
volking. De vrede van Versailles (28 Juni 1918)
bepaalde: 1° Eupen, Malmedy en Moresnet komen,
na stemming op open registers, terug aan B.; 2°
Duitschland zal de oorlogschulden betalen; 3° 10 jaar
lang jaarlijks 6 millioen ton kolen leveren; 4° de toe-
gebrachte nadeelen in goederen en schepen herstellen;
5° kunstvoorwerpen en boeken afstaan ter vergoeding
der vernietigde; 6° België zal een koloniaal mandaat
krijgen over voormalig Duitsch-Oost-Afrika.
Na den Oorlog. Na den oorlog kwam er een
ministerie van Nationale Eenheid onder Delacroix,
daarop het min. Carton de Wiart-Theunis, dat in
1921 — ’25 door Theunis werd voortgezet. In 1919 was
het algemeen kiesrecht ingevoerd voor 21-jarigen,
iedere kiezer één stem, en waren de vrouwen verkies-
baar gesteld. Het gevolg was een achteruitgang der
Kath. en lib. en een vooruitgang van de soc. In 1925
trad een Kath.-social. min. Poullet-Van der Velde
op, maar dit werd in 1926 vervangen door Jaspar-
Francqui-Van der Velde. Ook dit duurde slechts tot
1927, omdat vier soc. ministers: Van der Velde,
Camille Huysmans, Jos. Wauters en Anseele, wegens
verschil over de militaire kwestie, hun ontslag namen.
In 1929 trad een Kath. lib. min. op onder Jaspar,
Hymans en de Broqueville, dat de regeling der
financiën op zijn program plaatste. Die regeling stond
eveneens aan het hoofd van het programma van de
laatste regeeringen Renkin (1931 — 1932) en de Bro-
queville (1932. . . .).
De verhouding tot Frankrijk werd 7 Sept. 1920
bezegeld door een geheim verdrag, dat de gezamenlijke
verdediging der Belg. grenzen bij een Duitschen inval
regelt. De Belg.-Ned. betrekkingen waren sinds den
oorlog minder vriendschappelijk. Eerst hadden som-
mige Belgen het oog geslagen op Ned. Limburg en
Zeeuwsch-Vlaanderen. Daarna eischte België een
kanaal, dat Antwerpen gemakkelijkcr dan de oude
waterweg met Rotterdam zou verbinden en tevens
diens handel gevoelig verlies zou toebrengen. Na lang-
durige onderbande lingen gaf de Ned. min. van Buiten-
landsche Zaken, jhr. van Kamebeek, B. zijn zin en
wist de Tweede Kamer tot toestemming over te halen,
maar de Eerste Kamer verwierp in 1927 dit voorstel.
Sindsdien is nog geen voor beide partijen bevredigende
oplossing gevonden. In 1921 w r erd een economische
Unie met Luxemburg gesloten. > Belgische politieke
partijen; > Vlaamsche beweging; > België (Staats-
en Rechtsinstellingen).
De parlementaire strijd voor het herstel van het
Vlaamsche recht begon op het einde van de 19e eeuw,
en zette na den oorlog opnieuw in: mede door den in-
vloed van de Katholieke gekozenen uit het Vlaamsche
land werden verscheidene hervormingen verkregen,
o.m. op het gebied van onderwnjs, bestuur, leger en
gerecht. > Vlaamsche beweging.
Lit. : E. Poullet, Histoire politique nationale:
Institutions dans les Anciens Pays-Bas ( 2 1882 — 1892) ;
H. Pirenne, Histoire de Belgique (7 dln. Brussel 1900 —
*32); 11. van der Linden-Obreen, Album historique de
la Belgique (1911); Willaert, Histoire de Belgique;
H. Pirenne, Bibliographie de 1’Histoiro de Belgique
(Brussel 3 1931).
Voor afz. tijdvakken : H. J. Elias, Kerk en Staat in
de Zuidelijke Nederlanden 1598 — 1621 (Antwerpen
1931) ; Suz. Tassier, Les Démocrates beiges de 1789
(Brussel 1930) ; Colenbrander, Nederland en België
(1927); Graaf Woeste, Mémoires (tot 1914) (2 dln., het
derde deel is nog niet verschenen). Derks / Willaert.
B) Kerkelijke geschiedenis. 1° Eerste be-
keer ingswerk en uitbreiding. De
Romeinen brachten in deze streken ook hun góden en
godinnen mee; naast Keltische en Gallische, treffen
wij Romeinsche, en zelfs Oostersche godheden aan.
Doch ook het Christendom drong door hun bemidde-
ling de Oostelijke doelen van België binnen: Tongeren
was misschien reeds onder, zeker kort na Constantijn
een bisdom (» Servatius). In Westelijk B. noemt de
overlevering verscheiden bisschoppen -zendelingen
reeds in de 3e eeuw, zooals Piatus, Chrysolius, Fuscia-
nus e.a., maar zekerheid bestaat hieromtrent niet.
Wel was er in 346 een bisschop te Kamerijk, en de H.
Victricius predikte vóór 398 het Christendom aan de
Morienen langs de kust. De inval der Franken heeft
veel van dat bekeeringswerk vernietigd; w r el wordt
het spoedig hervat, maar het heidendom blijft hier
langer stand houden dan in Gallië; pas op het einde
der 7e en in den loop der 8e eeuw w’ordt B. volkomen
voor het Christendom gewonnen (voornaamste bis-
437
België
438
schoppen: de H. Vedastus van Atrecht, de H. Eligiüs
van Noym-Doomik, de H. Hubertus van Luik, de
H. > Amandus).
2° Van de Karolingers tot de Gods-
dienst woelingen. De Karolingers mengden
zich sterk in kerkelijke zaken (benoemden bisschoppen,
beschikten over kerkelijk goed); de invallen der Noor-
mannen (820—892) deden veel kerken en kloosters
ten gronde gaan; ook de Hongaarsche inval van 954
heeft de Belgische gewesten, behalve Vlaanderen,
geteisterd. Sinds 939 was Lotharingen een gewest van
het Duitsche Rijk; als tegenwicht tegen den inland -
schen adel trachtten koningen en keizers de hoogere
geestelijkheid in hun macht te houden; zij stelden de
bisschoppen aan en verleenden aan hun bisdommen
(Luik, Kamerijk, Utrecht) wereldlijke regeerings-
raacht.
Zoo vormde zich allengs de keizerlijke Kerk. Van
den anderen kant bloeide in deze periode het onderwijs
(kathedraalschool van Luik) en het letterkundig zoo-
wel als het kunstleven. Verscheidene pogingen tot
hervorming van het vervallen kloosterleven, o.a. door
Gerard de Brogne, weerden met goeden uitslag be-
kroond. De Investituurstrijd (1075 — 1122) bracht
nieuwe moeilijkheden; het Concordaat van Worms
(1122) maakte een einde aan de zgn. keizerlijke Kerk.
Maar daardoor groeide weer de macht der feodale
heeren, die zich thans al te zeer in de bisschopsver-
kiezingen mengden. Ook in de latere M.E. had de Kerk
vaak haar rechten te verdedigen tegen wereldlijke
machthebbers. Maar ook geen tijd wellicht zag meer
nieuwe kloosterorden zich vestigen (> Begijnen en
Beggaarden, Cisterciënsers, Kruisheeren, Norbertijnen,
Franciscanen, Dominicanen). Een machtige mystieke
strooming ontstond met Hildegard van Bingen, Bea-
trijs van Nazareth, Hadewych, Ruusbroeck e.a.; het
feest der H. Drievuldigheid en dat van het H. Sacra-
ment zijn in B. ontstaan. Anderzijds waren de sociale
toestanden bevorderlijk voor het ontstaan van som-
mige ketterijen (geeselaars en dansers), en schiep de
groote > Westersche scheuring een buitengewoon inge-
wikkeldcn toestand. Over het algemeen hield het
Vlaamsche volk de zijde van Rome tegenover Avignon.
Onder het Bourgondisch bew r ind vallen de stichting
der Leuvensche Iloogeschool (1425), het opkomen van
de Kartuizerkloosters en van de inrichtingen der
Broeders van het Gemeene Leven.
3 ° Godsdiensttroebelen en kerke-
lijke hervorming. Het Lutheranisme vond
een gunstig terrein in de internationale handelsstad
Antwerpen en drong er reeds sinds 1519 binnen. De
Leuvensche universiteit w r as de eerste om de op-
komende ketterij te bestrijden (Febr. 1520 veroordee-
ling van Luther’s stellingen). Inquisitie en plakkaten,
vooral krachtig aangewond tegen de Wederdoopers,
die echt anti-sociale leerstellingen hielden en revolu-
tionnair optraden, werkten het opkomen der nieuw -
gezinden met succes tegen. Na 1635 ligt de openbare
propaganda der ketterij vrijwel stil; in het geheim
duurt ze voort door allerlei vlugschriften, meest in
Antwerpen gedrukt. Toch telde omstreeks het midden
der 16e ee\m het Lutheranisme slechts een gering getal
aanhangers. In 1559 werden in de Nederlanden in-
plaats van drie, achttien bisdommen opgericht, het-
geen zoowol bij wereldlijke als bij geestelijke macht-
hebbers veel tegenstand veroorzaakte; Alva moest er
aan te pas komen om den maatregel doorgevoerd te
krijgen. Intusschen dringt het Calvinisme langs Wal-
lonië het Vlaamsche land binnen, vooral in Antwer-
pen, Gent en Oudenaarde. Na het eedverbond der
edelen (1566) treden de Calvinisten stoutmoediger op
(openbare prediking beeldstormerij), hetgeen de oor-
zaak wordt van Alva’s komst. Tegen zijn hatelijke
belastingen protesteeren ook bisschoppen Diiutius
van Brugge en Rythovius van Ieperen. De Pacifi-
catie van Gent (1576) liet, wat godsdienstzaken be-
treft, de deur open voor allerlei moeilijkheden ; in
1577 toekenden daarom de Katholieke edelen de Unie
van Brussel, waarbij zij den wil uitspraken den Katho-
lieken godsdienst en het koninklijk gezag te handhaven.
De tirannie der Gentsche Calvinisten over een deel
van Vlaanderen gaf aanleiding tot vorming van de
partij der > Malcontenten cn tot de Unie van Atrecht
(1579); bij de hiertegenover opgerichte Unie van
Utrecht sloten zich ook Protestantsche Vlaamsche en
Brabantsche steden tijdelijk aan: Gent, Ieperen, Brug-
ge met het Vrije, Antwerpen, Lier en Breda. Parma
heroverde echter het Zuidelijk deel der Nederlanden;
de Protestanten verloren de vrijheid van openbaren
eeredienst. Tijdens de troebelen vielen vele priesters
en kloosterlingen onder het gew r eld der Calvinisten,
o.a. te Reninghelst, Oudenaarde en elders. De door-
voering van de hervormingen van het Trentsch Con-
cilie, waaraan godgeleerden uit B. daadw^erkelijk
hadden deelgenomen, ondervond om politieke redenen
tegenkanting van Margaretha van Parma en den we-
reldlijken magistraat, maar allengs oefende het toch
zijn heilzamen invloed uit (diocesane synoden, visi-
taties, oprichting van seminaries). Onder de aarts-
hertogen (1698 — 1621) beleefde het Katholicisme in
de Z. Nederlanden een tijd van nieuwen bloei. Het
Protestantisme is omstr. 1640 voorgoed overwonnen;
kleine groepen blijven voortbestaan in Antwerpen en
Gent, in de Oost -Vlaamsche dorpen St. Maria-Hore-
beke, Mater en Etikhove, langs de Noordzee, op de
grens van Zeeland, in Limburg, Doornik en enkele
plaatsen van Henegouwen. Het volk keerde, voor
zoover afgedw^aald, gemakkelijk tot het voorvaderlijk
geloof terug; het Mis-hooren en het naderen tot de
H.H. Sacramenten nam sterk toe; het middelbaar
onderwijs bloeide, vooral door de werkzaamheid der
Jezuïeten ; en ook het lager onderwijs kreeg een betere
organisatie. Met het herleven van het Katholicisme
ging een heropbloei van de Christelijke kunst gepaard.
4 ° Einde van het Oude Regiem.
Gedurende de jaren 1640 — 1795 oefenen hier het Baja-
nisme en vooral het Jansenisme hun noodlottigen in-
vloed uit. Wel bleef het Jansenisme dogmatisch een
strijdpunt tusschen geleerden, vooral de Leuvensche
hoogeschool en de Oratorianen eenerzijds en de Jezuïe-
ten anderzijds, maar voor het geloofsleven van het
volk had de beweging, w r egens haar geest van al te
groote gestrengheid, nadeelige gevolgen. De Leuven-
sche hoogleeraar van Espen (f 1728), verdediger van
het Jansenisme, bereidde door zijn leer over de betrek-
kingen tusschen Kerk en Staat de moeilijkheden voor,
die zich onder Maria Theresia en Jozef II zouden voor-
doen. Vooral de laatste, één van gedachten met man-
nen als Kaunitz en Febronius, vergreep zich herhaal-
delijk aan de rechten der Kerk (kerkelijke boeken-
keurders aan die van den Staat onderwerpen, bis-
schoppen in hun vrije werkzaamheid belemmerd, in
1781 vrijheid van eeredienst ingevoerd, 163 kloosters
opgeheven bij decreet van 1783, verkeer met den PL
Stoel beperkt en de nuntiatuur opgezegd, een alge-
meen staats -seminarie verplichtend gesteld). Bij de
439
België
440
hierdoor en door de onpopulaire burgerlijke hervor-
mingen veroorzaakte Brabantsche Omwenteling (1789),
koos de geestelijkheid veelal partij voor Van Der
Noot, terwijl de democratische volgelingen van Vonck
anti-clericale neigingen vertoonden. De geest der
Fransche philosofen had ook in de Z.Nederlanden
gewerkt en verzwakking van geloof en verval van zeden
gebracht.
5° Fransch en Hollandsch be-
wind. Onder de heerschappij der Fransche Jaco-
bijnen w r erd de Kerk van haar rechten en goederen be-
roofd; het grootste deel der geestelijkheid weigerde,
op voorgang van kard. Franckenberg, den eed en werd
verbannen, of naar Cayenne of Oléron gevoerd, waar
velen stierven; de Zondag en de Christelijke tijdreke-
ning werden afgeschaft en scholen zonder God inge-
richt. De Boerenkrijg van 1798 had behalve de con-
scriptie ook als oorzaak: verzet tegen deze verdrukking
van den godsdienst. Na Napoleon ’s staatsgreep van
Brumaire (1799) kwam er verbetering; het Concordaat
van 1801 bracht vrede. Enkelen, van wie de voor-
naamste Stevens, groot-vicaris van Namen was, ver-
zetten zich: hieruit sproot een schisma, het S teve-
nisme voort, waarmee Stevens echter nooit be-
trekkingen had. Doch ’s keizers inmenging in kerke-
lijken zaken lokte nieuwen tegenstand uit (De Broglie,
biss. van Gent en Him, biss. van Doornik uit hun
ambt ontzet). Bij de vereeniging met Holland (1815)
bleek de geestelijkheid gezuiverd, maar sterk vermin-
derd uit den strijd te zijn gekomen; onder het volk had
de Fransche geest niet weinig afval teweeggebracht.
Koning Willem I, niet onwelw illend, trachtte wel de
Katholieken te winnen, maar zijn Josephistisch be-
stuur bracht weldra moeilijkheden: de internuntius
Ciamberlani moest het land verlaten, de nieuwe grond-
wet werd aan de Belgen tegen hun zin opgedrongen,
priester De Foere, redacteur van de „Spectateur
Beige” werd tot tw^ee jaar gevangenisstraf veroordeeld ,
de bisschoppelijke mandementen in beslag genomen.
Het > „Jugement Doctrinal” der bisschoppen ver-
bood den eed op de grondwet; de verzoenende houding
van mgr. De Méan, aartsbiss. van Mechelen, hief
deze moeilijkheid op. Toen echter alle seminaries
werden gesloten en het > Collegium Philosophicum
ingesteld, nam De Méan vastberaden de leiding van
den tegenstand, trouw bijgestaan door den lateren
bisschop van Luik, mrg. Van Bommel. Het Concor-
daat in 1827 met Rome gesloten, w ? erd niet uitgevoerd
en al deze inbreuken brachten de Katholieken tot een
Unie met de Liberalen. Omwenteling wilden zij echter
niet (Van Bommel w*as er radicaal tegen), doch om-
standigheden, die ze niet voorzien konden, deden ze
toch uitbreken in 1830.
6 ° Sinds 1830. De nieuwe Belgische grond-
wet schonk (art. 14 — 20) vrijheid van godsdienst, van
onderwijs, van drukpers en van vereeniging. Er w r as
scheiding van Kerk en Staat, het recht van Placet
verviel, volledige onafhankelijkheid werd aan de
Kerk bij het benoemen van geestelijken gewaarborgd,
hoewel in ruil voor de geconfiskeerde goederen de
bezoldiging der geestelijkheid ten laste van den Staat
kwam (art. 117). Het Kath. leven bloeide weer krach-
tig op (vele seminaries, talrijke volksmissies), vooral
aan het onderwijs werd veel zorg besteed. In 1840 telde
men op de 6 189 lagere scholen er 2 284, die geheel en
uitsluitend door de Katholieken onderhouden werden.
Door de schoolwet van 1842 w r erd het godsdienst-
onderwijs verplichtend gesteld. Voor het middelbaar
onderwijs werden talrijke bisschoppelijke, of door
ordesgeestelijken geleide, colleges opgericht. De Ka-
tholieke Hoogeschool, in 1834 opnieuw begonnen,
werd in 1835/36 naar de oude Alma-Mater-stad Leu-
ven overgebracht. Reactie van Liberalen en Vrijmet-
selaars bleef niet uit; zij eischten van het kerkelijk
gezag geheel onafhankelijke staatsscholen. Van 1847
tot ’84 hadden de Liberalen, op korte onderbrekingen
na, de meerderheid in het parlement; de wet op het
middelbaar onderwijs van 1850, en vooral die op het
lager onderwijs van 1879 (de ongelukswet) wekten den
offergeest der Katholieken. Reeds in 1880 hadden op
de 2 515 bestaande gemeenten er 1 936 een vrije Ka-
tholieke school. In 1878 omvatten de vrije scholen
slechts 13% der schoolbevolking ; in 1880 echter
63 1 / 2 %: 580 380 leerlingen, tegen 333 601 op de staats-
scholen. Bij de verkiezingen van 1884 werden de
Liberalen verpletterd; de nieuwe onderwijswet van
1884 bracht verbetering in den onderwijstoestand.
De Katholieke meerderheid handhaafde zich tot den
oorlog van 1914, doch toonde zich zeer gematigd,
hetgeen haar — terecht of ten onrechte — wel eens
venveten is. In dezen tijd valt, naast de sterke op-
komst van het Socialisme, een machtige ontplooiing
der Christelijke sociale w T erken en sedert 1860 een
buitengewone uitbreiding der missicwerkzaamheid.
In het begin van den oorlog zijn een 50-tal priesters
het slachtoffer gew r orden van het brutale optreden der
Duitschers; tijdens de bezetting eerbiedigden dezen
de godsdienstvrijheid, ofschoon nog vele geestelijken,
om hun preeken of vaderlandsliefde, werden gevangen
gezet of naar Duitschland getransporteerd. Kard.
Mercier en de bisschoppen van Namen en Luik, mgT.
Heylen en mgr. Rutten, verdienen aller dankbaarheid
om hun krachtdadig en onbeschroomd optreden ter
verdediging hunner kudde.
7° Huidige toestand van het Ka-
tholicisme in België. België kreeg in
1801 vijf bisdommen: het aartsbisdom Mechelen,
met de suffraganen Namen, Luik, Doornik en Gent,
van w^elk laatste in 1834 een zesde bisdom, Brugge,
w’erd afgescheiden. Het aantal priesterroepingen onder
de seculiere geestelijkheid wijst eenigen achteruit-
gang aan, maar de missies trekken meer krachten
dan vroeger. Het aantal Belg. missionarissen bedraagt
ca. 1 260 priesters, 400 scholastieken en broeders,
980 kloosterzusters. Er zijn 16 vicarissen -generaal,
13 bissch. secretarissen, 62 kanunniken, 260 pastoors,
3 235 bedienaren, 180 kapelaans en 2 340 onder-
pastoors. De Anglicanen hebben 8 kapelaans, de
overige Protestanten 20 predikanten en 4 hu lp -pre-
dikanten. De Israëlieten hebben 1 opperrabbijn, 4
rabbijnen en 10 dienstdoende bedienaren.
Overigens ontbreken betrouwbare statistieken over
den godsdienstigen toestand in B., zooweel voor Katho-
lieken als voor andersgez inden. Zeker is echter, dat
het getal der Katholiek levende Belgen sterk is ge-
slonken. Van de stedelijke burgerij zal slechts de klein-
ste helft getrouw zijn aan den godsdienstplicht; op
het platteland van Vlaanderen zijn zij, die den Paasch-
plicht verzuimen, uitzonderingen, doch op dat van
Wallonië mag men ze w r el op bijna de helft schatten.
Het geboortecijfer voor heel het land, in 1919 nog
22°/ 00 , zakte in 1926-’30 tot 187 2 7 00 . De echtschei-
dingen geven eenzelfde beeld. Het lager onderwijs
telde eind 1929 op 3 381 vrije scholen 424 983 leerlingen
(staatsonderwijs resp. 6 123 en 446 189); in 1931 had
het Kath. M.O. 49 012 jongens en 5 926 meisjes tot
441
België
442
leerlingen (de staatsscholen 14 352 11.); Leuven schreef
in 1931 — ’32 meer dan 4 000 studenten in. Het tech-
nisch, vak- en handelsonderwijs is voor het overgroote
deel aan Kath. initiatief te danken en wordt door
priesters geleid. Voor de godsdienstige en sociale
verecnigirgen en werken, zie de afzonderlijke w r oorden
als Er ererbond. Landsbond v. d. Christ. Middenstand,
Alg. Chr. Werkersverbond, Kajotters, Jocisten, enz.
L i t. : De Moreau, Le Catholicisme en Belgique (1928);
id., in Dict. d’IUst. et Géogr. Ecclés. (VII, 521-753).
IV. Staats- en rechtsinstellingen. Allossery.
De Belg. Natie voert in haar vlag de roode, gele en
zwarte kleuren, en als Rijkswapen den Belg. Leeuw
roet de spreuk in de Ned. en Fransche taal: Eendracht
maakt macht.
De basis van de Belg. Staatsinrichting is de grond-
wet, die door het Nationaal Congres den 7 Februari
1831 werd vastgesteld, en waarvan slechts enkele
bepalirgen betreffende het kiesrecht en de verkies-
baar! eid in l£92’-93 en in 1920- ’21 werden herzien.
Het grondgebied cmvat negen provinciën: Antwer-
pen, Brabant, Henegouwen, Limburg, Luik, Luxem-
burg, Namen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen.
Ingevolge het Verdrag van Versailles kwamen de
kringen Eupen, Malmédy en St. Vith aan België.
In 1908 verkreeg het Rijk, door een overeenkomst
gesloten met Jecpold II, den Kongostaat. Krachtens
het Tractaat van Versailles oefent België een mandaat
uit over Rreanda en Oeroendi. Voor de koloniale
bezittingen gelden bijzondere wetten (vnl. de Kolo-
niale Keu re van 18 Oct. 1908).
De IUlg. Grondwet vertoont een dubbel karakter:
de meeste beginselen van de Fransche revolutionnaire
Constituties worden gehuldigd, en meer bepaald de
moderne vrijheden. Anderzijds heeft het vorige bew r ind
een sterke reactie teweeggebracht, en menige bepaling
heeft geen ander doel dan de bevoegdheid van de
uitvoerende macht en van haar hoofd, den Koning,
te beperken.
De door de Grondwet verleende vrijheden zijn zoo-
wat degene, die in alle Constituties van het begin
der 19e eeuw voorkomen: alle Belgen zijn gelijk voor
de wet, de Staat kent geen onderscheid van standen,
alle burgers bezitten de burgerlijke rechten, en behou-
dens de door de wet te bepalen regelen, ook de staats-
burgerlijke rechten. De vrijheid van den persoon is
gewaarborgd: niemand kan worden vervolgd of ge-
straft dan alleen in de gevallen en op de wijze door de
wet vcorzien; de woning is onschendbaar; de verbeurd-
verklaring der goederen en de burgerlijke dood zijn
afgescl aft. Onteigening kan alleen plaats hebben ten
algemeenen nutte, en na een voorafgaande billijke
vergoeding. Het gebruik der talen is vrij: het kan alleen
worden geregeld bij de wet, en slechts voor de hande-
lingen van de openbare overheid en voor de gerechts-
zaken: feitelijk was het Fransch langen tijd sterk
overheerschend in alle openbare diensten, en de gelijk-
stelling van dc taal van het Vlaamsche volk in de
staatszaken heeft een langen, thans nog niet volledig
gewonnen strijd gevergd. De Grondwet roept verder
uit de vrijheid van onderwijs, van vergadering, van
vereen iging, van drukpers, en verklaart het brief-
geheim onschendbaar.
De betrekkingen tusschen Kerk en Staat zijn op de
volgende wijze geregeld: het Rijk kent geen Staats-
godsdienst; de vrijheid van eeredienst, de vrije open-
bare uitoefening er van, zijn gewaarborgd; niemand
kan worden gedwongen op eenigerlei wijze deel te
nemen aan handelingen of aan plechtigheden van een
eeredienst of er de nistdagen van te onderhouden.
De Staat heeft het recht niet in de benoeming van de
bedienaren tusschen te komen; toch zijn de wiedden en
pensioenen van de bedienaren van de erkende eere-
diensten ten laste van het Rijk. Het burg. huwelijk
moet, behalve in de door de wet uitgezonderde geval-
len, steeds aan de huwelijkszegen ing voorafgaan. De
Burgerlijke Stand behoort tot de bevoegdheid van de
gemeen teoverheid .
„Alle macht gaat uit van de Natie”. Feitelijk echter
werd de Natie in den beginne vertegenwoordigd door
een vrij gering aantal burgers, en de groote meerder-
heid van de bevolking had in de staatszaken, zelfs
als kiezer, geen deel.
Sinds de herziening van de Grondwet in 1920- ’21
behoort het kiesrecht aan alle staatsburgers, Belg door
geboorte of naturalisatie: ieder mannelijke Belg van
21 jaar af is kiezer en heeft één stem. Bij dezelfde
herziening werd de samenstelling van den Senaat
in een meer democratischen zin gewijzigd.
Het door Montesquieu gepropageerde beginsel van
de scheidmg der staatsmachten w r ordt door de Grond-
wet niet uitdrukkelijk verkondigd, feitelijk echter
practisch toegepast. Afzonderlijke hoofdstukken wor-
den gewijd aan de wetgevende macht, aan de uitvoe-
rende macht, en aan de rechterlijke macht, en voor-
zorgen w r orden genomen, opdat de wetgevende macht
en de rechterlijke macht aan den invloed van de uit-
voerende macht onttrokken blijven.
Dc wel gevende macht. De wetgevende macht
w r ordt gezamenlijk uitgeoefend door den Koning, de
Kamer der Volksvertegenwoordigers en den Senaat.
Het initiatief behoort aan elk van de drie takken, in
gelijke mate. Hoewel beide Kamers een gelijke be-
voegdheid hebben, toch is de politieke invloed van de
Kamer der Volksvertegenwoordigers overwegend.
De leden van de Kamer worden rechtstreeks gekozen
volgens een systeem van zuiver algemeen, verplicht
en geheim stemrecht, en de zetels worden naar even-
redigheid tusschen de verschillende lijsten verdeeld.
De verkiezing geschiedt per arrondissement, sommige
mandaten worden echter per provincie toegekend.
Alle Belgen van 25 jaar oud, inbegrepen de vrouwen,
zijn verkiesbaar voor de Kamer. Voor de verkiesbaar-
heid voor den Senaat w T orden nadere vereischten
bepaald, die echter feitelijk gemakkelijk te vervullen
zijn. De Senaat w^ordt niet volledig door de kiezers
aangesteld: een zeker aantal Senatoren wordt door
de Provinciale Raden benoemd, en een geringer aantal
door den Senaat zelf.
Sommige bepalingen van de Grondwet schijnen te
wijzen op een overwegenden invloed van den Vorst
op de staatszaken: de Koning bekrachtigt de wetten
en kondigt die af; hij heeft het recht de Kamers te
ontbinden of te verdagen; hij benoemt en ontslaat
zijn ministers. Feitelijk is de toestand anders. België
is, sedert een eeuw, een parlementair geregeerd land
en de Koning oefent geen van de hierboven vermelde
bevoegdheden uit dan in overeenstemming met de
parlementaire meerderheid.
Geen belasting ten behoeve van het Rijk kan worden
ingevoerd dan bij de wet; ieder jaar wwden de belas-
tingen, de reken ingwet en de begroot ing door stemming
van de Kamers vastgesteld. Deze en andere bepalingen,
nog meer echter de traditie, verzekeren aan het parle-
ment het laatste w r oord in de leiding van het bewind.
De uitvoerende macht. De grondw r ettelijke macht
443
België
444
van den Koning gaat bij erfopvolging over op de
nakomelingschap, in rechte linie, van Leopold I,
van man op man, volgens recht van eerstgeboorte,
en met altijddurende uitsluiting van de vrouwen
en haar nakomelingen.
De persoon van den Koning is onschendbaar:
zijn ministers zijn verantwoordelijk, en onderteekenen
met hem al zijn besluiten.
De Koning benoemt en ontslaat de ministers, de
ambtenaren, en, in algemeenen regel, benoemt hij
de leden van de rechterlijke macht. Hij maakt de
verordeningen en neemt de besluiten, die voor de
uitvoering van de wetten noodig zijn. De Koning
voert het bevel over land- en zeemacht, verklaart
oorlog, sluit de vrcdcs-, verbonds- en handelsver-
dragen. De handelsverdragen zijn slechts van kracht,
nadat zij door de Kamers zijn goedgekeurd. De Koning
heeft het recht van gratie en het recht van de munt.
De macht van den Koning is beperkt: hij heeft geen
andere bevoegdheid dan die, welke hem door de
Grondwet of door bijzondere wetten wordt verleend.
Tijdens den oorlog van 1914-’18 kon van het
samenkomen van de Kamers geen spraak zijn, en werd
de wetgevende macht uitgeoefend door den Koning,
bij wijze van besluit -wetten. In 1926 en 1933 hebben de
Kamers, met het oog op de regeling van den finaiiciee-
len toestand, tweemaal een zoogenaamde volmachtwet
aangenomen krachtens dewelke den Koning voor
een bepaalden tijd en binnen bepaalde grenzen een
tamelijk verregaande bevoegdheid werd toegekend.
De leiding van de administratie behoort bij de
ministers en hun onderscheiden departementen,
waarvan de samenstelling en de bevoegdheid dikwijls
veranderen. Toch liggen niet alle zaken in de compe-
tentie van de centrale besturen en de daarvan afhan-
gende ambtenaren. Het Belg. administratief recht kent
inderdaad een ruime decentralisatie: de provincie,
en vooral de gemeente hebben een uitgebreide bevoegd-
heid en een ruim opgevatte autonomie. Beide zijn
echter onderworpen aan de controle van de Bestendige
Deputatie en van den Koning.
De rechterlijke macht. Alle geschillen over burger-
lijke rechten en, behoudens uitzonderingen, ook alle
geschillen over staatsburgerlijke rechten behooren
tot de kennisneming van den rechter. De mogelijk-
heid om bestuursgeschillen voor een speciale adminis-
tratieve rechtbank te brengen bestaat nog maar spo-
radisch. Sommige geschillen van dien aard, bijv. tot
schadevergoeding wegens handelingen van het bestuur,
behooren tot de bevoegdheid van den gewonen rechter.
Het ligt in de traditie van het Belg. Staatsrecht,
dat de rechtbanken zich de bevoegdheid ontzeggen om
over de grondwettelijkheid van de wetten te oordeelen.
De algemeene, provinciale en plaatselijke besluiten
en verordeningen passen zij slechts toe voor zooverre
die met de wetten overeenkomen.
Geen rechtbank, geen tot rechtspraak bevoegd
lichaam kan worden ingesteld dan uit kracht van de
wet. Buitengewone rechtbanken of commissiën heeft
België, ook in tijden van troebelen, sedert 1830 nooit
gekend. Er bestaat voor geheel België een Hof van
Verbreking, er zijn drie hoven van Beroep, zooveel
rechtbanken van eersten aanleg als arrondissementen,
en zooveel vredegerechten als rechterlijke kantons.
Er zijn, in de plaatsen aangewezen door de wet,
rechtbanken van koophandel, waarvan de bevoegdheid
beperkt is tot de geschillen over daden van koop-
handel. De werkrechtersraden zijn ingesteld om kennis
te nemen van de geschillen betreffende de uitvoering
van de arbeidsovereenkomst.
Misdaden, alsook politieke misdrijven en pers-
misdrijven worden berecht door het Hof van > Assisen.
De leden van de Hoven en Rechtbanken wwden
door den Koning benoemd, en wel voor het leven,
behalve de leden van de rechtbanken, van Koop-
handel en van de Werkrechtersraden, die vopr een
beperkten tijd door de belanghebbenden verkozen
worden.
Do evolutie van de Belg. staats- en rechtsinstel-
lingen. Tot op heden zijn de Fransche wetboeken
van het begin der 19e eeuw de grondslag gebleven van
het Belg. Recht. Het Burg. Wetboek werd slechts op
enkele plaatsen herzien. De Wetboeken van Burg.
Rechtspleging en van Strafvordering bleven nagenoeg
ongewijzigd. Het Strafwetboek werd in 1867 naar de
opvattingen van de liberale strafrechtsschool herop-
gemaakt. Het Wetboek van Koophandel onderging
aanzienlijke veranderingen, vooral wat betreft de
vennootschappen. Op het einde der 19e en in het begin
der 20e eeuw lag het zwaartepunt van de wetgeving
op het gebied van het arbeidsrecht: hier ontstond
inderdaad een geheel nieuw w r etboek. Het > belas-
tingstelsel werd eveneens voor een groot deel anders,
vooral ten gevolge van het invoeren van de belasting
op het inkomen, in 1919.
Zooals in de meeste West-Europeesche landen is de
evolutie van den Staat gekenmerkt door de logische
ontwikkeling van het parlementarisme: uitbreiding
van het kiesrecht, toekenning aan de kleine partijen
van een zekere medezeggenschap, en gestadige uit-
breiding van de tusschenkomst van het Parlement.
Langen tijd werd het parlementaire leven beheerscht
door den strijd om de school; in het laatste kwart
van de 19e eeuw en in het begin van de 20e stond de
sociale vraag op den voorgrond; de regeling van het
talenvraagstuk bleef sedert tientallen van jaren
onophoudelijk aan de dagorde; de militaire inrichting
gaf aanleiding tot veel oneenigheid en talrijke w r ettcn,
om ten slotte te voeren tot den algemeenen persoon-
lijken dienstplicht, met vrijstelling van een zoon
voor sommige kroostrijke gezinnen.
Het internationaal statuut van de gedwmngen neu-
traliteit, dat België door de Mogendheden werd opge-
legd, werd in 1914 door Duitschland geschonden. Het
Rijk verzaakte dan ook aan dit statuut, en verkreeg
andere waarborgen tegen oorlog en invallen, o.m.
door het Verdrag van Versailles en het Verdrag van
Locamo. Vermits het grondgebied op een zoo gevaar-
lijke plaats in West-Europa gelegen is, en het ont-
wapeningsprobleem niet is opgelost, is de groote
meerderheid van oordeel, dat met de verkregen moreele
waarborgen niet volstaan kan worden, en dat een
gepaste militaire inrichting vooralsnog onontbeerlijk
blijft.
L i t. : P. Errera, Traité de droit public beige ( 2 1916) ;
M. Damoiseaux, Le Gouvernement de la Belgique
(1926) ; M. Vauthier, Précis du droit administratif de la
Belgique (1928) ; K. Brants, De Staatsinrichting van
België ( 2 1931) ; J. Dabin, La vie juridique des peuples ;
Belgique (1931). V. Dievoet.
V. Pers, > Belgische pers.
VI. Politieke partijen, > Belgische politieke
partijen.
VII. Weermacht.
Geschiedenis. De troepen door de Ver-
bonden Mogendheden na den slag bij Leipzig op Belg.
445
België
446
grondgebied gelicht, werden nadien ingelijfd bij het
leger van den prins-souverein, wien de Belg. provin-
cies waren toegewezen door het verdrag van Parijs
van 30 Mei 1814. Zij vormden de kern van het latere
Belg. leger. De Hollandsche wetgeving op de werving,
die op hen toepasselijk was, werd in 1830 door België
overgenomen en bleef in stand tot 1909. De leger-
inrichting van koning Willem berustte deels op het
volontariaat, deels op het oude beginsel van de
provinciale militie. Zijn leger was hoofdzakelijk
samengesteld uit permanente korpsen van vrijwilligers,
aangevuld met lotelingen. Na de gebeurtenissen van
Sept. 1830 kwam het Belg. leger tot stand. Het werd
gevormd uit Belg. militairen, die zich uit het Holland-
sche leger hadden teruggetrokken en uit afgezwaaide
dienstplichtigen. Reeds den 2en Aug. 1831 moest het
te velde trekken tegen den prins van Oranje, die het
wapenbestand van 17 Nov. 1830 had geschonden en
aan het hoofd van Hollandsche troepen België was
binnengevallen. Op 12 Aug. werd een wapenstilstand
gesloten. Na de inname van Antwerpen, dat tot
23 Dec. 1831 bezet bleef door een Holl. garnizoen
onder gen. Chassé, trad een tijdperk van rust in, dat
de regeering gebruikte om het leger grondig in te
richten. De eerste wet op de werving, waarin latere
wetten geen principieele wijzigingen zullen brengen,
werd aangenomen op 30 Dec. 1831. Op 27 Maart 1848,
toen gewapende avonturiers, uit het buitenland over-
gekomen, de republiek poogden uit te roepen op Belg.
grondgebied, werden zij te Risquons-tout (Zuid-
België) door Belg. troepen uiteengedreven. Later gaf
de Fransch-Duitsche oorlog aanleiding tot mobilisatie
der Belg. strijdkrachten van 15 Juli 1870 tot 3 Maart
1871 en tot opstelling van een waarnemings leger
onder generaal B. Chazal langs de Zuid-Oostelijke
grenzen. In 1909 werd de loting afgeschaft en de
persoonlijke dienstplicht ingevoerd. De gespannen
internationale toestand bracht tenslotte een volledige
kentering teweeg in de politieke opvattingen en door
een wet van 1913 werd de algemeene dienstplicht
opgelegd, hoewel nauwelijks 49% ongeveer der dienst-
plichtigen onder de wapens kwam. Aldus kon met
een jaarlijksch contingent van 33 000 man een mobili-
satiereserve van 330 000 man op de been gebracht
worden. Tevens werd de eerste wet op het taalgebruik
aangenomen. Doch de wereldoorlog, waaraan het Belg.
leger deelnam, verhinderde de tenuitvoerbrenging
ervan. Tot in 1919 bleef het leger op oorlogsvoet en
werden de opeenvolgende militieklassen fragmen-
tarisch en naargelang de omstandigheden onder de
wapens geroepen.
Huidige organisatie. Een wet van
7 Nov. 1928 heeft die van 1913 vervangen. De dienst-
plichtigen worden thans, in beginsel, per provincie
ingedeeld bij homogeen eentalige compagnies (batte-
rijen), die in de mate van het mogelijke in bataljons
en regimenten van dezelfde taalgroep samengebracht
worden. De opleiding geschiedt in de taal der dienst-
plichtigen. Tusschen de officienn zijn de dienst-
betrekkingen in het Fransch; tusschen hen en hun
minderen in de taal der eenheid. De administratie
gebruikt het Fransch als voertaal. De officieren moeten
de twee landstalen kennen. De reserve -officieren en de
onderofficieren moeten enkel de taal hunner eenheid
machtig zijn. De duur van den diensttijd is vastgesteld
op 8, 12, 13 en 14 maanden. 21 000 opgeroepenen op
een contingent van 44 000 man worden tot meer dan
8 maanden dienst verplicht; bereikt het contingent
een hooger cijfer, dan woorden bepaalde categorieën
dienstplichtigen vrijgesteld, o.m.: de eerstopgeroepe-
nen, die behooren tot een gezin met meer dan 5 kinde-
ren in leven. De militaire verplichtingen duren
25 jaar, nl. : 15 jaar in het actief leger en de reserve
en 10 jaar 'in de landweer. In vredestijd is er één con-
tingent onder de wapens.
Het leger is samengesteld uit den alg. legerstaf,
3 legerkorpsen van 2 infanteriedivisies, een ruiterij-
korps van 2 divisies, een brigade legerartillerie, een
regiment vest ingt roepen, een regiment afweerart iller ie
tegen luchtaanvallen, luchtvaartsein-, intendance- en
gezondheidstroepen. De infanteriedivisie (nagenoeg
15 000 man op oorlogsvoet) telt drie regimenten voet-
volk, een regiment bereden veldartillerie, een bataljon
mitrailleuses, een batterij mortiers kaliber 76 mm, twee
compagnies pioniers der genie, een compagnie sein-
troepen, een eskadron verkenners, intendace- en ge-
zondheidstroepen en een vervoerkorps, gedeeltelijk
gemotoriseerd, dat ongeveer 460 voertuigen omvat.
In oorlogstijd worden aantal en getalsterkte der be-
staande divisies vermeerderd door inlijving der 15
jongste militieklassen. Desnoods kunnen de troepen
der landweer, met uitzondering van de gehuwde man-
schappen met 4 kinderen in leven, met dit doel bij het
veldleger ingedeeld worden.
De bewapening der infanterie bestaat uit
het Mausergew r eer model 1889, het mitrailleuse-geweer
model 1930 en de mitrailleuse van het type max.
kaliber 7,65 mm. De veldartillerie is gewapend met
kanonnen kal. 75 en 105 mm en met houwitsers kal.
105 en 155 mm. De legerartillerie, die volledig gemo-
toriseerd is, beschikt thans over kanonnen kal. 155
mm, houwitsers kal. 155 mm en 6" en mortiers kal.
220 mm. Bovendien bestaat zw T aar geschut op pantser-
trein, alsook loopgraaf geschut. Thans (1933) geschie-
den proefnemingen met het oog op de motor iseering
der veldartillerie.
De opperbevelhebber is de koning;
in vredestijd echter is de leiding practisch in handen
van den minister van landsverdediging, onder wiens
bevoegdheid eveneens het beheer der gendarmerie valt.
Vestingwerken. De verdediging van het
grondgebied berust anderzijds op de vestingwerken.
Behoudens de vestingen van Aiitw^erpen en van de
kust, evenals die van Maastricht, Venlo en Luxemburg,
werden de overige, die ingevolge het Barrière -tractaat
(1715) ter bescherming van de Republiek der Vereenig-
de Provinciën tegen Frankrijk opgericht waren, door
Napoleon gesloopt. Doch na diens val werden zij w ? eer
gedeeltelijk bruikbaar gemaakt. Het luidens de Con-
ventie van Aken (1818) door de Verbonden Staten
aangenomen verdedigingsstelsel beoogde opnieuw
het oprichten van een verdedigingslinie langs de
Fransche grens en bovendien het aanleggen van een
viervoudige reeks vestingen, resp. op de Schelde,
tegen Engeland; op de Maas, tegen Pruisen; op de
Sambre-Haine-Dender, tegen Frankrijk en tenslotte
vestingen in Holland zelf, die als schuiloord moesten
dienen. De gebeurtenissen van 1830 brachten dit plan
evenwel in gevaar, doordat een verzwakking van de
Zuidelijke linie het evenwicht van heel het verdedi-
gingsstelsel kon verbreken. Door België te erkennen
als een onzijdigen staat, kon de Conferentie van Londen
meteen de vestingen aanwijzen, die moesten ontmanteld
worden.
De conventie van 14 Dec. 1831 regelde deze aan-
gelegenheid. Doch eerst nadat de Belg. regeering in
447
België
448
1851 besloten had Antwerpen als operatiebasis in te
richten, werden al de vestingen gesloopt, met inbegrip
van die, welke door de conventie waren behouden.
Naar aanleiding van den in 1848 gespannen interna-
tionalen toestand had nl. de regeer ing besloten een
Commissie der vestingen te gelasten de defensieve
waarde der versterkingen te onderzoeken. In 1851
werd Antwerpen, op een afstand van 2,5 km van het
centrum, met een gordel van 7 forten omgeven. Dit
bleek hoogst hinderlijk voor de uitbreiding der stad
en al spoedig rees hiertegen verzet op. In 1857 legde
de regeering een nieuw plan voor, dat door de wetge-
vende Kamers evenwel verworpen werd. In 1859 werd
het ontwerp Brialmont aangenomen. Dit verschoof
de omwalling der stad tot op de fortenlinie van 1851
en voorzag in een nieuwen gordel van 8 forten op 7 km
van het centrum der stad. Eerst in 1892 waren de
werken geëindigd. In 1887 werden Maas- en Sambre-
vallei in staat van verdediging gesteld door de oprich-
ting van forten rond Luik en Namen. In 1906 werden
de vestingwerken van Antwerpen nog uitgehreid.
Een nieuwe omwalling, die de oude moest vervangen,
zou opgericht worden op den gordel van 1859, terwijl
een linie van 19 voor het meerendeel aan te bouwen
forten op een 15-tal km van de stad moest aangelegd
worden. Aldus zou de cirkelomtrek van de versterkte
plaats van Antwerpen 105 km bereiken.
De wereldoorlog kwam de tenuitvoerbrenging van
dit grootscheepsche plan gedeeltelijk verhinderen.
Na den oorlog werd aan de vestingwerken een
tijdlang weinig aandacht geschonken; doch sedert
1928 worden de Maasforten opnieuw tot verdedigin^s-
doele inden bruikbaar gemaakt. V. Coppenolle.
VIII. Sociale instellingen en weldadigheid.
De ontwikkeling gaat van een zekere afzijdigheid
der openbare besturen tot een gematigde Staats-
tusschenkomst, en van liefdadigheid tot meer bevor-
dering van het vooruitzicht (van bijstand tot voor-
zorg). Van 1830 tot 1886 ontstaan de eerste
instellingen, behalve degene, die reeds vroeger beston-
den en werden behouden, zooals o.m. gemeentelijke
inrichtingen (armbureelen, godshuizen); — een eerste
aanmoediging van het vooruitzicht: oprichting van de
Spaar- en Lijfrcntekas (1850- '51) en een eerste wet
op de mutualiteiten (1851). Van 1886 tot 1914: de
sociale organisaties komen tot stand: Belg. Werk-
liedenpartij (1885). Belg. Boerenbond (1891), Katholie-
ke werk lied en vereen iging< n, mutualiteiten; het onder-
zoek van 1880 over den toestand der arbeiders in de
nijverheid geeft aanleiding tot de sociale wetgeving;
ook tot andere vraagstukken breidt de officieele en de
private werking zich uit: strafrechtshervormingen
(voorwaardelijke veroordeel ing, voonvaardelijke in-
vrijheidstelling, bedelaars, misdadige jeugd), de
openbare gezondheid, de goedkoope woningen, de
organisatie van den Middenstand enz. — Van 1914
tot 1933: de oorlogsellende gaf aanleiding tot nieuwe
instellingen van voorzorg: zoo ontstond het Nat.
Comiteit voor de voeding van de bevolking, met zijn
vertakkingen: kinderwclzijn, e.a. Na den oorlog
komen tot stand* Nat. verbonden tot bestrijding van
tuberculose, geslachtsziekten, kanker; het Roode Kruis
breidt zijn sociale actie uit, het Vlaamsche Kruis
ontstaat; er komen vereen igingen voor voorbehoedende
geneeskunde en eugenetiek, geosteshygiëne, enz.
De sociale wetgeving wordt uitgebreid: staatssteun
aan de werkloozen; ook aan de verminkten, blinden,
abnormalen (1928), schoolkoloniën, openluchtscholen,
allerhande fondsen om de meesttiegaafden in staat te
stellen hun intellectueele vorming te volledigen
(Fonds der meest begaafden, universitaire stichting,
Nat. wetenschappelijk Fonds).
De officieele instellingen van socialen aard zijn
hoofdzakelijk: de ministeries van Binnenlandsche
Zaken (Hygiëne), van Nijverheid, Arbeid en Sociale
voorzorg, "van Justitie (Strafrechtelijke instellingen,
abnormalen, enz.), van Landbouw; de provincie en
de gemeente met de van die besturen afhangende
instellingen. Een zeker aantal inrichtingen hebben
een meer of minder publiekrechtelijk karakter, of
worden door de openbare besturen gesteund. Eindelijk
is er nog het zuiver privaat initiatief, en vooral de
sociale en de liefdadige werking van Katholieke
groepeer ingen, kloosters, Vin cent iusgenootschappen
e.a. Dat alles vormt een, weliswaar vrij geschakeerd
geheel, doch dat daarom juist geschikt is, om te voor-
zien in de vele behoeften van de volksklas in dezen tijd.
L i t. : Vermcersch-Muller, Les organismes sociaux
en Beleique (Leuven 1923) ; R. Sand, La Belgique
Soriale (Brussel 1933). Eerdekens.
IX. Letterkunde.
A) Vlaamsehe letterkunde.
Voor Vlaamsche lett. vóór 1830, > Nederlandsche
letterkunde.
Door eeuwenlange vreemde overheersching en ge-
leidelijke verf ransch ing van hoogere standen en open-
baar leven w*as het Vlaamsch totaal verwaarloosd
geworden, zoodat in de 18e eeuw de letterkunde er-
barmelijk laag gezonken w r as. Zelfs onder het Ver-
een igd Koninkrijk der Nederlanden (1815 — ’30) bleek
een herleving onmogelijk. Na de omwenteling van
1830 met Vlaamschvijandige politiek scheen het een
hopeloos geval. Eerste reactie door philologen,
die, onder leiding van J. Fr. Willems,Mnl. teksten
uitgaven als de adelbrieven van de versmade volkstaal
(kanunnik J. David, Blommaert, Bormans, Serrure,
Snellaert). Na 1835 begint ook een R o m a n t i-
sche volksliteratuur op te schieten te
Gent (Pr. Van Duyse met uitbundige en K. Lcde-
ganek met weeke poëzie) en te Antwerpen (H. Con-
scieme met geschiedkundige en landelijke verhalen en
zedeschetsen, de volkszanger Door Van Ryswyck, de
humorist L. Vleeschouwer, F. Van Kerckhoven metge-
heimzinnig-fantastische en E. Zettemam met s ciale
romans). Strijdend -Flamingantisch: Conscience *s
Leeuw van Vlaanderen (1838), Van Ryswyck ’s Poli-
tieke Refereinen (1844), Ledeganck’s Drie Zuster-
steden (1846). Geen hooge kunst: uit en voor het volk,
in onbeholpen, soms smakeloozen stijl en armoedige
taal. Conscience verwierf een wereldberoemd-
heid door zijn boeienden verhaaltrant, zijn kennis van
de volksziel en zijn atmosfeer van gemoedelijkheid.
Na 1845 splitsing in twee kampen: de vrijzinnig-libe-
ralen uit de steden, die een halve eeuw lang aan den
VI. strijd een anticlericaal karakter geven (J. De Gey-
ter, J. Vuylsteke, A. De Vos e.a.), en de Katholieken,
vooral door de lagere geestelijkheid gesteund.
Omstreeks 1850 evolueert de VI. letterkunde naar
meer werkelijkheid, ook bij Conscience, al blijft in de
poëzie zwaarmoedigheid en sentimentaliteit steeds
doorklinken (J. van Beers). Veel huiseb'jke gedichten,
gladde natuurbeschrijving, liederen en cantates. Ver-
schillende schakeeringen van gematigd rea-
lisme in de hoofdzakelijk landelijke verhalen:
gemoedelijk, soms met wijsgeerigen of politieken neer-
slag (gezusters Loveling, mevr. Courtmans, Aug. en
KUNSTSCHATTEN IN BELGIË
1. Preekstoel in de St. Goedele te Brussel. 2. Negerkoppen, door P. P. Rubens. 3. Calvarieberg bij de St. Paulskerk te
Antwerpen. 4 en 6. Aartshertog Albert en zijn echtgenoote Isabella, door P. P. Rubens. 5. De koning drinkt! door
Jacob Jordaens. 7. Kaartspelers, door Adriaan Brouwer (Kon. Museum te Antwerpen). 8. De terugkeer, door E. Laermans.
9. Jesus in de Kempen, door J. Smits. 10. Piëta, door Albert Servaes. 2, 4, 5 en 6. Musée Ancien te Brussel.
NIEUWERE BEELDHOUWKUNST IN BELGIË
1. Julien Dillens, Graffiguur. 2. Willem Geefs, Koningin Marie-Louise. 3. Paul de Viane, Poverella. 4-6. Constantin
Meunier, Drie details van het Monument van den Arbeid, 4. Ie Puddleur, 5. I'lndustrie, 6. Kop van den zaaier.
7. George Minne, Treurende vrouwen. 8. George Minne, Torso (de nummers 2-8 in het Museum te Brussel).
449
België
45a
Renier Snieders); humoristisch (Tony Bergmann);
koel en nuchter (D. Sleeckx). Proeven van naturalisme
bij I. Teirlinck en R. Stijns. Vorm verzorging in de
gedichten van den keurigen Dautzenberg, Fr. De
Cort, J. Van Droogenbroeck; kunstvaardigheid van
Pol De Mont, die omstreeks 1880 naar het voorbeeld
van het buitenland den dienst der schoonheid -zonder-
meer inluidt.
Intusschen was ook West-Vlaanderen wakker ge-
schoten. Na eenige ouderwetsche proeven maakt
Guido Gezelle (1830 — ’99) zich los pan de
heerschende traditie en wint eigen vorm, eigen stijl,
eigen taal om uiting te geven aan zijn rein natuurge-
voel en zijn rijk gemoedsleven. Lang bleef hij onbe-
kend, zelfs miskend en bekampt door de officieele
critiek van zijn tijd. Door geschreven en vooral ge-
sproken woord droeg Hugo Verriest veel bij tot het
verspreiden van gezonder gedachten en tot het erken-
nen van Gezelle en den jong overleden genialen A.
Roden bach.
1886 — ’90 groeit bij de jongeren ontevredenheid
over de armoede van hun tijd. Naar het voorbeeld van
Ia Jeune Belgique en De Nieuwe Gids stichten ze
Van Nu en Straks, waarin ze, onder leiding
van A. Vermeylen en P. Van Langendonck, hun pro-
gramma omschrijven en trachten uit te werken: stre-
ven naar schoonheid in de kunst, naar eenheid en
synthese in het veelvuldige leven, Vlaamsche strijd en
kunst in dienst van de gemeenschap. Op gebied van
economie en politiek hebben de meesten zeer vooruit-
strevende gedachten. Tot den oorlog en zelfs daarna
heeft het Van-Nu-en-Straks-geslacht een groot gebied
van de Vlaamsche letterkunde beheerscht: het artistiek
rijke, maar ingewikkelde en vaak zwoele vers van K.
Van de Woestijne; de naturalistische uitbeelding van
het landleven door C. Buysse; de stoere en kloeke be-
schrijving van natuur en landman door S. Streuvels;
de rauwe schildering van het Antwerpsch havenleven
door E. De Bom; de zware, morbiede evocatie van de
grootstad door H. Teirlinck. Datzelfde geschakeerde
beeld vindt men terug in tal van tijdschriften (Alvoor-
der, De Arbeid, Ontwaking te Antwerpen, Nieuw
Leven te Gent; het dilettantisme van De Boomgaard)
en bij tal van schrijvers uit de laatste dertig jaren:
een ruime plaats bestrijkt nog altijd de landelijke
vertelling met alle aspecten en landschappen van de
Vlaamsche gewesten (soms met moraiiseerende strek-
king: E. Vermeulen, soms joviaal en humoristisch: E.
Claes, J. Simons, soms als achtergrond voor een diepere
ontleding van het menschelijk gebeuren: A. Van Cau-
welaert, G. Walschap); meer en meer gaat de belang-
stelling naar de uitbeelding van het stadsleven (de
gegoede burgerij: A. De Ridder, L. Monteyne, W.
Elsschot, M. Roelants, Mevr. Claes-Vetter, L. Duy-
kers; het proletariaat: L. Baekelmans, L. Zielens;
de provinciestad met haar typen en haar folklore: M.
Sabbe, F. Timmermans, A. Thiry).
Soms vermeit zich de verbeelding in de atmosfeer
van een ver verleden (F. Timmermans, K. Van den
Oever, P. Kenis, F. De Pillecyn) of in de tropische
pracht van Afrikaansche landen (E. Van der Straeten);
soms viert de fantasie heelemaal den vrijen teugel
naar het rijk van koning Wonder (T. Bogaerts). Goede
ontleding van kinderpsychologie (S. Streuvels, E.
Claes e.a.).
Daarnaast het leidend tijdschrift der Katholieken,
Dietsche Warande en Belfort (1900), eerst conservatief,
later onder leiding van J. Persyn, ruim en veelzijdig;
het avant-garde-orgaan der jongere Katholieken; de
Vlaamsche Arbeid (1905), onder leiding van J. Muls
en K. Van den Oever. De oudere liberalen stichtten
in 1905 De Vlaamsche Gids.
Voor de poëzie groote invloed van Gezelle,
inzonderheid op het eerste werk van R. De Clercq
en op menig priester-dichter (A. Walgrave, J. Ham-
menecker, J. De Vocht); van K. Van de Woestijne
op A. Van Cauwelaert en de groep van het Fonteintje
(M. Roelants, R. Minne, R. Herreman, K. Leroux).
De oorlog heeft geen blijvend werk nagelaten. Onder
den oorlog begon zich een reactie af te teekenen tegen
het vlakke realisme en impressionisme en tegen het
zuiver esthetische der latere Van-Nu-en-Straksers:
expressionistische experimenten van P. Van Ostayen
onder Duitschen en Franschen invloed. In 1920 stich-
ten de jongeren Ruimte (tot 1921); het Katholieke
Pogen (1923 — ’26). Humanitaire gedachten, diepere
levenszin, vormvernieuwing in vrij dynamisch vers,
weergeven van het rhythme van het moderne leven.
Tusschen 1920 en ’28 leverden P. Van Ostayen, K.
Van den Oever, Wies Moens, Marnix Gijsen, A.
Mussche hun beste en gaafste werk. Thans (1933) ont-
staat een streven naar meer evenwicht en harmonie
en naar meer gebondenheid en bezonkenheid (U. Van
de Voorde, de medewerkers van De Tijdstroom).
Letterkundige critiek wordt eerst
laat geleverd: intellectualistisch bij Max Rooses, wijs-
geerig bij J. Persyn, intuïtief bij C. Verschaeve. Thans
J. Muls, A. Comette, J. Eeckhout, U. Van de Voorde.
L i t. : Coopman en Scharpé : Gesch. der VI. lett.
(Antwerpen 1910); P. Kenis, Een Overzicht van de VI.
lett. na Van Nu en Straks (A’dam, 1930); U. Van de
Voorde, Panorama de la lit. fl. (Brussel 1932) ; A. Ver-
meylen, Van Gezelle tot Timmermans (A’dam 1933).
A. Boon.
B) Fransch- Belgische letterkunde. Al heeft het
Belg. grondgebied te allen tijde een zeker aantal
Franschtalige schrijvers voortgebracht, toch kan men
slechts sedert 1830 van een eigenlijke Fr. -Belg. letter-
kunde gewagen. De stelselmatige en gedwongen ver-
fransching van de Belg. provinciën, zelfs van het VI.
gedeelte van het land, begon reeds met de Fransche
overheersching. Sinds 1815 werd deze verfransching,
die van 1830 schier een eeuw lang den vrijen teugel
heeft gevierd, nog aangemoedigd door de politiek van
verzet tegen het Hollandsch bewind. Zoo is het te
verklaren, dat een groot aantal Fr. -Belg. letterkun-
digen — en de meest eminente — van Vlaamsche
afkomst zijn.
De eerste Belg. schrijvers hadden gebrek aan oor-
spronkelijkheid. Sommige dichters, afgeschrikt door
de vermetelheid van het Romantisme, putten hun
lyrisme rechtstreeks bij J. J. Rousseau of C. Delavigne:
Baron de Stassart, Ph. Lesbroussart, Ad. Mathieu,
Ed. Wacken, Benoit Quinet, Ch. Potvin, Louisa
Stappaerts. Enkele romanschrijvers bezitten weinig
verbeeldingskracht, maar zekeren zin voor observatie:
Fr. Jos. Grandgagnage, Caroline Popp, Eug. Gens,
Carolme Gravière, Eug. Van Bemmel, Em. Greyson,
Xav. de Reul.
De ware voorloopers van de Belg. literatuur waren
de lyriekers, Antoine Clesse, de Belgische Béranger,
en de beide Maastrichtenaren Thëodore Weustenroed
(1805-1849) en André Van Hasselt (1805—1874),
waarvan de eerste zich nog aan den invloed van het
Fr. Romantisme onttrok en de tweede er zich een
discipel van verklaarde. De peters van de intellec-
▼. if
451
België
452
tueele jeugd van 1880 waren echter twee prozaschrij-
vers: Charles de Coster, auteur van „Uylenspiegel”
en Oct. Pirmez, schrijver van „Jours de Solitude”.
De groote letterkundige wedergeboorte dagteekent
van 1880 en was het werk van Max Waller en van
„La Jeune Belgique”, waarvan de medewerkers, be-
wonderaars van Baudelaire en Leconte de Lislc,
„L’art pour Tart” en „Le culte de la forme” huldigden.
Vooral de roman bekleedt een belangrijke
plaats. Camille Lemonnier neemt de leidersplaats in
met realistische romans, rijk aan lyrisme en schilder-
achtige tafereelen ; Georges Eekhoud, aangetrokken
door den wilden landelijken eenvoud en door de instinc-
tieve menschelijkheid van de Antwerpsche Kempen,
schildert de polderboeren en de wrakken der maat-
schappij; de Antwerpenaar Ilorace Van Of fel en de
Limburger Georges Virrès behandelen analoge onder-
werpen; Eug. Demolder, rechtstreeksche afstammeling
van het oude VI. schildersgeslacht, ontwijkt de zwaar-
moedigheid en de eenigszins fatalistische opvatting
der voorgaande romanschrijvers en verhaalt levendige,
wulpsche, kleurige avonturen in een opvolging van
schilderachtige tooneelen; Georges Rodenbach,dichter-
romanschrijver, vestigt zijn roem met „Bruges la
Morte” ; Louis Delattre en Maurice Des Ombiaux
bezingen den Waalschen grond, de eene met bont
lyrisme en verfijnde gevoelsaan doeningen, de andere
met gloed en geweld; Alb. Mockel vertelt allegorische
legenden in een vloeiend en muzikaal proza; Edm.
Glesener, George Gamir, Hub. Krains, Hub. Stiernet,
Georges Rency en Léop. Courouble stellen enkel be-
lang in het volk en in de kleine burgerij, terwijl Henri
Davignon de gegoede klassen gadeslaat en Henri
Carton de Wiart historische romans samenstelt.
De strijd, geleverd door de „Jeune Belgique” en
door „La Wallonië”, bracht de ontluiking mede van
lyrische talenten. Georges Rodenbach,
dichter van de stilte, bezingt de betooverende schoon-
heid van Brugge. Em. Verhaeren is niet meer de me-
lancholische bard van Vlaanderen, maar de zanger
van het bruisende leven en van het menschdom in
zijn hijgende en heroïsche jacht naar meer licht en
rechtvaardigheid. De Gentenaren, Ch. Van Lerberghe,
Grégoire Le Roy en Maur. Maeterlinck zijn symbo-
listen; Alb. Mockel en André Fontainas behooren tot
dezelfde school. De Parnassiaansche kunstenaars
hwan Gilkin, Alb. Giraud en Valère Gille hebben,
met medewerking van Em. Van Arenbergh, een voor-
aanstaande rol gespeeld in de beweging van „La Jeune
Belgique”; hun inspiratie is zeer verscheiden en, ten
minste bij de eerste drie, meer intellectueel dan sen-
timenteel. Fern. Severin kenmerkt zich door de diepe
en de teedere gemoedsaandoeningen, den bevalligcn
en reinen stijl. Tal van dichters scharen zich rondom
deze meesters of gaan nieuwe banen op, o.m. Max
Elskamp, de zanger van het schamele leven, Georges
Marlow, zangerig Baudelaireaan, Ad. Hardy, die de
meest verscheiden aspecten van de Ardennen in verzen
vastlegt.
De historische studies zijn in hoofdzaak vertegen-
woordigd door G. Kurth, auteur van „Les Origines de
la Civilisation moderne” en van de poëtische studie
„Clovis”, en door Henri Pirenne, schrijver van een
monumentale „Histoire de Belgique”.
L i t. : Fr. Nautet, Histoire des lettres beiges d’expres-
sion fran^aise (Brussel 1875) ; J. Boubée, La littérature
beige (Brussel 1906) ; J. Chot en R. Dethier, Histoire des
lettres fran^aises en Belgique (3 dln. Charleroi 1910);
L. Goemans en L. Demeur, La littérature fran^aise de
Belgique (Parijs 1922) ; H. Liebrecht en Georges Rency,
Histoire illustrée de la littérature beige de langue fran-
$aise (Brussel 2 1931). Ulrix.
X. De Kunsten in België na 1830.
Zooals p. dr. Stubbe zeer terecht doet opmerken
„kan er al even w T einig over een Belgische kunst als
over een Belgische cultuurgemeenschap gesproken
worden. Er bestaat geen „Belgische kunst”. Er werd
tot nog toe in de kunstenaarsgroepeeringen geen onder-
scheid gemaakt tusschen Walen en Vlamingen, wat
van een bepaald standpunt uit mogelijk maakt en in
vele gevallen noodzaakt te spreken, zoo niet (als de
Officieelen) over een Belgische school (die nooit be-
staan heeft en niet bestaan kan), dan toch over een
gemeenschappelijke ontwikkeling binnen de Belgische
staatsgrenzen van de verschillende modem-Euro-
peesche kunststijlen: het Klassicisme, het Romantisme,
het Naturalisme, het Impressionisme, het Expressio-
nisme. Practisch behooren de meeste schilders van
waarde tot de Vlaamsche groep, zoodat de geschiedenis
van de Belgische schilderkunst der vorige eeuw of der
laatste jaren, in overheerschende mate de geschiedenis
w r ordt van de Vlaamsche schilderschool” (p. dr.
Siubbe: Perm ‘ke,blz. 177, Davidsfonds, Leuven 1931).
De wording der kunsten in de Vlaamsche en Waalsche
provinciën van België in de 19e eeuw kan men,
van rond het jaar 1830, als ééne poging zien om, met
eigen schakeeringen in de plastische vormgeving, te
komen tot een adequate uitdrukking van een opnieuw
tot bewustzijn gekomen nationale psyche. Het blijft
er ver van te denken, dat de kreet der nieuw T e opstandig-
heid, zooals de Romantiek hem in haar tijd waarnam,
de deur van het verleden dichtsloeg en de traditioneel
geworden neigingen eener 18e-eeuwsche weeke sierlijk-
heid en der indrukwekkende Klassicistische vormen -
gaafheid zonder meer stil legde. Hij, die getuigenis
zocht voor Rococo, Louis XVI, Empire en wat er
meer verwant is, heeft in de 19e eeuw nog ruim zijn
keus; hier zoo goed als elders.
Indien A. J. Wauters van den eersten romantischen
aanstoot eens heeft gezegd: „A Anvers elle prit le
caractère d’une protestation de 1’art national contre
1’influence étrangère . . . . ” , dan was dit nog geen
besluit op een volledige likwddatie. Vooral op het ge-
bied der bouwkunst, nijverheidskunst (en niet het minst
der meubelkunst) zullen we de traditie lang moeten
dulden. De vemiemving vermoedt men aanvankelijk
meer in bijkomstigheden dan in wezenheid der vormen.
De muziek ging onmiddellijker een eigen klank geven,
omdat de subtiele uitdrukking van klank en rhythme
gevoeliger is voor de psychische beleering dan voor de
rede. Van de plastische kunsten is de schilderkunst
de gevoeligste meter van de vlug zich opvolgende
tijdtrappen, eenerzijds omdat het penseel zich losser
voelen kan aan den methodischen schooldwang en men
anderzijds gemakkelijker schilderijen omwisselt dan
openbare gebouwen als kerken en officieele monu-
menten, pleinen, straten, ja, stoelen, tafels en binnen-
huissier van allen aard. Is het niet de tijd der „collec-
tionneurs” gew T orden? Van schilderijen kan men zich
veelvuldiger voorzien dan van beeldhouwwerk, meu-
belkunst en andere, zgn. industriecle, kunstproducten.
Het schilderij had (het w r as ten tijde van Rembrandt
reeds het geval) een financieele ruilwaarde, die in de
speculatie der 19e eeuw bovendien de rol ging spelen
van een beurseffect.
Dit neemt niet weg dat, al is de omvorming in de
453
België
454
schilderkunst het duidelijkst en het meest ondubbel-
zinnig» dezelfde geest zich openbaart in de andere
kunsten. Ook zij verraden zelfs in het meest hybridi-
sche voorkomen de richting van een geest, dié neigt
naar eigenzijn, en al wordt daaraan in vele gevallen
tegemoet gekomen met stijlvormen en stijlbijzonder-
heden uit het verleden, toch is het juist dit bewust
zich beroepen op dat verleden, wat de kunst illustratief
maakt voor den tijdsgeest.
Dit neemt ook niet weg, dat er tusschen de vele
kunstenaars de gansche eeuw door geesten blijven
loopen, die het nieuw-zoeken voorbijgaan als een onbe-
grepen iets, en bouwden, beeldhouwen, en schilderen. . . .
op het Klassicistisch model.
Men kan zeggen, dat op dit oogenblik beslist de lijn
is getrokken en ook bij de openbare meening (althans
bij die elementen, die te waardeeren weten) de stijlen
uit het verleden zijn gaan belmoren tot de Geschiedenis
en het „moderne” er het voorwerp is van vraag en aan-
bod.
Rond de dertiger jaren kan men den wekroep der
Romantiek, óók hier, duidelijk hooren. Terwijl in de
bouw’kunst en in de nijverheidskunsten de Vlaamsche
eigenheid zal staan onder de leuze der Gotiek en der
Ned. Renaissance, zal de plastische kunst zich vooral
beroepen op Rubens, Van Dijck en Jordaens.
A) In de eerste plaats de schilderkunst. Men
gelooft niet meer in van buiten opgelegde wet en
vormen; het persoonlijke, innerlijke beleven neemt
zijn eersten aanloop tegen de klassieke formule
(vooral tegen het Fransche Neo-Klassicisme en zijn
nasleep) ; de onweerstaanbare drift naar een beroep
op de heldhaftige lyriek van een nationaal verleden
wordt sterker dan liet gezag van de gave volmaakt-
heid van de klassiek -geziene vormenschoonheid; de
geschiedenis van het eigen volk gaat sterker inspireeren
dan de góden en de helden der Oudheid; de waarne-
ming van den levenden mensch en de levende dingen
gaat het winnen van de geijkte beelden van een geïde-
aliseerde overlevering. Er zijn daar in de 19e eeuw
Wappers, De Keyzer, Gallait, De Biefve, De Caisne,
Wiertz, Ferd. De Braeckeleer, Madou, J. Stallaert,
Thomas, Pauwels De Groux e.a. Zij hebben ofwal ge-
zongen met een afgeschroefd heroïsme en gezwellen
pathos, ofw’el de werkelijkheid omgezet in de melan-
cholische, ja, langoureuze noot, die den tijd sympa-
thiek was; toch waren zij getuigen van den nieuwen
tijdsgeest, die de starheid van het evenwichtige model
brak, de lijn plooide naar de golvingen eener luidruch-
tige of sentimcnteele bezieling en oog kreeg voor het
omringende leven.
Rechtstreeks beïnvloed door dezen werkelijkheidszin
staat hier de Neo-Gotieker H. Leys (1816—1869),
die eenerzijds de traditie der Romantiek voortzet in
zoover zij haar inspiratie zoekt in het roemrijke ver-
leden en anderzijds (hier ook geprikkeld door de
Duitsche Neo-Gotiek) daarvan verschilt in zoover hij
de rust der Primitieven stelt tegenover de bewogen-
heid van het Neo-Rubeniaansche rhythme.
Doch veel sterker dan deze reactie bleek de natura-
listische vemieuw'ing. Wat de Romantici poogden
zonder slagen, dat vestigden de Realisten: de bevrij-
dende breuk met het klassieke verleden. Geheel de ont-
wikkeling der 19e eeuw wordt mede gevoerd door de
expansiekracht der Fransche scholen, van het Klassi-
cisme af tot aan het Expressionisme; evenwel werd die
invloed het sterktst vanaf het Naturalisme. In deze
overhelling naar de werkelijkheid was De Groux een
baanbrekende persoonlijkheid, rond welke in de 19e
1 eeuw een heele schaar dezelfde wagen gaat: J. Stevens
Alp. Stevens, Knyff, K. Hermans, L. De Winne,
Lamorinière, L. Dubois, II. Boulanger, A. Vcrwée,
Artan, C. Meunier, X. Mellery, F. Rops, Stobbaerts,
enz.
Het werd een talrijke schildersgemeenschap, die
4e kleur zocht boven de lijn, het koloriet der werke-
lijkheid boven de afgewogen schakeeringen der cliché ’s,
de plastische tegenstelling boven de berekende over-
gangen; zij reageerde direct op de eigen waarneming.
Ook in deze lijn staat H. Leys als de persoon lijkheid,
die het hoogst gloorde. Rond en na hem komen W.
Linny, P. Van den Ouderaa, de De Vriendts e.a., doch
bijzonder H. De Brackeleer, die de verfijning der stof-
felijke weergave dreef tot een rijke picturaliteit, die
bevestigd w r erd in een rijke toekomst.
Het wardt de tijd, waarin te Brussel onder leiding
van Oct. Maus de „Cercle des XX” en de „Libre
Esthétique” (tusschen 1884 — 1914), en te Antwerpen
onder leiding van H. Van de Velde (als schilder debu-
teerend) de „Onafhankelijken” zouden worden ge-
sticht (1887). De kleur wint het over gansch de lijn.
Voor den wazenlijk-modemen artist was het academi-
sche beeld een legende geworden. Deze kunstenaars
kijken minachtend terug naar het lawaaierige pathos
der eerste Romantiekers; hen roert de melancholie niet
meer dier eerste aandacht voor mensch, dier en land-
schap; méér dan de vastomlijnde natuur in al haar
plastische facetten bij hunne onmiddellijke voorgan-
gers, is hun lief de waarneming van het subtiele licht-
spel: dat, waarin zij de duizenden deeltjes van hun
voorwerp plastisch geschakeerd zien. De lijn doemt
geheel weg in het waas van een onuitputtelijke gamma:
bij de eenen wardt het een spel, bij de anderen worden
het symbolen van geestelijke visie, die wijzen naar
een toekomst van een krachtiger synthetische uit-
drukking. Wij staan in het Impressionisme rond de
tachtiger jaren, het einde der eeuwen en de eerste
decenniën der nieuwe eeuw: de reactie op Romantisme
en Naturalisme, meer gevoed door Fransche schilders,
als Monet, Manet, Signac, Seurat e.a. Vermeld mogen
zijn uit het einde der vorige eeuw en het begin dezer
eeuw, los naast elkander, zonder te wijzen op de bij-
zondere kracht van persoonlijkheden als Ensor: Fr.
Courtens, Baertsoen, Claus, Theo Verstraeten, later
Edm. Verstraeten, E. Buysse, Gilsoul; Wijtsman,
Stevens, Van Rysselberghe, Heymans, Jefferys, Aug.
Donnay, G. Lemmen, Knopf, Gouweloos, Frcderic,
Laermans, Verhaeren, Evenepoel, R. Baeseleer, Op-
somer, Delaunois, Oleffe, J. Smits, J. Ensor, G. Van
de Woestijne, Edg. Tijdgat, De Saedeleer, Hip. Daye,
Rik Wouters, Servaes enz., die in de grootste diversi-
teit van zegging tot den impressionistischen rijkdom
van een specifiek „Vlaamsche” vruchtbaarheid, heb-
ben bijgedragen met doeken, waarvan er ontelbare be-
hooren tot blijvend kunstbezit. Velen reiken reeds
verder, en uit de laatstgenoemden zijn er die, wortelend
in het Impressionisme, den nieuw r en tijd inluiden van de
beslist-anti- Klassieke synthese, die het Expressionisme
is: Gust. De Smet, Fr. Van den Berghe, Fl. Jespers,
Gust. Van de Woestijne, Servaes, Permeke e.a. zijn
meesters, die onverdeeld representatief zijn voor herop-
levende Vlaamsche scheppingskracht en waaronder
Permeke wellicht in de reeks van de genieën komt.
B) Al gaat de beeldhouwkunst vermoedelijk
met een minder rijken stoet, ook zij is dezelfde
wegen gegaan. Zonder twijfel zijn Geefs, Simonis,
455
456
Fraikin, P. Bouré e.a. uit de eerste periode der ont-
wakende Romantiek gevangen in den academischen
greep, alhoewel ook déar een innerlijke stuwing aan de
weerspannige stof de trad it ion eele sierlijkheid wil
ontnemen en menig vrij -geboetseerd stuk de Roman-
tische noot onverholen geeft: ook op dit gebied treden
we een tijd tegemoet van Realistisch inzicht, waar
echtheid wordt gezocht in het gegeven der natuur en
bij enkelen de lust naar ongebonder schepping zich
openbaart. P. De Vigne, Ch. Van der Stappen, J.
Dillens, Th. Vin^otte, L. Mignon, G. De Vreese, P.
Braecke, Devillez, C. Montald, Wolfers, De Lalaing,
Rombaux, J. Lagae, V. Rousseau en bijzonder J.
Lambeaux en Levèque zijn de herauten der Vlaamsche
geestdrift en energie. C. Meunier neemt onder hen
een zeer bijzondere plaats in als de ontdekker der monu-
mentale schoonheid in menschen en dingen van den
harden arbeid. Hij is de nog eenigszins theatrale, doch
indrukwekkende zanger van het bewustwordende en
aan de waardeer ing zich opdringende proletariaat.
Een uitzonderlijk rijke kracht was de jong gestorven
Rik Wouters, die het leven heeft gevangen in van leven
trillende vormen, met een spontaniteit, die zijn kunst
maakt tot een artistieke klaarblijkelijkheid. Doch
hoogten der artistieke beleving en uitdrukking be-
reikt de doorzie 1de kunst van Minne.
Na Minne gaat de weg naar de Expressionistische
synthese, waar zich naast en na E. Wijnants, Cantré,
O. Jespers, Aubroek enz. langs vele zijden initiatieven
laten vermoeden, die wijzen naar de hoogten, waar de
Belg. schilders vertoeven.
C) Uit den aard der zaak is do weg der vernieuwing
naar het eigene, het moeilijkst te volgen in de bou w-
kunst. Al zal men hier en ginds wijzen op onbetwist-
bare monumentaliteit zooals een Brusselsch Gerechts-
hof (1866 — ’83) van Poelaert. toch blijkt de eeuw veel-
eer geschiedkundig dan esthetisch belangwekkend. De
traditioneel-Klassicistische, Neo-Renaissancistische,
Barokdoende en Neo-Gotische gebouwen vormen, van
aesthetisch standpunt beschouwd, veeleer een chao-
tisch beeld. Onder de vele namen, die aan verscheidene
stijlmanieren, ’t zij aan elk in het bijzonder, ’t zij aan
alle tegelijk zijn verbonden, mogen hier vermeld zijn:
J. De Bethune (abdij Maredsous 1872 — ’88, kasteel
Lophem), Van Overstraeten (Stc. Marie te Schaerbeek
1845), J. Coppens (Noordstatie te Brussel 1840); Cluy-
seneer (Galerie St. Hubert 1843); Poelaert (zie boven),
Beyaert (Nation. Bank Brussel 1830), Trappeniers
(Universiteit Brussel 1863), J. Van Ysendijck (Raads-
huis Schaerbeek 1885), J. Baes (Vlaamsche Schouw-
burg Brussel), Blomme (Raadhuis Borgerhout 1889);
Delascenserie (Middenstatie Antwerpen); Helleputte
(Leo XIII Instituut Leuven); J. Schadde; Van Aver-
beeck; Vaerwijck; Coomans, Cloquet, Jamai; Suys en
Van Dijck.
De Neo-Renaissancistische (o.m. Van Ysendijck,
Blomme, Beyaert) en de Neo-Gotische proeven (o.m.
De Bethune, Helleputte, Delacenserie) zijn, ook al
kunnen zij onze aesthetische aandacht niet meer gaande
houden, toch niet zonder historisch belang. Beide
neigingen getuigden, althans in zoover, van het herleef-
de nationale bewustzijn, dat zij deden grijpen naar
Nationale vormen en uit liefde voor echtheid en
degelijkheid den rug keerden naar het Klassicistisch
cliché, om in de leer te gaan bij de monumenten uit
een ver verleden, die getuigden van het degelijk am-
bacht en den eerbied voor de expressieve eigenschap-
pen van eigen bouwstof. Op dit stuk was men in B.
één met geheel het Germaansche Europa van dat tijd-
vak. De stelselmatige opleiding van een nieuw ge-
slacht van nationale bouwkundigen en ontwerpers
voor nijverheidskunst werd (door J. De Bethune en
broeder De Mares) gegrondvest op de programmaleer
der St. Lucasschool, die in deze periode w^erd gesticht.
Deze school, die heden ook de moderne richting uit-
gaat, is de bewaarster van het toenmalige nationaal
charter der vernieuwing en de pionierster voor het
herstel der Christelijke kunst. Dat zij wel eens met den
„geest” van het nationaal verleden ook het „beeld
uit dat verleden als „het” model van heden en toekomst
heeft voorgelegd, is de oorzaak geweest, dat in den
modernen opgang de critiek haar niet spaarde en wel
eens de omstandigheden vergat, waarin zij ontstond.
Want dit alles was, evenals in andere Germaansche
landen, slechts een worstelen tot een beslissend oogen-
blik, w’aar de lang ontwaakte geest, door de nationaal-
historische vormen heen, zich tooien zou met een
wezen lijk -nieuwen modernen vorm. Dat is het einde
der eeuw. Op grond van werkelijkheidszin zal hier
schoonheid werden gezocht in doelmatige vormen, die
zich aanpassen bij het gebruik. De uit werkelijke
noodzaak ontsproten redelijke vorm zal zegevieren
over de vrije vormen -verbeeld ing en over de sier.
Vormen-a-priori worden uit het vocabularium verban-
nen. Het w r ordt een wedijver in het ontwerpen van doel-
bewuste interieurs en daaruit groeiende w’oningvormen.
De banen worden gebroken, vooral door het drietal
Horta (Gent), Hankar (Luik) en H. Van de Velde
(Antwerpen). Vooral zal H. Van de \elde de paeda-
goog en de apostel zijn. Uit Vlaanderen weggeroepen
naar Duitschland, alw’aar hij de ziel werd der vernieu-
wing, is hij aldaar gezaghebber geworden ook voor zijn
eigen land, zoodat hij op dit oogenblik in \laandcren
bouwt in het genot van de volledige erkenning van
zijn leiderschap. Intusschen wint de doorgedreven
zakelijkheid het meer en meer van de decoratieve
noot, die de eeuw r en door als een natuurlijke klank
bleef klinken. Onder de modernen: Acke, Pompe,
Leurs e.a. zijn het vooral wellicht Huib. Hoste en
Bourgeois, van wie dit geldt.
I>) Een met de omringende kunsten, doch het
duidelijkst in verband met de bouwkunst, is het ver-
loop gew T eest der nijverheidskunst over het alge-
meen. De Fransche koningsstijlvormen tot en met het
Klassicisme leven de gansche 19e eeuw door in meubel
en sier. Doch intusschen wrordt ook hier, op grond van
nationale pretenties, bewust teruggegrepen naar Neo-
Gotische, Neo-Renaissancistische en niet het minst
naar Neo -Barok vormen. Terwijl de academie haar leer
gevestigd hield op de Klassieke gedachte, verkondig-
den scholen, als S. Lucas, naast de Christelijke kunst-
beginselen, de nationale leer op grond der Nederland-
sche stijlvormen uit het verleden.
De wezenlijke doorbraak, de wezenlijke nieuwe
vorm ontstaat hier evenals in de bouwkunst, op het
einde der eeuw met Horta, Hankar, Serruricr en Van
deVelde. Zij allen, uitgaande van de gebruiksgedachte,
bouw T envan binnen naar buiten en voelen de nood-
zaak om, met het oog op de orde en de hiërarchie in de
bouwbestanddeelen, ook de ontwerpen te scheppen
voor meubel en sier. In dit opzicht is H. Van de Velde
weer een der veelzijdigste kunstenaars geweest, die
zijn scheppende verbeelding getoetst heeft aan elk
gebruiksvoorwerp, aan alle toebehoorselen van het
practische leven, aan elk onderdeel van zgn. aange-
paste kunst.
457
België
458
Als besluit zouden we kunnen toevoegen, dat alle
kunsten eensgezind den weg zijn gegaan der nationale
herleving tot op de hoogte van het medezeggenschap
in het moderne Europa. Ook de muziek. Mét de schil-
derkunst immers heeft zij het felst de scheppende
fantasie geïllustreerd met literatuur, die blijven zal.
v. d. Mueren.
Voor nieuwere kunst zoeke men ook bij > Vlaam-
sche en > Waalsche kunst, en voor oudere kunst
onder > Nederlandsche kunst.
F.) De Muziek sedert 1830.
Muziekonderwijs. Voor 1830 bestond
slechts één muziekschool' van eenig belang: Brussel
(1813), met als bestuurder K. L. J. Hanssens (1777 —
1852), die in 1830 vervangen werd door F. Fétis
(1784 — 1871). De school werd Conservatorium in
1832. Andere conservatoria kwamen tot stand te
Gent, Luik en Antwerpen, muziekacademiën te
Brugge, Mechelen, Leuven, Namen, Charleroi, Bergen,
Verviers, alsook talrijke muziekscholen in de meeste
steden van eenig belang.
Componisten. De opvolgers van Fétis te
Brussel waren A. Gevaert, E. Tinei, L. Dubois en
J. Jongen. Tot de Brusselsche invloedssfeer behooren:
G. Iluberti, P. Gilson, A. De Boeck, W. De Mol.
Vlaamsche componisten vóór 1870: Hanssens vader
en zoon, Joz. Mengal, Alb. Grisar, K. Miry, enz.
Na 1870: de vier eerste bestuurders van het Kon. VI.
Conservatorium te Antwerpen: Peter Benoit, J. Blockx.
Em. Wambach, L. Mortelmans; verder Fr. Van der
Stucken, E. Keurvels, J. Schrey, Fl. Alpaerts, E. Ver-
heyden, J. Van Hoof, K. Candael, L. De Vocht,
E. Brengier, allen van de Antwerpsche school. Te
Gent: Mengal, Ad. Samuël, Em. Mathieu en M. Luns-
sens. In de Gentsche kunstsfeer behooren o.m. J. Van
den Eeden, Fl. Van Duyse, II. Waelput, K. Mestdagh,
P. Lebrun, O. Roels, J. Van der Meulen, Fr. Uytten-
hoven, Em. Hullebroeck, R. Herberigs. Een afzonder-
lijke en voorname plaats bekleeden: J. Rye landt,
A. Meulemans, M. Schoemaker. Zie verder > Vlaam-
sche componisten (nieuwere).
Veel minder talrijk zijn de Waalsche componisten,
welke ook niet moeten beschouwd worden als behoorend
tot een afzonderlijke school. Zij staan meestal onder
den invloed van Franck en van de Parijsche Schola
Cantorum. Te vermelden zijn: Th. Radoux, S. Dupuis,
F. Rasse, alle drie bestuurders van het Luiksch Con-
servatorium; E. Raway, N. Daneau, G. Lekeu, Jos.
Jongen, V. Vreuls, Alb. Dupuis, A. Marsick, Ch. Ra-
doux, L. Delune, L. Jongen, R. Barbier, F. Quinet,
A. Souris. Zie verder -> Waalsche componisten
(nieuwere).
Virtuozen: H. Vieuxtemps, E. Ysaye,
C. Thomson, violisten; A. Van Dooren, A. De Greef,
pianisten; J. Lemmens, A. Mailly, organisten.
Kerkelijke muziekkunst. Een bijzon-
der groote invioed op het gebied der kerkelijke muziek-
kunst gaat uit van de Bisschoppelijke Kerkmuziek-
school (Lem mensgesticht) te Mechelen, vroeger
bestuurd door J. Lemraens, E. Tinei en Al. Desmedt,
thans onder leiding van kan. J. Van Nuffel. Zijn te
vermelden de componisten van godsdienstige muziek:
kan. Van Damme, O. Depuydt, Aloïs en Alf. Desmedt.
O. Van Durme, L. Dethier. de drie gebroeders Mawet,
kan. Joachim, A. Moortgat, St. Nees, Fl. Peeters.
P. Plum O.S.B., Dom Kreps O.S.B., P. Didacus
Van Geyseghem, kan. F. Verhelst, A. Verhoeven, enz.
Zie verder > Kerkmuziek (nieuwere Belgische).
Koren. Groote mannenkoren bloeien vooral in
het Waalsche gedeelte van het land: te Luik: de
„Legia”, de „Disciples de Gretry”, te Namen: „Les
Bardes de la Meuse”. De collectieve zangkunst wordt
minder beoefend in het Vlaamsche land. Bijzondere
vermelding verdient echter het gemengd „Caecilia-
koor” te Antwerpen. Uitstekende kerkkoren zijn die
van St. Rombouts te Mechelen, van O. L. Vrouw te
Antwerpen, van St. Bavo te Gent en van de kathe-
draal van Doornik.
Concertwezen. Bloeit vooral in de groote
steden: de conservatoria hebben meestal een eigen
concertinrichting, welke jaarlijks eenige groote
symphonische concerten verzorgt. Te Brussel arbeiden
daarenboven: de „Société Philharmonique”, de
Defauwconcerten, de Geestelijke concerten, alsook de
instelling der Brusselsche Schola Cantorum, welke
vulgariseerend optreedt door gansch het land, vooral
met 16e-eeuwsche koorwerken (bestuurder E. Van de
Velde); te Antwerpen: de Dieren tuinconcerten, het
Peter Benoitfonds, en de Mij. der Nieuwe Concerten
(leider L. De Vocht).
Te Brussel wordt de muzikale bedrijvigheid vooral
geconcentreerd in het Paleis voor Schoone Kun te i en
in de conservatoriumzaal. Gedurende het zomerseizoen
worden zeer bezochte concerten gegeven in de kursaal
van Ostende en in de casino’s van Knocke a/Z en Spa.
Lyrisch Tooncel. Het lyrisch tooneel
wordt beoefend in den Muntschouwburg te Brussel
en in de Kon. VI. Opera te Antwerpen. Ook te Gent en
te Luik worden min of meer regelmatig Fransche
opera vertoon ingen gegeven.
Beiaard. Het beiaardspel wordt na lange
jaren verwaarloozing thans weder in eer hersteld. Er
bestaat een beiaardschool te Mechelen (bestuurder:
J. Denijn). Bekende beiaarden o.m. te Mechelen,
Antwerpen, Brugge, Gent, Oudenaarde, Turnhout,
St. Niklaas, Leuven, Nijvel, Bergen, Luik.
Befaamde orkestleiders: Jos.
Dupont, S. Dupuis, Fr. Rasse, Toussaint De Sutter,
Desiré Defauw, Karei Candael, Lod. De Vocht,
Fl. Alpaerts.
Musicologie, musea, enz. Belangrijk
werk in het domein der musicologie leverden: E. Van
der Straeten, L. de Burbure, Van Maldeghem, Fétis,
Gevaert, A. Wotquenne, Ch. Van den Borren, FL Van
der Mueren, enz.
Het conservatorium te Brussel bezit, benevens een
tamelijk rijke bibliotheek, ook een zeer uitgebreid
museum van oude muziekinstrumenten (conservator:
E. Closscn). E. V. d Velde .
F) De IheaterkunRl in B. lijkt een hoofd met drie
gezichten. 1° Het F ranse h - Belgische
was steeds naar Frankrijk gekeerd. Van Ed. Smits,
„Créateur de 1’art dramatique en Belgique”, af, via
het historisch drama 1835— ’80 (Ed. Wacken) tot en
met het moderne ideeëntheater (Edm. Picard), de
zedenschets (Fonson-Wicheler), de boulevard -comedie
(Fr. de Croisset) en de molièreske klucht (F. Cromme-
lijnck), ging het Fr.-Belg. theater haast uitsluitend
te Parijs om voorlichting. De modernist M. de Glielde-
rode stak er zijn licht niet op en moest langs vertalin-
gen zijn publiek in VI. zoeken. Aan de Zuid-oriëntee-
ring dankt het Fr.-Belg. theater zijn Europeesche
allures. Het heeft B. een internationalen tooncel-
auteur bezorgd, M. Maeterlinck, karakteristiek ver-
tegenwoordiger van het muzikaal, symbolisch tooneel
van het einde der 19e eeuw.
459
België
460
2° Het Waahche stond er van meet af aan
op eigen wezenstrekken te hebben „et de cónserver
dans Tart 1’esprit de chez nous, 1’esprit de terroir”.
Een galerij van Waalsche, romantisch gekleurde,
zedelijk onberispelijke interieurs, zonder merkbare
evolutie. Hier tegen reageert heden de vooraan-
staande dramatist H. Hurard met psycho-analytische
tooneelstudies è la Bernstein.
3° Een echt Vlaamsch tooneel bestond van
1830 tot ca. 1880 niet, wél een naar het Fransch
„vervlaamscht”. Meest hol, karakterloos en gebrekkig
bewoorde, mede ontooneelmatig gebouwde stukken,
incluis die van den voorlooper van artistiek bewuster
tooneelschepping, den romantischen realist N. DeTière,
den dramatischen opzet van diens werken niet te
na gesproken. Pas in de 20e eeuw wordt, na een paar
litteraire, lyrische proeven aan het einde van de 19e
eeuw (Rodenbach’s Gudrun en Hegenscheidt’s Star-
kadd), in versneld tempo de achterstand ingehaald.
Keek VI. in de eerste decenniën van België’s onaf-
hankelijkheid meer naar Frankrijk en in de laatste
jaren der 19e eeuw weer naar Duitschland, nu gaat het
aanvankelijk in Holland ter schole. Het leert een
soepelen en keurigen dialoog schrijven, waagt zich
aan de tranche de vie, spiegel van het modern leven,
het intiem huiselijke en het maatschappelijke: cynisch-
amoreel (E. W. Schmidt), sociaal-materialistisch
(C. Buysse), sociaal-ideologisch en religieus-idealis-
tisch (D. van Sina). Het specialiseert zich in het ver-
fijnde handiger gebouwde oude behaagzieke episode-
spel (J. Ballings). Geestdriftig doet het mee met het
Russisch-Duitsch experiment op stuk van synthetisch-
expressionistische gemeenschapskunst (baanbreker
H. Teirlinck), met dubbel contactpunt: het religieuze
(pater J. Boon), het VI. Nationale (Ant. Van de Velde).
Een specifiek dramatisch-tooneelkundig schrijver
vermocht B. intusschen nog niet te schenken; wel een
tooneelleider, grondlegger van zijn hoogere theater-
kunst, herschepper van den Kon. drakenburg te
Antwerpen tot een kunsttempel met homogenen
speeltroep, den eersten van het land, evenknie van
huidige uitheemsche officieele troepen (dr. Osc. de
Gruyter); en een reizend gezelschap (Het VI. Volks-
tooneel, regie J. De Meester Jr. 1924— ’30), mede-
kampioen om de autonomie van het theater, gezant
van artistiek België in den vreemde, prikkel en leider
van een alhier nooit gekende tooneelherleving, vooral
van het (Katholiek ) dilettantentoonccl.
Van het theaterkundig België blijkt de VI. facette
over de voorbije honderd jaar de verdienstelijkste
en merkwaardigste. Het Fr. -Belg. theater groeide,
met zijn vrij ontwikkeld publiek, normaal op naar
het grillige rhythme van den tijd (centrum Brussel;
hoogte punt: Th. Du Marais, regie Delacre 1925).
Het W. (centrum Luik) bleef uit hoofde van zijn be-
houdsgezindheid daaromtrent zijn vroeger uitzicht
vertoonen. Zijn publiek (arbeiders en middenstand)
heeft in de tooneelzaal weinig geleerd, het is heden
even bon -enfant als voorheen, onvoorwaardelijk
dankbaar en geestdriftig gestemd vóór elke „ Waal-
sche’' prestatie. Zijn acteurs, hoofdzakelijk aangewezen
of gelijkaardenüe en oppervlakkige producten, werk-
ten zich op tot voortreffelijke mimen.
Het VI. theater heeft over hinderpalen van politie-
ken, godsdienstigen, taalkundigen en cultureelen aard
heen den mocilijksten tocht afgelegd. Dat het heden
door andere kunsttakken wordt verdrongen, maakt
zijn bewezen diensten niet ongedaan. Nog gaat het
VI. publiek naar een vertooning als naar een familie-
feest, het neemt zich echter in acht. De opvoering
heeft niet meer plaats in de gelagkamer van een
herberg, maar in een vaak doelmatig ingcrichte
tooneelzaal en het publiek voelt, dat „noten kraken ,
te pas en te onpas lachen en huilen er niet meer bij
hooren. Nog houdt het van een hartroerend gebeuren,
maar het onderscheidt reeds valsch pathos van oprechte
bezieling. Het oudere succesprocédé: lawaaierig uit-
galmen en wild gesticuleeren neemt het niet langer
ernstig op; het heeft leeren bewonderen het lenig
en expressief maar beheerscht mimisch spel van
getrainde acteurs, hun geoefende stem en verzorgde
dictie; en het beluistert met toenemende fierheid hun
mooie, beschaafde uitspraak van de geliefde moeder-
taal. Godelaine.
XI. Onderwijs in België.
A) Onderwijs van den lageren graad. 1° Eigenlijk
lager onderwijs, a) Lagere scholen. De kinde-
ren komen er binnen van af 6 jaar en maken er 8 school-
jaren door. De ouders mogen hun kinderen laten onder-
wijzen in een openbare of bijzondere lagere of middel-
bare school of aan huis. Er moet in principe minstens
een gemeenteschool bestaan in elke gemeente; de
gemeenten kunnen evenwel van deze verplichting
ontslagen worden door een of metr bijzondere scholen
aan te nemen (aangenomen scholen). Door de aan-
neming vallen de bezoldiging van het onderwijzend
personeel alsook de onkosten der schoolbehoeften ten
laste van de openbare besturen. Benevens boven-
genoemde scholen bestaan er nog aanneembare scholen,
die onafhankelijk zijn van het gemeentebestuur en
rechtstreeks door het rijk gesubsidieerd worden. Verder
heeft men nog gansch vrije inrichtingen, die aan geen
staatstoezicht onderworpen zijn. Bijna al de aange-
nomen, aanneembare en vrije scholen zijn door Katho-
liek initiatief opgericht en beheerd.
Er waren in 1930: 946 752 schoolplichtige leer-
lingen (11.), waarvan 846 560 onder staatstoezicht
(dus ca. 100 000 vrije 11.). Gemeentescholen 5 123;
onderwijzers(essen) 17 796; 11. 446 189. Aangen. sch.
2 040; ond. 9 030; 11. 269 656. Aanneemb. sch. 1 341;
ond. 5 977; 11. 155 327.
In Vlaanderen zijn de aangenomen scholen talrijker
dan de gemeentelijke. De gemeentelijke zijn meeren -
deels uit jongens samengesteld; de andere tellen een
overwegend deel meisjes. Van de 8 452 scholen zijn
er 8 210, die godsdienst geven en van de 835 347 leer-
lingen volgen er 750 629 de godsdienstlessen. Dit
onderwijs wordt geïnspecteerd door bisschoppelijke
opzieners, die door het rijk bezoldigd zijn. De profane
vakken staan onder toezicht van kantonale en van
hoofdinspecteurs. Deze leiden de bestuurlijke en ge-
meentelijke conferentiën, terwijl die van het vrij onder-
wijs door de diocesane inspecteurs voorgezeten worden.
De leerlingen van het achtste jaar kunnen deelnemen
aan het examen van den vierden graad.
b) B e w a a r s c h o 1 e n. Zij hebben kinderen
van 3 tot 6 jaar en geven zintuigelijke opvoeding en
voorbereiding tot de lagere school. De onderwijzeressen
moeten een speciaal diploma hebben. Gemeentel,
bewaarsch. 1 424; 11. 76 940. Aangen. b. 1 272;
11. 99 103. Aanneemb. b. 1 232; 11. 72 893.
Onder de 3 543 bewaarsch. zijn er 3 901 gemengde
voor jongens en meisjes. De Belg. bewaarscholen
staan op een zeer hoog peil door hun adaptatie aan de
moderne leerwijzen als die van Montessori en Decroly.
c) Scholen voor volwassenen. Zij
461
België
462
zijn bestemd voor al degenen, die hun kennis van de
lagere school wenschen te onderhouden. Hun aantal
is zeer afgenomen, vooral sinds het lager onderwijs
hier zulken vooruitgang gemaakt heeft. Gemeentelijk:
1161 scholen; 11. 28 914. Aangen. 55; 11. 3171.
Aanneemb. 233; 11. 8 884.
d) Uitgaven. De onderwijzers en onderwijze-
ressen hebben een basisjaanvedde van 13 000 tot
26 000 frs. klimmende door geleidelijke verhoogingen.
De kloosterlingen krijgen de helft. In 1929 kregen:
de gemeentescholen: 477 178 933 frs., de aangen.
scholen 168 570 830 frs., de aanneemb. sch.
113 463 631 frs., de bewaarscholen 96 084 511 frs.
'I otale onkosten voor het lager onderwijs: 909 351 031
frs. Daarvan w r erd door de gemeenten betaald 226
millioen, door de provincies 12 millioen, door het rijk
671 millioen francs.
e) Fonds van de meestbegaafden.
Gemeenten met minstens 20 000 zielen zijn gemachtigd
om gemeentelijke fondsen van meestbegaafden in te
richten; de andere gemeenten zijn aangesloten aan
arrondissementsbonden. Die fondsen hebben als doel
aan bijzonder begaafde en minvermogende kinderen
de middelen te verschaffen om na de lagere school hun
studies voort te zetten. De beursaanvragen worden
onderzocht door een sch iftings commissie. In 1930
werden verleend: voor normaal onderwijs 1 020 beur-
zen met 1 322 147 frs., voor middelb. normaalsch. 78
beurzen met 122 475 frs., voor middelb. lageren graad
931 beurzen met 805 797 frs., voor middelb. hoogeren
graad 657 beurzen met 1 832 805 frs. Op de 4 545
beurzen waren er 2 602 voor bijzondere scholen en
1 943 voor openbare scholen.
2° Lagere cursussen in het middelbaar onderwijs.
Waar het noodig blijkt, bezitten de middelbare scholen
een voorbereidende lagere afdeel ing. Aantal 11.:
jongens 14 384; meisjes 7 198. Totaal 21 582.
3° Nnrmaalonderwijs. Het normaalonderwijs omvat
inrichtingen, belast met de opleiding: a) der onder-
wijzers en onderwijzeressen (lager normaalonderwijs) ;
b) der geaggregeerde leeraren van het middelbaar
onderwijs van den lageren graad (middelbaar normaal-
onderwijs).
De lagere normaalstudiën omvatten één jaar voor-
bereidend en vier normaaljaren. Het derde jaar
staat ongeveer op de hoogte van het laatste jaar
atheneumonderwijs, doch Latijn en Grieksch zijn ver-
vangen door technische schoolvorming, die grooten-
deels uit practijk in de oefenschool bestaat. Voor elk
der bijzondere vakken is er een geëigend staats-
opziener aangeduid. Men onderscheidt:
a) Rijksnormaalscholen: voor jongens 9 met 521 11.,
voor meisjes 7 met 644 11.
b) Gemeentelijke: voor jongens 3, voor meisjes 4.
c) Private: voor jongens 17, voor meisjes 36.
De onder b) en c) genoemde scholen in totaal met
•2 587 mannel. 11. en 4 288 vr. 11.
Salaris leeraar aan de rijksnormaalsch. van 21 000
tot 47 000 frs. ; leeraar aan de aangenomen normaalsch.
salaris van gewoon onderwijzer.
Om normaalschoolleeraar te w r orden, moet men aan
de volgende voorwaarden voldoen: acte regent, of
een universitaire titel van candidatuur of doctor of
licentiaat in opvoedkunde, of diploma hoogere stu-
diën in opvoedkunde. Daarbij moet men nog een spe-
ciaal examen voor normaalschoolleeraar afleggen.
Voor de speciale vakken voldoet de laatste acte.
Do middelbare normaalscholen
bevatten 3 studiejaren (w r aarvan één voorbereidend),
die aansluiten aan de humaniteiten en aan de normaal-
scholen; zij hebben een wetenschappelijke, een Ger-
maansche en een letterkundige sectie. De leerlingen
leggen hun examen af voor een bijzondere jury,
w r aarin de rijksafgevaardigden een groot aandeel
hebben.
Sedert enkele jaren bestaan er ook Hoogere insti-
tuten voor Opvoedkunde aan de universiteit te Leuven,
Gent en Luik en vrije Katholieke Hoogere Instituten
van dr. De Hovre te Gent, Brussel, Antwerpen. Deze
laatste mogen geen academische graden meer geven,
maar wel wettelijke diploma’s van hoogere studiën
in de opvoedkunde.
B) Middelbaar onderwijs. Dit omvat twee graden:
a) den hoogeren graad in de koninklijke
atheneums, de atheneumafdeelingen verbonden aan
sommige rijksmiddelbare scholen, de gemeentelijke,
de gepatroneerde, de vrije, de provinciale colleges en
de lycea voor meisjes. Daaronder zijn er met oude
humaniteiten en andere met moderne humaniteiten
met 6 jaar studie.
Oude humaniteiten der Kath. vrije colleges in 1391:
15 998 jongens, 1 146 meisjes.
Moderne humaniteiten: 8 115 jongens, 867 meisjes.
Rijksgestichten: 11 699 leerlingen.
Zooals uit de cijfers blijkt, is het hooger middel-
baar onderwijs hoofdzakelijk in handen van Katho-
lieken.
b) Den lageren graad in de rijksmiddelbare
scholen, gemeentelijke, gepatroneerde en vrije middel-
bare scholen.
Kath. middelb. onderwijs in 1932 aangesloten aan
federatie. Jongens voorber. 17 216; zevende 5 167;
oude hum. 15 998; mod. hum. 8 115. Meisjes voorber.
2 346; zevende 271; oude hum. 1 146; mod. hum. 867.
Jongens handelsafd. 1 619; landb. 409; bijz. curs. 254;
andere secties 213. Meisjes handelsafd. 121; landb. 87;
andere secties 198. Totaal jongens 49 012, meisjes
5 916.
C) Hooger onderwijs. Er bestaan twee Rijks-
universiteiten: Gent, Luik; twee vrije universiteiten:
Brussel, Leuven (Kath.). De wet van 5 Juli 1920 gaf
aan beide laatste de rechtspersoonlijkheid en de wet
van 31 Juli 1923 heeft het gebruik van de talen aan
de universiteit te Gent geregeld (vervlaamsching).
Sindsdien heeft Leuven ook geleidelijk zijn cursussen
in het Nederlandsch ontdubbeld.
Gent (1930) 1 690 studenten; Luik 2 469 st. ; Brussel
2 242 st.; Leuven 3 963 st. Totaal 10 364, waaronder
2 423 vreemde en 1 098 vrouwelijke studenten.
Daarbij geven ook hooger onderwijs:
Instituut St. Louis, Brussel (Wijsbegeerte en lett.):
208 st.; N. Dame de la Paix, Namen, 204 st.; Hoogere
handelsscholen en H. techn. scholen 5 524 st. ; Veeartse-
nijschool 98 st.; Koloniale Hoogeschool 66 st.; Staats-
landbouwdioogesehool 162 st.; Militaire school 284 st.;
Krijgsschool 53.
De volgende graden kunnen worden verleend door
de vier universiteiten:
1° van licentiaat of geaggregeerde van het middel-
baar onderwijs van den hoogeren graad voor geschiede-
nis, philologie, scheikunde, wdskunde of natuurweten-
schappen (4 jaar); 2° van doctor in de rechten (5 jaar);
3° van licentiaat in het notariaat (4 j.); 4° van doctor
in de genees-, heel- en verloskunde (7 j.); 5° van licen-
tiaat. in de tandheelk. w r etensch. (5 j.); 6° van apothe-
ker (5 j.); 7° van burgerlijk ingenieur (5 j.).
463
België
464
Voor een betrekking bij het hooger onderwijs van
den staat wordt vereischt de graad van: 8° doctor in
de letteren en wijsbegeerte of 9° doctor in de weten-
schappen (beide een jaar na het licentiaat); 10° geaggre-
geerde van het hooger onderwijs (twee jaar na het doc-
toraat of na de studie voor apotheker, ingenieur,
licentiaat in het notariaat of de tandheelkundige
wetenschappen).
De universiteiten kunnen ook zgn. wetenschappe-
lijke diploma’s uitreiken, die geen wettelijk omschre-
ven gevols: hebben, maar feitelijk hun bezitter in een
bevoorrechte positie brengen. Zoo inzake handels-
wetenschappen, economie, kunstgeschiedenis enz. :
bovendien kunnen diploma’s, die met de wettelijke
overeenstemmen, als bekwaamheidsbewijzen uitgereikt
worden, inzonderheid aan vreemdelingen.
Philosophisch en theologisch
onderwijs wordt, behalve aan de universitciten, ook
gegeven aan de seminaries en aan de opleidingsinsti-
tuten der religieuze orden en congregaties, liet aarts-
bisdom Mechelen heeft zijn klein- en groot-seminarie
te Mechelen; het bisdom Brugge zijn klein-seminarie
te Rooselare, zijn groot-seminarie te Brugge: het
bisdom Gent zijn klein-seminarie te St. Niklaas,
zijn groot-seminarie te Gent, het bisdom Doornik zijn
kie in -seminar ie te Bonne-Espi'rance, zijn groot-
seminarie te Doornik, het bisdom Luik zijn klein-
seminarie te St. Truiden, zijn groot-seminarie te Luik,
het bisdom Namen zijn klein-seminarie te Floreffe,
zijn groot-seminarie te Namen.
Aan de vier universiteiten werden uitgereikt de
diploma's van:
doctor geneesk. 233; dr. rechten 229; candidaat-
notaris 72; dr. wijsb. en lett. 73; dr. wis- en natuurk.
30 ; dr. natuurwotensch. 30 ; apotheker 74 ; ingen.
burger!, mijnb. 84: ingen. burg. bouwk. 24. Totaal 849.
I)) Speciaal onderwijs. V Vak-, handels- en
nijverheidsonderwijs. Er bestaat tot hiertoe nog geen
wet op het vak- en nijverheidsonderwijs. Alle initiatief
is overgelaten aan provincie- en gemeentebesturen en
aan de particulieren. De staat verschaft geldelijke
hulp en raad. Men is nochtans bezig een wettelijk
statuut op te maken.
Het hooger handels- en nijverheidsonderwijs w’ordt
gegeven o.a. in: de Mijnbouwschool en Polytechnische
faculteit te Bergen, de Brouwerij- en Stokerijschool te
Gent, de Iloogcre Weefschool te Verviers, de Hoogcre
Handelscholen te Antwerpen, Gent, Brussel, Luik,
Leuven, Bergen. MarlanwM lz. Daarenboven heeft men
nog technische en handelsscholen, verbonden aan de
universiteiten.
Het vakonderwijs in de zeevaart wordt gegeven in de
Rijkszeevaartscholen te Ostende en te Antwerpen.
Hooger onderwijs: 24 scholen, 539 leeraren, 5 714 11.
Handelsonderwijs: 72 sch., 600 leeraren. 16 680 11.
Nijverheidsonderwijs: 143 scholen, 1 763 leeraren,
28 938 11.
Vakonderwijs: 591 sch., 4 746 leeraren 69 241 11.
Teekenonderwijs: 88 sch., 372 leeraren, 6 615 11.
Huishoudondcrwijs: 245 sch.. 599 leeraren, 8 896 11.
Tezamen: 1 163 scholen, 8619 leeraren, 138 622 11..
waaronder 49 973 meisjes.
Onder de 1 163 inrichtingen zijn er 763 bijzondere,
met 86 041 leerlingen. De openbare hebben 400 inrich-
tingen met 62 681 leerlingen.
Subsidiën: staat: 52 350000 frs. (52,3%), provincies:
32 115 000 frs. (32,1%), gemeenten: 15 665 000 frs.
(15,C%).
Er w erd 66 000 000 frs. verleend aan de bijzondere
inrichtingen en 35 000 000 frs. aan de openbare.
a) Hooger vakonderwijs. De h o o g e r e
handelsscholen bereiden de jongelingen na
volledige middelb. studiën voor tot de leidende
ambten in nijverheid, handel en bankwezen en tot
consulaire en koloniale loopbanen.
De kunstnijverheidsscholen vormen
bedrijfsleiders, diensthoofden. Na 3 — 4 jaar bekomen
zij het diploma van technisch adviseur (bruggenbouw,
getimmerten, spoorwagens, motors, electr. materiaal,
enz.). # , ,
Hoogere nijverheidsscholen vor-
men geschoold personeel, waaruit wcrkopzichters,
werkleiders, hoofdmouteerders, bureelhootden. enz.
zullen genomen worden. 3 — 4 studiejaren (fabrieks-
nijverheid, burgerlijke gehouwen, ijzerindustrie,
scheepsbouw, weefnijverheid).
Hoogere bouwkundige scholen
vormen bouwkundige technici.
b) Hel handelsonderwijs. Behalve de hoogere
handelsscholen bestaan er handelsberoepsscholen en
leergangen van handelswetenschappen en van taal-
kennis: vorming tot steno-typist, boekhouder, corres-
pondent in vreemde talen, handelsvertegenwoordiger.
Er zijn drie graden: aanvankelijke, middelbare en
hoogere graad, elk met twee jaar studie.
c*) Het nijverheidsonderwijs. l c Nijverheidsscholen
van den middelbaren graad: nagenoeg uitsluitend
theoretisch onderwijs, met verstandelijke en zedelijke
ontwikkeling. De lessen worden meest ’s avonds n
's Zondags gegeven aan arbeiders. Twee jaar algerneene
vorming en twee jaar aanpassing aan de s'rceknijver-
heid.
2° Lagere nijverheidsscholen.
<l) Onderwijs in nijverheids- en beroepsteckenen,
ook meest ’s avonds en ’s Zondags gegeven.
c) Het beroepsonderwijs. 1° Voo? jongens:
«lezen leeren een vak aan. Vele gebruiken het halve-
dag-stelsel: de helft theoretische en vormende lessen
en de helft vakpractijk. Er bestaan ook avond-beroeps-
scholen en leergangen.
In leerwerkhuizen kunnen de jongens onder verant-
woordelijkheid van hun patroon hun vak aanlecren.
Dezen w r ordcn gesubsidieerd als ze aan de vercischten
van opleiding voldoen.
2° V o o i in o i s j e s : het linnennaaien, kleer-
maken, de mode, het corset, de kunstbloemen, be-
roepsteekenen, de toegepaste kunsten; daarbij boek-
houden, opleiding voor sten o -typ is te, secretaresse.
f) Huishoudkundig onderwijs gegeven in huis-
houdscholen en -klassen: er zijn er 1 200 met 140 000
leerlingen. Zij ontvangen meer dan 100 millioen frs.
toelagen per jaar.
Onder de tcekenscholen hebben de Sint-Lucasscholen
een hoogen naam (Gent, Brussel, Doornik).
2° Landbouwonderwijs, liet landbouw-, land-
bouwhuishoud-, tuinbouw- en veeartsen ij -onderwijs
wordt gegeven: a) in de staatsinrichtingen: de land-
bouwhoogescholen te Gent on te Gembloers, de vee-
artsenijschool te Curegem, het Hooger Normaal-
instituut voor Landbouwhuishoudkunde te Laken,
de Middelb. Landbouwschool te Hoei, de tuinbouw-
scholen te Gent en te Vilvoorde, b) In de door de
provincies en de gemeenten of door het particulier
initiatief tot stand gebrachte inrichtingen. Deze
laatste (Katholieke) zijn verweg de talrijkste. De Belg.
Boerenbond vervult hierin een vooraanstaande rol.
BELGIË
Vloomsch kindschap langs de Leie.
Vennen in de Kempen bij Kalmpthout.
Duinen aan de Belgische kust.
De Kempen. Omgeving van Genk.
Een bocht in het kanaal van Brugge naar Damme.
BELGIË
Gezicht op de Maas bij Dinant.
De Maas met de rotsen van Freyr
De Beiaard-rots te Dinant aan de Maas.
Ijzergieterijen te Seraing aan de Maas.
De „ Fonds de quarreux" met de rivier de Amel.
Hoei aan de Maas (met citadel).
465
België
466
Onder de gesubsidieerde inrichtingen is er 1 hooge-
school (Leuven). Verder zijn er 16 middelb. landbouw-
scholen en 22 midd. landb. afdeclingen met 1 514 11.,
73 landbouwcursusscn in de middelb. scholen met
2 068 11., 6 hoogere landbouwhuishoudscholen, 41
middelb. afdeelingen, 21 vervolgafdeelingen, 99 af-
deelingen met 300 uren en 20 reizende scholen, bezocht
door 3 895 meisjes.
Het landbouwvervolgondcrwijs telt 93 gewestelijke
avondscholen (1 850 11.), 677 vaklandbouwafdeelingen
(11 520 11.), 17 landbouwnormaalcursussen (325 onder-
wijzers). Er werden 1 900 voordrachten gegeven.
Sinds 1933 ressorteert het landbouwonderwijs, behalve
dat der reizende scholen, onder het ministerie van
Openbaar Onderwijs.
3° Kunstonderwijs. Inrichtingen: a) onderwijs in
de graphische en beeldende kunsten: de koninklijke
academie van schoone kunsten te Antwerpen (Staat)
met 617 11.; de andere academies en teekenscholen,
opgericht door de gemeenten: 71 scholen met 11 073 II.
b) Muziekonderwijs: 4 koninklijke conservatoriums
met 2 139 11. (Gent, Luik, Brussel, Antwerpen);
andere conservatoriums en muziekscholen in gemeen-
ten: 129 met 27 670 11. Tegenover de academies staan
ook de Sint Lucasscholen met een groot aantal leer-
lingen.
4° Militair Onderwijs. Hooger Onderwijs:
a) Militaire school en oefenschool te Brussel (277 11.).
b) Krijgsschool (opleiding tot stafofficier) te Brussel
(42 11.).
Middelbaar en lager onderwijs:
a) Centrale wetenschappelijke school te Namen
(128 11.). b) Pupillenschool (opleiding tot onder-
officier) te Aalst en St. Tmiden (735 11.). c) Cadetten-
school (bereidt voor tot de Militaire School) te Namen
(184 11.). d) Cursussen candidaat reserve-onderluite-
nant (2 694 11.). e) Cursussen vrijwilligers voor sub-
altern kader (925 11.). f) Avondcursussen vooradminis-
tratie (852 11.). g) Avondcursussen Vlaamsch en
Fransch (1 567 11.). h) Avondcursussen voor analpha-
beten (1 28011.). i)Wetcnsch. avondcursussen (1024 11.).
Naschoolsch Onderwijs. Denij*.
Het dept. van Onderwijs geeft onder bepaalde
voorwaarden subsidie voor volksuniversiteiten e.d.
In 1933 werd hiervoor 250 000 fr. uitgetrokken.
XII. Wetenschappen na 1830.
Theologie. Vooral beoefend aan de Faculteit der
Godgeleerdheid te Leuven en door Jezuï ten en Domi-
nicanen. Dienen vermeld: mgr. Dechamps, aartsbis-
schop van Mechelen (apologetica); mgr. Malou, P.
De San (dogmatiek en positieve theologie); Th. Bou-
quillon, mgr. Waffelaert, P. Génicot (moraaltheolo-
gie); mgr. Beelen, A. Van Hoonacker (bijbelstudie);
mgr. Ladeuze (patristiek); mgr. Feye, mgr. Moulart
(kerkdijk recht).
Wijsbegeerte. Veel invloed van buitenlandsche ge-
dachtenstroomingen, vooral, maar niet uitsluitend,
uit Frankrijk. In hef begin der 19e eeuw, sensualisme
van Condilïac, selectisme van Cousin. De Franschman
Fr. Hu et verspreidde te Gent liet verjongde Carte-
s kin isme van Bordas-Demoulin. Te Brussel voerde
de Duitscher Ahrens het panenthoïsme van Krause
in; trouw gevolgd door G. Tiberghien. Onder de Ka-
tholieken telde het traditionalisme van Bonald veel
aanhangers: aan de Leuvensche universiteit werd het,
in gemilderden vorm en met het ontologisme van
Gioberti verbonden, door C. Ubaghs gedoceerd aan de
Philosophische Faculteit, door A. Tits aan de Theolo-
gische. Veel bijval, maar ook veel verzet, tot eindelijk
in 1864 Rome beide strekkingen veroordeelde en
Ubaghs het onderwijs ontzegde. Bij de heropleving
der scholastiek, op het einde der 19e eeuw, dienen
vermeld A. Van Weddingen en vooral D. Mercier,
later aartsbisschop van Mechelen (1906 — ’26), profes-
sor te Leuven 1882 — 1906. hoofd van een nieuw Insti-
tuut voor wijsbegeerte. De sinds lang verbroken be-
trekkingen tussehen de Christelijke philosophie der
middeleeuwen en het moderne denken wist hij terug
aan te knoopen door zijn aan leunen bij de natuur-
wetenschappen en zijn onbevangen onderzoek van het
moderne kennisprobleem in zijn Critériologie. Nog te
vernoemen als alleenstaande denkers: de socioloog A.
Quetelet; J. Delboeuf, professor te Luik, bevorderaar
der nieuwere psychologie; generaal J. M. de Tilly,
schrijver van belangrijke studiën over metageometrie.
Mannon.
Voor phüologie en geschiedkundige wetenschappen
wordt er weinig wetenschappelijk werk geleverd voor
1890: door de w T et op het hooger onderwijs van 1890- ’91
weerden speciale doctoraten ingesteld, die een weten-
schappelijke vorming eischten en het peil der studiën
aanmerkelijk verhoogden.
Oostersche phüologie w r erd hoofdzakelijk te Leuven
beoefend: de oudere school met mgr. Beelen, F. Nève,
mgr. De llarlez: de jongere met J. Forget (Arabisch),
mgr. Hebbelynck (Koptisch), Ph. Collinct (Sanskrit).
Tijdschrift: Le Musóon (1882). Corpus scriptorum
christianorum orientalium (1903). — L. de la Vallée
Poussin te Gent (Sanskrit); de Bollandist P. Pcetcrs
( Armen isch).
Klassieke phüologie. Omstreeks 1860 enkele al-
leenstaande figuren: J. Gantrelle, A. Wagener. L.
Roersch, Pieter en Alf. Willems, meest buitenlanders.
Na 1890 werden, dank zij de ernstige leiding van J.
Waltzing, F. Collard, A. De Ceuleneer, J. Bidez, E.
Boisacq, E. Remy, talrijke geschoolde krachten ge-
vormd.
Roinaansche phüologie. Na onwetenschappelijke
tekstuitgaven, degelijk werk van den in Duitschland
gevormden A. Scheler: Fransch etymologisch woorden-
boek en teksten. Thans wetenschappelijk onderwijs
onder A. Wilmotte, Aug. en Georges Doutre-
pont e.a. Deze laatste ja ren wordt veel aandacht ge-
wijd aan de Waalsche dialectologie: Waalsch woorden-
boek, taalatlas.
De Nedrrlandsche en Gonnaansche phüologie
begon met niet onverdienstelijke tekstuitgaven van de
Gentsche school: J. F. Wiileras (stichtte Belgisch
Museum 1837— ’46), C. Serrure (Vaderlandsch Mu-
seum 1855 — ’63), F. Snellaert, Ph. Illoinmaert, de
Luiksche professor J. Bormans en van kan. David te
Leuven. Woordenboeken (Sleeckx-Van do Velde
1864— ’65; TTeremans 1869): glossarium van verou-
derde rechtstermen (K. Stallaert 1886 — '89): idiotica
(De Bo: West-Vlaamsch 1873; Schuermans: Algemeen
Vlaamsch 1865 — '70; Tuerlinckx: llagelandsch 1886).
In 1886 kwam de Vlaamsche Academie voor Taal en
Letterkunde tot stand. Na 1890 opgewekt leven op
velerlei gebied: idiotica (Rutten, Ilnspengouw 1890;
Cornelissen- Vervliet: Antwerpen 1899; A. Joos: Land
van Waas 1900: ls. Teirlinck: Zuid-üost- Vlaanderen
1909); tekstuitgaven (Leuvensche tekstuitgaven,
L. Scharpé, W. De Vrecse); paleographie en hand-
schriftenkunde (W. De Yreese); taalkunde (C. Lecou-
tore, J. Yercoullie, ,1. Mansion); phonetica (vooral in
het phonetisch laboratorium door Ph. Colinct te Leu-
467
België
468
ven opgericht); folklore (A. De Cock); toponymie (K.
De Flou); bibliographie (Fr. De Potter, K. Broec-
kaert): dialectologie en taalgeographie. Op het gebied
der Engelsche philologie ijverden H. Logeman, \V.
Bang, P. llamelius, P. De Reul.
Na de eerste pogingen op gebied van literatuur-
geschiedenis van Snellaert en Serrure, degelijk werk
van J. Stécher, P. Ilamelius, Coopman en Scharpé,
P. Van Mierlo (middeleeuwen).
Voor kunstgeschiedenis maakten zich verdienste-
lijk Max Rooses, Pol De Mont, A. Vermeylen.
A. Boon.
Ook de geschiedschrijving bleef tot ongeveer 1880
in handen van autodidacten, die onder invloed van
romantisme en heroplevend nationaal gevoel, veel
stof verzamelden over vaderlandsche geschiedenis: J.
J. De Smet. Th. Juste, kan. David, Piot, Edm. Poul-
let, Gachard, Kervyn de Lcttenhove. Van hun wer-
ken, die van Poullet uitgezonderd, blijft bijna niets
over dan de documentatie. Na 1880 geven de univer-
siteiten technische vorming: Kurth te Luik (1874).
Vanderkindere te Brussel (1877), P. Fredericq te
Gent (1880), Ch. Mocller te Leuven ^1885). Ook telt
België geschiedschrijvers, die zelfs in het buitenland
wetenschappelijken roem verwierven: H. Pirenne,
G. Desmarez. A. Cauchie. E. Hubert. Thans telt België
meer dan (>0 geschiedkundige tijdschi iften. Ten slotte
dient gewezen op het werk der > Bollandisten (nieuwe
richting ingevoerd door P. Ch. De Smedt, V. De Buck,
A. Poncelet, H. Delehaye, P. Peeters). Ook Mared-
sous is een centrum van geschied vorsching (G. Morin,
U. Berlière. D. De Bruyne). A. De Meyer .
Rechtswetenschap. Op het gebied van het burger-
lijk recht zijn het meest bekend Fr. Laurent, prof. te
Gent, die in 1809 zijn beroemd tractaat uitgaf, en J.
Van Biervliet, tot voor lang prof. te Leuven. Voor
strafrecht en penitentiaire wetenschap: Ducpétiaux,
die na 1830 het gevangenisstelsel hervormde, min. J.
Ie Jeune, die aan het strafrecht omstreeks 1890 een
nieuwe, meer menschelijke en individualiseerende
richt ins: gaf. en de Brusselsche prof. A. Prins, een der
oprirhtO!8 v; n de internationale strafrechtvereeniging.
Voor liet internationaal recht: Rolin-Jacquemyns.
die in 1873 te Gent het Institut de droit international
stichtte en in 1809 de Revue de droit international
begon; Nvs (Brussel), Pr. Poullet (Leuven), Ch. De
Visscher (Gent, nu Leuven). Een groote werking ging
uit van .1. Van den Heuvel (f te Leuven). De Brus-
solsche universiteit telde twee geleerden voor het
staatsrecht: P. Errera en M. Vauthier: op dat gebied
arbeidde reeds vroeger te Leuven Thonissen, die ook
gunstig bekend blijft met zijn werken over rechtsge-
schiedenis. Naam verwierf in het land als advocaat
en als vulgarisator van de rechtswetenschap: Edm.
Picard. die ook op de ontwikkeling van kunst en lite-
ratuur niet zonder invloed was. V. Dievoet.
Sociale en economische wetenschappen. Als zelf-
standige wetenschap werd de sociologie schaarsch
beoefend : het Institut Solvay, gehecht aan de hooge-
school te Brussel, werkt in de richting der Fransche
Positivistische School (Waxweiler, Wodon e.a.): nauw-
keurige enkwesten over sociaal -economische toestan-
den. Invloed der socialistische theoretici: Van der
Velde, de Br< u kère, De Man. — Van Katholieke zijde
E. Ducpétiaux en later abbé Pothier, wetenschappelij-
ke baanbreker van de School van Luik. Aan de Len-
vensche hoogeschool mgr. Deploige en M. Dufourny.
Op het terrein der economie drie stroomingen:
liberalisme, socialisme en Christelijk reformisme,
vooral in practijk omgezet. Als theoretici van het
liberalisme: G. de Molinari, Le Hardy de Beaulieu, Ch.
de Brouckère. Te Leuven trachtten Ch. de Coux en
Ch. Périn, zonder den grondslag der Klassieke econo-
mie te verlaten, dezer nadeelige gevolgen door zede-
lijke hervorming te verhelpen; ruimer van opvatting
en dichter bij ons staat V. Brants. De School voor
Sociale en Politieke Wetenschappen, te Leuven door
prof. Van den Heuvel gesticht, richt haar studenten
naar de studie van vergelijkende sociale wetgeving,
en thans naar sociale geestesstroom ingen en instel-
lingen. Het Instituut voor economische wetenschap-
pen legt zich toe op ontleding en beschrijving der econ.
conjonctuur. Voorloopers van het socialisme (katheder-
socialisten) waren de Gentsche prof. Fr. Huet (Chris-
telijk socialisme) en de Luiksche E. de Laveleye
(agraarsoc ia lisme). De socialistische theorieën wer-
den in veel schakeeringen verdedigd door E. Van
der Velde, A. Wauters, Ch. de Brouckère, H. De Man.
Op gebied van economische statistiek A. Quetelet, de
vader der demographie, en A. Julin.
De self-made man Lod. De Raet schreef degelijk
werk over de sociaal-economische toestanden in Vlaan-
deren. V. Gestel.
Positieve wetenschappen. Het wetenschappelijk
leven heeft zich sedert 1818 in hoofdzaak rondom de
universiteiten, de krijgsschool, de sterrenwacht te
Ukkel en het museum voor Nat. Wetenschappen te
Brussel ontwikkeld. Ook eenigszins vrijer in de Kon.
Academie te Brussel en groepeeringen als Société
scientifique de Bruxelles, Soc. chimique de Belgique,
Soc. géologique de B., Soc. royale zoologique et
malacologique, Soc. royale de botanique, Soc. ento-
mologique. Al deze genootschappen hebben hun uit-
gaven: Bulletin en mémoires de 1’académie de B.
(1832, sedert 1931 tweetalig), Anna les de la Soc.
scientifique de Bruxelles (1875), Revue des questions
scientifiques (1877), Archives de biologie (1880),
Archives internat ionales de physiologie (1904), enz.
Na den oorlog kwamen te Brussel tot stand: 1° de
Universitaire Stichting; 2° het Nationaal Fonds voor
wetenschappelijk onderzoek (Egmontstraat 11), die
door aanzienlijke toelagen bij gewichtige wetensch.
navorsch ingen steun verleenden (opgravingen van
Apamea door prof. Mayence 1929; prof. Piccard’s
opstijgingen in de stratospheer 1930— ’32).
Tot omstreeks 1880 bleef dit onderricht te theore-
tisch, bij gebrek aan goede laboratoria, zoodat de
wetensch. bedrijvigheid vooral die gebieden betrof,
die het met een minimum van experimenten konden
stellen: aard- en wiskunde, beschrijvende dier- en
plantkunde. In de physico -chemische vakken konden
slechts enkele uitstekende geleerden (Plateau, Stas,
Gramme, E. Van Beneden, Rekulé, Spring) ondanks
de gebrekkigheid der laboratoria naam maken.
Wiskundige wetenschappen : de eersten waren A.
Quetelet en P. C. Daudelin („théorèmes beiges” over
de conische doorsneden). Quetelet legde ook de grond-
slagen tot een positivistische maatschappijkunde
(statistique morale) en gaf ook bekende werken uit
over meteorologie en astronomie. Verdere verdienst-
volle wiskundigen waren G. Pagani, M. Schaar, H.
Limbourg, Ph. Gilbert, J. de Tilly, P. Mansion, J.
Massau, wiens graphostatica wereldberoemd is. Hou-
zeau, na Quetelet bestuurder der Ster re wacht, bracht
dat instituut ook buiten de grenzen van het land tot
beroemdheid; vooral door de periodieken Ciel et
469
Belgiojoso — Belgische Arbeiders Coöperatie
470
Terre en Annuaire Astronomique et météorologiquc,
waarin geleerden als E. Quetelet, Stuyvaert, Ed.
Mailly, F. Folie, Ch. Lagrange publiceerden.
Aardkundige wetenschappen. De aard en de ver-
scheidenheid van den bodem, vooral in hoog België,
en de vele minerale rijkdommen verklaren wellicht
waarom dit vak zoo druk beoefend werd. d’Omalius
d’ Halloy stichtte de Belg. geologenschool. Zijn be-
roemdste leerling, André Dumont, ontwierp de eerste
aardkundige kaart van B. Voor stratigraphie: Ch. de
la Vallée Poussin, de Dorlodot, J. Cornet, A. Briart,
G. De Walque; voor palaeontologie: P. Nijst, Dollo,
de grondige beschrijver van de reusachtige Secun-
daire kruipdieren o.m. de iguanodon van Bernissart.
Onder de mineralogen petrographen de vroegere
Jezuïet A. Renard. De vooruitgang van deze weten-
schappen leidde o.m. tot de ontdekking van het kool-
bekken der B. Kempen door den Leuvenschen prof.
A. Dnmont, zoon van den grooten Dumont.
Dierkundige wetenschappen. P. J. Van Beneden
(vader) onderscheidde zich vooral in de vergelijkende
ontleedkunde, de palaeontologie en de physiologie
(migratie der platoden); de zoon Ed. Van Beneden in
de embryologie en de cytologie (caryocynesis bij
hoogere dieren); J. Van Gehuchten in de ontleedkunde
van het zenuwstelsel; Van Ermengem en Bordet in
de parasitologie en bacteriologie.
Plantkundige wetenschappen. De stelselmatige
beschrijvende plantkunde werd vooral beoefend
door Morren, F. Crépin, J. Kickx, H. Van Heurck,
J. Mac-Leod e.a. De cytologie en plantkundige
physiologie door kan. Camoy en zijn school (La Celluie
1884, van Camoy en V. Grégoire) te Leuven, door L.
Errera en J. Massart te Brussel.
Phy8icochemische wetenschappen. De oorspron-
kelijkste navorscher was J. Plateau (capillariteit, Wet
van Fechner). Na hem Z. Gramme (electrische dyna-
mo), J. B. Stas (nauwkeurige bepaling van atoom -
gewichten), F. Kckulé (structuur der benzolmoleculc),
W. Spring (reacties onder hooge drukking). In de
toogopaste scheikunde heeft E. Solvay’s methode
tot bereiding van soda een nijverheid in het leven ge-
roepen, die in België en het buitenland tientallen
groote fabrieken onderhoudt.
L i t. : Le Mouvement scientifique en B. 1830-1905
2 dln. Brussel 1907); Histoire de la B. Contemporaine
III Brussel 1930). Ooubau.
Academiën. In België bestaat een K o n i n k-
lijke Academie voor Wetenschap-
pen, Letteren en Schoone Kunsten
van België, die gevestigd is in het Paleis der Aca-
demiën, Hertogstraat 1, Brussel. De Academie is
onderverdeeld in drie klassen: de klasse der weten-
schappen, die der letteren en der zedelijke en staat-
kundige wetenschappen en de klasse der schoone
kunsten. Iedere klasse telt 30 leden, 50 buitenland -
sche „associés” en 10 correspondeerende leden.
De K o n i n k 1 ij k o Vlaamsche Aca-
demie voor Taal- en Letterkunde
is opgericht bij K.B. van 8 Juli 1886; ze is gevestigd
te Gent, Koningstraat 18 en heeft ten doel de studie
en de beoefening der Nederlandsche taal en letter-
kunde. Zij telt 30 werkende leden, 10 correspondeerende
leden en 25 buiten landsche leden.
De Koninklijke Academie voor
Fransche Taal- en Letterkunde is
opgericht bij K.B. van 19 April 1920; ze is gevestigd
in het genoemde Paleis der Academiën. Zij telt Bel-
gische en buitenlandsche leden. Het getal Belg. leden
mag niet meer dan dertig bedragen, waaronder er
twintig gekozen zijn om hun letterkundige en tien om
hun philologische verdiensten.
De Koninklijke Academie voor
Geneeskunde is opgericht bij K.B. van 19
September 1841; ze is eveneens gevestigd in het Paleis
der Academiën. Zij telt 40 werkende leden en ten
hoogste 100 Belgische en buitenlandsche correspon-
deerende leden. Het aantal eere leden is onbepaald.
De Koninklijke Academie voor
Oudheidkunde van België is te Ant-
werpen gesticht in 1842. Zij houdt haar vergaderingen
in het Paleis der Academiën te Brussel en op het stad-
huis te Antwerpen. Zij telt 40 werkende leden en 50
correspondeerende leden. Kraentzel.
Belgiojoso, Christin a, markiezin
van Trivulzio, vorstin van, Italiaansch
schrijfster en patriotte. * 28 Juni 1808 te Milaan;
f 5 Juli 1871 aldaar. Dochter van markies Hiërony-
mus Isdorus di Trivulzio. In 1824 trad zij in het huwe-
lijk met prins Emilio di Barbiano di Belgiojoso d’Este,
doch liet zich spoedig weer van hem scheiden en ging
sedert dien haar eigen weg. Zij streed steeds voor de
eenmaking van Italië. In 1831 moest zij naar Parijs
uitwijken; hier werd haar hotel de vergaderplaats
van Frankrijk ’s meest beroemde mannen; bovendien
stichtte zij in deze stad twee dagbladen, nl. „La
Gazetta Italiana” en „L’Ausonio”. Toen Milaan in
1848 in opstand kwam, wierf zij persoonlijk een vrij-
corps aan, dat zij zelf tot voor Mantua voerde, om
zich bij het Piëmonteesch leger aan te sluiten. Na
1849 ondernam zij een reis van vier jaar in het Oosten,
kwam in 1853 naar Parijs terug en vestigde zich einde-
lijk te Locato. Te Milaan, en later te Turijn, gaf zij
het dagblad „L’Italie” uit (1860).
Werken: Fr. vertaling van Prineipi di scienza
nuova, van G. B. Vico ; Essai sur la formation du dogme
catholique (Parijs 1842); Souvenirs d’exiJ (1850; ecr3t
in „Le National” geplaatst; werden ook in de voor-
naamste dagbladen van Europa, vertaald opgenomen) ;
Émina. Récits turco-asiatiques (1856) ; Asie mineure et
Syrië (1858) ; Histoire de la maison de Savoie (Parijs
1860) ; Réflexion8 sur 1’état actuel de lTtalie et sur son
avenir (1869) ; Gli affittaiuoli della Bassa Lombardia
(Milaan 1869); talrijke bescheiden in Le Constitutionnel,
Le National, La Revue des Deux-Mondes, enz. — L i t. :
R. Barbiera, La principessa B. (Milaan 1903); H. Remsen
Whitehouse, Une princesse révolutionnaire (Lausanrie
1907). Lousse .
Belgis, Historie van, geschiedkundig
werk van den rederijker-patriciër Marais van > Vaer-
newijck, van Gent. De eerste uitgave heette Spie-
ghel der Nederlandsche audtheyt
(1568). Het was feitelijk een uitvoerige omwerking
in proza van zijn in 1560 uitgegeven dichtwerk
Vlaemsche Audvremdigheyt. On-
danks allerlei fabelen, vooral over „de wonderlicke
antiquiteyten van der natuere, gheleghentheyt, oor-
sprongh ende eerste fondatiën” van Belgis, stad door
de Trojanen nog gesticht, behoudt het werk zijn
waarde vooral voor de gelijktijdige geschiedenis, en
voor de kennis van wellicht oude volksoverleveringen
en sagen.
Lit.: Ph. Blommaert, De Nederduitsche schrijvers
van Gent (Gent 1861, 68-89). F. Mierlo.
Belgische Arbeiders Coöperatie of B.A.C,
is de financieele instelling van het A.C.W. (> Alge-
meen Christelijk Werkers verbond). Het is een landelijke
471
Belgische Boerenbond
472
coöperatieve maatschappij, die ten doel heeft het
behartigen van de economische belangen der leden en
het verschaffen van de geldelijke hulp aan de Christe-
lijke (R.K.) Werkliedenorganisatie. Om dat doel te
bereiken, sticht of vormt zij, hetzij alleen, hetzij in
samenwerking met economische inrichtingen uit andere
gewesten, afzonderlijke maatschappijen met speciaal
doel. De winsten, door die maatschappijen verwezen-
lijkt, komen deels aan de leden, deels aan de organisa-
tie ten goede. Aldus kwamen tot stand:
1° De Belgische Coöperatie Wel-
vaart met als doel: oprichten van verbruiks-
coöperatieven in Vlaanderen en Le Bien-être
du Pays Wallon met hetzelfde doel voor
Wallonië. Aantal winkels in Juli 1933 was: 628,
jaarlijkse!» zakencijfer 60 000 000 frs .
2° De N.V. De Hoorn. Doel: voortbrengst-
coöperatief voor het uitbaten van bakkerijen. Aantal
bakkerijen in 1932 was 13, jaarlijksch zakencijfer:
20 089 000 frs.
3° De Sw. Ven. Spaarbank der Chris-
tel ij k e Werklieden. Doel: Spaarwezen en
beleggingen, waardoor bijzonder de eigen economische
instellingen van B.A.C. en de sociale organisaties der
arbeiders over de noodige kapitalen kunnen beschik-
ken. Belegde spaargelden: in Juli 1933 : 75000000 frs.
in de Spaarbank der Christelijke Werklieden, en
215 000 000 frs. in het Consortium van arbeidersban-
ken.
4° De Centrale Volksverzekering
of C.V.V. Doel: Volksverzekeringen en verzekeringen
tegen brand. Is pas begonnen, sloot reeds 4 000 polis-
sen af voor brandverzekering, ook voor levens- en
volksverzekering.
De uitbating wordt aan eiken beheerraad der econo-
mische en financieele inrichtingen zelf opgedragen,
onder controle van B.A.C. Daarom verschillen de
maatschappijen, hebben zij eigen bestuur en eigen
verantwoordelijkheid. De Christelijke Werklieden-
organisatie heeft aldus in België, in eigen schoot,
dank zij de centralisatie, al de economische en finan-
cieele inrichtingen op stevigen grondslag voor de
werklieden kunnen tot stand brengen.
Cool.
Belgische Boerenbond. Stichting. De Bel-
gische Boerenbond (B.B.) werd gesticht te Leuven, in
1890, dus tijdens de scherpe crisisperiode, die de
Belgische landbouw te dien tijde aoormaakte. De
regeer ingen, die elkaar opvolgden, hadden geen land-
bouwprogramma en, buiten de landbouwcomices
bestonden er om zoo te zeggen geen landbouwvereeni-
gingen. De landbouw bleef aldus grootelijks aan zich-
zelven overgelaten. Enkele personen, waaronder de
latere ministers Helleputte en Schollaert, Mei la erts,
een priester, die toen te Leuven verbleef en de eerste
algemeen secretaris werd van den B.B.. hadden inge-
zien, dat er voor de boeren meer diende gedaan en dat
hun redding vooral in de vereen iging moest gezocht
worden. Zoo ontstonden: eerst de centrale organisatie
te Leuven, en dan in de landelijke gemeenten de
plaatselijke vereenigingen of hoerengilden (boeren-
bonden), met hun instellingen voor samenkoop, land-
bouwcrediet, onderlinge verzekering, enz.
De nieuwe inrichting verwekte geestdrift, niet liet
minst bij de parochiale geestelijkheid, die ten allen
kante haar medewerking bood. Het vertrouwen, dat
bij de landelijke bevolking ontstond en het feit, dat
de nieuwe instelling wezenlijk de diensten bewees,
die van haar verwacht werden, waren de twee grootc
oorzaken van haar welgelukken.
Werkgebied. Het huidige gebied van den B.B.
(en zoo had men het ongeveer voor in het begin)
is het Vlaamsche land, samen met Waalsch- Brabant,
in het geheel ca. 14 757 km 2 oppervlakte.
Programma. De B.B. wil den ganschen Christelijken
boerenstand omvatten: alle landbouwers, groote en
kleine; ook de tuinbouwers; al de leden van het gezin,
voor zoover zij niet beslist een ander bedrijf uitoefenen.
Hij behartigt al de belangen van zijn leden, voor zoover
zij in de bevoegdheid van de vereen iging vallen:
1° Hun godsdienstige en zedelijke belangen, die aan
het hoofd staan van zijn programma. Heel in het
bijzonder zijn daarmee gelast de algemeen-proost
(adviseur), die tevens het ambt van algemeen -secre-
taris uitoefent, de priesters, die hem in den B.B.
behulpzaam zijn, de proosten van zijn plaatse lijke
vereenigingen, alsmede de wereldlijke leiders van den
Boerenbond zelf en van zijn verschillende instellingen.
Samen beijveren zij zich om het godsdienstig leven
en de zedelijke deugden te doen bloeien bij de leden
en in heel de organisatie.
2° Hun sociale belangen. Een van de grootste
bekommernissen van den B.B. is het behoud van den
Christelijk -socialen geest in de centrale inrichting en
in de aangesloten vereen igingen. Hij stelt alles in het
werk om zijn leden maatschappelijk hooger op te
voeren en de rechten van hun stand in de samenleving
te doen gelden, maar wijst ook voortdurend op hun
maatschappelijke plichten en op de maatschappelijke
deugden, als zijn rechtvaardigheid, naastenliefde en
wederzijdsch dienstbetoon.
3° Hun algemeene ontwikkeling, het beroeps -
onderricht en de techniek van het vak. De B.B. be-
ijvert zich om van zijn leden hoogstaande menschen
en bekwame vakmannen te maken. Daartoe geeft hij
verschillende bladen, tijdschriften en handboekjes uit,
laat hij talrijke voordrachten houden, steunt hij het
land- en tuinbou wonderwijs in zijn verschillende
vormen, richt hij bedrijfskampen, proefvelden en ten-
toonstellingen in, heeft hij zijn eigen Station voor
Plantenveredeling, een keurkweekerij voor hoenders
en verschillende proef boerderijen.
4° De belangen van den boerenstand op staat-
huishoudkundig gebied en in al wat daarmee verband
houdt. De B.B. staat er op, dat de boeren, naast de
andere burgers, gelijke rechten dragen en gelijken
steun genieten. Zoo o.m.: rechtstreeksche en onrecht-
streeksche belastingen, landpacht, wegenis, gemeente-
aangelegenheden; verder de groote economische vraag-
stukken, die vooral in tijden van crisis op het voorplan
treden: vrijhandel of bescherming, in- en uitvoer, enz.
5° De specifiek stoffelijke belangen van de leden:
op dit gebied is de werking van den B.B. zeer uitge-
breid. Hij doet o.m. aan gezamen lijken aankoop en
gezamen lijken verkoop, aan landbouwcrediet, ver-
zekering, enz.
Inrichting. Het spreekt vanzelf, dat de B.B. voor
de uitvoering van dat omvangrijke programma over
een zeer verscheiden organisatiecomplex moet be-
schikken. Volgt een vluchtig beeld daarvan: 1°
Plaatselijke instellingen. De B.B.
is een verbond voor plaatselijke vereenigingen of
boerengilden (bg.). De bg. heeft als arbeidsveld door-
gaans een parochie of gemeente. Zij staat open voor al
wie belangen heeft op gebied van land- en tuinbouw
en zijn godsdienstige plichten volbrengt. Alleen het
473
Belgische Boerenbond
474
hoofd van het gezin wordt ingeschreven als lid, maar
heel het gezin wordt als aangesloten beschouwd en
kan deel hebben in de voordeelen, die bg. en B.B.
verstrekken. De bg. heeft zich ter plaatse te bekomme-
ren met het godsdienstig-zedelijke, het maatschappe-
lijke, de algemeene ontwikkeling en het vakonder-
richt, de verdediging der belangen, enz. Naarmate de
omstandigheden het wenschelijk maken, roept zij,
onder leiding van den B.B., instellingen in het leven,
die de verwezenlijking van bijzondere punten van liet
plaatse lijk programma beoogen: sommige van maat-
schappe lijken, andere van stoffelijken aard, enkele
ook voor bepaalde leden van het gezin; zoo bijv. studie-
afdeelingen, aan- en verkoopvereenigingen, beet-
syndicaten, melkerijen (zuivelfabrieken), spaar- en
leenkassen (boerenleenbanken); vee-, kleinvee- en
varkenshonden, vee- en paardenverzekeringen, boe-
rinnengilden, afdeelingen voor boerenjeugd en boe-
rinnen jeugd, enz.
Bepaalde gilden hebben een afdeeling voor tuiniers;
enkele zijn in feite tuiniersgilden. Al die instellingen
vormen afgescheiden vereen igingen, met eigen bestuur
en eigen boekhouding, maar de bg. noemt ze haar
afdeelingen, omdat die metterdaad werken in haar
schoot en uitsluitend voor de bij haar aangesloten
huisgezinnen. Zij is de moeder inrichting en heeft zich
in te laten met gansch de plaatse lijke organisatie.
De pastoor der parochie of de priester, door hem
afgevaardigd, treedt in de gilde en in haar afdeelingen
op als geestelijke bestuurder of proost. De invloed,
dien hij er uitoefent, is van overwegend belang; in
vele gevallen is hij de spil van heel het verecnigings-
leven.
2° De centrale instelling. Deze staat
onder de leiding van een hoofdbestuur en een hoofd -
raad, welke laatste samengesteld is uit de leden van
het hoofdbestuur en de afgevaardigden der boeren-
gilden.
De centrale is op dezelfde wijze ingericht als de
plaatselijke hoerengilde. In haar schoot bestaan en
werken de volgende groote instellingen: algemeen-
secretariaat, Boeren jeugdbond, Boerinnenbond, Boe-
rinnenjeugdbond, Dienst voor Toezicht (met Zuivel-
consulentschap), Technische Diensten (Bouwdienst,
Electriciteitsdienst, Dienst der Landbouwmachines,
Dienst voor Landelijke Waterbouwkunde), Aan- en
Verkoopvennootschap, Middenkredietkas (Centrale
Boerenleenbank) en verzekeringsmaatschappij. De
eerste, het algemeen-secretariaat, beantwoordt aan de
plaatselijke bg., de andere aan haar afdeelingen. Elk
van die centrale instellingen heeft haar volledige
organisatie met eigen bestuur, eigen kas en eigen
boekhouding, maar alle hangen zeer nauw T af van het
hoofdbestuur. In heel de centrale organisatie heerscht
volledige eenheid.
3° Betrekkingen tusschen B.B. en zijn
aangesloten vereen igingen. Onder toezicht van het
hoofdbestuur geeft de B.B. een vaste en eenvormige
leiding. Daartoe dienen in de eerste plaats zijn eigen
organen: De Boer (voor Waalsch-Brabant: Le Paysan),
een woekblad, dat al de leden krijgen; Onze Gids
(voor Waalsch-Br.: Notre Guide), een maandblad, dat
speciaal voor de proosten en overige bestuursleden
is bestemd; De Boerin, het maandelijksch orgaan van
zijn Boerinnenbond. Daarnaast heeft hij zijn Dienst
voor Toezicht, waarvan de opzieners (een 60-tal)
voortdurend in betrekking zijn met de plaatselijke
vereenigingen, verder zijn priesters, die geregeld de
proosten bezoeken, zijn studiedagen, gew r estelijke
vergaderingen, enz.
Enkele cijfers en uitslagen. Dat de B.B. een zeer
snelle uitbreiding nam, vooral na den oorlog, bewijzen
volgende statistische gegevens:
Aantal gilden
Aantal leden
gezinshoofden
Einde 1895
200 t
10.275
1900
336 *
19.000
1905
430 ’
31.586
1910
631
44.586
1914
607 :
56.246
1920
951
87.384
1926
1.150
109.737
1932
1.234
127.122
In 1932 liet de B.B. in de aangesloten bg. en in hun
afdeelingen 6 318 lezingen houden. Aan de gewestelijke
vergaderingen en betoogingen, die hij inrichtte, namen
meer dan 95 000 van zijn leden deel. De gesloten
retraites, door zijn toedoen gehouden, werden gevolgd
door 1 109 boerenzonen en door 2 241 leden van
boerinnengilden.
Ter bevordering van het naschoolsch onderwijs in
land- en tuinbouw en in landbouwimishoudkunde
schonk hij zijn medewerking aan een 530 leergangen
of scholen. Hij wa s ook bemoeid met de bedrijfsprijs-
kampen van verschillenden aard, waaraan samen
2 700 van zijn leden deelnamen, alsmede met de
inrichting van 48 plaatselijke en gewestelijke tentoon-
stellingen.
Deze enkele cijfers, die alle betrekking hebben op
het jaar 1932, slaan terug hoofdzakelijk op de werking
van het algemeen-secretariaat en den Dienst voor
Toezicht. De uitslagen van de andere afdeelingen zijn
niet minder belangrijk, bijv.: de Aan- en Verkoop-
vennootschap leverde 449 000 ton grondstoffen voor het
bedrijf; de Middenkredietkas had 1 637 millioen frs.
deposito’s; sedert haar ontstaan had zij, samen met
de aangesloten spaar- en leenkassen, ruim 1 milliard
frs. uitgeleend; de Verzekeringsmaatschappij ontving
meer dan 54 millioen frs. premie (zie verder de speciale
artikelen). Toch gaat het niet op den invloed, die
uitgaat van de ononderbroken en zoo verscheidene
werking van den B.B.,te beoordeelen naar de cijfers.
Maar zeker mag men zeggen, dat, zoo de landbouw-
bevolking in de gouwen, waar de B.B. bedrijvig is,
godsdienstig en zedelijk gezond is gebleven, zoo zij
cultureel en maatschappelijk heel wat hooger is komen
te staan, zoo zij den w r eg van den vooruitgang met
vlugge schreden bewandelt, de invloed van den B.B.
daaraan niet vreemd is.
Lit. : E. Luytgaerens, Jaarvers!, van den B.B.
(Leuven' ; Deploige, De Boerenb. (Leuven 1897) ;
E. van Damme, Een Belg. hoerengilde bij het ingaan
der 20e eeuw (Roeselare 1901) ; E. Luytgaerens, Het
godsdienstige in onze bg. (Roeselare 1923) ; E. Vliebergh,
Ontstaan en eerste jaren van den B.B. (Dietsche Warande
en Belfort, Antwerpen 1924) ; A. Lugan, Une oeuvre
beige. Origine et organisation du Boerenbond (Parijs
1925) ; J. P. Mc Carthy, Agricultural Organisation in
Bclgium (Studies, An lrish Quarterly Rev. (XVI, or. 2,
Dublin 1927) ; A. Do Vleescbauwer, Les associations
agricoles en Belgique (Völkermagazin, Belgien Nov.
1929) ; F. Baudhuin, Le Boerenbond Beige. Une puis-
sance fin. orig. (Revue Economique Internationale,
Brussel Jan. 1930) ; K. B&krens, Flanderns Kampf um
475
Belgische Boerenjeugdbond — Belgische paarden
476
die eigene Scholle. Eine Studie seiner wirtsch. Struktur,
Breslau 1930) ; E. Luytgaerens, Over den B.B., Toe-
spraak tot de E.H. Seminaristen te Mechelen (Leuven
1931). Luytgaerens .
Belgische Boercnjjeugdboncl. De B.J.B.
is de centrale instelling, waarin de Belgische Boeren-
bond (B.B.) de boeren jeugdafdeelingen groepeert,
die hij in 1925 in den schoot van zijn aangesloten gilden
begon tot stand te brengen. Hij maakt deel uit van het
Vlaamsch Jeugd verbond voor Katholieke Actie, dat
onder leiding staat van de hoogere geestelijkheid.
Einde 1932 telde de B.J.B. 424 plaatselijke afdee-
lingen met 17 132 leden. In De Boer, het orgaan van
den B.B., heeft de B.J.B. wekelijks zijn speciale
jeugdbladzijdc; in het bestuursblad Onze Gids heeft
hij artikelen voor zijn jeugdleiders en bestuursleden.
Tijdens de herfst- en wintermaanden houden de
jeugdafdeelingen om de maand een algemeene en een
bestuursvergadering: op de dagorde van die alg. verg.
komen voor onderwerpen van godsdienstigen, van
maatschappelijken, van cultureelen en van technischen
aard.
’s Zomers wordt meer tijd besteed aan uitstapjes,
studiereizen, tentoonstellingen en proefvelden. De
B.J.B. heeft jaarlijks een algemeenen en verschillende
gewestelijke studiedagen voor zijn bestuursleden,
leiders en proosten; verder een aantal gewestelijke
betoogingen, retraites en recollectiedagen, alsmede
een prijskamp met vragen over technische en sociale
aangelegenheden. Luytgaerens.
Belgische Bocrinncnhond, opgericht in
Juli 1911, is de centrale instelling die in den schoot
van den Belgischen Boerenbond (B.B.) de plaatselijke
vereenigingen voor boerinnen en boerendochters of
zgn. boerinnengilden groepeert. Evenals de B.B. zelf,
strekt de Boerinnenbond zijn werkgebied uit over
het heele Vlaamsche land en over Waalsch-Brabant.
Samen met zijn aangesloten gilden ijvert hij voor het
godsdienstig-zedelijk en voor het maatschappelijk
welzijn van de leden, en houdt hij zich bezig met hun
algemeene ontwikkeling en met hun opleiding als
moeder, huishoudster en boerin.
De boerinnengilden, die ter plaatse een afdeeling uit-
maken van de hoerengilde (zie aldaar), aanvaarden
als leden de huismoeders en de overige vrouwelijke
huisgenooten, hoofdzakelijk van de aangesloten gezin-
nen. In hun schoot worden jeugdafdeelingen opge-
richt, die op hun beurt aansluiten bij een onderafdee-
ling van den Boerinnenbond, den Boer innen jeugd-
bond. Einde 1932 telde de Boerinnenbond 113 376
leden; daaronder 76 997 vrouwelijke gezinshoofden.
Het aantal aangesloten boerinnengilden bedroeg
op dat oogenblik 933; het aantal jeugdafdeelingen 313.
De Boerinnenbond is geregeld in betrekking met zijn
leden, o.a. door zijn orgaan De Boerin, dat maandelijks
aan al de aangesloten vrouwelijke gezinshoofden toege-
zonden wordt, en door de opziensters, die belast zijn
met de leiding van het vereenigingsleven. Tot voor-
lichting van de besturen benuttigt hij Onze Gids, het
bestuurlijk maandblad van den B.B.
Werking in 1932: 5 provinciale boerinnendagen
met 12 000 aanwezigen, 59 gesloten retraites, 156 ver-
gaderingen van gewestelijke studiekringen, bijgewoond
door 6 110 bestuursleden en jeugdleidsters, 4 378
voordrachten, 212 leergangen van twee of vier dagen,
43 reeksen lessen over verpleging van moeder en kind,
medewerking aan 131 landbouwhuishoudscholen en
leergangen, enz.
Lit. : E. Luytgaerens, Jaarverslagen van den Belg.
Boerenbond ; De Boerin, orgaan van den Boerinnen-
bond. Luyigaerens.
Belgische Kongo, > Kongo (Belgisch).
Belgische puurden. Reeds in den Romeinschen
tijd werd in België een zeer gewaardeerd zwaar paard
gefokt. In de middeleeuwen had het zgn. Vlaamsche
paard een groote vermaardheid. Helaas werd in de.
18e eeuw door ondoelmatig kruisen met Deensche,
Holsteinsche, Percherons en zelfs met Arabische en
Engelsche volbloedpaarden veel schade toegebracht
aan de fokkerij. Pas na 1830 werd weer in vrij korten
tijd hierin verbetering gebracht, dank zij de gunstige
klimatologische, economische omstandigheden en het
talent der fokkers. Er werden toen drie typen onder-
scheiden: het Vlaamsche, het Brabantsche en het
Ardennerpaard. Het Vlaamsche paard, verwant aan
het Friesche paard, onderscheidde zich door zijn
grootte en zwaren lichaamsbouw (schofthoogte 1,70—
1,85 m); kwam vooral voor in Oost- en West-Vlaan-
deren; hoofdzakelijk geschikt voor stappend werk.
Veel voorkomende gebreken waren: te lange slappe
mg, platte hoeven, te weinig temperament, te lym-
phatisch. Het Brabantsche paard, vooral voorkomend
in midden-België, Brabant en Henegouwen, was niet
zoo groot, wel massief en meer gesloten van bouw,
droger en bezat beter beenwerk en betere gangen. Het
Ardenner paard vond men vooral in de provincies Luik,
Namen en Luxemburg; was klein tot middelgroot, met
een evenredigen breeden en diepen romp, droge beenen
en goede hoeven, goeden gang en draf en was zeer ge-
zocht als omnibus-, tram- en artilleriepaard. Tusschen
het Ardenner en het Brabantsche paard stond nog
het zgn. Condroz paard. Na 1886, toen de Nationale
Vereen iging voor het Belgische trekpaard is opgericht,
is deze indeeling verdwenen. Nu kent men slechts
het Belgische trekpaard met twee slagen: het zware,
Belgisch trekpaard.
dat het meest overeenkomt met het Brabantsche paard
(schofthoogte 1,60 — 1,80 m, pijpomvang 21 — 24 cm),
voorkomend vooral in midden- en W. België, en het
lichtere, dat meer naar het Ardenner paard zweemt
(schofthoogte 1,48 — 1,60 m, pijpomvang 21 — 24 cm),
dat vooral gevonden wordt in Oost-België. In den
wereldoorlog heeft de fokkerij zwaar geleden, maar
heeft zich thans zoo hersteld, dat het wel als het beste
zware trekpaard der wereld is te beschouwen, en veel
477
Belgische Pers
478
geëxporteerd wordt, vooral naar Nederland, Frankrijk,
Rijnland, Westfalen en Amerika. Elk jaar in Juni
heeft te Brussel een befaamde tentoonstelling plaats.
Het B. paard is groot, sterk gespierd en evenredig van
bouw, met zeer krachtige becnen. De gang is in stap
krachtig en ruim, in draf vrij goed. De hoofdkleuren
zijn bruin en vos, in den laatsten tijd veel rood- en
bruinschimmel.
Als oudste en meest befaamde stamvader der
Belgische paardenfokkerij is bekend de hengst, afkom-
stig uit het Denderdal: Fran^ois, de Oude Dikke van
Wijnhuizen (1835 — 1858), een product van inteelt.
Uit dezen stam zijn twee bloedlijnen gesproten; nl.
die van Orange I (B. S. 1144), waartoe bijna alle
beroemde Belg. hengsten belmoren, en Forton II
(B. S. 1738). Een andere zeer op den voorgrond treden-
de bloedlijn is afkomstig van den schimmelhengst
uit het Nijverdal, Bayard (B. S. 1146), die vooral,
door zijn vrouwelijke nakomelingen beroemd is
geworden, welke gepaard met hengsten uit de Orange I-
fijn, nakomelingen hebben gegeven, die een grooten
invloed hebben uitgeoefend op de Belgische paarden-
fokkerij. Vooral door zijn achterkleinzoon Gerfaut II
(B. S. 2538 bis) heeft Bayard zijn invloed doen gelden.
Een vierde minder bekende bloedlijn is afkomstig
van den hengst Jean I (B. S. 1200). Een bekende zoon
van Orange I is Brillant (B. S. 708), een prachtige
showh engst, die echter alleen door zijn vrouwelijke
nakomelingen invloed heeft uitgeoefend. Meer is het
goede bloed van Orange I verspreid door zijn zoon
Jupiter (B. S. 126) via diens zoons Mont d’Or (B. S.
6120), Rêve d’Or (B. S. 7406) en Brin d’Or (B. S.
7902), welke laatste in den bekenden Fosteau-stal van
Jules Hazard uitstekend heeft gefokt. Brin d’Or voert
het bloed van Bayard via zijn moeder Garlouche
(B. S. 7907). De meest beroemde zoon van Brin d’Or
is Indigène du Fosteau (B. S. 29718), waarvan zoowel
in België als in Nederland een zeer groot aantal zoons
en dochters uitstekend hebben gefokt. De goede grond-
slagen van het zware trekpaard in Nederland zijn
vooral gelegd door dezen hengst en zijn nakomelingen.
Verhey.
Belgische Pers. Aanvang 17e eeuw (1605?)
zond Abraham Verhoeven te Antwerpen zijn Nieuwe
Tydinghen, het eerste nieuwsblad in Europa, in het
licht. De Vlaming Jan Mommaert stichtte 1649
het eerste blad te Brussel Le Courrier véritable des
Pays-Bas, dat 1741 Gazette de Bruxelles en in 1759
Gazette des Pays-Bas w r erd, om 1791 te verdwijnen.
Het eerste eigenlijke dagblad verscheen 1 Febr. 1777
te Luik en heette La feuille sans titre. Voor en na de
revolutie van 1830 werden vooral gelezen L’Oracle
(1800 — 1827), Le Courrier des Pays-Bas, later Le
Courrier Beige geheeten (1821 — 1831), en Le Courrier
de la Meuse, die later Le Journal de Bruxelles w T erd
en na een roemrijken levensloop in 1920 verdween.
De w r etten en regeer ingsberichten verschenen aan-
vankelijk in L’Union Beige (19 Oct. 1830 — 3 Maart
1831). Op 16 Juni 1831 werd Le Moniteur Beige
gesticht. Eerst in het Fransch alleen gesteld, w r erd het
blad 1889 tweetalig.
Te Brussel verschijnen vijf Vlaamsche dag-
bladen: Het Nieuwe van den Dag (veelgelezen Kath.
Cons. volksblad, 49e jaar); Sportwereld (Kath.,
zeer verspreid, 20e jaar) met Het Algemeen Nieuwe;
De Standaard (Kath. Vlaamschgezind orgaan voor
intellectueelen); Het Nieuwsblad (Kath., 5e jr.),
volksuitgave van De Standaard; Het laatste Nieuwe
(zeer verspreid, gematigd volksblad, 46e jr.). Benevens
deze organen verschijnen 1° drie Kath. bladen in de
Fransche taal: La Libre Belgique (conservatief,
de VI. Beweging niet genegen, 50e jr.); Le XXe
Siècle (Fransch nationalistisch, 39e jr.) en Le National
(43e jr.), volksuitgave van La Libre Belgique. 2° Vier
lib. bladen: LTndépendance Beige (in het buitenland
verspreid. 103e jr.); L’Etoile Beige (84e jr.), La Gazette
(zeer conservatief, 62e jr.) en La Dernièrc Heure
(boulevard- en sportblad, 28e jr.). 3° Een soc.: Le
Peuple (off. orgaan der soc. partij, 49e jr.). 4° Een
nat. conservatief: La Nation Beige (16e jr.). 5° Een
neutraal, zeer verspreid avondblad Le Soir (47e jr.).
6° E n Franschgezind boulevardblad : Midi (14e jr.).
Daarenboven zijn er Le Moniteur des Intéréts matérie ls
(38e jr.) en eenige veelgelezen beursorganen, zooals
L’Echo de la Bourse (53e jr.), L’lnformateur (16e
jr.) enz.
Te Antwerpen leest men zes Vlaamsche dag-
bladen: Het Handelsblad van Antwerpen (Kath.
Vlaamsch- en behoudsgezind, 89c jr.); De Gazet van
Antwerpen (zeer verspreid Kath. dem. Vlaamsch-
gezind, 43e jr.); De Morgenpost (Kath., 13e jr.),
plaatselijke uitgave voor Handel en Scheepvaart van
De Standaard; De Schelde (VI. Nat., 16e jr.); De
Nieuw r e Gazet (lib. volksorgaan, 36e jr.) en De Volks-
gazet (soc. volksblad, 16e jr.). In de Fransche taal
gesteld zijn: La Métropole (behoudend Kath. orgaan
der handelskr., 40e jr.); Le Matin (lib. anti-Vlaamsch
volksblad, 40e jr.); Le Neptune (lib., scheepvaart-
belangen, 30e jr.) en voor de zakenwereld L’Echo
du Soir, Le Lloyd Anversois, enz.
Te Gent bestaan vier Vlaamsche organen:
De Landwacht-Gentenaar (Kath. volksblad, 63e jr.);
Het Volk (volksblad, off. orgaan der Chr. Democratie,
42e jr.), w 7 aarin opgenomen De Tijd, De Gazette van
Gent (lib. 264e jr.) en Vooruit (soc., 49e jr.). Daarbij
twee Franschtalige: Le Bien Public (behoud. Kath.
en anti-Vlaamsch, 80e jr.) en La Flandre Libérale
(anti-Vlaamsch, 59e jr.). De provinciepers
is weinig ontwikkeld in het Vlaamsch gedeelte van
het land. Er zijn maar tw r ee dagbladen meer alg.
bekend: De Volksstem (Kath., cons., 39e jr.) te Aalst
en Het Belang van Limburg (Kath., le jr.) te Hasselt.
In het Waalsch gedeelte: o.a. dagbladen te Aarlen:
L’Avenir du Luxembourg (Kath., 36e jr.); te Charleroi:
Le Pays Wallon (Kath., dem., 43e jr.), La Gazette de
Charleroi (lib. 66e jr.), Le Journal de Charleroi
(soc., 88e jr.), Le Rappel (Kath., cons., 33e jr.) ; te
La Louvière: La Gazette du Centre (Kath., 3le jr.),
Les Nouvelles (lib., 36e jr.); te Luik: La Gazette de
Liége (Kath.), La Meuse (lib., 78e jr.), Le Journal de
Liége (lib., 69e jr.), L’Express (lib. progr., 42e jr.) en
La Wallonië (soc., 14e jr.); te Bergen: La Province
(lib., 27e jr.), Le Progrès (Kath., 25e jr.), Le Travail
(soc., 33e jr.) en L’Avenir (soc.,- 29e jr.); te Namen:
La Province de Namur (lib., 27e jr.) en Vers 1’Avenir
(Kath., 15e jr.); te Doornik: Courier de 1’Escaut
(Kath., beh., 104e jr.); te Verviers: Le Courrier du
Soir (Kath., 28e jr.), Le Jour (neutr., 40e jr.), Les
Nouvelles (lib., 37e jr.), Le Travail (soc., 33e jr.)
en La Presse flib., 6e jr.). Te Eupen verschijnen drie
Kath. in het Duitsch gestelde bladen: Eupener Nach-
richten, Eupener Zeitung (Chr. dem.) en Grenz-Echo
(pro -Belgisch).
Buiten deze Belgische bladen worden er veel vreemde
(meest Fransche) gekocht.
Er bestaat bovendien een krachtig op levende
479
Belgische politieke partijen
480
en veelgelezen weekbladpers, zoo in Vlaanderen als
in Wallonië. In Vlaanderen is deze vooruitgang, wat
het dagblad wezen en de weekpers betreft, vooral
merkbaar sedert den oorlog en houdt die gelijken tred
met de cultureele ontvoogding van de Vlaamsche
gemeenschap. Terwijl bijv. voor den oorlog aan de
internationale berichtgeving slechts geringe aandacht
werd besteed, bezitten de Vlaamsche bladen thans een
over het algemeen verzorgde rubriek buitenland. Een
opvallende gewoonte van den Belgischen krantenlezer
bestaat hierin, dat hij, in tegenstelling met wat bijv.
in Nederland geschiedt, waar ieder slechts zijn lijf-
blad leest, graag een handvol diverse kranten koopt
en zich vaak tevreden stelt met het lezen van de titels.
Het uitzicht van de kranten heeft diensvolgens veel
weg van de Fransche, al zijn ze, wat den inhoud betreft
(en dit is vooral waar voor de Vlaamsche bladen)
vaak degelijker, zonder dat ze daarom ook maar met
de Nederlandsche of Engelsche kunnen vergeleken
worden.
L i t. : Malou, Norioe statistique sur les journaux
beiges, 1830-1842 (Com. de Statistique, I); A. Warzée,
EBsai hist«»rique et critique sur les journaux beiges
(1845) ; Histoire de la Presse (Patria Bekrica, III 1875) ;
E. Bacha et R. Dupierreux, Périodiques beiges (1928) ;
Officieel jaarb. van de Belg. pers (1933) : Algemeen
adresboek van de Belg. pers (1932). Cordemans.
Belfiisehe politieke partijen.
I. De Katholieke partij. Wanneer in 1830 het
Nationaal Congres vergadert, bestaat er maar één
partij: de Unionistische, en maar één program: de
Vrijheid. De Kath. unionisten vragen de vrijheid van
godsdienst, van onderwijs, van vereeniging. Om de
vrijheid van godsdienst te bekomen, stemmen ze voor de
prioriteit van bet burgerlijk op het kerkelijk huwelijk.
De Kerk ontwikkelt zich, ze breidt het vrij onderwijs
uit, de invloed van den clerus stijgt. Th. Verhaegen
sticht in 1834 de Brusselsche Universiteit tegen de
pas heropgerichte Katholi ke Universiteit te Leuven
en richt de liberale partij in. Het unionisme zieltoogt,
wanneer de Theux in 1839 vrede sluit met Holland.
14 Juni 1846 vergadert te Brussel een liberaal congres.
Het vraagt: onafhankelijkheid van het burgerlijk
gezag, herziening van het kiesstelsel, openbaar onder-
wijs uitsluitend onderworpen aan het burgerlijk gezag.
De rechtsche unionisten, steeds het oude unionisme
toegedaan, vormen geen partij. De Kerk staat afzijdig
en Rome (Encycliek Mirari vos, van Gregorius XVI)
had te kennen gegeven, dat, van leerstellig standpunt
uit, de Belgische liberale wetgeving nu juist geen
meesterstuk was. De splitsing der partij in parlemen-
taire behoudsgezinden en aanhangers eener herziening
van de grondwet, op zuiver Kath. grondslag, was
dadelijk gevolgd. Inmiddels triomfeeren Rogier en
Frère-Orban den 12en Augustus 1847 en telt men in
de Kamer 23 unionisten tegenover 85 leden der re-
geer ingspartij. De liberalen blijven aan het bewind,
met een korte onderbreking (van 1855 tot 1867), wan-
neer De Decker bet laatste unionistische, bijna homo-
geen conservatieve ministerie vormt, dat ontslag moet
nemen, omdat het zich naar aanleiding van eene wet
op „de doode hand” verzet tegen de „émeute des gants
glacés”. In 1857 triomfeeren de liberalen andermaal
met 70 gekozenen tegen 38, terwijl Malou vruchteloos
poogt de conservatieven in zijn Association
constitutionnelle et conservatie-
v e te organiseeren, op basis van het oud unionistische
program. Haar afzijdigheid prijsgevend, neigt de
geestelijke overheid thans naar samenwerking met de
behoudsgezinde partij, die tusschen haar en de regee-
ring kan optreden, en bevecht de anti -godsdienstige
candidaten. De jeugd heeft alle ideologie s la Lamen-
nais prijs gegeven, erkent de grondwet en wil de Kerk
tegen haar aanvallers verdedigen. Ducpétiaux orga-
niseert Kath. congressen in 1863, 1864 en 1867, waar,
al staan die theoretisch buiten de politiek, de grond-
slagen eener uitgesproken Kath. partij worden gelegd
en de oprichting van Kath. kringen aangeprezen.
Nochtans zal de partij officieel tot 1884 conservatieve
partij blijven heeten. In 1859 ontstaat te Antwerpen
de M e e t i n g p a r t ij met Jacobs en de eerste
Flaminganten De Laet en Coremans, die op een anti-
militaristische lijst Kath. overwinningen viert, en
ruimschoots het hare bijdraagt om in 1870 de conser-
vatieven aan het bewind te helpen. Tot 1878 regeert
Malou voorzichtig en gematigd, niettegenstaande de
strijdlustigheid van de jongeren en de pers. Wanneer
hij in 1878hct bewind aan de liberalen moet overmaken,
verklaart hij „nous avons vécu”. De aantredende re-
geering Frère-Orban bindt den strijd aan op school-
gebied en wil het openbaar onderwijs uitsluitend onder
staatstoezicht brengen. De geestelijkheid eischt daar-
tegenover het recht op. het onderwijs in den godsdienst
buiten alle inmenging te regelen. In 1879 (Van Hum-
beek, Bara) wordt de „ongelukswet” aangenomen,
Frère-Orban breekt met het Vaticaan, de geestelijk-
heid reageert scherp, over geheel het land wordt met
groote geestdrift gewerkt aan de inrichting van het
vrij onderwijs. Overal rijzen schoolcomités uit den
grond en worden de niggcgraat der Kath. partij, die
op 7 Juni 1884 met een groote meerderheid zegeviert.
Malou formuleert zijn program: godsdienstvrede,
verstandhouding met het Vaticaan, goedmaken wat
in 1879 werd verkorven en orde brengen in het geld-
wezen. Maar de Katholieken zijn het niet eens over de
herziening van de schoolwet. Malou wil gemeentelijke
en vrije scholen subsidieeren , Woeste wenscht de ge-
meentescholen door aangenomen scholen te vervangen.
Woeste haalt het, liberaal straatrumoer breekt los,
Jacobs, Woeste en Malou gaan heen. Aug. > Bcemaert
volgt hen op (1884), behandelt het schoolvraagstuk
met voorzichtigheid en bewerkt toenadering tot het
Vaticaan. Hij regelt de Kongokwestie met Leopold
II, maar stuit op geweldig Kath. verzet tegen een ont-
werp op den persoonlijken dienstplicht, dat verworpen
wordt, terwijl de forten langs de Maas worden goed-
gekeurd. De economische crisis, oorzaak van geweldige
en krachtdadig onderdrukte stakingen, leidt naar een
onderzoek naar de arbeidstoestanden, die de nood-
zakelijkheid van maatschappelijke hervormingen aan-
toonen. Becmaert’s sociale politiek jaagt echter de
censitaire burgerij in het harnas. De minister ziet in,
dat het kiesstelsel moet gewijzigd worden, wil men
sociale hervormingen mogelijk maken. In 1891 grond-
vest Arth. Verhaegen de Ligue démocrati-
q u e beige en stichten Helleputte, Carton de
Wiart en de Broqueville La Justice sociale.
Tegen het conservatisme van Woeste stellen ze een
sociaal program: beroepsorganisatie, regeling van den
arbeid, alg. stemrecht op 25-jarigen leeftijd met
evenredige vertegenwoordiging, verplicht onderwijs
met vrije keuze der school. In 1892 wordt de grondwet
herzien, in 1893 (A. Nyssens) meervoudig stemrecht
ingevoerd en in 1894 gaat Beernaert heen na den gods-
dienst hersteld, het geldwezen gesaneerd, ’s lands
verdediging verzekerd en de sociale wetgeving inge-
BELGIË
De „Hérou" met de rivier de Ourthe.
De Semois te Poupehan gezien van de Chaire-a-prêcher.
Panorama bij Cugnon aan de Semois.
De Ourthe bij Laroche.
De Lesse in de omgeving van Chóteou d’Ardenne.
De Semois bij Auby.
BELGIË
Brugge. Brug van het begijnhof.
Waschvrouwen in een straat te Bouillon.
ft
Het kasteel van Walzin.
Het meerendeel der landschapfoto’s van België is welwillend ter beschikking gesteld door den Belg.-Luxemb. Dienst
voor Toerisme te Brussel.
481
Belgische politieke partijen
482
leid te hebben. De intrede van 33 socialistische kamer-
leden en de verplettering der liberalen roepen in 1894
een nieuwen toestand in bet leven. De meerderheid
reageert en neemt een wet aan op het verplicht gods-
dienstonderwijs in de scholen en een wet op de gemeen-
teverkiezingen, terwijl de sociale hervormingen, door
Beernaert aangekondigd, op zich laten wachten. Meteen
rijst een conflict tusschen de behoudsgezinden (Katho-
lieke Vereenigingen en Kringen) en de sociale Katho-
lieken over de politieke organisatie der partij en de
vertegenwoordiging der democraten, daar Woeste
zich tegen elke fractioneele opvatting der partij ver-
zet. De extremistische democraten vragen afzonder-
lijke organisaties en lijsten ( > Daens), maar de meer-
derheid sluit overeenkomsten met de conservatieven
voor de verkiezingen. Onder de Smet de Naeycr (1900)
wordt de evenredige vertegenwoordiging ingevoerd.
Ze wijzigt grond ig het uitzicht van de Kamer. De Kath.
meerderheid valt van 68 op 20 zetels, de liberalen
herstellen zich eenigermate (33 zetels) en de socialisten
keeren met 32 leden terug. De Kath. democratische
groep is sterk aangegroeid en bedingt, niettegenstaande
Woeste’s terughoudendheid, sociale hervormingen.
Thans stijgt de wrijving tusschen democraten en con-
servatieven ten top, wanneer (1902) minister Fran-
cotte, een behoudsgezinde, als minister van Nijver-
heid en Arbeid wordt verkozen boven een democratisch
kamerlid, welk feit bijna tot scheuring in de rangen
leidt. In 1907 is de exclusive tegen de democratische
ministers opgeheven, Helleputte en Renkin worden
met een portefeuille belast. De persoonlijke dienst-
plicht wordt door Schollaert ingesteld en een nieuwe
schoolwet ontworpen op basis van den „schoolbon”,
die zou toelaten aan alle scholen gelijken steun toe te
kennen. Meteen zou het onderwijs tot 14 jaar verplicht
gesteld worden. Woeste is niet geestdriftig, de linker-
zijden verwekken straatrumoer, de Kath. meerderheid
slinkt tot zes stem bij de verkiezingen en Schollaert
treedt in 1911 af. In 1912 sluiten liberalen en socia-
listen een kartel tegen de nieuwe regeering de Broque-
ville, die de meerderheid der partij, na 27 jaren be-
wind, van 6 tot 12 stem op voert. In Mei 1913 wordt
de wet op den algemeenen dienstplicht aangenomen.
Op den vooravond van den oorlog eischen de socialis-
ten eenvoudig alg. stemrecht, stakingen breken uit.
maar de regeering belooft een commissie van onder-
zoek naar de mogelijkheid eener grondwetsherziening
te zullen instellen. De rust keert weer, minister Poul-
let (1914) wijzigt het schoolwetsontwerp Schollaert
en het verplicht onderwijs wordt aangenomen. Onder
den oorlog treedt de oppositie tot de regeering toe,
na den oorlog komt een drieledige regeering onder
Kath. leiding tot stand (alg. stemrecht, afschaffing
van art. 310). Na de verkiezingen van 1919 hebben
de Katholieken nog slechts 73 vertegenwoordigers
op 186. Geen partij beschikt over de meerderheid.
De Vlaamsche fractie is thans, naast de behoudsge-
zinde en de democratische fractie, ccn macht geworden
in de partij, terwijl de Boerenbond groote uitbreiding
neemt. De partij wordt heringericht op grondslag van
de „standsorganisatie . In 1919 ontstaat het Alg e-
meen Christen Werkersverbond uit
de vroegere Liga en in 1921 wordt de formule, die
Woeste steeds had bestreden, aanvaard en komt de
Katholieke Unie tot stand bestaande uit:
1° de Federatie der Katholieke Vereen ingen en Krin-
gen, 2° het Algemeen Christen Werkersverbond, 3° de
Boerenorganisaties en 4° de Landsbond van den Chris-
ten Middenstand. Ze staan onder de leiding van een
centraal bureel tot eenmaking der Katholieke actie
en tot bevordering der verstandhouding onder de
fracties. In de jongste jaren bewerkt de Vlaamsche
fractie met Van Cauwelaert de verwezenlijking van het
Minimum-program: Vlaamsch in het bestuur (Taal-
wet 1921 en 1932), Vlaamsch in het onderwijs (Gent
vervlaamscht in 1930), in het leger, terwijl het ont-
werp op de vervlaamsching van het gerecht bij de
commissie in behandeling is. Meteen werd een aantal
sociale wetten o.a. op de sociale verzekeringen aange-
nomen onder minister Heyman. Het streven naar meer
eendracht tusschen de verschillende schakeeringen van
de partij is in ruime mate geslaagd.
B i t : P. Verhaegen, La lutte scolaire cn Belgique
(Gent 1905) ; do Trannoy, Jules Malou (Brussel 1905);
id., Vingt-einq annóes de Gouvernement (Brussel 1910) •
Moreau, A. Dechamps (Brussel 1911); A. Verhaegen]
Vingt-einq années d’a^tion sociale (Brussel 1912);
Bellemans, Victor Jacobs (Brussel 1913); Van der’
Smissen, Beernaert et Leopold II (Brussel 1920) •
Rubbens, Ducpétiaux (Brussel 1922) ; Woeste, Mémoires
(Brussel 1927—1933); id., Histoire de la Belgique
contemporaine (3 dln. Brussel 1928—1930); Mélot, Le
parti cathoiique en Belgique (Leuven 1933).
Cordemans.
II* De liberale partij. De vrijzinnigen kleven, in
de erste jaren na 1830, het unionisme aan, dat in het
teeken der „vrijheids”-beginselen staat. Omstreeks
1840 teekenen de verschillen tusschen rechts en links
zich scherper af. In 1846 roepen Verhaegen en Defacqz
tc Brussel een liberaal congres bijeen, dat de onder-
linge geschillen in de partij uitroeit en de liberalen
naar het anticlericalisme en het laïcisme drijft. De
verkiezingen van 1847 geven hun de meerderheid.
Rogier en Frère-Orban regeeren autoritair, centrali-
seerend en anticlericaal. De liberalen prenten hun
stempel op de periode, die van 1847 tot 1870 strekt,
slechts kortstondig onderbroken (1855—1857) door de
regeering-De Decker, die onder drukking van liberaal
straatrumoer moet heengaan. In 1848 weet de regeering
den vrede te bewaren in een bewogen periode, maar
in 1850 verwekt een wet op het middelbaar onderwijs
scherp Katholiek verzet. In 1860 schaft Frère-Orban
het octrooi af en in 1863 koopt Rogier de Schelde vrij.
Het militaire program der regeering stuit op protest
en in 1870 moet ze onder algemeene afkeuring heen-
gaan. De partij is verdeeld in jongo extremisten, die
de wet van 1842 op het lager onderwijs willen ver-
scherpen in anticlericalen zin, en de meer gematigde
elementen. Na acht jaar keeren de liberalen weer met
Frère-Orban, die enkele progressisten in zijn ministerie
opneemt. Gedurende zeven jaar zal hij op schoolgebied
een geweldigen strijd voeren tegen de Katholieken.
De Schoolwet van 1879 (Van Humbeek, Bara) ont-
neemt aan de gemeenten het recht om de vrije scholen
aan te nemen, enkel gediplomeerden uit staatsscholen
kunnen nog aangesteld worden in officieele scholen
en het verplicht godsdienstonderwijs wordt afgeschaft.
De schooloorlog woedt met groote bitterheid. Orban
breekt met het Vaticaan. In 1883 krijgt hij het aan
den stok met Janson, die den kiescijns wil afschaffen,
geraakt in groote financieele moeilijkheden verstrikt
en moet met zijn partij voorgoed van het tooneel
verdwijnen, wanneer in 1884 de onderling kijvende
liberale progressisten en conservatieven, die de
Katholieken hebben vervolgd en de belastingen ver-
zwaard, een geweldige nederlaag lijden. Bij de invoe-
ring van het meerderheidsstelsel is de partij den
rr. i«
483
Belgische politieke partijen
484
ondergang nabij, de evenredige vertegenwoordiging
zal later (19001 verbetering brengen. Inmiddels worden
de jaren doorgebracht met getwist tusschen voor-
standers en tegenstanders van het zuiver alg. stem-
recht. Eerst in 1902 keert eenheid weer in de partij,
die haar program als volgt formuleert: verplicht
openbaar onderwijs, vrij van eiken confessioncelen
invloed, afschaffing van de plaatsvervanging, eerlijke
verdeeling der militaire lasten, politieke gelijkheid
doorevenredigevertegenwoordiging, sociale wetgeving.
In 1909 wordt de persoonlijke dienstplicht door
Schollaert ingevoerd met instemming der liberalen,
die echter ten strijde trekken tegen den „schoolbon’
en samenwerking met de socialisten zoeken. Na het
heengaan van Schollaert rijpt de kartellistische poli-
tiek op basis van het eenvoudig algemeen stemrecht,
gekoppeld met integrale evenredige vertegenwoor-
diging op 25-jarigen ouderdom, maar ze berokkent
den linkschen partijen een gevoelige nederlaag in 1912.
De socialisten uiten hun woede in een algemeene
staking, die den liberalen erg ongelegen valt. Minister
de Broqueville belooft een onderzoeks-commissie
te zullen instellen, om een algemeen aanvaardbare
formule te zoeken.
Onder den oorlog treden de liberalen tot de regeering
toe en geven hun steun, na den vrede, aan een kabinet
van Mtionale Unie en vormen nadien met de Katho-
lieken de opeenvolgende regeeringen met uitzondering
van de democratische regeering in 1925. Het anticle-
rica lisme der liberale leiders is thans eenigermate
gebreideld, al blijft de oude geest heerschcn in zekere
milieu's, bijv. in den Brabantschen provincieraad.
Het zuiver algemeen stemrecht is den liberalen
niet gunstig geweest: op 187 Kamerleden telden zij
sinds den oorlog achtereenvolgens: 34 (1919), 33 (1921),
23 (1925), 28 (1929) en 24 (1932) gekozenen.
Lit. : Th. Juste, Joseph Lebeau (Brussel 1865);
Th. Juste, Eug. Dcfacqz (Brussel 1878); L. Hymans,
Histoire parlementaire de la Belgique (1878 191 B) ;
Discailles, Charles Rogier (Brussel 1892) ; P. Hymans.
Frère-Orban (Brussel 1911) ; Van Kalken, Th. Verhaegen
(Brussel 1927); A. Devise, Un Siècle de libéralisme
(Brussel 1930) ; P. Hymans, Le parti libéral de 1909 a
1928 (Brussel 1933). Cordemans.
III. De socialistische partij, officieel benaamd
Belgische Werkliedenpart ij (B.W.P.;
Parti ouvrier beige, P.O.B.).
Ontstaan. De socialistische partij in België werd
gesticht op 15—16 Augustus 1885 te Antwerpen.
De eerste pogingen tot oprichting eener socialistische
beweging, reeds vroeger gedaan (o.a. te Brussel in
1847 op het initiatief van Marx en Engels), hadden
geen blijvend resultaat; in 1877 ontstond te Gent een
Vlaamsche socialistische partij, en een weinig later te
Brussel een Brabantsche soc. partij, die versmolten,
in 1879, tot een Belgische soc. partij. Daarnaast ont-
stonden allerlei arbeidersvereenigingen met verschil-
lende doeleinden (syndicaten, coöperatie, mutuali-
teiten), maar zonder politieke kleur. Men trachtte hen
alle in een organisme onder te brengen, dat men,
om tactische redenen, de B.W.P. noemde: ondanks
herhaald verzet, en al heeft de B.W.P. een uitgesproken
socialistisch karakter en wilde zij van den beginne af
ook niet-arbeiders winnen, bleef de naam gehand-
haafd.
Het programma dagteekent van het congres
der B.W.P. te Quaregnon (1893) en is rechtstreeks
geïnspireerd door het Erfurter-programma, en langs
dit laatste om, door het „Communistisch manifest”
van Marx. Toch is het zoowel in zijn beginselverkla-
ring als in zijn actieplan van eerst af met revision-
istische ingrediënten gemengd. Van der Velde roemt
er steeds op, dat het Belgische socialisme den invl ed
onderging en weerspiegelt, zoowel van Fransche en
Engelsche, als van Duitsche socialistische richtingen.
In de beginselverklaring vindt men de strakkere
Marxistische lijn, terwijl het actie-plan onderscheid
maakt tusschen een algemeen (meer verwijderd) pro-
gramma en een programma van onmiddellijke toe-
passing. Dit laat aan de B.W.P. een politiek van soepele
aanpassing toe, die zij met realistisch opportunisme
steeds getrouw bleef. De statuten der B.W.P. onder-
gingen ook vaak veranderingen, die echter nooit den
geest betroffen, maar de structuur nader bepaalden.
In November 1933 heeft H. De Man een nieuw actie-
programma ontworpen, dat door den raad der partij
werd aanvaard, en op het volgende congres (Kerstmis
1933) zal voorgelegd en bekrachtigd worden. In hoofd-
zaak beoogt het de concentratie van alle anti-kapita-
listische lagen der bevolking (ook middenstand,
boeren en onafhankelijke nijverheid) tegen de over-
heerschende macht van het financie-kapitaal; daarom
voorziet het de nationaliseering van het credietwezen,
die automatisch meebrengen zal de controle der ge-
meenschap over die takken der industrie (mijnen,
metaal-, electriciteits-, chemie-nijverheid), die thans
rechtstreeks onder leiding staan van het bankkapitaal.
Alle andere vormen van eigendom blijven geëerbiedigd.
Meteen voorziet dit plan een geleidelijke reabsorbee-
ring der werkloozen. (Le Peuple: 16 November 1933.)
Huidige inrichting. De B.W.P. is, in tegenstelling
met bijv. de Fransche socialistische partijen, niet
louter een politiek organisme, maar de politieke uit-
drukking en verlenging van een complex van socialis-
tische inrichtingen. Op een dubbele basis vormt zij
de centraliseerende federatie dezer inrichtingen:
1° zij groepeert nationaal de gewestelijke afdeelingcn,
bestaande uit de locale groepen, waartoe belmoren al
wie lid zijn van een of ander socialistisch werk (syndi-
caat, coöperatief, enz.). De provinciale tusschenschakel
tusschen nationale organisatie en gewestelijke afdee-
ling is aanwezig, doch heeft geen beteekenis.
2° Zij omvat de economische werken der partij,
nl. a) De syndicaten (arrondissementsfede-
raties), op hun beurt georganiseerd per streek en per
beroep (Beroepscentrales). Zij vormden steeds de
grootste macht van en in de B.W.P. en bereikten
in 1920 tot 718 000 leden, doch daalden geleidelijk tot
528 380 (einde 1929). Ze worden geleid door de „Syn-
dicale Commissie”.
b) C o ö p e r a t i e, in den beginne door de
socialisten als financieele hulp voor hun organisatie
en als middel tot verovering der arbeiders aangewend,
o.a. door Anseele met zijn „Vooruit” te Gent, en
machtig uitgebouwd. Sedert 1900 bestaat de Federatie
der Coöperatieven, die tot nu toe voortstreeft en voort -
streven moet naar centralisatie der plaatselijke of
gewestelijke, soms concurreerende coöperatieven.
Telde in 1930: 282 425 leden en maakte een zakencijfer
van ruim 800 millioen frs. Naast verbruikscoöpera-
tieven (winkels, volkshuizen, aptheken), ook eigen
productie [bakkerijen, brouwerijen, fabrieken, eigen
visscherij („Roode Vloot”) enz.]. Bovendien twee
banken, een spaarkas en een verzekeringsmaatschappij.
Deze economische inrichtingen, op kapitalistische
leest geschoeid en naar kapitalistische wijze beheerd „
485
Belgische politieke partijen
486
STERKTE DER PARTIJEN IN DE BELGISCHE KAMER (187 LEDEN) IN=
1 1 Katholieken. B& foa sociaal dem. Communisten
nmai liberalen. i=3 vl. National. onaehankel.
hebben vaak scherpe critiek uitgelokt van de zijde
der radicalen.
c) Mutualiteiten: de werken voor onder-
linge verzekering tegen ziekte. Centraal georganiseerd
in het Nationaal verbond der socialistische mutuali-
teiten. In 1931 waren er 493 240 gezinshoofden bij
aangesloten.
d) O pleidingswerken: zeer uitgebreide,
degelijk-ingenchte pers; eigen uitgeverij De Wilde
Roos te Brussel; een centraal organisme voor arbei-
dersop voeding (C.A.O.) met arbeidershoogescliool
en gewestelijke en locale cursussen. De jeugdwerken
zijn niet in één organisme ondergebracht (Jonge
Syndicaten, Roode Wachten, Roode Valken) en ook
met sterk ontwikkeld; in den laatsten tijd werd echter
een groote krachtinspanning gedaan om zoowel de
kinderen (Kindervriendenbeweging naar het model
der Duitsche „K inderf reunde”) als de jeugd en de
vrouwen (wier organisatie ruim 100 00Ö leden telt,
maar weinig vitaliteit vertoont) voor het socialisme
te winnen.
De B.W.P. in haar geheel telde in 1931: 631 129 aan
betalende leden, cijfer dat licht overdreven is, daar er
dubbels in voorkomen. Zij maakt deel uit van de 2e
Internationale, waarvan haar leider, Em. Van der
Velde, voorzitter is.
3° Bestuur. Zetel te Brussel (Maison du
Peuple). De B.W.P. wordt bestuurd door a) het
congres; vergadert regelmatig om de twee jaar (vroeger
jaarlijks) en soms in buitengewone zitting, en telt
ongeveer 800 leden, b) De algemeene Raad: meer
beperkt, c) Bureau van den Alg. Raad, 17 leden, d) Se-
cretariaat van den Alg. Raad: uitvoerend organisme.
4° Oordeel. Men onderscheidt in de geschiede-
nis der B.W.P. twee phasen: a) Van 1885 tot 1914:
gestadige groei te midden van heeten strijd, waarin
zij, ter verovering van het algemeen stemrecht en
van kortoren arbeidsduur, meermalen gebruik maakte
van algemeene staking (o.a. in 1892, 1893, 1899, 1992,
1913) en van parlementaire obstructie, en vooral in het
begin openbare onlusten (1886 te Luik, 1902 o.a. te
Leuven) uitlokte. Naarmate zij echter in macht
toenam, verzwakte dit revolutionnair karakter, en
streefde zij een geleidelijke hervorming na der
bestaande instellingen, b) Ti dens den oorlog namen
hare leiders zitting in de Nationale Regeering en ook
na den oorlog maakten zij tot in 1926 meermalen deel
uit van regeeringscombinaties. Onmiddellijk na den
oorlog werd het algemeen stemrecht ingevoerd, alsook
de acht-uren-arbeidsdag. Het reformistisch karakter
der B.W.P. uitte zich dan volkomen in het streven
naar een uitbouw der sociale wetgeving en naar verdere
democratiseering op politiek en economisch gebied,
binnen het raam van het kapitalistisch stelsel. Tegen
dit reformisme, dat dreigt de ziel van het socialisme te
verliezen, terwijl het de wereld wint, kwam critiek
o.a. van den beroemden Belgischen socialist H. De
Man, en in den jongsten tijd vooral ook weer van
jongere elementen, die meer naar het communisme
overhellen, en één front ermee zouden willen opstellen.
Dank aan haar machtige, goed-ineengevlochten
organisaties, haar sterke financieele basis, haar staf
van vooraanstaande leiders, waarvan de meesten uit
de burgerij óverkwamen, is de B.W.P. tot hoogen bloei
gekomen: haar invloed reikt nog verder dan haar
ledental; bij de laatste wetgevende verkiezingen
(1932) behaalde zij 866 817 stemmen (37,1% van het
totaal). In alle officieele lichamen is zij vertegenwoor-
digd; in twee provincies heeft zij de volstrekte meerder-
heid, evenals in vele gemeenten!! Toch schijnt voor haar
het hoogtepunt bereikt; haar wervingskracht is uit-
geput en innerlijke spanningen verlammen hare
actie. Hoewel voorstanders der republiek in beginsel,
heeft de B.W.P. zich aangepast aan de grondwettelijke
monarchie, zooals zij in België bestaat; aan het
Vlaamsche rechtsherstel heeft zij nooit bijzondere
aandacht of toewijding geschonken; hare macht bestaat
overwegend uit Waalsche leden en leiders. Tegenover
den godsdienst huldigt zij in haar programma het
slagwoord: „Godsdienst is privaatzaak” (gewetens-
zaak, vertaalt Van der Velde) wat echter in feite
samengaat met een nu eens bedekte, dan weer meer
openlijke godsdienstvijandigheid, die vooral in het
Waalsche land nog tot vinnig anticlericalisme over-
slaat. Op internationaal gebied streeft de B.W.P.
naar beperking der bewapeningen en uitbreiding van
de macht van den volkenbond, wat haar niet belette
de legeruitgaven in België goed te keuren; slechts in
487
Belgische Volksbond — Belgisch rundvee
488
de laatste jaren openbaart zich in haar schoot een meer
extremistisch anti-militarisme, dat o.a. dienstweige-
ring propageert.
L it. : Bertrand, Histoire de la démocratie et du
socialisme en Belgiquw; Destree- Van der Velde, Le
Socialisme en Belgique; Van der Velde, Na-oorlogsch
Socialisme (Brussel 1921); id., Le Parti Ouvner Beige,
1885—1925 (Brussel 1925,; Rapports des Congres du
P.O.B. (het laatRte: Brussel 1981). V. Gestel.
IV. De Frontpartij of Vlaamsch natio-
nalistische part ij. In 1917 werd door
VI. frontsoldaten een groepeering gesticht onder lei-
ding van een ruwaard om zich te verweren tegen ver-
drukking en een opbouwende actie te voeren op zedelijk
en cultureel gebied. Na den oorlog ontstond een politie-
ke partij, die den strijd begon voor een radicale op-
lossing van de Vlaamsche Beweging. De vorm van de
na te streven oplossing werd nooit zeer duidelijk om -
schreven: administratieve scheiding van Vlaanderen
<en Wallonië, federalisme onder één Vorstenhuis,
Groot-Nederland, eindelijk Groot-Dietschland worden
óf wel tezelfdertijd óf wel achtereenvolgens voorge-
gesteld. Een ontwerp federaal statuut werd door de
gekozenen in de Kamer ter tafel gelegd. De partij had
echter met moeilijkheden te kampen, omdat de orga-
nisatie eenheid miste: hier was ze Kath., daar neutraal,
ginds vrijzinnig op godsdienstig gebied, en ook de
programma’s der afdeelingen verschilden grondig.
Deze oneen igheid trad vooral aan den dag, toen het
Groot-Nederlandsche streven van den een met meer
overeen te brengen leek met het Belgisch federalisme
van den ander. De opkomst van het Dietsch Nationaal
Solidarisme (Dinaso), met zijn invloed op de jeugd,
word ten slotte in 1933 oorzaak van de ontbinding der
partij, die op nieuwen grondslag wordt heringericht.
Uitsluitend in aanmerking komende voor het
Vlaamsche gedeelte van het land, telde de Frontparti.
in de Kamer achtereenvolgens 5 (1919), 4 (19J1), b
(1925), 11 (1929) en 8 (1932) gekozenen.
V. De communistische partij. Gesticht in 1918
door Jacquemotte, trad ze in Februari 1921 1. 1
de 3 Internationale toe. In 1925 oogst ze
34 000 stemmen en 2 gekozenen. In 1926 ontstaat
scheuring tusschen Stalinisten (Jacquemotte) en
Trotskvsten (Van Overstraeten). De eerste werd her-
kozen te Brussel, de tweede verdween van het toonee .
In 1932 telde de partij drie gekozenen (Brussel, Luik
en Charleroi). Cordemans.
Belgische Volksbond, op 2 Febr. 1891 te
Leuven gesticht. Hij vervangt de Federatie van Katho-
lieke Werklieden vereen igingen, welke tot stand was
gekomen na het Katholiek Congres van 1867 en welke
een zeer los verband had gelegd tusschen de burger-
lijke leiders van de eerste Katholieke sociale werken.
De B. V. vereenigt in een Federatie de Katholieke
democratische inrichtingen van het land en onder-
steunt de Christelijke volkswerking op alle gebied.
De Belgische Volksbond stelt zich ten doel om den
stoffelijken toestand der arbeiders te verbeteren, hen
zedelijk te verheffen en aan de arbeiders een politieke
vertegenwoordiging te schenken. Jaarlijks wordt een
congres gehouden en tevens is door de B.V. het initia-
tief genomen tot verschillende stichtingen, waaruit
de Christelijke arbeidersbeweging van België is ge-
erroG id •
In 1904 wordt, met steun van denB.V., het Algemeen
Secretariaat der Christelijke Vakvereenigingen pe-
iticht, onder de leiding van E. P. Kutten. In 1900
worden de Federaties van Mutualiteiten m een Lands-
bond samengetrokken. Als leiders van den B. '- 2 '! 11
in het bijzonder te vermelden de stichters: minister
Helleputte en baron Arthur Verhagen.
Na de grondwetsherziening van 1893 beeft de B.V.
voor de werklieden bet recht opgevorderd om eigen
candidaten voor te stellen op de gemeenschappelijke
Katholieke lijsten. Na jaren van strijd is de voor-
zitter M. Arthur Verhaegen er in geslaagd om, dank
zii de tusschenkomst van het Vaticaan, cl it recht te
doen erkennen. Alzoo heeft de B.V. een ponten in-
vloed uitgeoefend op de democratische hervorming
van de Katholieke Partij in België. Hij beeft het
Katholiek sociaal programma nauwkeurig omschre-
ven, gezag verworven voor de werklieden op politiek
gebied, bet organisatiewerk ingezet en voorbereid.
Na den Wereldoorlog was de B. V. uitééngerukt.
Meerdere leiders, waaronder de bezieler van de orga-
nisatie, baron Arthur Verhaegen, waren overleden. Op
19 Juli 1921 werd door de overlevende bestuursleden
de taak van den B.V. overgedragen aan een nieuwe
Christelijke arbeidersorganisatie: het Algemeen Chris-
ten Werkersverbond. De beproefde werkers van bet
eerste nur en de leidende figuren van den Volksbond.
Gustaaf Eylenbosch, Cvriel Van Overbergh en pater
Rutten gingen over in het Bestuur van het Algemeen
Christen Werkersverbond, waarvan M. Hendrik
Hevman tot voorzitter en E. II. dr. Louis Co lens tot
Algemeen Secretaris werd verkozen. Segers.
Belgisch Kongo, > Kongo (Belgisch).
Belfjistdi Museum voor do Nederduitsche taai-
en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands,
II e t, Vlaamsch tijdschrift (Gent 1837— ’46), door Jan
Frans Willems uitgegeven op last der Maatschappij
tot bevordering der Ned. Taal- en Letterkunde.
Benevens oorspronkelijke gedichten, bevat het hoofd-
zakelijk oude teksten en archiefstukken, bijdragen
over de letterk. der middeleeuwen en der rederijkers.
Thans nog waardevol materiaal. A. Hoon.
Bclfjisch rundvee. Ofschoon België zeer rijk ts
aan rundvee, staat de fokkerij nog op vrij laag peil,
in tegenstelling met de paardenfokkerij. Veel vee is
geïmporteerd uit Nederland, met het doel de melk-
productie te bevorderen, en uit Engeland (Shorthorns),
om de vleeschproductie te verbeteren. Hiermee wordt
zuiver gefokt of gekruist. Omstreeks 1900 is men
begonnen meer aandacht te schenken aan de verbete-
ring van den rundveestapel; de wereldoorlog heeft
dit pogen in de war gestuurd en pas in de laatste jaren
wordt met meer energie de verbetering aangepakt.
Behalve de vele kruisingen en de Nederlandsche voo-
rassen vindt men er thans de volgende rassen, die als
zuiver worden erkend: 1° het roode Vlaamsche ras
in West- Vlaanderen, hetzelfde vee als in West-
Noord- Frankrijk wordt aangetroffen; geheel (liefst
donker) rood van kleur, soms met enkele witte vlekken,
vrij zwaar van bouw, melkvleeschtype. In de streek
van Veurne-Ambacht is het meer in de vleeschrichting
gefokt (invloed van Shorthomkruisingen); 2° het rood-
bonte Oost-Vlaamsche ras in Oost-Vlaanderen,
Luxemburg, Namen en Luik voorkomend; melk-
vleeschtype; op de goede grondsoorten vrij zwaar,
op de minder goede gronden kleiner en schraler;
3* het Kempische ras, roodbont van kleur, vooral
voorkomend in de zand- en heidestreken; nauw ver-
want aan het Hollandsche Maas-Rijn-lJsel-veeslag;
4° het blauwe ras, vooral voorkomend in Oost- Vlaan-
deren, Brabant en Henegouwen; meer in de vleesch-
489
Belgrade — Belgrado
BELGRADO
490
richting gefokt; kleur en type wijzen nog sterk op
Shorthornkru ising ; ideale kleur is blauw, maar ook
wit, witbont en zwartbont komen veel voor; 5° ras
van het land van Herve (prov. Luik), zwartbont van
kleur, zeer verwant aan het zwartbont Hollandsch
vee. Aan het Ministerie van Landbouw is verbonden
een Technische Comiteit voor Veeteelt, dat de geheele
leiding heeft bij het bestudeeren en nemen van maat-
regelen voor de veeverbetering. Een bijzonder insti-
tuut voor huisdierkunde, gesteund door den Staat en
geholpen door zgn. keurkweekerijen, doet hoofdzakelijk
wetenschappelijke onderzoekingen. De staat steunt
verder door subsidies de prov. verbonden voor kweek
syndicaten, de veeteeltsyndicaten, de prov. prijs-
kampen en de prov. en nationale tentoonstellingen.
Verder kent men in België ook den voorlichtingsdienst,
die wordt uitgeoefend door staatsveeteeltconsulenten.
Verhey.
Belgrado, gem. in de prov. Namen, aan de Sam-
bre, ten N.W. van Namen; 2 000 inw., grootendeels
Kath.; opp. 288 ha; landbouw.
Belgrado (Servisch Beograd = witte burcht),
hoofdstad van Zuid-Slavië en van de banowina B.,
op de uitloopers van het Servische heuvelland gelegen]
aan de samenvloeiing van San en Donau (44° 48' N.,
20° 30' O.); 241 642 inw. (1931). B. is een middelpunt
van land- en waterwegen en daarom van groote stra-
tegische en economische beteekenis, in het bijzonder
belangrijk als toegangspoort tot het Morawadal, waar-
door de wegen gaan naar Stamboel en Saloniki. De
oude burcht (thans kazerne) ligt aan den mond van
de Sau en wmrdt van de stad gescheiden door het
park Kalimegdan. In de oude stad vindt men de thans
gemoderniseerde voormalige Turksche wijk Dortsjol
en aan de Sau de los- en laadplaatsen der rivierbooten.
B. is residentiestad; tevens zetelen hier de regeering,
de volksvertegenwoordiging (Skoeptsjina), de ver-
schillende gezanten, de patriarch der Servische
Orthodoxe Kerk, een Kath. aartsbisschop, een Moham-
medaansche grootmoefti en de opper-rabbijn der
Joodsche Kerk in Servië. B. heeft een universiteit,
een militaire academie en verschillende bibliotheken.
Naast een drukken handel bezit B. ook vrij veel indus-
trie, o.a. houtbewerking en bereiding van meel,
spiritus, leer en bier. Hnek.
Belgrado is al een bisdom sinds de 4e eeuw; 1924
tot aartsbisdom verheven met den titel van Semendria.
Kunst. In de oude stad de moskee Barjah. in
de 10e eeuw door sultan Soeleiman (Soliman) opgericht,
en de keizer-Ka rel -poort (1719). In de nieuwe stad
de St. Michaëlskerk (1837 — ’46) met koninklijk
paleis (1920 gerestaureerd) en het Monument der
Overwinning door Iwan Mestovi^ (1928).
Belgrado, Carlo, graaf, nuntius bij het
Nederlandsche hof 1848— ’6ö. * te Udine (Noord-
I talie), f 18 bebr. 1866 te Rome. 1855 — ’60 bisschop
van Ascoli. 1862 patriarch van Antiochië. B.’s naam
is onafscheidelijk verbonden aan het herstel der
hiërarchie in Nederland. Reeds voor 1848 drongen
vooraanstaande Katholieken bij den H. Stoel
491
Belgrano— Belichtingssterkte
492
hun land tot een zelfstandige kerkprovincie te ver-
heffen. Na eenige aarzeling is B. dit streven gaan
steunen, wat groote moeilijkheden met zich bracht
én te Home én in Den Haag. Al erkenden de paus en
de Nederlandsche regeering beiden de volkomen schei-
ding van Kerk en Staat, toch wenschte minister Thor-
becke te voren ingelicht te worden over Rome s plan-
nen; officieus heeft B. aan dit verlangen voldaan
(1853; Aprilbeweging. > Hiërarchie). In overleg met
de bisschoppen regelde B. de eerste organisatie van
de hun toegewezen gebieden. Sedert 1853 verdwijnt
in Nederland de titel vice-superior; sindsdien zijn B.
en zijn opvolgers slechts vertegenwoordigers van den
^ L i t. : P. Albers, Geschiedenis van het Herstel der
Hiërarchie in de Nederlanden (II 1904); P. Goulmy,
’s Pausen Diplomatie en de Nederlanden (1917, ; A.
Hensen, C. Belgrado (Nieuw Ned. Biogr. Woordenb.
VII 1927); G. Gorris, C. Belgrado (Dict. Hist. Geogr.
Eccl. VII 1933). de Haas .
Bclfjrano, Manuel, Argentijnsch generaal
en patriot. * 8 Juli 1770 te Buenos-Aires, f 20 Juni 1820
aldaar. B. tudeerde in Spanje in de rechten en
de staathuishoudkunde, en bleef steeds de denk-
beelden der Philosofen en der Physiocraten aankleven.
Nam in 180G deel aan de verdediging van Buenos
Aires tegen de Engelschen. Behoorde tot de kleine
groep patriotten, die den opstand van 1810 deden
uitbreken: van toen af tot 1819 streed hij tegen Spanje
in Argentinië, Paraguay, Chili en Peru. In zijn moeder-
stad werd voor hem een standbeeld opgericht.
L i t. : B. Mitre, Historia de M. B. (2 dln. Buenos-
Aires 1859 ; nieuwe druk door R. Rojas, 4 dln. Buenos-
Aires 1927): R. Rojas, B. (Buenos-Aires 1920' : L. R.
Gondra, Las ideas económicas de B. (Buenos-Aires
21927). Lousse t
BHial komt in 2 Cor. 6. 15 voor als naam van den
duivel, wordt als zoodanig ook gevonden in^de a P°"
cryphe boeken „de Hemelvaart van Isaias” en „de
Testamenten der 12 patriarchen”. Of het woord B.
in het O. T. een abstractum of een eigennaam is,
wordt betwijfeld. De H. Hiëronymus vat het soms op
als eigennaam; op andere plaatsen vertaalt hij het
met „duivel” of met „goddeloosheid”. Oorspronkelijk
beteekent B. waarschijnlijk „nietswaardigheid”.
Keulers.
Bclihni, 1° Babyloniër. die in 702 v. Chr. door
Senacherib als koning van Babylon werd aangesteld,
doch in 700 weer afgezet wegens zijn opstandig ver-
bond met Elam.
2° Babvloniër, die Assyrisch veldheer en stadhou-
der was, ‘ca. G50 v. Chr. ‘Van hem zijn vele brieven
bewaard over zijne veldtochten.
L i t. : (2) Figulla, Der Briefwechsel Bêlibnis, in :
Mitt. der Vorderas. Ges. (XVII, 1). Sinion >•.
Beliehos (Balicha, Grieksch; Assyrisch: Balichoe;
thans Arabisch: Nahr al Balich), zijrivier van den
Euphraat, waaraan verschillende oude steden lagen,
o.a. Haran (Harran) en de gelijknamige stad Balichoe.
BoliHitingsrnrter of luxmeter (na-
tuur k.), instrument ter bepaling van de belichtings-
sterkte van een vlak. In principe bestaat een b. meestal
uit twee diffuus reflecteerende vlakjes p en q. Het
vlakje p wordt belicht met behulp van een lampje
met regelbare lichtsterkte. Het vlakje q bevindt zich
op de plaats, waar de belichtingssterkte gemeten
moet worden. Men zorgt nu voor gelijke helderheid
van p en q door de belichting van p te varieeren.
De gevraagde belichtingssterkte van q volgt dan uit
de door ijking bekende van p. Rekveld.
De belicht ingsmeter in de photoeraphie
heeft tot doel de sterkte van het licht te meten en dan
daaruit den belichtingstijd vast te stellen. De voor-
naamste soorten (hiervan bestaan er legio, volgens
geheel verschillende sysiemen) kan men rangschikken
in twee groepen :
1° die soorten, welke bestaan uit een in steeds
donkerder gekleurde vl kjes verdeelde schijf, voor-
zien van een serie nummers. Door middel van een
lens wordt deze schijf in doorzicht gezien en met het
nummer, dat men dan ziet, wordt volgens op den
meter aangegeven tabellen de juiste tijd bepaald.
2° Die soorten, welke bestaan uit een klein instru-
mentje, waarin een photo-cellamp is ingebouwd, die
het licht ontvangt langs een diaphragma-inrichting.
Dit instrumentje plaatst men in de richting van het
te nemen o ( erwerp; door het licht, dat op de photo-
cellamp scl ijnt, wordt dan aan den achterkant een
wijzer in beweging gebracht langs een schijf, w'aarop
belichtingstijden zijn aangegeven, varieerende van
5 sec. tot 1/200 sec. Men heeft dan slechts den door
den wijzer aangegeven tijd af te lezen. Deze laatste
soort is geheel nieuw en beteekent een omwenteling
op het gebied der be licht ingsmeters. Zicgler.
Fig. 2.
Fig. 1.
Fig. 3.
Belichtingsmeter. Afbeelding van de Lios-
Ultra (fig. 1). Deze belichtingsmeter werkt op het
volgende principe: de belichtingsmeter wordt op het op
te nemen voorwerp ingcsteld, zoodat d»t als omgekeerd
beeld scherp zichtbaar is (fig. 2). Dan wordt de ring 1
zoolang gedraaid, tot het kruis verdwenen is. Nu wordt
op ring 2 het getal afgelezen, wat het pijltje van ring
1 aanwijst, en het pijltje van ring 3 daarboven geplaatst.
Hierop kan men op de bovenste schaal van ring 3 voor
ieder diaphragma, aangegeven on ring 4, den belichtings-
tijd aflczen. Deze ring 4 is zelf weer instelbaar op de
snelheid van de plaat, welke in Scheiner-graden of H. &
D.-graden af te lezen is.
Belichtingsslerkte of v^rlichtings-
sterkte van een vlak is de lichtstroom, die op
1 m 2 van dat vlak valt. De eenheid van b. is de lux
(lx). Bij een puntvormige lichtbron is de b. van een
493
Belichtingstijd— Bell
494
klem vlakje omgekeerd evenredig met het kwadraat
van den afstand van dit vlakje tot de lichtbron en recht
evenredig met den cosinus van den invalshoek der
lichtstralen op het vlakje (Wet van Lambert). Bij
verlichting met kunstlicht wordt de keuze der lamp-
sterkte o.m. door de in verband met het beoogde doel
gewenschte b. bepaald. Voor huiskamerverlichting
moet de b. bijv. circa GO lx zijn. In het volle zonlicht
kan de b. tot 100 000 lx bedragen. Rekreld.
Brlk-hf iiic/sf ijcl is een photographische term,
die aangeeft den tijdsduur, gedurende welken men het
te photographeeren object door een lens laat in werken
op de gevoelige plaat. De factoren, die dezen tijd
bepalen zijn verschillende: sterkte van het licht, licht-
gevoeligheid van lens, lichtgevoeligheid van plaat.
Met gewone photographische toestellen kan men
thans een snelheid bereiken van 1/5 000 sec., terwijl
m de m ïcrophotographie en kinophotographie kortere
belichtingstijden bekend zijn. Ziegler .
BHinsk ij , Wissarjon-Grigorje-
witsj, Russisch letterkundig criticus van realis-
tische en liberaal-Westersch-gezinde strekking. * 10
Mei 181 1 te Sveaborg, f 28 Mei 1848 te St. Petersbur*
Begonnen als leerling van Schelling, zocht B. in zijn
jeugdcritiek de harmonische verbinding van klassiek
en romantiek als een letterkundig ideaal op te stellen.
Aa zijn wegzending van de universiteit te Moskou
komt hij in St. Petersburg, onder Bakoenin’s invloed,
in radicaal -vooruitstrevend vaarwater en werpt zich
op tot hardnekkig bekamper van Poesjkin’s romantiek
en verdediger van de Russische naturalisten: Gogolj
Ilerzen, Dostojewskij, Gontsjarow.
I i t g. d. Iwanow-Razumnik (3 dln. Leningrad 1919).
: p ypi n » V-G-B- (2 dln. Leningrad 1908);
N O. Lerner, B. (Berlijn 1922) : E. Lo Gatto, Storia della
letteratura russa (IV Rome 1931, 225-273). Baur.
Brlisarius, veldheer van keizer Justinianus I,
* ca. 505 in Illyrië, f 565 te Konstantinopel. Zijn leven
is beschreven door Procopius van Caesarea, rechts-
kundig secretaris van den keizer. Hij streed tegen de
Perzen, maar is vooral bekend om het onderwerpen
van de Vandalen (533 — ’34) en de bevrijding van de
Afrikaansche Kerk van den Ariaanschen druk. De
Oost-Goten bestreed hij daarna met succes in Italië.
Om het geringe resultaat in den oorlog tegen de Perzen
afgezet, later weer als veldheer naar Italië gezonden
en weder afgezet op grond van valsche beschuldigingen,
leefde hij sedert 548 stil te Konstantinopel. Kort voor
zijn dood werd hij in zijn eer hersteld. Zijn leven gold
later in de literatuur als het voorbeeld van de verander-
lijkheid der fortuin. de Brouwer,
Soemerische (NINLIL) en Babylonisch
Assyrische godin, echtgenoote van Bel.
Belize, hoofdstad, tevens voornaamste handels-
stad van Br itsch -Honduras, liggend aan de Old-River-
monding. 12 700 inw*. Het apost. vicariaat B. telt
meer dan 29 000 Kath.
Beljjnme, Alexandre, Fransch Anglist,
hoog leeraar aan de Sorbonne. * 1842 te Villiers-lc-Bel,
f 1906 te Domont. B. specialiseerde zich in de tekst-
critiek van Shakespeare en in de studie van Shelley
en Tennyson; hij was een der eersten, die in de litera-
tuurgeschiedenis het verband tusschen het maatschap-
pelijk leven en de letterkundige productie zocU bloot
te leggen.
Hoofdwerk: Le public et les hommes de lettres
en Angleterre au 18e siècle (1881). Baur.
Bell ,l°Alexander Graham, physioioug.
*1847 te Edinburgh (Schotl.), f 1922; inl872hoog-
leeraar in de physiologie der spraakorganen te Boston
(\ er. St.), wat hem tot de uitvinding van de telephoon
bracht (1876). In 1906 dr. hon. causa te Edinburgh.
J. v. Santen.
2 Alex ander Melville, de grondlegger
der moderne klankleer (phonetiek) en van spreek-
methoden voor doofstommen. * 1819 te Edinbur°\
(Schotland), f 1905 te Washington (Amerika). Lector
m phonetiek te Edinburgh (1843— '65); te Londen
(4865— ’70); lector der philologie te Kingston in
Ontario (1870 — ’8l); daarna leider van een doofstom-
men -instituut te Washington D. C. Zijn standaardwerk
is: Visible Speech: The Science of Universal Alpha-
betics (1867); de tweede uitgave in 1882 was echter
al niet meer op de hoogte van zijn tijd.
L i t. : J. Storm, Engelsche Philologie (I 1892, 111-119*
399-406) ; Monogr. van J. Hitz (1906). Pompen.
3° A n d r e w. Deze en Lancaster zijn de
uitvinders van het monitorenstelsel, d.i. een onderwijs-
systeem, waarbij één onderwijs leider het toezicht heeft
over alle leerlingen, in één groot lokaal verzameld,
terwijl het onderwijs wnrdt gegeven door een aantal
oudere leerlingen, de monitoren, die van den leider
hun instructies krijgen. In de 19e eemv heeft dit stelsel
langen tijd om den voorrang gedongen (het was goed-
koop!) met het klassikale, dat vanaf 1800 overal in
Europa het vroegere hoofdelijk onderwijs begon te
vervangen. Evengoed als aan B. en L. zou het monit.-
stelsel kunnen worden toegeschreven aan pcre Girard,
die het te Freiburg in Zw.1. op voorbeeldige wijze
toepaste zonder iets van zijn Eng. collega’s te w r eten.
Andrew Bell werd geboren in 1753 in Schotland.
7 1832. Studeerde theologie, trad in dienst der Oost-
Ind.-Comp. en werkte volgens genoemd svsteem
met soldatenkinderen te Madras. Later stichtte
hij in denzelfden geest scholen in Engeland, vooral
in Londen. John Lancaster (* 1778 te
Londen) bracht, zonder van B. gehoord te hebben,
het stelsel in toepassing met kinderen uit Londensche
volksbuurten en ondervond daarbij krachtigen steun.
Toen hij Quaker w f as geworden, werd Bell naar Londen
geroepen en ontstonden er tw r ee partijen, een B.- en
een L.-Bond, die beide krachtige propaganda maakten,
zelfs buiten Engeland. L. moest het ten slotte afleggen,
doolde na 1814 in groote armoede rond in Noord- en
Zuid -Amerika en kwam te New York om het leven
in 1838.
Werken: Bell, An Experiment in Education,
made in the Male Asylum at Madras, suggesting a
System by which a School of Family may teach itself
under the Superintendence of the Master or Parent
(Londen 1797); Lancaster, Improvements in Education,
as it respects the Industrious Classes of the Community
(Londen 1803) ; The British System of Education
(Londen 1810; Duitsch : Ein Schulmeister unter 1000
Kindern, door Natorp 1818). — Li t. : Southey, Life of
Andrew Bell (3 dln. 1844) ; Meiklejohn, An old Educa-
tional Reformer, dr. Andr. Bell (Londen 1881).
. Rombouts.
4 ° Sir Charles, bekend als neuroloog, af-
komstig uit Schotland, werkte vooral in Londen;
* 1774, f 1842. B. ontdekte de functie der verschillende
hoorns van het ruggemerg, nl. de motorische en de
sensibele vezels. Beschreven in : An idea of a new
anatomy of the brain (1811).
5°Currer, Ellis en Acton, > Bronte
(Currer, Ellis en Acton).
6° Thomas, zoöloog, * Oct. 1792, f 1880.
495
Bell— Bellange
496
Studeerde medicijnen te Londen en werd in 183-
Ï rofessor in de zoölogie aan het King’s College te
enden. Van 1848— ’63 was hij secretaris van de Royal
Societv en tot 1861 president der Linnean Society.
Werken: A monograph on the Testudinata (1833) ;
Natural history of the British reptiles (1849'; Natural
history of the British crustacea (1853); Natural history
of the British quadrupeds (Londen 2 1874). Willems.
Bell, Symptoom van, (geneesk.).
Bij het sluiten van het oog wordt, door het ontspannen
van de het ooglid heffende spier, de oogbol naar boven -
buiten gedraaid. Zeer gord is dit verschijnsel te zien,
zoodra bij een aangezichtsverlamming de oogen
gesloten worden, waarbij aan de gekwetste zijde dus
het oog niet sluit. Klessens
Bell , Systeem van, > Bell-Sweet.
Bell , Verlamming van, -> Aangezichts-
verlamming.
Bellabella Indianen, stam van de > Indianen
van N. Amerika, N.W. kustgebied; in het huidige
Britsch-Columbia, Canada.
Bellacoola Indianen, stam van de > Indianen
van N. Amerika, N.W. kustgebied; in het huidige
Britsch-Columbia, Canada.
Belladonna, > Doodkruid.
Belladonnabladen moeten 0,3 — 0,5% alka-
loïden bevatten; gebruikt o.a. ter bereiding van bella-
donna-extract (F. L), d.i. met een verdunde spiritus
en zuivering met water bereid dik extract, dat 1 /2 %
alkaloïden, en belladonnatinctuur, die 0,03% alkaloï-
den bevat, van asthmapapier en cigaretten. Hillcn.
BrlKaert, Jacob. een der eerste Haarlemsche
drukkers (van 1483 tot 1486). Hij gebruikte het
Gotische lettertype, dat veel gelijkt op het lettertype,
waarmede het* „Speculum humanae salvationis”
werd gedrukt. B. moet voor het eerst de griffioen als
drukkersmerk hebben gebezigd. Hij woonde in het
huis „De Griffioen”, in welk huis ook door Coster.
volgens Coomhert, de boekdrukkunst zou zijn uit-
gevon d en . Ronner .
Bclhtgio, beroemd toeristenverblijf in Italië
aan het Zuidelijk deel van het Comomeer (45° 69' N.,
9° 16' O.); 3 250 inw. (1921); 216 m boven de zee.
Zeer beschutte ligging.
Bclluiguc, C a m i 1 1 e, Fransch kunstcriticus
en biograaf. * 1858 te Parijs, f 1930. B. verzorgde
achtereenvolgens de muziekkroniek in Le Correspon-
dant en die in La Revue des deux mondes. In den strijd
rondom Wagner speelde B. een aanzienlijke rol.
Werken: L’année musicale (1887 vlg.) ; Etudes
musicales (1898 vlg.); Mozart <1907); Mendelssohn
(1907): Histoire de la musique (1909); Gounod (1910).
Beilnire, gem. in de prov. Luik, ten O. van I uik;
ruim 1 600 inw.; opp. 101 ha; bergachtige omgeving;
kerk van de 18e eeuw, met Piëta van de 14c eeuw;
B. leed veel in 1914.
Belliiinicus, Thomas, •> Bcauxamis.
Bellamy, 1° Edward, Amerikaansch jour-
nalist, romanschrijver en politicus. * 1850, f 1898.
Hij had o.a. in Duitschland rechten gestudeerd, ging
in de journalistiek, en werd plotseling beroemd in
1888 door zijn utopischen toekomst-roman Looking
Backward, 2000— 1887, waarvan in minder dan twee
jaren een half millioen exemplaren werden verkocht,
en die in alle talen van Europa werd vertaald. Als
in alle utopische romans wordt hier een communistische
ideaalstaat in alle détails geschilderd. In dezen staat
is privaat kapitalisme vervangen door staatskapita-
lisme en het leven der burgers is geheel geïndustriali-
seerd en centraal georganiseerd door den staat.
De fantasie van B. werd door een breeden kring van
bewonderaars in Amerika tot politiek program en
practisch ideaal verheven; en B. zelf liet zich verleiden
een nieuwe politieke partij op te richten, die den naam
kreeg vanNationalistische Partij, wijl zij alle productie-
middelen wilde nationaliseeren. Maar deze partij
kon geen politieken invloed winnen en loste zich in
1892 op in de socialistische People’s Party. Een voort-
zetting van zijn succes-roman onder den titel van
Equalitv (1897) bleek een mislukking. W. Morris,
de aesttietische Engelsche socialist, vond het toekomst-
ideaal van B. geheel verwerpelijk en schreef daarom
in 1891 zijn verfijnde pastoraal-utopio News from
Nowhere. _
Lit.: Diss. Hoeksma (1903). Pompen.
2° Jacobus, dichter en criticus, die streed
, losheid, waarheid en natuur”. Tegenstander
VOOr „luanciu, «uuinvrn — ■■ - --o — -
van de > Dichtgenootschappen, welke hij „poëtische
gasthuizen” noemde. * 1757 te Vlissingen, f 1786.
Zoon van arme ouders, kreeg hij een studiebeurs,
die hem in staat stelde te Utrecht theologie te
gaan studeeren, hoewel het ambt van predikant hem
weinig aantrok. Te Utrecht reeds bekend als de zanger
„Zelandus” van de in 1782 verzamelde „Gezangen
mijner Jeugd”, werd hij aldaar dadelijk het middel-
punt van het * Patriotsch-gezinde genootschap
„Dulces ante omnia musae”. De zucht naar vader-
landsche grootheid en krijgsroem uit zich in de Vader-
landsche Gezangen
(1782— ’83).
Zijn drang naar
vernieuwing der
literatuur blijkt uit
zijn critisch werk in
de door hem en zijn
vrienden uitgegeven
periodiek: „De Poë-
tische Spectator”.
B. schreef o.a. rij-
melooze verzen uit
reactie tegen de
D ichtgenootscha p -
pers, die in het rijm
alleen het wezen van
een vers zagen. Te Jao . Bel)am y.
jong gestorven om
het nageslacht volledig gelegenheid tot oordeeleu
te geven, mag toch B.’s belangstelling voor de
ontwikkeling der poëzie en critiek tot geen prijs ver-
waarloosd warden.
Werken en lil.: J. Dyserinck, Ter nagedachtenis
van Jac. Bellamy (1881); dr. A. Nijland’s uitgave van
Bellamy’8 Gedichten enz. A. Sassen .
Bellange, Jacqnes, Fransch schilder en
etser, * vóór 1594. Werkte te Nancy van ca. 1002—
1617. Hij werkte in dienst van hertog Karei III
van Lotharingen aan de versiering van het hertogelijk
paleis te Nancy tot ca. 1611. Onderwerpen uit de
mvthologie, de Romcinsche geschiedenis, jacht-
tafereelen enz. Bijna al deze werken zijn verloren
gegaan. Slechts enkele schilderijen kunnen met
zekerheid aan hem toegeschreven worden. Beroemd
was hij ook als etser. Hierin uitte hij zich op geniale
en zeer persoonlijke wijze. Zijne onderwerpen, vaak
ontleend aan de mythologie en de bijbelsche geschie-
denis, zijn sierlijk en elegant van compositie met een
GIOVANNI BELLINI
Madonna (teekening in het Louvre, Parijs)
497
[Bellangé— Bellarmin us
498
neiging om zijn figuren eenigszins in langgerekte
houding weer te geven. Behalve de etsnaald schijnt
.hij somtijds ook de burijn te hebben gebmikt en etste
hij ook wel in een eigenaardige stippeltechniek. Zijn
prentwerk is in enkele musea door goede exemplaren
vertegenwoordigd, o.a. in het Mus. Boymans te Rot-
terdam.
L i t. : Gazette de beaux Arts (I 1874, 191, 194);
Bénézit, Dict. des peintres enz. (I). de Stuers.
Bellange, H i p p o 1 y t e, Fransch schilder en
lithograaf van militaire onderwerpen, genrestukken
en paarden. * 17 Jan. 1800 te Parijs, f 10 April 1866
aldaar. Was leerling van Gros te Parijs, op wiens
atelier hij vaak Charlet ontmoette. In den beginne
maakte hij lithographieën, doch legde zich ook toe
op het schilderen van soldatentafereelen. Hij onder-
ging den invloed van Charlet en soms ook van Raffet.
Meer teekenaar dan schilder, boeit zijn werk door een
verrassend accent, door een elegante, smaakvolle
voordracht, waarbij het anecdotische in de compositie
van het onderwerp een grooto rol speelde. Voortreffe-
lijk teekenaar van paarden. Zijn werk droeg er veel toe
bij de figuur van Napoleon en de daden van zijn leger
populair te maken in Frankrijk. Van 1837 — 1854
was B. conservator aan het Mus. te Rouaan.
Werken: o.a. in het Louvre te Parijs en in de
musea te Amiens, Versailles, Bordeaux, Rouaan enz.
In Duitschland o.a. te Leipzig en in de Nat. Gal. te
Berlijn. — L i t. : Bellier-Auvray, Dict. gén.; J. Adeline,
II. Bellangé et son oeuvre ; Béraldi, Les graveurs du
XIX siècle (1885). de Stuers.
Hol hm o, Bartolomeo, Ital. bouwmeester
en beeldhouwer, * 1434 te Padua, f ca. 1497; zoon
van een goudsmid. Zijn werk staat onder invloed van
Vacchetti en Donatello, dien hij naar Florence gevolgd
is. B. maakte voor den Raad der Oudsten te Perugia
een bronzen beeld van paus Paulus II (1798 verwoest);
zou, aldus Vasari, in 1464 in Rome vertoefd hebben;
werkte in Padua in de Antoniusbasiliek en in de
S. Giustina; vergezelde in 1497 Gentile Bellini naar
Konstantinopel, voltooide in 1484 te Padua de bronzen
reliëfs van het koor der Antonius-basiliek (voorst,
uit het Oude Testament). Van hem is ook het bronzen
grafmonument van Pietro Roccamellini in de S. Fran-
cesco aldaar. Zijn beeldhouwwerk verraadt onvol-
doende kennis van perspectief. Uit zijn laatste ver-
blijf in Padua stamt zijn navolging van Pietro
Lombard i.
Voorn, werken: Madonna met twee engelen
(1491, gesigneerd en gedateerd; Parijs, Musée Jacque-
mart André) ; reliëfs, de laatste levensgebeurtenissen
van Christus voorstellende (Padua, S. Lorenzo, samen
met Bertoldo van Florence) ; buste van Paulus 11
(Rome, Palazzo Venezia) ; reliekschrijn met ezelwonder
van den H. Antonius van Padua en beelden van de II 11.
Framiscus, Antonius, Lodewijk en Bernardinus (Padua,
Antonius-basiliek, sacristie). Het Rijks Museum te
Amsterdam heeft een Madonna met Kind, vaak toe-
geschreven aan B. B. — L i t. : Planiscig, Venezianische
Bildhauer der Renaissance (1921). Knipping.
Bellnni, Italiaansch natuurkundige. De luci-
meter van Bellani bepaalt de gemiddelde
intensiteit van het licht in een bepaalde tijdsruimte.
Bellannimis, Robertus Franciscus
Romulus, Heilige, Jezuïet, kardinaal-bisschop,
kerkleeraar. * 4 Oct. 1542 te Montepulciano (Palazzo
Ta rug i), f 17 Sept. 1621 te Rome; zoon van Vincenzo
van Montepulciano en Cinzia Cervini, zuster van paus
Marcellus II. Familiewapen: zes gouden pijnappels
op rood veld. Trad 20 Sept. 1560 in de Sociëteit van
Jesus en doceerde, na in het Collegium Romanura
den magisterstitel behaald te hebben, aan de colleges
te Florence (preekte ook in den dom) en Mondovi.
Zijn theologische studies deed hij te Padua en kwam
dan naar Leuven, waar hij zijn studies voortzette en
belast werd met de prediking voor de studenten der
universiteit. De priesterwijding volgde in 1570 te
Gent. Als professor in de theologie aan het Jezuïeten-
college te Leuven bestreed hij vooral Bajus. B. keerde
om gezondheidsredenen in 1575 naar Italië terug en
werd to Rome in het Collegium Romanum met den
controversen zetel belast. Uit deze lessen groeide zijn
werk: Controvcrsiae christianae fidci adversus huius
temporis haereticos” (3 dln.), waarvan het eerste deel
in 1586 verscheen. Hierdoor legde B. den grondslag
der moderne apologie en toonde zich een der scherp-
zinnigste apologeten van zijn tijd. Toch vond zijn werk,
door sommigen als te mild beoordeeld, hier en daar
tegenkanting. Het in 1589 verschenen boek „De
Translatione Imperii Roman i” is vooral gericht tegen
Matthias Flacius Illyricus, den grondlegger der Maag-
denburger Ccnturiën. Voor de verbeterde uitgave van
den Sixtijnschen bijbel onder Clemens VIII (Editio
Sixto-Clementina) schreef B. de voorrede, waarbij
hij vooral den wetenschappelijken naain van Sixtus V
trachtte te redden. Ten onrechte w r erd deze voorrede
later als leugenachtig begrepen en meermalen al»
moeilijkheid tegen zijn zaligverklaring voorgebracht.
In 1692 w r erd hij aangesteld tot rector van het Colle-
gium Romanum: in 1594 tot provinciaal der Napelsche
Jezuïetenprovincie. Clemens VI 11 riep hem in 1597
naar Rome terug en benoemde hem tot pauselijk
theologant. ïn 1699 volgde zijn benoeming tot kardi-
naal. Titelkerken: eerst S. Maria in via, later S. Pra-
xedis. Hij nam ook deel aan de beraadslagingen der
-> Congregatio de auxiliis divinae gratiae, door
Clemens VIII gesticht om den theologischen strijd
tusschen de Jezuïeten en Dominicanen over de ver-
houding van genade en vrijen w il te beslechten. Per-
soonlijk nam B. een midden-positie in, moest echter
om zijn vrijmoedig schrijven aan den paus Rome ver-
laten en werd benoemd tot aartsbisschop van Oapua
(1602 — 1605). Paulus V riep hem wederom naar Rome
terug. In 1613 schreef hij zijn autobiographie, die ook
door sommigen dikwijls als bezwaar tegen zijn zalig-
verklaring werd aangevoerd. In 1627 begon het proceg
zijner zaligverklaring, maar w^erd niet voortgezet.
Meermalen hervat, werd het telkens weer verschoven.
Eerst 13 Mei 1923 volgde onder Pius XI de zaligver-
klaring, ofschoon verschillende auteurs op onwaardige
wijze deze poogden te verhinderen. (P. Baumgarten,
Neue Kunde von alten Bibeln, 1922; 1. de Récalde,
La cause du Vénérable Bellarmin, 1923; later G. Busch-
bell, Selbstbezeugungen des Kardinals Bellarmin,
1924.) B. werd heilig verklaard 29 Juni 1930 en tot
leeraar der Kerk verheven. Feestdag 13 Mei. Zijn
gebeente rust in de kerk S. lgnazio te Rome.
W e r k o n : o.a. De Exemptione Clericorum liber
iinus (Parijs 1599) ; De Indulgentiis et Jubilaeo libri duo
(Keulen 1599): Recognitio Übrorum omnium Roberti
Bellarmini ab ipso edita (Rome 1607) ; De Aseensiona
mentis in Deum per scalas rerum creatarum (Rome
1615); De aeterna felicitate Sanctorum (Rome 1616);
De arte bene moriendi libri duo (Rome 1620). — L i t. :
J. Fuligatti S.J., Vita del Cardinale Roberto Bellarmino
(Rome 1624); D. Bartoli S.J., Della vita di Roberto
Cardinale Bellarmino (Rome 1678) ; X. de Bachelet S.J.,
I Bellarmin et la Bible 8ixto-Clémentine (Parijs 1911);
I E. Raitz von Frentz S.J., Der ehrwürdige Kardinal
499
Bellary — Belle-Isle
500
Robert Bellarmin S.J. (Freiburg i. Br. 1921, Ned. vert
door L. Steger S.J., 1923). Lambermond.
Bellary, stad in Voor-Tndië, presidentschap Ma-
dras (15°6'N.. 76° 55' O.). 58 000 inw., deels Hindoes,
deels Mohammedanen. Belangrijke Engelsche garni-
zoensstad tusschen de inheemsche staten Haidarabad
en Maisoer.
Bell asien, onderafdeeling der Krijtformatie,
gelegen tusschen Albien en Cenomaan, in Portugal.
Rellasifi, P a o 1 a, componist, * te Verona, ca.
1590 lid van de Accademia Filarmonica aldaar. Heeft
uitgegeven: 5 boeken 5-stemmige madrigalen (1578,
1582 1595), 1 boek 6-stemmige madrigalen
(1590) 1 boek 3-8-stemmige villanellen (1592. in het
stemboek van den cantus bevindt zich een luitbege-
leiding in tabulatuur). Verzamelingen van 1585 (Dol-
ci affetti), 1590 en 1592 bevatten ook madrigalen
van hem. Piscaer t
Bellatrix (Gamma Orionis), een ster van de twee-
de gro* tte in het sterrenbeeld Orion. In winter en voor-
jaar aan den avondhemel zichtbaar.
Bi May, J o a c h i m Du, Fransch dichter van
de > P 1 é i a d e. * 1522 te Liré (Angers), f 1 Jan.
1600 te Parijs. Vooral om zijn letterkundig manifest
van de Fransche Renaissance „Défense et illustration
de la langue frangaise” (Paschen 1549) bekend, liet
Du B. toch ook gedichten achter, die, minder bezwaard
met Helleensche eruditie dan die van Ronsard, in
verzorgden en toch ongekunstelden vorm (bij voorkeur
het sonnet), deels de thema’s der Latijnen (Antiquités
de Rome, 1558) deels die van Petra rca (L’Olive, 1549)
nazingen; maar in hun beste gedeelten, met oorspron-
kelijkheid van stijl en toon, een eigen gemoedsleven
uitspreken, dat opgaat in de liefde voor landelijken
eenvoud (Jeus rustiques, 1558) en in den weemoed
van aardsche ontgoochelingen (Regrets, 1558).
Bibliographie: Van Bever, in Revue de la
Renaissance (XIII, 173 vlg.). — U i t g. : tekstcritische
door Chamard, in Société des textes francais modernes
(5 dln. 1906 vlg.). — L i t. : H. Chamard, J. D. B.
(Rijssel 1900) ; P. Villey, Les sources italiennes de la
Défense (Parijs 1908) ; A. Bourdeaut. in Mémoires de la
Société nationale d’Angers (1910 — 1912); Ziemann,
Vers- und Strophenbau bei J. D. B. (1913); N.Addamiano,
J. D. B. (Cagliari 1921). Baur.
Bolle, > Bailleul.
Belle, Hendrik de, theoloog, > Hendrik de
Belle.
Belleau, R e m i, Fransch dichter van de ->■
P 1 6 i a d e. * 1528 te Nogent le Rotrou, f G Maart
1577 te Parijs. Vertaler van Estienne’s uitgave van
den Pseudo-Anacreon en van de Phaenomena van
Ara tos, is B. de herderdichter bij uitstek (Bergeries.
15G5 vlg.) van de groep. Zijn poëzie is verzorgde klein-
kunst (le gentil B.), zonder geestelijken omvang en niet
vrij van taaiduisterheid en vormgeknutsel.
Ü i t g. : C. Marty-Laveaux (2 dln. Parijs 1877 vlg.). —
Bloemlezing: A. Van Bever, Les amours (Parijs
1909). — Lit.: H. Wagner (dissertatie, Leipzig 1890) ;
E. Hinzelin, Livre d’or (N*ogent-lc-Rotrou 1900);
A. Eckhardt, R. B. (Parijs 1917). Baur .
Bellebeck, > Alfene.
Belleehose, H e n r i, schilder, nawijsbaar van
1415— ’40, geboortig uit Brabant, werkte als hof-
schilder van Jan zonder Vrees en Philips den Goeden.
Hij voerde opdrachten uit voor het klooster te Champ-
mol bij Dijon; en is weinig van zijn werk over; het
Louvre bezit een schilderij, hem toegeschreven. Men
vermoedt, dat Rogier v. d. Weyden’s kunst in de
zijne wortelt.
L i t. : F. Winkler, Der Mr. v. Flémalle u. R. v. d.
Weyden ; v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Schretlen.
Bellecourt, gem. in de prov. Henegouwen, ten
N.W. van Charleroi; opp. 293 ha, ruim 1 300 inw.;
kleiachtige streek, steenkoolmijnen in de omgeving.
BelIecloiine-keten,deelvande centr. kristallijne
zone der W. Alpen in Frankrijk, ten 0. van Grenoble;
tot 3 000 m hoogte. De keten loopt N. — Z., tusschen
de dalen van Are en Drac. Weinig gletsjers; water-
vallen voor de electr. kracht. Aan West- en Oostzijde
loopen sedimentszonen (kalk).
L i t. : R. Blanchard, Les Alpes franpaises (Parijs
1925 ; met veel lit.). Heere.
Bellefleur, naam, dien men vaak aan appelsoor-
ten geeft; bijv. Brabantsche b. Het woord beteekent:
fraaie bloem.
Bellefoiitaine-lez-Cecliiine, gem. in het
Z.O. van de prov. Namen; 200 inw. (Kath.); opp.
505 ha; landbouw, steengroeven.
Belleforesl , Francis de, Fransch proza-
schrijver. Zijn uit Bandello vertaalde en van zedelijke
overwegingen voorziene Histoires Tragiques (1564
vlg.) behelsden o.m. de stof van Shakespeare’s Hamlet
(1602) en waren, zoo wat in geheel Europa, de bron,
waar latere roman- en tooneelschrijvers hun stoffen
opdeden. Met zijn Pastorale amoureuse
(1571) werd hij de voorlooper, in Frankrijk, van den
sentimenteelen herderroman. * 1530 te Sarsan, f 1583
te Parijs.
Lit.: G. Reynier, Le roman sentimental avant
l’Astrée (Parijs 1908). Baur .
BellegamVie, J e a n, schilder te Douai van
niet veel meer dan locaal belang. * 1480, f 1535. In
zijn vaderland hoog geëerd; was echter een typische
epigoon, onder invloed van Matsys, David e.a.
Lit.: Dehaines La vie et Pocuvre de J. Bellegambe
(Rijssel 1890) ; v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Schretlen.
Bellegarcle, Fransche plaats in het arr. Nantua,
dept. Ain (46° 7' N., 5° 53' O.), 374 m boven zee;
4 660 inw. (1926). Hier naderen de bergachtige oevers
van de Rhöne elkaar zeer dicht.
Bellegarcle, H e i n r i c h Joh. F r a n z,
Oostenr. veldmaarschalk. * 1756 te Dresden, f 1845
te Weenen. Gaat van Saksischen in Oosten rij kschen
dienst over: neemt deel aan den strijd tegen de lurken
en aan de Coalitie-oorlogen ; sluit de preliminairen
van Leoben met Napoleon; vervangt Melas na Marengo
als opperbevelhebber; gouverneur van Galicië. 16 April
1814 sluit B. met Eug. de Beauharnais een conve t e,
waarbij hij namens de geallieerden het bestuur in
Italië overneemt; na 1815 min. met grooten invloed
en (voor de derde maal) voorzitter van den Hofkriegs-
rat * V. Claassen.
Bellegarcle Duparc, > Duparc.
Belieg ei ii, gem. in de prov. West- Vlaanderen,
ten Z. van Kortrijk; ruim 3 000 inw.; opp. 1 398 ha.
Vlak landbouw land; vlas, textielnijverheid; kerk,
met gedeelten van 12e en 16e eeuw; oude heerlijkheid.
Belle- Ile, eiland voor de Bretonsche kust (Frank-
rijk, 47° 20' N., 3° 10' W.), behoo rende tot het dept.
Morbihan, groot 17 km bij 3-9 km; 6 670 inw. (1926).
Veeteelt en vischvangst. Havenplaats is Le Palais.
Belle- Isle, Charles Louis Auguste
Fouquet, hertog van;* 1684, f 1761;
501
Bellelli — Bellerophon
502
als edelman van veelzijdige bekwaamheid streed hij
in den Spaanschen en Poolschen Successie-oorlog
en werd in 1738 gouverneur van Lotharingen. In 1741
wist hij Lodewijk XV en kardinaal Fleury van de
vredelievende politiek, sedert 1713 gevoerd, terug te
brengen tot de anti-Habsburgsche traditie, hetgeen
toen beteekende steun aan den Beierschen keurvorst
Karei Albert en strijd tegen Maria Theresia in den
Oostenrijkschen Successie-oorlog (1741 — ’48). Aan
het hoofd van het Fransch-Beiersche leger met den
duc de Broglie samen, veroverde hij Bohemen en Praag,
woonde de plechtige kroning van Karei Albert te
Frankfort bij en leidde ook den jammerlijken terug-
tocht uit Bohemen in December 1742, als de Hongaren
en Kroaten voor Maria Theresia krachtig optreden.
In 1746 — ’47 streed hij tegen de Oostenrijkers en
Sardiniërs in Italië, in 1758 werd hij minister van
Oorlog; zijn Mémoires werden in 1760 uitgegeven te
Londen.
L i t. : Casimir Strijicnski, Le dix-huitième siècle
(1912, in de serie : L’histoire de France racontée è tous).
i*. Gorkom.
Bellelli, F u 1 g e n t i u s, Augustijn, vermaard
theoloog van de latere Augustijnenschool; studiorum
regens te Siena, Napels, Venetië, Perugia en Rome,
prefect van de Bibliotheca Angelica, generaal der
Orde 1727— ’33. * 1675 te Buccino (Napels), f 1742
te Rome.
L i t. : Lanteri, Postr. saec. sex III, 53-54) ; F. Lang,
Lex. Theol. u. Kirche (II, 130). Claesen.
Bellem, gem. in de prov. O. Vlaanderen, 20 km
ten W. van Gent, aan het kanaal naar Brugge. Opp.
1 208 ha; 1 700 inw. Landbouw, kantnijverheid. De
kerk, van het laatst ogivaal tijdperk, is meermalen
veranderd; bezit een mooi veelkleurig geschilderd
St. Annabeeldje uit de 16e eeuw en twee luiken (de
familie Rym) met reëele kunstwaarde, door een
onbekende (15e eeuw) geschilderd. Blancquaert.
Biilcmsms, Dan i ë 1, Ned. dichter. * 1641
te Antwerpen, kanunnik van de abdij van Grimbergen,
f 1674 als pastoor te Horssen. Schreef een aantal
godvruchtige volksliederen, meest in jubileerenden
toon, die treffen door hun zuiverheid van gevoel en taal.
Werken: Het Cytherken van Jesus (Brussel 1670) ;
Den Lieffelijcken Paradys-vogel (Brussel 1670). —
L i t. : G. Segers, Leven en werken der Zuid-Ned.
schrijvers (1 1900, 66 vlg.); Anton van Duinkerken,
Dichters der Contra-Reformatie (93 vlg., 310 vlg.).
Asselberg*.
Bollenden, John, Schotsch Katholiek pries-
ter en schrijver, die ca. 1530 de Geschiedenis van
Schotland van H. Boece (gedrukt 1536), en eenige
jaren later de Annalen van Livius in het Schotsch
vertaalde (pas gedrukt in 1822). Bij het uitbreken der
Hervorming vluchtte hij naar het vasteland. Geboorte-
en sterfjaar zijn onbekend.
Bellens, 1° Cornelis, ascetisch schrijver;
* te Ouwen (Grobbendonk), f 1573; geprofest in den
Troon, congregatie van Windesheim (1557). Werk
in handschrift in de Kon. bibl. te Brussel, nr. 2419.
L i t. : F. Prims, Drie ascetische schrijvers der Troon-
priorij, in Versl. en Med. der Kon. Vlaamsche Academie
(1932, 263-286). Erens .
2° Peter Jacob, populair gelegenheidsdich-
ter en schrijver van een drietal tooneelkundig middel-
matige, litterair opgeschroefde stukken. * 1800,
| 28 Sept. 1858 te Lier.
Werken. Naast de bundels: Gedichten voor de
Jeugd, en : Dicht- en Prozastukken, twee historische
tooneelstukken : Giafar en Zaïda of de Bouwvallen van
Babyloniën, in verzen, naar den melodramatist R. C.
Guilbert-Pixérécourt ; Broeder- en Zusterliefde, én een
bekroonde éénakter : De ware vlijt. — L i t. : G. Segers,
Leven en werken der Zuid-Ned. schrijvers (afl. I, 67 vlg.).
Bellère (B e 1 1 e r u s), J e a n, eigenlijk Beel-
laerts geheeten, boekhandelaar in Antwerpen, die
sedert 1572 samenwerkte met Pierre Phalèse. Met den
dood van B. hield deze verbintenis op, terwijl zijn
weduwe den boekhandel voortzette. Zijn zoon Baltha-
sar verplaatste dezen naar Douai, waar hij van 1603 —
’05 den catalogus publiceerde van zijn uitgaven (door
('oussemaker gevonden in de Bibliotheek van Douai).
Piscaer.
BHlermann, 1° Johann Friedrich,
vermaard muziekhistoricus, speciaal op het gebied
der oud-Grieksche muziek. * 8 Maart 1795 te Èrfurt,
f 4 Febr. 1874 te Berlijn. Publiceerde: Die alten Lie-
derbücher der Portugiesen (13e — 16e eeuw) (Berlijn
1840), Die Tonleitern und Musiknoten der Griechen
(1847, zeer belangrijk); een drietal kleinere studies
over de toenmaals bekende resten der oude Grieksche
muziek.
2° Johan Gottfried Heinrich, com-
ponist en musicoloog, zoon van J. Friedr. B. * 10 Mrt.
1832 te Berlijn, f 10 April 1903 te Potsdam. Schreef
hoofdzakelijk a-capella- werken en publiceerde, behalve
eenige reeds toen verouderde theorieboeken, een zeer
belangrijke studie over Die Mensu ra lnoten und Takt-
zeichen in 15. und 16. Jahrhundcrt (1858, 2 1906).
Reeser .
3° L u d w i g, Duitsch Germanist, vooral in de
studie van Schiller gespecialiseerd. * 7 Nov. 1836
te Berlijn, f 8 Febr. 1915.
Werken: Schillers Dramen (1888 vlg.) ; Schiller
(1901).
Bollrroplion, een fossiele slak, behoorende tot
de Aspidobranchia. De schelp is spiraalsgewijs opge-
rold en heeft een groote mondopening, voorzien van
een diepe insnijding. Het voorkomen van dit geslacht,
waarvan meer dan 300 soorten beschreven zijn, is
beperkt tot het Palaeozoïcum. B. komt voor in de
onder-Oarbonische kolenkalk van Visé, nabij de Ned.
grens en eveneens in sommige lagen van het boven-
Carboon in Limburg. Hofsteenge .
Bclleroplion (ook: Bellerophontes). In de
Grieksche myth. isR., zoon van Glaucus
en Eurymcda, kleinzoon van Sisyphus, een tot heros
afgezonken god, wiens eeredienst, oorspronkelijk in
Griekenland (Tiryns), reeds in de Myceensche tijden
naar Lycië (Klein-Azië) werd overgedragen, w^aar B.
als de stamvader van het Lycische vorstenhuis werd
aangezien. B. had zich tegen de liefde van Ante ia
verzet, weshalve deze hem bij haar gemaal, koning
Proitus van Argos, valschelijk beschuldigt. Proitus,
vertoornd, zendt B. met een voor B. on leesbaren
brief naar den koning van Lycië, die hem verscheidene
levensgevaarlijke werken oplegt, w.o. den strijd tegen
de Chimatra. Op zijn tooverros Pegasus gezeten, doodt
B. het monster en doorstaat ook zegerijk de andere
beproevingen. Als loon ontvangt hij 's konings doch-
ter met de helft van Lycië. Later, door den haat der
góden vervolgd, zv\ erft B. rond over de Aleïsche velden,
terwijl twee zijner drie kinderen omkomen. Jongere
dichters (Pindarus, de tragici) stellen B. voor, die
met Pegasus ten hemel wil opvliegen, maar neer-
stort. V. Pottelbergh.
Voorst, in de kunst. Op vazen, reliëfs,
503
Bellerus — Bellingwolde
504
munten en gemmen vindt men vooral de voorstelling
van zijn strijd met de Chimaera, op een Hellenistisch
reliëf, hoe hij den Pegasus te drinken geeft, terwijl
een Romeinsche sarcophaag een geheelen cyclus van de
B.-sage laat zien. W. Vermeulen .
BHIcrus, * Bellère.
Belles lieures du Due de Berry, Les.
> Berry (Urenboek van den hertog van).
Bellcsini, Stepha nus, Zalige, Augustijn.
Pastoor van Genazzano, stierf als slachtoffer zijner
naastenliefde bij de verpleging der cholera -lijders.
* 1774 te Trente, f 1840 te Genazzano, zalig verklaard
27 Dec. 1904; feestdag 3 Febmari.
Bellesort, A n d r é, Fransch schrijver van
zuivere gedichten, die de zee verheerlijken, van boeien-
de, kleurrijk gestileerde reisverhalen en stevige
letterkundige essays. * 1860 te Laval.
Werken: Mythes et poèmes (1893) ; Chansons du
Sud (1896); La jeune Amérique (1897); Voyage au
Japon (1902): La Suède (1910); En escale (1911);
Saint Fran<?ois Xavier (1912) ; Reflets de la veillc (1913);
Sur les grands chemins de la poésie classique (1914);
Yirgile (»92o); Amérique (1922); Balzac (1924); Vol
taire (1925); Heurcs de parole (1929). Buur.
Bellet , Jan, Vlaamsch dichter en tooneelschrij-
ver, factor der Iepersche kamer De Rosieren, boek-
drukker, * le helft 17e eeuw te St. Omaers; volgpns
zijn stadgenoot Van Dale „groote en suyvere Dichter
(mora liter echter alles behalve zuiver»), die van 1622
tot omtrent 1650 allen jaere een schoon Treurspel
gemaekt heeft, sonder de kluchtspelen en andere
werkskes naer d 'omstandigheden van tijd”.
Werken. Naast de uit het Latijn vertaalde Wel-
voeghinghe ofte beleeftheydt in den ghemeynen handel
(1625), een paar lofdichten, o.m. de kluchten : Het
lijden van den minnaer ; Francasso en Florette ; Mon-
sieur Lappe en joffrouw Warmoes ; het blijspel David
en Bergacéc. — L i t. : zie bibliogr. door Fr. De Potter,
in Leven en werken der Zuid-Ned. schrijvers (afl. 1,
68 vlg.) ; dr. J. Te Winkel, Gesch. der Ned. Lett. (IV).
Godelaine .
Bcllctnhle, H e n r i H u b e r t, kapitein
der genie in Belgischen dienst, grondlegger (1841)
der „Tl. Familie” te Luik. * 8 April 1813 te Venlo,
■f 6 Dec. 1855 te Iloei als stadscommandant.
BHIHrislit'k of bellettrie (Fr. belles-
lettres, schoone wetenschappen, schoone letteren.
Bchoone literatuur), verzamelnaam voor al wat. fraai
is in de letterkunde. Men doet aan b. door zelf kunst-
werken van taal te scheppen of door zich erop toe te
leggen de b. van anderen te genieten.
v. d . Eerenbeemt .
Bellevmix-IJjjncuvillc, gem. in het kanton
Malmedy, aan de Amelrivier; ruim 1 000 inw., opp.
2 695 ha; merkwaardige kerk van Bellevaux met rijke
versiering.
Belle villo, spoorwegkru ispunt in den N. Amer.
staat Illinois (38° 30' N., 90° W.), gelegen te midden
van een belangrijk steenkoolgcbied en van een vrucht-
bare landbouwstreek; in 1930: 28 425 inw. Bisschops-
zetel. B. bezit ijzergieterijen en maalderijen en produ-
ceert verwarmingstoestellen, landbouwwerktuigen,
schoenen, bonnetrie- en lingerieartikelen. Op het
grondgebied der stad ligt het Scott Field, een belang-
rijk station en een oefenschool van de militaire lucht-
vaart. Polspoel
Bolle vols, J a c o b, schilder, vooral van marine-
stukken, te Rotterdam; * 1621, f 1676; zijn werken
zijn niet onverdienstelijk en staan onder invloed van
S. de Vlieger en L. Backhnvsen.
L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerkxikon.
Belley, arr. -hoofdstad in het Fransche dept. Ain,
278 m boven zee; 4 740 inw. (1926). Kathedraal uit de
15e eeuw; bisschopszetel. Handel in koren, wijn en
zijde.
Belli* G i ii s e p p e G i o a c h i n o, Ttaliaansch
dialect-dichter, schilderde in sarcastische, realistische
sonnetten het volksleven te Rome en de toestanden
aan het pauselijk hof in de jaren 1830 — 1850. * 10 Sept.
1791 te Rome, f 21 Doe. *1863 aldaar.
Werken: Sonctti romaneschi (uitgegeven door
L. Morandi 1886 — *89). — L i t. : L. Morandi, La Satira
a Roma e i sonctti di G. G. Belli (1869) ; E. Bovet, Le
peuple de Rome vers 1840 d’apros les sonnets de G. G.
Belli (Neuch&tcl 1897' : Dom. Gnoü, G. G. Belli (Nuova
Antologia, 16 Mei 1913). l'lrix.
Bolhard, A u g u s t i n Daniël, graaf,
Fr. generaal en diplomaat; * 1769 te Fontenay-le-
Comte, f 1832 te Brussel; strijdt in de Coalitie-oor-
logen onder Dumouriez en Hoche in België en de
Rijnstreek; chef van Murat's generalen staf in Duitsch-
land en Spanje; onderscheidt zich bij Leip/.ig (1813)
en in den daarop volgenden veldtocht van Napoleon;
onder Lod. XVII I pair; 1831 Fr. gezant in Brussel.
F. Claassen.
Belli ca, C o 1 u m n a, > Columna.
Bol lick, gom. in de prov. Luik, ten N.O. van
Borgworm, 700 inw.; opp. 692 ha; riviertje de Jeker;
leemgrond, landbouw; oude heerlijkheid.
Bollineinia (M a d o t h e c a), een geslacht van
levermossen met vruchten aan korte zijtakjes. Ongeveer
80 soorten in de tropen, o.a. B. plat\ phvila, de breed-
bladerige B. en B. rotundifolia, de rondbladerige B.
Bollincioni, G e m m a, operazangeres (colora-
tuursopraan). * 18 Aug. 1864 te Monza (Piemont),
leerlinge van haar vader Cesare B. en Corsis. Zij debu-
teerde in 1881 te Napels in Pedrotti’s Tutti in maschera
en verwierf zich tijdens haar loopbaan zoowel in Italië
als in alle beschaafde landen grooten roem als ver-
tolkster van hoofdrollen in tal van veristische opera’s.
Vanaf 1911 leidde de zangeres een opera-school te
Charlottenburg; later vestigde zij zich weer in Italië.
Zij publiceerde een zangpaedagogisch werk en een
au tob iogra ph ie. Hanekroot.
Bellinden, gem. in Z. Brabant, ten Z.W. van
Brussel; opp. 401 ha, ruim 700 inw.; landbouw. De
priorij van Cantimpré bij Kamerijk vestigde zich, in
1680, te Bellingen. De nieuwe abdij geraakte echter
nooit tot bloei en ging onder de Fransche overheer-
sching definitief ten onder. Lindemans.
BHliiifjIiam, stad in den N. Amer. staat
Washington (48° 45' N., 122° 30' W.), zeer schilder-
achtig gelegen aan de gelijknamige baai (een onder-
deel van den Puget Sound). In 1930: 30 823 inw. B.
produceert vooral zalm- en fruitconserven, suiker,
houtpu lp, papier, cement, steenkool; bezit groote
houtzagerijen; verzendt groote hoeveelheden zuivel-
producten, eieren en gevogelte; is een uitrustingshaven
voor de Alaskavisscherij. In 1929 exporteerde de haven
46 000 ton (906 kg) en importeerde er 74 000; boven-
dien werden 140 000 ton door de kustscheepvaart
aangevoerd en 704 000 verzonden. B. is bekend om
haar tulpen en hyacinten. Pohpoel
BHlinjjliem, > Cantimpré, Thomas van.
Bellinfjwolde, grensgemeente in de prov. Gro-
ningen ten Z.0. van Winschoten, bestaat uit de dorpen
505
Bcllini
506
B., Friescheloo, Oudescbans, Veelerveen en de gehuch-
ten Klein lisda, Koudehoek, Den Ham, De Leele.
6 142 inw. (1 Jan. 1930). waarvan 5080 Prot., 40 Isr.
en 26 Kath. Opp. 7 880 ha, honfdzakelijk in gebruik
voor landbouw, daarnaast veeteelt; aardappelmeel-
fabriek te Veelerveen. B. is één van de mooiste, zoo
niet het mooiste landbouwdorp uit de provincie Gro-
ningen. niet het minst door de statige rijen van groote
boerderijen, omgeven door veel geboomte, die over
een afstand van bijna een uur gaans, langs den hoofd-
weg door het dorp staan. De landerijen van één boer-
derij strekken zich meermalen uit over een afstand
van ca. I 1 / 2 uur. In de laatste 25 iaar is ongeveer
2 000 ha woeste grond ontgonnen, vooral na de kanali
satie van Westerwolde. De grootste ontginning „Het
Hebrecht” behoort aan de landbouwmaatschappij
Westerwolde te Den Haag en is 600 ha groot.
Oudeschans werd in 1593 gesticht door Willem
Lodewijk. Het speelde een rol in den strijd tegen de
Spanjaarden en in den Munsterschen oorlog. In 1815 —
1818 volgde ontmanteling. Veelerveen ontstond na de
kanalisatie van Westerwolde, uitgevoerd van 1907 —
1920. Een eenvoudig monument is opgericht voor
B. L. Tijdens, die veel deed voor deze kanalisatie.
Nijenhuis .
Brllini, 1° naam van een Ttal. schildersfamilie,
die bloeide van het begin der 15e tot het begin der
16e eeuw en in welker leden, Jacopo, de vader, Gentile
en Giovanni, zijn beide zoons, de ontwikkeling vol-
trokken wordt van de oudere naar de nieuwere Vene-
tiaansche schilderschool. Zie pl. t/o kol. 496.
n) Jacopo, leerling bij Gentile da Fabriano,
* einde 14o eeuw, f 1470. In 1424 het eerst als schilder
vermeld. Door zijn werk in den dom van Verona
(Kruisiging, 1430) werd hij in zijn vaderstad bekend
en men benoemde hem tot deken van de Scuola van
St. Jan den Evangelist. Hij werkte vervolgens aan
het hof der d’Estes in Ferrara (1441) en bond met
Mantegna den strijd aan tegen de traditioneele kunst
van Squarcione (Padua). Zijn beide zoons w'aren op
het laatst van zijn leven zijn voornaamste mede-
werkers. Er zijn w r einig werken van hem bewaard;
hij was bekend als uitmuntend paard enschilder en
nauwgezet en frisch teekenaar.
Voorn, werken: Christus aan het kruis (Verona,
Museum); Madonna met Kind (Venetië, Galleria dell'
Accademia) ; teekeningen in het Louvre (Parijs) en het
Britsch Museum (Londen).
b) Gentile, oudste zoon van Jacopo, vooral
bekend als nauwkeurig portretschilder; * ca. 1429
te Venetië, f 1507 aldaar. Een portret van kard.
Bessarion (1472) is verloren. In 1479 ging hij naar
Konstantinopel en verbleef daar aan het hof van
Mohammed II, voor wien hij tcekeningen en schilde-
ringen van Venetië maakte en enkele portretten
uitvoerde; zoo het portret van den heerscher zelf
(Londen, National Gallery). Van de schetsen, die hij
in hot Oosten maakte, werd later door hemzelf en
zijn navolgers druk gebruik gemaakt. Hij versierde
in Venetië de raadszaal van het dogcnpaleis met
fresco’s (1577 verwoest) en schilderde dogenportretten.
Zijn manier is scherp en hard: ook in zijn historische
stukken ovcrheerscl.t de portretkunst; het licht in
zijn werk bezit weinig kleur, maar legt over het geheel
een eigenaardige, groenachtige atmosfeer. Gestalten
vertonnen in anatomie en draperie invloed van
Mantegna.
oorn. werken: luiken van het orgel van S.
Marco (ca. 1458, nu in do domopera te Venerië) ; Sint
Laurentius Justinianus (1465, Venetië, Accademia) ;
Mohammed II (Londen. National Gallery); Wonderen
met do H. Kruisreli-juie (3 doeken, 1496—1501, Venetië,
Accademia) ; Prediking van den 11. Marcus in Alexan-
drië (Venetië, Accademia).
e) Giovanni, ook G i a m b e 1 1 i n i ge-
heeten, de voornaamste der B.; * ca. 1430 te Venetië,
f 29 Nov. 1516. G geraakte aanvankelijk bijna geheel
onder den invloed van zijn zwager Mantegna, met wien
hij in Padua verbleef (1458 — 1460); knokige anatomie,
gestyleerd landschap, de lichaamsvormen streng
markeerende draperie. Beiden echter, Giov. B. en
Mantegna, ondervinden invloed van het werk van
Jacopo B. (vtrl. beider: Christus in den Olijfhof,
Londen, National Gallery). Spoedig streeft G. echter
naar weeker vormen en hij bereikt een geheel eigen
landschapschilderkunst. Zijn w r erk (zijn Madonna’s
vooral) wordt gekenmerkt door een diep-religieuze
stemming, waarsch. niet zonder invloed van den
H. Bcmardinus van Siena, dien hij in Venetië of
Padua moet gehoord hebben. Langzaam maakt hij
zich van Mantegna ’s manier los en wellicht ondergaat
hij cenigen Vlaamschen invloed (Bew T eening van
Christus, Milaan, Brera). Bij Christus’ Gedaante-
verandering verlaat hij geheel het schema van zijn
meester, zoowel w-at draperie als wat landschap
betreft (misschien invloed van Antonello van Messina),
Doch in sommige zijner Madonna’s (bijv. Milaan.
Brera) blijft hij archaïsch. Omstreeks 1480 maakt hij
zich ook hiervan geheel los: zijn Madonna wordt een
jonge, ietwat gezette, Venctiaansche moeder. In zijn
Allegorieën tracht hij de Christelijke gedachte met de
mythologie te vermengen. Zijn laatste levensjaren
worden vergald door de concurrentie van Giorgione,
waarheen zijn leerlingen overloopen, en door oneen ig-
heid met Titiaan. Aan de zachte schaduwen en soepel#
anatomie van den eerste inspireert de oude meester
zich nog in zijn Pala van S. Zaccaria te Venetië.
Zijn laatste w T erk, De marteldood van den H. Marcus,
moest door zijn leerling Belliniano voltooid worden.
Nog in 1506 roemt Dürer hem als den besten der
schilders.
Voorn, werken: Christus in den Olijfhof
(Londen, National Gallery); Christus, Zijn Bloed ver-
gietend (ibidem) : Madonna Frizzoni (Venetië. : Gestor-
ven Christus tusschen twee weenende engelen (Bei lijn,
Staats Museum; ; Bcwrening van Christus (Milaan,
Brera); Kroning van Maria (Pesaro, San Francesco ;
op de predella ; Marteldood van den H. Petrus, S Joris,
Stigmatisatie van den H. Fiantiseus en de H. Iliërony-
mus; ; Gedaanteverandering van Christus (Napels,
Museum); Madonna dcll’ Orto (Venetië); Madonna
(Milaan, Biera) ; Pala di San Giobbo : Madonna met
heiligen (Venetië, Accademia) ; Madonna met heiligen
en den doge Barbarigo (1488, Murano, S. Pietro Martire);
portret van den doge Loon. Loredano (Londen, National
Gallery); Christelijke Allegorie (Florence, Uffizi;; Pala
di S. Zaccaria (1505. Venetië). — L i t. : Gronau, Die
Kiinstlerfamilie B. (1909) ; Vcnturi, Stoiia dell* arte
1 tal. (Vil 4 1915) : Cammacrts, Les B. (z.j.) ; von Hadeln,
Vonezianisehe Zeichnungen des Quattrocento (1924»;
Grouau, B. in : Klassikcr der Kunst (1930). Knipping.
2° L o r o n z o, Italiaansch geneesheer. * 1643
te* Florence, f 1704 aldaar: prof. te Pisa. 19 jaar oud,
schreef B. reeds zijn werk over de nieren; sommige
kanalen daarin zijn naar hem genoemd. Ook belang-
rijk werk over de smaakpapillen. Schijnt een plagiaris
geweest te zijn.
3° V i n c e n z o, Italiaansch opera -componist,
♦ 1801 te Catania (Sicilië), f 1836 te Puteaux bij
507
Bellini Tosi— Belloc
508
Parijs. Als leerling van het conservatorium te Napels
onder Tritto en Zingarelli, publiceerde hij instrumen-
tale en kerkelijke composities. Zijn eerste opera,
Adelson e Salvini, werd (1825) in het theater van het
conservatorium opgevoerd; het jaar daarop had hij
groot succes met „Ferdinando”. Hij kreeg hierdoor
opdracht om voor Milaan twee opera’s te schrijven:
opgevoerd werden „11 pirata” (1827) en „La Straniera”
(1829). De critiek verweet B. al te eenvoudige instru-
mentatie en het gemis van groote vocale vormen;
hij nam deze wenken ter harte en met deze verbeterin-
gen werd „Norma” opgevoerd te Milaan, welk werk
in 1831 met Maria Malibran in de hoofdrol veel succes
had. In 1833 ging hij naar Parijs, waar hij, hoewel
slechts voor korten tijd, veel bijval oogstte. Slechts
één opera heeft hij nadien nog geschreven, „1 Puritani”
(1835 opgevoerd in Théatre italien). Algemeen treurde
men over zijn vroegtijdigen dood, wat zich uitte in
talrijke gedenkschriften.
B. is een der meest geliefde verschijningen onder
de Ital. opera-componisten der 19e eeuw; in zijn
kunst treedt het melodische element sterker op den
voorgrond dan het dramatische.
Werken: nog verschillende opera’s : o.a. La Son-
nambula (Milaan 1831) ; Beatrice di Fenda (1833). —
Lit. : G. Bürkli, V. B. (1841; 29 Neujahrsstück der
Allg. Mus. Ges.) ; Biographieën van Fil. Cicconetti
(1859) ; A. Pougin (1868) ; Pcrcolla (1876) ; Fr. Florimo,
Bellini, memorie e lettere (1885); Ant. Amore (2 dln.
1892 — *94) ; Ford. Ililler, Künstlerleben (blz. 144 vlg.) ;
lid. Pizzetti, La musica di V. B. (1916). Piscaer.
Brllini Tosi, Italiaansche uitvinders, welke in
1907 een systeem uit vonden voor richt ingbepaling
van inkomende draadlooze signalen, w T aarbij zij van
stilstaande (niet roteerende) antennes gebru ik maakten.
» Richtingzoekers.
Bcllinzani , Paolo Benedetto, com-
ponist, * ca. 1690 te Ferrara, f 1757 te Recanati; in
1717 kapelmeester te Udine, achtereenvolgens in 1722
aan de kathedraal te Ferrara, 1726 te Pesara, 1733
te Lrbino en daarna te Recanati.
Werken: Missae 4 v. op. 1. (1717) ; Salmi brevi 8
v. op. 2 (1718) ; Suonate a Flauto col B.c. (1720) : Offer-
torii 2 v. e. B. c. (1726) ; Duetti da camera op. 5 (1726,
lib. 2 1733) ; Madrigali 2-5 v. op. 6 (1733) ; Twee oratoria
Abigaile (1730) en Ester (1753). Piscaer.
Bclliiizona, hoofdplaats van het kanton Tessino
(Zw.L), 237 m boven zeeniveau; ca. 11 000 inw. De
Gotthard -spoorlijn splitst zich hier in twee takken,
een naar Luino, de andere naar Locarno. De stad,
vroeger een belangrijk strategisch punt, wordt door
drie oude burchten omgeven, die door verbindings-
muren met de stad samenhangen. Vooral het Castello
Grande (Uri, 280 m) biedt een prachtig uitzicht op
de omgeving. Het castello Corbaro (Unterwalden,
464 m) werd gerestaureerd. Het Castello Montebello
(Schwyz, 311 m) bevat een historisch museum met
Etniscische vondsten uit de omgeving. Lips.
t Bellis, > Madeliefje.
Bellmann, Carl Mi ka el (pseud. Fred-
m a n), Zweedsch dichter van de vóór-Romantische
generatie. * 14 Febr. 1741 te Stockholm, f 11 Febr.
1795 aldaar. Uit een piëtistisch -streng gezin voortge-
komen en ondanks een losbandige jeugd beschermd
door Gustaaf 111, wiens hofsecretaris hij werd, bleef
B. — die zich gaandeweg uit de knel der Fransche
pseudo -klassiek had bevrijd — tot zijn dood de
anakreontieker bij uitstek; in liederen,
waarvoor hij soms ook de lichte Rococo-muziek adap-
teerde, en die de bedenke lijke vreugden van de door
hem gestichte Bacehusorde verheerlijken, de meest
populaire figuren van de hoofdstad met ongeëven-
aarde karakterschets ing vereeuwigen, maar ook aan
politieke en maatschappelijke zedencritiek doen, in
meesterlijk verzorgden vorm, doch met een opgewekt-
heid van toon, w r aar de onvoldaanheid der ziel onder
door klinkt. Vooral de reeks Fredmans
E p i s 1 1 a r (1790) — oneerbiedige parodieën van
de apostel-brieven, die de ellenden van een aan lager
wal geraakten horlogemaker uit het toenmalig Stock-
holm pakkend in beeld brengen — is vol figuren en
toestanden, waarbij aan de tragische komiek van
Shakespeare’s blijspelen, en zoowel aan V e r 1 a i n e
als aan V i 1 1 o n w T ordt gedacht. Verder schreef B.
volksdrama’s en satiren.
Uiig.: Samlade Skriftar (5 dln. Stockholm 1921
vle.). — Lit.: F. Niedner, C. M. B., Der Schwedische
Anakreon (Berlijn 1905): P. Friedrich, C. M. B (1907).
— Duitsche vertaling door F. Niedner (Berlijn 1909).
Baur.
Bcllo, A n d r é s, Venezolaansch schrijver, dich-
ter en politicus. * 1781 te Caracas, f 1865 te Santia-
go de Chile. Stichtte de universiteit van Santiago d.C.,
waarvan hij rector werd. Ijveraar voor het volksonder-
wijs.
Werken: Principios de derecho internacional (Ca-
acas 1847) ; Gramatica de la lengua castellana (gecom-
pleteerd door Rufino José Cucrvo) (Colección de Escri-
tores Castellanos) ; Alocución a la Poesia en Silva a la
agricultura de la zona Torrida (gedichten over Amerika).
— Lit.: M. L. Amunategui, Yida de A. Bello (Santiago
de Chile 1884) ; Antonio Caro, Estudio biografico y
cn'tico (dl. Poesias de A. Bello) (Madrid 1882).
Belloc, H i 1 a i r e, Katholiek Engelsch jour-
nalist, geschiedkundige, apologeet en humorist. * 1870
bij Parijs, zoon van een Fransch advocaat en een Engel-
sche moeder; opgevoed in Engeland, studeerde te Ox-
ford; was in Franschen krijgsdienst, genaturaliseerd
in Engeland in 1903 en een typisch Engelsch man ge-
worden, doch met sterke Fransche en anti-Duitsche
sympathieën. Huwde in 1896 een Amerikaansche, die
gestorven is in 1914. Vlot, geestig, strijdbaar schrij-
ver. Vriend van G. K. Chesterton, die geestige teeke-
ningen maakte voor zijn humoristische schetsen en
nonsense-verzen (Chesterbellocs). Was van 1906 tot
1910 Labour-afgevaardigde voor het Parlement. In-
teresseert zich sterk voor sociale en politieke pro-
blemen, voor strategische geschiedenis, en beschrijft
de geschiedenis van Engeland, en Engelsche histo-
rische figuren, met een zeer persoonlijk, strijdlustig
accent; meer geniale synthese dan nauwkeurige detail-
studie. Als humorist bijna de evenknie van Chester-
ton. Zijn stijl is zuiverder, evenwichtiger, meer ge-
varieerd, maar minder krachtig en pakkend dan die
van zijn genialen vriend.
Werken: ongeveer 90 in getal, van groote ver-
scheidenheid. Hoofdzakelijk geschiedkundig
zijn : Danton (1899); Paris (1900); Robespierre (1901);
Marie Antoinette (1910); feix British Battles (1911);
The Last Days of the French Monarchy (1916) ; Europe
and the Faith (1920; een schitterende synthese); The
Jews (1922) ; History of England (7 dln., van 1925 af) ;
James II (1928) ; Joan of Are (1929) ; Richelieu (1930) ;
Wolsey (1930) ; enz. — Reisverhalen: The Mo-
dern Traveller (1897) ; The Path to Rome (1902) ; Esto
Perpetua (1906) ; Hills and the Sea (1906) ; The Pyrenees
(1909) ; The Cruise of the Nona (1925) ; Many cities
(1928) ; enz. — Polemiek en Satire: Caliban’s
Guide to Letters (1903) ; On Nothing (1908) ; On Every-
thing (1909); On Anything (1910); On Something
509
Belloc-Lowndes — Beel-Sweet
510
(1911); But Rolt, Wc are Observed (1928); A Conver-
sation with an Angel (1928) ; Survivals and New Arri-
vals (1929) ; A Conversation with a Cat (1931) ; enz. —
Satirieke Romans, vooral de Chesterbelloes :
Mr. Burden (1904); The Green Overcoat (1912); Mr.
Petre (1925); Belinda (1928); The Missing Masterpiece
(1929) ; The Man who made Gold (1930) ; enz. — Hu-
mor i s t i c k : The Bad Child’s Book of Beasts (1896) ;
More Beasts for Worse Children (1897) ; enz. En ten
slotte een werk van sociologischen aard : The
Servilft State, waarvan de eerste druk dateert van 1912,
maar dat ook na den oorlog meermalen is herdrukt en
nog altijd een der meest treffende analysen blijkt van
onze moderne sociale structuur. — L i t. : C. C. Mendell
en E. Shanks, H. B., The man and his work (1916) ;
G. N. Shustcr, The Catholic Spirit in Modern English Lit.
(1922) ; H. Link, H. B.’s Weltansehauung (diss. Erlangen
1930); P. Braybrooke, Some Catholic Novelists (1931).
Pompen.
Belloc- Lownclcs, M a r i e A d e 1 a i d e,
Kath. Engelsche romanschrijfster, zuster van H. Bel-
loc. Huwde in 189G F. S. Lowndes, mede-redacteur
van The Times. Heeft ruim 30 zeer populaire romans
geschreven.
Voornaamste romans: Barbara Rebell
(1905); When no Man Pursueth (1910); Jane Oglandcr
(1911); Mary Pechell (19121; Krom the Vasty Deen
(1920) ; The Bread of Deceit (1925) ; Thou shalt not
Kill (1927); The Story of Ivy (1928); Cressida No
Mystery (1928); Duchess Laura (1929); Letty Lynton
(1930): It Cries to Hcaven (1931).
Bcllocq, tamponnade van (ge-
ne e s k.), heet het opvullen der neuskeelholte met
een gaastampon, bij neusbloeding, zooals het eerst
door B. beschreven is.
Bcllo Horizon lc, hoofdstad van den staat Minas
Geraes (Z. Brazilië), op een plateau (500 m) gelegen,
verbonden door den midden-Braz. spoorweg met Rio
de Janeiro; 109 000 inw.; zeer snel tot ontwikkeling
gekomen. Belangrijke handel als gevolg van landbouw:
katoen, koffie; katoenindustrie. De mijnbouw levert
prod.: goud, ijzer, mangaan. B.I1. is zetel van een
aartsbisschop. Het aartsbisdom B. telt 600 000 Kath.,
suffr. zijn : Aterrado, Guaxupé en Uberata.
Bcllóna, Rom. godin van den oorlog; zuster en
gezellin van Mars. Haar tempel lag bij het altaar van
Mars en den Circus Flaminius, buiten het pomerium,
de stadsgrens. Daar kwam de Senaat bijeen om met
terugkeerende veldheeren, die op een triomf aanspraak
maakten, te onderhandelen en met gezanten van bui-
tenlandsche volkeren, die de stad niet betreden moch-
ten. Voor den tempel stond de > columna b e 1-
1 i c a. Met B. werd geïdentificeerd de godin >
C o m a n a. Davids.
Brllonnrius, in de Oudheid naam van de priesters
van de uit Cappadocië in Rome geïmporteerde godin
M a-B e 1 1 o n a. Op 24 Maart, den „dies sangui-
nis”, voerden haar priesters wilde dansen uit, verwond-
den zichzelf bij het brengen der offers en boden de
godin hun bloed aan. Weijermans.
Bcllori, Giovanni Pietro, Ttal. archeo-
loog en kunstgeleerde, bibliothecaris van koningin
Christina van Zweden; * ca. 1615 te Rome, f 1696.
Onder de meesters der Barok, w^elke hij in zijn w r erk-
Vita dei pittori, enz., behandelt, geeft hij eereplaatsen
aan Rubens, van Dyck, Duquesnoy en Nicolas Poussin.
De inleiding tot dit w r erk bevat een vrij neo-Platonisch
gerichte aesthetica der schilderkunst en kan genoemd
w'ordcn als voorstadium van de leer, later door Winckel-
mann verkondigd. Slechts één landschap is ons bekend
in Canini’s gravure.
Lit.: Jul. von Schlosser, Die Kunstliteratur (1924) ;
Panofskij, Idea (1924). Knipping.
Bellot, D m, Benedictijn, Fransch architect,
leerling van de écoie des Beaux Arts. Bouwde in
Oosterhout het Benedictijner klooster en in Eind-
hoven o.a. een kerk, was o.m. werkzaam in Quarr
(Eng.). Quarr Abbey op Wight is wel het meest zuivere
werk van B. Hij vormde in Nederland door zijn geniale
toepassing van den baksteen een school, welke hierin
haar kracht zoekt. In deze school volgt hem wel het
dichtst de architect van de Leur te Nijmegen (o.a,
Teresia-kerk te Nijmegen, Franciscuskerk te Bols-
ward). B. werd in 1876 te Parijs geboren.
Bcllóvaci, volksstam in Gallia Belgica, ten N.
van het teg. Parijs; streed tevergeefs tegen Caesar.
Voorn, plaats: Bratuspantium, ligging onzeker.
Bcllovi, Giovanni Pietro, Italiaansch
oudheidkenner. Bestudeerde antieke gedenkteekens
en bezat een rijk voorziene verzameling. Schreef in het
Latijn en in het Italiaansch over onderwerpen van
kunstgeschiedenis, o.m. mausolei romani ed etruschi
trovati in Roma. * 1636, f 1700.
Bcllows, G e o r g e W e s 1 e y, Noord -Ameri-
kaansch schilder van koude tonaliteit en harde uit-
drukking. Zijn zee- en bootgezichten zijn beter dan
zijn portretten. * 1882 te Columbus (Ohio), f 1925.
Voorn, werken: Emma en haar kinderen
(Boston, Museum of fine Arts) : Edith Cavell (ibidem). —
Lit.: ïsham, llistory of American Painting : Fielding,
Dictionary of American Painters, Sculptors and En-
gravers (1926). Knipping.
Bclloy, 1° Mark Frans, zoon van den Ant-
w r erpschen acteur Louis B., * 15 Aug. 1902 te Borger-
hout bij Antwerpen; opsteller van het Laatste Nieuws
sedert 1924, begaafd tooneelspeler, regisseur van de
Kon. Hoofdrederijkerskamer De Violieren sedert 1930,
en schrijver van YTaamsche boulevardstukken, korte,
met groven draad geweven, eenzijdige, schuine tijd-
geestbeeldjes van humoristischen aard, zeer aanschou-
welijk en gehouden in jachtig tempo.
Werken: Het onverwachte (1925) ; Match nul
(1929); Aktualiteiten (drie éénakters, 1933). Godelaine.
2° P i er re La u rent Buyrette de,
Fransch toon eelschrij ver, wiens „Le sicge de Calais”
(1765), bij eerbiediging der pseudo-klassieke vormen,
naar het voorbeeld van Voltaire de nationale tragedie
op het Fransche tooneel bracht. * 17 Nov. 1727 te
Saint-Flour, f 5 Maart 1775.
Lit.: L. Bertrand, La fin du classicisme (Parijs 1897).
Buur.
Bell Boek, rotseilandje vóór de monding van de
Tav in Schotland (56° 26' N., 2° 22' W.), centrum
van vischvangst.
Bell-Sweet, Systeem van (phiJo-
1 o g i e). Dit is een phonetisch systeem [ontworpen
door de Engelsche phonetici A. Melville Bell (1819—
1905) (Ontario) en diens leerling H. A. Sw r eet, pro-
fessor te Oxford (1845 — 1910; later herhaaldelijk ver-
beterd)], dat de vocalen indeelt naar de plaats en de
manier van articuleeren. Zij onderscheiden daarbij:
1° naar den afstand van tong tot verhemelte (practisch:
het min of meer doen zinken van de onderkaak): de
standen high met kleinen, mid met normalen, 1ow t
met grooten afstand. In het Ned. spreekt men van:
gesloten, half open en open, bijv. resp. biet, beet, bak.
2° Naargelang de hoogste welving van de tong vóór,
midden of achter in den mond ligt: front-, mixed en
back-vow'els. In het Ned. spreekt men van vóór-,
midden- en achterklinkers, bijv. resp. men, maan, man.
öll
Belluarius — Jielly
512
3° Naar de spanning der monddeelen bij het spreken,
©n vooral do boogsgewijze spanning der tong: tense
(narrow) en lax fwide) vowels. In het Ned.: gespannen
en ongespannen klinkers, bijv. resp. kiel en maan.
Een practische manier om de spanning te onder-
zoeken is bij liet uitspreken van den klank de kin in de
hand te nemen en daarbij den duimtop tegen den
weeken mondbodem, vlak bij het strottenhoofd, te
drukken: bij gespannen klinkers voelt men dan den
mondbodem sterk naar voren komen; bij ongespannen
klinkers blijft alles neutraal.
4° Naar het al of niet vernauwen van de mondopening
door óf boven- en onderlip, óf de mondhoeken iets
bijeen te trekken: round en unround vowels. In het
Nederlandsch: geronde en ongeronde klinkers. De
geronde klinkers van het Ned. zijn die van boek, boom,
pot, put, de, muur, neus, freule.
O
D
Half open
Gesloten
O
*3
(V
3
Half open
Gesloten
stoom
boek
Gespannen en gerond
£ C5
3 " £
* ë
3 3
— «
Bl B
5“
3
O»
3'
beuk
freule
nu
zee
met
dief
boor
dom
pot
b
CfQ
■r.
3
3
3
n
3
o
3
bak
Ongespannen
achter midden vóór
de
put
raam
deur
peer
pit
De voornaamste klinkers van het Nederlandsch
volgens Bell-Sweet.
L i t. : H. Sweet, The Sounds of English (Oxford
*1910) ; Zwaardemakcr en Eykman, Leerboek der
Phonetick (1928). br. Herman Jozej.
Bcllusirhis, de bevechter van wilde dieren in de
Romeinsche amphitheaters. Ook de verzorger en
temmer.
Bcllutli, Lucas, Zalige, Franciscaan, een
van de meest bekende predikers uit den eersten tijd
dezer Orde.
* ca. 1200. f 17 Febr. + 12&). Tn 1220 werd hij leer-
ling van den H. Franc iscus en later metgezel van den
H. Antonius van Padua. Door het volk werd hij als
wonderdoener vereerd. Zijn vereering werd 18 Mei
1927 bevestigd. J. van Rooij.
Bcllurn omnium contra omnes (Lat.) =
de oorlog van allen tegen allen. Stelling uit Thomas
Ilobbes’ (1688 — 1679) beroemd boek „Leviathan or
the matter, form and authority of government” c. 18.
Hobbes leidt zijn stelling, die overigens al gevonden
wordt bij Plato („Wetten” 625 E.) en bij Dio Chryso-
stomus (le eeuw na Christus), af uit het feit, dat in den
natuurtoestand iedere mensch naast onbeperkte rech-
ten ook een onbeperkte neiging bezat, dat recht te
doen gelden (Leviathan pars I, cap. XIV). En dus
„wordt de eene mensch voor den anderen een wolf”
(Plautus Asinaria 2, 4, 88 (491). Brouwer.
Bcllum omnium pator (Lat.) = De oorlog
is de vader van alle dingen. De vertaling van tlera-
clitus’ „pólemos pantoon men p&ter ósti”, aangevuld
met: „sommigen maakt hij tot góden, anderen tot
menschen, sommigen tot slaaf, anderen maakt hij
vrij”; in een ander fragment: „men moet weten,. . . .
dat alles door strijd en noodzaak ten leven komt”.
L i t. : II. Diels, Die Fragmente der Vorsoknitiker
(Berlijn 1912, fragm. 8, 53 en 80). Brouwer.
Bellune, maarschalkstitel van den Napoleonti-
schen maarschalk > Victor.
Belluno, 1° Italiaansche provincie in
Venetië; 3675 km 2 , 236 784 inw. (1931), 57 per km 2 ,
69 gemeenten. Stroomgebied van de Piave. alpengebied ;
in de lagere dalen landbouw, in de hoogere deelen
alpenweiden. Vreemdelingenbezoek.
2° Hoofdstad van de prov. B. (46° 10' N.,
12° 14' O.); 25 425 inw. (1931); 389 m boven zee.
Bisschopszetel; mooie domkerk; handel in wijn en
ooft. Geboorteplaats van paus Gregorius XVI. B.
hoorde na 1420 tot Venetië. Heere.
Kunst. B. is niet rijk aan monumentale resten uit
de middeleeuwen, uitgezonderd enkele brokstukken
in den Dom, de San Fermo en de San Sebastiano (in de
voorsteden). De tegenwoordige Dom werd in de 16e
eeuw, waarschijnlijk volgens het plan van Tullio
Lombardo, gebouwd op de plaats van den vroegeren;
de campanile dateert uit het midden der 18e eeuw. De
S. Stefano (Gotisch) is na den wereldoorlog grondig
gerestaureerd en bezit een kapel met fresco’s van
Jacopo da Montagna. Verder bij de S. Pietro Gotische
kruisgang van Franciscanerklooster. Het paleis der
prefectuur is in Renaissance-stijl opgetrokken. Van
de vele stadspoorten is de Dogliona-poort (12e eeuw,
1553 hersteld) de merkwaardigste.
L i t. : G. Alvisi, B. e la sua proviueia (1858) ; Borto-
loui, B. nel IX. Annuale della liberazione (1927).
Knipping.
Bollver y Ramon, R i c a r d o, Spaansch
beeldhouwer uit Valencia, * 1845 te Madrid, f 1924.
Studeerde te Madrid aan de Academia de San Pernando,
kreeg voor een „David” de Prix de Rome (1862).
Voorn, werken: Buste van Gon/.alo Fernandez
de Cordoba, „El Gran Capitan**; Begrafenis van S. Agnes
(bas-reliëf) ; Opstandige Engel (beeld in het Retiro-
park van Madrid) ; S. Andreas en S. Bartholomeus (meer
dan levensgroot) voor de S. Francisco el Grande in
Madrid: O. L. Vrouw v. d. Rozenkrans voor de 8. Josephs-
kcrk aldaar ; beeld van de Faam in het Goya-mausoleum.
Knipping.
Bclly, I.éon Adolphe Auguste,
Fransch landschap- en genreschilder. * 10 Maart 1827
te St. Omer, f Maart 1877 te Parijs. Was eerst leerling
van C. Trovon en werkte in den beginne onder invloed
van Decamps en P. Marilhat. Vergezelde de Saulcy
en Ed. Delesscrt op hunne reizen naar het Oosten.
Bezocht Egypte, Palestina en Syrië. Werkte daarna
in de omgeving van Fontainebleau en ook in Nor-
mandië. Schilderde ook portretten. Hij was als roman-
ticus een der beste Oriënt-schilders. Zijn werk draagt
een persoonlijk karakter en onderscheidt zich door
een krachtig koloriet en eigenaardige belichting.
Werken: o.a. in het Luxembourg te Parijs (Pel-
grimstocht naar Mekka 1867). — L i t. : Beilier-Auvray,
Dict. des peintrcs, enz.; Bénézit, Dict. des peintres, enz.
de Sluert.
H. BENEDICTUS
De H. Benedictus redt den H. Placidus, die dreigt te verdrinken. Wandschildering van Sodoma in het
klooster van de Monte Oliveto bij Siena.
De H.H. Maurus en Placidus worden voor den H. Benedictus geleid. Wandschildering van Spinello Aretino
in de basiliek van S. Miniato al Monte.
H. BERNARDUS
De Heilige Maagd verschijnt aan den Heiligen Bernardus van Clairvaux. Schilderij van Fra Bartolommeo (1504— 1507).
513
514
Bel-Mardoek — Belooning
Bel-Mardoek , * Bel (godh.); * Mardoek.
Belmer, J. D., Hollandsch schilder, * 6 April
1827, f 6 Mei 1909 te Barneveld. Studeerde te Ant-
werpen. Schilderde portretten, genrestukken, stil-
leven en kindschap. In zijn landschappen vooral is
hij een aparte figuur, los van de Ilaagsche School.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. Schilderkunst.
de Stuers.
Belmez, stad in Spanje (38° 16' N., 5° 10 ' W.).
In de nabijheid belangiijke kolenvelden, benevens
ijzer-, lood- en kopermijnen: 10 200 inw. (Kath.).
Het kasteel van B. was eens het middelpunt van een
Moorschen verdedigingsketen.
Bel mondigheid, rechtsgevolg, intredend, indien
een hoorige verzuimde den cijns aan den heer te beta-
len, of indien achterwege bleef na het overlijden van
den hoorige de erfwdnning, d.w.z. de formèele aan-
vrage aan het hofgerecht om als opvolger van den
overledene in diens gebruiksrechten van een hoorkr
goed erkend en in de registers ingeschreven te worden.
Het rechtsgevolg bestond hierin, dat de goederen,
waarop de hoorige gebruiksrechten had, geheel vrij
terugvielen aan den heer. B. kon in vele gevallen
afgekocht worden tegen betaling van het dubbele
bedrag van den achtersta lligen cijns. Hermesdorf.
Belet*. K a r 1 J u 1 i u s, Duitsch geschied-
schrijver. Bezat uitgebreide en diepgaande kennis
van bronnen en literatuur, breede belangstelling voor
economische, sociale en cultureele toestanden. Sterk
persoonlijke opvatting, die meermalen leidt tot
gew'aagde interpretatie der teksten. * 1854, f 1929.
Was sedert 1879 hoogleeraar te Rome, 1912 — ’13
Leipzig, daarna terug te Rome.
Voorn, werken: Der italienische Bund unter
Rnms Hegemonie (1880) ; Die att’sche Politik soit
Perikles (1884' ; Die Bevölkerung der griechisch-rö-
mi8chen Welt (1886) ; Griechische Gcschichte (4 dln.
1893-1904) ; Komische Geschichte bis zum Beginn der
punisch en Kriege (1926). — L i t. Autobiographie in:
Die Geschichtswissenschaft in Selbstdarstellungen (diss.
van Stemberg II 1926). Elias.
Belodon, een tot de Parasuchia behoorend reptiel
uit de bovenste lagen der Triasformatie. Belodon bezat
een ruw pantser uit beenplaten: de neusgaten waren
ver naar achter geplaatst. Zie verder > Krokodil.
Bèioc, onderafd. op Timor (Ned.-Indië).
Bcloeil, gem. in de prov. Henegouwen, ten Z. van
Aat; opp. 740 ha; 2 500 inw.; Honelle-rivier; bronnen,
vijvers, bosschen, woud van B.; zand- en kleigrond.
Merkwaardige kerk, gebouwd in de 19e eeuw, van
binnen rijk versierd, kostbare schat en schilderijen.
Beroemd kasteel van B., met hoven en park, ongeveer
60 ha opp. Reeds bekend gedurende het Romeinsche
tijdperk; machtige oude heerlijkheid, werd meermaals
belegerd; huizen de Condé en de Ligne. Het oude
versterkte kasteel werd herhaaldelijk verbouwd;
in 1900 door een brand vernietigd, werd daarna opge-
bouw 7 d in nieuweren stijl op de oude grondvesten.
De hovenaanleg herinnert aan Versailles. liet door-
luchtig geslacht van de Ligne is beroemd.
V. Asbroeck.
Bcloctsjistan, > Baloetsjistan.
Belofte is de toezegging aan den naaste van een
toekomstige hem voordeelige prestatie. In tegenstel-
ling met de b. is het voornemen niets anders dan het
besluit tot een toekomstige daad. Een belofte aan God
gedaan, wordt -> gelofte genoemd. Wanneer de naaste
de toezegging aanvaardt, ontstaat een zedelijke ver-
plichting krachtens de deugd van getrouwheid om te
volbrengen, wat men beloofd heeft. Wie een belofte
af legt, staat niet alleen in voor de eerlijkheid van zijn
wil, maar ook en vooral voor de vastheid van zijn wil
in de toekomstige uitvoering. De andere partij ver-
krijgt wel een zekere aanspraak op hetgeen beloofd is,
maar geen strikt recht, tenzij desrene, die de b. af legt,
zich ook krachtens de deugd van rechtvaardigheid heeft
willen verbinden; dan ontstaat het contract van belof-
te. Voorwaarden voor een geldige b. zijn: dat zij vrij-
willig w r ordt afgelegd door iemand, die daartoe be-
kwaam is en beschikken kan over hetgeen beloofd
wordt. Vervolgens, dat de andere partij de b. heeft
aangenomen, en tenslotte, dat niets, wat zedelijk
slecht is, beloofd wordt. De verplichting der b. houdt
op, als de wezenlijke omstandigheden zoo veranderen,
dat men de b. niet had afgelegd, als men dat voorzien
had. Eveneens, wanneer het beloofde onmogelijk
kan woorden uitgevoerd, ofwel ongeoorloofd, zeer
nadeelig of nutteloos geworden is. Onderscheid is
nog te maken tusschen de private belofte en de plech-
tige, aan w^ettelijke vormen gebonden beloften, als
bijv. de kloostergeloften. > Gelofte.
L i t. : St. Thom., S. theol. (II, II, q. 88); Alphons.
Theol. Mor. (III, 720). P. Heymeijer.
Beloit, stad in den N. Amer. staat Wisconsin
(42° 30' N., 89° 1' W.), gebouwd op de hooge oevers
van de Rockrivier, die aan haar schoen- en machine-
fabrieken de noodige drijfkracht levert. In 1930:
23 611 inw.
Beloken Paschen of besloten Paschen, naam
voor den eersten Zondag na Paschen, sluitdag van het
acht-dagig Paaschfeest. Evenzoo (oudtijds): beloken
Pinksteren. -*■ Jaar, liturgisch.
Belomantie (<( Gr. belos = speer, pijl, manteia
= waarzeggerij), waarzeggerij door middel van den
pijl. B. w r erd in de oudheid, vooral in het Oosten, druk
beoefend, in het bijzonder voor den aan vang van een
gevecht.
Boloniet (<( Gr. belone = naald), 1° in de
geologie: naaldvormige kristalske letten van
microscopische afmetingen. Ais de meeste kristal-
skeletten komen belonieten voor in natuurlijk glas
(obsidiaan, peksteen), dat door uiterst snelle afkoeling
van een magma kan ontstaan.
2° Vulkanologische term om aan te
duiden een naald vormige lavaprop, die langzaam
uit de kraterpijp omhoog wordt geperst. De lava is
dan steeds dikvloeibaar, daar zij anders in den vorm
van lavastroomen uit zou vloeien. Fraaie voorbeelden
van belonieten zijn de lavanaald van de Montagne
Pelée op Martin i.pie en die van de Merapi op Java.
II of steenge'
Beloofde Land noemde Sint Paulus het eerst
(Ilebr. 11. 9; vgl. Num. 32.11) het, volgens de door
aan Abraham gedane belofte (Gen. 12. 7), aan diens
nakomelingen toegezegde land. > Canaan.
Belooning . Velen ontkennen het bestaand
recht der b. in de opvoeding. Het kind moet leeren
doen uit plicht en liefde tot God. De b. zou d • ik-drift
voeden, af leiden van de w r are motieven de groote
teleurstelling bereiden voor het latere leven, w^aar het
goede zelden beloond w r ordt. Toch kan de b. niet
absoluut w r orden verwoipen. Ze mag echter niet
beschouwd wmrden als vergelding der zedelijke daad,
doch alleen als aansporing. Door kleine vreugden in
den vorm van b. w'ordt het kind over zijn gevoel van
depressie en inzinking heengeholpen. De b. is „liefde-
symbool” (Haberiin). Alleen de g o e^d e wil en
IV. 17
515
Beloop- -Belsele
516
zijn praesta ties mogen worden beloond,
niet het talent, vooral niet lichamelijk talent. Dit
zou het geweten en het gevoel misleiden en het recht-
vaardigheidsgevoel kwetsen.
De b. zij matig, individueel en psychologisch aan-
gepast, stimuleere het eergevoel, niet de eerzucht,
de b. zij overeenkomstig de bepaalde wilspraestatie
en rcchtvaardg. Een geheel uitgewerkt loonstelsel
met g e d r a g s kaarten, platen, boeken of geregelde
f rijsuitdeelingen vindt weinig verdedigers meer.
Daarentegen vinden praestatieprijzen (bijv. cijfers en
schoolprijzen voor succes bij het onderwijs) veel aan-
hangers]. Een korte lofprijzing, een goedkeurend gebaar
een vriendelijk gelaat is dikwijls voldoende. Genoegens
van onschuld igen aard: wandeling, spel, vrije dag of
verteluurtje kunnen doelmatige aansporing zijn tot
ijver. Voor kleinere kinderen zijn ze veelvuldiger
dan voor grootere. En hoe volmaakter persoonlijkheid
de opvoeder, hoe zeldzamer dit middel noodig is.
Lit: Krieg-Grunwald, Lehrb. d. Padag. ( 5 1922); Ha-
berlin, Wegen en Dwaalw. (1926); Vincent- Vcrbcetcn,
Opvoeding en Onderwijs ( 7 1929). p. Grrvasius.
Beloop of talud wordt genoemd een hellend vlak,
dat een ingraving of ophoop ing begrenst. De helling
van het b. wordt gemeten door den hoek, dien het hel-
lend vlak met het horizontale vlak vormt, ofwel door
den tangens van dien hoek. Zoo spreekt men van een
b. onder een helling van 30° of 45°, of van een b. onder
een helling van 1 op 2, of 2 op 3, enz. Onder natuurlijk
b. van een grondsoort of van een onsamenhangend
materiaal wordt verstaan de maximum helling, die
het materiaal aanneemt, wanneer het los wordt opge-
w ? orpen. J. ten Brink.
Bc*lo\v, 1° Fritz von, Duitsch generaal
tijdens den Wereldoorlog. * 23 Sept. 1863, f23 Nov.
1918. v. B. commandeerde van 1915 tot 1916 het 2e
leger en van 1916 tot 1918 het le en het 9e leger op
het Westfront.
2° G e o r g von, Duitsch geschiedschrijver,
* 19 Jan. 1858 te Koningsbergen, f 27 Oct. 1927 te
Badenweiler. Achtereenvolgens leeraar te Münster,
Marburg, Tübingen en Freiburg; vnl. van beteekenis
op het gebied van middeleeuwsche instellingen en
economie. Tegenstander van de Hofreclitstheorie,
alsook van de Genossenschaftstheorie van Gierke.
Bestreed insgelijks Lamprecht. Was tijdens en na den
wereldoorlog ook werkzaam als publicist.
Voorn, werken: Studies over de instellingen
van Gulik en Berg ; Das altere Deutsche Stadtewesen
(1898) ; Territorium und Stadt (1900) ; Die Ursachen der
Rezeption des Römischen Rechts in Deutschland (1905) ;
Der deutsche Staat des Mittelalters (1, 1914; fragmen-
tarische samenvatting zijner voorstudies) ; Die Ursachen
der Reformation (1917); Problemen der Wirtschafts-
geschichte (1920): Vom Mittelalter zur Neuzeit (1924);
Die italienische Kaiserpolitik des Mittelalters (1927). —
Lit.: volledige lijst zijner werken : L. Klaiber, in Aus
Sozial- und Wirtschaftsgeschichte ; autobiographie in
Die Geschichtswissenschaft in Selbstdarstellungen (diss.
van S. Steinberg 1925) ; Gedachtnisschrift für G. v. B.
(1928) ; M. von Below, G. v. B. Ein Lebensbild für seine
Freunde (Stuttgart 1930). Elias.
3° O 1 1 o von, Duitsch generaal, * 18 Jan. 1857
te Danzig. Bij het uitbreken van den Wereldoorlog
werd hij naar het Oostelijk front gezonden, waar hij
zich onderscheidde bij Tannenberg en de Masurische
meren; commando over het 18e legerkorps; in 1915
opperbevel over het Njemenleger; in 1916 commando
bij Uskjub om de Bulgaren te steunen. In 191/ met
het 16e leger in België; in 1917 met het 14e leger naar
het Isonzofront, waar een doorbraak der Ital. linies
plaats vond. In het voorjaar van 1918 in de buurt van
Atrecht, en in het najaar aan den IJzer. Nam ontslag
27 Juni 1919. Cosemans.
BH pa i re, Maria El i s a, Vlaamseh letter-
kundige, * 1853 te
Antwerpen. W'ijdde
zich aan maat-
schappelijke en lief-
dadige werken,
speelde een belang-
rijke rol in het
Vlaamsche cultuur-
leven van haar
geboortestad, in-
zonderheid door
het inrichten van
lager, middelbaar
en hooger onderwijs
voor vrouwen. Door
haar bemiddeling
versmolten Dietsche
W arande en Belfort Belpaire.
tot één tijdschrift, waaraan ze al haar steun verleende.
Werken: Uit het leven (1887) ; Wonderland (met
Hilda Ram, 7 reeksen, 1894 — 1908^ ; Landleven in de
letterk. der XlXe eeuw (1902) ; Christen Ideaal (1905) ;
Kunst- en Levensbeelden (1906) ; Constance Teichmann
(1908); Beethoven (1910); Dickens (1929). Vertalingen
van Jörgensen, Björnson. A. Boon.
Belroos (e r y s i p e l a s) is een acute besmette-
lijke ontsteking van huid en onderhuidsch weefsel,
die wordt gekarakteriseerd door een met koorts ge-
paard gaande als regel scherp begrensde pijnlijke
roodheid en zwelling, welke de neiging heeft zich in
de vlakte uit te breiden. Deze uitbreiding kan lang-
zaam gaan, soms echter zeer snel. Op de roode huid-
gedeelten kunnen zich bij b. blaren vormen, terwijl
ook abcessen en etterige diepere ontstekingen voor-
komen. B. van de slijmvliezen ziet men zelden. De
gemiddelde ziekteduur is 8— 14 dagen. B. komt voor-
namelijk voor in het gelaat en op de behaarde hoofd-
huid (90% van alle gevallen). Een kleine, dikwijls
niet opgemerkte open ing in de huid is noodzakelijk
om den verwekker, den streptococcus erysipelatis,
toegang te verleenen. Bij sommige patiënten bestaat
een sterke neiging tot het optreden van recidieven.
Meestal worden de ziekteverschijnselen bij deze reci-
dieven telkens minder heftig, maar het zieke weefsel
reageert op den duur met sterke woekering, zoodat
elephantiasis (olifantsziekte) ontstaat. De sterfte bij
b. bedraagt ong. 5%: bij kleine kinderen en ouden van
dagen is de sterfte grooter. Voor de invoering der anti-
sepsis waren de talrijke besmettingen met b. in de
ziekenhuizen zeer gevreesd. Ook nu dienen lijders
aan b. te worden behandeld als lijders aan een besmet-
telijke ziekte. E. Hermans.
Belselo, 1° gem. in de prov. O. Vlaanderen,
in het land van Waas, ten Z.W r . van Sint Niklaas,
op den weg naar Gent. Opp. 2 026 ha, zandachtigen
grond, heide en sparrenboschjes. 3 900 inw. Landbouw
en klompenmakerijen. De kerk, gansch in Balegemsche
steen, heefi eenige oorspronkelijke deelen uit de 14e
eeuw, werd eerst vergroot in de 15e eeuw, daarna
ca. 1650 tot haar huid igen staat verbouwd. Ook het
mooi houten beschot in het koor is uit de 17e eeuw.
Lit.: Annalen v. d. Oudheidkundigen kring v. Land
van Waas (XXXX 1930).
517
Belser — Belijdenis
518
2* Parochiedorp in de prov. O. Vlaanderen op
grondgebied Evergem. 1 800 inw. Blancquaert.
Belser, Jo hannes v o n, Duitsch Kath.
Nieuw-Testamenticus; * 30 Oct. 1850 te Villigendorf
(Wurttemberg), f 20 Oct. 1915 te Tübingen. Was
stichter en directeur van het tijdschrift Tübinger
Quartalschrift. Schreef meerdere commentaren en
andere exegetische studies over het N. T. Zijn voor-
naamste werk is getiteld: Die Geschichte des Leidens
und Sterbens, der Auferstehung und der Himmelfahrt
des Herrn nach der vier Evangeliën ausgelegt (1903).
Behoudens enkele onwaarschijnlijke stellingen,
zooals zijn thesis van het éénjarig openbaar leven van
Jesus, zijn B.’s vele bijbelsche bijdragen zeer te
waardeeren. Brans.
Bril , twee zeestraten tusschen Noord- en Oostzee.
In het Beltenstadium van het laat-Glaciaal lagen hier
twee ijslobben van den Oostzee-gletsjer; in het post-
Glaciaal waren het rivieren, die het water van het
Ancylusmeer afvoerden en door latere positieve
niveau -verandering drong de zee er in door. De Groote
Belt is de diepste straat tusschen Oostzee en Noordzee,
maar door de talrijke banken is ze moeilijk te passee-
ren. Ze is 60 km lang en in het smalste deel 16 km breed.
De diepte van de Kleine Belt is sterk wisselend, maar
in het algemeen voldoende voor de grootste schepen.
De sterke stroom in het N., waar de breedte 600 m is,
maakt ook hier de scheepvaart moeilijk. De brug over
de ^Kleine Belt voor spoor- en gewoon verkeer is
1 175 m lang, waarvan 825 m over water.
/r. Stanislaus.
Ticltcrivijclcy meer in de prov. Overijsel, ten N.
van Zwartsluis; vormt één groote veenpias met
Beulakerwijde, samen een deel van den binnen-
scheepvaartweg Overijsel — Friesland.
BHtrami, 1° Eugenio, ltaliaansch wiskun-
dige, * 16 Nov. 1836, f 18 Febr. 1900; studeerde wis-
kunde te Pa via, was vanaf 1862 hoogleeraar aan ver-
schillende Ital. univorsiteiten. Zijn werk betreft tal
van gebieden uit wiskunde, mechanica en math.
physica. ITet meest bekend zijn zijn onderzoekingen
over oppervlakken van constante negatieve kromming,
die een aanschouwelijke interpretatie van de hyper-
bolische meetkunde mogelijk maken (1868).
Dijkslerhuis.
2 ° G i o v a n n i, Ttal a^rsch schilder, glaze-
nier en schrijver, * 1860 te Milaan, f 1926 aldaar,
leerling van de academie van de Brera te Milaan.
Vooral landschapschilder. Als hoofd van een glas-
branderij vervaardigde hij ramen voor de St. Paulus
buiten de muren te Rome en den dom van Milaan.
3 ° Lucas, Ital. architect, * 1854; studeerde in
Parijs, werd 1880 leeraar in bouwkunde te Milaan
(Brera), directeur van de Lombardijsche monumenten-
commissie en maakte zich als zoodanig zeer verdien-
stelijk voor het restaureeren van oude bouwwerken.
Leeft in Milaan.
Voorn, werken: II codice di Leonardo da
Vinei nella biblioteca del principe Trivulzio in Milano
(1891); La Basilica Ambrosiana primitiva ( 2 1905);
La Certosa di Pavia ( 2 1907); J1 Cenaeolo di Leonardo
(1908) ; Documenti e memorie riguardanti la vita e le
opere di Leonardo da Vinei (1919) ; La cupola vatieana
( 1929 )- i Knipping.
Be II ram y \fasses, F e d e r i c o, Spaansch
schilder, * 1880, leeft in Madrid. Schildert overdadig
opgetooide vrouwenportretten, met een volslagen
gemis aan fijn gevoel. Zijn „La Maja Marquesa”
bracht groote opschudding onder de Spaansche kunst-
critici.
V o orn. werken: De eerstgeborene, Het lied
van Bilitis, El manton rosa (De rosé mantel). — L i t. :
Federico B. (Biblioteca Estrella z.j.). Knippiug,
Bel (rum, > Eibergen.
Bcltsjikowski, Adam, Poolsch tooneel-
schrijver en litterair-historicus. * 24 Dec. 1839 te
Warschau, f 12 Jan. 1909 aldaar. B.’s historisch
drama is onder invloed van Schiller ontstaan.
Werken: Adam Tarlo (1869); Hunyadi (1870);
Francesca da Rimini (1873); Sinjeur Pasek (1901).
Beliifja, > D ll'ijn.
Bolus, naam van de voornaamste mannelijke god-
heid bij vele West-Semietische volkeren. > Baal. De
antieke Cr. en Lat. schrijvers identificeeren B. met
Kronos, met Zeus of met een Indischen Hercules. Ze
noemen hem koning, nu eens van Baby Ion, vader van
Ninus; dan weer van de Egyptenaren, vadervan Denaiis
en Aegyptus; of van Tyrus, vader van Pygmalion
en Dido, veroveraar van Cyprus. Davids .
Bolus, klassieke naam van rivier in Palestina,
thans Nahr Na'aman geheeten, die ten N. van het
Carmelgebergte in zee valt. Volgens een legende
(Plinius) vonden de Phoeniciërs aan den oever van
de B. het glas uit.
Bclval , Belvaux, > Sanem.
Belvédère, gebouw of toren opgericht op een
plaats, waar een mooi uitzicht is, bijv. de Belvédère te
Belvédère bij Nijmegen.
Nijmegen bij het Valkhof. Ook lustverblijf, buiten-
paleisje enz. Bramante o.a. bouwde bij het Vaticaan
de B.. nu ingericht als museum.
Brlvisiacecën (plant k.), * Lecythidaceeën.
Belijdenis. 1° Sacramenteel e b. van
zonden; > Biecht (Sacrament der); > Confiteor. 2 °
N i e t-sacramenteele b., > H. Mis, Liturgie der; >
Koorgebed; > Sacramentaliën. 3° B. van het
geloof; > Geloofsbelijdenis. 4° Ook voor: ge-
zindte; en Protestantsch: opname als lidmaat, „zijn
belijdenis doen”.
Belijdenis van Petrus, Een eerste geloofs-
belijdenis van Petrus w T ordt gegeven in Joh. 4. 68, 69.
Na Jesus’ redevoering over het brood des levens vraagt
Hij aan de Apostelen: „Wilt ook gij misschien heen-
gaan ?” Petrus antwoordt uit aller naam: „Tot wrien
zouden wrij gaan? Gij hebt w’oorden van eeuwig leven
en w r e gelooven en weten, dat Gij zijt de Heilige Gods.”
In de Vulgaat: tu es Christus Filius Dei.
De e i g e n 1 ij k e belijdenis wordt gevonden
bij de Synoptici. Het meest uitgebreid bij Mt. 16.
519
^Belijdenisgeschriften— Bema
520
13-20. Vgl. Mc. 8. 27—30; Lc. 9. 18— 20. liet gebeur-
de in Caesarca Philippi. Op Christus’ vraag: „Wien
zegt gij dat ik ben”, antwoordt Petrus, volcens Mt.:
„Gij zij't de Christus, de Zoon van den levenden God”;
volgens Mc.; ,.Gij zijt de Christus”; naar Lc.: „De
Christus van God”. Hij Mt. vindt men dus de belijdenis
van Jesus’ messianiteit en godheid. Alleen bij Mt.
antwoordt Christus, dat Petrus dit wist door goddelijke
openbaring en daar alleen ook vindt men de belofte
van het + primaat van Petrus.
Rationalisten ontkennen historiciteit om het ver-
schil in lezing, ze nemen een ontwikkeling der traditie
aan. . .
De verklaring van het verschil in recensie wordt
verschillend gegeven. Het verschil is geen grond om
historiciteit van het verhaal van Mt. te verwerpen.
De hypothese, dat dit gedeelte van Mt. op een andere
plaats thuis hoort en Petrus’ belijdenis bij een andere
gelegenheid gesproken is, lijkt zeer onwaarschijnlijk.
Lit.: Dicl. de la Bible (VIII, 361) en Supplement
(II, 558 ) : Lagrange, Evangile selon S. Matthieu
(*1923, 320 vlg.). C. Smits
BolijdcnisflcschriHon, Lat. symbola of libr'
sjnnbolici (zoo ook in het Duitsch; het Ned. symbool
heeft echter gew r oonlijk een andere beteekenis), zijn
de schriftelijke vastleggingen van de leer, die ieder
lid van een Christelijke Kerk belijden moet, zoodat
zij hierin onderscheiden zijn van geschriften, die alleen
bijzondere meeningen of godgeleerde verhandelingen
geven, w r elke niet officieel zijn erkend. Uit hen wordt
dus de officiecle leer van een kerkgenootschap gekend
In ruimeren zin rekent men naast de officieele ver
klaringen ook wel algemeen erkende leerboeken zooals
de Heidelbcrgsche Catechismus onder de belijdenis-
geschriften. Waar een Katholiek gelooven moet, wat
door God is geopenbaard en door de Kerk te gelooven
wordt voorgehouden, kan men bij ons niet spreken van
één geschrift, dat alles officieel bij wijze van één ver-
klaring bevat; maar w r el worden de oudste geloofs-
formulieren, zooals de Tw r aalf Artikelen des Geloofs,
het Credo van Nicaea-Konstantinopel (het Credo uit
de H. Mis) en dat van den H. Athanasius, gewoonlijk
zoo genoemd; ook hebben de decreten van de concilies
van Florence (voor de Armeniërs en de Jacobieten ge-
geven), van Trente en van het Vaticaan een bijzondere
waarde als vastlegging van de geloofsleer; doch eigen-
lijk is iedere bindende verklaring van het leergezag
een belijdenisgeschrift.
De Orthodoxe Oostersche Kerken erkennen alleen de
decreten van de zeven eerste Oecumeensche Kerk-
vergaderingen als officieele geschriften. De Protes-
tanten aanvaarden, zoolang zij streng geloovig zijn,
de drie bovengenoemde oudste symbola; eenigc ge-
schriften zijn in de geschiedenis van het Protestantisme
van bijzonder belang als de Angsburgsche Confessie;
maar feitelijk heeft ieder kerkgenootschap zijn eigen
belijdenisgeschrift, dat naar omstandigheden wordt
uitgebreid of nader toegclicht, zooals dat van de Ge-
reformeerde Kerk door de Synode van Assen naar aan-
leiding van de kwestie-van Geelkerken. De Angli-
caansche Kerk heeft als eigen geschrift het Book of
Common Prayer en de XXXTX Art., door koningin
Elisabeth in 1671 uitgevaardigd. Indien men wil,
kan men ook andere gezaghebbende boeken als „Science
and Health” van mrs. Eddy onder de belijdenisge-
schriften rekenen; het geschiedt echter gewoonlijk niet
met de boeken van niet -Christenen, zooals Talmud.
Lit.: Een uitgebreide lijst in art. Bekenntnisschrilten
van Bnchberger, Lexifcon Theol. Kirche ; Denzinger,
Enchiridion Svmbolorum voor Kath. belijdenisgeschrif-
ten • voor andere: C. Fabricius, Corpus Confessionum
(Berlijn). Vgl. voor de Orthodoxe Oostersche Kerken
il Jugie, Theologica Dogmatiea Orientalium (1 passim) ;
en voor het vraagstuk in het algemeen de gangbare
handboeken De Ecclesia van v. Noort, de Groot O.P.,
Schultes O.P., Dieckmann S.J. bij hfst. Regula Fidei.
Pauwels.
Bel Heler (Lat. confessor), naam van de mannelijke
Heiligen, die geen martelaars zijn. Hun leven is een
belijden van het Evangelie. In de eerste eeuwen wer-
den zij, die voor den rechter hun geloof in Christus
beleden en daarvoor gestraft werden, maar niet ge-
dood, belijder genoemd. .
Lit * L. Duchesne, Origines du culte chrétien (*1903).
Kreling.
BelyjU Andrej (pseud. van Boris Nicolaje-
witsj Boegajew), Russisch dichter en proza-
schrijver met wdjsgeerige pretenties. * 27 Oct. 1880
te Moskou, f 1929. In zijn poëzie, vol van de marte-
ling der waarheidszoekers, begonnen met de sym-
bolistische techniek, in zijn proza uitgegaan van
Gogo lj, kwam B. tijdens den Wereldoorlog in den ban
van den anthroposoof R. Steiner, zoodat in zijn
later en rijper werk een mystisch-religicus halfdonker,
met broeierige erotiek vermengd, de slavophiele en
maatschappelijke strekking omdoezelt.
Werken: Overzichtelijke zelfkeur uit de poëzie
van 1902—1922 (Moskou 1923); romantrilogie: 1* De
zilveren duif (1910); 2° Petersburg (1914) ; 3* Kotik
Letajew (1916 ; Duitsche vertaling Stettin-München
1912 vlg.1 ; autobiographie : Aanteekeningcn van ccn
zonderling (1923). — L i t. : E. Keuchel in Deutsche
Monatschrift für Russland (1914, 195 vlg.). Baur.
Bclzoni' Giovanni Battista, ont-
dekkingsreiziger, * 6 Nov. 1778 te Padua, f 3 Dec.
1823 te Ga to (Benin). Ging naar Egypte, om een hy-
draulische machine samen te stellen, w r at aanleiding
werd tot zijn onderzoek van Egypt. oudheden. Hij
was de eerste, die den rotstempel van Aboe Simbel
onderzocht. In 1818 opende hij de pyramide van
Chephren. Aan de kust van de Roode Zee vond hij de
ruïnes van het oude Beren ike. Bekend is zijn: Narrative
of the operation and recent discoveries in Egypt and
Nubia (1821). Vdlhoven.
B<>lzu, Manuel Isidoro, Boliviaansch
generaal en staatsman. * 1808 te La Paz, f 1886.
Bracht Ballivian en Velasco ten val en werd zelf
president der republiek (1848— ’55). Vertoefde nader-
hand tien jaar in Europa. Nauwelijks in het vaderland
teruggekeerd, verwekte hij een opstand tegen Melgarejo
(1865), doch werd ditmaal zelf gevangen genomen en
terechtgesteld. , .
Lit.: A. Arguedas, Histoire générale do la Bolivie
(Parijs 1923). Lousse.
Belzy, > Baltsji.
Benin , Grieksche benaming voor het sanctuarium
(priesterkoor): het achterste gedeelte der kerk, de
plaats, waar zich het (hoofd) altaar bevindt, en ook de
beide altaarvormige tafels: de prothesis, waarop de
offergaven w r orden gereedgemaakt, en het diaconicon,
waarop de gewaden voor den priester en den diaken
gereedliggen. Achter het offeraltaar bevindt zich een
nis, soms ook achter de beide andere. In de hoofdnis
zijn langs den wand zetels aangebracht: een voor den
bisschop, de andere voor de priesters. Het b. is iets
hooger gelegen dan het schip en ontleent hieraan zijn
naam (Gr. bèma = trede, tribune). Van het schip is
het gescheiden door een afsluiting, oorspronkelijk
Horizontale schroefpomp, gedreven door clectromotor.
Cenlrifugaalpomp met verticale as, gedreven]
door electromotor.
bescheiden, maar later, door versiering met heiligen-
beeltenissen (> Iconen), uitgegroeid tot een wand met
drie deuropeningen (->• Iconostase). Lomverse.
Bemalen rj rond en zijn gronden, waarvan het
overtollige water door +■ bemaling wordt verwijderd.
Bf'Tnnlinf), het verwijderen van overtollig water,
in het bijzonder uit polders. In het algemeen kan als
eisch gesteld worden, dat per 1 000 ha minstens
900 liter per sec. uitgeslagen moeten kunnen worden,
waarvoor bij een opvoerhoogtc van 1 m 12 waterpaarde-
kracht noodig zijn. Behalve op het af te voeren regen-
water, waarvoor een op weerkundige waarnemingen
berustend cijfer voor den regenval als grondslag dient,
moet men rekenen op de kwel, die afhankelijk is van
vele plaatselijke omstandigheden, zooals grondsoort,
diepte van den polder en dgl. Op grond van in den
Haarlemmermeerpolder gedane waarnemingen ge-
durende een vol jaar, bepaalde Elink Schuurman de
kwel voor dien polder op gemiddeld 150 mm.
P. Bnngnerts.
Bcmalingsbelasting (N e d. Bel. recht).
Krachtens de wet van 22 Juni 1914, Stbl. 264, mag de
provincie Friesland, gedurende een tijdvak van voor-
loop ig 30 jaren, onder den naam „bemalingsbelasting”
buitengewone opcenten op de hoofdsom der grond-
belasting, voor de ongebouwde eigendommen, heffen.
De opbrengst strekt tot bestrijding van de kosten van
werken tot verbetering van de afstroom ing van het
boezemwater. Over de belastingjaren 1932 en 1933
bedroeg het aantal buitengewone opcenten, geheven
als b., zestien. Smeet 8.
Bemalingsinrirhliiifj, inrichting tot het
handhaven van een gewensehten waterstand binnen
een polder, op een boezem of kanaal. Bestaat uit een
opvoorwerktiiig en een motor tot het drijven hiervan.
Brninliri0s\Y<>rkfiiir|<>n (zie plaat t/o kolom
628)dienen tot het bemalen van polders. Zij kunnen zijn
van zeer eenvoudigen vorm, voor handbedrijf, alsook
van meer samengestelden aard, door stoom, ruwolie,
benzine of electriciteit aangedreven en automatisch
werkend. Tot de eerstgenoemde soort van b. behooren
de vijzels en de tonmolens; zij worden toegepast voor
het opvoeren van water tot een geringe hoogte. Door
het draaien van de spil wordt het water dus omhoog-
geschroefd. Dergelijke werktuigen heeten vijzels,
wanneer de opleider stilstaat en tonmolens, wanneer
hij meded raait.
Verder behooren onder de b. de schepraderen, welke
523
Bembandek — Bemesten
524
meestal door windkracht en ook wel door stoom-
machines of motoren in beweging gebracht worden.
Ook de schepraderen dienen tot het opvoeren van
water tot geringe opvoerhoogten, maximaal 2 m;
zij kunnen met voordeel aangewend worden, waar de
stand van het buitenwater aan wisselende hoogte
onderhevig is. De diameter van het scheprad, welke
somtijds tot 12 m kan bedragen, is afhankelijk van de
opvoerhoogte. Het nuttig effect der schepraderen is
vrij gunstig en kan nog worden verbeterd door de
schoepen niet vlak te maken, doch van een V-vormige
doorsnede, waardoor de omtreksnelheid grooter kan
worden. Als b. worden meer en meer pompen gebruikt
en wel in hoofdzaak centrifugaal- en axiale schoepen-
pompcn. Eerstgenoemde zijn geschikt voor groote
waterhoeveel heden en groote opvoerhoogte, de laatste
zijn alleen bij geringere opvoerhoogte bruikbaar.
Beide soorten hebben tegenover de eveneens mecha-
nisch aangedreven schepraderen eenige belangrijke
voordeelen, nl. gelijke opbrengst bij verschillende
binnenwaterstanden (waartoe het aantal omwentelin-
gen regelbaar moet zijn), zoo noodig grooter opbrengst
dan de normale (onder gelijk voorbehoud), gering
verbruik aan smeermiddelen, mogelijkheid van directe
koppeling aan de aandrijvende machine, weinig
slijtage en vrijwel geruischlooze gang.
Bij toepassing van electr. aandrijving bestaat de
mogelijkheid, de b. automatisch in beweging te doen
brengen en te doen stilstaan afhankelijk van den bin-
nen waterstand, waaruit vooral ten opzichte van de be-
diening groote voordeelen voortvloeien, en is het voorts
niet meer noodig een groot centraal b. te gebruiken,
doch kunnen zonder te groote kosten op de meest ge-
wenschte punten plaatselijke kleine gemalen opgesteld
worden. Als belangrijke b. in Nederland noemen wij:
1° dat nabij de Lemmer (gemaal Tacozijl); 2° dat te
Zoutkamp (prov. Groningen); 3° de 32 automatisch
werkende electrisch aangedreven pompstations in
de Donge-polders; 4° het gemaal bij de Boonersluis
te Maassluis (Delflandsboezem) ; 5° dat bij Medemblik
(de Lely, Wieringermeerpolder); 6° dat bij Den Oever
(de Leemans, Wieringermeerpolder); 7° dat nabij
Middelburg (polder Walcheren). P. Bongaerts.
Bom bandek, plaats in Belg. Kongo, aan den
rechteroever van den Beneden Kongostroora, ten W.
van Boma; heuvel met monoliet.
Bonihergzijdc, > Koperzijde.
Brmbo, P i e t r o, Italiaansch Humanist.
* 20 Mei 1470 te Venetië, f 18 Jan. 1547 te Rome.
Verbleef achtereenvolgens aan het hof van Ferrara,
waar hij in liefdesbetrekking stond met Lucrezia
Borgia, en aan het hof van Urbino, en kwam daarna
te Rome als secretaris van paus Leo X. Hij trok zich
in 1521 terug te Padua, waar hij een prachtig woonhuis
bezat, om er een tiental ja ren door te brengen in studie,
maar ook in losbandigheid, en werd in 1530 benoemd
tot geschiedschrijver van de Venetiaansche republiek
en bibliothecaris van St. Marcus. In 1539 keerde hij
als kardinaal naar Rome terug en verkreeg in 1541
nog het episcopaat van Gubbio en in 1544 dat van
Bergamo. Hij was een der voornaamste in-eer-her-
stellers van den goeden stijl, zoowel wat de Latijnsche
als de Italiaansche taal betreft.
Latijnsche werken: Carmina (1533) ; Episto-
lae (1535); Rerum veneticarum libri XII (1551). —
Italiaansche werken: Gli Asolani, dialogen
over het wezen der liefde in den zin van Petrarca en van
de neo-Platonici (1505); Prose dclla volgar lingua, de
eerste 1 tal. grammatica naar teksten van de beste
schrijvers (1525): Rime (1530). Zijn Tutte opere ver-
schenen te Venetië (1729), te Milaan (1808 en 1821). —
L i t. : V. Cian, Un dcccnnio della vita di P. B. (Turijn
1885) ; Borgogni, 11 secondo amore di P. Bembo (Nuova
antologia, 1885) ; Morsolin, P. B. e Lucrezia Borgia (ib.).
Vlrix.
Bcmrlen, gem. in Ned. Limburg, 4 km ten O.
van Maastricht; omvattend het dorp Bemelen en een
gedeelte van het gehucht Gasthuis; in 1932: 258 inw.
(Kath.). Landbouw.
Bemcrgelen, bepaalde wijze van bemesten;
de grond wordt met mergel bestrooid, welke daarna
met eg of cultivator er goed door gewerkt moet worden.
Doel van b. is te voorzien in een tekort aan kalk in
den grond (* Bemesten); de mergel bevat een hoog
gehalte aan koolzure kalk (minstens 80%, overeen-
komende met 45% ongebluschte kalk).
Bemesten, aan den grond stoffen toevoegen,
welke direct of indirect tot de voeding der planten
kunnen bijdragen, de vruchtbaarheid van den grond
verhoogen. Voor de voeding van de planten zijn noo-
dig: water, koolzuur, stikstof, phosphorzuur, zwavel-
1 Superphosphaat
Kalk 8
2 Thomas-
o slakkenmeel
\ Rtienania-
\ phosphaat
KA Kalkstikstof
Q Qi Qlmoct
A m m n t • 7
r\ UI iiiuiiiri i\ / Vv
mesistolfen
'yj Guano
/ Beendermeel
Kali- b
meststoffen
J 4 Kalimeststoffen
Salpeter 5
De met vette lijnen verbonden meststoffen mogen
niet gemengd, de met dubbele lijnen verbonden mest-
stoffen moeten kort v.#or gebruik, de andere kunnen
altijd vermengd worden.
zuur, kali, kalk, magnesia en ijzeroxyde. Koolzuur
trekt de plant uit de atmosfeer, de andere stoffen
worden (met een enkele uitzondering) uit den grond
opgenomen. Hiervan zijn zwavel, magnesium en ijzer
altijd in voldoende mate aanwezig; aan stikstof, phos-
phrozuur, kali en kalk is soms een tekort. Dit tekort
kan worden aangevuld:
1° door natuurmest: stalmest, gier of aalt,
beer, compost, straatvuil en groenbemesting (bijv.
lupinen, serra della, klaver, bietenloof);
525
Bemestingsproef— Bemmelen
526
2 door kunstmest, waarvan het gebruik
in deze eeuw zeer is toegenomen. Men onderscheidt
naar de stof, waaraan een tekort is, de kunstmest-
stoffen in : a) stikstof meststoffen, bijv.
chilisalpeter (stikstofgehalte 15%), Norgesalpeter
(ca. 15%), natronsalpeter, de synthetische chilisal-
peter (43—46%), salpeterzure ammoniak (36%);
b) phosphorzure meststoffen, bijv. super-
phosphaat (14-18% in water oplosbaar phosphorzuur)
dubbelsuperphosphaat (40—50%), Thomasslakken-
meel (16 17%); c) kali meststoffen, bijv. patent-
kali (bevat 25% of meer kali); d) kalk meststoffen,
bijv. kluitkalk, schelpkalk, kalkmergel, schuimaarde.
De samengestelde meststoffen, die de vier planten-
voedcndc stoffen tegelijkertijd en in bepaalde verhou-
ding bevatten (bijv. Nitrophoska) zijn tot nog tot
van weinig belang.
Bo mesl ingsprof f , > Proefveldwezen.
Bemiddelaar (N e d. Recht), > Rijks-
bemiddelaar ; > Arbeidsgeschillenwet 1923.
Bemiddelend vonnis (N e d. Recht). De
rechter moet volgens de wet rechtspreken; hij mag de
innerlijke waarde of de billijkheid der wet niet beoor-
delen , noch zich beroepen op duisterheid of onvol-
ledigheid der wet. Degene, die iets beweert, moet het
bewijzen; aan een eischer, die de feiten, waarop zijn
vordering steunt, niet kan bewijzen, moet zijn eisch
worden ontzegd. Deze regelen kunnen somtijds tot
onbillijkheid leiden, en den rechter noodzaken een
vonnis te wijzen, dat het rechtsgevoel niet bevredigt.
Om hieraan tegemoet te komen, pleit men voor het
bemiddelend vonnis, waarin de rechter bij duisterheid
van het recht of van de feiten een uitspraak geeft,
die aan het verlangen van beide partijen gedeeltelijk
tegemoet komt. Onze wet kent liet b. niet; een enkele
maal ontmoet men het echter in de rechtspraak.
I. i t. : o.a. mr. C. A. J. Hartzfeld, Goed passend recht
( 1932 )- Wüteman.
Bemiddeling, > Middelaar.
Bemiddelingsbureau, gelegenheid voor
werkgevers(geefsters) , tot dewelke zij zich kunnen
wenden ter aanvulling van hun personeel uit ingeschre-
ven werknemers; vaak voor vrouwelijke beroepen
in huiselijke diensten. Deze bemiddelingsbureaus
zi jn meestal verbonden aan vereenigingen voor bescher-
ming van vrouwen en meisjes, en aan de vereeniging
Tesschelschade (voor vrouwen uit beschaafden stand).
Ook voor personen, die niet over volle arbeidskracht be-
schikken (onvolwaardigen) aan arbeidsbeurzen en aan
het Genootschap Liefdadigheid naarvermogen .F.Haije.
Be middel ingsramd (N e d. Recht) is een
instituut, hetwelk wordt genoemd in de Arbeids-
geschillenwet J923. Krachtens art. 10 dier wet kan de
> rijksbemiddelaar ter vereffening van bepaalde
geschillen overgaan tot de vorming van een bemidde-
lingsraad, indien het verzoek daartoe schriftelijk
wordt gedaan door of namens de bij het geschil betrok-
ken werkgevers en arbeiders of door of namens zoo-
danig gedeelte van hen, dat naar het oordeel van den
rijksbemiddelaar de tiissch en komst van den b. kan
leiden tot vereffening van het geschil, althans tot een
aanzienlijke beperking van het aantal daarbij betrok-
ken personen. Een b. geeft niet meer dan een advies,
waaraan partijen niet gebonden zijn.
Een b. bestaat uit een voorzitter en twee of meer
leden. Aan den b. wordt een secretaris toegevoegd.
Overigens wordt de samenstelling van den b. en de
aanwijzing van den voorzitter, de leden en den secre-
taris door den rijksbemiddelaar in overeenstemming
met partijen geregeld. stoer.
\oor Belg. Recht, > Arbeidsbemiddeling.
Beminnelijkheid (Lat. affabilitas) is de deugd,
waardoor de mensch zich tegenover zijn medemenschen
zoo gedraagt, dat de samenleving goed en aangenaam
wordt. Hiertoe behoort dus ook het ond houden
der beleefde omgangsvormen. De deugd van b. houdt
het midden tusschen twee ondeugden, nl. vleierij en
stugheid (ruwheid in den omgang, bokkigheid).
Lit. : St. Thomas, Sum. Theol. (II, II, q. 114 a. 1).
_ . Bender.
Beminnen, -> Liefde.
Bemmel, gem. in Geld., in het O. van de Over-
Betuwe. De gem. heeft een opp. van 3 900 ha en omvat,
behalve B., de dorpen Ressen, Angeren, Doornenbur^
en de buurtschap Haalderen. Ruim 7 000 inw., waar-
van 90% Kath. en 10% Ned. Herv. De bodem bestaat
uit rivierklei. In verband hiermee zijn landbouw en
tuinbouw (fruit) de belangrijkste bestaansmiddelen.
De steenindustrie geeft in den winter aan 400, in den
zomer aan 800 arbeiders werk.
B. is een zeer oude heerlijkheid. Van de talrijke
kasteden, herinnerend aan den Geld. graventijd, zijn
nog over: het kasteel Doornenburg (uit de 14e eeuw,
maar in de 17e en 18e eeuw sterk veranderd en thans
verlaten), het „Huis te Bemmel” en de Kinkelerburg
(koninklijke burcht, waar Claudius Civilus gewoond
zou hebben). Bezienswaardig zijn ook het Ned. Herv.
kerkje te Bemmel (14e eeuw) en het Ned. Herv. kerkje
te Ressen (13e eeuw) met toren van tufsteen. In de
Kath. kerk te Doomenburg houtsnijwerk uit de 15e
eei i w - Heijs.
Bemmelen, 1° Adr iaan Anthonyvan,
zoöloog, vooral ornitholoog, * 3 Nov. 1830, te Almelo,
•• 1897 te Rotterdam. Was vanaf 1859 assistent aan
het Rijks-Museum van Nat. Hist. te Leiden en vanaf
1876 directeur van den dierentuin te Rotterdam, die
onder zijn bekwame leiding een grooteren bloei ver-
wierf. v. B. was ook mede-oprichter en voorzitter
van de Ned. Dierkundige Vereeniging. Willems.
2°Jakob Maarten van, scheikundige.
* 3 Nov. 1830 te Almelo, f 13 Maart 1911 te Leiden.
Van 1874 tot 1901
hoogleeraar in dc
anorg. scheikund*
te Leiden. Is de
grondlegger van
de chemie der col*
loïdale stoffen en
zijn onderzoeking-
en hebben, on-
danks het feit, dat
de theoretische in-
zichten aanmerke
lijk veranderd zijn
nog steeds groote
waarde. Zijn voor-
naamste publica
ties zijn versche
nen in „Die Ab-
sorption. Gesam-
melte Abhand-
lungen über Kol
J. M. van Bemmelen.
loide und Absorption” (onder medewerking vanv. B.
uitgegeven door Wo. Ostwald (Dresden 1910).
L i t. : Gedenkboek aangeb en aan J. M. van Bem-
melen (1910). Hoogeveen.
527
Bémol— Benadeeling van schuldeischers
528
3° Johan Frans van, zoöloog, 1869 te
Groningen. Promoveerde te Utrecht op dissertatie
„Over den bouw der schelpen der Brachiopoden en
Chitonen” en werd aldaar assistent bij de zoölogie.
Van 1890— '91 nam hij deel aan deexpeditie opMidden-
Sumatra en was vervolgens tot 1894 leeraar aan het
gymnasium te Batavia. Bij zijn temgkeer in Holland
(1894) werd hij leeraar aan de H.B.S. te Den Haag
en werd in 1899 docent in de paleontologie en biologie
aan de Polytechnische Hoogeschool te Delft; in 1907
volgde zijn benoeming tot hoogleeraar in de zoölogie
aan de Rijks-universiteit te Groningen van welke
functie hij in 1929 bij het bereiken van den 70-jarigen
leeftijd ontslag nam/lioewel v. B. zich in zijn studie
over de geheele breedte der zoölogie heeft bewogen,
ligt toch zijn groote kracht op het gebied der vergelij-
kende anatomie en erfelijkheidsleer. Zijn studie „Over
de erfelijkheid der eigenschappen” werd in 1889 be-
kroond. Ook heeft hij vele voordrachten gehouden,
waarvan o.a. de volgende het licht zagen:
De ontwikkeling der vlindervleugels in de pop
(Batavia 1894); Indische huisdieren (Batavia 1894):
Het goed recht der palaeontologie aan een polytech-
nische school (Inaugurale rede te Delft, 1899); Ver-
dwenen dieren (Inaugurale rede te Groningen, 1907);
Hedendaagsche dieren (Rectorale rede te Groningen,
1919); Toekomstige dieren (Afscheidscollege te Gro-
ningen, 1980). Verder verscheen nog van hem in 1888
„Beitrüge zur Kenntnis der Halsgegend bei Reptilien.”
b Wül ws.
4° \V i 1 1 e m van, Ned. natuurkundige en
meteoroloog. * 1868 te Groningen; directeur 1905—
1920 van het Kon. magnetisch en meteorologisch
observatorium te Batavia. Studies over aardmagne-
tisme en onderzoek van den inter-tropicalen hoogen
dampkring. Sedert 1922 lector in de natuurk. -aard-
rijkskunde aan de universiteit te Amsterdam.
Werken: Magnetie survcy of the Dutch East-Indies
(1908): De atmospherische circulatie boven Auslraal-
Azië (1918). V. d. Broeck.
Bt niol, Fransche term in de muziek voor
verlaging van den toon. Bijv. mi bómol — es.
Bemonsteren, het trekken, steken of nemen van
monsters van een partij goederen. In den groothandel
is het speciaal het werk van makelaars.
Bctnple* Jordanus van den, Domini-
caan, Ned. dichter, * 1634 te Doornik, f 1671 te Brug-
ge. Schreef: Den bloedigen goeden Vrijdagh verdeelt
in 12 weendichten.
Ben (Hebr., = zoon; mv. bene; Arab. ibn, mv.
benoe; Aram. bar en bir; Assyr. ibn i) wordt gebruikt,
behalve in de beteekenis van „zoon”, om de betrekking
van een persoon tot een object aan te duiden: zoon
der wegen = reiziger.
Ben a ons, I. a c u s, (ant. geogr.) meer bij Verona.
teg. Garda-meer.
Bensuhul, naam van verschillende koningen van
Syrië, beteekent „zoon van (den god) Hadad”.
1 ° Bcnadad I (f omstr. 876 v. Chr.) voerde met
koning Asa van Juda oorlog tegen Baasa van Israël
(3 Reg. 16.18- 20; 2 Par. 16.2—4).
2 ° Benadad 11, zoon en opvolger van Bcnadad I,
voerde twee oorlogen tegen Achab van Israël, maar
werd verslagen, de eerste maal bij Samaria, de tweede
maal bij Aphec (3 Reg. 20); later voerde hij een derden
oorlog tegen Joram van Israël (4 Reg. 6.24 — 7.16).
3 ° Benadad 111 (797—773) werd driemaal verslagen
door Joas van Israël (4 Reg. 13.24 vlg.). Keulers.
Benadeeling van scliuldeisehers (Ne-
derlandse!. Recht). De goederen van
den schuldenaar, zoowel tegenwoordige als toekomstige,
strekken tot gemeenscha ppelijken waarborg voor zijn
schuldeischers (art. 1178 B.W.). Iedere schuldeischer
kan daarom de handeling van den schuldenaar, welke
ten gevolge zou hebben, dat niet ieder 100% zijner
vordering zou kunnen ontvangen, aan merken als
krachteloos ten aanzien derge amenlijke schuldeischers,
indien : 1° die handeling onverplicht is; 2° zoowel de
schuldenaar als degene, met wien of te wiens behoeve
hij handelde, bij het verrichten der handeling de w eten-
schap bezat, dat daarvan benadeeling der schuld-
eischers het gevolg zou zijn (art. 1377 B.W.); betreft het
een handelingom niet, bijv. schenking, dan is de weten-
schap van den begiftigde niet vereischt. De schuld-
eischer, ook die zulks eerst later is geworden, kan zich
zonder meer op een overgedragen goed of door kwijt-
schelding tenietgedane vordering verhalen, een in de
rangregeling opgekomen vordering of hypotheek be-
twisten, een derde uit het bezit van een zaak ont-
zetten (vgl. H.R. 14 April 1881 W. 4635), zonder
daartoe een bepaalde vordering te moeten instellen;
niettemin noemt men het beroep op b. gewoon lijk,
naar den Romeinsehen oorsprong, de „actio Pauliana”
(vgl. ook art. 1490). Rechten, bijv. een ten laste van
den begiftigde gevestigde hypotheek, door derden te
goeder trouw op goederen verkregen, moeten worden
geëerbiedigd. Tot de gew'one gevallen behoort de
levering van den inboedel zonder weghaling hetzij in
koop tegen verrekening van schuld hetzij tot zekerheid
aan familieleden — die, aldus de Mem. v. Toel. tot
het ontwerp faillissementswet, zelden onbekend zijn
met den vermogenstoestand van den schuldenaar en
het eerst bereid gevonden worden hem behulpzaam
te zijn bij de verduistering van zijn boedel (vlg. art.
43 faill.wet) — of aan bevriende schuldeischers. Bij-
zondere gevallen regelen art. 247 en 270 B.W. (bij
scheiding van goederen of echtscheiding): art. 1024 2
(bij fidcicommis); art. 1107 (bij verwerping van erfe-
nis); art. 1113 (verzet tegen boedelscheiding); art.
1989 (bij afstand van verjaring).
Tijdens faillissement komt dezelfde
bevoegdheid toe aan den curator (art. 42 vgl. faillis-
sementswet) en kan de afzonderlijke schuldeischer
zich slechts doen gelden door op de gronden, aan
deze bepalingen ontleend, dc toelating eener vor-
dering te bestrijden (art. 49 j° 119 faill.wet). De
curator geniet faciliteiten betreffende het bewijs
der wetenschap van b., welke, indien de handeling is
verricht binnen 40 dagen voor de faillietverklaring
en de schuldenaar zich niet reeds vóór den aan vang
van dien termijn daartoe had verplicht, vermoed
wordt aan beide zijden te hebben bestaan 1° bij over-
eenkomsten, waarbij de waarde der verbintenis aan
de zijde van den schuldenaar aanmerkelijk die der
verbintenis aan de andere zijde overtreft; 2° bij han-
delingen ter voldoening van of zekerheidsstelling
voor een niet opeischbare schuld; 3° bij handelingen,
door den schuldenaar met of ten behoeve van zijn
echtgenoote of zijn bloed- of aanverwanten tot
in den derden graad verricht. Verder worden de rechts-
gevolgen der nietigheid hier uitvoeriger geregeld. Ook
de nietigheid van de voldoening aan een opeischbare
schuld kan worden ingeroepen, wanneer hetzij hij,
die de betaling ontving, wist, dat het faillissement
van den schuldenaar reeds was aangevraagd, hetzij
1 de betaling het gevolg was van overleg tusschen
Windmolen te Loenen aan de Vecht;
Windmolen te Oud Ade; wipmolen, waarvan
het geheele bovenhuis draaibaar is.
Overzicht van de bemalingsinrichting de >Lely« aan den afsluitdijk
van den Wieringermeerpolder bij Medemblik.
Amerikaansche molen, welke zich zelf op
de windrichting instelt.
Luchtdrukcentrifugaalpomp in aanbouw.
Gezicht in de machinehal van het electrische gemaal de >Lely< bij Medemblik.
BERLIJN
Blik over Berlijn; op den voorgrond het waren-
huis van het Karstadt-concern.
De oude Rijkskanselarij in de Wilhelmstrasse.
Het Columbushuis met den Potsdammer Platz.
Het paleis van den Kath. bisschop van Berlijn.
629
Benadering — Benares
530
den schuldenaar en den schuldeischer, ten doel hebben-
de laatstgenoemde door die betaling boven andere
schil ldeischers te begunstigen (art. 47 faill.wet).
Lit.: behalve de handboeken, Tioleinan De vormen
van ongeldigheid van rechtshandelingen (1933). Petit.
Belg. Recht. De schuldeischers kunnen in
hun eigen naam opkomen tegen de handelingen, die
door hun schuldenaar ter bedrieglijke verkorting van
hun rechten gedaan zijn (art. 1107). Deze actie noemt
men de herroepende rechtsvordering of de a c t i o
pauliana) naar den naam van den praetor Pau-
lus. waaraan haar oorsprong in het Romeinsche Recht
toegeschreven wordt.
Voorde vernietiging der handelingen van den schul-
denaar op grond van art. 1167 stelt de wet twee voor-
waarden : de benadeel ing der schuldeischers en het
bedrog.
Bij d* handelingen onder bezwarenden titel moet de
medeplichtigheid van den derde bewezen worden, bij
de handelingen onder kosteloozen titel is het integen-
deel voldoende, dat de wetenschap der benadeeling
alleen bestaat bij den schuldenaar.
De schuldeischers kunnen in principe niet opkomen
tegen een betaling, die hun schuldenaar tot delging
van een eischbare schuld gedaan heeft. In geval van
faillissement echter zal deze betaling, indien de schuld-
eischer, die haar ontvangen heeft, kennis van de sta-
king der betalingen gehad heeft, kunnen vernietigd
worden, als zijnde strijdig met de gelijkheid, die onder
de schuldeischers van den gefailleerde moet bestaan.
Klu ijs hens.
Benadering, 1° van functies: de benade-
ringstheorie geeft voor functies f (x), die aan bepaalde
voorwaarden voldoen, uitdrukkingen van eenvoudige
gedaante (veeltermen in x, sommen van sinussen en
cosinussen, enz.), die kunnen dienen om de waarde
der functies met voldoende nauwkeurigheid te be-
rekenen.
2° In de getallenleer: indien a, b, c en d
bestaanbaar zijn, en D = ad — bc positief is, is het
mogelijk twee getallen x en y te vinden, zoodjinig,
dat ax_f by en cx -f dy tusschen — l/D en
+ l/D liggen (grenzen inbegrepen).
Minkowski heeft in „Geometrie der Zahlen” (1896)
de uitbreiding van deze stelling gegeven voor n vor-
men met n veranderlijken. Een willekeurig aantal
bestaanbare getallen a, b, f zijn bij benadering
voor te stellen door breuken A/N, B/N, F/N
met denzelfden noemer N, en wel zoodanig, dat liet
verschil ligt tusschen — 1/kNk en + l/kN*s waarbij k
gelijk is aan 1, vermeerderd met de omgekeerde waarde
van het aantal benaderde getallen. Hurwitz heeft
bewezen, dat ieder irrationaal getal bij benadering
kan worden voorgesteld door een breuk y/x, en_wel
zóó, dat de afwijking kleiner is dan 1 / x 2 1/5. In-
dien minstens éón der getallen a p a 2 ,. . . . , a n irra-
tionaal is, kan men de geheele getallen x t , x 2 ,. . . .,
Xn en y zóó kiezen.dat a,x, -f a 2 x 2 -f +anXn — }
net zon dicht bij nul ligt, als men zelf wenscht. Deze
stelling, en de uitbreiding ervan voor een willekeurig
aantal vormen i.p.v. één, is door Kronecker bewezen
Lit. : de la Valléo Poussin, LeQons sur 1’approxiJ
mation des fonctions (1919): Bemstein, LeQons sur ie'
propriétés extrémales des fonctions analytiques (1926) .
Jackson, The theory ol approximution (1930).
v. d. Corput.
Bena Dibele, plaats in Belg. Kongo, aan de
Sankoeroe-rivier, stroomafwaarts van den samenloop
met de Loebefoe-rivier; administratief- en handels-
centrum ; rivierhaven ; katoenbewerking.
Bon- Ah in, Belg. gem. in de prov. Luik, ten W.
van Hoei; ruim 2 600 inw.; opp. 2 421 ha; Maasvallei,
bergachtig; landbouw, steengroeven, erts, steenkool,
chemische nijverheid. Kasteden van Fléron, Ah in,
Rochempré, Solières (vroeger beroemde abdij); ruïne
van het kasteel van Beaufort; Gotische kerk van de
13e eeuw; „trou Manto” of Manteau: grot in het dal
van Solières. V. AsbroecL
Bena Ylakinia, missie der Paters van Scheut,
apost. vicariaat Opper-Kasai. Volksstammen: Bakoeba
en Bakete. Ongeveer 40 000 zielen. Gesticht 1929. Ge-
doopten (1932): 3 746.
Benaming van planten en dieren. Hier-
onder wordt verstaan de van Linnaeus (1735) af-
komstige en sinds dien tijd ingevoerde methode om
planten en dieren met een dubbele (Latijnsche) be-
naming aan te duiden. De eerste naam dient om
het geslacht, waartoe plant of dier behoort, de
tweede om de soort aan te duiden (binomenclatuur
of binaire nomenclatuur). Meestal wordt nog hier-
achter afgekort den naam van den onderzoeker ge-
plaatst, die voor het eerst onder deze benaming een
bepaalde plant of dier heeft beschreven. Zoo wordt
de leeuw aangeduid met „Felis leo L.”; hier be-
teekent Felis het geslacht, leo de soort en L. de
naam van den onderzoeker „Linnaeus”. Bij aan-
duiding van variëteiten wordt nog een derde naam
toegevoegd (trinomenclatuur of tertiaire nomencla-
tuur). > Systematiek. Willems .
Benard, Dom La u rent, Benedictijn,
* 1573 te Nevers, f 1620 te Parijs. Als monnik van
Nevers hervormde hij het college van Cluny te Parijs,
waarna hij te S. Vannes opnieuw zijn geloften af legde
in 1615. Op zijn aandringen werd in Frankrijk de Congr.
van S. Maurus gevormd naar het voorbeeld van die
van S. Vannes.
Werken: Paraeneses chrétienne* ; De 1’esprit des
ordres rcligicux ; Instructions monastique9; I/éloge
Bénédictiu ; Pjlice régulière ; alle te Parijs 1616-1619.
— Lit.: Dom Tassin, llist. Lit. de la Congr. de S. Maur
(Brussel 1770, 1-10). Lindeman.
Benares, stad in Voor-lndië, Vereen igde Pro-
vinciën (25° 18' N., 83° 2' O.), ruim 200 000 inw.,
waarvan 8 / 4 Hindoes, ! / 4 Mohammedanen. Zeer oude,
heilige stad, „het Rome van het Hindoeïsme”, gelegen
aan de heilige rivier den Ganges, waarvan het water
de kracht heeft de zonden af te wasschen. Vandaar,
dat hier jaarlijks meer dan één millioen pelgrims gaan
baden. Hier wordt de asch van de overledenen in de
rivier geworpen. Daarom vestigen zich hier vele oude
Hindoes om op deze heilige plaats te sterven. Meer dan
1 500 ilindoc-tempels, waarvan het meest beroemd de
Gouden Tempel, aan Sjiwa gewijd, en de moskee van
Aurangzeb met de witte torentjes. Beroemd zijn ook
de Chats (== poorten): de 5 km lange trappen, met
heiligdommen en poorten versierd, waarlangs men in
het water afdaalt.
Benares wordt genoemd in het Mahabharata en het
Ramayana. Dichtbij begon Gautama Boeddha’s op-
treden. In de 7e eeuw vond Ilioeen Tsjang het konink-
rijk Benares grootendecls bevolkt door Hindoes en
trof er toen slechts weinig volgelingen van Boeddha
meer aan. In de 11e eeuw werd de stad door de Mo-
hammedanen geplunderd, tweehonderd jaar later door
hen veroverd, in 1795 voorgoed afgestaan aan de
Britten. G. de Vries.
531
Benatten — Bcnckendorff
532
De kunst te Benares. B. was reeds zeer vroeg
een voor de Boeddhisten geheiligde plaats en werd
later (4e eeuw na Chr.) een der centra van het T'nh-
maansch Hindo ïsme. De stad is onregelmatig in
den vorm eener halve maan langs de oevers van den
Ganges gebouwd, heeft vuile en verwaarloosde straten,
doch ook groote en kleinere met boomen begroeide
pleinen met open badvijvers. Langs de rivier heeft zich
eigenlijk eerst de monumentale architectuur geuit.
Daar liggen de zgn. „Chats” (poorten): met breede
trappen daalt men naar den Ganges af. Langs de oevers
hebben zich ook de vele tempels en paleizen samen -
getrokken, die van het water gezien fantastisch
tegen de lucht zich afteekenen. Oud zijn deze bouw-
werken meestal niet (uit de 18e en 19e eeuw), en hun
architectuur is van betrekkelijk weinig beteekenis.
Zoo de „gouden temper’: Sjikhara (18e eeuw) en in de
voorstad Ramnagar een tempel uit de tweede helft
der vorige eeuw. Grootschen indruk verwekt echter
de groote moskee, op de plaats van neergehaalde
Brahmaansche heiligdommen opgericht; ze wordt
door drie koepels bekroond.
L i t. : Havell, Indian Architecture, its psychology,
strueture and history from the first mohammedan
invasions to the present day (1913); Oscar Reuther.
Indische Palaste und Wohnhauser (z.j.). Knipring.
Bonn (ten. Een vloeistof benat des te beter een
vast oppendak naarmate haar oppervlaktespanning
kleiner is; men onderscheidt totaal, gedeeltelijken
in het geheel niet benatten („benetzen”). Organische
vloeistoffen, bijv. alcohol, aether benatten beter dan
water, en deze vlocist f weer beter dan kwik. Zie ook
> Flotatie. Het zgn. vetvrij maken van laborato-
riumglaswerk dient om een betere benatbaarheid te
verkrijgen. E. Noyons.
Bniatzky, R a 1 p h, componist van chansons,
operettes en revues, die tot het succesvolste in het
tegenwoordige genre der „lichte muze” behooren.
* 6 Juni 1887, studeerde te Praag en München (Mottl).
Bonsmuclhcicl, ademnood of dyspnoë, ontstaat
meestal ten gevolge van een te hoog koolzuurgehalte
in het bloed. Dit komt voor, wanneer ten gevolge van
een sterk verhoogd verbrandingsproces bij zeer zwaren
spierarbeid veel koolzuurgas ontstaat. In zulke
gevallen kan het ook gebeuren, dat niet voldoende
zuurstof kan worden aangevoerd om de verbranding
in zijn gcheelen omvang te doen plaats hebben. Hierbij
treedt dan het in de spil ren gevormde melkzuur in
het bloed over. Zooweel een teveel aan koolzuur als
aan melkzuur in het bloed veroorzaken benauwdheid
en leveren prikkels aan het > ademcentrum, die tot
versnelde ademhal ingsbewegingen voeren. B. is ook
dikwijls een gevolg van ziekelijke afwijkingen der
ademhalingsorganen. Zoo bijv. w r anneer het longvlies
is aangetast en daardoor het ademhalingsoppervlak
zoodanig is verkleind, dat er geen voldoende gasuit-
wisseling meer kan plaats hebben, of w T anneer door
afzetting van slijm of door vorming van gezwellen
in de ademhalingswegen de ventilatie w T ordt belem-
merd. Eveneens treedt b. op, wanneer door bloedar-
moede ol verminderde hartw’erking (hartkwalen) niet
voldoende bloed door de longen circulee r t. Ook in deze
gevallen is een abnormaal koolzuurgehalte in het bloed
oorzaak van de benauwdheid. Willems.
Bcnavcntc y Martmez, Ja c i n to :
Spaansch tooneelsch rijver en criticus. * 1866 te Madrid.
Studeerde aanvankelijk rechten. Bereisde Frankrijk,
Engeland en Rusland, waar hij als circus -impressario
optrad. Bij voorkeur beoefent hij de satyre. onder
invloed van het Fransche theater (Lavedan en Donnay).
Later schrijft hij origineel en zelfstandig. Schrijft
vloeiend en met een eigen stijl, sterk van plastiek.
De ethische w r aarde van zijn werk is gering. Niettemin
een der meest gevierde Spaansche tooneelsch rij vers,
met een vruchtbaar schrijverstalent, en van onmis-
kenbare verdienste. Schreef reeds meer dan 100 werken.
Nobelprijs voor letterkunde in 1922.
Voorn, theaterstukken: El nido ajeno
(1894); Gente conocida (1896) ; El Marido de la Féllez
(1897) • La Comida de las fieras (1898; ; La gata de An-
gora (1900); Lo Cursi (1901); El hombrecito (1903);
Los malhechores del bien (1905' ; Mas fuerte que el amor
(1906) : Los intereses creados (1909 : meest opgevoerd) ;
La Malquerida (1913) ; La ciudad alegre y confiada
(1916). — Andere werken: o.a. Fignlinas ;
Versos, Cartas de Mujeres (critieken, 1893) ; Vilanos ;
Teatro fantóstico, enz. — L i t. : A. Lüzaro, L B.,
De su vida y de su obra, in Los grandes Escritores
(Madrid 1925) ; G. L. de Palacio, in la Soriété Nouvelle,
J. B. (Bergen 1914); L. López Rosselló in Revista
Calasancia, J. B. (1916). Borst .
Bonce-Jones, Engelsch arts, * 1813, f 1865.
Het eiwit van Bonce-Jones is een meestal tot de hemi-
albumosen gerekende eiwitachtige stof, die bij som-
mige beenziekten (in hoofdzaak liet multipele
mycloom of de ziekte van Kahler) in de urine gevonden
wordt. Het is o.a. hierdoor gekenmerkt, dat het bij
matige verwarming uit de urine neergeslagen wordt
en bij verdere verwarming weer oplost. Wyers.
Beiickencloi *f|, 1° A lexa n d e r Ch r i s to-
phorowitsj, (sedert 1832) graaf van,
Russisch generaal. * 1783 te Reval, f 23 Sept. 1844
aan boord van een oorlogsschip in de Oostzee. Oudste
zoon van Christoffel von B. Nam deel aan de veld-
tochten tegen Napoleon I (1812 — ’15) en werd tot
hoofd van den keizerlijken staf bevorderd. Stond keizer
Nicolaas I bij den opstand van 1825 (> Dekabristen)
trouw ter zijde, en werd vervolgens belast met het
oprichten van de „Derde afdeel ing” van de Russ.
kanselarij, een soort geheime politie, die een spion-
nendienst over geheel Europa uitstrekte. Hij werd
de onafscheidelijke metgezel van den keizer en kreeg
op diens persoon een grooten invloed.
Li t .: Silder, Nicolaï I (2 dln. St. Petersburg 1903;
Presniakov. Apogueï samaderjavia. Nicolaï 1 (Het top-
punt der autocratie. Nicolaas 1, Leningrad 1925).
Lousse .
2° Christoffel von, Russisch generaal.
* 1740. f 1823. Vader van Alexander en Constantijn
von B.
3° C o n s t a n t ij n von, Russisch generaal en
diplomaat. * 1785, f 1828 te Praw T adi. Zoon van
Christoffel en broeder van Alexander von B. Trad
aanvankelijk in dienst van de diplomatie, die hij echter
reeds in 1812 voor het leger verliet. Als hoogcr officier
nam hij deel aan de veldtochten tegen Napoleon I
(1812 — ’15). Na den oorlog vervulde hij verschillende
gezantschappen, doch trad in 1826 wederom in het
leger. Hij vergezelde Paskiewitsj bij diens tocht naar
de Kaukasuslanden (1826— ’27) en keizer Ni olaas I
op het Turksch oorlogstooneel (1828). Plier overleed
hij ten gevolge van zenuwkoorts.
Lit.: •> Benckendorff, Alexander. Lousse .
4° Constant ij n von, Russisch generaal
en diplomaat. * 1817, f 29 Jan. 1858 te Parijs. Zoon
van Constantijn. Hij streed met roem in den Kauka-
sus (1826 — ’27) en werd daarna afgevaardigd naar
Berlijn. Nam deel aan den oorlog in de Krim, zag
633
Bencür — Bendorp
534
zich vervolgens belast met een buitengewone zending
naar Spanje, en werd in 1857 tot luitenant-generaal
en gezant te Stuttgart benoemd.
Werk: Souvenir intime d’une campagne au Caucase
( Parijs 1858). Lousse.
Benour, M a t e y (pseud. M. K u k u s j i n),
Slowaaksch schrijver van pakkende, uit het Dalmati-
sche volksleven geputte verhalen. * 17 Mei 1860 te
Jasenowa, f 21 Mei 1928 te Lipica.
Meesterwerk: Dóm u str&ni (Het huis op de
helling, 1911).
Bonda, 1° F r a n z, violist en componist,
* 1709 te Altbenatek (Bohemen), f 1786 te Potsdam.
Was koorknaap aan de Nicolaaskerk te Praag, daarna
rondtrekkend musicus. Hij ontving les van den blinden
Israëliet Löbel, te Praag van Konycek; daarna te
Weenen van Franciscello. Na den dood van Josef
Graun werd B. zijn opvolger als dirigent.
Zijn spel werd geroemd om de gevoelvolle voor-
dracht; als paedagoog stond hij in hoog aanzien en
heeft vele leerlingen gevormd. B. is een der hoofd -
vertegenwoordigers van de zgn. Beriijnsche Schooien
is, ondanks zijn Boheemsche afkomst, ten nauwste
verwant met C. Ph. E. Bach, de gebroeders Graun,
e.a., meer nog dan Stamitz en zijn volgelingen.
Werken: 6 triosonatcs, 2 vioolconcerten, 6 sonaten
voor viool of fluit en basso continuo. Na zijn dood ver-
scheen een bundel viool-etudes. In hs. hieven vele sonaten
en soli voor viool met basso continuo (hijzelf noemt er
80), eenige concerten en symphonieën. — bit.: auto-
biographie in „Neue Berliner Musikzcitung ’ (1910, 32) :
Elfr. Nissel-Nemenoff, Die Violintechnik Franz Benda’s
und seiner Schule (1930). Piscaer.
2° G e o r g, componist, broer van Franz B.;
* 1722 te Altbenatek, f 1795 te Köstritz. 1742 — 1748
kon. kamermusicus te Berlijn, 1750 hofkapelmeester
van Frederik lil te Gotha. Vanaf 1775 verwierf hij
veel succes met zijn melodrama’s: Ariadne auf Naxos
(1920 opnieuw uitgegeven door Alfred Einstein);
Medea; Pygmalion en Philon und Theone (omgewerkt
als Almansor und Nadine). In 1778 verliet hij Gotha.
ging naar Hamburg en Ween en, en in het bezit van
een klein pensioen woonde hij ten laatste te Köstritz.
Werken: zijn composities zijn zeer talrijk ; de
kerkcantates, missen, symphonieën, concerten, klavier
sonaten, e.a. bleven in hs. : 14 tooneelwerken, o.a. Romeo
und Julia (1776'; Walder (1776). Cantates, o.a. Bendas
Klagen (laatste werk). 6 Deden klavier- en zangstukken,
3 klawerconcerten, meerdere bundels klaviersonates.
8 Symphonieën in hs. in de stadsbibliotheek te Leipzig
zijn beter dan menig werk der Noord-Duitsche school. —
L i t. : Jodermann, G. B. (1895): F. Brüekner, G. B.
und das deutsche Singspiel (Sammelb. der Intern. Musik
Ges. 1904) : Ed. lstel, Die Entstehung des deutschcn
Melodrams (1906) ; A. Hnilieka, Aus Georg Bendas
Jugend (1911); Vladimir Helfert, Georg Bcnda.
Piscaer.
3° J u 1 i e n, Fransch criticus en romanschrijver
van sterk -intellectualistische strekking. * 1867 te
Parijs. Van orthodox-Joodsche herkomst heeft B.
den strijd aangebonden tegen alle vormen van het
romantisme en het intuïtivisme, vooral tegen Bergson
en het verafgode nationalisme van Bairès en Maurras.
B. werkt geregeld mede aan de Nouvelle Revue
Fran(jaise.
Werken: Le Bergsonisme (1912 vlg.) ; L’ordination
(1912) ; Les sentiments de Critia* (1913) : Lc bouquet de
Glycère (1918); B^lphégor, essai sur 1'esthétique de
la présente soriété fran<?aise (1919): Dialogues d’EJeu-
thère (1920) ; Les Amorandes (1922) ; La croix des roses
(1923) ; Lettres a Mélisande (1925) ; La trahison des
clercs (1929) ; La fin de 1’Eternel (1930). — L i t. :
C. Bourquin, J. B. (Parijs 1925). Baur .
Benei einan ii, Eduard Julius Fried-
r i c h, Duitsch schilder, lid van de eerste Düssel-
dorfer schilderschool, die zich vnl. inspireerde op de
klassieke en harmonische kunst van Raffaël. * 1811
te Berlijn, f 1889 te Düsseldorf. Werkte samen met
Hübner en Schadow.
Voorn, werken: Muurschilderingen in het slot
van Dresden (1841 — *53); Jeremias (olieverf; Berlijn,
Staats Museum); De Joden in ballingschap (Keulen,
Wallraf-Richartz-Mus.) ; Penelope (1877 ; Antwerpen).
Verder: boekillustraties. Knipping .
Benden van Ordonnantie werden als begin
van een staand leger door Karei den Stouten in navol-
ging van Frankrijk opgericht (1473). Dit betcckcndo
een versterking der centrale macht. De leden werden
gekozen uit den lagen adel; de hooge adel stond aan
het hoofd. Zij moesten dienen tot bescherming der
grenzen in vredestijd en als keurtroepen in geval van
oorlog. Haar sterkte is in den loop der jaren nogal
eens gewijzigd en bedroeg 3 000 ruiters sinds de reorga-
nisatie van 1545. Cornelissen .
Dender, Paul, baszanger, * 28 Juli 1875 te
Driedorf (Westerwoud). Leerling van Louise Resz en
Baptist Hoffmann. Maakte een schitterende carriëre
bij de Münchener Staatsopera, verleende sedert 1902
herhaaldelijk zijn medewerking aan de Bayreuther
Festspiele en trad ook in Amerika op. Hanehoot.
Bonder Abhas, havenplaats in Perzië, aan de
Straat van Ormoes, den toegang tot de Perzische Golf
(27° 15' N., 56° 19' O.); ongev. 10 000 inw. Zeer warm
en ongezond; slechte reede.
Brndory (Russisch, Turksch: B e n d e r,
Roemeensch: T i g h i n a), Roemeensche stad bij de
Dnjestr (46° 49' N., 29° 26' O.); 35 000 inw. (1925),
Roemenen, Joden en Klein-Russen. Marktplaats,
spoorwegmiddelpunt, tabaks- en steen industrie. In
de 18e eeuw speelde B. een belangrijke rol in de Rus-
sisch -Turksche oorlogen. Karei XII verbleef hier van
1709 — 1713. In 1812 kwam B. aan Rusland, in 1919
aan Roemenië. Hoek .
Bendiflo, vroeger Sandhurst, stad in Victoria
(Austr., 36° 45' Z., 144° 19' O.); 34 000 inw. B. maakte
dezelfde ontwikkeling door als > Ballarat. Van de
meer dan 100 over de heele stad verspreide goudmijn -
schachten zijn er nog slechts enkele in gebruik. Voor-
naamste bestaansbronnen nu: agrarische en metaal-
industrie, aardewerkfabrieken; akkerbouw en veeteelt.
Zwage makers.
Bendis, in de Grieksche myth. een
Thracische godheid, wier eeredienst in den loop der
5e eeuw v. Chr. in Athene werd ingevoerd en door de
ingeweken Thraoiërs in het havenkwartier (Piraeus)
werd gevierd met een optocht en ’s avonds een fakkel-
loop te paard.
Bendorp, 1° Carel Frederik Sr., Noord-
Ned. graveur, etser en teekenaar, * 1736 te Sas van
Gent van Duitsche ouders, f 1814 te Dordrecht.
Woonde aanvankelijk in Bergen -op-Zoom, ging later
(na 1748) naar Dordrecht, waar hij leerling werd in
een glasmakerij. Hield zich hiermede vanaf 1769 te
Rotterdam bezig. Reeds had hij zich in Dordrecht
bekwaamd in het teekenen en wijdde zich op ’t eind
van zijn leven enkel aan zijn kunst.
Voorn. werken: erravures : Gezichten op
Rotterdam (1784) en op Dordrecht (1785).
2° Carel Frederik Jr., graveur en schilder,
635
Bendzin — Benedenwindsche Eilanden
536
▼nl. van historische gebeurtenissen. Kleinzoon vtm
Ca rel Frederik Sr. * 1819 te Dordrecht, f waarsch.
1865 te Bmssel.
3° .1 a n C h r i s t i a e n, Noord-Ned. graveur
tn teekenaar, vader van Carel Frederik Jr. Werkte
in Rotterdam en Dordrecht. * 17G7 te Dord recht,
f 1849 aldaar. Knipping.
Bcnri/Jn, Poolsche industrie-stad in Opper-
Silozië, 28 000 inw., hoofdzakelijk Joden. Steenkolen-
mijnen.
Beneeke, 1° Georg Friedrich, Duitsch
philoloog, medestichter van de germanistiek en leeraar
van K. Lachmann; * 10 Juni 1762 te Mönchsroth,
f 21 Ang. 1844 te Göttingen, waar hij hoogleeraar
was. B. verzorgde de tekstcritische uitgave van Mid-
delhoogduitsche schrijvers (Boner, Wirnt von Graven -
berg, Jlartmann v. Aue) en verzamelde materiaal
voor liet Mittelhochdeutsches Wörterbuch van Miiller-
Zarncke. Buur.
2° Wilhelm, Duitsch plantkundige; * 28 Sept.
1868 te Heidelberg. Hij is sinds 1915 koogleeraar in
de plantkunde te Münster.
Werken: B.:u u. Lehen der Baktenen (1912):
Phannakognosie ( 3 1920) ; Pflanzenphysiologie (samen
met .lost «1923- *24).
Benedek, Lu d wig August Ritter
von, Oostenrijksch generaal. * 14 Juli 1804, f 27
Juni 1881. Commandeerde in 1866 het Noord leger,
dat op 3 Juli bij Königgratz door de Pruisen werd
verslagen.
Beneden, 1° Kdouard van, bekend zoö-
loog, zoon van Pierre Josepli, * ö Maart 1846 te Leuven,
f 28 April 1910. Werd in 1870 professor in de verge-
lijkende anatomie, histologie en vergelijkende em-
bryologie te Luik. Vooral is hij bekend door zijn studie
op het gebied dezer laatstgenoemde wetenschap.
Werken: met Bambeke sinds 1880 „Arehivcs de
biol.*’; met Neyt, Nouvelles recherches sur la férondation
et la division metosique chez Pascaride megalocephale
(Leipzig 1887). Willetus.
2° Pierre Joseph van, Belgisch zoöloog,
* 19 Dec. 1809 te Mechelen, | 8 Jan. 1894 te Leuven.
Studeerde medicijnen; werd in 1835 hoogleeraar in
Gent en in 1836 aan de Kath universiteit te Leuven.
Vanaf 1842 was hij medelid der Belgische Acad. v.
Wetenschappen en 1881 voorzitter. Zijn weten-
schappelijk onderzoek betrof vooral de Belgische kust-
fauna, daarnaast ook parasitologie en palaeonthologie.
Als palaeontoloog is hij bekend om zijn studie over
fossiele cctacecën.
Werken: Zoologie medicale (met Gcrvais; 2 dln.
Parijs 1859) ; Iconographie des hclminthcs (Leuven
1860) : La vie animale et sos mystères (Brussel 1863);
La fauna littorale de la Belg. (Brussel 1866' ; Osteo-
graphie des Cetacés vivants et fossiles (Parijs 1868 — *77) ;
Les commensaux et les parasites dan» le règnc animal
{Parijs 1875). Willems.
Benedenhlncl der tong, het benedenvlak der
tong, dat onmiddellijk op de punt volgt.
Bencdcmlsinis. De Lekdijk Benedendams ligt
ten N. van de Lek, vanaf het Klaphek (waar een dam
ligt in den Iloll. IJsel) tot Schoonhoven. De Loopikor-
waard en verder al het lage land tot het IJ wordt
hierdoor beschermd tegen overstroom ing.
Ben eden heul, gehucht in de Krimpenerwaard
(Z.H.) ten Z. van Gouda.
Benedenlioofd, > Sluishoofd.
Benedenklinker, een klinker, die uitgesproken
wordt bij lagen stand der tong (benedenstand) en met
de grootst gebruikelijke open ing tusschen onder- en
bovenkaak: naar gelang van de plaats, waar de tong
bij het uitspreken van een b. gewelfd is, spreekt men
van benedenachterk linkers. > Bell-Sweet.
Weerstibeck.
Boneden-Knijpe en B o v e n - K n ij p e, twee
dorpjes samen met 1 000 inw. in de Friesche gem.
Schoter land, ontstaan als veenkolonies onder den naam
Oud- en Nieuw-Brongerga.
Benedenlandschc Indianen, bij oudere
schrijvers T a i r a, de Indianen in het beneden land
of kustgebied van Suriname, ruim 2 500, nl. 1 100
Arowakken, ruim 1 400 Caraïeben en enkele tientallen
Warauws, die in wonen bij de Ara wakken of Caraïeben;
anderen vertrokken naar Britsch Guyana.
l.it. : C. van Coll, Zeden en gebruiken der Indianen
(1886); A. Kappler, Suriname.... (1887); W. Joost,
Oeographischc8 und Verwandtes aus Guayana (1893);
C. van Col!, Gegevens over land en volk van Suriname
(1903); W. E. Rotb, Some technological notes from the
Pomeroon district (1912); idem.. An Inquiry into the
animism and folklore of British G. lndians (1915) ; idem,
An introductory study of the arts, crafts and customs
of the Guyana lndians (1924). met Addirional stuliee
etc. (1929) • F. P. en A. Ph. Penard, De mensrhenotende
aanbidders der zonneslang ( 2 1931). /r. Aurelianus.
Beneden -Merwedc» het verlengde der Mcr-
w^ede of Merwe ( = meervoud), dat loopt van Hardings-
veld tot Dordrecht. De Merwede ontstond vroeger bij
het slot Loevestein uit de vereeniging van Maas en
Waal; sedert 1903 is de Maas afgedamd.
Benedenpnnd, > Kanaalpand.
Benedenrivier, dat gedeelte van een rivier,
waarin de stroom den invloed van de uitmonding in
zee ondervindt. Het verschil tusschen b. en boven-
rivier komt vooral tot uiting, wanneer bij de uitmon-
ding een sterke getijwisseling optreedt. Het zeewater
treedt dan met de vloedgolf de b. binnen en belemmert
den afvoer van bet zoetwater. Bij laag tij moet het
opgehouden rivierdebiet tegelijk met het binnenge-
drongen zeewater worden afgevoerd. Een gevolg van
de optredende krachtige stroomingen is het verdiepen
van den rivierbodem. Voor de scheepvaart is het van
belang, dat de vloedgolf zoo ver mogelijk ongehinderd
de rivier op kan trekken, zoodat op natuurlijke wijze
een groote vaardiepte wordt onderhouden.
J. ten Brink.
Benedenstrooms, op een in de stroomrichting
verder gelegen plaats, derhalve op een punt met een
lager peil.
Benedemvindsclie F.ihimlcn, Neder-
1 a n d s c h e, zijn Cura^ao (met Klein -Cura<;ao),
Aruba en Bonaire. Ze liggen in het Z. deel van de
Caribische Zee, ten N. van de republiek Venezuela.
Ze behooren tot het gouvernement Cu ra cao, dat boven-
dien de Bovenwindsche Eilanden (Zuklhelft van St.
Martin, St. Eustatius en Saba) omvat. Beide groepen
eilanden liggen in het gebied van den N.O. Passaat. Ten
opzichte van de groep van Cura^ao (het hoofdeiland)
ligt de groep van St. Martin „boven den wind”; van-
daar de namen. Aantal inwoners van de Beneden w.
Eilanden op 31 Dec. 1930: 71 557, w T aarvan 60 779
Katholiek; 31 Dec. 1931: 66 686. De B. E. behooren
tot het apost. vicariaat van Curacao.
Voor bevolking, > Cura^ao (gouvernement van).
Klimaat. Het tropische klimaat is dor en droog.
1° De temperatuur is het heele jaar door
tamelijk gelijkmatig. De nabijheid der zee en de fris-
sche constante N.O. Passaat maken de temperatuur
537
Benedenwindsche Eilanden
638
dragelijk. Tn Sept. en Oct. is op windstille dagen de
hitte drukkend. De gemiddelde jaarl. temp. is 27,9° C.
Zelden wijst do thermometer lager dan 23° en hooger
dan 33° C. Sept. wordt voor de heetste maand gehou-
den, Jan.-Febr. voor den meest koelen tijd.
2° De regenval is voor deze tropische eilanden
gering. De geruidd. jaarl. regenval op Cura<jao is
651,6 mm (Molengraaff). Otto Winkler geeft de vol-
gende jaargemiddelden van den regenval: Cura^ao
606,8 mm, Bonaire 537 mm, Aruba 451,2 mm; dit
geeft voor de Benedenw. Eil. een jaargemiddelde van
628,4 mm.
De regentijd is van Oct. tot en met Jan. De droge
tijd duurt van Febr. tot Oct.; valt er in den regentijd
weinig of geen regen, dan duurt de droge tijd dus 20
maanden. Degemidd. dagelijksche verdamping beloopt
op Curagao van 4,5 tot 7,4 mm. Het gemidd. vocht ig-
heidsgehalte der lucht bedraagt op CuraQao 73% en
stijgt in de maanden Oct. en Nov. tot 79%.
3° Beweging der lucht. De eilanden
liggen alle drie in de passaatstreek. In den drogen
tijd is de passaat het sterkst. Hij belet op sommige
plaatsen allen boomgroei. De kruin der boomen strekt
zich uit naar het Z.W. als een platte breede bos takken.
De Benedenw. Eil. liggen buiten de West-Indische
orkaanzone.
Lil.: Encycl. van Ncd.West-Indië (1914-1917, 404
vlg.) ; Meteorol. waarnemingen, vedaan op de meteorol.
stations, in de koloniën Suriname en Curapao tot en
met 1918 (uitgave van het dept. van Landbouw in Sur.) :
Overzicht der meteorol. waarnemingen, verricht op de
meteorol. stations in Ned. West-lndi* (1919 vlg. ; ver
schijnt jaarlijks) ; Otto Winkler, Nied«*rl. Wcstindien.
Mitteil. der Gescllsch. für Erdkunde (Leipzig 1923 1925):
G. J. H. Molengraaff, Geologie en geohydrologie van het
eiland Cura^ao (1929).
Dierenwereld. De 1 a n d f a u n a is arm aan
soorten. Groote, in het wild levende zoogdieren komen
bijna niet voor. Kleine herten in het N.W. van Cura-
Qao, konijntjes, verwilderde geiten en vleermuizen.
Vogels zijn zeer algemeen op deze eilanden, waar
evenwel slechts weinig soorten landvogels zijn. Bo-
naire is rijker aan vogels dan Aruba, omdat het meer
begroeid is. De meest algemeene vogel op de drie eil.
is de totolica. Ook komen veel voor: perkiet, kolibrie,
troepiaal, de tjoetjoebi, de chonchorogai, moffi, para
di misa en barica heel; flamingo’s leven op Bonaire
bij de Oranjepan en bij het Goto-meer. Slangen zijn
er op de Benedenw. Eil. weinig. Op Aruba komt de
ratelslang voor. De dori, een kikvorsch, trof men
vroeger alleen aan op Aruba, thans echter ook op
Bonaire en Curacao. Hagedissen zijn talrijk; zoo zijn
er van Curagao 11 soorten bekend, van de andere
eilanden weinig minder. Men ziet ze vooral op land-
wegen, op het heetst van den dag. De schuwe leguaan
wordt tot l l / f m lang. Hij komt vooral voor in het
kalklandschap tusschen de rotsen, maar ook op de
plateau ’s (Lima, Bonaire). Om het vleesch wordt er
jacht op gemaakt. Verblijfplaatsen: in het N. van
Bonaire en bij de St. Christoffel op Cura^ao.
De zoetwaterfauna is arm , maar zeer
merkwaardig. Zoetwatervisschen komen slechts op
enkele plaatsen voor, bijv. op de plantage Hato op
Cura^ao, bij Fontein en Rooi Prins op Aruba, en ten Z.
van Kralendijk in waterputten van het kalklandschap.
De fauna der kusten, met hun vele be-
schutte inhammen, is rijk. Zeeschildpadden komen
aan het strand eieren leggen; om het vleesch en de
eieren wordt er jacht op gemaakt. Langs de kust:
kreeften, krabben, garnalen, weekdieren en sponsen.
Voedselvisschen zij er veel.
Veestapel. Op de plantages houdt men vooral
geiten (kabrieten), ook schapen, koeien en varkens.
Verder kippen, kalkoenen, eenden en pauwen.
Veestapel op de Benedenwindsche en Boven-
we indsche Eilanden (de cijfers zijn niet geheel nauw-
keurig; juiste tellingen hebben niet plaats gehad):
Dec. 1930
Runderen
Schapen
Geiten
t»
a
c3
>
Paai d n j
Ezels
Muilen |j
Cu ra cao
1.164
7.100
21.000
1.370
30
2.000
35
Aruba
265
3.700
2.950
320
1
690
i
Bonaire
7
3.900
18.000
600
25
900
4
St. Martin
763
699
547
248
133
37
18
St. Eustatius
695
363
831
311
36
389
6
Saba
137
140
658
300
11
35
1
l”
L i t. : M. G. Rutten, Over de vogels van de Holl.
Benedenw. Eil. (Antillen) (Ardea, XX 1931).
Plantenwereld. De flora is aan het droge klimaat
aangepast; zij is vrij armoedig door gebrek aan regen
in de droge perioden en wordt bovendien ongunstig
beïnvloed door den sterken passaat. In overeenstem-
ming hiermede valt een op den voorgrond treden van
doornige struiken en cactussen te constateeren ; slechts
weinige plaatsen (hoogere heuveltoppen met meerderen
neerslag) bezitten een dichtere begroeiing met een
opvallende hoeveelheid epiphyten (Orchideeën en
Bromeliaceeën op de boomen, bijv. op den St. Christof-
felberg). Cactussen zijn: de kadoesji (zuilcactus); de
datoe, waarvan men levende omheiningen maakt
(= trankeera’s) voor maïsvelden of a!s grens van
plantages; de meloencactus, die nog groeit op de
meest kale kalkrots en de toena (een bladcactus).
Boomen zijn er weinig, voornamelijk mimosa- en
divi-diviboomen, die door den passaat meestal krom
en tot bezems zijn verwaaid. Verder vindt men er:
de indjoe, de wabi, de kalbas en de kibrahatsja (= ki-
brahacha). De glanzende donkerbruine divi-divipeulen
zijn rijk aan looizuur. Op lage, ziltige plaatsen komen
manzanillaboomen voor met frisch, glanzend gebla-
derte; deze boom is vergiftig. Aan de slijk ige oevers
der binnenzeeën groeien mangroven. De voornaamste
vnichtboomen in de „hofjes” zijn: Mango- en mispel-
boomen, kokos- en dadelpalmen, oranjeboomen,
kenepa’s en tamarinden. Verder papaya’s, limoen-,
schubappel-, zuurzakbo< men en guayaba (uitspraak
y= j , evenals bij papaya). Uit de gedroogde schil van
do oranjeappels wordt (in Nederland) een likeur ge-
maakt: de Curacao. Het voornaamste cultuurgewas van
de Benedenw. Eil. is de kleine maïs (Adropogon sor-
ghum Brot), het levert het hoofd voedsel der bevolking.
Men plant gewoonlijk bij het begin der eigenlijke
regens, nl. in Sept. — Dec.; droogte maakt een her-
haald planten noodig en doet de oogst vaak mislukken.
De oogst heeft plaats Maart — April. Van het meel
maakt men een stijve, grijswitte pap (Foensji), het
gewone volksvoedsel. De kleine maïs heet maisji
sjikitoe. Op Aruba heeft men de maisji de siete siman
(maïs van zeven weken).
539
Benedetti — Benedict Biscop
540
L i t. : I. Boldingh, The flora of Cura?ao, Aruba and
Bonaire (1914). fr. Realino.
Bencclctti, 1° G iambattista, Italiaansch
wis- en natuurkundige. * 1530 te Venetië, f 1590 te
Turijn. Leerling van Tartaglia. Was vanaf 1567 als
mathematicus verbonden aan het hof van den hertog
van Savoye te Turijn. Hij schreef over wiskunde (con-
structies met een enkele passeropening), astronomie,
mechanica (o.a. beschouwingen over valbeweging,
waardoor hij een voorlooper is van Galilei), hydrosta-
tica (beginsel van de hydraulische pers). Belangrijk
is zijn correspondentie, waarin hij het stelsel van
Copernicus uiteen zet en verdedigt.
Hoofdwerk: Diversarum Speculationum mathe-
maticaruni et physicarum Liber(Torinol580). — Li t. : G.
Bordigo in Atti del R.lst.Veneto (1925-’26). Dijkslerhuis.
2° Graaf Vincent, Fransch diplomaat.
* 29 April 1817 te Bastia (Corsica), f 28 Maart 1900
te Parijs. Consul te Kaïro (1846) en te Palermo (1848).
Directeur der politieke afdeeling in het ministerie
van Buitenlandsehe Zaken (1855) en als dusdanig se-
cretaris van het congres te Parijs (1856). In 1860 ver-
vulde hij een gewichtige rol bij de onderhandelingen,
die tot de inlijving van Savoye en Nizza bij Frankrijk
leidden, en werd in 1861 gezant te Turijn. Hij is echter
vooral door zijn gezantschap te Berlijn bekend (1864 —
1870). Hij onderhandelde met Bismarck over de toe-
voeging van België aan Frankrijk (1866), over de rege-
ling van de Luxemburgsche kwestie (1867), en over de
candidatuur van prins Leopold van Hohenzollem voor
de Spaansche kroon (1870). Over het algemeen lichtte
hij Napoleon III over de buitenlandsehe politiek van
de Pruisische regeering goed in, doch leed bij zijn
voornaamste onderhandelingen tegenover den Prui-
sischen kanselier telkens de nederlaag (> Emser-
telegram). Na het uitbreken van den Fransch-Duit-
schen oorlog (1870) keerde hij naar Parijs tenig en
werd op 16 Aug. 1871 uit den staatsdienst ontslagen.
Werken: Ma mission en Prusse (Parijs 1871);
Essais diplomatiques (Parijs 1895-’96) ; Nouvcaux
essais diplomatiques (Parijs 1897). — L i t. : Sorel,
Histoire diplomatique de la guerre franco-allemande
(Parijs 1875): Klaczko, Deux chaneeliers (Parijs 18761;
Schocps, Graf B. (1915): Ch. Saurel, Juillet 1870: le
drame de la dépêche d’Ems (Parijs 1930L Lousse.
3° M i c h e 1 e, een Italiaansch schilder, teeke-
naar, etser, graveur, * 1745 te Viterbo, f 1810 te
Weenen. B. werkte in Londen (1783) onder Francesco
Bartolozzi. Hij is in zijn werk vrij onnauwkeurig.
Benedetto da Maiano, Ital. beeldhouwer,
houtsnijder en bouwmeester; * 1442 te Maiano, f 24
Mei 1497 te Florence. B. wijdde zich aan het intaglio-
werk en de beeldhouwkunst, misschien wel als leer-
ling van Francione. Van zijn houtsnijwerk is weinig
(plafondwerk in Palazzo Vecchio en kasten in de Maria
del Fiore te Florence) bewaard. Van zijn beeldhouw-
werken hebben vooral de altaren en kansels groote
beroemdheid verworven. Werkte, behalve in Florence,
in San Giminiano (1477) en Loreto (1481); in Florence
terug maakte hij plannen voor het Palazzo Strozzi.
waarbij het type van het vijftiende -eeuw r sche paleis
(Brunelleschi) vermengd wordt met de lossere bouw-
kunst van Michelozzo. Volgens sommigen zouden de
hem toegeschreven architectonische werken niet van
hem zijn. In zijn bas-reliëf herinneren de rijke archi-
tectuur aan Brunelleschi, de ronde, evenwichtig in
het vlak gecomponeerde figuren aan Ant. Rosselino.
Deze eigenschappen loopen in lateren tijd dood in star
maniërisme.
Voorn, werken: monument van St. Savinus
in den dom van Faenza (1470) ; buste van Pietro Mellino
(Florence. Bargello) ; altaar van de H. Fina (S. Giminiano,
Collegiaalkerk, 1475). De kansel van S. Croce (Florence,
1474-76) geldt als zijn meesterwerk : rijke ornamentiek,
aan den voet de beelden der vier hoofddeugden, boven
vijf bas-reliëfs met voorst, uit het leven van St. Fran-
ciscus. Tabernakel van de Madonna dell’ ulivo in Prato
(1480) ; lavabo en 4 terracotta’s, de Evangelisten voor-
stellend (Loreto, dom, sacristie) ; buste van Giotto
(Florence, dom, 1490): grafmonument der Strozzi
(Florence. S. Maria Novella). — L i t. : von Geymüller
en Stegmann, Die Architektur der Renaissance in
Toscane (IV 1885-’96) ; W. v. Bode, Die Denkmaler
der Renaissanccskulptur Toskan (1905) ; Venturi, Storia
dell’ arte ital. (VI 1908 en VIII 1923) ; Düssler, B. d. M.
Fin florentinischer Bildhauer des spaten Quattrocento
(1924). Knipping.
Benedetto da liovczzano, Ital. beeldhouwer
en architect, verbleef langen tijd in Rovezzano, van-
daar zijn naam.* 1474 teCanapale bij Pistoja, f na 1552.
Leerling van Benedetto da Maiano en Giuliano da San
Gallo. Werkte samen met den decorateur Donato
Bonti, met wien hij naar Frankrijk trok met enkele
beelden voor het grafmonument van Lodewijk XII
(nu in St. Dénis.) Keerde 1505 terug naar Florence en
werkte daar aan het graf van den H. Joannes Gual-
bertus voor de S. Trinita (1535 bij het beleg van
Florence zw r aar beschadigd); werkte voorts in de Carmi-
nekerk (tombe van Pier Solerini, 1510), geheel in den
trant van het Florentijnsche quattrocento-grafmonu-
ment, en in de Badia. In 1524 trekt hij naar Engeland:
tombe van kardinaal Woolsey, later graf van Hendrik
VIII (in 1646 afgebroken, 4 kandelabers ervan te
Gent). Hij houdt van robuste en rijke decoraties
(zware horens van overvloed, grotesken en ranken);
zijn pittoreske bas-reliëfs verraden invloed van Ben.
da Maiano. In lateren tijd wordt zijn siervermogen
geringer, harder en droger. Op zijn ouden dag blind
geworden, trok hij zich terug in Vallombroso, waar hij
begraven is.
Voorn, werken: graftombe van den H. Joannes
Gualbertii8 voor de S. Trinitè (nu brokstukken in het
Cenaculo di S. Salvi te Florence ) ; basis voor bronzen
David van Michelangelo (1509) ; beeld van St. Jan
Evang. (Florence, Maria del Fiore, 1512, met Jacopo
Sansoyino en Baccio Bandinelli) ; altaar (Florence,
S. Trinitè, Capella Sermigiani, 1551), wordt als zijn
meesterwerk beschouwd. — L i t. : Venturi, Storia
dell’ arte ital. (VIII. 1.1923, 165 vlg.). Knipping .
Benedicainus domino (Lat., — Laat ons den
Heer prijzen), liturgische slotformule, gebruikt in de
Getijden, in de H. Mis, enz. •> Furnuilen (liturgische).
Benedictie, 1° (Lat., = Looft), korte naam
(aanvangswoord) voor den lofzang (2e gedeelte) der
drie jongelingen in den vuuroven (Dan. 3. 57), gebr.
in het -v Koorgebed, ook als private dankzegging
na de II. Mis. enz. > Hymnen (liturgische).
2 (Lat., — Wilt zegenen) korte naam (aanvangs-
woord) voo! den lit. maaltijdszegen (* Tafelgebeden);
formule gebr. in de H. Mis door diaken en subdiaken.
* Formulen (liturgische). Louwerse.
Benedict Biscop, Heilige, Benedictijn, geleerde,
met bijzondere verdienste voo» de organisatie der
Angelsaksische Keik, voor hetBenedictijnsche klooster-
leven en de Romeinsche liturgie in Engeland. * omstr.
628 uit een voornaam geslacht, f 690 te Wearmouth.
Reisde naar Rome in 653, werd monnik op Lérins
omstr. 665; w T as daarna nog viermaal in Rome, en
ontplooide een veelzijdige werkzaamheid voor de
ontwikkeling der Engelsche Kerk. Stichtte de kloosters
541
Benedictie — Benedictus I
542
van Wearmouth en Jarrow, bevorderde kunst en weten-
schap, kerkzang en liturgie, en was een der voor-
naamste ijveraars om het Tersche kloosterideaal te
vervangen door de Benedictijnsche organisatie, maar
tevens om de Benedictijnen in de wetenschappeliike
richting der Iersche monniken te stuwden. Patroon
der Engelsche Benedictijnen. Feestdag 12 Januari.
Lit: H. Peda, Hist. Abbatum (I); Acta S. S. Jan.
(I); T. Pucherer (Diss. Heidelberg ly23). Pompen.
Benedictie (Lat. benedict io), zegen, zegening,
vooral gebruikt in betrekking tot het Allerh. Sacra-
ment.
Benedict ie-dock, doek, waarmede men weleer
soms, in plaats van met een schoudervelum, den
monstrans of het ciborie, het Tl. Sacrament inhoudend,
aanvatte tot het geven der Benedictie. Heden verboden.
Benedict ic-kruis , kruis, waarmede in de
Oostersche riten de zegen gegeven pleegt te worden.
Benedict ina Ueclursitio, verklaring door paus
Benedictus XIV op 4 Nov. 1741 gegeven, waardoor
officieel werd uitgesproken, dat in Hólland en België
de huwelijken, gesloten tusschen de Protestanten
onderling en de gemengde huw-elijken tusschen Protes-
tanten en Katholieken, geldig waren, ook al w f aren ze
niet gesloten met de door het Concilie van Trente
voorgeschreven formaliteiten. De 13. D. bleef van
kracht tot Paschen 1908. > Huwelijkssluiting.
Bender .
Benedictinessen. Van haar oorsprong is
historisch weinig bekend; de traditie noemt als
stichtsterS. Scholastica, zuster van den H. Benedictus,
waarvan de H. Gregorius bericht, dat zij van jongsaf
non w r as (te Piombariola ?) en onder leiding van haar
broeder stond. Een feit is, dit naarmate de Bened.
monniksregel zich verbreidde, hij ook voor het gebruik
in vrouwenkloosters werd aangepast, waar hij eerst
naast oudere regels werd onderhouden om ze ten slotte,
vooral wegens zijn gematigdheid, te verdringen. Zoo
nam hij in Frankrijk in de 7e eeuw meer en meer
de plaats in van de Regels van S. Caesarius en S. Co-
lumbanus. Remiremont werd er voor de vrouwen-
kloosters een middelpunt, als Luveuil voor de monni-
ken. S. Amandus (f678?) voerde den Regel van S.
Bened. in zijn Belgische stichtingen in, terwijl deze
Regel ook, onder invloed waarschijnlijk van S. Augus-
tinus van Canterbury (f 605), langzamerhand w rd
aangenomen in de Angelsaksische nonnenkloosters.
Van hier, in het bijzonder uit Wimhorne, gesticht in
718, voerde S. Bomfatius de stichtsters mede van de
eerste Duitsche nonnenkloosters: de bekendste zijn
SS. Lioba, Thecla, Walburga. In bijna alle overige
landen van Europa werden in den loop der M. E.
allengs talrijke Bened ictincsscnkloosters opgericht.
Evenals de monniken, en om ongeveer dezelfde
redenen, kenden ook de zusters afwisselende perioden
van bloei en verval. Van buitenaf waakten echter
over de tucht bisschoppen en stichters; vermeld zij
in het bijzonder de werkzaamheid van kard. Nico laas
van Cusa (1401 — 1464). Van binnen uit talrijke heilige
abdissen, bijv. S. Hildegardis (1098 — 1179), en de
hervormers onder de monniken. Tot de hervormde
takken der Orde behoorden ook vrouwenkloosters,
terwijl de hervorm ingsstre vingen van Melk en Burs-
feld evenmin zonder weerklank bleven.
De Hervorming en, in de Katholiek gebleven landen
de > commende, hadden funeste gevolgen in de 16e
eeuw en daarna; de volgende eeuw zag een hernieuwden
bloei, speciaal in Frankrijk [Congr. van O. L. Vr.
van den Calvarieberg, door Antoinette van Orleans-
Longueville gesticht, met hoofdklooster Orleans
(164§), en die \an het H. Sacrament, opgericht door
M. Mechtilde du S. Sacr., in de wereld Catlurine Bar
(1614—1698)].
De Fransche Revolutie w r as voor de zusters al even
noodlottig als voor de monniken: slechts in Z. en
O. Europa vindt men kloosters, die op een onafge-
broken bestaan sinds hun stichting kunnen bogen.
Maar ook in het Westen bloeien de Benedictinessen-
kloosters weer op, zij het dan in een meer beperkt
aantal dan in de vervlogen eeuwen.
De B. leiden een beschouwend leven, gewdjd aan
het gebed, op de eerste plaats het Officium Divinum
in het koor. Daarnaast nemen de meeste kloosters nog
de opvoeding van een meestal beperkt aantal jonge
meisjes op zich. Naast de eigenlijke moniales, welke
het slot, eerst sedert de 15e eeuw algemeen ingevoerd
en onderhouden, bewaren, bestaan verschillende
congreg. met als doel vooral onderr cht der vrouwelijke
jeugd en verpleging der zieken, welke eveneens den
Regel van den H. Benedictus tot basis liarer Consti-
tutiën hebben.
Statistiek, opgemaakt einde 1980:
Moniales:
Kloosters Relig.
ondenvorpen aan den II. Stoel
12
248
aan een prelaat der Orde . .
. 17
869
aan den plaatsel. bisschop . .
. 209
7.174
Totaal
238
8.291
Sorores:
Kloosters Relig.
Leerl.
onderworpen aan den TI. Stoel
72
2.739
28.734
aan een prelaat der Orde . .
4
221
—
aan den plaatsel. bisschop . .
. 35
3.460
46.490
Totaal 111
6.420
75.224
Lit.: M. Hcimbucher, Die Orden und Cungreg. der
Kath. Kirche (I 3 1933). Lindeman .
De Zusters Benedictinessen der abdij van O. L.
Vrouw van de Congregatie van Solcsmcs. In 1901
werd de abdij van Wisques overgeplaatst naar Ooster-
hout. In 1919 keerden de meeste zusters naar Wisques
terug. In Oosterhout kwam een priorij, die in 1924
tot abdij verheven werd.
Lit.: Kath. Ned. (11, 163-164). Nolet.
Benedictinessen der Altijddurende Aanbidding
van het H. Sacrament, gesticht 1654 door Moeder
Mechtildis te Parijs, ter aanbidding van het IT. Sacra-
ment. Sinds 1875 in Nederland te Driebergen (Arca
Pacis), Oldenzaal en Tegelen. 40 kloosters.
Lit.: Kath. Ned. (II, 160-162). Nolet.
Bcnedictsson, Victoria (pseud. Ernst
A h 1 g r e n), Zweedsch schrijfster uit de naturalis-
tische school. * 6 Maart 1850 te Domme, f 28 Juli 1888
te Kopenhagen (door zelfmoord). Haar volkomen on-
romantische vertelkunst, die bij voorkeur het boeren-
leven schildert en tevens de huwelijksethiek gezonder
zoekt te maken, munt uit door frissche en krachtige
weergave van de werkelijkheid.
Voorn. werk*n: Fr5n Skfine (1884) ; Pengar
(Geld, 1885); Fru Marianne (1887), e.a. — I. i t. : M. Feuk,
E. Ahlgren (Stockholm 1913); Schuiten, V. B. (1925):
A. Lundeg&rd, V. B. (Stockholm 3 1928). Baur.
Benedictus I, paus. 575 — 579. Onder hem had
Italië veel te lijden van den inval der half-heidensch,
half-Ariaansche Longobarden. Hij stierf tijdens de
belegering van Rome.
643
Benedictus II — Benedictus XTV
544
Benedictus II, Heilige, paus 684 — 685. In
688 gekozen, moest hij bijna een jaar wachten op de
bekrachtiging door den keizer van Bvzantium. In
bet vervolg wendde men zich daarom tot den exarch
van Ravenna. Volgens het Liber Pontificalis zou
keizer Constantijn Pogonatus hebben goedgevonden,
dat de pausen onmiddellijk na hun keuze in het volle
bezit van hun rechten traden, wat niet waarschijnlijk
is. B. ijverde voor de erkenning van het zesde Alg.
Concilie vooral in Spanje en liet den onrechtmatig
verdreven H. Wilfried weer bezit nemen van den
zetel van York.
L i t. : io Dict. Théol. Cath. (II, 648). Franses.
Benedictus III, paus (855—858), opvolger
van Leo IV. Zijn tegenpaus Athanasius Ilï kon zich
niet handhaven. B. was een toonbeeld van deugd;
■treed bij de grooten van Rome voor Christelijke zeden
cn heiligheid van het huwelijk. > Joanna (pauzin).
Benedictus IV’, paus (900 — 903); hield 901
een synode te Lateranen; kroonde koning Lodewijk III
van Bourgondië tot keizer en koning van Italië.
Benedictus V, door de Romeinen als tegenpaus
van Leo VIII verheven, werd door Otto 1 afgezet
en naar Hamburg verbannen, waar hij 966 stierf. Om
zijn groot© geleerdheid ook Grammaticus genoemd.
Benedictus VI, in 972 gekozen met goedkeuring
van keizer Otto I, na diens dood door den oproerling
Crescentius gevangen genomen en in 974 vermoord.
Benedictus V II, bisschop van Sutri, na de
vlucht van tegenpaus Bonifatius VII tot paus ver-
beven (974). Voorstander der Cluniacensische hervor-
ming. Vaardigde op een synode (Rome 981) wetten uit
tegen simonie, f 983.
Benedictus V III, paus van 1012 — ’24, uit het
grafelijk huis van Tuscuium en door zijn verwanten
op den II. Stoel verheven. De naijverige Crescentii
■telden een Gregorius als tegenpaus (1012), doch
tevergeefs. B. kroonde (1014) de IllI. Hendrik II en
Cunigonda, trad krachtig op voor herstel der kerktucht,
tegen priesterhuwelijk en simonie, versloeg (1016)
de Saracenen, die sinds tientallen van jaren Italië
ontzettend teisterden.
Lil.: Duchesne, Les premiers temps de 1’Etat
Pontifical ( 2 1 904, 372). Gorris .
Benedictus IX, met tweemalige onderbreking
paus van 1032 — ’48. Wellicht de bedroevendste figuur
in de rij der pausen. Neef van paus Benedictus VIII,
als 12-jarige knaap door de Tusculaansche partij
tot paus verheven. Beschaamde de Christenheid door
bet ergerlijk onzedelijk leven dat hij leidde, waarom
de verbitterde Romeinen hem in 1044 verdreven. In
1045 met geweld hersteld, verkocht hij, na eenige
maanden, het pausschap aan Gregorius VI, een waardig
man, die deze simonistische daad alleen beging om
de kerk van een onwaardig opperhoofd te bevrijden.
Van 1047 — ’48 wist B. zich toch weer gedurende
9 maanden van den II. Stoel meester te maken, doch
moest daarna voorgoed wijken. Zijn verder lot is
onbekend; waarschijnlijk stierf hij onboetvaardig.
LiL: Duchesue, Les premiers temps de 1’Etat
Pontifical ( 2 1904, 376-388). Gorris.
Benedictus X, bisschop van Velletri, in 1058
door den adel tot paus verheven, werd 9 maanden
later door een synode af gezet en verbannen, toen op
aansporen van Hildebrand (den lateren Gregorius VII),
met toestemming van het Duitsche hof, Nicolaas II
gekozen w*as. f 1060.
Bcncdiclus XI, Zalige, paus 1303 — ’04. Familie-
naam Nicolaas Boccasini; * 1240 te Treviso; trad in
de Orde der Dominicanen, w r ist door verzoenend
optreden het conflict, tusschen zijn voorganger Boni-
fatius VIII en den Fransclien koning Philips den
Schoonen uitgebroken, aanzienlijk te temperen.
Gorris .
Benedictus XII, paus te Avignon van 1334—
’42. Familienaam Jacques Fournier; * te Sa verdun
(Languedoc). Zelf streng van zeden nam hij maat-
regelen tegen de verslapping van de kloostertucht
en tegen de geldzucht der curiale beambten. Bouwde
den pauselijken burcht te Avignon.
L i t. : Mollat, Les Papes d Avignon ( 3 1920); Pastor,
Gesch. der P&pste (I 6-7 1925). Gorris.
Benedictus XIII, naam van twee pausen.
De eerste was van 1394—1417 tegenpaus te Avignon
tijdens het VVestersche Schisma; vroeger Petrus de
Luna, * in Arragon. Geleerd canon ist en onberispelijk
van gedrag, maar hardnekkig vasthoudend aan zijn
waardigheid, en alle pogingen verijdelend om het
schisma van twee, sinds 1409 van drie pausen, door
afdanking te beëindigen. Daarom zegde Frankrijk,
zijn voornaamste steun, hem tweemaal de gehoor-
zaamheid op. en verklaarde het Concilie van Constanz
hem in 1417 voor afgezet. Hij vluchtte naar Peniscola
in Arragon en bleef daar, door bijna allen verlaten,
tot zijn dood in 1424, zijn aanspraken op het pausdom
handhaven.
L i t. : Pastor, Gesch. der P&pste (I 5-7 1925); Valois,
La France et le grand Schisme d’Occident (4 dln.) ;
Salembier, Le grand Schisme d’Occident (1921) ; Hefele-
Leelercq, Hist. des Conciles (VI). Gorris.
De andere paus Benedictus XIII w T as paus
van 1724— '30, familienaam Pietro Orsini: Domini-
caan. * 1649 te Gravina (Kerkelijke St.). Trad in 1667
in de Dominicanerorde, en werd (1680) bisschop van
Cesena en (1686) aartsbisschop van Beneventum.
Man van vromen levenswandel, doch meer geleerde
dan regeerder en leider. Den vrede met Sicilië en Sar-
dinië bracht hij slechts door zeer verregaande concessies
tot stand, en hij liet aan zijn onwaardigen gunsteling,
kardinaal Coscia (na ’s pausen dood gevangen gezet)
veel te grooten invloed. B. schreef liturgische studies:
Opera Liturffica (Rome 1726) en stelde het Memoriale
Rituum samen, een handleiding voor vereenvoudigde
ceremonies ten gebruike van kleinere kerken.
L i t. : Pastor, Gesch. der Papste (XV 1-7 1930, 461
vlg.). Gorris .
Bcncdiclus XIV, paus van 1740 — ’58, familie-
naam Prosper Lambertini, de geleerdste onder de
pausen; * 1675 te Bologna; 1726 kardinaal, 1727
bisschop van Ancona, 1731 aartsbisschop van Bologna.
I itstekend kenner van het kerkelijk recht, leidde een
vroom leven, zacht en meegaand van aard. Deze
laatste eigenschap bracht hem somwdjlen tot al te
grootc toegeeflijkheid aan de eischen der hoven
(Portugal, Spanje, Oostenrijk e.a.), waar de Verlich-
ting hoe langer hoe meer veld won. Belangrijkste
regeeringsdaden zijn: hij besliste den > aanpassings-
strijd ten ongunste van de Jezuïeten, hervormde het
bestuur der Curie, gaf een nieuwen index van verboden
boeken uit en stelde verschillende bepalingen omtrent
het kerkelijk recht vast (o.a. de Declaratio Benedictina,
waarbij huwelijken, die niet volgens de Trentsche
voorschriften voor den pastoor en twee getuigen
gesloten waren, toch geldig waren voor Holland
en België). Zijn werken op canon isch en liturgisch^
gebied, gedeeltelijk nog door hem a ls paus geschreven*
545
Benedictus XV — Benedictus van Aniane
546
behouden ook nu nog hooge wetenschappelijke waarde
en groot gezag. Ook bezorgde hij nieuwe uitgaven van
het Martyrologium, Pontificale, Rituale en litur-
gische boeken van den Griekschen ritus.
Voorn, werken: De Servorum Dei Beatificatione
et Canonisatione ; De Festis ; De Synodo diocesana. —
L i t. : Pastor, Gesch. der Papste (XVI ^WSl, le dl.
1-443). Gorris.
Benedictus XV, paus van 1914 — ’22, familie-
naam Jacobus della Chiesa. Hij is bij uitstek de
vredespaus, die in den vreeselijken Wereldoorlog van
1914 — ’18 met on-
beperkte toewijding
heeft gepoogd de
partijen te verzoe-
nen, en tijdens en
na de ramp onnoe-
melijk veel heeft ge-
daan ter verzachting
van het oorlogsleed.
* 1854 te Genua,
van 1887 tot 1907
ambtenaar aan het
pauselijk staatssecre-
tariaat, 1907 aarts-
bisschop van Bolog-
na, en pas in het
laatste consistorium-
van Pius X tot kar-
dinaal verheven (25
Mei 1914). Vier maanden daarna, direct na het
uitbreken van den oorlog, werd hij tot paus gekozen,
en de oorlog heeft geheel zijn pontificaat beheerscht.
In herhaalde aanspraken, zendbrieven en oproepingen
maande P». tot vrede; hij stelde voor het Kerstfeest van
1914 een althans tijdelijke schorsing der vijandelijk-
heden voor; richtte 1 Aug. 1917 zijn beroemde Vredes-
nota met concrete vredesvoorstellen tot de hoofden
der oorlogvoerende landen, doch zag al zijn pogingen
tot beëindiging van den oorlog verijdeld. Zelfs had
Italië, alvorens tot de Entente toe te treden, als
voorwaarde gesteld, dat de paus van toekomstige
vredesonderhandelingen in alle geval zou worden
buitengesloten (art. 15 van de Conventie van Londen
van 1915).
Aldus in de hoofdzaak teleurgesteld, heeft B. zich
met onuitputtelijke en volhardende liefde toegelegd
op de verzachting van het oorlogsleed; zijn mede-
lijdend hart wist daarvoor geheel nieuwe wegen en
middelen te vinden, en op dit terrein heeft hij groot
succes gehad. Strikt zich neutraal houdend tusschen
de oorlogvoerenden, hoewel hij door beide partijen
even vurig werd aangezocht, zag hij het aanzien des
pausdoras tot ongekende hoogte stijgen. Hij maakte
daarvan gebruik om langs diplomatieken weg voor
allerlei ongelukkigen werkzaam te zijn; om militaire
redenen ter dood veroordeelden wist fdj te doen bege-
nadigen; door zijn tusschenkomst werden civiele
gedeporteerden naar hun vaderland teruggevoerd;
de graven der in vijandelijk land gesneuvelden door
den vijand geëerbiedigd; hongerende kinderen naar
minder geteisterde landen overgebracht; over geheel
het oorlogsgebied voedseltransporten moge lijk gemaakt
door alle grenzen en vijandelijke linies heen; de ziel-
zorg in de legers en gevangenkampen toege laten en
georganiseerd. Vooral het droevig lot der krijgsgevan-
genen heeft hij zich aangetrokken. In zijn vinding-
rijkheid en liefde en door zijn diplomatieke ervaring
wist hij concessies te verkrijgen, die in vroegere oor-
logen nooit waren toegestaan. Een uitgebreide pause-
lijke inlichtingendienst werd ingericht in het Vaticaan,
in Duitschland en elders; ongetelde duizenden ver-
namen door deze bemiddeling iets over het lot van een
vermisten echtgenoot of zoon; gevluchten konden
correspondeeren met hun familie in vijandelijk bezet
gebied; Zondagsrust voor krijgsgevangenen werd
toegestaan door alle regeeringen, ook de Turksche;
gevangenen, die onbekwaam waren voor den militai-
ren dienst, werden uitgewisseld; gewonde en zieke
gevangenen konden in neutrale landen verpleegd
worden, enz. Ook buiten de diplomatie om was zijn
medelijdende zorg onuitputte lijk voor getroffenen
van alle ras en godsdienst: op zijn aansporing zijn over
geheel de wereld millioenen ingezameld ten bate der
meest noodlijdende landen en krijgsgevangenen.
Ook buiten zijn vredeswerk is B.’s regeering zeer
belangrijk. Reeds in zijn eerste encycliek maakte hij
radicaal een einde aan het Integralisme. Het nieuwe
kerkelijke wetboek werd ingevoerd (27 Mei 1917
gepromulgeerd, van kracht sinds 19 Mei 1918). De
encycliek Maximum illud van 1919 reorganiseerde
de buitenlandsche missiën, die door den oorlog zoo
geweldig geleden hadden; voor het herstel van de
eenheid met de afgescheiden Oostersche kerken werd
de Congregatio pro Ecclesia Orientali ingesteld (1917),
waarvan de paus, om te toonen hoeveel waarde hij aan
dit godsdienstig vredeswerk hechtte, het voorzitter-
schap aan zichzelf voorbehield, en in 1918 werd het
pauselijk Oostersch Instituut opgericht, dat door zijn
opvolger Pius XI nog belangrijk zou worden uitgebreid.
Het bolsjewistisch Rusland, waar na den oorlog
millioenen door hongersnood dreigden om te komen,
werd door een pauselijke hulpactie liefderijk bijge-
staan. Met Italië heeft B. de verzoening voorbereid,
die door zijn opvolger is voltooid, en met een groot
aantal landen werden de diplomatieke betrekkingen
weer vernieuwd of voor het eerst aangeknoopt, als
gevolg van het onder zijn regeering zoo zeer gestegen
pauselijk aanzien.
L i t. : de nieuwe handboeken voor Kerkgeschiedenis
van De Jong, Veit e.a. ; De Waal, Papst Benedikt XV
(1914, Ned. vert. 1915) ; Goyau, Papauté et Chrétientó
sous Benoit XV (1922) ; Müller, Das Friedenswerk
der Kirche 1598—1917 (1927). Gorris .
Benedictus Appenzelder, > Appenzeller.
Benedictus Lab re, > Labre.
Benedictus Levita, West-Frankisch geestelijke,
die zich omstreeks 840 diaken der kerk van Mainz
noemt. Hij completeerde zoogenaamd de verzameling
echte Capitularia, door abt Ansegisus bijeengebracht,
doch B. heeft die aanvulling vervalscht.
Benedictus van Aniane, Heilige, Benedictijn.
* ca. 750, I 11 Febr. 821 te Cornelimünster bij Aken.
Hij was de zoon van Aigulf van Maguelone en werd
opgevoed aan het Frankische hof. Na Karei den
Grooten op zijn Italiaanschen tocht te zijn gevolgd
(773), trad hij in de Bened. Orde in de abdij van S.
Setjuanus. Van hieruit stichtte hij een nieuwe abdij
op zijn goederen te Aniane (779). Deze werd het mid-
delpunt van de hervorming van Lodewijk den Vro-
men. B. stond den keizer ook bij in zijn streven overal
in het Rijk den Bened. Regel in te voeren als middel
tot opheffing van het verslapte monastiek leven en
was de ziel van de Monniks -concilies te Aken (817).
Ten einde zijn raadsman in zijn onmiddellijke nabijheid
te hebben, bouwde Bodewijk in 814 de abdij van Cor-
IV. 18
547
Benedictus van Canfield— Benedictus van Nursia.
548
nelimünster aan de Inde bij Aken; onder B.’s leiding
zou zij tevens het voorbeeld voor aller navolging zijn.
Feestdag 11 (in Keulen 12) Februari.
Werken: Codex Regularum, Concordia Regu-
larum, Epistolae, Migne P. L. (CIII, 393-1382). — Lit. :
Leven van S. B. door Ardo Smaragdus, Migne P. L.
(CIII, 353 vlg.) ; Acta SS. Febr. (II 1864, 607 vlg.) ;
Nicolai, Der hl. Benedict Gründer von Aniane und
Cornelimünster (Keulen 1865). Lindeman.
Benedictus van Canfield, eig. F i 1 c h i u s,
Kapucijn, geestel. schrijver, aanzienlijk Engelsch be-
keerling uit het Calvinisme (Puritanisme); „Ce
personnage, un des plus importants de tout le siècle”
(Brémont). * 1561 te Canfield, f 1610 te Parijs. Zijn
bekendst mystiek werk: Regula perfectionis, is in
alle Eur. talen vertaald.
Lit.: Bibliotheca script. O.M. Cap. (1680, 74 vlg.) ;
H. Brémont, Hist. litt. des sentim. reli?. en France (II,
136 vlg., 450 vlg.). p. Placidus.
Benedictus van Nursia, Heilige en Orde-
stichter (Zie plaat t/o kolom 512) * ca* 480,
f ca. 548. Feestdag 21 Maart. De eenige bron over het
leven van S. Ben. is het tweede boek der Dialogen van
den H. Gregorius den Gr., De H. werd ca. 480 uit een
aanzienlijke familie te Norcia (Nursia) geboren ;S.Greg.
vermeldt nog een (volgens oude traditie tweelmgs-)
zuster, Scholastica, die van jongsaf aan aan God was
gewijd. Haar broeder echter werd naar Rome gezonden
ter voltooing zijner studiën. Wat hij hier zag van het
zedenbederf eener groote stad en tot onder zijn studie-
makkers, deed hem besluiten de wereld te ontvluchten.
Eerst sloot hij zich te Alfidena (Enfide) aan de Via
Latina bij eenige godvruchtige mannen aan, spoedig
zocht hij meer Noordwaarts grooter eenzaamheid in de
woestenij langs de Anoi bij Sublacum (Subiaco). De
monnik Romanus, dien hij bier ontmoette, gaf hem het
begeerde monnikskleed en wees hem een grot, waar
Ben. ongeveer 3 jaren als kluizenaar leefde (ca. 495 —
498). Nadat eenige herders den jongen herin iet ont-
dekt hadden, zorgden zij i.p.v. Romanus voor zijn
levensonderhoud in ruil voor het onderricht, dat
B. hun gaf. Enkelen stelden zich reeds onder zijn
leiding en de monniken van Vicovaro, wier abt
overleden was, smeekten hem diens plaats in te
te nemen. B. zwichtte voor hun aandrang, maar voor-
spelde tevens, dat zij zijn tucht spoedig moede zouden
zijn. Hetgeen gebeurde: het kwam zoover, dat men hem
poogde te vergiftigen ! Hierop keerde B. naar zijn
eerste verbli jf terug en bouwde voor het groeiend aantal
zijner volgelingen twaalf kleine kloosters, ieder voor
een twaalftal monniken. Die van S. Benedictus’ gret
(Sacro Speco) en van SS. Cosmas en Damianus (nu
S. Scholastica) bestaan nog.
Wijkend voor de ijverzucht van een plaatselijk
priester, op zijn faam van heiligheid afgunstig, ver-
liet de Heilige met enkele zijner leerlingen deze streek
ca. 629 en trok langs de Via Latina naar het Z.O. tot
Cassinnm, een vroeger bisschopsstad je op de bergen.
B. vestigde zich in een ouden toren van een verlaten
Rom. kasteel, een ander gebouw [diende tot verblijf
zijner leerlingen. Bij den toren lag een tempel van
Apollo met een heilig bosch. Het beeld wierp hij
omver, het bosch roeide hij uit. De omwonende boeren,
die er nog geofferd hadden, bekeerde hij door zijn pre-
diking. De tempel werd nu een kerk van S. Maarten;
in het klooster bouwde hij voor de communiteit het
oratorium van S. Jan den Dooper, op de plaats van de
tegenwoordige basilica.
Op Monte-Cassino ontplooide Benedictus’ heilig-
heid zich ten volle. Hij verschijnt er als de patriarch.
Man Gods, levend van gebed, vol wijsheid en goed-
heid, de zijnen tevens in strengheid leidend. Hier
schreef hij den H. Regel als samenvatting van zijn
ervaring. Hier verrichtte hij ook de meeste mirakelen
en ontving hij in 542 — 543 het bezoek van Totila, de
eenige vaste datum in zijn leven (de overige berusten op
gissingen). Zes dagen voor zijn dood gaf hij bevel zijn
graf te openen. Een verterende koorts overviel hem
en hij liet zich naar het oratorium brengen. Daar,
gesterkt door de H. Eucharistie, ondersteund door zijn
monniken, gaf hij staande en biddend den geest rond
het jaar 548. Zijn lichaam werd bijgezet in de crypte,
waar hij niet lang te voren ook zijn zuster Scholastica
had ter ruste gelegd. Waarschijnlijk stierf hij den 11
Juli ; 21 Maart berust op een jongere traditie en is eerder
een Italiaansch Trans 1 at ief eest. > Kloosterregel.
Lit.: S. Gregorii Dialogorum Lib. II Migne P. L.
(LXVI) ; Dom Tosti, Della Vita di San Benedetto (1892);
Dom L’Huillier, Le Patriarche S. Benoit (1905) ; Abt
lid. Herwegen, Der hl.# Benedikt, ein Characterbild
( 2 1919)*; Dom*John Chapman, Saint Benedict and the
sixth century (1929). Lindeman .
Voorstelling in de kunst. Benedictus
3£>cncdicttt£*abbo8
Benedictus van Nursia. Houtsnede uit de chronica
Nurembergiensis.
(Benedictijnermonnik, met of zonder baard, met of
zonder abbatialen staf, een enkele *maal gemijterd)
heeft als meest voorkomende attributen het regelboek
en een gebarsten drinkschaal (soms een kelk), waaruit
549
Benedictus van Urbino — Benedictijnen
660
een slang kruipt. Dit laatste ter herinnering aan de
vergiftigingspoging te Vicovaro. B. draagt ook wel de
enkele schaal (kelk) zonder slang. Zijn verdere attri-
buten zijn: een doomtak, een raaf, een kruis in de
hand (da Parenzo). Hij w T ordt afgebeeld met zijn zus-
ter, de H. Scholastica, met zijn leerlingen Placidus en
Maurus, en met Heiligen rond de Moeder Gods. Vanaf
de 10e eeuw kennen wij de reeksen van voorstellingen
naar feiten uit het leven van B. Sinds de 17e eeuw
komt hij gewoonlijk voor in groepen van Heiligen uit
zijn Orde.
L i t. : L’Huillier, St. Benoït (Parijs 1905) ; Herwegen,
Der hl. Benedikt (Düsseldorf 1921) ; Benediktiner Monat-
schrift (II, XXIII, XXVII). Heijer.
Benedictus van Urbino, Zalige, Kapucijn,
uit den adel der Passionel, volksmissionaris in Italië
en Bohemen. * 13 Sept. 1560 te Urbino, f 30 April
1625 aldaar. Feestdag 30 April.
Benedictus (Lat., = Geloofd zij), 1° korte litur-
gische naam (aanvangswoord) van den lofzang van den
H. Zacharias (Lc. 1.68), gebeden in de Lauden, bij
de Kerkwijding, enz.
2° Zelfde verkorte naam voor den lofzang (eerste
gedeelte) der drie jongelingen in den vuuroven (Dan.
3.52), gezongen in de H. Mis op de Quatertemper
Zaterdagen (behoudens die van Pinksteren); enkele
verzen ook in de completen (> Proces). > Hym-
nen (liturgische). Louwerse.
Benedictus Deus, 1° beroemde bulle van
Benedictus XII, uitgevaardigd 28 Jan. 1336. over de
aanschouwing Gods, welke de dogmatische uitspraak
bevat, dat degenen, die in staat van genade sterven,
direct na hun dood (of na uitboeting der tijdelijke
straffen) de intuïtieve schouwing van het Goddelijk
Wezen van aangezicht tot aangezicht (visio intuitiva
facialis) genieten en niet pas na de opstanding der
dooden en het algemeen oordeel. Deze uitspraak is
lijnrecht in tegenspraak met de meening van Johannes
XXII, waar hij in een preek op den derden Zondag van
den Advent zegt, dat de visio facialis eerst na de op-
standing en het algemeen oordeel begint. Ten onrechte
heeft men hier een argument in willen zien tegen de
pauselijke onfeilbaarheid, w T ant meeningen, in een
preek geuit, dragen niet het karakter van een uit-
spraak ex cathedra en Johannes XXII verklaarde
zelf voor zijn dood, dat hij een dusdanige beslissing
niet had willen geven.
L i t. : G. Hoffmann, Der Streit über die selige Schau
Gottes 1331 — ’38 (1917) ; J. Zahn, Das Jenseits ( 2 1920) ;
E. Krebs, Was kein Auge gesehen (1921).
J. van Rooij.
2° Bulle van Pius IV tot bekrachtiging van het
Concilie van Trente. Zij begint met een historische
inleiding, gevolgd door de bevestiging van alle decre-
ten en een voorschrift om ze aan te nemen ; bisschoppen
en vorsten wordt de plicht opgelegd alle bepalingen
door te voeren; de uitgave van commentaren en ver-
klaringen wordt verboden en aan den H. Stoel voor-
behouden. J. van Rooij .
Bencdictuskruis , *■ Benedictusmedaille.
Benedictusmedaille, medaille, gewijd door
een Benedictijnschen monnik of een ander daartoe
gemachtigd priester, w r aaraan zeer rijke aflaten ver-
bonden zijn. Bened. XIV schreef voor, dat zij aan een
zijde S. Benedictus met een kruis in de hand moet
vertoonen, aan de andere het zgn. Kruis van S. Ben.,
dat reeds vroeg populair was (11e eeuw?). Men onder-
scheidt de gewone medaille, welker oorsprong rond 1650
in Z. Duitschland moet gezocht worden, en die van
het jubilé van het 14e eeuwfeest van S. Ben. geboorte,
1880, welke rijkere aflaten bezit. De letters van het
Benedictusmedaille.
kruis beteekenen het volgende: in de vier hoeken
C(rux) S(ancti) P(atris) B(enedicti): Kruis van den H.
Vader B. Op het kruis C(rux) S(ancta) S(it) M(ihi)
L(ux) en: N(on) D(raco) S(it) M(ihi) D(ux): het H.
Kruis zij mijn Licht, de duivel zij mij niet tot leider.
Rondom: V(ade) R(etro) S(atana), N(on) S(uade)
M(ihi) V(ana); S(unt) M(ala) Q(uae) L(ibas), I(pse)
V(enenum) B(ibas), d.w.z. Wijk terug, Satan; fluister
mij geen ijdelheden in; ’t is boosheid, w r at gij schenkt,
drink zelf uw vergif! De jubilé-med. voegt hieraan
toe: Pax, vrede, en de gewone: I.H.S.
L i t. : Catholic Encyclopaedia (XIII 1912, 338) ;
Dom A. Bouvilliers, The Medal-Cross of S. Benedict ;
Dom Grég. Fournier, Revue Liturg, et Monast. (1930 —
’31). Lindeman.
Benedictus qui vénit in nómine Dóinini
(Lat.) = Gezegend, die komt in naam des Heeren
(Ps. 117. 26). Deze tekst uit den dank- en alleluia-
psalm, tevens processie-psalm werd op Palmzondag
den triumfeerend-binnentrekkenden Christus toege-
zongen (Mt. 21. 9; Mc. 11. 10; Lc. 19.38), en vormt
het slot van het > Trisagion na de prefatie der H. Mis.
Volgens den Hebr. tekst moest de vertaling luiden:
„gezegend zij van Jahwe degene, die komt”.
Brouwer .
Benedict ijnen , Algemeene geschiedcnis.Volgens
den Regel zelf vormt elk Bened. klooster een onafhan-
kelijke familie onder het vaderlijk bestuur van den abt,
welke traditie, behoudens enkele uitzonderingen, door
de eeuwen heen getrouw is gevolgd. Er kan dus niet
gesproken worden van een Bened. Orde in den zin
van een nauw aaneengesloten lichaam met centraal
bestuur. De geschiedenis der Westersche monniken
vertoont daarom geenszins de geleidelijke ontwikke-
ling der moderne orden, zij is meer een aaneenschake-
ling van plaatselijke geschiedenissen, w r aaraan echter
meer algemeene strevingen lijn geven.
Eerste verspreiding van S. Bene-
dict u s’ Regel. Bij S. Benedictus’ leven en
onder diens onmiddellijke opvolgers had de H. Regel
nog slechts plaatselijke bekendheid, zijn eigenlijke
verspreiding van den Regel begint eerst onder S. Gre-
gorius den Grooten, die hem zelf onderhouden had in
zijn klooster van S. Andreas op den Coelius te Rome
en hem waarschijnlijk eveneens invoerde in de zes
kloosters, welke hij op zijn Siciliaansche bezittingen
oprichtte. Toentertijd was ook een Bened. klooster
bij de Lateraansche basiliek gevestigd, waarschijnlijk
ten onrechte vereenzelvigd met de communiteit van
Monte-Cassino, verspreid na de verwoesting der abdij
door de Longobarden (581 of 589). Het was ook Grego-
551
Benedictijnen
552
rius, die S. Augustinus, prior van S. Andreas, met zijn
40 gezellen als missionarissen naar Engeland zond,
waar zij ca. 600 te Canterbury het eerste Bened. kloos-
ter (SS. Petrus en Paulus, later S. Aug.) buiten Italië
stichtten, waarover authentieke bescheiden bestaan.
Gedurende de 7e eeuw verspreidde de Orde zich verder
over heel het Angelsaksische deel van Engeland.
Tegelijkertijd breidde de Regel zich ook over Gallië
uit. Laat men het leven van S. Maurus buiten beschou-
wing (historisch is het te zeer aanvechtbaar), dan moet
het eerste zekere spoor in 620 gesteld worden (nonnen -
regel van Donatus van Besan<;on, waarin de Bened.
Regel is verwerkt). In den loop der 7e eeuw dringt
de Regel overal door, zelfs in de invloedsfeer van Lérins
en de Keltische milieu V, aan het eind der eeuw heeft
hij alle andere Regels zoo goed als verdrongen, en
verschijnt in de volgende eeuw ook in Germanië.
Ca. 800 was de Bened. Regel overal in Europa, behalve
aan de uiterste grenzen (Spanje, Skandinavië, Slavische
landen), verspreid en werd er bijna uitsluitend onder-
houden, zóó dat Karei de Groote kon vragen, of er
een andere monniksregel buiten dien van S. Bened.
had bestaan.
Tijdperk der leidende kloosters.
Met de 9e eeuw komen de eerste groote hervormings-
bewegingen op. Vele kloosters waren tot aanzienlijken
rijkdom gekomen, met als gevolg verslapping der
regeltucht. Een totaal tegenovergestelde oorzaak,
nl. plunderingen en verwoestingen der Noormannen
e.a., droeg tot hetzelfde gevolg niet weinig bij. Daarbij
moet gevoegd worden het indringen van niet-monniken,
zelfs leeken, als abt. Een eerste poging tot opheffing
en gelijkvormigheid der observantie werd ondernomen
door S. Bened ictus van Aniane met hulp van Bodewijk
den Vromen (Capitularia van Aken, 817). Onder de
andere centra van hervormingsarbeid won Cluny
echter de grootste faam en invloed (910). De nadruk
werd hier gelegd op den plechtigen koordienst, allengs
ten koste van den arbeid. Reactie bleef niet uit:
zoo te Bec (met 18 kloosters) en Thiron in Picardië
(met ca. 100 kloosters). De drang naar de volledige
beleving van S. Benedictus ' Regel volgens de letter,
met uitsluiting van verzachtingen en toevoegingen,
vond ten slotte belichaming in de stichting van
Citeaux (1098). Strevingen, evenwijdig met Cluny,
werden in Eng. geleid door S. Dunstan, in Duitschland
ten Oosten van den Rijn door Willem van Hirsau.
In Italië vormden zich kleine, onafhankelijke groepen
onder den Bened. Regel (Camaldoli, Vallombrosa,
Silvestrijnen, Olivetanen).
Feodale periode (van 4e Concilie van
Lateranen, in 1215, tot Concilie van Bazel, in 1418).
De grootere kloosters waren in het bezit geraakt van
uitgestrekte landerijen, waarbij zij zich groote ver-
diensten verwierven door ontginningen en verbetering
der landbouwmethoden. Het nadeel was, dat de abten
onvermijdelijk gedwongen werden hun plaats in te
nemen in het feodale stelsel, m.a.w. groote heeren
werden met al de verplichtingen daaraan verbonden.
Eenerzijds werden zij hierdoor belemmerd in de geeste-
lijke zorg voor hun onderhoorigen, anderzijds werden
de abdijen, begeerd bezit nu voor jongere zonen van
den adel, in com mende gegeven. Daar boven-
dien de huizen onafhankelijk waren, was het zeer
moeilijk eenmaal ingeslopen misbruiken uit te roeien.
Aan gespoord door het succes, door Citeaux in zijn
jaarlijksche kapittels behaald, besloten de pausen
ook de zwarte monniken in nauwer onderling verband
te brengen, en wel door geregelde samenkomsten of
kapittels der oversten, met bewaring van elks onafhan-
kelijkheid [Decreet „In Singulis” van het 4e Concilie
van Lateranen (1215), aangevuld door de Bul „Summi
Magistri” van Benedictus XII (1336), ook wel Bene-
dictina genoemd]. Alleen in Engeland werden deze
voorschriften naar de letter uitgevoerd en de kapittels
regelmatig gehouden tot aan de opheffing der kloosters
door Hendrik VUT. Elders waren de getrouwheid en de
volharding minder groot, niet altijd door de schuld
der betrokkenen.
De Congregaties. Onder den invloed der
hervormingsbesluiten van het Concilie van Bazel
werd een hernieuwde observantie ingevoerd in de
abdij Bursfeld, welke spoedig talrijke kloosters om
zich groepeerde, die zich in 1464 nauwer aaneensloten
als Congreg. van Bursfeld. In Z. Duitschland en Oos-
tenrijk vormde zich een dergelijke groep rond Melk,
in Zwitserland rond S. Gallen. Tn Ttalië stichtte Lud.
Barbo de Congreg. van S. Justina, later die van Monte-
Cassino genoemd, welke de eerste was, die een centraal
bestuur invoerde als middel tegen de > commende,
maar daarin tevens van S. Benedictus’ geest afweek,
wat betreft het karakter van een klooster. In Spanje
ontstond de Congr. van Valladolid. De „Hervorming”
der 16e eeuw vernietigde het Bened. leven in een groot
deel van N. Europa: Engeland, N. Nederlanden,
Skandinavië, N. Duitschland. Echter ook in die landen,
waar het geloof bewaard bleef, was het dikwerf treurig
gesteld met het kloosterleven. De besluiten van het
Concilie van Trente brachten intusschen overal een
hernieuwing van het Kath. leven. Didier de la Cour
hervormde de Lotharingsche kloosters vanuit S. Vedas-
tus, waarbij ook tal van Fransche kloosters zich wensch-
ten aan te sluiten. Politieke moeilijkheden verplicht-
ten hen echter een onafhankelijke congreg. op te rich-
ten, welke onder den naam van S. Maurus weldra
beroemd zou zijn.
In de volgende, 18e eeuw wisten de meeste kloosters
een waardig bestaan voort te zetten; sommige, als de
Mauristen in Frankrijk, S. Blasien in het Zwarte
Woud e.a., zich zelfs een roemrijken naam te ver-
werven. Tegen het einde der eeuw kwamen de groote
rampen over de Orde: eerst de vervolgingen van het
Josephisme, dan de verwoestingen der Fransche
Revolutionnairen en hun geestverwanten. Nauwelijks
dertig kloosters overleefden het Napoleontisch tijdperk.
Herstel en hernieuwde bloei der
Orde. De beproevingen waren
niet vergeefs gekomen. Het
devies van het als moeder-
klooster beschouwde Monte-
Cassino werd ook voor de ge-
heele Orde bewaarheid: Succisa
virescit. Gelouterd bloeide het
ordeleven weldra opnieuw op.
Oude kloosters gingen nieuwen
bloei tegemoet; nieuwe stich-
tingen en congreg. verrezen. Wapen
In Frankrijk herstelde Dom der Benedictijnen.
Guéranger in 1833 de Orde, in
Duitschland de broeders Wolter te Beuron. Ook in
de Nieuwe Wereld deed de Orde haar intrede.
De tegenwoordige staat der Orde
(1933) is als volgt:
1° Congreg. van Monte-Cassino, opge-
richt 1408; tien abdijen met 193 monniken, waarvan
106 priesters.
553
Benedictijnen
554
2° Engclsche Congreg., opgericht in 1336
(door samensmelting der twee kapittels van 1215),
hernieuwd in 1607; vijf abdijen, twee prioraten, met
417 monniken, waarvan 272 priesters.
3° Hongaarsche Congreg., opgericht 1514;
vijf abdijen, zeven residenties, 252 monniken, waarvan
202 priesters. Zij vertoont deze bijzonderheid, dat alle
religieuzen geprofest zijn voor de aartsabdij van S.
Maarten van Pannonhalma.
4° Zwitsersche Congreg., opgericht 1602;
vijf abdijen, een prioraat, met 461 moimften, waarvan
280 priesters.
5° Beiersche Congreg., opgericht 1684, her-
steld 1858, tien abdijen, een prioraat, twee colleges,
met 689 monniken, waarvan 237 priesters.
6° Braziliaansche Congreg., 1827 ge-
vormd uit de Braz. kloosters, welke tot de Portugee-
sche Congreg. behoorden, welke in 1835 wederrechtelijk
werd opgeheven. Vier abdijen, een prioraat, met 185
monniken, waarvan 79 priesters.
7° F r a n s c h e Congreg., opgericht in 1837;
elf abdijen, vijf prioraten en drie andere huizen, met
681 monniken, waarvan 346 priesters. Tot deze
Congreg. behoort de abdij te Oosterhout (N.Br.).
8°Amercano-Cassineesche Congreg.,
in 1855 door Dom Bonifaz Wimmer (Beiersche Congr.)
opgericht; veertien abdijen, een prioraat, met 1 204
monniken, waarvan 755 priesters.
9° Congreg. van B e u r o n, opgericht in 1868;
dertien abdijen en drie prioraten, met 1 034 monniken,
waarvan 334 priesters. Hiertoe behoort de abdij
S. Benedictus-Berg te Vaals (L.).
10° Zwitsersch - Amerikaansche
Congreg., 1881 opgericht; zes abdijen, met 470 mon-
niken, waarvan 254 priesters.
11° Cassineesche Congreg., a Prim. Observ.,
1872 van de oudere Cassineesche Congreg., welke haar
nationaal karakter behield, afgescheiden. De nieuwe
congreg. is uitgesproken internationaal, met haar
zes provincies over heel Europa verspreid (met ver-
takkingen in andere w’erelddeelen). Zevenendertig
kloosters met 1 293 monniken, waarvan 635 priesters.
12°Oostenrijksche Congreg., in 1930
gevormd door omvorming van twee oudere congrega-
ties. Dertien abdijen met 700 monniken, w r aarvan 653
priesters.
13° M i s s i e c o n g r e g. van St. Ottilien, 1884
opgericht; zestien kloosters met 990 monniken, waar-
van 240 priesters.
14° Belgische Congreg., in 1920 opgericht;
acht huizen, waaronder de bekende abdijen van
Maredsous, Leuven en S. Andreas van Brugge; 394
monniken, waarvan 219 priesters.
Buiten congregatie -verband staan nog vier abdijen,
op gewezen Oostenrij ksch grondgebied, met 106
monniken, waarvan 76 priesters.
In totaal telt de Orde (1 Jan. 1931): 187 kloosters,
1 588 priesters, 1 086 clerici, 428 novicen, 2 494 leeke-
broeders, 474 broeders -novicen, te zamen 9 070 reli-
gieuzen (tegen 8 170 in 1925).
Karakter en werkzaamheid. DeB.
vormen een beschouwende Orde, hun leven wordt
samengevat in het op den Regel geïnspireerde devies:
Ora et labora, bid en werk. Het gebed werdt vnl.
beoefend in de plechtige viering van de liturgische
diensten in het koor. De arbeid heeft in den loop der
eeuwen vele veranderingen ondergaan. In den tijd van
den H. Stichter was het vnl. de veldarbeid; ook later
zijn de kloosters hieraan getrouw gebleven, hoewel dit
werk meer aan de leekebroeders w r erd overgelaten.
Naarmate steeds meer monniken met het H. Priester-
schap werden gesierd, kwam het langzamerhand tot
een splitsing in de communiteit en werd de koordienst
aan de clerici voorbehouden. Den plicht tot arbeid,
die ook op hen bleef rusten, vervulden zij door geeste-
lijken arbeid: het copieeren en bestudeeren der hss.
van kerkelijke en zelfs klassieke schrijvers is altijd een
traditie in de Orde gebleven, naast alle studie, die
geen uitsluitend profaan karakter heeft. Daarnaast
treft men sinds de oudste tijden ook het onderwijs aan;
nog steeds telt de Orde vele bloeiende scholen. Ook de
zielzorg ten slotte w T as en is den monniken niet vreemd.
Zoodat zij én op ideëel gebied, het bovennatuurlijke
predikend door hun leven zelf in de oude en moderne
heidenwereld, én op practisch gebied hun bestaan ten
volle gerechtvaardigd hebben.
L i t. : Dom C. Butler, Benedictin Monachism (1919) ;
Dom Steph. Hilpisch, Geschichte des Benediktiuischen
Mönchtums (1929) ; dr. Max Heimbucher, Die Orden
und Congreg. der kath. Kirche ( 3 1932). Lindeman.
Benedictijnen in Noord- en Zuid-Ncderland. Met
de Evangelie-prediking w^erd België in de 7e eeuw
door een w*aar net van kleine kloosters overdekt,
evenzoovele centra van missiearbeid; echter niet van
al deze stichtingen is met zekerheid aan te toonen, dat
zij van het begin af S. Benedictus’ Regel volgden,
doch in de 8e eeuw had hij overal ingang gevonden.
Van deze eerste vestingen worden hier slechts de
voornaamste genoemd. De hoofdfiguur onder de zen-
delingen was S. Amandus. Deze stichtte vóór 639
bij Doornik het klooster te Elno (later S. Aman-en-
Pévèle) en vandaar uit twee huizen te Gent. Marchien-
nes gaat ook tot hem terug, evenals het dubbelklooster
Tronchiennes, terwijl men elders zijn invloed herkent
(Nijvel, S. Geertruidenberg). Vermeldenswaard zijn:
Alden-Eyck en Munsterbilsen, bekende Luiksche
vrouwenkloosters; S. Pieter te Lobbes, rond het latere
Bergen de S.S. Pieter en Paulus abdij met de vrouwen-
kloosters Maubeuge en Bergen. Stavelot-Malmédy
danken hun ontstaan aan S. Remaclus; in de Hesbaye
verrees S. Truiden. De voornaamste stichtingen der
Scoti of Ieren zijn, naast S. Paul te Nijvel, Fosses
en Péronne en meer Noordwaarts S. Odiliënberg (SS.
Wiro, Otger, Plechelmus). Veel invloed had ook het
door S. Audomarus gestichte Sithiu, S. Omer in het
tegenwoordige Fransch -Vlaanderen. Al deze stichtin-
gen in het Zuiden verrezen en kw T amen tot bloei in
den loop der 7e en 8e eeuw. Boven den Rijn, waar het
geloof later ingang vond, bouwde S. Willebrord bij
zijn kathedraal een Bened. klooster; bij de stichting
van Susteren is hij eveneens betrokken. Ook te Dokkum
vestigden zich monniken (S. Ludger, tot 1180, daarna
O. Praem.).
Een inzinking volgde in de 9e eeuw. Karei Martel
en zijn opvolgers vergaven de abdijen aan hun edelen
of hooggeplaatste geestelijken tot groot nadeel van
de regeltucht, de Noormannen begonnen tevens hun
verwoestende strooptochten. Na den slag bij Leuven
(892) w T as het Zuiden van hen bevrijd, doch menig
toen verwoest klooster is nooit meer herrezen; andere
w T erden na herstel in kanon ikale stiften veranderd.
Het Noorden stond ook nog de volgende eeuw aan hun
plunderingen bloot.
De 10e en 11e eeuw kenmerken zich door de hervor-
mingspogingen, die men overal waarneemt. Gerard
van Brogne was de eerste, die zich opmaakte om de
555
Benedictijnen
556
monniken van de leekenoverheersching te bevrijden.
Vannit zijn stichting S. Pieter van Brogne (918)
hervormde hij de kloosters tot in Normandië toe. Ook
in Z. Lotharingen vond zijn streven weerklank, o.a.
in de diocesen van Metz, Toul en vandaar in Luik.
Gorze, Stavelot-Malmédy , S. Hubert werden hervormd.
Vanuit Gorze werd het nieuwgestichte S. Pieters-
klooster te Gembloers bevolkt (940), dat de hervorming
verder rond zich verspreidde. Geheel deze beweging
verliep evenwijdig met die van Cluny in Frankrijk en
Italië, hoewel onafhankelijk van deze. Vele oorzaken
beletten echter het werk van Gerard van Brogne
zelf volledig of duurzaam te zijn. Het werd krachtig
yoortgezet door Richard, abt van S. Vannes te Verdun
(1104). Hij verdedigde Gerard ’s stichting te Florennes
(1002—1010) en nam te Luik twee abdijen over:
S. Laurentius en S. Jacobus. Ook in Vlaanderen deed
zijn invloed zich gelden. Zijn leerling Poppo van Stave-
lot wist de hervorming tot in Duitschland te doen door-
dringen. Nieuwe stichtingen in dit tijdperk, behalve
de reeds genoemde, o.a. Geeraardsbergen, Afflighem,
Liéssies in het Zuiden; Ameland, Egmond (1023),
Hohorst (1006), later binnen Utrecht als S. Paulus-
abdij, en Thom in het Noorden. De invloed van Cluny,
die steeds wies, deed zich in de 11e, en vooral in de
12e eeuw ook in de Nederlanden voelen, eenerzijds
door stichting van prioraten, anderzijds door invoe-
ring der „gebruiken van Cluny” (Lobbes, Marchiennes,
Hohorst). Ook Citeaux deed zich gelden. Zijn generaal-
kapittel werd een voorbeeld voor de Bened. abten
der Kerkprovincie van Reims, die zich in 1131 in de
bisschopsstad vereen igden, en besloten deze samen-
komst jaarlijks te herhalen. Toch beantwoordde liet
gevolg niet aan de gestelde verwachtingen.
In het Noorden hield de bloeiperiode iets langer aan.
Het dubbelklooster te Ruinen, later te Dikningen,
dat. het eenige der Orde in Drente bleef, en een aantal
andere kloosters, o.a. het welbekende vrouwenklooster
te Rijnsburg, getuigen van een grooten opbloei van het
Ben. kloosterleven, die ook in de 13e eeuw voort-
duurt, ondanks mededinging van Cisterciënsers enPrae-
monstratensers (Siloe of Selwert, Zwartewater e.a.).
Ook de 14e en 15e eeuw kunnen nog enkele stichtingen
van nieuwe kloosters of herstel van vervallen huizen
boeken. In België daarentegen was met de 12e eeuw
h$t tijdvak der stichtingen besloten. In de tweede helft
dier eeuw vertoonden zich de eerste sporen eener inzin-
king, die zich hoe langer hoe meer uitbreidde, ook in
Noord -Nederland. De oorzaken waren dezelfde, als
die in de algemeene geschiedenis der Orde opge-
geven: de geleidelijke vermindering van het aantal
roepingen, met als gevolg inkrimping van de bevol-
king der kloosters; terwijl ook vaak de roeping van
hen, die intraden, twijfelachtig was. Verder de zelf-
standigheid der afzonderlijke huizen en dientengevolge
de moeilijkheid kleinere en grootere misbruiken te
weren of uit te roeien. Daarbij kwam de verdeeling
van het gemeen bezit in prebenden. De keuze van onge-
schikte oversten werd steeds vaker opgedrongen door
de vorsten en heeren. Bovendien deed de commende
haar intrede (het eerst voor het prioraat Meersen,
1248) met al zijn nadeelige gevolgen. Ook oorlog en de
talrijke lasten, die op de kloosters rustten, brachten
menig huis ten ondergang. Franciscanen en Domini-
canen in hun eersten bloei, de Praemonstratensers
nog in vollen ijver, deden het langzaam verval der
Benedictijnen nog scheller uitkomen. Geen wonder
dat vele kloosters, die tot grooten bloei waren voor-
bestemd, overgingen tot de Cisterciënsers, die eveneens
den Regel van den H. Vader Benedictus volgden.
Hadden invloedrijke personen niet ingegrepen, dan
waren oude abdijen als S. Ghislain en S. Truiden nog
in de 15e eeuw omgevormd tot wereldlijke kapittels.
Kon de autonomie der kloosters een bron zijn van
ongeluk, zij had ook haar goede zijde. In alle eeuwen
bewaarde zij hier en daar een klooster in ongerepten
bloei. Zoo was in de 12e eeuw Afflighem wijd en zijd
beroemd om zijn regeltucht en oefende invloed uit tot
in Beieren en Oostenrijk. Iets later werd de obseivantie
in S. Jacob van Luik hersteld en vastgelegd in een
Ordinarius, welke den weg voor de Unie van Bursfeld
in de Nederlanden voorbereidde. Van haar uit werd
met andere ook S. Paul te Utrecht hervormd.
De Benedictijner-hervorming, bekend onder den
naam van Unie van Bursfeld, staat in
nauw verband met S. Matthias van Trier en langs dien
weg met S. Jacob van Luik. De meeste kloosters van
het Utrechtsche diocees sloten er zich in 1469 bij aan;
Egmond in 1491, Stavoren in 1495. Maar eerst in 1605
liet Gembloers als eerste Z. Ned. abdij zich officieel
opnemen. Andere abdijen volgden in den loop der
eeuw, Alflighem bijv. in 1522. Weer andere stelden
zich tevreden de statuten na te volgen, zoo S. Ghislain.
Eén enkel nonnenklooster vroeg om opname: S. Gode-
lieve van Ghistclles.
Toch kon Bursfeld door tal van plaatselijke
invloeden niet alle kloosters met zich verbinden of
binnen haar invloedssfeer brengen. Naast haar echter
brachten ook tal van afzonderlijke abten een omkeer
ten goede teweeg. De meest bekende is wel Lodewijk
van Blo is (Lud. Blosius, 1506 — 1566), ook als geeste-
lijk schrijver beroemd. Een kwart eeuw na hem zag
men een soortgelijke hervorming te Doornik (S. Maar-
ten) onder abt Jacob van Marquais (1583). Ook de
nuntius van Keulen, J. F. Bonomi, ondersteunde den
hervorm ingsarbeid krachtig. Was Bursfeld in het Z.
der Ned. geroepen een zeer heilzaam werk te verrichten,
in het N. kon zij niet lang haar invloed doen gevoelen.
Het Protestantisme deed er in den vrijheidsoorlog
tegen Spanje tegen het einde der 16e eeuw alle sporen
van Bened. leven verdwijnen. Een enkele monnik,
bijv. te Bameveld, oefende nog in het geheim zijn
bediening uit. De kloosters echter waren opgeheven,
verwoest of voor andere bestemmingen in gebruik
genomen; de goederen genaast. De monniken en
monisles sleten hun laatste levensdagen in vergetelheid,
terend op een karig pensioen.
In het Z. wisten de Katholieken nog tijdig te ver-
hinderen, dat de Calvinisten de nationale beweging
tegen de Spaansche overheersching in een godsdienst-
strijd deden ontaarden. Doch ook daar hadden de
onlusten groote schade aangericht en menig klooster
was verwoest. De hervormingsgedachte echter was wel
bemoeilijkt, maar niet gedood. De besluiten van het
Concilie van Trente hadden allcrwege een beweging
ten gunste der vorming van Bened. congregaties te
voorschijn geroepen. Ook in België werden daartoe
herhaalde pogingen gedaan. Een eerste had tot vrucht
de oprichting in 1569 van de Congreg. der Exempten
van Vlaanderen of België (in 1783 door Joseph II
opgeheven). De Lotharinger-hervorming vond ingang
in S. Hubert (1612) onder abt Nic. Franson, in 1631
in S. Denis-en-Broquerie, eveneens in Geeraardsbergen.
Toen ook Afflighem in 1627 de Loth. Statuten aan-
nam, kon de Congreg. van O. L. Vr. Presentatie (1626)
gevormd worden, waarbij zich in 1643 S. Ghislain
557
Benedictijnen
558
aansloot. Na 1654 viel zij weer uiteen. Ook andere
pogingen, de laatste van Joseph II, mislukten. De
kloosters hadden bijna allen hun historisch gegroeide
gebruiken, waaraan zij sterk gehecht waren, evenals
hun autonomie.
Het aantal Benedictinessenkloosters was in Ned.
immer beperkt gebleven. De oude stichtingen der 7e
en 8e eeuw gingen bijna alle in kanonikale stiften
over. Weinig stichtingen in de 11e en 12e eeuw.
Dubbelkloosters kwamen alleen in Holland en Fries-
land tot bloei. Eerst in de 17e eeuw vermeerderde het
aantal Belgische vrouwenkloosters der Orde. Naast de
Belgische nederzettingen der Eng. Benedictinessen
moeten de stichtingen van Florence van Werquignoeil
genoemd worden. Oorspronkelijk Cisterciënne, stichtte
zij in 1604 te Douai een Bened. abdij onder Consti-
tutiën, die de Engelschen na volgden (Paix N. Dame).
Atrecht (Paix de Jésus, 1612), Namen (1613), Luik
(1627) en andere volgden.
De Fransche Omwenteling vond het kloosterleven in
België ondanks de belemmeringen van het Josephisme
op een zeer waardig peil en hooggeschat door de bevol-
king, die het geloof had bewaard. Éérst in de door
Lodewijk XIV met Frankrijk vereen igde provinciën,
en na 1792 (oorlog met Oostenrijk) in geheel België,
werden niettemin de kloosters opgeheven, de bewoners
verjaagd en de gebouwen voor een deel verwoest.
Na den val van Napoleon en den vrede in Europa
E waren het de nonnen, die het eerst de Orde in
i herstelden, waar vele verspreide communi-
teiten zich weer hereenigden. Van de monniken waren
het eenigen der conventualen van Afflighem. die in
1838teDendermonde hetgemeenschapsleven hervatten.
Op het oogenblik telt de Orde in België zes
abdijen: Dendermonde (1838), Afflighem (1870), Steen-
brugge (1878), behoorende tot de Cassineesche Congr.
O.P.; Maredsous (1872), Leuven (1899) en S. Andries
te Lophem bij Brugge (1899) vormen de Belgische
Congreg. van O. L. Vrouw-Boodschap. De eerstge-
noemde Congreg. heeft missies in N. Transvaal, de
laatste in den Belgischen Kongo. Nederland
bezit de S. Paulus-abdij te Oosterhout (N. Br.), eerst
een toevluchtsoord voor de verdreven Fransche mon-
niken van Wisques, allengs uitgegroeid tot een sedert
1928 zelfstandige Ned. abdij (Congreg. van Solesmes),
en de abdij S. Bened ictusberg te Vaals, in 1893 te
Merkelbeek gesticht (Congreg. van Beuron).
L i t. Bovenstaande schets is noodzakelijkerwijze
zeer onvolledig ; overigens is de studie der afzonderlijke
kloosters en der verschillende strevingen binnen de
Orde in de Ned. nog niet genoeg gevorderd om een
afdoende gesch. te kunnen schrijven. Een goede schets
voor België geeft Dom U. Berlière, Coup d’oeuil hist. sur
POrdre Bénéd. en Belgique dans le passé et dans le
présent, Revue Liturg, et Monastique (XIV 1928- '29,
438 vlg.) ; een dgl. studie, op sommige punten verouderd:
Dom W. v. Heteren, L’Ordre Bénéd. en Hollande,
Messager des Fidèles (VII, 1870 passim) ; zie ook R. G.
Romer, Geschiedk. Overzigt v. d. kloosters en abdijen
van Holland en Zeeland (1854); W. Moll, Kerkgesch.
v. Ned. vóór de Hervorming ; Dom U. Berlière, Monasti-
con beige (I, II, 1890-1929) ; Ed. Michel, Abbayes et
monast. de Belgique (1923) ; S. Hilpisch O.S.B., Ge-
schichte des Bened. Mönchtums (1929). Lindeman.
Benedictijnsche kunst. Een Benedictijnsche kunst,
in den striksten zin van het woord, bestaat er niet.
Slechts kan er sprake zijn van kunst door Bened. geest
beïnvloed. Een Bened. klooster vormt een afgesloten
kleine maatschappij, een familie, waarvan de leden,
onder leiding en bestuur van een abt, door naleving
van een regel, in gebed en arbeid, de Christelijke
volmaaktheid nastreven. De omstandigheden zijn dus,
door doel en middelen, bijzonder gunstig voor de ont-
wikkeling eener hooge beschaving. Vandaar dat bin-
nen de abdijen ten allen tijde de kunst vlijtig werd be-
oefend :de schilderkunst tot opluistering
van kerkmuren, van koorboeken en andere manus-
cripten; de beeldhouwkunst tot vervaar-
diging van altaren, koorbanken, reliekschrijnen, beel-
den, kapiteelen; de sn ij kunst in ivoor cn hout;
de goudsmeedkunst voor de gewijde vaten;
de muziek in den koorzang en later ook in den
volkszang; borduurkunst voor de kerkge-
waden. In het bijzonder ook de bouwkunst,
daar de monniken van oudsher hun eigen kloosters en
kerken bouwden. Leekenbouwmeesters stonden onder
hun leiding. Zoo zijn o.a. de beroemde bouwwerken
van Aken, Fulda, Essen, St. Gallen, enz. door mon-
niken vervaardigd. Het groote middelpunt was in de
vroege M.E. de abdij van Cluny in Bourgondië, die
in het begin der 10e eeuw werd gesticht met de bedoe-
ling een kloosterleven te vormen, dat onder het on-
middellijk gezag gesteld van den paus, onafhankelijk
zou zijn van alle overige geestelijke en wereldsche
macht. Weldra werd Cluny het centrum van een groot
en machtig verband, naast en tegenover dat van het
leenstelsel, oppermachtig in de wereld. Het strekte
zich uit over alle landen van Europa, en zelfs daar-
buiten in het H. Land. In 1109 telde het meer dan 2 000
kloosters met tienduizenden monniken. Tusschen die
kloosters bestond een levendig verkeer; men vroeg el-
kander raad, men steunde elkander. Overal trof men
bouwscholen aan, die toch ieder een eigen stempel
droegen.
Tot uitstraling van invloed naar buiten droegen
krachtig bij de drukke bedevaarten, die deze eeuwen
kenmerkten: niet alleen naar het II. Land en naar
Rome of Spanje, maar ook in Frankrijk zelf. Cluny
moedigde deze aan, tot verlevendiging van den gods-
dienst en verbreiding van het geloof. Ze werden ook
het middel ter verspreiding van beschaving, en van
een kunst, die de pelgrims zelf deden bloeien door hun
giften. De steden organiseerden markten, waar trou-
badours optraden, die de levens der vereerde Heiligen
en andere vermaarde personen bezongen in gedichten,
met behulp der monniken vervaardigd (Karolingische
sagen); de pelgrims zongen op hun weg liederen door
monniken gecomponeerd. Op geen terrein was echter
de invloed van Cluny zoo groot als op dat der bouw-
kunst: de Romaansche s t i j 1 is voorname-
lijk onder haar leiding gevormd. Sinds kwam de Ben.
Orde min of meer in verval en verminderde ook haar
invloed. Nu zij echter sinds een eeuw een nieuwe
periode van bloei is ingetreden, ziet men opnieuw alom
de kunst door haar leden beoefend, en haar invloed
naar buiten uitstralen. Talrijk zijn de abdijen met
kunstateliers, enkele hebben ook kunstscholen:
Beuron (> Beuroner kunst), Maria-Laach, Maredsous,
Leuven, en in Nederland Oosterhout. Opnieuw ver-
wierven monniken zich een naam: Dom Lenz, Ver-
kade, Mellet, Bellot, en anderen. Opnieuw zoekt men
bij de B. voorlichting, in het bijzonder, waar het be-
treft kerkelijke of liturgische kunst.
L i t. : A. Kingsley-Porter, Romanesque sculpture of
the Pelgrimage Roads (Boston 1923), met uitgebreide
literatuurlijst ; J. Bédier, Les légendes épiques (4 dln..
Parijs, Champion), it. in Hist. de la nation franp. (XII
Parijs, Péon) ; Viollet-le-Duc, Dict. de PArchit. I Arch.
559
Bencdiktbeuern — Benedix
560
monastique ; A. Kuhn O.S.B., Allgem. Kunstgesch.
Archit. I (Einsiedeln), met lit.-lijst. A. Beekman .
Gregoriaansch. Een noodzakelijk onderdeel van
Dom Guéranger’s hervorming der Romeinsche liturgie
in Frankrijk was het herstel van den Romeinschen
kerkzang, het Gregoriaansch.
Over het herstel der melodie konden geen prin-
cipieele moeilijkheden meer ontstaan, toen men een-
maal het beginsel der historische tekstcritiek ook hier
ging toepassen. De kwestie der practische
uitvoering bracht meer moeilijkheid. Dom
Guéranger meende terecht, dat het vrij -metrische
rhythme, waarin het Gregoriaansch in het begin der
19e eeuw veelal gezongen werd, een Barokke verbaste-
ring was. Men ging daarom uit van de traditie, die de
recitatief-zangen uitvoerde min of meer als een decla-
matie. Dit rhythme van het goed gedeclameerde
proza (oratorisch rhythme) werd door kanunnik G o n-
t i e r toegepast op de syllabische zangen en op ana-
loge wijze ook op de rijkere, neumatische melodieën.
Een bevestiging van dit systeem meende men te vin-
den in eenige teksten van S. August inus, doch vooral
in meerdere laat-M.E. schrijvers, waar deze als wezens-
eigenschap van het Gregoriaansch hunner dagen een
absoluut-gelijken duur van alle noten verdedigen
(cantus planus, musica non mensurabilis) (Gontier,
Méthode raisonnée de P 1 a i n-c h a n t, Parijs
1859). Volgens dit systeem zong men te Solesmes
de oude Gregoriaansche melodieën. Na een 20-jarige
studie en practijk werd het door Dom P o t h i e r
vastgelegd en verder uitgew r erkt in zijn M é 1 o d i e s
grégoriennes (1881).
Als grondslagen van het Gregoriaansch rhythme
verdedigde hij daarin:
1° het Gregoriaansch rhythme is vrij, d.w.z. de
rhythmische steunpunten keeren niet in zuivere regel-
maat terug; 2° het rhythme van de melodie is het zgn.
oratorisch rhythme; 3° de grondwaarde („premier
temps”) der enkelvoudige noot is ondeelbaar.
Dom Mocquereau veranderde punt 2
aldus: het rhythme van het Gregoriaansch is niet
oratorisch, doch muzikaal. Mocquereau, Gre-
goriaansch. Beide methodes vonden tegenover zich
het zgn. > Mensuralisme; zij bleven echter vrijwel
algemeen den grondslag vormen van onze tegenwoor-
dige uitvoer ingspraxis van het Gregoriaansch, en
vonden gedeeltelijk (punt 2 bleef vrij) een min of meer
officieele bekrachtiging in de voorrede van het Gra-
duale Romanum (1907). Daar zij vooral door de Bene-
dictijnen werden voorgestaan, heeft men ze in het begin
veelal de Benedictijner-methode genoemd.
Voornaamste verdedigers: in Frankrijk :
Gontier, Pothier, Mocquereau (Solesmes), Sablay-
rolles; Duitschland: Kienle, Birkle, Molitor, Johner
(Beuron), Böckelen; Spanje: Sunyol; Italië: Amelli,
de Santi, Ferretti; Engeland: Bewerunge.
L i t. : Rousseau, L’école grégorienne de Solesmes
(De8clée 1910). ■ Bruning.
Benedictijnsche liturgie. De indeeling van het
Koorgebed, door den H. Benedictus in zijn Regel
beschreven, verschilt belangrijk van het Romeinsch
brevier. Het psalterium is hoofdzakelijk in drieën
verdeeld: de psalmen 1-20 worden in de Primen,
20-108 in de Metten en 109-147 in de Vespers ge-
bruikt, uitzonderingen daargelaten. Waarschijnlijk
heeft de H. Benedictus het zeer ongelijk verdeelde en
daardoor onpractische psalterium der Romeinsche
liturgie (dat ongeveer gehandhaafd bleef tot de brevier -
hervorming van Pius X) aangepast bij de eischen van
den handenarbeid zijner monniken. Daarom zijn voor
de kleine uren en Vespers slechts respectievelijk drie
en vier korte of verdeelde psalmen aangewezen, terwijl
in de Metten steeds 12 psalmen, in twee noctumen
verdeeld, gebeden worden. Op Zon - en feestdagen wordt
aan laatstgenoemde een derde nocturne met drie
cantica toegevoegd. Karakteristiek is o.m. de toewij-
zing van 12 lessen met 12 responsoriën aan de drie
nocturnen van Zon- en feestdagen. Op die dagen wor-
den de nocturnen gevolgd door den lofzang Te Deum,
het plechtig voorlezen van het Evangelie door den abt
en het Te decet laus en den „zegen” of Oratie.
De H. Benedictus heeft meerdere nieuwe gebruiken
ingevoerd, die later gedeeltelijk in de Romeinsche
liturgie zijn overgenomen, bijv. het lnvitatorium-
vers met psalm 94 bij den aanvang der Metten, de
Ambrosiaansche hymnen (> Ambrosianum) in alle
kerkelijke getijden, en de > Completen. Ook andere
gebeden en ceremoniën werden door
St. Benedictus voorgeschreven, o.a. bij de voetwas-
sching of mandatum, en de professie. Deze voorschrif-
ten zijn zeer sober, ze werden in latere eeuwen met
nieuwe plechtigheden verrijkt, doch de gebruiken der
verschillende kloosters als Monte-Cassino, Farfa,
Gallen en de kloostcrfamilie van Cluny bijv., loopen
zeer uiteen. Het thans in de geheel e Orde gebruikte
eigen brevier dankte zijn eerste uitgave aan paus
Paulus V in 1612, zijn nieuwe, vereenvoudigde, met
ook vereenvoudigden kalender, dateert van paus
Pius X en paus Benedictus XV (1915).
L i t. : E. Martène O.S.B., De antiquis ecclesiae et
monachorum ritibus (Antwerpen 1756) ; S. Baumer
O.S.B., Gesch. des Breviers (Freiburg 1895) ; it. vertaald
(en uitgebreid) door R. Biron O.S.B., Histoire du Brévi-
aire (2 dln. Parijs 1905) ; B. Albers, Consuetudines
monasticae (4 dln. Monte-Cassino 1899 — 1911).
C. Coebergh .
Evangelische Benedictijnen. In 1928 werd in Protes-
tantsche kringen een poging gedaan om het leven der
Benedictijnen na te volgen door de evangelische raden
te onderhouden, het ordekleed te dragen en in het
Duitsch het koorgebed te bidden volgens het Romein-
sche brevier. Volgens de bepalingen van 22 Febr. 1928
konden Katholieken en Protestanten als leden intreden.
Reeds in Aug. 1928 werd de orde ontbonden.
J. v . Rooij.
Bencdiktbeuern, voormalige Benedictijner abdij
in Beieren; gesticht ca. 752; in 1803 geseculariseerd.
Bénédite, G e o r g e s, Fransch Egyptoloog,
* 1857, j* 1926, conservator van de Egyptische afdee-
ling van het Louvre.
Bencdito y Vives, R a f a ë 1, dirigent, pro-
pagandist van hedendaagsche Spaansche muziek. * 3
Sept. 1885 te Valencia, studeerde aan het koninklijk
conservatorium te Madrid en richtte in 1916 in deze
stad het Bened ito -orkest op. Madrid dankt voorts aan
hem zijn eerste groote gemengde koor, Masa Coral de
Madrid, dat in 1918 gevormd werd. Ook in het buiten-
land introduceerde B. de muziek van zijn land, o.a.
in Duitschland. Voor de muzikale ontwikkeling der
jeugd maakte hij zich eveneens zeer verdienstelijk.
Werken: o.a. Natura, een verzameling kinder-
liederen naar bestaande composities met toegevoegde
Spaansche teksten, Cantos populares espanoles, voor
koor en piano ; Pueblo, een verzameling van Spaansche
volksliederen en de brochure : Como se ensena el canto
y la musica. Uanekroot.
Benedix, R o d e r i c h, Duitsch tooneelschrij-
561
Beneficie — Benes
562
ver van meer dan honderd oppervlakkige maar te zijner
tijd zeer gewilde kluchten, die in hoofdzaak van -v
situatiekomiek leven. * 21 Jan. 1811 te Leipzig,
f 26 Dec. 1873 aldaar.
U i t g. : Volkstheater (20 dln. Leipzig 1882 vlg.) ;
enkele losse stukken in Reclams Universalbibliothek. —
L i t. : W. Schenkel, R. B. als Lustspieldichter (disser
tatie, 1916). Baur.
Beneficie is een kerkelijk ambt, waaraan het
recht op sommige stoffelijke voordeelen of inkomsten
verbonden is; deze stoffelijke voordeelen bestaan vnl.
in het vruchtgebruik van onroerende goederen of in
jaarlijksche en vaste renten door anderen te betalen,
of in de offeranden der geloovigen of in zgn. stool-
rechten (> Jura stolae), die den pastoor in sommige
aangelegenheden toekomen. Tegenwoordig zijn in
Nederland, België en Frankrijk geen andere beneficiën
meer dan die der kanunniken en pastoors; de inkom-
sten ervan bestaan in de jaarwedde door den staat
betaald of door het kerkbestuur verzekerd. De oprich-
ting van een beneficie hoort toe aan den paus en ook
aan den bisschop; zoo kan deze in bepaalde omstandig-
heden nieuwe parochiën oprichten. De vergeving der
b. geschiedt insgelijks door dezen. Den H. Stoel echter
zijn voorbehouden de benoeming der bisschoppen en
de eerste waardigheid in het kapittel eener kathedraal,
alsook de benoeming tot de beneficiën, die openstaan
en tot dan toe bezet waren door een kardinaal of een
gezant van den H. Stoel of een w^aardigheidsbekleeder,
al was het enkel honoris causa, van het pauselijk hof,
of door iemand die in de stad Rome is gestorven of
door den paus tot een ander ambt werd gepromoveerd.
De inbezitneming van een beneficie, zonder dewelke
niemand het ambt mag uitoefenen en de voordeelen
ervan genieten, geschiedt gewoonlijk door een plechtige
aanstelling, die men installatie noemt. Simenon.
Beneficie van Inventaris, > Beneficium
inventarii, > Voorrecht van Boedelbeschrijving.
Beneficium heeft in de rechtsgeschie'denis
verschillende beteekenissen. In het algemeen: w T eldaad.
Zoo vormde het > beneficium inventarii van het
Justiniaansche recht in zekeren zin een waldaad
vergeleken bij de vroegere regeling, waarbij erfge-
namen ofwel een nalatenschap, wier schulden ze nog
niet kenden, zuiver moesten aanvaarden met de kans
voor schulden van den erflater ook in hun persoon lijk
vermogen te worden aangesproken, ofwel een nalaten-
schap moesten prijsgeven, die achteraf bleek meer
baten dan schulden te bevatten (ius abstinendi).
B. is vooral van beteekenis geworden voor het leen-
wezen (> Leenstelsel): uit de verbinding van het b.
met de vazalliteit ontstond de rechtsbetrekking van
het leen. B. is hier het „gebruiksrecht van eens anders
grond, door den eigenaar toegekend als belooning
voor hem bewezen of te bewijzen diensten” (v. d.
Heyden).
L i t. : A. S. de Blécourt, Kort Begrip, 4e dr., passim :
E. J. J. v. d. Heyden, Aanteekeningen (blz. 88 vlg.).
Hermesdorf.
Beneficium inventarii (= Beneficie van
Inventaris), de bevoegdheid door het Justiniaansche
recht toegekend aan bepaalde erfgenamen om een
nalatenschap te aanvaarden onder het voorrecht van
boedelbeschrijving (> Beneficium). De strekking
van dit voorrecht w r as de erfgenamen in de gelegenheid
te stellen na te gaan de verhouding van baten en
schulden in een nalatenschap, ten einde op die wijze
te voorkomen, dat ze een erfenis zouden aanvaarden,
w r ier schulden de baten overtroffen, hetgeen tot gevolg
gehad zou hebben, dat de sehuldeischers der nalaten-
schap deze erfgenamen in hun persoonlijk vermogen
konden aanspreken. Vereischte voor de uitoefening
van dit b. was o.m., dat binnen 3 maanden na het
openvallen der nalatenschap een inventaris w r erd
opgemaakt. Gevolg van de uitoefening van het b. w T as,
dat de erfgenamen niet aangesproken konden worden
tot een grooter bedrag dan dat der baten van de
nalatenschap; de aansprakelijkheid bleef beperkt „intra
vires hereditatis”. B. heeft invloed gehad op het
hedendaagsch recht. Vgl. art. 1070 vlg. Ned. B.W.,
art. 793 vlg. Belg. B.W. Hermesdorf.
Bencke, 1° Friedrich Eduard, Duitsch
wijsgeer, empiricus, tegenstander van de speculatieve
philosophie, vooral van Hegel en Herbart; * 1798,
f 1854; privaatdocent te Berlijn en Göttingen en hoog-
leeraar te Berlijn. B. houdt de geheele wijsbegeerte
voor een toepassing van psychologie en wil deze uit-
sluitend naar empirische, natuurwetenschappelijke
methode behandeld zien.
Werken: Erfahrungsseelenlehre ; Psychologische
Skizzen ; Erziehungs- und Unterrichtslehre. F. Sassen .
2° Fr. W., professor (1867) in de geneeskunde
te Marburg, een der grondleggers van de moderne
constitutieleer; * 1824, f 1882.
Voorn, werk: Konstitution u. Konstitutionelles
Kranksein des Menschen (1881).
Benelli, S e m, Italiaansch tooneelschrijver en
dichter; * 10 Aug. 1877 te Filetolle (Prato). Na La cena
delle beffe (1909), o.a. in het Fransch vertaald door
Jean Richepin onder den titel La beffa, w r erd hij jaren
lang aangezien als de beste tooneelschrijver van Italië.
Werken: Tooneelstukken: La maschera
di Bruto (1908) ; L’amore dei tre re (1910) ; Tignola
(1911) ; II mantellaccio (1911) ; Rosmunda (1912) ; La
Gorgona (1913) ; Le nozze dei Ccntauri (1914) ; Ali
(1921) ; Arzigogolo (1922) ; Orfeo e Proserpina (1929) ;
Eroi (1931). Gedichten: II figlio dei tempi (1905) ;
L’altare (1917) ; Parole di battaglia (1918), enz. Ulrix.
Bene inerenti (Lat., = aan wie zich verdienste-
lijk gemaakt heeft), pauselijke onderscheiding (geen
ridderorde), ingesteld door Pius IN. Groote en kleine,
gouden en zilveren medailles, gedragen aan geelwit
lint. Op de voorzijde der medaille staat de afbeelding
van den paus, op de keerzijde Bene Merenti. Gorris .
Bene méritus (Lat.) = die zich verdienstelijk
gemaakt heeft.
Benes, Eduard, Tsjecho-Slowaaksch staats-
man, geb. 1884 ;
docent in de staat-
huishoudkunde te
Praag. Onmiddel-
lijk na het uitbre-
ken van den Wereld-
oorlog stichtte hij
met prof. Masaryk
een geheime nat.
vereen ig ing . In Sept .
1915 nam hij de
vlucht naar Parijs,
waar hij de leiding
had van „La nation
teheque” en naar
Londen, waar hij
een anti-Oostenrijk-
sche politiek voer-
de. In April 1918
op het Congres der Oostenr.-Hong. journalisten te Ro-
563
Benes j o wa — Benf ey
564
me. In Nov. 1918 min. van Buitenl. Zaken; vertegen-
woordigde zijn land op het Congres van Versailles. In
1920 werd de Kleine Entente door hem tot stand
gebracht. In Sept. 1921 min. pres. met portefeuille
van Buitenl. Zaken; in Juni van hetzelfde jaar:
handelsverdrag met Duitschland, en in Nov. arbitrage-
verbond met Polen. Na 1922 min. van Buitenl. Zaken
in het kabinet Schurla. In 1932 leidt hij de oppositie
der Kleine Entente tegen het Viermogendhedenpact
van Rome, waarin hij eventueele territoriale wij-
ziging bestreed.
Werken: Der Aufstand der Nationen (1928).
Cosemans.
Beiiesjowa, B o z j e n a, Tsjecho-Slowaaksche
schrijfster van psychologische romans met ethischen
ernst en godsdienstige verdieping, van treffende kin-
derstudies en van oorlogsboeken, die de heel bijzondere
Praagsche oorlogspsychose schilderen. * 30 Nov. 1873
te Neutischein.
Werken: Onbevochten zegepraal (1909) ; Muisje
(1916) : Harde jeugd (1917) ; Mcnsch (1923) ; Uder (1925);
Onderaardsche vlammen (1927).
Benet, Johannes, Eng. eomponist uit
de eerste helft der 15e eeuw; wordt op één lijn gesteld
met zijn tijdgenooten Dunstable en Lionel Power.
Werken: twee bij elkaar behoorende misdcelen
(öanctus en Agnus Dei) uit den Codex 37 van Bologna,
werden door Wooldridge in facsimile gepubliceerd in
„Early English Harmony” (1897). Andere werken zijn
behouden gebleven in den Codex van Trente 87 en 92,
Oxford Can. 213 en Bologna 37. Twee drie-stemmige mis-
deden gaf Joh. Wolf uit in „Geschichte der Mensural-
Notation” (III nr. 74) en „Denkmaler der Tonkunst in
österreich” (XXXI). Piscaer.
Benét, 1° Stephen Vincent, Amer.
dichter en romanschrijver. * 1898, jongere broer van
William Rosé B. Studeerde aan de Yale üniv. Won
in 1921 den prijs van de Poëzie-Vereeniging van
Amerika.
Werken: Five Men and Pompey (1915) ; The Drug
Shop (1917) ; Heavens and Earth (1920) : The Beginning
of Wisdom (1921, roman) ; Jcan Huguenot (1923) ; John
Brown’s Body (1928); Ballads and Poems (1915 — * 31 ).
2° W i 1 1 i a m Rosé, Amerikaansch journalist
en dichter, broer van vorige. * 1886. Studeerde te Yale.
Werken: Merchants from Cathay (1913) ; The
Falconcr of God (1914); The Great White Wall (1916);
Perpetual Light (1919) ; Moons of Grandeur (1920) ; The
First Person Singular (1922).
Bencttitalcs (pa leobotan ie), een van de
voornaamste groepen der fossiele planten. De stam-
men zijn cycacoïd. De bloemen wijken af van de
cycadales en van alle Gymnospermae en doen de
b. een afzonderlijke groep naast de cycadales vormen.
Béiiéveiil, vorst van, > Talleyrand.
Benevento, 1° ltaliaansche provincie in
het N.O. van Campanië in de Apennijnen. Opp.
2 688 km 2 ; 335 640 inw. (1931), 128 p. km 2 , 89 ge-
meenten. Behoorde vroeger tot den Kerkdijken Staat.
2° Hoofdstad der prov. B. (41° 9' N.,
14° 47' O.); 36 900 inw. (1931); 135 m boven zee,
prachtig gelegen, spoorwegknooppunt. Aartsbisschops-
zetel (sinds 969 bisschopsstad). Tot 275 v. Chr. Male-
ventum (slag tegen Pyrrhus van Epirus), sedert dien
Lat. Beneventum. Bloeitijd onder de Noormannen.
Heere .
Kunst. De S. Sofia, in Lombard ischen stijl
(8e eeuw), veelhoekige centraalbouw met dubbele
zuilenrij (vrije navolging van Byzantijnsch model),
met kruisgang (12e eeuw), die in quadriforia (Sara-
ceensche invloed?) verdeeld is. De dom (begin 12e
eeuw), waarvan de gevel door een zekeren Ruggero
met marmer werd versierd, vijfschepig, met zuilen
uit een of ander klassiek bouwwerk, bronzen deur
(stijl Bonannus v. Pisa), campanile (eind 13e eeuw)
met ingemetselde stukken marmer uit antieke gebou-
wen, paaschkandelaar (eerste helft 13e eeuw), cathedra,
genoemd van S. Barbatus, van gehamerd ijzer (11e
eeuw). Verder een nog in de grondslagen Lombardisch
kasteel. Klein, doch zeer interessant Museo Lapidario.
L i t. : Meomartini, B. (1919) ; Toesca, Storia delP
arte italiana I, II Medioevo (1927). Knipping.
Geschiedenis. Oorspronkelijk was de stad
een Grieksche kolonie, werd in 269 v. Chr. door de
Romeinen veroverd en bleef sindsdien tot het Rom.
Rijk behooren. In 668 door de Longobarden genomen,
werden stad en omstreken in de schenkingsoorkonde
van Karei den Grooten (774) aan ’s pausen wereldlijk
gebied toegevoegd. Dit hertogdom Beneventum
voerde evenwel een vrijwel onafhankelijk bestaan,
tot het door Robert Guiscard in 1077 bij
zijn Zuid-Italiaansch Noormannenrijk werd ingelijfd.
De stad bleef echter aan den paus. Napoleon gaf haar
in 1806 aan Talleyrand met den titel van vorst van B.,
doch in 1814 kwam ze weer aan den paus en in 1860
aan het koninkrijk Italië. Slootmans .
Bene vixit, qui bene létuif (Lat.) = „gelukkig
leefde hij, die zich w ? el verborgen hield'*, uit Ovidius’
Tristia 3. 4. 25, waar de tekst in andere volgorde
voorkomt: „Bene qui latuit, bene vixit’*. Deze levens-
raad (naar Epicurus* „blijf verborgen in het leven”)
ook bij Horatius (Epist. 1. 17. 10).
Benevoli, O r a z i o, componist van kerkelijke
werken, * 1605 te Rome, f 1672 aldaar; zoon van een
Fr. bakker Benouot (Ital. Benevoli). Hij was van 1617
— 1623 koorknaap onder Ugolini, later kapelmeester
aan verschillende kerken te Rome, van 1643 — *46
hofmusicus van aartshertog Leopold Wilhelm te
Weenen. Na 1646 was hij verbonden aan het Yaticaan.
B. was een uitstekend contrapuntist, als zoodanig
leerling van Vincenzo Ugolini.
Werken: 12-, 16- en 24-stemmige missen, psalmen,
motetten bleven in hs. Een 48-stemmige (12-korige) mis,
geschreven en uitgevoerd in 1628 ter gelegenheid van de
inwijding van den dom te Salzburg, werd in partituur
gebracht door G. Adler in de Denkm. der Tonk. in
österreich (X. I.) — Lit. : A. Cametti in Rivista
musicali ital. (XXII 1915, 629 vlg.). Piscaer .
Benezet (verkleinwoord van Benedictus), Heilige,
* ca. 1165 in Zuid-Frankrijk, f 14 April 1184. Volgens
de legende begon hij op goddelijke ingeving den bouw
der Rhónebrug. B. is waarschijnlijk de stichter van d«
> Ringbroeders. Zijn lichaam werd in een bnigkapel
bijgezet, later naar de Desideriuskerk overgebracht.
In de Provence en Languedoc wordt hij als heilige
vereerd. Feestdag 14 April.
Lit.: Albancs, La vie de S. Bénézet (1876).
J. v. Rooij.
Bcnfcy, T h e o d o r B., Duitsch philoloog,
* 28 Jan. 1809 te Nörten (Ilannover), f 26 Juni 1881
te Göttingen. Promoveerde in 1828 te Göttingen in de
Klassieke philologie, werd aldaar in 1862 hoogleeraar.
Zijn „Griechisches Wurzellexikon” geldt als het eerste
etymologische woordenboek. De term „Wurzelvaria-
tion” (> Wortelvariatie) is van hem. B. gaf in 1848
oud-Indische hymnen uit. Van de Klassieke talen
ging zijn belangstelling langzamerhand meer naar
de oud-Indische philologie en de vergelijkende taal-
wetenschap. Hij was de zoon van een Joodsch koop-
565
Bengaalroos — Bengkalis
566
man, ging echter in 1848 tot het Christendom over.
Werken: o.a. Griechisches Wurzellexikon (1839);
Die Hymnen des Sama-Veda (1848) ; Handbuch der
Sanskritsprache (1852-’54) ; Pantschatantra, aus der
Sanskrit übersetzt (1859) ; Practical Grammar of the
Sanskrit Language (1863). — L i t. : A. Bezzenberger,
Kleine Schrifte. Peters .
Bengaalroos (R o s a b e n g a 1 e n s i s), een
rozenras, dat aan theerozen verwant is.
Bengaalsehe taal en letterkunde. 1°
Taal. Het Bengali vormt met Orija, Assamsch en
Bihari de Oostelijke groep der Indo -Arische talen.
Het heeft groot verschil tusschen litteraire en gesproken
taal. In de eerste zijn een groot aantal Sanskrit-
woorden opgenomen en men gaat zoo ver, dat men vaak
het Sanskrit-woord schrijft, terwijl men toch het
Bengaalsehe uitspreekt. Geslacht en grootendeels
ook meervoudsvorming zijn verdwenen; naamvallen
worden door postposities uitgedrukt. In de conjugatie
worden de oude pluralis-vormen meest ook voor
singularis gebruikt. In de uitspraak springt het accent
zoo ver mogelijk naar voren, waardoor de uitgangen
neiging hebben weg te vallen.
L i t. : J. Beames, Grammar of the Bengali Language
(1894) ; G. A. Grierson in Encyclopaedia Brittanica.
2° Letterkunde. De oudere Bengaalsehe lite-
ratuur is geheel door de Sanskrit-literatuur geïnspi-
reerd. De vertalingen van het Ramajana (door Kritti-
wasa, 14e eeuw) en van het Mahabharata (door
Kasjiram, ± 1645), alsmede van verschillende
poerana’s bleven leven onder het volk en werden
door kathaks (rhapsoden) voorgedragen of halfdrama-
tisch opgevoerd. De godsdienstige poëzie bezong in
navolging van den Sanskritdichter Djajadewa de
liefde tusschen Krisjna en Radha ; zinnelijke en
mystieke liefde zijn er onscheidbaar in verbonden.
Voornaamste dichter dier liefdesliederen is Tsjandi
Das (15e eeuw). Hymnen aan Doerga vooral
van Moekoendaram Kawikangkam „de parel der
zangers” (16e eeuw 7 ) en Ram Prasad (1718 — 1775).
In de 19e eeuw kwam onder invloed der Engelsche
literatuur een groote opbloei in allerlei genres, terwijl
de Westersche Sanskrit-beoefening voor anderen
een stimulans was, zich die literatuur opnieuw tot
voorbeeld te nemen. Op de ontwikkeling van het
Bengaalsehe proza had Rammohoen Roy (1774—1833),
de stichter van de > Brahma-Samadj , grooten invloed.
De zoon van een zijner aanhangers werd Bengalen ’s
grootste dichter en winnaar van den Nobelprijs:
Rabindranath Tagore (* 1861). In zijn werken, in vele
talen vertaald, leeft de geest van de Brahma-Samadj
voort; monisme en theïsme, oud-lndische wijsheid
en moderne ideeën worden er verbonden. Zeer populair
was ook de tot het Christendom bekeerde dichter
Madhoe Soedan.
L i t. : Dinesh Chandra Sen, History of Bengal
Language and Litcrature (1911). Zoetmulder.
Bcngaalseh gras (P a n i c u m maxi-
mum) is een voedergras, dat in alle tropische landen
geteeld wordt, doch afkomstig is uit Afrika. Op Java
kan een goed geslaagde aanplant drie a vier mnd. na
het uitplanten voor het eerst worden gesneden, en
vervolgens om de een a twee mnd. Voor weidegras is
b. g. op Java onbruikbaar w r egens zijn groei in pollen.
De voedingswaarde als snijgras is zeer belangrijk.
B. g. w 7 ordt zoowel door paarden als door runderen
gaarne gegeten.
Botanisch behoort het tot de fam. der Gramineae.
Dijkstra.
Bengaalsch vuur wordt gebruikt om groote
ruimten tijdelijk sterk te verlichten. Voor de bereiding
bestaan verschillende recepten, maar gewoonlijk is het
samengesteld uit salpeter, zwavel, houtskool en zwa-
velantimoon. Voor kleuren van het licht kan men
verschillende zouten, o.a. koper-, strontium- en bari-
um verbindingen, voor respectievelijk blauw, rood en
groen licht, toevoegen. Eoogeveen.
Bengalen (eig. Banggala, <( Sanskr. Wangga),
rovincie in het N.O. van Voor-Indië (25° 0' N.,
9° 30' O.), opp. zes maal Ned., 46 raillioen inw. B.
bestaat uit 1° Beneden-Bengalen, het deltagebied
van Ganges en Brahmapoetra met vruchtbaren leem-
bodem, tropisch klimaat en dichte bevolking. Naar het
O. en W. overgaand in het heuvel- en rivierlandschap
van de Sandarbans, met dichte oerwouden begroeid,
w T aarin de sandri-boom voor den scheepsbouw zeer
wordt gewaardeerd. 2° Boven-Bengalen, smaller vlak
land, dat zich 10—20 m boven de rivieren verheft en
niet meer overstroomd wordt. Bevloeiingskanalen.
De bevolking, 45 millioen, spreekt een eigen taal. >
Bengaalsehe taal- en letterkunde. Ruim de helft is
Mohammedaansch, ruim 40% Hindoes. Hoofdmid-
delen van bestaan: landbouw (rijst, jute, oliezaden,
tarwe, gerst, erwten, suikerriet), daarnaast teelt van
buffels en zeboes.
Vanaf de 14e eeuw tot 1765 werd Bengalen over-
heerscht door Mohammedaansche vorsten; in 1634
begonnen de Engclschen er handel te drijven. In 1765
werd Bengalen door den grootmogol aan de Eng. Oost-
Indische Compagnie afgestaan. Van Bengalen is
afgeleid het woord bungalow.
L i t. : Barton, Bengal (Londen 1874) ; Dalton,
Descriptie ethnology of Bengal (Calcutta 1879) ; Prisley,
Tribes and Castes of Bengal (Londen 1902) ; Murray,
Handbook of the Bengal Presidency Department of
Agriculture. Yearly Reports. G. de Vries.
Reeds in de zeer oude tijden maakt, naar het schijnt,
het land der Banga ’s of Vanga ’s, d.i. oorspronkelijk
de delta van de Gangesmonding, deel uit van Arisch
Indiö en deelt in de lotgevallen van de elkaar opvol-
gende rijken der Maurya’s en Gupta’s, die te Patali-
poetra (heden Patna) hun hoofdstad hebben. Nochtans
wijst de gelaatskleur en het type der bevolking in dien
uitersten hoek van de Indische wereld op kruising met
elementen van Tibetaansche of Birmaansche afstam-
ming, terwijl Chota-Nagpore, dat thans tot B. gerekend
wordt, taalkundig tot de groep der Moenda-talen
behoort. Het verdrag van 1765, waardoor B. met
Bihar en Orissa onder het beheer der East India Com-
pany kwam, en het dorp Calcutta een stad werd, be-
teekent voor B. een nieuwe periode, waarin deze
streek, vooral op geestelijk en cultureel gebied, de
leidende rol in Indië begint te vervullen.
L i t. : Vincent A. Smith, Early History of India
Oxford 4 1924). Mansion .
Bengawan, naam van nog onzekere herkomst,
die in het Javaansche taalgebied gegeven wordt aan
de voornaamste rivier van een streek, ook wel aan
binnenzeeën. Thans verstaat men er vooral de Solo-
rivier onder. Berg.
Bengkalis, 1° hoofdpiaats van de gelijknamige
afd. van het gouv. Oostkust van Sumatra, mondings-
stad der Siakrivier.
2° Het Noordelijkste eiland van de Brouwers-
archipel (1° 31' N., 102° 8' O.). Veel troeboekvisscherij
en aanplant van sago en pinangpalmen. B. levert
verschillende houtsoorten. v. Vroonhoven .
567
Beng Mealea — Benin-kunst
568
Beng Mealea is een groote tempelaanleg der
Khmer, gelegen ong. 35 km ten Oosten van Angkor
Wat (Cambodja). De bouwwijze komt sterk overeen
met die van Angkor, alleen de gaanderijen die het
middenstuk omsluiten zijn vlak en gaan niet in ter-
rassen omhoog. Geheel onsymmetrisch liggen aan den
Zuidkant van de buitenste gaanderij twee betrekkelijk
mime gebouwen.
L i t. : De Beylie, L’architecture hindoue en Extrême-
Orient (1907) ; Maspero, L’empire Khmer (z.j.) ; Aymo-
nier, Le Cambodge (z.j.). Knipping.
Benguclla-stroom of Zuid-Afrikaansche
Stroom is een aftakking van de Westenwundendrift
(> Atlantische Oceaan). Het is een koude stroom;
snelheid gewoonlijk ca. 12 mijl, zelden boven 30 mijl
per etmaal.
Beni, 1° rivier in Bolivia (rep. in Z. Amerika),
één der hoofdbronrivieren van de Madeira ; ontspringt
in O. Cordilleren van Bolivia, en vereenigt zich bij
Villa Bel la met de Mamore tot de Madeira; 1 200 km
lang, 2/3 bevaarbaar.
2° Departement van Bolivia, opp. 247 000
km 2 , 63 000 inw. Hoofdstad Trinidad. Het apost. vic.,
opgericht 1917, telt 65 000 Kath. (5/6 der bevolking).
Boni (H. G u s t a v u s), plaats in de Oostelijke
provincie van Belg. Kongo; aan den linkeroever van
de Semliki; administratief en handelscentrum.
Missie der pp. Assumptionisten, apost. vicariaat
Stanley -stad. Volksstammen Wanande, Bashoe en
Wamboeti (dwergen). Ongeveer 110 000 inwoners.
Gesticht in 1906 door de Priesters van het H. Hart;
overgenomen door de pp. Assumptionisten ten jare
1929. Gedoopten (1932): ca. 2 000. Missie door slaap-
ziekte zeer geteisterd. Vanneste .
Benicarló, slecht beschutte haven aan de Middel-
landsche Zee in Spanje (40° 25' N., 0° 25' O.).
Uitvoer van rooden wijn, die in de omgeving verbouw T d
wordt. 7 200 inw. (Kath.).
Benigna Consolafa, > Ferrero.
Benigmis, Heilige, patroon van Dijon, volgens
een onbetrouwbare legende uit de 6e eeuw afkomstig
uit Klein -Azië en leerling van den II. Polycarpus,
geloofsverkondiger in Bourgondië en gemarteld onder
Aurelianus.
Reeds vóór de 6e eeuw w T erd B. als martelaar ver-
eerd. Feestdag 1 Nov. Boven zijn graf verhief zich een
basiliek en het klooster Saint-Bénigne. «7. van Rooij.
Beni Hasan (D z j e b e 1 B. H.), plaats in
Egypte, ten N. van Amarna. B. H. is beroemd om
zijn rijk gedecoreerde Egyptische graven; opgravingen
1890 en vlg.; 1902— ’04.
Lit. : Percy E. Newberry e.a., Beni Hasan (4 dln.
Londen 1893—1900, Arch. Survey of Egypt. 1-2. 5.7.) ;
J. Garstang, The Burial Customs of Ancient Egypt
(Londen 1907). Simons.
Bciiincasa, een geslacht van de familie der
Cucurbitaceae, met 2 soorten; Z. Azië. De vruchten
worden o.a. gebruikt als geneesmiddel tegen hoest en
koorts.
Benincasa, 1° Johannes, Zalige; * 1376
te Florence, f 9 Mei 1426. B. trad te Montepulciano
in de orde der Servieten, maar zocht later een meer
eenzame plaats op. Hij stierf als kluizenaar na een
leven rijk aan versterving. Zijn vereering werd in 1829
door Pius VIII bevestigd. Feestdag 11 Mei.
2° U r s u 1 a, Eerbiedwaardige, mystieke en
stichteres van twee Congregaties van Theatinessen;
* 20 Oct. 1547 te Napels, f 20 Oct. 1618 aldaar. Reeds
op jeugdigen leeftijd werd zij op zichtbare wijze rijk
begenadigd en trok zich, om de nieuwsgierigheid van
het volk te ontloopen, als kluizenaarster terug op den
Sant’Elmo bij Napels, waar in 1581 een kerk gebouwd
w T erd, de bakermat der tw r ee congregaties. Door een
inwendige stem aangespoord ging zij als „Godsgezant”
in 1582 naar Rome en legde den paus een grootsch
opgezet heivormingsplan voor. In opdracht van
Gregorius XIII en onder leiding van kardinaal Santoris
werd de echtheid en geloofwaardigheid harer zending
zeven maanden lang nauw r keurig door Philippus
Neri onderzocht. Van alle verdenking gerechtvaardigd
keerde zij naar Napels terug en ontving veel vooraan-
staande tijdgenooten, o.a. Baron ius. Zij w T as in haar
mystiek zoowel als in haar hervormingsideeën een
tweede Catharina van Siëna, had echter geen succes.
Lit.: Heimbücher (*III, 268 vlg.). J. van Rooij .
Bening, 1° Alexander, Vlaamsch boek-
verluchter, f 1619; w r erd in 1469 lid van het schilders-
gilde te Gent en in 1486 van dat van Brugge.
2° L i v i n a, Vlaamsch boekver luchtster, dochter
van Simon, was vooral werkzaam aan het hof van den
Engelschen koning Hendrik VIII (na 1545 voorgoed),
f waarschijnlijk te Londen.
3° Paul, boekverluchter, tweede zoon van
Alexander.
4° Simon, schilder en verluchter, * 1483 te
Gent, f 1561 te Brugge; oudste zoon van Alexander,
w T erd in 1508 ingelijfd in het St. Jans- en St. Lucas-
gilde te^ Brugge. Knipping .
Beninga , S i c k e, ook B c n n i n g e, kro-
niekschrijver, geb. in de prov. Groningen; bekleedde
in het begin der 16e eeuw verschillende ambten in het
stadsbestuur van Groningen. Zijn Kroniek behan-
delt de geschiedenis van Friesl. en Gron. tot 1528;
vooral het laatste gedeelte heeft groote waarde.
Lit.: Brouërius van Nidek in zijn „Analecta medii
aevi” ; J. A. Feith in Werken v. h. Hist. Gen. N.S. (1887,
nr. 48). Ydema.
Bcnini , Ferruccio, acteur, * 1864 te Genua,
f 29 Febr. 1916. Speelde in 1866 te Venetië voor het
eerst een kinderrolletje en had met een patriottische
tirade een gew T eldig succes. Na veel moeite w r erd B.
echter eerst op lateren leeftijd ertoe overgehaald
acteur te worden, en wel door den blijspeldichter
Giacinto Gallina.
Hij trad eerst op te Venetië in het gezelschap van
diens broer Enrico Gallina en stichtte vervolgens
een eigen troepje, waartoe ook zijn eigen zuster behoor-
de. B. had zijn uiterlijk tegen: hij w 7 as klein en gedron-
gen en hoog in de schouders, wist echter allen, en de
meer ontwikkelden in de eerste plaats, te ontroeren
door de verfijndheid van zijn spel. Hij was w T ars van
alle effectbejag en trof juist door zijn ontzaglijke
soberheid, waardoor al zijn gestalten groote levens-
waarheid kregen. Zijn voorliefde ging uit naar stukken
van Goldoni en Giacinto Gallina. v. Thienen .
Benin-kunst is de Afrikaansche kunst (brons-
gietkunst, houtsnij- en ivoorkunst) uit het oude rijk
Benin, alsook van de Goudkust, den bovenloop van
den Niger tot in het hoogland van Adamaua. Vooral
sinds de Engelschen in 1897 de stad Benin veroverden,
is de belangstelling voor deze kunst in Europa gaande
gemaakt. Met name de musea van Londen en de
Duitsche musea hebben heele collecties gegoten en
geciseleerd Benin -brons weten aan te leggen. Ook
het Museum voor Volkenkunde in Leiden bezit merk-
waardige exemplaren. Frobenius meende in deze kunst
569
Beni Salome — Benkoelen
570
een vervallen oud-Klassieke kunst van N. Afrika te
zien; door anderen is korten tijd beweerd, dat ze eerst
laat onder Europeeschen invloed ontstaan is, doch Von
Luschan toonde aan
1° dat zelfs de vroeg-
ste gegevens dezer
kunst veel dichter bij
haar bloeiperiode te
plaatsen waren, d.i.
zeker na het jaar 1000
onzer jaartelling en
2° dat het bewerken
van brons reeds lang
voor den Europee-
schen invloed bekend
was, dat echter vooral
door het verkeer met
de Portugeezen (sinds
1472) de techniek ver-
volmaakt is. Men kan
de ontwikkeling al-
dus voorstellen: 1°
archaïsche tijd van
ong. midden 12e eeuw
tot ong. 1350; 2°
overgangsperiode van
ong. 1360 tot 1500 ; 3° bloeitijdperk vanlöOO tot
einde 17e eeuw (1691); 4° tijd van verval na 1691.
Het zijn vooral sieraden, die de aandacht trekken:
armringen, bellen, pijpenkoppen, vaatwerk, handvaten
voor zwaarden, enz. De gegevens zijn veelal dieren:
luipaarden, hanen, slangenkoppen, doch ook bronzen
portretkoppen en groepeeringen van menschelijke
gestalten zijn niet zeldzaam. Het contact met de Euro-
peanen blijkt uit de vele voorstellingen van menschen-
figuren in Europeesche kleeder- en baarddracht, uit
de bloei-periode dezer kunst. Bij het bronsgieten paste
men reeds in de vroegste tijden de zgn. cire-
p e r d u e - methode toe : op een kern van vast-
gestampt zand wordt een waslaag gemodelleerd ;
deze wordt met een leemen mantel omgeven, de was
wordt eruit gesmolten en in plaats daarvan komt de
bronspap; dan slaat men den leemmantel stuk en
werkt het gietsel door ciseleeren en polijsten verder af.
Het ivoor wordt vooral gebezigd voor lepels, kistjes,
armmanchetten en bekers, doch niet zelden laat men
ook den tand in zijn geheel en snijdt hem ornamentiek
uit.
L i t. : Pitt Rivers, Antique works of Art from B.
(1900) ; Crahmer, Ueber den indo-portugiesischen Ur-
sprung der Benin-Kunst in : Globus (XXXXV 1909) ;
Marquart, Die Benin-Sammlung des Reichsmuseums
für Völkerkunde in Leiden (1913) ; F. von Luschan, Die
Altertümer von B. (3 dln. 1919) ; C. Einstein, Afrik.
Plastik (VII v. Orbis pictus, 1921) ; Frobenius, Das un-
bekannte Afrika (1923) ; Struck, Zur Chronologie der
Benin-Altertümer in Zeitschr. fiir Ethnographie (1923
nr. 5/6) ; Talbot, The peoples of Southern Nigeria
(1926). Knipping.
Bcni Salome, in de Westdelta van den Nijl.
Bekend om de opgravingen onder leiding van H.
Junker (sedert 1928) uit den jongeren steentijd in
Egypte (5000 v. Chr.).
Benjamin, 1° jongste zoon van Jacob, hem
geschonken door Rachel op den weg van Bethel naar
Ephrata. Stervende noemde zij hem Benoni (zoon van
mijn smart), maar Jacob veranderde zijn naam in B.
[zoon van (mijn) geluk]. Met Joseph was B. de lieve-
ling van Jacob, die hem dan ook zeer ongaarne met
zijn broeders naar Egypte liet vertrekken (Gen. 42.4.36;
43.14).
2° De stam B. kreeg zijn gebied tusschen de
stammen Dan, Juda, Ephraim en den Jordaan (Jos.
18.12-20). Onder den rechter Aod streed hij tegen de
Moabieten (Jud. 3.12-30), onder Debbora en Barac
tegen de Kanaanieten (Jud. 5.14). De misdaad der
Gabaonieten (Jud. 19.22-28) gaf aanleiding tot den
broederkrijg tusschen B. en de andere stammen, die
met den bijna algeheelen ondergang van B. eindigde.
Daar men den stam niet wilde laten uitsterven en de
overige stammen gezworen hadden, hun dochters niet
meer aan de Benjaminieten uit te huwelijken, kregen
de 600 overblijvenden 400 meisjes uit de stad Jabes,
en gaf men hun verlof nog 200 meisjes te rooven uit
de stad Silo (Jud. 19-20). Onder Saul, die een Benja-
miniet was, kwam de stam B. weer tot aanzien en
invloed. Na Saul’s dood bleef B. trouw aan diens zoon
Isboseth, maar onderwierp zich ten slotte, door toe-
doen van den veldheer Abner, aan David (2 Reg. 3.9
vlg.). Keuters .
Benjamin, R e n é, Fransch schijver van ro-
mans, tooneelspelen en essays, die met caricaturalen
spot de sporen van Voltaire en Renan in het geestelijk
leven van Frankrijk (vooral in de Sorbonne) vervol-
gen, en ijveren voor de ideeën van de > A c t i o n
F r a n (; a i s e. Zijn bijtende blijspelen kwamen in
Copean’s Théatre du vieux colombier op de planken.
* 1885 te Parijs.
Werken: Les justices de paix de Paris (1913) ;
Gaspard (1915) ; Grandgajou (1918) ; La farce de la
Sorbonne (1921) ; Le palais et les gens de justice (1923) ;
Valentine ou la folie démocratique (1924) ; Antoine
déchainé (1923) ; La Cour d’assises, ses pompes et ses
oeuvres (1928) ; Le soliloque de M. Barrès (1929) ;
Clémenceau dans la retraite (1930). Baur.
Benjamin van Tudela (koninkrijk Navarra),
Oostenreiziger uit 12e eeuw, die zijn bevindingen te
boek stelde in zijn Hebreeuwsch geschrift „Massaot
schel Rabbi Benjamin” (Reizen van Rabbi Benjamin).
Wat uit dit werk bewaard is, biedt kostbare gegevens,
vooral voor de kennis van ’t middeleeuwsche Palestina
en van het toenmalige Jodendom in Oost en West.
B. v. T. drong op zijn tocht door tot in het hart van
Arabië en doorkruiste heel Mesopotamië. Van de vele
uitgaven van zijn geschrift is thans de beste (Engelsch,
Hebr. en comment.): M. N. Adler, The Itinerary of
Benj. of Tudela (Londen 1907). Simons.
Bcnjoar of Raidjoea, klein eilandje in de
onderafd. Roté, ten Z. van Timor (N.O.I.).
Bcnkcndorf, > Benckendorff.
Benkoelen, res. aan de Westkust van Sumatra,
in 1825 onder Ncd. bestuur gekomen bij het tractaat
van Londen. In 1930: 322 619 zielen, waaronder
315 813 Jnl. In het Z. komen veel Lampongers voor
en in het N. M nangkabauers. De Oostelijke afsluiting
wordt gevormd door het Bar isan -gebergte. Langs de
kust een laagvlakte met veel land- en zeewinden. De
landbouw is nog weinig ontwikkeld. De rijstbouw heeft
hoofdzakelijk plaats op ladangs (droge velden), doch de
sawahbouw neemt toe. De vroegere pepercultuur is
sterk achteruitgegaan. Andere producten zijn: koffie,
tabak, pinang en copra, terwijl er ook reeds rubber
en kinacultures zijn. De veeteelt is naast doii landbouw
van zeer veel belang. Ook boschproducten worden
ingezameld en verhandeld. Voor den mijnbouw is
Redjang Lebong het centrum (goud). De arbeid in de
goudmijnen wordt verricht door contract-koelies
Bronsplastiek uit Benin.
571
Benkvoort — Benno II
572
(Javanen, Soendaneezen en Chineezen). De economi-
sche ontwikkeling wordt ernstig belemmerd door het
gebrek aan verkeerswegen. De bevolking is zeer ge-
mengd en woont in hoofdzaak langs de Westkust.
v. Vroonhoven.
Beukvoort, Antonius Joseph, Min-
derbroeder. Gedurende vele jaren bekend retraite- en
missieprediker; * 1829 te Diemerbrug, f 1908 te Megen.
Benlliure y Gil , José, Spaansch schilder.
* 1855 te Canameras de Valencia; leeft in Madrid.
Op 24-jarigen leeftijd vestigde hij zich in Rome; zijn
groote faam verwierf hij na de expositie van zijn doek
„Het Visioen van het Coliseum” (1887). Zijn beide
broers Juan Antonioen Mariano zijn
meer genreschilders.
Voorn, werken: Golgotha (in Albacete) ; Rust
gedurende den marsch (Museo Moderno in Madrid) ;
Meimaand te Valencia (Neue Pinakothek, München) ;
Mis van S. Dominicus. — L i t. : E. Tormo Levante,
Provincias valencianes y murcianes (1923). Knipping.
Ben Mac Dliui, bergtop in de Schotsche hoog-
landen, graafschap Aberdeen (57° 4' N., 3° 39' W.),
1 435 m hoog.
Ben More, naam van verschillende bergtoppen
in Schotland, o.a. op het eiland Muil (66° 24' N.,
6° 2' W.), 970 m hoog, en in het graafschap Suther-
land (58° 7' N., 4° 6r W.), 1 000 m hoog.
Beun, Gottfried, Duitsch dichter van de
> expressionistische richting (Fleisch, 1917) en schrij-
ver van verhalen, waarin de medicus B. graag verwijlt
bij ongure beelden van ziekte en verval. * 2 Mei 1886
te Mannsfeld.
Werken: Gesammelte Schriften (Berlijn 1922
vlg.) ; Gesammelte Gedichte (1927) ; Fazit der Perspek-
tivcn (1930).** |p* ► Baur.
_Benna, Gallische wagen; Fr. benne, banne.
Benndorf, O tt o, archeoloog, * 13 Sept. 1838
in Greiz, f 2 Jan. 1907; 1877 professor te Weenen,
sinds 1881 bekend als leider van archeologische
expedities naar de Zuidkust van Klein -Azië; 1898
directeur van het Archeologisch Instituut te Weenen.
Werken: Die antiken Bildwerke des Lateranischen
Museums (samen met Schöne, 1867) ; Griech. und Sizil.
Vasenbilder (1869 — *83) ; Reisen im südwcstl. Kleinasien,
Reisen in Lykien und Kanen (1884) ; Heroon von Giöl-
baschi (1889) ; Monument von Adamklissi (1895).
W. Vermeulen.
Bcnncbrock, gem. en dorp in de prov. N.H.,
ten Z. van Haarlem, op den geestgrond, aan de spoorlijn
Haarlem — Leiden. Opp. 175 ha. Op 1 Jan. 1933:
2 250 inw., waarvan 50% Kath. De parochie B. telt
1 600 communicanten. Moederhuis van de Religieuzen
Penitenten der Derde Orde van den H. Vader Fran-
ciscus: klooster St. Lucia. Voornaamste middelen
van bestaan: tuinbouw, speciaal bollenteelt.
tan der Meer.
Benncnbroek, S i m o n, Minderbroeder. * 1864
te Someren (N.Br.); ijverde als provinciaal der Neder -
landsche Minderbroeders gedurende de jaren 1910-1916,
1919-1925, voor den steeds hoogeren bloei der
provincie. Thans (1933) pastoor te Oudewater.
Bennet, sir William Sterndale,
de eerste componist sedert Purcell, die een nationalen
Engelschen stijl wist te bereiken. * 13 April 1816 te
Sheffield, f 1 Febr. 1875 te Londen. Schreef 4 piano-
concerten (een in d speelde B. Mendelssohn voor, die
er zijn bewondering over uitsprak), 4 ouvertures,
symphonische muziek (o.a. muziek bij Sophocles*
Ajax), cantates en kamermuziek. Reeser .
Bennett, 1° Enoch Arnold, populair
Eng. romanschrijver. * 1867, f 1931. Zoon van een
advocaat uit het pottenbakkersgebied v. Staffordshire,
journalist tot 1900; woonde daarna meestentijds in
Frankrijk, waar hij een Frangaise huwde, en in Lon-
den; werd romanschrijver van beroep met sterk jour-
nalistieken inslag. Van zijn ongeveer 60 romans en
andere werken
hebben slechts en-
kele letterkundige
waarde, vooral
die, waarin hij
het leven van zijn
geboortestreek be-
schrijft, de zgn.
Five Towns, een
conglomeraat van
industriesteden,
bestaande uit :
Newcastle-under
Lyme, Stoke,
Longton, Burslem
en Tunstall. Hier
is hij de meester
in het nauwkeurig E . A Bennett.
humoristisch be-
schrijven van nauwkeurig en liefdevol waargenomen
mentaliteit en atmosfeer van het kleinburgerlijke
leven. Van minder belang zijn de schilderingen van
het mondaine leven in Londen.
Voorn, romans: Anna of the Five Towns (1902);
The Grand Babylon Hotel (1902) ; Tales of the Five
Towns (1905) ; The Grim Smile of the Five Towns (1907) ;
Buried Alive (1908) ; The Old Wives’ Tale (1908) ; de
trilogie : Clayhanger, Hilda Lessways en These Twain
(1910 — *16); The Pretty Lady (1918): Riceyman Stept
(1923). — L i t. : L. G. Johnson, A. B. of the Five
Towns (1924) ; B. Fehr in : Anglia Beiblatt (1925) ;
Fl. Delattre in Rev. Anglo-Amer. (1926) ; W. L. Cross
in : Four Contemporary Novelists (1930) ; G. West, The
Problem of A. B. (1932). Pompen.
2° James Gordon, Amer. bevorderaar der
luchtvaart. * 10 Mei 1841 te New York, f 14 Mei 1918
bij Nice. Hij volgde zijn vader op als eigenaar en leider
van de New York Herald. Hij zond Stanley uit naar
centraal Afrika om Livingstone op te sporen; ook de
Noordpool-expeditie van de „Jeannette” onder G. W.
de Long, welke in 1879 de Vega zou gaan zoeken, werd
door hem gefinancierd. Tevens is hij bekend als be-
vorderaar van automobielsport. Naar hem zijn ge-
noemd de Gordon -Bennett luchtballon -wedstrijden.
de Visser.
Ben INevIs, bergtop in de Schotsche hooglanden
(66° 48' N., 5° W.), hoogste top van Groot-Brittannië,
1465 m.
Bennigsen, Levin graaf von, Rus-
sisch generaal. * 10 Febr. 1745, f 3 Oct. 1826. B. was
betrokken in den moord op Paul I in 1801, hij werd in
1807 opperbevelhebber tegen Napoleon, leverde op 8
Febr. 1807 den onbeslist gebleven slag bij Eylau,
doch werd op 14 Juni bij Friedland verslagen.
v. Voorst.
Benniidac, > Slijmvissehen.
Bonn in y broek, dorp in de Noord -Holl. gem.
Zijbekarspel, aan de spoorlijn Hoorn -Medemblik.
Benno II, bisschop van Osnabrück, Zalige; * te
Böhningen in Zwaben, f 12 Juli 1088 te Iburg. B.
was een bekend kerkvorst uit de 11e eeuw, handig
diplomaat en uitstekend bouwkundige.
573
/
Benno van Meiszen — Benoit
574
L i t. : G. Winter, Stand der Forschung über die
B.frage in Mitt. des hist. Vereins für Osn. (XXVIII
1904, 293-306) ; J. Hindenberg, B. II als Architekt
(Straatsburg 1921). J. van Rooij.
Benno van Meiszen, Heilige, Benedictijn,
* 1010, f 1106. Is als bisschop van Meiszen in een zeer
scherp conflict gekomen met Hendrik IV; werd ge-
vangen genomen en af gezet, later echter wederom in
zijn ambt hersteld. Vooral bekend als „Slavenapostel”
onder de Sorben. B. is patroon van München en Beie-
ren.
L i t. : Lex. Theol. Kirche (II, 172 vlg.).
Voorstelling in de kunst als ge-
mijterde bisschop met staf. In de hand draagt hij een
boek, waarop een visch ligt, die een paar sleutels in
den bek draagt. Dit herinnert aan zijn strijd met
Hendrik IV. Toen deze in de kathedraal van Meiszen
wilde, hoewel de bisschop hem in den ban had ge-
daan, sloot deze de deuren, wierp de sleutels in de
Elbe en ging in ballingschap naar Rome. In zijn
ambt hersteld, liet hij een visscher het net uitwerpen,
die een visch ophaalde met de sleutels in den bek.
L i t. : Klein, St. Benno (1904).
Benoa, voornaamste haven en uitvoerplaats van
Z.Bali. > Bali.
Benoembaarheid (N e d. Recht). Art. 6
der Grondwet bepaalt, dat ieder Nederlander tot elke
landsbediening benoembaar is, terwijl hiertoe geen
vreemdeling benoembaar is, dan volgens de bepalingen
der wet. Men zou verwachten, dat de hierbedoelde wet
de gevallen zou regelen waarin, en de voorwaarden
waaronder vreemdelingen tot een landsbediening
kunnen worden benoemd. Bedoelde wet evenwel (van
4 Juni 1868, Stbl. 46) somt de betrekkingen op, waartoe
vreemdelingen benoembaar zijn: o.a. consul, consulair
agent, kanselier, hoogleeraar, leeraar, enz.
In art. 170 der Grondwet wordt hetzelfde beginsel
uitgesproken als in art. 6. Volgens art. 170 mag er
t.a.v. het bekleeden van waardigheden, ambten en
bedieningen geen onderscheid worden gemaakt in
verband met godsdienstige gezindte. Stoer.
Benoeming (k e r k e 1 ij k), > Ambtsver-
leening ; (van o n de r w T ij z e r s), > Onderwijzer.
Bcnois, Alexander Nikolajewitsj,
Russ. hist. schilder. * 1870 te Petersburg. Studeerde
aanvankelijk in de rechten, oefende zich daarbij door
zelfstudie in het schilderen en teekenen en ging van
1897—1899 in Parijs werken. Hij schilderde bij voor-
keur hist. onderwerpen en genretaiereelen uit den tijd
van Catharina II en Lodewijk XIV. Maakte aquarellen
en enkele illustraties en was ook schrijver van kunst-
hist. opstellen en critieken.
L i t. : Bénézit, Dict. gén. des peintres. de Stuers.
Bcnoist, 1° Charles, Fransch politiek
schrijver en diplomaat, * 1861 te Courseulles. Eerst
redacteur van de Temps, politiek redacteur van de
Revue des deux Mondes; wijdde zich daarna aan de
politiek. Buitengewoon gezant en gevolmachtigd
minister van Frankrijk in Den Haag van 1920 tot
1924, en bij den paus in 1924.
Werken: Essais historiques sur le 14e siècle (1886);
La Politique (1894) ; L’organisation du travail (2 dln.
1905, 1914) ; Les Nouvelles Frontières de 1’A.llemagne
et la Nouvelle Carte d’Europe (1920) ; Lois de la politique
francaise (1927).
2° E u g è n e, klass. philoloog, prof. in Latijn
te Parijs. Hij bestudeerde vooral Lucretius en Ver-
gilius. * 188Ï te Nangis, f 1887 te Parijs.
Benoist -schaal, een apparaat om de hardheid
van röntgenstralen te schatten. Een dunne zilveren
schijf van ongeveer 0,1 mm dik is omringd door 12
aluminium sectoren met stijgende dikte van 1 tot
12 mm. Op een fluoresceerend scherm, dat dóór dit
apparaat heen bestraald wordt, vindt men één sector,
waarvan de belichting dezelfde is als die van de mid-
denschijf. De dikte van dezen sector geeft een ruwe
aanduiding voor de hardheid van de röntgenstralen
en hun geschiktheid om bepaalde lichaamsdeelen te
doorstralen. De Smcdt.
Benoit, 1° Peter Leonard Leopold,
Vlaarasch componist, * 17 Aug. 1834 te Harelbeke
(W.VL), f 8 Maart 1901 te Antwerpen; studeerde
aan het conservato-
rium te Brussel; prix
de Rome in 1857.
Gedurende een stu-
diereis in Duitsch-
land dient hij bij de
Brusselsche acade-
mie een brochure in :
De Vlaamsche Mu-
ziekschool en haar
Toekomst. Begeeft
zich in 1861 naar
Parijs, waar hij er
niet in slaagt een
opera, „Le roi des
Aulnes”, door het
Théatre Lyrique te
doen aanvaarden en
het ambt bekleedt
van orkestdirigent der Bouffes Parisiens. Teruggekeerd
in zijn vaderland, laat hij er in 1866 een groot oratorium
op VI. tekst: „Lucifer”, uitvoeren, waarmede hij het door
hem voorgestane VI. beginsel doet triomfeeren. In
1867 bestuurder der VI. muziekschool te Antwerpen,
welke in 1897 het K. VI. Conserv. zou worden. B.
wordt de leider der Vlaamsch-Nationale kunstrichting ;
zijn werk is de beste illustratie zijner theorieën. Zij
vertoonen onmiskenbaar die karaktertrekken, welke
den VI. volksaard eigen zijn; zij zijn spontaan, onbe-
dwongen, geestdriftig tot uitbundigheid toe, met
een opmerkelijke voorliefde voor hooge kleur, schit-
tering en grootschheid, die aan geestesverwantschap
met Rubens doen denken. B. is de geniaalste vertegen-
woordiger van het Romantisme in België.
Werken: o.m. Te Deum (1863) ; Requiem (1863) ;
opera’s : Het Dorp in ’t Gebergte, Isa (1867), Pompeia
(1896) ; oratoria : Lucifer (1866), De Schelde, Drama
Christi, De Oorlog (1873) ; De Maaiers (symphonie met
koren) ; tooncelmuziek voor Charlotte Corday (1877),
Willem de Zwijger (1876) ; cantaten : Rubens-cantate
(1877), Antwerpen (1877), De Muze der Geschiedenis
(1880), De Rijn (1889), De Leie, Feestzang ; een
klavierconcerto ; een concerto voor fluit ; liederen :
o.m. Mijn Moederspraak ; klavierstukken : sagen en
balladen ; motetten, een mis, enz. Publicaties : De VI.
Muziekschool van Antwerpen ; Verhandeling over de
Nationale Toonkunde ; De Muzikale Opvoeding in
België ; Het Droombeeld eener muzikale Wereldkunst ;
De Oorsprong van het Cosmopolitisme in de muziek ;
Onze Muzikale Beweging op dramatisch gebied ; Een
Koninklijk VI. Conservatorium te Antwerpen ; Onze
Nederlandsche muzikale Eenheid ; Brieven over Noord-
Nederland. — L i t. : Eeckhoud, P. B. ; Stoffels, P. B.
(1901) ; Gittens, P. B. (Nouvelle Revue internationale
1901-1902) ; Sabbe, In memoriam P. B. (1902) ; Blockx,
P. B. (1904); Herman Baccaert, P.B.
E. V. d. Velde .
575
Benoit de Sainte-More — Benson
576
2° P i e r r e, Fransch romanschrijver in het >
romaneske genre. * 1886 te Albi. Talentvol begonnen,
op het spoor van Kipling, Conan Doyle en vooral
G. H. W< lis, liet B. zich aldra verleiden tot den zeer
begeerden, maar ook zeer vergankelijken en daaren-
boven ethisch te veroordeelen prikkelroman.
Werken: Diadumène (gedichten 1914) ; Koenigs-
mark (1918) ; L’Atlantide (van plagiaat verdacht ; 1919) ;
Pour Don Carlos (1920); Les suppliantes (ged. 1920) ;
Le lac salé (1921); La chaussée des géants en L’oublié
(1922) ; Mlle. de la Ferté (1923) ; Le puits de Jacob
(1925) ; Alberte (1926) ; La ch&telaine du Liban (1927) ;
Axelle (1928). Baur.
Benoit de Sainte-More, Fransche of Anglo-
Normandische trouvfre omstr. 1160, aan het hof
van Hendrik II van Engeland. Vooral bekend om zijn
groote Roman de Troie; waarschijnlijk ook de schrijver
van een Chronique des ducs de Normandie (1172 — ’76),
waarin de Roman du Rou van Wace wordt voortgezet.
Andere werken zijn zeer onzeker. De Roman de Troie,
in 30 000 versregels, is een klassieke geschiedenis in
romantischen vorm, ontleend aan Dictys Cretensis
Ephemeris Belli Troiani (uit de 4e eeuw) en Daretis
Phrygii de Exidio Troiae Historia (uit de 5e eeuw).
Hij is bewaard in 28hss., is in het Latijn bewerkt
door een hofdichter van keizer Frederik II, Guido
delle Colonne, in 1287, en is de bron geweest van alle
latere Troje-romans, ook der Nederlandsche van Jacob
van Maerlant en Seger Dieregodgaf. Eenige episoden
eruit hebben Boccaccio en Chaucer en Shakespeare
geïnspireerd. Pompen.
Benoy, Pieter Jozef, in de tooneelwereld
W i 1 1 e m, acteur, * 3 Juni 1882 te Antwerpen,
leerling van Willem Royaards, sedert 1929 — ’30,
voor een periode van zes jaar, bestuurder van den Kon.
Ned. Schouwburg van Antwerpen. Breidt de lijn,
aangezet door zijn baanbrekenden voorganger dr.
O. De Gruyter, uit: bijdragen tot den cultuurgroei
van het Vlaamsche volk door het tooneel; vandaar
zoo mogelijk klassiek werk als hoofdschotel, vandaar
ook verruiming van het publiek, wat B. tracht te
realiseeren veeleer door afwisseling in het repertorium
dan door het speculeeren op ’s volks laagste instincten.
Staat niet vijandig tegenover vernieuwing, volgt
deze echter met wijze omzichtigheid. Voerde zijn
gezelschap op tot een homogenen en tuchtvollen
troep, die de vergelijking met befaamde uitheemsche
troepen vermag te doorstaan. Godelaine.
Bcnozzo dl Lese, > Gozzoli.
Benrather linie is een zeer belangrijke isoglosse
(grens van een klankverschijnsel), zoo genoemd naar
het plaatsje Benrath ten Zuiden van Düsseldorf.
Zij vormt de grens tusschen het Neder- en Hoog-
duitsche taalgebied. Slechts het uiterste Z.O. hoekje
van Limburg valt binnen de Benrather linie.
Bensbaeh-rivier, rivier op Nieuw Guinee,
inlandsche naam Torassi (monding) 9° 10' Z., 141°
1' 48" O.), in de onderafdeeling Z. Nieuw Guinee,
residentie Amboina, gouvernement der Molukken
(N.O.I.). Ontdekt 16 Febr. 1893 door Posthumus
Meijes en Mac Gregor, die haar den naam van den
toenmaligen resident van Ternate gaven. In het midden
der monding aan de Alfoeren-zee begint de grens tus-
schen het Ned. en Australische gedeelte van Nieuw
Guinee. De B. stroomt zoo goed als geheel op Austra-
lisch gebied. Cappers.
Benschop, gem. in de Loopikerwaard, langs de
Benschopsche Wetering gebouwd. 1 900 inw., waarvan
weinig Kath. De gemeente bestaat, zooals alle plaat-
sen in de Loopikerwaard , van veeteelt en zuivelberei-
ding, waarnaast eenige landbouw en griendcultuur
voorkomt. Een bezienswaardigheid is de Ned. Herv.
kerk (13e eeuw). Akveld.
Bensdorp, Theodorus Franciscus,
priester-Redemptorist, * 10 Sept. 1860 te Amsterdam,
f 2 Dcc. 1917 aldaar; bekend apologeet en ook door
tegenstanders zeer gewaardeerd polemist, schreef over
actueele godsdienstige onderwerpen in brochuren,
tijdschriften en kranten, meestal onder schuilnamen
als Famulus, F. A. Maaier, M. V. Dirckx. Karakter-
trekken: scherpe logica, heldere, boeiende redeneer-
trant, irenische toon, vurige liefde voor de waarheid,
welwillendheid jegens tegenstanders en actualiteit.
Vooral schreef hij over het wonder, het feit der open-
baring, de geschiedkundige waarheid der Evangelie-
verhalen, het goed recht der Mariavereering, het
Godsbestaan. Bekendste brochuren: Heeft God werke-
lijk tot de menschen gesproken? (openbaring); Legende
of historie? (de Evangeliën); Het Wonder (mogelijk-
heid, kenbaarheid, werkelijkheid en bewijskracht);
Waar vinden wij de leer van Christus? (de ware Kerk);
Maria en de Bijbel. Al zijn apologetische artikelen en
polemieken (o.a. met dr. A. Kuyper over de „pluri-
formiteit” der waarheid, en met ds. Bakels en H. Kuy-
per) werden, evenals de brochuren, uitgegeven in de
drie deelen Apologetica van Th. F. Bensdorp C.ss.R.,
verzameld en ingeleid door M. Stoks C.ss.R. (1918 —
1924.
L i t. : M. Stoks, Leven van Pater Th. Bensdorp (1919).
Mosmans.
Benserade, I s a a c de, Fransch modeschrij-
ver van de > precieuze richting. * Nov. 1613 te Lyons-
la-Forêt, f 19 Oct. 1691 te Gentilly. Door het hof
begunstigd om zijn ledige, naar Italiaansche snit vol
> concetti geknutselde galante lyriek en bal-
letten, werd hij in zijn tijd voor een aanzienlijk dichter
gehouden. Zijn sonnet lob, tegen het sonnet
Uran ia van Voiture uitgespeeld, verwekte
tusschen de hofkringen en het Hotel de Rambouillet
in 1649 — ’50 een waren oorlog, la querelle des sonnets,
waarin Balzac en Comeille o.m. betrokken werden.
U i t g . : Oct. Uzanne (Parijs 1875). — L i t. : A. Men-
nung, Der Sonnettenstreit (Leipzig 1899). Baur.
Benson, 1° Arthur Christopher,
Engelsch schrijver en geleerde. * 1862, f 1929. Oudste
zoon van E. W. Benson, Anglic. aartsb. van Canter-
bury. Studeerde te Cambridge, leeraar te Eton in 1885,
prof. te Cambridge in 1904. Master of Magdalene
College in 1915.
Werken: Poems (1893) ; lyrics (1895) : geschiedenis
van Eton (1899) ; Life of Archbishop Benson (1899).
Voor de English Men of Letters : Rossetti (1904), Fitz-
gerald (1905) en Walter Pater (1906). Verder : From a
College Window (1906) ; The Altar Fire (1907) ; Ruskin,
a Study in Personality (1911) ; Hugh, Memoirs of a
Brother (1914).
2° Edward Frederic, Eng. romanschrijver.
* 1867, derde zoon van E. W. Benson, Anglic. aartsb.
van Canterbury. Heeft archeologische onderzoekingen
gedaan in Athene en Egypte (1892 — ’95) en veel ge-
reisd in Algiers, Egypte, Griekenland en Italië.
Zeer vruchtbaar romanschrijver sedert 1893, vooral
van het Londensch society-leven.
Werken: o.a. Dodo (1893) ; Rubicon (1894) ; The
Angel of Pain (1906) ; Dodo the Second (1914) ; Arundel
1914) ; The Freaks of Mayfair (1916) ; Dodo wonders
1921) ; Pharisees and Publicans (1926) ; Spook Stories
NlCOLAAS BERCHEM IJsgezicht (teekening in het museum Teyler-stichting, Haarlem)
577
Bent — Bentinck
578
(1928) ; As We Werc (1930) ; Travail of Gold (1933) ;
Life of King Edward VII (1933), enz.
3 ° R o b e r t Hugh, Eng. Schrijver, Katholiek
bekeerling. * 1871, f 1914; vierde zoon van E. W.
Benson, Anglic. aartsb. van Canterbury. Studeerde
te Eton en te Cambridge; ontving de Anglicaansche
priesterwijding in 1895. Werkte voor de zielzorg in
de achterbuurten van Londen en ging in 1898 naar een
Anglicaansch klooster te Mirfield. Dit verliet hij in
1903, schreef The Light Invisible, en werd Katholiek
in hetzelfde jaar; schreef het volgende jaar zijn eersten
grooten hist. roman over de vervolgingen onder konin-
gin Elizabeth: By What Authority. Katholiek priester
gewijd te Rome in 1904, woonde hij tot 1908 te Cam-
bridge, studeerende en schrijvende. Daarna vestigde
hij zich tot zijn dood te Buntingford in Hertfords hire.
Benoemd tot Geheim Kamerheer in 1911. Stierf
bij zijn geliefden broer A. C. B.
Werken: The King’s Achievement (1905 ; over
Hendrik VIII) ; The Queens Tragedy (1906 ; over
koningin Maria de Katholieke) ; The History of Richard
Raynal, Solitary (1906 ; de gefingeerde levensbeschrij-
ving van een eremiet in de 15e eeuw) ; The Sentimenta-
list8 (1906) en The Conventionalists (1908), psycholo-
gische romans ; A Mirror of Shalott (1907) en The Papers
of a Pariah (1907), schilderachtige beschrijvingen van
de Kath. liturgie ; The Lord of the World (1907 ; een
roman over het einde der wereld en den antichrist) ;
The Necromancers (1909 ; over spiritisme) ; None other
Gods (1910); Come Rack, Come Rope (1912); An
Average Man (1913) ; Oddsfish (1914; over Karei II).
Eenige levendige en zeer oorspronkelijke series preeken :
The Religion of the Plain Man (1906) ; Christ in the
Church (1911); The Friendship of Christ (1912) en
Paradoxes of Catholicism (1913). Verschillende kleinere
werken. De meeste ook in Nederl. vert. o.a. door Albertine
Steenhoff-Smulders. — L i t. : A. C. Benson, Hugh
(1914) ; C. C. Martindale S.J., biogr. (1916), en in Dict. of
Nat. Biogr. Suppl. (1927) ; een uitvoerige studie van
B.’s romans door L. Franke S.J. (in Studiën 88, 1917)
én door P. Braybrooke (in Some Catholic Novellists,
1931) ; The Coward (bespr. door W. Nieuwenhuis in
De Katholiek 142, 1912) ; Oddsfish (door M. Sloot in De
Kath. 147, 1915).
4 ° S t e 1 1 a, moderne Eng. romanschrijfster,
niet verwant met bovengenoemde Bensons. * 1892.
Heeft meest in het buitenland, Zwitserland enz.
gewoond; van 1918 tot 1920 in Califomië. Huwde in
1921 met een Ier, J. C. O’Gorman Anderson, in dienst
bij de douane in China.
5. Werken: This is the End (1917) ; The Poor Man
(1922) ; Worlds within Worlds (1928) ; Tobit Trans*
planted (1931) ; Hope against Hope and other Stories
(1931). — L i t. : Jos. Panhuysen, in De Tijd van Zondag
26 April 1931. Pompen.
Bent (Molinia coerulea), ook bentgras,
pionten, eenknoop of blauwe eenknoop genaamd,
minderwaardige grassoort, welke vooral voorkomt
op veengronden in pollen. Wordt wel gebruikt voor
bet maken van bezems, dokken (onder pannen) en
voor het dekken van schuren (i.p.v. riet of stroo).
> Smeele; ■> Zegge. Bles.
Bent, 1° James Theodor, Engelsch
archeoloog. * 30 Maart 1862 bij Leeds, f 5 Mei 1897
te Londen; wijdde zich vanaf 1885 aan archeologische
onderzoekingen, achtereenvolgens in KIe in -Azië,
Zuid- en Oost-Afrika, Abessinië en Arabië.
2° J o h a n van der, schilder te Amsterdam.
* 1660, f 1690. Zijn genre bestaat vooral uit land-
schappen met herdcrsscènes in den trant van Nic.
Berchem, maar aanmerkelijk zwakker.
Lit. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Bèntèncj, Indische versterking, bestaande uit
vierkante aarden omwalling, lengtezijden ca. 200 m,
hoogte 2 m, gedeeltelijk door een moddergracht of
door een palissadeering omringd. Iedere zijde heeft
een ingangspoort met bovenliggend wachthuisje.
Bentgras, > Bent.
Bentham ,1°George, Engelsch plantkundige,
* 1800, f 1884. Hij begon met het bestudceren van do
flora in de Pyreneeën tijdens zijn verblijf in Zuid-
Frankrijk, studeerde vervolgens te Londen in de
rechten, maar gaf zich ten slotte geheel aan de botanie,
speciaal de flora van de Engelsche koloniën. Hij was
ook president van de Linean Society.
Werken: Handbook of the British flora (1858),
Flora honkongensis (1861) ; Flora australicnsis (met F. v.
Muller, 5 dln. 1863-70) ; Genera plantarum (met J. D.
Hooker, 3 dln. 1862-’83). Bouman.
2 ° J e r e m y, wijsgeer, vooral staats- en rechts-
kundige; * 15 Febr. 1748 te Londen, f 6 Juni 1832
aldaar. Slaagde niet in een advocatenpraktijk, erfde
een groot fortuin en wijdde zich uitsluitend aan de
wetenschap en het uitdenken van hervormingsplannen.
B. is de vernieuwer van het utilitarisme: een leer,
die als doel van alle dingen beschouwt „het grootste
geluk van het grootste getal”. Onder geluk verstaat
hij dan het plezier of den lust; verschil in waarde
tusschen de verschillende soorten van lust erkent hij
niet, alleen verschil van intensiteit en duur. In de
economie is hij volgeling van de vrijhandels leer van
A. Smith.
U i t g. van zijn „Works” door dr. Browning (Edin-
burgh 1838-1843). de Bruin.
Bcnthciin, stadje in het Pruisisch regeerings-
district Osnabrück, provincie Hannover, 8 km van
de Nederlandsche grens, aan de spoorlijn Oldenzaal —
Osnabrück — Hannover. B. ligt op een zandsteen-
plateau, 110 m boven zeeniveau, en heeft ca. 3 300
inw., overvegend Prot.
De zandsteen wordt als bouwsteen gebruikt (paleis
op den Dam te Amsterdam). De zwavelhoudende
bronnen dienen ter behandeling van rheuma, jicht
en neuralgie. Lips.
Benthcim, Lüder von, bouwmeester te
Bremen, * ca. 1550, f ca. 1613; onderging in zijn
monumentale werken (verbouwing van het stadhuis
van Bremen, 1609 — ’14) sterk den invloed der Ned.
Renaissance.
Lit.: Dehio, Gesch. der deutschen Kunstdenkmaler
(V 1928) ; G. Paul, Das Rathaus zu Bremen, in Die
Baukunst (I. 6).
Benthcimer steen, een lichtgeel gekleurde
zandsteen uit het onder-Krijt, in de omgeving van
Bentheim aan de oppervlakte komende. Dit vrij
zachte gesteente wordt wel als bouwsteen gebruikt,
maar is niet geschikt voor constructie -onderdeden,
die een zware belasting moeten kunnen doorstaan.
Hojsteenge.
Benthuizen, gemeente in Z. Holland, ten O.
van Den Haag in de Hoogeveen- en Benthornpolders.
Opp. 1 226 ha, ca. 1 000 inw. (Prot.).
Bentinck, oud adellijk geslacht, sedert 1304
aanwijsbaar in Geldersche oorkonden; de meest
bekende is Hans Willem, * 1649, f 1709, de
beroemde vriend van stadhouder Willem III; bij
degroote onderneming tegen Engeland in 1688
ging hij mede en kreeg in 1689 den titel van
graaf van Portland. Hij had twee zonen, waarvan
de oudste, Hendrik, de stamvader werd der
IV. i#
679
Bentivoglio — Benvenutus Mareri
580
hertogen r van Portland en zich, door latere ver-
wantschap met het
huis Cavendish-Har-
ley, noemde Caven-
dish -Bent inck ; de j on -
gere, W illem, huw-
de met de erfdochter
der West-Duitsche
graven van Alden-
burg en werd in 1732
door keizer Karei VI
tot rijksgraaf verhe-
ven; hij speelde weer
een groote rol in de
Nederlandsche Repu-
bliek ten tijde van
stadhouder W illem IV
Stamwapen van de fam.
Bentinck.
en werd later door] den hertog van Brunswijk ver-
drongen.
L i t. : Nieuw Ned. Biogr. Wb. (I en II). v. Gorkom.
Bentivoglio, G u i d o, buitengewoon bekwaam
diplomaat, die ook als redenaar en schrijver groote
talenten bezat. * 1579 te Ferrara, f 1644 te Rome.
Nuntius te Brussel (1607 — 1615) en te Parijs (1616 —
1621). Kardinaal in 1621. Zijn goed geschreven Della
guerra di Fiandra (1559 — 1607) geeft een kijk op den
Ned. opstand tegen Spanje van Kath. geestelijk
standpunt. Voor den tijd van zijn nuntiatuur zijn van
beteekenis de Relazioni del card. B. in tempo della
sua nunziatura.
L i t. : Buil. de lTnstitut historique beige de Rome
(VIII 1928). Cornelissen.
Bentley, 1° John Francis, Eng. archi-
tect, * 1839 te Doncaster, f 1902 te Londen. Ont-
werper van de Kath. kathedraal van Westminstei
(Londen), een machtig interieur met koepelgewelven.
2° R i c h a r d, Engelsch letterkundige, de groot-
ste philoloog der 18e eeuw, * 1662 te Oulton, van 1700
af tot aan zijn dood (1742) Master van het Trinity
College te Oxford.
Van zijn buitenge-
wone scherpzinnig-
heid als criticus ge-
tuigen zijn tekstuit-
gaven : Fragmenten
van Philemon en
Menander (1710),
^ Horatius (1711) met
meer dan 700 tekst-
correct ies ; T erent ius ,
Phaedrus en Publi-
lius Syrus (1726)
met ca. 1000 tekst-
correcties en een
merkwaardige inlei-
t,. . , „ .ding over de me-
Richard Benüey. ! triek van Terentius;
Manilius (1739). Hij herstelde inschriften van Delos
(1721) en Chalcedon (1728) en in Homerus ontdekte hij
de digamma. Zijn eruditie en methodische geest schitte-
ren echter het meest in zijn monographieën, w.o.
Letter ad Mill (1691), waarin, naast een grondige
studie over het Attisch drama, ook een studie over
Ion van Chios, alsook de herontdekking der zgn.
synapheia in de Grieksche metriek en tekstverbete-
ringen van meer dan 60 Grieksche auteurs voorkomen ;
The Epistles of Phalaris (1697), een model van
dissertatie en tevens een meesterwerk van strijd-
schrift, handelend over de authenticiteit en het ont-
staan der apocrvphe (maar tot dan toe voor echt
gehouden!) Grieksche briefliteratuur, evenals over
het ontstaan der Aesopische fabels. — Groot was
de invloed van B. in Engeland, waar hij school vormde,
en in Holland, waar hij o.m. Graevius, P. Burman
en vooral Hemsterhuys leidde en bezielde. Zijn lastig
karakter, zoowel als zijn onvervalschte liefde voor de
waarheid waren spreekwoordelijk. V. Pottelbergh .
Bentveld, > Aerdenhout.
Bentvogels. De Nederlandsche schilders, die
in de 16e en 17e eeuw naar Italië gingen ter verdere
studie of ontwikkeling, vereenigden zich langzamer-
hand tot een gezelschap, „de bent” genaamd. De leden
van dien bond waren de „bentvogels”. De bent was
een gezelschap, dat meer gezelligheid en vermaak
zocht, dan wel artistieke bedoelingen nastreefde*
De leden werden „gedoopt” met een naam, die hen
dikwijls karakteristiek typeerde. Karei Dujardin
heette „bokkebaart”, Jan Lis „Pan”, Hans Jordaens
„brijpotlepel”, Adriaan van der Kabel „Koridon”,
Abraham Genvels „Archimedes”, enz. Het schijnt,
dat in het begin der 17e eeuw de bent ook reglementen
gehad heeft, doch het tijdelijk karakter van het lid-
maatschap kon de organisatie geen vaste gronden
geven. S willens,
Bentzon, Théodore Blanc de, geb.
Thérèse de Solms, Fransch schrijfster van een gezonde
en onderhoudende romankunst, die, behoudens haar
grooter ethische zuiverheid, aan George Sand laat
denken. Zij trad ook op als cultuur-bemiddelares met
Amerika. * 21 Sept. 1840 te Seine-Port, f 7 Febr. 1907
te Meudon.
Werken: Un divorce (1872) ; La grande saulière
(1877) ; Littératures et moeurs étrangères (1882) ;
Tête folie (1883) ; Les nouveaux romanciers américains
(1884) ; Constance (1891) ; Une doublé épreuve (1896) ;
Choses et gens d’Amérique (1898) ; Les Américaines chea
elles (1904). Baur.
Benuras, D a f y d d, een Wallis isch bard,
die dichtte ter eere van het Gwynedd-koningshuis
en vooral van Llyweln ab Iorwerth, den grootsten
vorst van dat huis. * 1190, f 1240.
L i t . : Hastings, Encyclopaedia of Religion and
Ethics (II 1909) ; Revue Celtique (XLI 1924, 412 vlg.).
Benvenuto di Giovanni di Meo del
Guasta, Ital. schilder uit Siena, leerling van
Vecchietta; * ca. 1436, f ca. 1518. Zijn origineel
kleurencomplex, een verfijnde uitwerking van details
in gelaat en draperie, een overslanke bevalligheid
in de houding zijner figuren vormen de kenmerkende
eigenschappen van zijn werk. Zijn kleuren vervalen
later, terwijl het gedetailleerde in zijn kunst verdort
tot verstandelijk maakwerk. De invloed van Matteo
di Giovanni (na 1475) schijnt daaraan niet vreemd te
zijn.
Voorn, werken: fresco’s in het Baptisterium
van S. Giovanni (Siena, waarsch. naar teekeningen van
Vecchietta) met voorst, der legende van Sint Antonius,
abt (1455) ; Boodschap aan Maria, tusschen St. Michael
en de H. Catharina van Alex. (1466, voor de S. Girolamo
te Volterra, nu Museo eivico aldaar) ; idem, voorst, in
de Observanten-kerk te Sinalunga (1470) ; Aanbidding
der Wijzen (1475, Abdy Coll. Londen) ; Moord der
Onnoozele Kinderen (Aix en Prov.). — L i t. : Berenson,
The central italian painters of the Renaissance ( 3 1900) ;
Venturi, Storia dell’ arte ital. (VII 1901, 505 vlg.) ;
Dami, Siena e le sue opere d’arte (1915, 148 vlg.).
Knipping.
Benvenutus Mareri, Zalige, Franciscaner
581
Benvenutus van Gubbio — Benzinebelasting
leekebroeder; * te Recanati, f 5 Mei 1289 aldaar.
Hij bezat de gave der contemplatie. Zijn vereering
werd door Pius VII bekrachtigd. Feestdag in de Orde
21 Mei.
Benvenutus van Gubbio, Zalige, Francis-
caan; f 27 Juni 1232 te Cometo (Apulië). B. was een
voornaam ridder, werd ca. 1222 door den H. Francis-
cus in de Orde opgenomen en verpleegde als leeke-
broeder de melaatschen. Hij is bekend om zijn vurige
vereering der H. Eucharistie en mystieke begenadiging.
Feestdag in de Orde 27 Juni. J. v. Rovij.
Benz, 1° Car 1 Friedrich, Duitsch inge-
nieur, een der pioniers in de automobielindustrie;
* 1844 te Karlsruhe, f 1930. Construeerde onafhanke-
lijk van Daimler in 1885 een practisch bruikbaren
benzinemotor.
2° R i c h a r d, Duitsch literair-historicus
van neo-Romantische, neo-Gotische strekking. * 12
Juni 1884 te Reichenbach. B. hoopt, door studie van
de oude Duitsche volksboeken en sprookjes, de moderne
letterkunde zuiverder Germaansch te maken.
Werken: Alte deutsche Legenden (1910) ; Die
deutschen Volksbücher (1913) ; Legenda aurea (1925) ;
Marchendichtung der Roman tiker ( 2 1926) ; Renaissance
nnd Gotik (1928). Baur.
Benzaldchyd , bittere amandelolie, is een kleur-
looze, sterk lichtbrekende vloeistof met een aange-
namen, aan bittere amandelen herinnerenden geur.
Het komt in de natuur gebonden voor in > amyg-
daline. Wordt gebruikt bij de bereiding van sommige
kleurstoffen, in de parfumerie, bij de likeurfabricatie
en in banketbakkerijen. Indien het alleen dient om
een amandelachtigen geur te veroorzaken, wordt
het meestal door het eveneens naar amandelen rui-
kende maar veel goedkoopere nitrobenzol vervangen
(zeep).
Benzaldehyd, formule C 6 H 5 . CHO is het eenvou-
digste aromatisch aldehyd, smeltpunt — 26°C, kook-
punt 179°C. Technisch bereid door het, bij de chlo-
reer ing van toluol verkregen, benzalchloride
C 6 H 5 . CHC1 2 met water te verwarmen en het gevormde
b. over te destilleeren. Het ruwe product wordt door
behandeling met zwaveligzuur gezuiverd. Slecht
oplosbaar in water, gemakkelijk in alcohol en aether,
wordt door zuurstof van de lucht langzaam tot benzoë -
zuur geoxydeerd. Verschillende derivaten van b.,
zooals chloor-oxy-nitro- en aminobenzaldehyden,
hebben groote beteekenis in de kleurstoffenindustrie.
Hoogeveen m
Bcnzalgroep. Deze atoomgroep C 6 H 6 . CH is
op zichzelf niet bekend, maar wordt in enkele verbin-
dingen aangetroffen; bijv. C fl H s . CHCL = benzal-
chloride.
Benzeen, > Benzol.
Benzelius, Erik (eigenl. B e n z e 1), Zweedsch
polygraaf en Lutheraan sch aartsbisschop van Upsala.
* 1657, f 1743. Veelzijdig ontwikkeld door lange
studie-verblijven in West-Europa, deed B. vooral
aan kerkgeschiedenis en Noorsche archeologie. Hij
gaf den stoot tot de studie van het Gotisch, door zijn
uitgave van den Codex argenteus.
Werken: Ulphilas illustratus (1708) ; Monumenta
historica veteris ecclesiae sveogothicae (1709). Baur .
Benzidine , NH 2 C 6 H 4 C 6 H 4 NH ? , kristalpoeder,
moeilijk oplosbaar in water, gemakkelijk in aether,
smeltp. 128°C. Gebruikt in de kleurstof fenfabricage,
ter zuivering van aether, waarmede het een goed
582
gekristalliseerde verbinding vormt, en als reagens
op bloed (> Benzidine-proef). Hülen.
Benzidine-procf. Als men benzidine oplost
in bepaalde hoeveelheden alcohol, ijsazijn en water-
stofperoxyde en deze oplossing in aanraking brengt
met bloed of stoffen, waarin bloed voorkomt, dan
ontstaat een groene verkleuring, die spoedig, vooral
bij aanwezigheid van iets meer bloed, in blauw over-
gaat. Door deze proef kan men zelfs zeer kleine hoe-
veelheden bloed op het spoor komen, o.a. in ontlasting.
v. d. Sterren .
Benzine (Eng.: petrol, gasoline), een mengsel
van laagkokende koolwaterstoffen, verkregen bij de
destillatie van ruwe aardolie. Ook bij de hydreering
van bruinkool en steenkool verkrijgt men b. (Bergius-
proces). B. is practisch onoplosbaar in water, evenwel
mengbaar met vele organische oplosmiddelen. Als
goed oplosmiddel voor oliën, vetten en harsen gebruikt
men b. als extractiemiddel.
Vele huisvrouwen maken hiervan gebruik om kleerep
te reinigen. Dit moet echter sterk worden afgeraden,
daar benzine zeer brandbaar is en benzinedampen
kunnen explodeeren. Reeds vele ongelukken zijn
hierbij voorgekomen, ook in gevallen, waarbij het vuur
meer dan 20 meter verwijderd was. Indien men npod-
zakelijk met benzine moet werken, dan in alle geval
in de open lucht.
De belangrijkste toepassing van b. is evenwel ajs
drijfstof voor explosie-motoren. Het normale, hiervoor
gebruikte handelsproduct heeft een kooktraject van
ca. 30°C tot ca. 200°C. Het s.g. van b. is, behalve van
het kooktraject, in sterke mate afhankelijk van de
geaardheid van de aanwezige koolwaterstoffen.
Behalve door destillatie van ruwe aardolie wordt
momenteel een zeer groot gedeelte van de voor motoren
benoodigde b. verkregen door „cracking” van hooger
kokende aardolieproducten. De op de^e wijze verkregen
„anti -knock” -benzine munt uit dóór een hoog octaan
getal. Hoogeveen/ Tullener s.
Bcnzinebelastincj (N e d. Bel. tech t), belas-
ting ten bedrage van 6 gld. per 100 kg benzine, geheven
volgens de wet van 19 Dec. 1931 (Stbl. nr. 527).
Deze belasting is geconstrueerd als een bijzonder
invoerrecht, dat niet alleen verschuldigd is bij invoer
van benzine, al dan niet over entrepot, doch ook na
w'inning in Ned. uit aardolie of andere grondstoffen.
Onder „winning” valt niet het met vergunning van
den min. van Fin. raffineeren van benzine of weder
afscheiden van in eenig bedrijf aan een stof toegevoegde
benzine. Bij invoer van benzine is naast het boven-
genoemde bijzondere invoerrecht ook het recht van
post 96 van het tarief van invoerrechten verschuldigd,
nl. 1,25 gld. per 100 kg (bij invoer in verpakten staat
of in tabletvorm wordt 10% van de waarde geheven).
Volgens art. 18 van de tariefwet kan voor dit laatste
invoerrecht vrijstelling worden verleend bij gebruik
der benzine als hulpmiddel bij de werkzaamheden
in fabrieken, trafieken, bij landbouw, tuinbouw en
veeteelt; deze vrijstelling kan ook worden toegekend
t.a.v. het bijzondere invoerrecht, indien benzine als
grondstof bij de werkzaamheden in fabrieken en tra-
fieken wordt gebezigd. De wet omschrijft, wat onder
„benzine” moet worden verstaan. De b. is een van de
middelen geweest, waarmede de regeering het tekört,
dat op de rijksbegrooting over 1932 werd verwacht,
heeft trachten te dekken. Ten tijde van de invoering
van deze belasting was de benzineprijs belangrijk
gedaald ; deze belasting is toen verdedigd als een
583
Benzinefilter — Benzocaine
584
con junc tuurb clast ing . Haar opbrengst over 1932 werd
geraamd op 10 600 000 gld. in hoofdsom. De werke-
lijke opbrengst wordt niet afzonderlijk gepubliceerd;
zij is begrepen onder de opbrengst van de invoerrechten.
Van 1 Jan. 1933 tot en met 30 Juni 1934 worden
30 opcenten geheven, zoowel van het bijzondere
invoerrecht (6 gld.) als van het hierboven bedoelde
invoerrecht volgens post 96 van het tarief. Smeets.
Belg. Recht. De wet voorziet een forfaitaire
overdrachttaks van 9% op de motorbrandstoffen,
waaronder al de benzolbrandstoffen. Deze taks wordt
gekweten bij de voortbrenging, zoo het inheemsche
producten geldt, en bij de in verbruikverklaring, zoo
het over ingevoerde producten gaat; zij dekt alle
verdere overdrachten (K.B. 18 October 1933). De
motorbrandstoffen evenals de andere lichte minerale
oliën geven eveneens aanleiding tot tol- en
acc ij narechten. Rondou.
Benzineülter (*- Automobiel) dient tot het
zuiveren der benzine, die van den vergaarbak naar
den carburator wordt gevoerd. Het zuiveren geschiedt
laadvermogen, vliegtuig, vliegboot (Dornier), lucht-
schip (Zeppelin).
De concurrentie, hiervan ondervonden, bracht den
b. in het railverkeer: ro-railer (Eng.), Micheline (Fr.),
rail-zeppelin, rail-autobus, locomotor, motorrijtuig,
spoorfiets voor inspectie. Verder: tractors in gebruik
bij expediteurs, in circussen, in het leger en den land-
bouw. Transportkarren in fabrieken en magazijnen,
op de perrons voor bagage, oorlogstanks, motor-
ploegen, brandspuiten, hooi- en grasmaaimachines,
voor het aandrijven van werktuigen als pompen (water-
voorziening, drooghouden van bouwputten), dynamo’s
(verlichting), betonmolens, enz.
Er is evenwel rekening mede te houden, dat op
verschillend hierboven genoemd gebied de b. weder
verdrongen zal worden door den nog in ontwikkeling
verkeerenden, zuiniger werkenden en minder brand-
gevaarlijken Diesel-oliemotor. Pot.
Benzincmotorwagen, type motorwagen, met
benzinemotoren gedreven. -> Tractiesysteem.
Benzinepomp (-»- Automobiel) dient tot het
aanvoeren der benzine van den vergaarbak naar den
carburator. Er bestaan mechanische pompen, die
Mechanische benzinepomp.
A. Lichaam van de pomp. E. Diaphragrne.
B. Filter. F. Deksel, dat ventiels draagt.
C. Gekartelde knop. G. Toelaatventiel.
D. Beugel. H. Uitlaatventiel.
ofwel door een koperen zeef of door een zeef, samen-
gesteld uit een aantal op elkaar gedrukte plaatjes,
die de onzuiverheden tegenhouden. Guljé.
Benzinemotor, explosiemotor. Wordt vervaar-
digd uit één of meer cilinders. De ééneilindermotor
wordt betrekkelijk weinig toegepast, daarentegen
worden voor auto’s, motorbooten, vliegmachines
vooral benzine-meercilindermotoren gebruikt, daar
zij door zindelijkheid in gebruik, eenvoudige construc-
tie en gemakkelijke bediening de voorkeur genieten
boven zwaaroliemotoren, welke evenwel in brandstof-
kosten voordeel iger in gebruik zijn. Beukers.
Toepassing. De groote ontwikkeling van
den b. na den oorlog en de daarbij verkregen bedrijfs-
zekerheid en eenvoudige bediening hebben tot toe-
passing op elk gebied geleid. Zoo vindt men op ver-
keersgebied: den personenauto, autobus, motorfiets,
motorboot, fiets met ingebouwden motor, buiten-
boordmotor, bestel- en vrachtauto van 1 tot 20 ton
meestal door de excentriekas, en electrische pompen,
die met den stroom der batterij worden gedreven.
Deze benzinepompen zijn meestal met den benzine-
filter tot één geheel samengebouwd. Guljé.
Bcnzmann, Hans, Duitsch dichter en letter-
kundig vulgarisator. * 27 Sept. 1869 te Kolberg,
f 9 Jan. 1926 te Berlijn.
Werken: Die deutsche Ballade (1913) ; Aus-
gcw&hlte Gedichte (1919); Moderne deutsche Lyrik
(i°o 1921).
Benzoatcn zijn de zouten van benzoëzuur.
Benzocaine, anaesthesine, p. amidobenzoëzure
aethylester, C 6 H 4 NH 2 COOC a H 6 , wit, smaak- en reuk-
loos kristalpoeder, dat op den tong een gevoel van
verdooving teweeg brengt, slecht oplosbaar in water,
goed in spiritus, beter in olie. Gebruikt o.a. in dranken
en zalven als plaatselijk verdoovend middel; voor
inspuitingen de beter oplosbare zoutzuurverbinding.
L i t. : Ned. Pharm. Ed. (V). Hillcn.
585
Benzoë — Benzoylchloride
586
Benzoë, de uit de verwonde stammen van eenige
Styraxsoorten gevloeide balsem, die in de lucht hard
geworden is. Men onderscheidt: Sumatra- en Siam-
benzoë. De eerste (Ind.: Menjan), die vnl. in de resi-
denties Tapanoeli en Palembang, van de op inlandsche
aanplantingen voorkomende Styrax Benzoin Dryand
e.a. gewonnen wordt, bestaat uit een grijs- of rood-
bruinachtige massa, waarin rijke lijk witte korrels
verspreid liggen; er komen twee soorten van voor, de
eene bevat in hoofdzaak benzoëzure-, de andere kaneel-
zure resinolen. De Siam-benzoë, afkomstig van Styrax
tontrinensis Craib, bestaat uit losse of zwak samen-
gekleefde onregelmatige, tot 3 cm groote brosse
stukken, die uitwendig bruin, inwendig melkwit
en op de breuk glanzend zijn.
Kaneelzuur-vrije b. wordt gebruikt voor de berei-
ding van benzoëzuur, de andere ook voor tinctuur,
zalf, kosmetische middelen en wierook.
L i t. : Comment. Ned. Pharm. Ed. (V, 2).
Hillen.
Bcnzoëboom , Styrax benzoin, een
in den Indischen Archipel en Achter-Indië voorkomen-
de boom van de familie der Styracaceae. Dit gewas
ievert benzochars voor den handel, dat wordt verkre-
gen door inkervingen in de schors, waardoor de snel
verhardende vloeibare massa te voorschijn komt;
grootendeels een product uit Sumatra en Siam en
was waarsch. in de Oudheid reeds bekend. Ook van de
Uraziliaansche soorten wordt hars gewonnen, dat als
wierook wordt gebruikt. Bonman.
Benzoëhars. asa dulcis, door inkerving gewonnen
van den > Benzoëboom. B. bevat benzoëzuur, dikwijls
ook kaneelzuur en wordt gebruikt voor reukwerk en
lak.
Benzoëreuzel wordt verkregen door reuzel met
benzoë te verwarmen en te filtreeren. Wordt minder
spoedig rans dan gewone reuzel, daar benzoë de ont-
wikkeling van micro -organismen tegenhoudt.
L i t. : Ned. Pharm. Ed. (V).
Benzoë lint* tuur, donkergele tot bruinroode
vloeistof, verkregen door oplossen van benzoë in spiri-
tus.
Lit. : Ned. Pharm. Ed. (V).
Benzoëzuur of Benzeencarbonzuur
is een kleurlooze vaste stof, die haar naam dankt aan
het voorkomen in benzoëhars, waaruit het door subli-
meeren verkregen kan worden. Wordt gebruikt voor
het conserveeren van levensmiddelen, hetgeen echter
in vele landen aan strenge regels is gebonden; o.a.
is in Nederland het gebruik bij de Warenwet geregeld.
Dient verder voor het sausen van dure sigaren en
sigaretten, de bereiding van kleurstoffen en als uit-
gangsproduct voor andere chemische praeparaten.
Het eenigszins geelachtig gekleurd, uit benzoëhars
verkregen product vindt toepassing in de geneeskunde.
Benzoëzuur. formule C 6 H 6 . COOH wordt technisch
verkregen uit toluol, dat door chloreering omgezet
wordt in benzotrichloride en vervolgens met water
en kalkmelk in b. Witte glanzende naalden of plaatjes,
smeltpunt 121,5°C, kookpunt 249°C, maar sublimeert
reeds bij 100°C. Met waterdamp vluchtig, gemakkelijk
oplosbaar in alcohol en aether. Van de zouten, ben-
zoaten, wordt het natriumzout, C 6 H 6 . C0 2 Na -f H 2 0,
als conserveermiddel en het magnesiumzout,
(CgH 6 . C0 2 ) 2 Mg + 3H 2 0, in de geneeskunde gebruikt.
Hoogeveen .
Benzogel, > Gel.
Benzol of Benzeen is een kleurlooze, zeer
brandbare vloeistof, die in de industrie óf als hulpstof
óf als grondstof veel gebruikt wordt. Dient als oplos-
middel van jodium, zwavel, phosphor, harsen, vetten,
caoutchouc en vele chemische praeparaten. Vindt als
extractiemiddel in de linoleum-lak-gummifabrieken
en chemische wasscherijen toepassing, terwijl het ook
als motorbrandstof gebruikt wordt.
In den handel verstaat men onder b. een mengsel
van aromatische koolwaterstoffen, die uit steenkolen-
teer worden verkregen en beneden 200° C dcstilleeren,
zooals benzol, toluol en hoogere homologen. Wordt
een percentage opgegeven, dan beteekent dit niet,
dat zooveel zuivere benzol aanwezig is, maar dat dit
percentage van de vloeistof beneden 100° destilleert,
en voor het grootste gedeelte bestaat uit benzol (kook-
punt 80° C) naast toluol (kookp. 111° C.) Bijv. 90%-ige
b. beteekent een vloeistof, die voor 90% beneden 100°
overdestilleert, waarbij deze vloeistof in werkelijkheid
slechts 81 — 84% b. bevat. Zware b. destilleert tus-
sohen 120° en 190° C en bevat dus heelemaal geen b.
meer. Benzol, formule C 6 H 6 , wordt hoofdzakelijk uit
steenkolenteer gewonnen.
Synthetisch kan het o.a. verkregen worden door
droge destillatie van benzoëzure-calcium met kalk
of polymerisatie van acetyleen. Smeltp. 5,ö° C, kookp.
80° C; s.g. bij 20°: 0,878»; refractie bij 20°: 1,601, niet
mengbaar met water, daarentegen in alle verhoudingen
met sterken alcohol. Brandt met een sterk roetende
vlam en kan met lucht explosieve mengsels geven.
Blusschen met zand. Wordt b. langen tijd ingeademd,
dan kunnen ernstige vergiftigingsverschijnselen op-
treden, die zelfs den dood ten gevolge kunnen hebben.
B. werd in 1825 door Faraday in de destillatie-
producten van vette oliën ontdekt en in 1833 het eer; t
door Mitscherlich synthetisch bereid (hij noemde het
benzine).
Lit.: Whitehead, Benzol, its recovery, rectification
and uses (1920). Hoogeveen.
Benzol is de theoretische grondstof der aromatische
verbindingen. Deze worden alle gekenmerkt door een
bepaald complex physische en chemische eigenschap-
pen, bijv. de gemakkelijke vervangbaarheid der water-
stof -atomen door een sulfonzuur- en een nitrogroep.
Om die typische eigenschappen te beschrijven zijn
velerlei formules voorgesteld. Kekulé (1865) gaf den
zesring met drie dubbele bindingen :
of als afkorting :( == ), waarbij echter dè'dubbele
bindingen niet aan een bepaalde plaats gebonden
werden geachtfoscilleerend). De prismaformule van
Ladenburg: I ■ 1 , werd door von Baeyer weerlegd.
Om de zonderlinge eigenschappen van Kekulé ’s dub-
bele bindingen te vermijden, gaf von Baeyer de cent
sche formule:^-* Claus de diagonaalformulee-
en Th iele de formule der restvalenties . die ech
alle hun bezwaren hebben.
Lit.: G. Wittig, Stereochemie (Leipzig 1930).
Tellegen .
Benzosol, > Sol.
Benzoylcliioride of Benzeencarbon-
ch ior ide, C 6 H 5 .C0C1, is een kleurlooze vloeistof
met een prikkelenden reuk en werkt traanverwekkend
op de oogen.
587
Benzoylgroep— Beobachtungsnetz
588
Wordt bereid door inwerking van sulfurylchloride op
benzoëzuur. Kookpunt 197°C, smeltpunt — 1°C,
s.g. 1,212 bij 20°. Het halogeenatoom in b. kan ge -
makkelijk reageeren, waarvan men in het laboratorium
en in de techniek gebruik maakt om benzoylgroepen
(C 6 H 6 CO.) in andere verbindingen, zooals phenolen,
aminen, enz., in te voeren. In den wereldoorlog is b.
als traanverwekkende strijdstof gebruikt. Hoogeveen.
Benzoylgroep. Deze atoomgroep C 6 H 6 . CO
komt in vele verbindingen voor. Ze wordt door middel
van benzoylchloride in andere lichamen ingevoerd.
Benzoylperoxyde, eigenlijk dibenzoylpero-
xyde, C 6 H 6 . CO. O—O. C0.C 6 H 6 , ontstaat bij de in-
werking van natriumperoxyde op benzoylchloride.
Kleurlooze kristallen, smeltpunt 103,5° C. Wordt ge-
bruikt bij het ontkleuren en bleeken van vetten, meel,
enz. Komt o.a. onder den naam Lucidol in den
handel. Hoogeveen.
Benzylaleohol of phenylmethanol is
een vloeistof, die in vrijen toestand of als acetaat of
als benzoaat in aetherische oliën voorkomt, o.a. in
de oliën uit jasmijn en cassiabloesem, ylang-ylang en
hyacinten. B., formule: C 6 H 5 . CH 2 OH, wordt technisch
verkregen uit de genoemde oliën of uit benzaldehyd
door behandeling met kaliumhydroxyde. Ook wel
uit benzylchloride C 6 H 6 .CH 2 C1 met water en lood-
oxyde. Kookpunt 206° C. Wordt gebruikt in de reuk-
stoffen-industrie evenals de zeer belangrijke azijnzure -
ester, het benzylacetaat C 6 H 5 .CH 2 OOC. CH S , een naar
vruchten ruikende vloeistof, kookpunt 216° C, die
ook in verschillende aetherische oliën voorkomt.
Hoogeveen.
Benzylbenzoaat, C 6 II 6 COOCH 2 C 6 H 5 , kleur-
looze dikke vloeistof met scherpen, bitter-aromatischen
smaak, kookpunt 323° C, s.g. 1,125. Komt o.a. voor in
Peru- en Tolubalsem; wordt synthetisch bereid en
gebruikt in de parfumerie als fixeermiddel en in de
geneesk. als krampopheffend middel. Hillen .
Bcnzylgrocp, deze atoomgroep, C 6 H 5 .CH 2 ,
komt in verschillende verbindingen voor, o.a. in
benzylaleohol C 6 H 5 .CH 2 OH, benzylchloride C 6 H 5 .
CH 2 C1, enz.
Beo of L e b e o, Bantoetaal, gesproken door de
Babeo, Bangba en Baboeroe-Babendja, die zich in
Belgisch Kongo ten N. en ten Z. van de Aroewimi
(Lohale) tusschen de Loeloe en de Lindi (Locnde) op-
houden.
De blanken in Kongo hebben, naar het voorbeeld
van de gearabiseerden, dit idioom Kingélima en de
stammen, die het spreken, Wangélima (Bangélima)
genoemd. Het Beo behoort tot de groep der bantoïeden
en is nauw met het Boa verwant.
L i t. : M. Schultz, Bangba-Fabeln und Erzahlungen
(Anthropos XVIII, 1923) ; Gérard, La langue lebéo,
grammaire et vocabulaire (Brussel 1924). Burssens.
Beo (Gracula Javanensis, Gracula
religiosa), in den Indischen Archipel voorkomende
soort spreeuw, die kan leeren praten, en die daarom
als huisdier gehouden wordt en een zekere rol speelt
in de inheemsche verhalen.
De beo behoort tot de orde der zangvogels (Oscines).
Yeeren diepzwart, op kop en hals met diep violet-
kleurige, op het overige gevederte met metaalgroen
glanzende vedere inden; de wortels der handpennen zijn
v it en vormen een zichtbaren vleugelband; achter elk
rog is een levendig hooggeel gekleurde huidplooi;
ren andere vlek onder het oog is ook naakt en geel
gekleurd; de snavel is oranjekleurig, de voet geel, de
Beo.
iris donkerbruin. Het voedsel bestaat uit allerlei
vruchten en bessen.
Beobachtungsnetz of waarnemings-
net (taalgeographie) is het geheel der plaatsen,
waar de bepaalde dialect-enquête gehouden is en die
wij in de taalatlassen terugvinden. De dichtheid van
dit net is in de verschillende atlassen verschillend. De
Atlas linguistique de la France is in 639 plaatsen
van het Fransche taalgebied (waarbij ook Wallonië
en Fransch Zwitserland behooren) af gevraagd. Ook
de Italiaansche, die evenals de vorige op mondeling
onderzoek berust, heeft een ongeveer even dicht net.
De Duitsche van G. Wenker evenwel bouwt op schrif-
telijk materiaal van 30 000 plaatsen, maar dit mate-
riaal wordt verwerkt weergegeven.
Het net van den Catalonischen taalatlas is 4x zoo
dicht als dat van den Franschen, maar bestrijkt, omdat
het gebied veel kleiner is, nog slechts 250 plaatsen.
Hoe dichter het net is, hoe juister en vollediger is het
taalbeeld natuurlijk. En als ideaal geldt dus wel een
taalatlas met opgaven uit minstens elke gemeente.
Toch is dit een onbereikbaar ideaal om voornamelijk
drie redenen: 1° groote onkosten, 2° nadeelen van wege
liet feit, dat bij een derge lijke grootscheepsche monde-
linge enquête weer meer exploratoren moeten in
dienst treden, 3° moeilijkheden in verband met het
bij het drukken te gebruiken atlas -formaat. Een taal-
atlas van een grooter gebied kan dus slechts als over-
zichtsatlas dienen. Men kiest een dichter net, waar
men vermoedt, dat er meer dialectische variatie is,
bijv. in bergachtige streken. Ook verdicht men het net,
waar meerdere dialecten op elkander stooten, omdat
daar allerlei interferentie-verschijnselen te verwach-
ten zijn en wijl het zijn nut heeft om de grenzen nauw-
keurig te bepalen. Vervolgens kiest men voornamelijk
plaatsen, waar de schrijftaal weinig invloed had, maar
zorgt men er toch ook voor, dat zoo de materiaal-
verzameling niet een gewild conservatief cachet
krijgt. De nieuwe richting in de taalgeographie (Jaberg
en Jud bijv.) verzuimt dan ook niet, sterk gemoderni-
seerde en speciaal groote-stads-dialecten op te nemen,
vooral als voor een gebied de modemiseering karakte-
ristiek is. De Atlas linguistique de la France daaren-
tegen nam nog geen groote-stads-dialecten op. Voor
„Bodenstandigkeit” van het materiaal is het wel goed
afgelegen plaatsen te kiezen. Evenwel zijn niet altijd
589
Beograd — Bepalingaankondigend voornaamwoord
590
de kleinste gehuchten als de conservatiefste te beschou-
wen. In grootere plaatsen immers kan zich beter een
vaste taaltraditie vormen, welke aan de invloeden van
buiten sterker weerstand biedt dan die van een klein
gehucht, waar een innovatie het zoo gemakkelijk
wint, omdat zij slechts enkele families behoeft aan
te tasten. > Afvraagtechniek. > Sujet.
L i t. : K. Jaberg en J. Jud, Der Sprachatlas als
Forschungsinstrument (Halle 1928). Weijnen.
Beograd, > Belgrado.
Beolco, Angel o, bijgenaamd Ruzzante
(de schertsende), Italiaansch blijspeldichter, * 1502
te Tadua, f 17 Maart 1542 aldaar; was schouwspeler
van beroep en schreef een aantal levendige, goed ge-
bouwde blijspelen en kluchten, vol rake opmerkingen,
waarin hij dikwijls zelf de rol van den boer Ruzzante
speelde. Zijn beste stuk is de Fiorina, eenvoudige
maar echte schildering van het boerenleven.
Werken: Tutte le opere del famosissimo Ruzante
(1584). — Lit. : Aifr. Mortier, Ruzzante, un drama-
turge populaire de la renaissance italicnnc (2 dln., Parijs
1925— 3 *26). Ulrix.
Beor, 1° vader van Bela, den koning van Edom
(Gen. 36.32).
2° Vader van den profeet Balaam (Num. 22.5).
Beotliuk Indianen, uitgestorven stam van de
-> Indianen van N. Amerika, N.O. gebied; in het
huidige Newfoundland, Canada.
Beöthy, Z s o 1 1, Hongaarsch schrijver, vooral
werkzaam op het gebied van de geschiedenis der litera-
tuur. * 1848 te Boedapest, f 1922 aldaar. Hij was een
volgeling van Taine. Zijn handboek: „Geschiedenis
der Hongaarsche Letterkunde” is anti-Katholiek. Hij
schreef ook zeer gewaardeerde aesthetische studies.
Cardijn.
Beowulf, het oudste overgeleverde Germaansche
heldendicht, of bewerking van oude heldensagen,
geschreven in het Angelsaksisch door een onbekende,
waarschijnlijk een Benedictijn, in het Noorden van
Engeland omstreeks 700-750.
J n h o u d. Het gedicht bestaat hoofdzakelijk uit
drie episoden. Beowulf, vorst der Geaten, heeft ge-
hoord, dat Heorot, de koningszaal van Hrothgar,
koning der Denen, telkens aangevallen wordt door een
inenschenetend monster, Grendel genaamd. Hij gaat
daarom met veertien stoere mannen op reis om den
koning van deze ramp te bevrijden. Hij wordt door
Hrothgar en zijn gemalin Wealtheow met vreugde
ontvangen, en des nachts in een vreeselijk gevecht
gelukt het hem Grendel doodelijk te verwonden. De
tweede episode is het gevecht tusschen Beowulf en
Grendel’s moeder. Dit monster wil den dood van haar
zoon wreken, maar B. achtervolgt haar en doodt haar
op den bodem van het meer. Met rijke geschenken
beladen keert hij daarop met zijn gezellen naar zijn
land terug. De derde episode speelt vele jaren later,
toen de held reeds 50 jaren koning geweest was over
zijn eigen land. Toen moest hij zijn koninkrijk bevrijden
van een vuurspuwenden draak. Hij slaagt, maar wordt
in den strijd doodelijk gewond. Het gedicht eindigt
met de plechtige verbranding van het lijk van den
heldenkoning. — Behalve deze drie hoofdthema’s,
waarvan B. zelf de held is, bevat het gedicht nog
verschillende kleinere episoden, vooral de liederen
over Sigemimd den Volsing en over Finn, den koning
der Friezen. Deze episoden zijn belangrijk voor de
reconstructie der oudste Germaansche heldensagen,
maar de dichterlijke waarde van het gedicht ligt vooral
in de verschillende toespraken, die zeer uitvoerig
worden gegeven: bijv. die van den ouden Hrothgar,
van zijn koningin en van B. zelf. Pakkend zijn ook
de beschrijvingen van Heorot en van de verschillende
gevechten en natuurtafereelen.
Vorm. Het gedicht is geschreven in 3 183 allite-
reerende verzen, een versvorm, die verspreid was over
het geheele Germaansche gebied. Daar B. het oudste
gedicht is, dat ons in dezen vorm is overgeleverd, is
het ons voornaamste gegeven om de wetten der oud-
Germaansche > alliteratie vast te stellen.
Overlevering en oorsprong. DeB.
is slechts bewaard in een enkel hs., geschreven omstr.
1000 door twee verschillende copiïsten; nu bewaard in
het Britsch Museum te Londen; voor het eerst uitge-
geven door G. J. Thorkelin, een Deensch geleerde, te
Kopenhagen in 1815; in facsimile door J. Zupitza
(prof. te Weenen) in 1882. De taal van dit hs. is in
hoofdzaak een Zuidelijk dialect van het oud-Engelsch,
maar vertoont eigenaardigheden van alle andere
dialecten; het origineel was waarschijnlijk geschreven
in een Angelsch dialect, ten N. of ten Z. van de Humber
in de eerste helft der 8e eeuw. De inhoud is grooten-
deels echte oud -Germaansche heldensage, door de
Angelen medegebracht uit hun oorspronkelijke woon-
plaats in Denemarken. De Geaten, waarvan het gedicht
spreekt, zijn ófwel de Juten in het Noorden van Dene-
marken (niet zeer waarschijnlijk), óf wel de Gauten,
de bewoners van Götland ten Z. der groote Zweedsche
meren (misschien gekoloniseerd in N.O. Jutland).
De landschapsbeschrijving wijst ook herhaaldelijk
op Skandinavië. De authenticiteit en Skandinavische
oorsprong der Grendelsage blijken ook uit de G r e t i s -
sage, geschreven op Ijsland omstr. 1250-1300,
maar geheel onafhankelijk van B. — Vele critici uit
de 19e eeuw dachten, dat de schrijver slechts een ver-
zamelaar was van oude liederen, zooals zij dat ook
van Homerus dachten. Tegenwoordig wordt tamelijk
algemeen aangenomen, dat de sclirijver wel de oude
liederen heeft gekend, maar ze zelf heeft bewerkt,
en dat het gedicht in zijn bestaanden vorm het werk
is van één enkelen dichter, die Virgilius kende, en die
Christen was, en leefde aan het Angelsche hof of in
een Angelsch klooster.
Vertalingen: in het Engelsch een twintigtal
sedert 1837, o.a. door W. Morris (1895) ; F. B. Gummere
(1909); J. R. Clark Hall (1914); A. Strong (1925);
In het Ncd. door L. Simons (1896). — Lit.: De
voornaamste Beowulf-kenners zijn : in Ned. prof. R. C.
Boer (1912) ; in Engeland prof. R. W. Chambers (1914,
1932) ; in Amerika prof. F. Klaeber (1928) ; in Duitsch-
land prof. F. Holthausen (1905-’33) ; in Frankrijk
W. Thomas (1913-’17), in Italië C. G. Grion (1883).
Pompen .
Bepaling (gramm.) is een woord of woordengroep
in den zin, waardoor de voorstelling van een woord
of zindeel nauwkeuriger wordt begrensd. Een b.
is b ij v o e g 1 ij k (attributief), wanneer zij een
zelfstandig naamwoord of een zelfstandig voornaam-
woord bepaalt; alle andere b. zijn bijwoorde-
1 ij k (adverbiaal). Ook kan een b. in den zin behooren
bij een zelfstandig woord en tevens bij het werkwoord:
ze heet dan bijwoordelijk-bijvoeglijk
(attributief-adverbiaal). Bij de b. behooren ook de
> voorwerpen. Het Fransch spreekt terecht
van complément direct en indirect. E. ten Brink.
Bepaling aankondig end voornaamwoord,
ook genoemd determinatief of vooruitwijzend pro-
nomen is in de grammatica het woord, dat een voor-
Beperkte aansprakelijkheid — Bequemlichkeit
592
591
loopige aanduiding van het nader te bepalen begrip
inhoudt. De naam gaat eigenlijk alleen op bij de zelf-
standig gebruikte bepalingaankondigende voornaam-
woorden, als degene, die. . . . enz. In bijvoeglijk
gebruik daarentegen (bijv. zulke) wijzen ze dikwijls
terug op het voorafgaande. v. Marrewijk.
Beperkte aansprakelijkheid, > Aansprake-
lijkheid.
Beperkte klasse, een wedstrijdklasse van
zeilschepen, niet volgens een vaststaand ontwerp
gebouwd en alleen gebonden aan een serie maximum
en minimum maten, terwijl een bouwbestek is voor-
geschreven.
Beplanken, bedekken met planken, aangesloten
met groef en messing, of veer. Horizontale beplan-
king: vloer; niet-horizontale beplanking: schotten;
dakbeplanking : bebording, beschieting.
Beplanting van duinen, groote zandvlakten en
heide, dient tr voorkoming van verstuiving of in
het algemeen ter bevestiging van den grond. Tot dat
doel worden de duinen met stroowisschen bepoot
(> Bepoten), met helm beplant, dan wel door rijs-
schuttingen of rietschermen beveiligd. Dergelijke
beplantingen zijn aan in de Algemeene Voorschriften
van den Rijkswaterstaat (A. V.) omschreven eischen
onderworpen. Ook de beplantingen met opgaand
loofhout en naaldhout langs wegen enz.
P . Bongaerts.
Bepleisteren, het bedekken van een muur
met een laag metselspecie, om hem een gladde, harde
oppervlakte te geven. Alvorens een muur bepleisterd
wordt, brengt men daarop een laag metselspecie aan,
die effen en vlak geschuurd wordt; daarop wordt dan
de eigenlijke pleisterlaag ter dikte van enkele milli-
meters gestreken. P. Bongaerts.
Beploegen, grondbewerking door middel van
een ploeg. > Landbouw.
Bepoten, het in den grond brengen van plantjes
of stekken (> Land- en Tuinbouw). Ook wel het plaat-
sen van poten ter bevestiging van duingrond (> Be-
planting). In het laatste geval geschiedt de bepoting
met stroowisschen, welke ter halve lengte samen-
gevouwen en, na goed beknepen te zijn, 15 cm in om-
trek zijn. Zij worden ter diepte van 15 tot 20 cm in
geregelde rijen in het zand geplaatst op onderlinge
afstanden van 50 cm. Desgewenscht worden de duin-
kanten vóór de bepoting onder een helling van min-
stens 2 op 1 afgegraven. P. Bongaerts.
Beproeving, 1° (t e c h n.) het onderzoek van
materialen door middel van, meestal nauwkeurig
voorgeschreven, bewerkingen, welke met vaak ver-
nuftig uitgedachte werktuigen worden uitgevoerd en
waarmede de verschillende eigenschappen dier mate-
rialen, zooals: weerstand tegen trek, druk, buiging,
wringing, enz. worden bepaald. Die werktuigen
zijn dan zoodanig geconstrueerd, dat de bij de b.
optredende krachten met voldoende nauwkeurigheid
geregeld en veelal automatisch opgeteekend worden.
P. Bongaerts.
2° Beproeving noemt de Katholiek tegenspoed en
lijden, omdat hij weet, dat tegenslag van allerlei soort
niet noodzakelijk een straf is voor bedreven zonden,
maar veeleer een kostbaar middel in Gods hand tot
loutering, beproeving en sterking van Zijn kinderen.
St. Jacobus zegt: „Gij weet, dat de beproeving van uw
geloof de oorzaak is van geduld; welnu, het geduld
worde slechts volkomen, dan zijt ge volmaakt en
ongerept en schiet ge in niets te kort” (Jac. 1. 3).
In hetzelfde hoofdstuk wijst de Heilige op de nood-
zakelijkheid van gebed om verlichting, nederigheid
en hoop op belooning na de beproeving. De b., zoo
aanvaard en doorstaan, onthecht den mensch aan het
tijdelijke en doet hem het eeuwige waardeeren.
> Beproeving Gods. P. Heymeijer.
Beproeving Gods (Lat. tentatio Dei) bestaat
in het aanwenden van woorden of daden, waardoor
men God op de proef wil stellen, d.i. wil te weten
komen, of God zekere zaken weet, kan of wil, of Hij
dus waarlijk alwetend, almachtig of goed is.
De H. Thomas onderscheidt formeele en interpreta-
tieve beproeving Gods. De handeling is een for-
meele beproeving Gods, wanneer iemand werkelijk
wil te weten komen, of God sommige attributen bezit,
hetzij absolute attributen, als de almacht, de alwetend-
heid, de oneindige goedheid, hetzij relatieve attributen,
als welwillendheid ten opzichte van sommige personen,
den wil sommige van zijn welbehagen afhankelijke
handelingen te stellen, enz.
Voorbeelden: iemand vraagt een mirakel om een
zeker bewijs te hebben, dat God inderdaad almachtig
is; iemand vraagt, dat Jezus hem op zichtbare wijze
verschijne onder de Eucharistische gedaanten, om
zeker te zijn van de tegenwoordigheid van Christus,
in de Eucharistie; iemand verlangt een buitengewoon
teeken en verklaart niet langer in God te gelooven,
indien hij het niet bekomt.
De handeling is een relatieve of louter mate-
r i e e 1 e beproeving Gods, wanneer iemand geenszins
twijfelt aan de almacht, de alwetendheid of een ander
attribuut van God, maar iets verlangt, dat geen ander
nut heeft dan Gods almacht, alwetendheid, goedheid
enz. te doen uitschijnen. Voorbeelden daarvan waren
de zoo genaamde godsoordeelen ; ook zou een zieke er
zich aan schuldig maken, wanneer hij opzettelijk en
beslist zou weigeren eenig geneesmiddel te gebruiken
en alleen door een buitengewone tusschenkomst van
God wilde genezen worden. De formeele beproeving
Gods heeft als oorzaak een twijfel aan de volmaaktheid
Gods; de interpretatieve beproeving Gods komt voort
uit een ijdele nieuwsgierigheid of vermetelheid, die
betrouwt, dat God iets zal doen om zijn macht te doen
uitschijnen of de nieuwsgierigheid te voldoen. Daarom
zijn beide een zonde tegen de deugd van godsdien-
stigheid, omdat zij ten minste een oneerbiedigheid
jegens God inhouden. > Godsoordeel.
L i t. : S. Thomas, Summa theologica. (II II, q. 97) ; D.
Prümmer, Manuale theologiae moralis (II, 4e en 5e uitg.,
Freiburg 1928, 424) ; B. H. Merkelbach, Summa theo-
logiae moralis (II Parijs 1932, 773). A. Janssen.
Bequemliclikcit (p h i 1 o 1 o g i e). Het
bequemlichkeitsprincipe (Fr.: loi du moindre effort,
Eng.: principle of economy) is een door oudere taal-
geleerden aangenomen wet, volgens welke de klank-
veranderingen in de meeste gevallen gemakzucht
van den spreker, of het streven naar besparing van
arbeidsvermogen tot oorzaak zouden hebben. Het eer-
ste werd vooral door Georg Curtius (1820 — ’86),
professor te Leipzig, betoogd, terwijl W. D. Whitney
(1827 — 1894), professor te New York, vooral nadruk
legde op de besparing van arbeidsvermogen. Hoewel
de wet in haar algemeenheid niet meer wordt aan-
genomen, geldt ze toch binnen het gebied van een
zelfde articulatiebasis. Wat echter voor de eene
articulatie-basis gemakkelijk is, is het juist niet voor
een andere. Maar zoodoende wordt de waarheid in
dit principe vervat, dus teruggebracht tot: Iedereen.
593
Bequille — Berastagi
594
spreekt volgens de hem aangeboren articulatie-basis.
Zoo is voor een Hollander de gutturale ch het gemak-
kelijkst, maar voor een Limburger de palatale ch.
Bequille of staartsteun, staaf met be-
schermingshoef aan de onderzijde, veerend bevestigd
onder den staart van een vliegtuig. De b. dient als
schokbreker voor den staart bij de landing en tevens
als rem, om den uitloop van het vliegtuig te bekorten.
Door de b. draaibaar te monteeren, gekoppeld aan het
zijroer, kan zij tevens dienstbaar worden gemaakt
aan de besturing van het vliegtuig op den grond.
Franquinet.
Beraad , Recht van (Ned. Recht),
is aan den erfgenaam gegeven om de gesteldheid der
nalatenschap te onderzoeken, ten einde te kunnen
beoordeelen of hij deze zuiver of onder voorrecht van
boedelbeschrijving zal aanvaarden of verwerpen.
Daartoe moet hij dan een verklaring afleggen ter griffie
der Rechtbank van het Arrondissement, binnen het-
welk de erfenis is opengevallen, welke verklaring in
het daartoe bestemde register wordt ingeschreven.
Er is door de wet geen termijn voor het afleggen der
verklaring gesteld; zoolang geen daad van aanvaar-
ding is geschied, blijft de erfgenaam bevoegd van het
recht van beraad gebruik te maken. Na het afleggen
der verklaring wordt den erfgenaam te rekenen van
den dag der aflegging een termijn van vier maanden
gegeven om den boedel te doen beschrijven en zich te
beraden, welke termijn zelfs om dringende redenen
nog door de Rechtbank verlengd kan worden. Vgl.
art. 1070 vlg. B.W. Maakt men van recht van beraad
gebruik, dan kan gedurende voormelden termijn de
erfgenaam niet genoodzaakt worden de hoedanigheid
van erfgenaam aan te nemen, geen rechterlijke ver-
oordeeling kan tegen hem worden verkregen en de
uitvoering van vonnissen, ten laste van den overledene
uitgesproken, blijft opgeschort. De zich beradende
erfgenaam is verplicht als een goed huisvader voor
het behoud van de goederen der nalatenschap te
zorgen, hij moet zich echter onthouden van daden,
waaruit een aanvaarding zou kunnen worden afgeleid.
Slechts gedurende gemelden termijn kan de erfgenaam
zich op het recht van beraad beroepen , daarna kan hij
door de schuldeischers gedwongen worden, zich te
verklaren of hij zuiver of onder voorrecht van boedel-
beschrijving aanvaardt, of verwerpt. Dunselman.
Belgisch Recht. Het recht van b. hoort toe
aan den erfgenaam (art. 795 B.W.), alsook aan de
gehuwde vrouw, bij de ontbinding van de gemeen-
schap van goederen (art. 1457 B.W.), om hun toe te
laten met kennis van zaken hun houding te bepalen,
hetzij ten opzichte van de nalatenschap, hetzij ten
opzichte van de huwelijksgemeenschap. De erfgenaam
kan inderdaad zuiver aanvaarden, of onder voorrecht
van boedelbeschrijving, of de nalatenschap verwerpen.
De gehuwde vrouw kan de gemeenschap aanvaarden
of verwerpen. In beide gevallen gaat een boedelbe-
schrijving of inventaris vooraf. Na den inventaris
of na verloop van den termijn om inventaris op te
maken, beschikken de erfgenaam en de gehuwde vrouw
over een termijn van veertig dagen om het recht van b.
uit te oefenen (art. 795 2e lid en art. 1461 B.W.).
V. Dievoet .
Beraamde moord, > Moord.
Beradt, Martin, Duitsch schrijver van
democratisch gerichte vertelkunst en oorlogsverhalen.
* 26 Aug. 1881 te Maagdenburg.
Werken: Go (1909) ; Eheleute (1911) ; Das Kind
(1913); Die Verfolgten (1913); Erdarbeiter (1918);
Leidenschaft und List (1928) ; Schipper an der Front
11929) ; Der deutsche Richter (essays, 1930).
Berain, Jean Louis, teekenaar, graveur
en architect te Parijs; * 1637, f 1711; maakte vele
ontwerpen voor tooneeldécors, costuums, siersmeed-
werk e.d. Dit vertoont veel fantasie en goeden smaak.
Beraneck, Tuberculinevan, > Tuber-
culino.
Bérangcr, Pierre Jean de, Fransch
liederdichter van de doctrinair-liberale richting.
* 19 Aug. 1780 te Parijs, 1 16 Juli 1857 aldaar. In zijn
vijf bundels Chan-
sons (1815 — 1833),
die hem in de ge-
vangenis brachten,
maakt B. het zing-
bare, vlotte en fris-
sche volkslied op-
nieuw tot een mach-
tig politiek wapen:
al is de blik van
B. zeer beperkt, de
spot tegen Kerk en
Kroon laag-bij-den-
grondsch (le Dieu
des bonnes gens),
het ethisch ideaal
nog eng -burger lijk,
toch werd hij, om
zijn in gevatten
vorm gebrachte Napoleon-legende (Souvenirs du
peuplc, Le Vieux sergent, Les Vétórans), zijn lichtelijk-
sentimenteele liefde-romances, zijn vaak zeer gewaagde
cabaret-liederen, die een oppervlakkig doorsnee-epicu-
risme ademen, de afgod van de massa. B. is een meester
in het hanteeren van vers- en strophenvorm, in het
natuurlijk aanbrengen van het refrein, in de aan-
schouwelijke teekening van miniatuurbeelden en den
vluggen, sprongsgewijzen gang van het lied.
U i t g. : Garnier, Oeuvres (4 dln. Parijs 1868 vl?.). ■ —
L i t. : A. Arnould, B. (2 dln. Parijs 1864); J. Janin,
B. et son temps (Parijs 1866) ; A. Boulle, B. (Parijs
1908) ; S. Strowski, B. (Parijs 1913, Katholiek). Baur.
Beraoc, landschap aan de Oostkust van Bomeo
met gelijknamige rivier, waar zeer groote steenkool-
voorraden zijn aangetoond (tot 60 lagen).
Berapoen, berg (705 m) op het eiland Solor (Ned.-
Indië, ten O. van Flores).
Bérarcl, V i c t o r, Fransch historicus, philo-
loog en politicus. * 1864 te Morez (Jura), f 1931.
Buiten talrijke geschriften over de actueele politieke
vraagstukken van Europa, is hij vooral bekend om
zijn origineele opvatting over de Odysseia, welke hij
neerlegde in zijn uitgave van het epos (3 dln. 1925),
alsook in zijn voorbereidende studiën (Tntroduction
h FOdyssée, 3 dln. 1924— ’25; Les Phéniciens et
rOdyssóe (1902— ’03 en tweede uitg. in 1927); ver-
der in Les Navigations d’Ulysse (4 dln. 1927 — ’29) en
zijn vulgarisatiewerk: La Résurrection d’Homère (2
dln. 1930). V . Poitelbergh.
Berastagi of Brastagi, herstellings- en
vacantieoord voor Sum. Oostkust op 1 600 m boven
zee, ten N. van het Toba-meer op de Karo -hoogvlakte,
tusschen de vulkanen Sibajak en Sinaboeng. Het ligt
aan den weg van Medan naar de Alaslanden. Er w r orden
reeds veel groenten en bloemen gekweekt voor Medan.
Het klimaat is zeer gunstig. v . Vroonhoven .
595
Berat— Berberisachtigen
596
Berat, 1° Albaneesche prefectuur, 3 932
km 2 , 142 166 inw. (1930).
2° H o o f d s t a d der prefectuur B. (40° 42' N.,
19° 69' O.), 10 403 inw. (1930). Gr. Katholieke bis-
schop.
Beraud, 1° H e n r i, Fransch romanschrijver
en letterkundig journalist van links. * 1885 te Lyon.
Zijn romans, die meestal historische stoffen verwer-
ken, verraden socialistische tendens; leuk-humoristisch
is zijn caricatuur der diklijvigheid Le martyre
de 1’obèse (1922). Zijn journalistiek werk o.m.
in Le Petit Parisien is vinnig polemisch en dus dik-
wijls onrechtvaardig.
Werken: Le vitriol de lune (1922) ; Lazare (1924) ;
Au capucin gourmand (1925) ; Le bois du templier
pendu (1926) ; Ce que j’ai vu a Moscou (1926) ; Ce que
j*ai vu a Berlin (1926); Mon ami Robespierre (1927);
La gerbe d’or (1928). Baur.
2° J e a n, Fransch genre- en portretschilder. * 31
Dec. 1849 te Petersburg. Leerling van Bonnat te Pa-
rijs. Werkzaam te Parijs. Sedert 1873 exposeert hij
in den Parijschen salon. Schilderde hoofdzakelijkkleine,
goed getypeerde en eenigszins realistisch opgevatte
genretafereelen, interieurs en enkele landschappen.
Een van zijn beste werken, Le cercle, werd aange-
kocht door het Petit Palais te Parijs. B. maakte ook
etsen.
L i t. : L. Bénédite, De schilderkunst der 19e eeuw
(vert. van G. H. Marius) ; Béraldi, Les graveurs du
XIX siècle. de Stuers.
Bern mi, 1° zijrivier van de Moldau in
Tsjecho-Slowakije (50° N., 13° 45' O.). Tsjechisch:
Berounka; ontstaat te Pilsen uit de samenvloeiing
van Mies, Radbusa en Angel; stroomt even boven
Praag in de Moldau.
2° Stad aan de Beraun (49° 67' N., 14° 13' O.);
Tsjechische naam: Beroun; 26 000 inwoners, meest
Tsjechisch-sprekend. In het Siluurbekken van de
Beraun rijke ijzerertslagen. Machine-industrie; ce-
mentfabricage; katoenspinnerij. G. de Vries.
Berauniet, monoklien mineraal van de samen-
stelling 3Fe 2 0 3 2P 2 0 5 8H 2 0, voorkomend in den vorm
van kristaldrusen. Voor de blaaspijp smelt berauniet
gemakkelijk tot een zwart metaalachtig bolletje.
Berauniet komt meestal samen met limoniet en
hematiet voor, o.a. bij Scheibenberg in Saksen. Vaak
treft men pseudomorphosen naar vivianiet aan.
Hol steenge.
Berberdialecten. De talen van het overgroote
deel der inheemsche bevolking van Tunis, Algiers,
Marokko (Berberstammen), verschillende in de Sahara -
woestijn verspreide oases en van nog enkele andere
aangrenzende gebieden, sluiten zoo nauw aaneen,
dat ze gewoonlijk beschouwd worden als dialectische
variaties van één oorspronkelijke grondtaal; men
spreekt in deze opvatting eenvoudigweg van de B.
Waarschijnlijk behoorde ook het Libisch en de taal der
> Guanchen van de Canarische eilanden tot deze
groep. Sinds de 7e eeuw, toen met den Islam ook het
Arabisch in deze streken binnendrong, hebben de B.
een zwaren strijd te voeren om hun bestaan; in de
kolonisatieperiode (ong. een eeuw) kwam daarbij nog
het Fransch.
In phonetisch opzicht worden de B. vooral gekarak-
teriseerd door een overvloed van emphatische klan-
ken, laryngale zijn er veel minder dan bijv. in het
Semietisch. De woordstammen bestaan meestal uit
twee radicalen; de nomina worden in twee groepen
verdeeld, die men resp. aanduidt als het genus mascu-
linum en femininum. De index voor het woordgeslacht
wordt tweemaal geplaatst, nl. vóór en achter den
stam, een typische trek, die in de Berbermorphologie
nog meer terugkeert. Men heeft bijv. amrar *= grijsaard,
t-amrar-t = een oude grijze vrouw. De syntaxis der
B. berust grootendeels op kwesties van woordschik-
king; toch begint zich ook reeds een soort genitief
te constitueeren („rapport d’annexion”). De woorden-
schat is in alle B. bijna gelijk; er zijn vrij veel Arabi-
sche leenwoorden opgenomen. Het totale aantal taal-
sprekers bedraagt hier 6 k 7 millioen.
De voorloop ig opgestelde verdeeling der B. is
geographisch; men onderscheidt een N. en een Z.groep.
De eerste wordt weer onderverdeeld in een O. en een
W. helft, en verder in kust-(rif-)dialecten en berg-
dialecten. Belangrijke B. zijn bijv. het Kabylisch uit
het bergland van Algiers en Tunis; het Tamachek
uit het Z.deel der Sahara; het Zenaga in Mauretanië,
dat tot aan het stroomgebied van den Senegal reikt;
het Shilh in Z.Marokko. Ondanks den hoogen graad
van verwantschap verschillen al deze dialecten toch
zooveel van elkaar, dat het mondeling verkeer tusschen
sprekers van uiteenliggende streken niet zonder meer
mogelijk is.
De Franscke koloniale regeering heeft voor de studie
der B. zeer groote verdiensten, vooral door het op-
richten van leerstoelen te Algiers (Faculté des Lettres),
Rabat (Ecole supérieure), enz. De leider van de op
deze wijze ontstane school is R. Basset. > Hamie-
tische talen.
L i t. : Meillet-Cohen, Les langues du monde (Parijs
1924, 134 vlg.). Wils.
Berberich, L u d w i g, componist van Katho-
lieke kerkmuziek (missen, motetten), koordirigent
(sedert 1919 leider van het domkoor aan de O.L.
Vrouwekerk te München) en als medeoprichter van het
tijdschrift Sursum Corda benevens door talrijke op-
stellen een invloedrijk propagandist voor de kerk-
muziek. * 23 Febr. 1882 te Biburg. Reeser.
Berberine, alkaloïde, voorkomende in vele
Berberissoorten, in de Hydrastis Canadensis en andere.
B. is een gele, gekristalliseerde verbinding; formule:
Cgo H 19 N0 6 ; smeltpunt 144°; moeilijk oplosbaar in
koud water, goed oplosbaar in warm water en in al-
cohol, onoplosbaar in aether. De smaak is bitter. B.
is een weinig giftige alkaloïde. In de geneeskunde wordt
het vooral als tonicum toegepast.
Berberis is een geslacht van bladverliezende en
altijdgroene heesters, die wel als sierheester dienst
doen. B. herbergt soms tarweroest.
Berberisachtigen, Berberidaceae,
een familie met 10 geslachten en 150 soorten. Zijn
bewoners van de Noordelijke gematigde luchtstreken,
behalve het geslacht Berberis, dat ook in de gebergten
van tropisch Azië voorkomt en zelfs in Amerika langs
het Andesgebergte, tot in de Zuidpunt van Z.Amerika
te vinden is. Het nuttig effect dezer planten is gering.
Van eenige soorten worden de zuurachtige vruchten
gegeten, bijv. Berberis; van Leontice zijn de wortel-
stok en knolvormige wortelvertakkingen van eenig
nut voor de geneeskunde en van Hydrastis be-
reidt men een gele kleurstof, die vroeger bij de
N.Amerikaansche Indianen gebruikt werd. Vele
soorten dienen als sierplanten voor den tuin, o.a.
Nandina domestica, Epimedium alpinum, Berberis
vulgaris en B. Aquifolium. Deze laatste ook Mahonia
aquifolium genoemd, wordt veel in binderijen gebruikt
597
Berberpaard — Berchem
598
en wel speciaal voor grafkransen. De blauwe bessen
hiervan leveren een soort moes, en na gisting een
drank. Verder voor schadelijkheid der b., > Koren-
velden, -*• Zuurbes. Bonman.
Berberpaard behoort evenals het Arabische
paard tot de Oostersche warmbloedpaardenrassen;
wordt hoofdzakelijk gefokt in Marokko, Algiers, Tunis
en Tripolis en heeft veel invloed gehad op de Euro-
peesche paardenfokkerij (bijv. Andalusisch en Engelsch
volbloedpaard). Het is iets grooter en sterker dan het
Arabische paard; wordt ook veel gezocht als militair
paard. Verhey.
Berbers noemt men sinds de middeleeuwen de
afstammelingen der Numidiërs en Mauretaniërs uit
de oude geschiedenis. Hun woonplaats is het tegen-
woordige N.Afrika. Dit nomadenvolk werd door de
Mohammedaansche veldheeren Hasan en Moesa
in de jaren 697/699 onderworpen; daarna versmolt
het tot op zekere hoogte met de overwinnaars, wier
zeden, karakter en levenswijze vrijwel gelijk waren
aan de hunne. Zij gingen ook tot den Islam over. Abder
Rahman, de eenige Oma jade, die in 765 aan het bloed-
bad, dat onder deze familie werd aangericht, wist te
•ontkomen, vluchtte naar de B. en dank zij hun hulp
kon hij naar Spanje ontkomen, alwaar hij het kali-
faat van Cordova stichtte (756). De kaliefen
van dit rijk hebben, in hun strijd tegen de Spaansche
Christenvorsten, altijd veel steun gehad van de B.
Tijdens een der vele twisten tusschen Alieden en
Soennieten in het begin der 10e eeuw bedreigden de
B. de bijzondere positie, welke de Arabieren in de
wereld van den Islam innamen. De onttroning van
den Omajadenkalief Hisjam II in 1009 gaf aanleiding
tot een serie ruwe burgeroorlogen, waarbij de tegen-
stelling tusschen Arabieren en B. zeer scherp tot uiting
kwam. Dank zij hun steun kon de Almoravide (Mora-
biet) Joesoef ibn Tasjfin, de heerscher van Marokko
in Zuid -Spanje, tegenover de Christenvorsten stand
houden. De wilde strijdvaardigheid van dit ruwe
nomadenvolk bleef de kracht, waarop de Islam in
Spanje moest steunen. Alle nieuwe families van
Berberburcht in Marokko.
heerschers, die de volgende eeuwen in Marokko aan de
regeering kwamen, komen iederen keer voort uit de
kracht der ruwe Berbers.
L i t. : H. Fournel, Les Berbers, étude sur la conqucte
de 1’Afrique par les Arabes (2 dln. 1875 — 1881); V. Piquet,
Les civilisations de 1’Afrique du Nord, Berbères, Arabes,
Turcs (l 909 )- Slootmans.
Berbice, in Engelsch Guyana sinds de 17e eeuw
een bezitting der West-Indische Compagnie, ging in
1781 en 1796 tijdelijk en in 1804 blijvend aan de
Engelschen over.
Berbice- Crcoolseh is een heterochtoon Cre-
oolsch-Nederlandsch dialect, dat in de 18e eeuw aan
de Berbice gesproken werd. Van deze taal resten ons
slechts twee briefjes, geschreven door de hoofden van
den Slavenopstand in 1763 en gericht aan den gouver-
neur Van Hogenheim. Zij worden in ’s Rijks Archief
bewaard en den tekst ervan vindt men ook o.a. in
D. C. Hesseling, Het Negerhollands der Deense
Antillen (1905).
De afwijkingen van dit neger-Hollandsch t.o.v. de
Ned. taal zijn niet erg groot. Creoolsch in den vollen
zin van het woord is dit taaltje niet. De schrijvers
wilden zeker Nederlandsch schrijven, maar de inwer-
king van het vreemde idioom is toch heel duidelijk,
zooals bijv. uit het gehaspel met de vervoeging en de
verbuiging blijkt. Dit toevallig bewaarde taalrelict
is een getuigenis voor het feit, dat in die plaatsen
waar wij eertijds gekoloniseerd hebben, doch die wij
later w r eer verloren, er soms toch een Creoolsch-
Nederlandsch taaltje ontstond, al is dit inmiddels
weer uitgestorven. De Berbice immers is een tijdje
door Nederlanders gekoloniseerd geweest. Weijnen .
Berbrock, gem. in de prov. Limburg, ten W.
van Hasselt, ca. 650 inw.; opp. 649 ha; zand- en klei-
achtige grond; landbouw.
Berceo, Gonzalo de, oudst bekende Spaan-
sche dichter; * 1180 te Berceo (?), f 1246 aldaar. Opvoe-
ding in het Benedictijn erklooster van San MilUn de
la Cogulla, nabij Najera (Rioja), wereldgeestelijke,
daarna Benedictijnermonnik in genoemd klooster.
B. wordt beschouwd als de vader der Spaansche dicht-
kunst, en is de verdienstelijke voorlooper van de
geïnspireerde mystici van de Gouden Eeuw der Spaan-
sche literatuur. Zijn meeste werken zijn vertalingen
of imitaties. Zijn taal is schilderachtig, expressief,
welluidend, bekoorlijk door eenvoud. De strijdvraag
over het auteurschap van „Libro de Alejandro” (1250),
dat door sommigen aan Berceo, door anderen aan Juan
Lorenzo de Segura w r ordt toegeschreven, vindt moge-
lijk haar einde door de bewering van den Duitschen
criticus G. Baist, die zegt een nieuw 7 handschrift te
hebben gevonden, waarin gezegd wordt:
„Si queriedes saber quien fiso este dictado
„ > Gon^ale de Berceo es por nombre clamado”
„>Natural de Madrid, en San Mylhan criado.”
(Wenscht gij te weten, wie dit dictee schreef,
Het is Gonzalo de Berceo, met name genoemd,
Geboortig uit Madrid, opgevoed in San Milldn.)
Voorn, werken: El Martirio de San Lorenzo ;
Vidas de Santo Domingo de Silos, — de San Milldn, —
de Santa Oria Virgen ; los Milagros de N. Senora ; Los
Signos del Juicio. — U i t g. : A. Gómcz (1655, met
compendium) ; T. A. S&nchez (1779, volledig) ; J. Hook-
ham Frère (Londen 1830) ; La Biblioteca de Autores
Espanoles (LVI Rivadeneyra). — L i t. : G. Baist,
Romanische Forschungen (VI, 292) ; R. Anchetas,
Gramatica y diccionario de Berceo (bekroond door de
Academia Espanola ; Madrid 1904). Borst .
Berceuse (Fr.), wiegelied.
Berch, > Goossen ten Berch.
Berchem, voorstad van Antwerpen. Opp. 566 ha,
ca. 43 000 inw. Leem- en zandgrond. Linoleum-,
olie-, bloemfabrieken; brouwerijen. De bevolking
leeft van nijverheid en handel. B. telt 5 parochiën:
St. Willebrordus (dekenaat Antw. 2e district), St.
Hubertus, O.L.V. Middelares, H. Drievuldigheid,
H. Sacrament (bediend door Norbertijnen). De Car-
melieten bedienen de parochie der H. Teresia, gelegen
op Berchem en Luithagen-Mortsel.
599
Berchem — Berckheyde
600
Nationale Basiliek van het H. Hart (Dochters van
het H. Hart v. J. v. Rome). St. Mariagasthuis en St.
Annagodshuis (Z. Maricollen), Z. Annonciaden (Ond.),
Damen der H. Familie, Zusters van O.L.V. van Namen
(Onderwijs), Franciscanessen v. Herentals, Instituut
Nottebohm voor huidziekten (Z. August inessen).
Volledige Lat. en mod. humaniora voor jongens in St.
Stanislasgesticht (842 leerl.). De Berchemsche school-
kolonie zendt zwakke kinderen naar zee (Clemskerke
voor jongens) en naar de Kempen (Ravels voor meisjes).
Het werk „Onze kinderen” verschaft raad aan jonge
moeders. Prov. raadplegingsbureel voor teringlijders.
Berchemsche Verplegersver. van het Roode Kruis.
In 1830 werd een gevecht geleverd te B., waar graaf
Frederik de Merode gekwetst werd. Begraven te B.
(monument). Striels.
Berchem, 1° Jachet de, Ned. componist,
waarschijnlijk uit Berchem bij Antwerpen afkomstig,
in 1555 orgelist van den hertog van Ferrara, schrijver
van madrigalen en missen. De authenticiteit van wer-
ken alleen met den voornaam Jachet of Giachet ge-
merkt, moet tusschen B., Jachet de Mantua, en de
beide Nederlanders Jachet de Wert en Jachet Buus
vastgesteld worden. Lenaerts
2° Lambert van, > Lambertus van Ber-
chem.
3° N i c o 1 a s, schilder en etser te Haarlem, later
naar Amsterdam. * 1620, f 1683. Hij maakte jong een
reis naar Italië; de indrukken uit dat land drukten een
blijvenden stempel op zijn kunst. Hij was zeer vrucht-
baar, schilderde bijna uitsluitend landschappen,
waarvan vele met herders en kudden. Tijdens zijn
leven reeds hoog geschat, zoodat hij een der weinige
kunstenaars was, die fortuin maakten. Zijn werken
waren zoo populair, dat er tot in de 18e eeuw toe
tallooze gravures naar gemaakt werden door Holland-
sche en Fransche prentkunstenaars. Zie pl. t/o kol. 578.
L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Schreden .
Berchen, > Willem van Berchen.
Berehet, G i o v a n n i, Italiaansch dichter,
* 23 Dec. 1783 te Milaan, f 23 Maart 1851 te Turijn;
studeerde eerst in de rechten, maar wijdde zich later
gansch aan de literatuur en behoorde weldra tot de
beste dichters der school, die er naar streefde den
volksgeest door nationale gedichten en door de herin-
nering aan de gouden eeuw der literatuur te sterken en
te veredelen. Om zijn politieke ideeën verdacht,
vluchtte hij en verbleef tot 1829 als boekhouder te
Londen, reisde dan als begeleider van markies Giu-
seppe Arconati door Frankrijk, België, Duitschland,
Griekenland en keerde pas in 1848 naar zijn vaderstad
terug, w r aar hij door de voorloopige regeering tot
minister van Onderwijs benoemd werd.
De bezieling en de warme kleur van zijn gedichten
hebben Berehet tot een lieveling van zijn volk gemaakt.
Werken: o.a. Romanze (1822 — *24) ; Profughi di
Parga (Londen 1824) ; Fantasie (Parijs 1829). Volledige
uitgave door Cusani (Milaan 1863), door Bellorini
(1911 — ’12). — L i t . : Pasanisi, Giovanni Berehet
(Turijn 1888) ; Mazzoni, La poesia patriottica di G. B.
(Florence 1898) ; Barbiera, I poeti della patria (Turijn
1911) ; F. Santoro, Vita ed opere di G. B., met bloem-
lezing door Bellorini (Livorno 1915). Ulrix.
Bercheure, P i e r r e, > Bersuire.
Berchmans, 1° Joannes, Heilige, Jezuïet.
B. is een voorbeeld van de meest nauwgezette plichts-
betrachting, ook in de geringste zaken; hieraan paarde
hij groote vroomheid en blijde opgewektheid en min-
zaamheid. Zijn leven toont, hoe de w r are heiligheid
niet bestaat in het verrichten van buitengewone,
opvallende of wonderbare dingen, maar in het vol-
maakt en gestadig vervullen van de kleine dagelijksche
plichten. * 13 Maart 1599 te Diest (België), f 13 Aug.
1612 te Rome. Uit arme ouders geboren; studeerde
eerst bij den pastoor zijner parochie, den Norbertijn
Peter van Emmerick uit Den Bosch; daarna te Meche-
len bij kanunnik Froymont en op het Jezuïetencollege
aldaar. Deu 24 Sept. 1616 trad hij te Mechelen in het
noviciaat der Sociëteit van Jezus. Hij begon in 1618
te Antwerpen de studie der philosophie, die hij nog
hetzelfde jaar te Rome aan de Gregoriaansche Univer-
siteit ging voortzetten. Hij stierf aldaar, nog vóór
het voleindigen zijner studie, op 22-jarigen leeftijd.
9 Mei 1865 w r erd hij zalig-, 16 Jan. 1888 heilig-
verklaard.
L i t. : Schoeters, De H. Joannes Berchmans (Alken
1930), waarin uitvoerige literatuurlijst. v. Hoeck.
2° J o h a n n a, > Courtmans.
Berchoux, J o s e p h, Fransch dichter van
didactische werken, waarvan de stof ontleend werd
aan de alledaagsche werkelijkheid; zijn vers: Qui nous
dólivrera des Grecs et des Romains? (1801) w r erd een
programmapunt in den strijd voor de romantiek.
* 1765 te Lay lez-S. Symphorien, f 1838 te Marcigny.
Werk: La gastronomie (1801). — U i t g. : Oeuvres
(4 dln. Parijs 1829). — L i t. : Collombet, Notice sur
J. B. (Lyon 1841). Baur.
Berehtescjaden, 1° gebied tusschen
Saalach en Salzach (Z.O. Beieren), dat een bekken-
landschap vormt, daar de zachte Triaslagen werden
weggenomen. Het mooist is het gebied om de Königs-
see, een tongbekken uit den tijd, dat de gletsjer zich
terugtrok, en w aaruit de steile rotswanden tot 1 600 m
oprijzen. In het W. ligt de Watzmann (2 714 m),
in het Zuiden Steinernes Meer, in het Oosten Hohe
Göll en Hagengebergte.
2° S t a d j e in het Beiersch regeer ingsdistrict
Oberbayem, aan de spoorlijn Reichenhall-Salzburg.
(Zie plaat bij artikel Beieren t^nover kolom 305.)
576 m boven zeeniveau; ca. 3 300 inw. Zoutbaden ter
behandeling van catarrhe der bovenste luchtwegen
(inhalaties) en stofwisselingsstoornissen; het stadje
wordt ook ’s winters steeds meer bezocht. Bekend ook
om het houtsnijwerk. Ten N. van de stad worden zout-
lagen geëxploiteerd. De pekel wordt, voor zoover niet
gebruikt, door blusleidingen naar Reichenhall gevoerd.
Lips.
Bcrcli van Heemstede, jkvr. C. van den,
schilderes, * Maart 1885 te Neer Langbroek. Studeerde
aan de Haagsche Academie onder Frits Jansen en
J. Aarts. Schilderde portretten, genretafereelen en
stillevens.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. Schilderkunst.
Bcrekhevde, 1° G e r r i t, schilder te Haarlem,
bijna uitsluitend van stadsgezichten. * 1638, f 1698.
Zijn talrijke werken hebben een groote documentaire
waarde, maar zijn ook aesthetisch van belang; zij zijn
liefdevol geschilderd en vertoonen een groote rust en
evenwicht. De meeste Ned. musea bezitten stalen
van zijn kunst.
Lit. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
2° Job, schilder te Haarlem, broeder van
Gerrit B., * 1630, f 1693. Hij had een uitgebreider
repertoire dan Gerrit B., schilderde ook veel architec-
tuur, maar daarnaast interieurs, landschappen en
bijbelsche voorstellingen. Zijn werken zijn niet zoo
601
Berckhout — Beren-eiland
602
talrijk; uitnemende stukken in de musea te Amsterdam,
Haarlem, Dresden, enz.
L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Schreden,
Berckhout, G. W., misschien juister Berck-
hont, Noord-Ned. schilder, ca. 1650. In het Rijks
Museum te Amsterdam bevindt zich van B. een gezicht
op het kasteel van Egmond (gedateerd 1653).
Berckman, Hendrik, portretschilder te
Middelburg, ook te Leiden en Haarlem; * 1629,
f 1679; gevierd in zijn tijd; kreeg belangrijke opdrach-
ten, o.a. voor schuttersstukken (die verloren zijn).
L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Berckmans, Joris Frans Xaveer,
prins der kamer d’Ongeleerden te Lier, waarvoor hij
jarenlang de tooneelstukken leverde. Waarschijnlijk
geb. te Lier, f aldaar 7 Juni 1694.
L i t. : zie bibliogr. door G. Segers, in Leven en
Werken der Zuid-Ned. schrijvers (afl. I 72 vlg.).
Berek-IMagc, badplaats in het dept. Pas de
Calais (Frankrijk). Talrijke sanatoria voor lijders aan
been- en gewrichtstuberculose bevinden zich nabij
het zeer breede strand. De plaats (10 000 inwoners
en 3 500 zieken) geniet op dit gebied een gunstige
reputatie. v. Uaeff.
Berck-sur-Yler, zeebadplaats aan den Seine-
mond. Zeehospitiën voor kinderen.
Ber^uire, P ierr e, > Bersuire.
Berdiaeff, Nikolaas Alevandro-
w i t s j, Russ. philosoof, * 6 Mei 1874; in 1900 om
politieke redenen voor drie jaar uitgewezen; in 1922
door de Sovjet verbannen als anti-communist; thans
in Parijs. Vertolkt, wat er religieus leeft en hoopt onder
de ontwikkelde Russ. emigrés. Bestudeert in zijn
van zware studie en godsdienstig beleven getuigende
cultuurbeschouwingen de invloeden van de geestelijke
factoren (Christendom, Humanisme, Socialisme) op
de moderne menschheid. Duitsche, Fransche en Eng.
vertalingen van zijn voornaamste werken: Der Sinn
des Schaffens (1916); Weltanschauung Dostojewskijs
(1923); Das neue Mittelalter (1924); Le problème du
Communisme (1933). Boosten.
Berditsjjevv, stad in de Oekraine, ten Z.W. van
Kijew; 60 000 inw., hoofdzakelijk Joden. In het
Russisch beteekent „hij komt van B.”: hij is een Jood.
Berdjansk, stad in de Oekraine, aan de Zee van
Azow; 3Ö 000 inw.
Berdorf, gem. in het groothertogdom Luxem-
burg, ten W. van Echtemach; ruim 900 inw., opp.
2 193 ha. Toeristisch centrum: aantrekkelijke natuur-
landschappen en kasteden in de omgeving; beziens-
waardige kerk met Romeinsche beeldhouwkunst.
Bcrea, bijb. plaats in Palestina, vermeld in de
oorlogen der Macchabeeën (1 Mac. 9. 4). Wellicht
= Hebr.: Birat = het huidige El Bire?
Bcrccci, Bartolomeo, Ital. bouwmeester
on beeldhouwer uit de eerste helft der 16e eeuw. Door
Sigismond 1 naar Polen geroepen, bouwde hij voor
hem een grafkapel in de kathedraal van Krakau
(1530), die gerekend wordt tot een der hoofdwerken
van de Ital. Renaissance buiten Italië. Tevens was
hij daar werkzaam aan den heropbouw van het ge-
deeltelijk af gebrande koninklijk paleis. Door een land-
genoot gedood (1537), werd hij begraven in Kazimircz
(bij Krakau).
Lit.: Ciampi, Notizie di medici, pittori ecc. italiani
in Polonia (1831) ; Luszczkiewicz, B. B. (1897).
Knipping .
Berechting, term in Zuid -Nederland gebruikt
voor > Bediening.
Beregisus, Heilige, Benedictijn. * ca. 707,
f na 725. Feestdag 2 Oct. Hij ontving zijn opvoeding
te S. Truiden en werd de eerste abt van het door
Pepijn van Herstal en Plectmdis in de Ardennen
gestichte klooster Andain of Andage, waarvan weinig
bekend is, voor er de Regel van den H. Benedictus
werd ingevoerd (817) en de relieken van S. Hubert
er werden overgebracht (825); sindsdien werd het
S. Hubert genoemd.
L i t. : Acta SS. Oct. (I 1866, 494 vlg.) ; Acta SS. O.S.
B. (IV 1, 1677, 294 vlg.). Lindeman .
Berekendheid (Lat. prudentia camis) is de on-
deugd, die staat tegenover de ware voorzichtigheid.
Zij is het, die den mensch gestadig met juist oordeel
en doortastendheid die middelen doet aanwenden, die
hem brengen tot datgene, wat hij als hoogste en boven
alles te bereiken goed nastreeft, bijv. aardsche macht
of rijkdom. Niet de zedenwet, maar de al of niet ge-
schiktheid voor dat doel wordt dan de voornaamste
norm van handelen.
Een voorbeeld van b. is de onrechtvaardige rent-
meester uit het Evangelie (Lc. 16). Daarom zeide
Christus van menschen, die op hem gelijken: in hun
soort zijn zij voorzichtiger dan de kinderen des lichts,
d.i. hun aardsche voorzichtigheid doet hen met
scherper oordeel en grooter doortastendheid naar hun
aardsch doel streven dan de kinderen des lichts
naar het ware einddoel van den mensch, het eeuwige
leven.
Lit. : S. Thomas, Sum. Theol. (II II, q. 55).
Bender.
Berekening. Met het oog op materiaal-, dus
gewichts- en kostenbesparing, moeten de onderdeden
der gebouwen, machines, schepen, enz. zoo nauwkeurig
mogelijk worden berekend met behulp der mechanica,
die daardoor een steeds bclangrijker plaats in de
ingenieurswetenschap inneemt.
Beren-berg , 2 545 m hooge vulkaan op N. Jan
Mayen, hoogste vulkaan van het arctisch gebied. In
1732 had hij nog ascherupties. Hij heeft veel parasiet-
kegels, oude lavastroomen tot in zee, sneeuw tot
700 m en gletsjers tot aan zeeniveau. De bovenrand
daalt steil af in een bijna 1 000 m wijden krater.
fr. Stanislaus.
Berendrecht , Belg. gem. in de prov. Antwerpen,
op den rechteroever der Schelde, 17 km ten N. van
Antwerpen. Opp. 1 154 ha, ca. 2 500 inw. Zware
poldergrond. Sncllekreek. Gotische kerk (St. Jan
Baptist), uit het einde der 14e eeuw en hersteld in
1870. Bedevaart naar het beeld van O.L.Y. van den
Hagelberg. Zusters van O. L. Yr. van Barmh. en van
St. Vincent ius a Paulo. Striels.
Bercndtzen, Henricus, priester; * Dec.
1719 te Didam, f 8 Apr. 1797 te Maarsen; studeerde
te Douai, werd 1742 pr. gewijd, werkte als kapelaan
in Gelderland en Utr., was pastoor te Muiden (1746),
Bunnik (1762), Utr. (1766) en Maarsen (1768—1797),
bovendien 1766 — 1797 aartspriester van Utr. Hij
schreef enkele apologetische werkjes.
Lit.: J. H. Hofman in Arch. ab. Utr. (XXXII,
163 vlg.). Rogier.
Beren-eiland, Noorsch B j ö r n ö y a, eiland
tusschen Skandinavië en Spitsbergen (74° 30' N.,
19° O.). De opp. is 178 km 2 en het hoogste punt is de
539 m hooge Urdtop. Het eiland werd in 1596 door de
Rijp ontdekt. Het is een weerstandskrachtige abrasie-
603
Berengarius— Berengosus
604
rest van het plateau, waarop Spitsbergen gelegen is.
Ook politiek hoort het tot Svalbard en daarmee tot
Noorwegen. Het Z. is bergland, een rest van de Cale-
donische plooiing met Dolomiet, Kalk, Kwarts iet
en Leisteen van de Hekla-hoekformatie, inhetMisery-
massief nog bedekt met Devoon, Carboon en Trias.
Het N. is een rots- en merenvlakte met Devoonsche
en Carboonsche steenkoollagen in het zandsteen.
Februari heeft een gemiddelde temp. van — 9°. De
zomers hebben veel mist en nevel. Het eil. heeft geen
echte gletsjers. Er zijn veel vogels: de Vogelberg in
het Z. is een groote vogelkolonie. De steenkool ligt
meestal in dunne lagen en heeft een groot aschgehalte.
In het N.O. bij het Zalm- en Haussmeer begon in 1916
de Björnöen A. S. met de exploitatie. In verband
hiermee ontstond er een kleine nederzetting, Tunheim,
met 100 a 200 bewoners. In 1925 is de exploitatie
gestaakt. Zuidhaven is uitgangspunt voor de walvisch-
vangst. Het eil. heeft een meteor. station.
fr. Stanislaus .
Berengarius, 1° markgraaf van I v r e a,
zoon van Adalbert van Ivrea en Irmingard, f 966 te
Bamberg. Om aan de harde hand van den Ital. koning
Hugo van Provence te ontkomen, was hij naar Duitsch-
land gevlucht. Vandaar in 945, gesteund door den
Duitschen adel, met een leger naar Italië terugge-
keerd, werd hij door de bevolking begroet als haar
bevrijder uit de tyrannie der Bourgondiërs. Toen Hugo
in 948 en diens zoon Lotharius in 950 gestorven waren,
werd B. meester van bijna geheel Noord -Italië, doch
toonde zich een hardvochtig en tyranniek vorst. Hij
wendde pogingen aan om Lotharius’ weduwe, Adelheid
van Provence, met zijn zoon Adalbert te doen huwen.
De kwellingen, de vrome Adelheid aangedaan, om
haar te dwingen, wekten algemeene verontwaardiging,
niet in het minst bij koning Otto I, dien dit alles
versterkte in zijn wensch een tocht naar Italië te
ondernemen, om B. te straffen voor het breken van
zijn leeneed. Otto kon zonder moeite voorwaarts
rukken, werd door de ltaliaansche grooten als koning
gehuldigd (951) en huwde kort daarop zelf met Adel-
heid. B. kreeg het ltaliaansche koninkrijk in leen.
De opstand der Hongaren werd door B. benut om
zijn leenhoorigheid wederom op te zeggen en zijn oude
wijze van regeeren te hervatten. Nu riep paus Johannes
XII koning Otto te hulp en na wisselende krijgskans
werd B. onderworpen. Hij en zijn roekelooze gemalin
Willa moesten de rest van hun leven in verbanning
te Bamberg slijten.
L i t. : Dönnigcs, Otto I ; verder Berengarius van
Friaul. Slootmans.
2° Een graaf in de Lommegouw in de eerste helft
der 10e eeuw, misschien eerste graaf van Namen.
Berengarius 1 van Friaul stichtte op het
eind der 9e eeuw het onafhankelijk markgraafschap
Friaul aan de Noordgrens van Italië. Na de onttroning
van Karei den Dikken (888) streed hij met hertog Guido
van Spoleto om de heerschappij over geheel Italië
en om de keizerskroon. Aanvankelijk teleurgesteld, ver-
kreeg hij ze na veel strijd in 915 van paus johannes X,
doch werd in 924 te Weenen vermoord.
Het keizerschap was na zijn dood vrijwel zonder
beteekenis, tot het door Otto I weer tot ongekenden
luister werd gebracht.
L i t. : L. M. Hartmann, Geschichte Italiens im
Mittelalter (3 dln. 1903-1908). Slootmans.
Berengarius van Tours, theoloog en ultra-
dialecticus; * 998, f 1088; leerling van Fulbert van
Chartres, die hem reeds een valschen en gevaarlijken
geest noemde; 1031 kanunnik-scholaster aan de
St. Martinuskerk te Tours; 1040 aartsdiaken te Angers.
Volgens zijn tegenstander Lanfranc wilde hij de
geloofswaarheden aan de beoordeeling der rede onder-
werpen en hij paste dit rationalistisch beginsel toe op
de leer der H. Eucharistie. Het Concilie van Reims
(1049) veroordeelde zijn leer; door zijn vurige pro-
paganda en de stelligheid zijner beweringen werd
hij echter zeer gevaarlijk; paus Leo IX achtte dc eerste
v^roordeeling onvoldoende en riep een concilie bijeen
te Rome, dat B. veroordeelde en hem gelastte te ver-
schijnen op een conc., dat in hetzelfde jaar te Vercelli
zou gehouden worden, aan welk bevel hij niet voldeed.
Te Vercelli werd na rijp beraad zoowel de leer van B.
veroordeeld, als het boek van Scotus Eriugena, waarop
hij zich beriep. B. onderwierp zich niet; er ontstond
zelfs een oproerige beweging en koning Hendrik I riep,
zonder den paus daarin te kennen, een nationaal
conc. bijeen te Parijs (1051). Ook hier werd B. veroor-
deeld. De paus zond, om zijn gezag te doen gelden,
Hitdebrand (later Gregorius VII) met kardinaal Hugo
naar Frankrijk. Hildebrand riep in 1054 een conc.
bijeen te Tours en stelde B. voor de keus zich te
onderwerpen of de vergadering nogmaals uitspraak te
laten doen. Nu onderwierp B. zich en onderteekende
de stelling: „Na de Consecratie is er op het altaar niet
meer brood en wijn, maar het Lichaam en Bloed van
Jesus Christus”. Toch bleef hij niet standvastig. In
1059 moest hij weer voor een Romeinsehe synode
verschijnen, thans onder voorzitterschap van Nico-
laas II en een nieuw formulier onderteekenen. Wederom
viel hij in zijn dwaling terug. In 1073 schreef hij „De
Sacra coena”: op grond van een sensualistische ken-
theorie loochent hij de wezensverandering van brood
en wijn, omdat met het wezen ook de accidenten zouden
moeten veranderen. De strijd ging echter niet alleen
om het behoud van het dogma, maar ook om de toelaat-
baarheid van het gebruik der dialectische methoden op
geloofsgebied. Gregorius VII beriep thans den tachtig-
jarige naar Rome en behandelde hem zeer welwillend,
wijl hij klaagde in Frankrijk niet veilig te zijn. Op de
Romeinsehe synode van 1079 onderschreef hij wederom
het hem voorgelegde formulier. Nog eenmaal moest
hij voor een synode verschijnen in Bordeaux (1080),
doch bleef verder rcchtgeloovig.
Hij stierf op het eiland St. Come bij Tours. Eenigen
zijner leerlingen zetten de ketterij voort, die echter
weldra uitstierf.
Het is niet juist, dat de opheffing der H. Hostie
na de Consecratie van het brood is ingevoerd na de
veroordeeling van B., om tegen diens ketterij te pro-
testccrcn.
Werk: De sacra coena (uitg. Vischer, Berlijn
1834). — L i t. : Bottemannc, Berengarius van Tours,
in De Katholiek (XXXIV tot XL 1858— ’61) ; M. Grab-
manz, Geschichte der schol, methode (I Freiburg 1909,
218-224) ; Th. Heitz, Essai hist. sur les rapp. entre la
phil. et la foi de Bér. de Tours è, S. Thomas d’Aquin
(Parijs 1909) ; Heurtevent ; Durand de Troarn et les
origine8 de 1’hérésie bérengarienne (1912).
Slootmans .
Bcrenger-Mellon overeenkomst, > Oor-
logsschulden.
Berengosus (Berengotius), abt van St.
Maxim inus te Trier omstr. 1112, verkreeg van
Hendrik V voorrechten voor zijn abdij. Schreef over
het H. Kruis en andere reliquieën, o.a. over het huis
van St. Helena te Trier, doch niet over den H. Rok.
605
Berenice — Beresford
606
Gezwollen stijl, voorliefde voor getallensymboliek,
woordspelingen en schriftuur citaten.
Werken: De laude et inventione S. Crucis ; De
mysterio ligni dominici ; De luce visibili et invisibili ;
Sermones, o.a. de veneratione reliquiarum. — U i t g. :
Keulen (1555) ; Bibliotheca maxima Patrum, XII
(Lyon 1677 vlg.) ; Migne, Patrologia latina (CLX, 935
vlg.). — L i t. : S. Beissel, Geschichte der Tricrer
Kirchen, ihrer Beliquien und Kunstschatze (I Trier
1887, 128). H. Sauerland, Trierer Geschichtsquellen
(1889), schrijft B. een Vita S. Agritii toe. Lampen.
Berenice, 1° naam van vsch. vrouwen uit het
koningsgeslacht der Ptolemaeën. Eén ervan was de
dochter van Ptolemaeus II Philadelphus en echt-
genoote van Antiochus II Theos, in het boek Daniël
(XI. 6) „dochter van den koning van het Zuiden”
genoemd.
2° Naam van twee Joodsche prinsessen uit de dyn-
astie van Herodes den Grooten. De eene was de
echtgenoote van Aristobulus, een zoon van Herodes
en Mariamne.Zij werd de moeder van Herodes Agrippa I
(10 v. Chr.). De andere was de oudste dochter van
Herodes Agrippa I, oorspr. gehuwd met Herodes van
Chalcis, later met Polemon van Cilicië. Daarna leefde
lij eenigen tijd met Titus te Rome. Simons.
De bekendste bewerking van deze episode is die
van Jean Racine (1670), een tragedie. In 1677 werd
het stuk vertaald in het Engelsch door Thomas Otway,
onder den titel Titus and Berenice. Otway heeft er
veel veranderingen in aangebracht. Een zeer goede
Engelsche vertaling verscheen pas in 1922 van de hand
van John Masefield. B. behoort tot de meestgeliefde
thema’s voor kunstenaars.
L 1 1. : Léonie Villard, B. en Angleterre in Rev. de
PUniversité de Lyon (1928, 105-113). Gielen.
3° (Ook B e r n i c e, Vcronica), volgens de
legende de naam der vrouw, die aan bloedvloeiing
leed en later voor Pilatus verscheen om voor Christus
te getuigen.
Macarius van Magnesia verheft haar tot prinses,
waarschijnlijk naar aanleiding van de gelijknamige
prinsessen uit het geslacht van Herodes. Soms ver-
eenzelvigd met de H. Veronica. J. v. Rooij.
Berenice, Haar van, > Coma Berenices.
Berenklauw, H e r a c 1 e u m, is een geslacht
van de familie der schermbloemigen (Umbelliferae)
met 60 soorten. Heracleum sphondylium wordt als
jonge plant voor veevoeder gebruikt, doch H. sibiri-
cum is hiervoor veel beter geschikt. Vele soorten zijn
vanwege hun bladeren en ornamentalen groei gezocht
als tuinplant en wel bijzonder H. mantegazzianum.
De b. wordt wel gebruikt als volksgeneesmiddel
(Duitsch: Heilkraut). Bouman.
Berenkop, Hydnum coralloides var., Caput ursi,
een variatie van de > koraalzwam, met kortere
takken, waaraan knolvormige verdikkingen. Weegt
somtijds 2 kg. Komt bij ons zelden voor.
Berenoor (plant k.), > Primula.
BercMirivier (Bear-river), is de naam van drie
rivieren in N. Amerika. 1° Een rivier, die ontspringt
in het Rotsgebergte, ongeveer 112 km ten O. van de
Groote-Zoutmeerstad en in het groote Zoutmeer uit-
mondt.
2° Een rivier op de Westhelling der Siërra Nevada
in Califomië, die zich met de Feather-rivier vereenigt.
3° De Westelijke, 120 m breede zijrivier van de
Mackenzie in het N.W. van Britsch-N. Amerika, die
het water van het Groot-Berenmeer afvoert.
Berenson, Bernard, kunsthistoricus van
Litauschen oorsprong, * 1856; emigreerde in zijn jeugd
naar Amerika (Boston), studeerde op de Harvard-
Universiteit, keerde in 1887 naar Europa terug en
bestudeerde onder Giovanni Morelli de Italiaansche
schilderscholen, vooral de Venetiaansche. Merkwaar-
dig is de ontwikkeling zijner kunsthistorische methode:
hij ging hoe langer hoe meer aandacht schenken aan
iconographie en kostuum bij de dateering en de iden-
tificeer ing van schilderwerken.
Voorn, werken: Venetian Painters of the
Renaissance (1894) ; Lorenzo Lotto (1895) ; Florentine
Painters of the Renaissance (1896) ; Central Italian
Painters of the Renaissance (1897) ; The Drawings of
the Florentine Painters (1903) ; The North Italian
Painters of the Renaissance (1907) ; Introductory essay
on the Speculum Humanae Salvationis (1927) ; Three
Essays in Method (1927) ; Studies in Medieval Painting
(1930). Knipping .
Be rent, W a c 1 a w, Poolsch romanschrijver
van sterk-individualistische richting. * 28 Sept. 1873
te Warschau. Veeleischend stilist als Flaubert,
bracht B., buiten zijn journalistiek werk en voor-
treffelijke vertalingen, in 20 jaar niet meer dan drie
romans voort, die ieder, in steeds gewijzigden stijl,
een volmaakt kunstwerk uitmaken: Próchno
(= Verrotting, 1903) en O z i m i n a (Winterzaad,
1911) zijn een aangrijpende schildering van do ellenden
der wormstekige cultuurdecadentie in bepaalde
Poolsche kringen ; Zywe Kamienie (= Levende
steenen, 1918) schildert het leven van de wereld der
reizende gezellen in de middeleeuwsche steden, rond-
om een in opbouw zijnde kathedraal. Baur.
Berenvel, vel, afkomstig van verschillende
berensoorten; hoofdzakelijk dienend voor dek-, soms
ook voor draagpels. De pelzen van ijsberen worden wel
door de poolbewoners gedragen, worden echter weinig
naar Zuidelijker streken uitgevoerd wegens transport-
moeilijkheden. De gewone bruine beer levert een bruin
vel, soms grijs, rossig of geel. Hoogst zeldzaam zijn
de vellen van de witte fijnharige landheren. Ook zijn
zwarte gezocht, die veel uit Siberië komen; soms zijn
deze met witte of gele haarpunten (zilver- en goud-
beren). Verder levert N. Amerika veel vellen van den
Araer. zwarten beer (de zgn. Baribal) met mooi zwart
fijn haar. De beste dezer vellen komen van de Hudson-
baai. In N. Amerika komt ook voor de groote grijze
of zgn. Grizzlybeer, met een aschgrauwe, zeer dicht-
en langbehaarde pels. Tenslotte zij nog vermeld de
w r aschbeer, in N. en Z. Amerika levend. Alleen de
vellen van die in N. Amerika (speciaal Missouri)
leven zijn waardevol. De haarkleur is zeer verschillend;
wordt ook als pelsdier in gevangenschap gefokt.
Verhey .
Beresford, 1° John Davys, Engelsch
romanschrijver. * 1873, zoon van een Anglicaansch
geestelijke te Peterborough ; lichamelijk gebrekkig,
streng godsdienstig opgevoed, werd sceptisch en sati-
risch; werkte in winkels, daarna als architect en als
journalist voor Punch. Schrijft romans sedert 1911.
Verblijft in Comwall, waarvan hij de natuur met voor-
liefde schildert. Zijn meeste romans bevatten auto-
biographische herinneringen. Onder invloed van
H. G. Wells, socialistisch; na den oorlog meer revolu-
tionnair, Freudistisch en erotisch.
Werken: The History of Jacob Stahl, A Candidate
for Truth, The Invisible Event (1911-’15, een roman-
trilogie) ; These Lynnekers (1916) ; House-mates (1917) ;
God’s Counterpoint (1918) ; The Gervaise Comedy
(1919); The imperfect Mother (1920) ; Revolution
607
Beresow — Berg
608
(1921); Love’s Pilgrim (1923); Unity (1924); The
Monkey Puzzle (1925) ; That Kind of Man (1926) ; The
Decoy (1927); All or Nothing (1928); Real People
(1929) ; Love’s Illusion (1930) ; An Innocent Criminal
(1931) ; The Old People (1932) ; enz. Pompen .
2° S i r John Poer, Engelsch admiraal en
politicus. * 1766; f 2 Oct. 1844 op zijn buitenverblijf
Bedale in Yorkshire. Vice-admiraal (1825), admiraal
(1838). Geruimen tijd lid van het Lagerhuis.
L i t. : Dict. of national biography (II).
3°William Carr, viscount, Engelsch
generaal en politicus. * 2 Oct. 1768, f 8 Jan. 1854
op zijn buitenverblijf Bedgebury-Park (Kent). Broeder
van John B. Trad in 1785, als vaandrig, in dienst bij
het leger. Kam deel aan vele tochten, o.a. naar Frank-
rijk, Indië, Egypte, Ierland, Kaap de Goede Hoop,
Buenos-Aires, enz. Werd in 1809 tot veldmaarschalk
en opperbevelhebber van het Engelsch leger in Portugal
benoemd, versloeg de Franschen aan den Douro en
trok met Wellington Frankrijk binnen (1814). Als
gevolmachtigde van Engeland naar Rio de Janeiro
gezonden (1814), waar de Portug. koninklijke familie
zich ophield, keerde hij weldra naar Portugal terug,
waar hij aan het hoofd van het leger stond en veel
invloed op de regeering uitoefende (1815). De revolutie
van 1820 dwong hem zijn betrekking neer te leggen
en in 1823 werd hij uit Portugal verbannen. Wel
kwam hij in 1826 in dit land nog terug, maar hij
herkreeg zijn invloed niet. In 1828 werd hij in Engeland
tot grootmeester der artillerie bevorderd. Als Tory
zetelde hij in het Lagerhuis (1810 — ’14) en in het
House of Lords (vanaf 1814).
L i t. : Dict. of national Biogr. (II). Lousse .
Beresow, stad in de Oekraine, nabij Charkow;
modderbaden, ijzerhoudende bronnen, behandeling
van rheum. ischias en neuralgia.
Bcrettino-majjolica is de naam van een vooral
te Faenza geproduceerd majolica van helderblauw,
soms naar liet grijze overgaand glazuur. De beste
Berettino-producten (schotels en tondo’s) dateeren
uit de 15e en het begin der 16e eeuw.
Berczina, Wit-Russische rivier, rechter zijrivier
van den Dnjepr, 600 km lang. Zij ontspringt op den
W. Russischen landrug en is door het geringe verval
(118 m tot den mond) en den grooten waterrijkdom
reeds bij Borisow, 50 km beneden den oorsprong, voor
stoomschepen bevaarbaar. Door het 20 km lange
Berezinakanaal staat ze met een zijrivier van de
Duna in verbinding. /r. Stanislaus.
Over de B. had bij Studianka op 26 — 29 Nov. 1812
de overtocht van Napoleon ’s legerrest plaats, tijdens
zijn terugtocht uit Rusland. De Russische admiraal
Tsjitsjagow had den terugtochtsweg van Napoleon
aan de Berezina bij Borissow bezet. In den rug volgde
Koetoesow. Van ter zijde naderde Wittgenstein. De
toestand scheen hopeloos, temeer omdat door plotseling
ingevallen dooi het ijsdek over de rivier was verdwenen.
Door een schijnbeweging leidde Napoleon de aandacht
van de Russen af van het werkelijk gekozen over-
gangspunt bij Studianka, welks huizen het materiaal
voor brugslag gaven. Ónder leiding van generaal
Ebló bouwde de genie, waarbij zich zéér veel Hollan-
ders bevonden, twee bruggen over de 80 m breede
rivier. Om dc achtervolging te vertragen, liet Napoleon
de herstelde bruggen afbreken, waardoor 15 000 man
achterbleven. Ca. 35 000 man kwamen over. Den
29en volgde de achterhoede onder druk van den vijand.
Berezowskl, Poolsch oproermaker, * ca. 1849.
Tijdens het bezoek van tsaar Alexander II aan de
Wereldtentoonstelling te Parijs, trachtte B. hem te
vermoorden, toen de keizer met Napoleon III van een
troepeninspectie terugkeerde (9 Juni 1867); ondanks
een schitterende verdedigingsrede van Emmanuel
Arago, werd B. tot twintig jaar dwangarbeid ver-
oordeeld. V . Houtte.
Berg . Onder berg verstaat de geograaf elk gedeelte,
dat van een bodemverhevenheid overblijft bij mecha-
nische afbraak, of m.a.w. een door de erosie gespaarde,
geïsoleerde rest van een eertijds opgeheven stuk land.
In het algemeen is dit ook de beteekenis, die de leek
aan het begrip berg toekent. De geoloog echter ver-
staat strikt gesproken onder berg een verhevenheid
van het land, door tectonische bewegingen in de ge-
steentekorst te voorschijn geroepen. Voor de wijze,
waarop de inwendige aardkrachten een gebergte kun-
nen vormen, > Tectoniek. De in den loop der geolo-
gische tijden tectonisch gevormde bergen (gebergten)
zijn dus als primair te beschouwen; de bergen in hun
tegenwoordige gedaante zijn steeds secundair uit de
eerste ontstaan en hebben hun tegenwoordige gestalte
door verweer ing en erosie verkregen.
Aan een berg onderscheidt men den voet, de
helling en den top. Welke verhoudingen deze
drie elementen ten opzichte van elkaar hebben, m.a.w.
welke gestalte de berg zal hebben, hangt af van de
geologie van het landschap en de petrographische
gesteldheid van het gesteente, waaruit de berg is
opgebouwd.
Bergen, door vulkanisme ontstaan, hebben in den
regel een kegelvormige gedaante, met zwak glooiende
hellingen (Vesuvius, Merapi), echter komen ook stompe
vormen voor. > Vulkanisme.
Bergen, opgebouwd uit zachte sedimentaire gesteen-
ten, hebben dikwijls ronde glooiende vormen. Bestaan
de sedimenten uit harde kalken en zijn ze horizontaal
gelaagd, dan ziet men dikwijls door erosie tafel- of
b lokachtige vormen optreden, bijv. in de Dolomieten,
in het Elbe -zandsteengebergte, in het Colorado-
gebied.
Spitse, scherpe bergtoppen vindt men vooral in
gebergten, bestaande uit kristallijne schisten of
stollingsgesteenten. Hieronder hooren bijv. vele toppen
uit de Alpen. Crommelin.
Overzicht van eenige voorname bergen.
Europa Hoogte
in m
Mont Blanc 4.810
Monte Rosa 4.638
Bernina 4.052
Grossglockner 3.798
Mulhacen (Siërra Nevada) 3.481
Pico d’Anetou (Pyreneeën) 3.404
Etna 3.274
Zugspitze 2.963
Olympus 2.918
Gran Sasso d’Italia (Apennijnen) 2.914
Glittertind (Noorwegen) 2.481
Parnassos 2.459
Idagebergte (Kreta) 2.459
Snehetta (Dovrefjell, Noorwegen) 2.321
Kebnekaisse (Zweden) 2.135
Hvaimadalshnukur (Ijsland) 2.120
Athos 1.935
Mont Dore (Auvergne) 1.886
Babia Gora (Beskiden) 1.725
Pelion (Griekenland) 1.618
609
Berg
610
Hoogte in m
Hekla (Ijsland) 1.557
Grosser Altvater (Sudeten) 1.490
Puy-de-Döme (Auvergne) 1.4G5
Grosser Belchen (Vogezen) 1.423
Ben Nevis (Schotland) 1.343
Ilaltia (Finland) 1.324
Vesuvius 1.223
Fichtelberg (Ertsgebergte) 1.216
Broeken 1.142
Pentelikon (Griekenland) 1.109
Snowdon (Wales) 1.085
Hymettos 1.027
Monte Lauro (Sicilië) 985
Stromboli 926
Slattaratindur (Faeröer) 882
Kali Ier Astenberg (Rothaar) 841
Cheviot (Engeland) 816
Hohe Acht (Eifcl) 746
Köröshegy (Bakonywoud) 713
Hohenstaufen 684
Königstuhl (Odenwald) 666
Völmerstod (Teutenburgerwoud) 468
Gibraltar 425
Azië
Mount Everest (Himalaja) 8.880
Dapsang (Karakoroem) 8.620
Kantsjintsjinga (Himalaja) 8.580
Dupleixberg (Tibet) 8.000
Tiratsjmir (Hindoe Ko*sj) 7.750
Ullug-mus-qtag (Kwen-Lun) 7.720
Kungur (Pamir) 7.665
Gaurisankar (Himalaja) 7.140
Demawend (Elboers) 5.670
Elbroes (Kaukasus) 5.646
Groote Ararat 5.156
Kasbek (Kaukasus) 5.043
Kljoetsjewskaja Sopka (Kamsjatka) 4.920
Kinibaloe (Bomeo) 4.175
Nitakajama (Formosa) 4.145
Alagös (Kaukasus) 4.095
Korintji (Sumatra) 3.805
Foedsjijama (Japan) 3.780
Rindjani (Lombok) 3.765
Semeroe (Java) 3.670
Lom po Battang (Cclebes) 3.075
Dahr cl Chodib (Libanon) 3.068
Djebel Achdar (Arabië) 3.020
Groote Hormon (Antilibanon) 2.759
Ermera (Timor) 2.620
Pedrotalagalla (Ceylon) 2.536
Tsjang-pei-tsjan (Mandsjoerije) 2.440
Adamspiek (Ceylon) 2.2-141
Troodos (Cyprus) 1.950
Karmel (Palestina) 552
Afrika
Kilima-Ndsjaro (Oost-Afrika) 6.010
Kenia (Oost-Afrika) 5.795
Roewenzoii (Oeganda) 5.130
Meroe (Oost-Afrika) 4.730
Ras Dajan (Abessinië) 4.620
Karissimbi 4.500
Fako (Kameroengebergte) 4.070
Cathkinpiek (Drakengebergte) 3.660
Emi Koessi (Sahara) 3.400
Piton de Neiges (Réunion) 3.150
Hoogte in m
Pico Volcano (Kaap Verdische eilanden) . . 2.980
Brandberg (Z.W. Afrika) 2.606
Tafelberg (Z. Afrika) 1.082
Noord - en Middel-Amerika
Mount MacKinley (Alaska) 6.241
Mount Logan (Canada) 5.955
Piek van Örizaba (Mexico) 5.650
Popocatepetl (Mexico) 5.440
Mount Whitney (Califomië) 4.420
Blanca Peak (Colorado) 4.389
Peak Wilson (Colorado) 4.352
Mount Evans (Colorado) 4.350
Mount Columbia (Canada) 4.328
Tajamulco (Guatemala) 4.210
Mount Cook (Canada) 4.192
Mount Lyell (Califomië) 3.990
Fuego (Guatemala) 3.900
Chiriqui (Panama) 3.430
San Bernardino (Califomië) 3.240
Monte Tina (Haïti) 3.140
Pico de Tarquino (Cuba) 2.560
Victoria Peak (Vancouvcr) 2.280
Mitchellberg (Alleghanies) 2.044
Mout Pelé (Martin ique) 1.360
Zuid-Amerika
Aconcagua (Argentinië) 7.040
Coropuna (Peru) 6.950
Tllimani (Bolivia) 6.860
Nevado de Huascan (Pem) 6.721
Tubungato (Argentinië) 6.710
Chimbarazo (Ecuador) 6.310
Nevado de Cuzco (Pem) 6.153
Nevado de Cachi (Argentinië) 6.000
Tolima (Columbia) 5.620
Maipo (Argentinië) 5.336
Nevado de Cocui (Columbia) 5.080
Pic Concha (Venezuela) 4.700
Tinguiririca (Chili) 4.480
Itatiaya (Brazilië) 2.804
Monte Darwin (Vuurland) 2.130
Australië en Oceanië
Carstensztop (Nieuw-Guinee) 5.000
Wilhelminatop (Nieuw-Guinee) 4.750
Manna Kea (Hawaii) 4.210
Mauna Loa (Hawaii) 4.168
Victoriaberg (Nieuw-Guinee) 4.000
Mount Cook (Nieuw -Zeeland) 3.768
Arfak (Nieuw-Guinee) 2.902
Lammasberg (Nieuw-Salomonseilanden) . . . 2.440
Mount Kosciusco (Australië) 2.206
Tongariro (Nieuw-Zeeland) 1.891
Humboldttop (Nieuw-Caledonië) 1.634
Mount Vua-ni-Vatu (Fidsji-eilanden) .... 1.290
Ponapo (Carolincn) 900
Poollanden
Erebus (Victorialand) 4.055
Petermanntop (Groenland) 3.800
Mont Forel (Groenland) 3.440
Terror (Victorialand) 3.275
Berenberg (Jan Mayen) 2.545
Mount Ross (Kergiielen) 1.990
Newtontop (Spitsbergen) 1.730
Mount Grant (Grantland) 1.493
«V. ‘20
611
Berg
612
Bergen nemen in de H. Schrift een voorname plaats
in, vnl. in het O. T., zoo voor het godsdienstig leven
der Joden als in de geschiedenis van hun volk. Zoo de
berg Ararat, de Hermon, de Karmel, de Thabor, de
Nebo, de Sinai (Horeb),de Garizim (Ebal),de Olijfberg,
de Sion (Tempelberg) en de berg van Calvariën,
(Golgotha). Verscheidene bergen komen er voor als
plaatsen, waar de heidenen hun góden vereerden. Niet
zelden lieten de Israëlieten zich verleiden door dit
voorbeeld en offerden op de hoogten buiten het Heilig-
dom of den Tempel. Toch was het uitdrukkelijk door
de Wet verboden (Ex. 23. 24; 34. 13; Lev. 26. 1;
Deut. 7. 5; 12. 3; 16. 21). Als niet vrij van heidensche
en afgodische elementen bestreden de profeten dit
misbruik met alle kracht, maar dikwijls zonder afdoen-
de resultaten. > Berggoden.
L i t. : A. v. Hoonacker, Le lieu de culte dans la
législation rit. d. Hébreux (Gent 1894). J. Sassen.
Borg noemt men geel-bruine vlekken, die uit
huidschilfers en afscheid ingsproducten van de huid
bestaan. Komt bij kleine kinderen op het hoofd voor.
Borg, 1 c Urmond.
2 ° Gem. in de Belg. prov. Limburg, ten N.O. van
Tongeren; ca. 600 inw., opp. 666 ha. Heuvclachtig;
klei- en zandgrond op krijtvormingen, landbouw;
middeleeuwsche kerk op Romeinsche tempelruïne
gebouwrd. V. Asbroeck.
Tijdens herstellingswerken in de kerk vond men al-
daar een steenen voetstuk, in tweeën gespleten, dat
op de vier zijden versierd was met een Romeinsche
godheid; thans in het museum der St. Pauluskerk
te Luik. Op grond van onderzoekingen blijkt, dat de
Romeinsche baan van Tongeren naar Keulen door
deze gemeente liep. De Maeyer.
3° Gem. in Z. Brabant, ten O. van Brussel; opp.
889 ha, ong. 1 400 inw.; landbouw.
4° Gem. in het groot-hertogdom Luxemburg,
ten Z. van Ettelbriick; ca. 650 inw., opp. 1 231 ha.
Aan den samenloop van Attert en Alzette; kasteel van
de groot-hertogin. Spoorweg; aangename omgeving.
5 ° Groothertogdom ;15 Maart 1806 door
Napoleon gevormd uit het hertogdom Berg (van
Beieren) en Kleef (van Pruisen) onder zijn zwager
Murat (later onder Nap. Louis, zoon van Lod. Nap.,
voor wien Beugnot bestuurde). 1810 gedeeltelijk inge-
lijfd bij bet Fr. keizerrijk; 1815 aan Pruisen.
6 C Badplaats bij Stuttgart. Radio-actieve bronnen.
Behandeling van rheuma en vrouwenziekten.
Berg,l°A. van den, Holl. schilder. * 19 Mei
1852 te Den Haag. Leerling van de Haagsche Academie.
Werd leeraar aan deze academie. Schilderde figuur-
stukken, landschappen en maakte ook enkele etsen.
L i t. : A. Plasschaert, Holl. Schilderkunst.
2 ° A. C. van den, Holl. schilderes, * 18 Febr.
187o te Amsterdam. 1891 werkte zij als leerlinge op
het atelier van M. Hagemans te Brussel en was ook
leerlinge van Paul Rink. Studeerde ook nog op de
Academie Colarossi te Parijs. Schilderde bloemen,
genrestukken, portretten en interieurs. de Stuers.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. schilderkunst.
3° A 1 b a n, een der belangrijkste componisten
uit de school van Amold Schönberg. * 9 Febr. 1886
te Weenen. Op melodisch en harmonisch gebied zeer
vooruitstrevend, houdt hij zich aan duidelijk omlijnde
vormen vast. B. is als paedagoog te Weenen werk-
zaam, waar hij de leer van Schönber? verbreidt.
Werken: pianosonate op. 1 (1908) ; 4 liederen op.
2 ; strijkkwartet op. 3 ; 5 orkestgezangen op. 4 ; 4 stukken
voor klarinet en piano op. 5 ; 3 orkeststukken op. 6 ;
de opzienbarende opera Wozzeck (naar het drama van
Georg Buchner), voltooid in 1922, eerste uitvoering in
1926 (staatsopcra te Berlijn) ; kamcrconcert voor viool
en piano met 13 blazers en, een lyrische suite voor
strijkkwartet. Reeser .
4° B e n g t, Zw r eedsch ornitholoog en schrijver
van moderne dierromans, die de wetenschappelijke
studie met de frissche natuurverbeelding harmonisch
vermengen, en tevens voor dierenbescherming ijveren.
Ook zijn boeiend avontuurlijke vogelfilms uit Lapland
en Afrika werken in die richting. * 9 Jan. 1885 te
Kalmar.
Werken: Moederloozen (1910) ; Genezareth (1912);
Een Germaan (1918) ; Trekvogels (1924) ; Vriend pluvier
(1925) : Abu Markub (1926) ; De laatste adelaars (1927) ;
Tookern, de vogelzee (1928) ; Het liefdeleven van een
wildgans (1930). Baur .
5° Claus, beeldhouwer uit Lübeck, werkzaam in
het eerste kwart der 16e eeuw r . Van zijn persoon is
weinig bekend, van zijn werken o.a. een groot altaar
te Odense (Denemarken). Zijn kunst vertoont veel
temperament en is zeer realistisch. Schreden .
6° C o n s t a n t i u s Petrus van den,
Ned. Dominicaan, theologant. * 16 Juni 1816 te
Heesch, f 27 Maart 1885. Was professor en regent der
studiën in het Dominicanenklooster te Huissen (Gld.).
Promoveerde in 1865 tot mag. S. Theol.
Werken: De Ideis divinis (Den Bosch 1872) ;
Beatissima Virgo Maria, Imago Dei et SS. Trinitatis
juxta mentem D. Thomae Doet. Angel. (Den Bosch
1874). — L i t. : G. A. Meijer, Gedenkboek van de
Dominicanen in Nederland (1912, 195 vlg.).
7 ° C o r n e 1 i s Christiaan, hoogleeraar
in de Javaansche taal- en letterkunde te Leiden;
* 18 Dec. 1900 te Rotterdam. Promoveerde in 1927;
daarna leeraar te Soerakarta; volgde een jaar later
prof. Hazeu te Leiden op.
Werken: o.a. De Midden- Javaansche historische
traditie (diss. 1927) ; Kidung Sunda (tekst, vertaling
en aanteekeningen, 1927) ; Hoofdlijnen der Javaansche
literatuurgesch. (1928); Indische aspecten van het
missieprobleem (19301; La connaissance des mentalités
indigènes en Indonésie (1931 ; ; Babad Bla-Batuk (1932).
8 ° Cornelius de, -> Berghues (Cornelius de).
9° Fedor Federowitsj (eig. F r i c d r.),
graaf von, Russisch generaal, bevelhebber in
den Krimoorlog. * 26 Mei 179G te Sagnitz (Lijfland),
f 18 Jan. 1874 te St. Petersburg. In 1812 in den krijgs-
dienst getreden, klom hij snel in rang op én werd
tevens meermalen met diplomatieke zendingen belast.
B. werkte mede aan de onderdrukking van den Pool-
schen opstand (1831); in 1849 bew r oog hij den tsaar
tot gewapende tusschenkomst in Hongarije. Als beloo-
ning kreeg B. van Frans Jozef den graventitel.
Tijdens den Krimoorlog met de verdediging van Est-
land (Reval) en Finland belast, bood hij weerstand
aan de Fr.-Eng. vloot onder Napier. B. bleef
gouverneur van Finland tot 1861; in 1863 volgde hij
groothertog Konstantijn op als stadhouder van Polen,
welken post hij tot zijn dood bekleedde. V. Houtte.
10 ° Gerardus van den, priester, * te
Emmerik, f 1729 te Groningen, studeerde te Fulda
en te Mainz, waar hij het baccalaureaat in de theologie
behaalde, wrs kapelaan en pastoor te Groningen,
tevens 1685 — 1729 aartspriester van Groningen, de
Ommelanden en Drente.
Lit. : Arch. ab. Utr. (XXXTI, 117 en passim);
J. de Jong in Ned. Biogr. Wbk. (V, 33). Rogier ^
613
Bergadelaar — Bergamasker Alpen
614
11 ° Hendrik, graaf van den, heer van
Stevensweerd, Neclerlandsch edelman in Spaanschen
dienst. * 1573 te
Bremen, f 1638.
Valt in Febr. 1624
in de Veluwe en
veroorzaakt groote
opschudding in de
Republiek. De dooi
dwingt hem tot den
terugtocht. Her-
haalt dit experi-
ment na een mis-
lukte poging om
Den Bosch te ont-
zetten (1629). De
inneming van Wezel
(19 Aug.1629) noopt
hem ook dezen veld-
Hendrik, graaf van den Berg. tocht op te geven.
De benoeming van
den markies van Santa Cruz tot algemeen opper-
bevelhebber maakte v. d. B. tot een onverzoenlijk
vijand van Spanje (April 1631). Hij begunstigde den
Limburgschen veldtocht van Frederik Hendrik (1632).
In 1633 aangenomen in dienst der Republiek.
Cornelissen.
12 ° Leo, Duitsch letterkundig criticus, mede-
stichter van de voorn itstrevende kunstgroepeering
Durch (1886) en van de Freie Bühne;
theoreticus van het Duitsche naturalisme. B. was een
der eerste Ibsen -profeten in Duitsch land. * 29 April
1862 te Zempelburg. f 12 Juli 1908 te Berlijn.
Hoofdwerk: Der Naturalismus, zur Psychologie
der modernen Kunst (1892) ; Gcsammelte Essays (1905).
B. stond aan het hoofd van de boekenreeks Kultnr-
probleme der Gegenwart (1902 vlg.). Baur.
1 3 C L o d e w ij k Willem 0 h r i s t i a a n
van den, kenner van het Mohammedaansch Recht
en politicus; * 1845, f 1927; bekend om zijn studie
van den Islam en van de zeden en gewoonten van zijn
belijders, vooral in Ned.-Indië. Over deze onderwerpen
schreef hij een groot aantal belangrijke opstellen;
zijn studiën over het Mohammedaansche Recht zijn
echter aan een scherpe critiek onderworpen door Snouck
Hurgronje, wiens opstel nir. L. W. 0. van den Berg’s
beoefening van het Mohammedaansche Recht (Indische
Gids, 1884; Sn. H.’s Verspreide Geschriften, II, 61
vlg.) in de kringen der belangstellenden groot opzien
gebaard heeft. V. d. B. was van 1869 tot 1887 in Indië
werkzaam en van 1887 tot 1901 hoogleeraar aan de
Indische Instelling te Delft. Voorts was hij van 1911
tot 1923 lid van de Eerste Kamer (rechts) en van 1910
tot 1920 burgemeester van Delft. Berg.
14 ° Max, Duitsch bouwmeester, lid der bouw-
commissie in Breslau, nu in Rostock; * 1870 te Stettin.
Vooral tentoonstel lings- en vergadcringsgebouwen.
15° Norbertus Petrus van den,
president der Ned. Bank (1891 — 1912), interesseerde
zich aterk voor de ontwikkeling van Ned.-Indië,
* 1831, f 1917. In 1855 vertrok hij naar Indië als em-
ployé der Bataviasche factorij di-r Ned. Handel Mij.
Van 1864 tot 1873 was hij hoofdagent der Ned. Ind.
Handelsbank te Batavia; van 1873 tot 1889 president
der Javasche Bank. Daarna in Nederland van 1889
tot 1891 directeur en van 1891 tot en met 1912 presi-
dent der Ned. Bank. In 1872 — 1853 verzette hij zich
tegen het Ned. voornemen tot handhaving in Indië
van den zilveren standaard. Het was zijn werk, dat de,
in Indië uitgebroken, financieele crisis als gevolg van
de siiikercrisis van 1884, spoedig werd overwonnen.
Van zijn hand verschenen verschillende verhandelin-
gen op financieel economisch gebied. Ter erkenning
zijner verdiensten zag hij zich benoemd tot eere-doctor
in de beide rechten door de Leidsche universiteit en
tot lid der Kon. Academie van Wetenschappen.
Werken: Naast bijdragen in de Gids en de Econo-
mist en in de Encyclopaedie van Ned.-Indië, waarvan
later enkele afzonderlijk werden gebundeld, nog: Uit de
dagen der CompagDie ; Beschouwingen over den gelds-
omloop in Ned.-Indië (1862) ; Banken en Bankwezen
in Britsch-Indië (1 866) ; De Bataviasche Bank-Courant
en Bank van Leening 1746 — 1794 (1870); De Munt-
kwestie met betrekking tot Indië (1874); Brief aan
mr. J. van Gennep (1878); De haven van Tandjong
Priok — Staatsexploitatie of part. expl. ? (1880);
Historical and Statistical Notcs on the production and
consumption of colfee (1880) ; Over Haveninrichting en
Havenexploitatie (1882) ; Debet of Credit (1883) ; The
Financial and Economical Condition of Netherl. India
since 1870 and the effect of the present currency system
(1895) ; Munt-, crediet- en bankwezen, Handel en
Scheepvaart in Nedcrlandsch Indië (1907). Kaag.
10 ° Willem van den, Holl. schilder,
* 16 Febr. 1886 te Den Haag. Leerling van de Haagsche
Academie en van zijn vader A. van den B. Schildert
stillevens, landschappen, stadsgezichten, figuur en
portretten. Een naar het romantische neigende natuur
met veel zin voor zware, diepe kleurcontrasten. Hij
mist echter vaak de bezonkenheid om zich te kunnen
onttrekken aan de vele invloeden van het werk van
andere meesters, zooals Willem van Konijnenburg.
Maakte ook etsen, litho's en houtsneden.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. Schilderkunst.
de Stuers.
Bergadelaar, > Steenarend.
Bergahorn , Acer pseudoplatanus,
een tot de familie der Aceraceae behoorende boom, die
in de bergwouden 20—25 m hoog kan worden. Als
park- en laanboom is hij zeer gezocht.
Bergaigne, J o s e p h, Minderbroeder; * 1588
te Antwerpen, f 1647 te Munster i. W. Studeerde in
Alcala, maar trad in de Orde te Mainz en bekleedde
er voorname ambten, o.a. dat van commissarius
generalis nationis germano-belgicae. Deed veel voor
de verzameling van geschiedkundige documenten,
die hij liet opsporen door Jacob Polius. In 1641
bisschop van Den Bosch, gewijd te Brussel. De tijds-
omstandigheden dwongen hem zijn bisdom vanuit
den vreemde te besturen. In 1645 aartsbisschop van
Kamerijk, tevens met het bestuur van het bisdom
Den Bosch belast. Had meermalen diplomatieke zen-
dingen te vervullen, stierf als gevolmachtigde van
Spanje voor de vredesonderhandelingen te Munster,
nadat hij reeds enkele resultaten had bereikt. Begraven
in de Minderbroederskerk te Munster. Portret in het
stadhuis aldaar.
L i t. : P. Schlager, Gesch. Köln. Franziskanerprov.
(Regeusburg 1909, 204 vlgJ ; Coll. Franc. Neerl. (II
1931, 31 vlg.); Ned. Biogr. Wbk. (1, 313). v. d . Borne.
Bergainasca, Italiaanschc dans, die in de 16e
eeuw in meerdere landen bekend was. Komt ook met
gebruik van tekst voor. Van Scheidt is een humoristi-
sche compositie bekend, die tot titel heeft; Canzone
ad imitat. Bergamas. angl.
Bergamasker Alpen, deel van de Zuidelijke
Kalkalpen in Lombardije, tusschen Como-meer en
Iseo-meer (Italië). Het gebergte loopt West — Oost,
615
Bergamaskerschaap — Bergblauw
616
gaat tot 3 000 m hoogte, en helt steil naar het N. en
geleidelijk naar het Z. In het N. vooral gneis, in het Z.
kalk.
L i t. : Castelli, Guida itinorario alle prealpi Bcrga-
masche ( 3 1900). Ileere.
Bergamaskerschaap of hangoor-
schaap, het grootste der Europeesche landrassen ;
hoort thuis in Noord- Italië (Lombardije); bezit vrii
lang eenigszins golvend glanzend baar; een onderscheid
tusschen boven- en onderhaar bestaat niet.
Bergambacht en Zuidbroek, gemeente in
Z. Holland in de Krimpenerwaard nabij de Lek; opp.
2 772 ha; 3 700 inw. (Prot.), die bestaan van veeteelt
en zuivelbereiding, varkensmesterij, tuinbouw en
binnenvisscherij. Lenige industrie: timmerfabrieken,
veevoeder, teenen- en mandenfabrieken. De toren der
Ned. Herv. (vroeger St. Laurentius-)kerk dateert uit
de tweede helft der 15e eeuw. Blaauw.
Bergnmo, 1° Italiaansche provincie in
Lombardije; 2 788 km 2 , 612 890 inw. (1931), 209 per
km 2 , 218 gemeenten. Alpen -voorland vruchtbaar,
veel landbouw; ijzer-, textielindustrie.
2° Hoofd stad der prov. B. (45° 44' N.,
9° 37' O.); 82 130 inw. (1931); knooppunt van wegen;
bisschopszetel. Katoen-, wol- en cement industrie.
Nieuwe benedenstad, oude bovenstad (370 m boven
zee). In denRom. tijd Bergomum; 1428—1797 behoorde
B. tot Venetië, 1811 — 1859 tot Oostenrijk. Heere .
Kunst te B e r g a m o. In de bovenstad
(„Cittit alta”) de dom S. Alcssandro van Filarete
(1459 — ’80), die in 1614 werd verbouwd, de Romaan-
sche basiliek S. Maria Magsriore (12e eeuw) met Cap-
pella Colleoni (1470), het Gotische Palazzo Vecchio
(midden 14e eeuw) en het Palazzo Nuovo (1611). In
de onderstad (Citta vecchia) de Santo Spirito met
schilderijen van Lotto en de Accademia Carrara met
een museum.
L i t. : Pesenti, B. (1910); Pinetti, B. e. Ie sue valle
(192H; R. Pajuni, B. rinnovata (1929). Knij)/ring.
Bergamot noemt men soms peersoorten, waarvan
de vracht meer breed dan hoog is. Voorbeeld: winter -
bergamot.
Bergamot olie, geel -lichtgroene, vluchtige olie,
die verkregen wordt door uitpersen van de vrucht-
schil van Citrus Bergamia (Z. Italië); neemt gemak-
kelijk zuurstof op en wordt daaidoor dik en troebel;
moet daarom van de lucht afgesloten in het donker
bewaard worden. S.g. 0,885: kockp. I83 r , hoofdbe-
standdeel: linalvl acetaat, C 10 Iï 17 ÖCH 3 0. Gebniikt
in toiletmiddelcn c.d. Ilillen.
Bergamot -oranjeboom, C i t r u s au-
ra n t i u m bergamia, behoort tot de Ruit-
achtigen (Rutaceae) en werd aldus genoemd naar het
Noordelijk van Smyrna gelegen stadje Bergama. De
vruchten zijn zeer eezocht om het heerlijke zure vmeht-
vlee^ch. De op Sicilië gewonnen Bergamotolie is van
dezen boom afkomstig. Bouman.
Brrgansius, Jo hannes Wilhelmus,
luitenant-generaal van liet Ned. lerer, * 1836 te Delft,
f 1913 te Den Haag. 1860 — 1868 werkzaam aan de
pyrotechnische school: 186*2 verscheen van zijn hand
„Handboek ter vervaardiging van ernstvuurw erken’;
21 April 1888— 21 Augustus 1891 minister van Oorlog
in het kabinet Mackay, daarna generaal-majoor, com-
mandant van de Stelling van Amsterdam; 1898 luite-
nant-generaal, inspecteur der artillerie; bleef ook na
zijn pensionneering zijn belangstelling wijden aan de
militaire aangelegenheden , o.a. als voorzitter der
Ver. ter beoefening van Krijgswetenschap. In 1901
gekozen als R.K. lid der Tweede Kamer der Staten-
Gereraal, nam geen zitting wegens zijn benoeming
tot minister van Oorlog in het kabinet Kuypcr 1 Aug.
1901 — 17 Aug. 1905; lid van den Raad van State
1905 — 1908. Heeft een groot aandeel gehad in do her-
vorming van het Ned. leger; verdedigde als minister
van Oorlog in het kabinet Mackay, daarbij krachtig
gesteund door dr. H. J. A. M. Schaepman, het be-
ginsel van den persoonlijken dienstplicht. Het mocht
hem niet gelukken dit beginsel in de w T et vastgelegd
te krijgen, zulks w T as een zijner opvolgers beschoren,
juist voor hij ten tweede male als minister optrad. Hij
schrok er niet voor terug zeer moeilijke wetswijzigingen
ter hand te nemen. Onder zijn bewind kwamen tot
stand: Wet op het militair onderwijs 1891; Pensioen-
wet voor mindere geëmployeerden en werklieden
1902; Pensioenwet voor de landmacht 1902; Bevor-
der ingswet voor de landmacht 1902; Wetboek van
.Militair Strafrecht 1903 en Wet op de Krijgstucht
1903 (de uitvoeiing dezer wetten had eerst plaats na de
Invoeringswet militair straf- en tuchtrecht 1921);
Wet resorvepersoneel der landmacht 1905; voorts do
uitvoering betreffende de militie- en landweerwotten,
alsmede een herziening van de militiew r et, ter bestrij-
ding van de wetsontduiking, bedacht door notaris
Coolen uit Holvoirt, om de plaatsvervangers door een
achterdeurtje weer mogelijk te maken. Verder voerde
hij het snelvuurgeschut bij de landmacht in. Hij w r a?
een krachtige persoonlijkheid, die vooral in zijn tw r eede
ministerschap sympathie en eerb ; ed afdw’ong w’ecrens
de doortastende wijze. w r aarop hij tijdens de werksta-
king 1903 de orde wist te handhaven en het gezag hoog
hield. A. Lohrtieyer.
Bergblauw of Bremerblauw, de voor-
617
Bergboezem — Bergen
618
naamste koperkleurstof. B. bestaat uit koperhydroxy-
de, Cii(OH) 2 . De zachte hemelsblauwe kleur, die een
tikje naar groen loopt, is door geen andere minerale
kleurstof te vervangen. B. wordt gemaakt uit koper-
sultaat met loog. v. d. Beek .
Berglioezem, een binnen een polder gelegen
stuk land, dat veelal omkaad is, ten einde in tijden,
w r anneer het overtollige water door te hoogen boezem-
stand niet geloosd kan woorden, dit w’ater tijdelijk op
te bergen. Meestal zijn het minderwaardige stukken
land, die als zoodanig dienst doen. > Boezems.
»» «1 ti « ii P. Bonpaerts.
Berghok, > Alpomdeenbok.
Bergbnm, K a a r 1 o, Finsch tooneelschrijver
en dramaturg. * 2 Oct. 1843 te Wiborg. f 2 Febr. 190b
te I lelsinki. Litera ir-historisch geschoold — hij promo-
veerde op een dissertatie over het historisch drama in
Duitschland — wierp B. zich. na het schrijven van
eenige tooneelstukken, tot ontwerper op van een rei-
zend Finsch tooneel, dat het bouwen van den Natio-
nalen Schouwburg in de hoofdstad (1902) heelt door-
gedreven.
Bergbries, andere naam voor > bergwdnd.
Bei grien (P i n u s m o n t a n a), een heester-
achtige soort van den, die in het gebergte thuis hoort.
Berg der zsiligherien, de berg.w^aar Jesus de
rede heeft gehouden, bekend onder den naam van
Bergrede, waarin ter inleiding de acht Zaligheden
verkondigd werden. Welke die berg is. blijft nog steeds
een probleem der topographische bijbeïkunde. Naai
de waarschijnlijkste meening zou de B. der z. liggen
niet ten Z.W. maar ten N.W. van het meer Genesa reth
en zou hij te identificeeren zijn met het huidige Et
Tabga, ten O. van de vlakte Tabga, en 3 km ten W.
van Teil Iloem (het oude Capharnaüm).
Lit.: 1 1 eiriet, Béatitudcs (mont des) in Dict. de la
Bilde, Supplém. I (kolom 940-95u). Brans.
Bergriiiivel (Moloch h o r r i d u s), een der
meest opvallende hagedissen van Z. en W. Australië;
is ondanks zijn naam en uiterlijk een geheel onschuldig
dier; het lichaam is in het midden verbreed en draagt
op vele plaatsen doorns van verschillende lengte.
De kleur is niet opvallend bruin, kan evenals die van
het kameleon veranderen. Het voedsel bestaat hoofd -
zakelijk uit mieren, volgens sommigen ook uit planten.
Bei go, 1° Jillis van den (Acgidius de
Monte), Minderbroeder, provinemal zijner Orde,
bisschop van Deventer (1570). * te Perweis in het
Walenland, f 2G Mei 1577 te Zw r ollo. Eerst in 1575
verkreeg hij door tusschenkomst van Alva het volle
bezit van zijn zetel. Een bewijs van zijn ijver geven
de Acta visitationis dioc. Daventriensis (1671—1577),
bewerkt door mr. R. llassink (Zwolle 1888).
Lit. : B. Snelting, Biogr. Woordenb. (IV, 1007).
J . de Jong .
2° W i 1 1 e m ten, Ned. dichter. * 1903, debu-
teerde in het maandblad De Gemeenschap, werkte
mede aan Roeping en De Nieuwe Eeuw, geeft in zijn
poëzie bij voorkeur den gevoelig-rhythmischen neer-
slag van een verfijnd droomleven: schreef enkele
godv nicht ige gedichten.
Werk: De Reiziger (1928) ; De Zoon van het
Hemelsche Rijk (1980). — Lit.: Anthonie Donker
Fausten en Faunen ; Anton van Duinkerken, Achter
de Vuurlijn. Asselberys.
Bcrgcbbcnhoiif , B a u h i n i a acumina-
t a, behoort tot de peulgewassen (Leguminosae) en
is een boom uit Indië en China, waarvan het hout zeer
bruikbaar is.
Bergeenri (Tadoma tadorna), een groote, kleurige
eendsoort, bijna het geheele ja ar in ons land aan te
treffen. Kop en hals groenzwart, borst wit, een breede
band over borst en mg fraai roestbruin, buik en groote
slagpennen zwart, staart wdt met zw r art eind, spiegel
op den vleugel glanzend groen, snavel en knobbel
rood, pooten vleeschkleurig. Het wijfje is w r at valer
en kleiner en mist den voorhoofdsknobbel. Broedt
vrij talrijk op de Waddeneilanden, in de duinen van
de Beer (Hoek van Holland. ± 200 paar), Voome,
Schouw r en, bij het Zw ? anew r ater. Ze leggen 8 — 15
ivoorkleurige gladde eieren. Jongen w T orden dadelijk
na het nitkomen naar de zee gevoerd. Het voedsel
bestaat uit schaal- en weekdieren, wormen, vischbroed
en zee- en strandplaten. Ze broeden in konijnen-
holen, soms onder helm en in kunstmatige holen.
Lit.: Strijbos, Hoe heet die vogel. Bernink.
Bergen, 1° gem. in de duinstreek der prov.
N. Holland, ten N.W. van Alkmaar, opp. 3 685 ha,
op 1 Jan. 1933: 6 167 inw. Bijna 2/5 is Kath. en be-
hoort tot de parochie B., die binnen haar grenzen
nog herbergt een Kath. pensionaat, kweekschool en
landbouw'huishoudschool, alle voor meisjes, tevens
Moederhuis der Congr. der Z.Z. Ursulinen van Bergen,
alsmede een retraitehuis. Middelen van bestaan: vee-
teelt, tuinbouw, kunstzandsteenindustrie en vreemde-
lingenverkeer. De duinen zijn hier breed en hoog: de
Nok is i 80 m. Van de groote prachtige bosschen is het
Reigerbosch merkwaardig door zijn reiger kolonies,
een van de w r einige in Nederland. Zee, bosch en duin
scheppen een steeds groeiend toerisme, niet weinig
bevorderd door de tramlijn Bergen — Alkmaar, waar-
door een vlugge verbinding met de groote Holl. steden
bestaat. Het Russenduin, een plek „de Franschman”
en het Russen -monument houden de herinnering
levendig aan het treffen in 1799 tusschen het Fransch-
Ned. en het Eng.-Russ. leger. Bezienswaardig zijn
ook kerken, hertenkamp, ruïne Meerwijk, waarnaast
museum en een hoogst moderne villawijk.
van der Meer .
De Ned. Hervormde kerk is gebouw r d op een midden-
schip van een vroegere drieschepige kruiskerk (eerste
helft 15e eeuw). De ramen van den dw r arsarm zijn
misschien reeds van vroeger datum. In de Kath. kerk
619
Bergen
620
een altaarstuk van Jac. de Wit (1735, Verrijzenis van
Christus), afkomstig uit Alkmaar. In de Oudheid-
kamer een 19e-eeuwsche copie van een schilderij:
de Bergensche H. Bloedprocessie. Knipping.
Nadat in den 2en Coalit ie -oorlog 38 000 Kussen
en Engelschcn onder Abercrombie den 27en Aug. 1799
in Noord-Holland waren geland, vielen zij den 19en
Sept. onder den hertog van \ ork aan op de verbonden
Franschen en Hollanders, die bij B. een stelling hadden
ingenomen onder bevel van den Franschen generaal
Brune. De Hollandsche troepen werden aangevoerd
door Daendels en Du Monceau. Deze aanval werd
afgeslagen evenals twee latere aanvallen op 2 en 6 Oct.
De Russische generaal Hermann werd met 2 000 man
gevangen genomen met verlies van 25 stukken geschut.
Dientengevolge werd op 18 Oct. de Conventie van Alk-
maar gesloten, waardoor de gelande troepen zich
weder moesten inschepen. v. Voorst .
2° Gem. in Ned. Limburg, gelegen in het N. der
provincie, omvattend de dorpen Bergen, Afferden,
Well, Heven, Siebengewald (alle parochies) en Heuke-
lom. waarbij nog verschillende gehuchten. In 1932:
6 736 inw. (Kath.). Landbouw langs de Maas en de
andere beekjes; veen en heide. v . Thiel.
3° (Fr. M o n s), hoofdstad van de Belg. provincie
Henegouwen, ongeveer in het centrum van de prov.;
opp. 1 665 ha, ca. 28 000 inw.; breede Alluviale
Henevallei met zeer heuvelachtige
omgeving, Mont Panisel; de
Trouille werpt er zich in het
H ene -dal. Spoorwegkruispunt, ka-
nalen; nijverheids- en handels-
centrum in het steenkoolbekken
van de Borinage gelegen; talrijke
fabrieken in de omgeving. Onder-
wijs: normaal- en middelbare
scholen, Athenaeum, Hooger Han-
„ r delsonderwijs en Hoogere Mijn-
Wapen van Bergen. Technische scholen, kunst-
en muziekonderwijs; bibliotheek; musea: van schoone
kunsten, van natuur-wetenschappen, van folklore en
oudheidkunde; genootschappen voor kunst en weten-
schappen. V. Asbroeck.
De driebeukige collegiaalkerk St. Waltrudis in
laat-Gotischen stijl (1450 begonnen, bouwmeester
Mattheus de Layens) werd eerst in de 17e eeuw vol-
tooid. De toren, die ruim 180 m hoog moest worden,
is nooit afgebouwd. In de kerk altaarstukken van Otto
Venius, van Thulden, enz. Kostbare schat, el’Car
d’or. Evenmin is het Gotische stadhuis gereed gekomen
(waarin tapijtwerken naar Tcnicrs). Uit Bergen is de
musicus Orlando di Lasso afkomstig. Knipping.
Het belfort, van de 17e eeuw, in Barokstijl, met
beiaardspel. De H. Elisabethkcrk, de Tour du Val
des Ecoliers, overblijfsel van een belangrijke abdij,
in Renaissancestijl. Huizen met Gotische- en Renais-
sance-gevels. Standbeelden van Boudewijn IX,
Roland de Lattre, Leopold I. Waux-hall.
Folklore. Gedurende de kennis (ducasse)
wordt het reliekschrijn van de H. Waltrudis in de
processie rondgevaren op den Gouden Wagen (el ’Car
d’or), daarna wordt op de groote markt het gevecht
geleverd van den „Lume^on”: terwijl St. Joris den
draak bestrijdt, spelen beiaard en muziekmaatschap
pijen het volkslied van den „Dodou”.
Geschiedenis. B. ontstond gedurende de
Romeinsche overheersching. In de 7e eeuw bouwde
er de II. Waltnidis een klooster en later kreeg B. van
Karei den Grooten den titel van hoofdplaats van Hene-
gouwen. De vesting speelde gedurende de middel-
eeuwen een gewichtige rol en het gerechtshof van B.
stond hoog in aanzien. De graven van B. bekleedden
een eereplaats in de geschiedkundige gebeurtenissen
en maakten van B. een centrum van economische
welvaart. De stad werd herhaaldelijk geteisterd door
oorlogen en besmettelijke ziekten. Beroemde vorsten
deden er hun intrede, nl. keizer Karei, Albrccht en
Isabella, Lodewijk XIV. In 1914 en 1918 werden bij
B. twee veldslagen geleverd.
Li t . : J. Destrée, Mons et leB Montois (1933).
V. Asbroeck.
Vrede van Bergen. Hierbij werd in het najaar van
1250 de Vrede van Brussel (Mei 1250) bevestigd.
4° Stad aan de W. kust van Noorwegen, groot
3 714 ha, met 101 286 bewoners (1932); zetel van een
Luth. bisschep, tw r cede han-
dclsstad van Noorwegen,
eerste vischmarkt van Scan-
dinavië.
Ligging. De stad is
gebouwd op een smalle
Siluurv lakte aan den voet
van de Flöifjeld en op het
schiereiland Nordnas tusschen
de Puddeïjord en Vaagen. In
den kustboog vóór de stad is
alle verkeer op Bergen gecon-
centreerd en door een laagte, Wapen van Bergen,
die van Voss naar het N. en
Z. gaat, heeft de stad ook een locaal achterland.
Maar vóór den aanleg der Bergensban w r as de stad
door een steilen, moeilijk toegankelijken gebergtewal
van het groote achterland afgesloten. Het zijn dan ook
vooral historische factoren, die de stad tot bloei ge-
bracht hebben.
Beteekenis. Ca. 1070 door Olaf Kyrre
gesticht, werd B. spoedig een middelpunt van handel,
eerst door de vestiging van Engelsche, later van
Duitsche kooplui, die zich tot hecren der stad w isten
op te w r crken. Tusschen den voet van de Flöifjeld en
de oude haven Vaagen lagen hun kantoren, Tyske-
bryggen, en op het schiereiland w T oonden de Noren.
De natuurlijke grondslag van dezen econ. bloei, die
tot in de 16e eeuw aanhield, was de vischhandel,
eerst van kabeljauw, later van haring, die ook nu nog
de voornaamste rol speelt in den handel van Bergen.
De hoofdfunctie van B. is altijd geweest die van
distributie- en concentratiehaven voor de heele W,
kust. Door de opening der Bergensban heeft de stad
haar zelfstandige positie tegenover Oslo verloren,
maar het verkeer is nog toegenomen. Groote reederijen
en toenemende overzeesche verbindingen bevorderen
den handel. De haven is steeds ijsvrij , beschut tegen
alle winden en heeft kleine getijdenverschillen. De
waterdiepten langs de kaden wisselen van 3 tot 10 m.
Het oude havengebied kan zich niet verder meer
ontwikkelen, maar nieuwe havens zijn in aanleg aan
de Puddefjord. De industrie van conserven en scheeps-
bouw vestigen zich vooral in Aarstad en Gyldenpris,
die in 1915 en 1921 in het stadsgebied zijn opgenomen.
Bezienswaardigheden. Van de oude stad
is niet veel meer over. Door den grooten brand van
1916 is het centrum der stad verwoest met veel
van de oude gebouwen, die vooral daar nog be-
stonden. Aan de N.W. punt der haven ligt de oude
621
Bergen — Bergen op Zoom
622 '
vesting Bergenhus met den Walkendorftoren en de
koningszaal uit de 13e eeuw (zie onder).
/r. Stanislaus.
De Protestantsche dom, vroeger Franc iscanerkerk,
dateert uit 1248, doch is herhaaldelijk verbouwd, de
Mariakerk is 12e-eeuwsch met een Gotisch koor, de
Korskerk van iets vroegeren datum. Verder de kleine
Katholieke Sint Paulus-kerk. Van de profane monu-
menten is zeker het voornaamste het door koning
Haakon Haakonsz gebouwde paleis Haakons-hallen
(ca. 1250), met groote zalen en eigenaardige Gotische
raamomlijsting. Het werd in de 19e eeuw eerestaureerd
en met muurschilderingen van Gerhard Munthe voor-
zien. De Stiftsgaarden is in Barokstijl opgetrokken.
Middeleeuwsche Noorsche kunst is te zien in het
museum (1825) tegenover de Johanneskerk, moderne
nationale schilderkunst in de Rasmus Wevers Samling.
L i t. : Koren- Wiberg, Bidrag til Bergens kultur-
historie (1908); Norsk kunsthistorie (2 dln. Oslo 1925
en 1927); Lexow, Haakonsh allen (1929). Knipping.
In B. is ook gevestigd het moederhuis der Congre-
gatie van de Zusters van den H. Franc. Xaverius,
door mgr. Fallize voor Noorwegen gesticht.
De Bergensban, spoorlijn Bergen — Oslo,
is 492 km lang en het hoogste punt is 1 301 m. Over
een lengte van 200 km gaat ze door een woest, eenzaam
bergland. Er zijn 178 tunnels met een totale lengte
van 36 882 m; de langste is de Gravahalstunnel met
5 311 m. /r. Stanislaus.
Bergen, 1° Antoon van, Zuid-Ned.
kerkelijk schrijver, * 14 Dec. 1454 te St. Bertijn bij
St. Omaars, f 1531, broeder van Hendrik, bisschop
van Kamerijk, was commenditair-abt van het O.L.V.-
klooster der Cisterciënsers in Bourgondië en (1483)
van St. Truiden, en sleepte dit klooster mee in de
politieke woelingen, waarin Willem van Arensberg
de hoofdrol speelde. In 1493 liet hij zich kiezen tot
commenditair-abt van St. Bertijn en schreef hier de
kroniek van St. Truiden en de geschiedenis van het
Gulden Vlies.
L i t. : Biogr. nat. de Belg.
2° Antoon van, geestelijke, f 1540, w r as deken
van St. Servaas te Maastricht, bezat een prebende
te Lier en was kanunnik te Bergen op Zoom.
L i t. : N. Ned. Biogr. Woordb. (VIII). Erens.
3° C o r n e 1 i s van, > Comelis van Bergen.
41° Dirk van den, schilder te Haarlem in
1645, f na 1690; leerling van Adr. v. d. Velde, wiens
kunst hij vaak bedrieglijk nabootste. Hij schilderde
vooral landschappen, met figuren en dieren, niet
onverdienstelijk, maar weinig origineel.
L i t. : v. Wurzbach, Niederl. Künstlerlex.
Schrctlen.
5° Hendrik van, bisschop van Kamerijk.
> Hendrik van Bergen.
G°Jan van Glymes, markies van,
kamerheer van Karei V, 1555 ridder van het Gulden
Vlies, groot-baljuw, kapitein-generaal van Hene-
gouwen, opper jachtmeester van Brabant en Hene-
gouwen, * 1529, f 21 Mei 1567. W ; eigert in zijn gebied
de strikte uitvoeringen van de verordeningen tegen de
Hervormden. Lid geworden van de oppositie der Ned
edelen, neemt hij ontslag uit zijn functies, en wmrdt
aangewezen om met Floris van Montmorency, graaf
van Montigny, het request der edelen aan Philips
over te maken. Vertrekt 1 Juli 1566 uit de Neder-
landen. In Spanje werdt hij evenals zijn reisgezel
Montigny aangehouden, en sterft in gevangenschap.
Bekend als een edele, krachtige figuur.
V. Roosbroeck.
7° M a x i m i 1 i a a n van, van Walhaim,
bisschop van Kamerijk, * 1512, f 27 Aug. 1570 te
Bergen o. Z. Werd gekozen 10 Aug. 1556, ingeleid
21 Oct. 1559. Vroeger deken van St. Gummarus te
Lier. Hij werd door de bisdommenreorganisatie van
1559 eerste aartsbisschop van Kamerijk en opnieuw
ingeleid in 1562; hield provinciale synoden in 1556
en 1567, gewijd aan hervorm ingsmaatregelen.
L i t. : Biogr. Nat. : G. Gardon, De Maximiliano a
Bergis, Cameracensi Archiepiscopo (Parijs 1892).
Erens.
Bergen aan Zee, badplaats in de Noord-Holl.
gem. Bergen. Eerst bestond het plan in deze omgeving
boerderijtjes te stichten. In 1905 kwamen hier de
eerste gebouwen, die dienden om van B. a. Z. een
badplaats te maken. Duinmuseum in hetParnassiapark.
van der Meer.
Berg en Bosch , sanatorium voor longlijders te
Bilthoven. Inrichting, behoorende aan de R.K.
Vereeniging tot bestrijding der Tuberculose „Herwon-
nen levenskracht”, instelling van het R.K. Werk-
liedenverbond. Gelegenheid tot opname van 320
patiënten (100 vrouwen, 110 mannen, 70 kinderen en
40 nazorgpatiënten). De verpleging geschiedt door
zz. Dominicanessen.
Berg en Bal, > Groesbeek.
Bcrgcndal, nederzetting aan de Boven -Suriname,
kerk en school van de Moravische Broeders, vroeger
plantage van lord W'illoughby, graaf van Parham;
de Blauwe berg (85 m) heet op oude kaarten Parham
hill.
Bergenia (p 1 a n t k.), een geslacht van de
familie der steen-
breekachtigen (Saxi-
fragaceae). Komt
voor in midden -
Azië en is zeer ge-
schikt voor rots-
plant.Van B. cras-
sifolia w r orden de
bladeren als surro-
gaat van thee ge-
bruikt en leveren de
w T ortels looistof voor
den handel.
Bouman.
Bergen op Zoom, 1° oude stad in het uiterste
W’esten van Noord -Brabant gelegen; een vroegere
vesting met rijke historie, nu een levendig markt- en
industriecentrum; w r ellicht in de toekomst een zee-
haven. Deze gemeente omvat de stad B. o. Z., Oud - en
Nieuw-Borgvliet en het Fort: 1 .lan. 1933: 22667 inw.
(behalve het sterke garnizoen), waarvan ca. 82%
Kath., ca. 10% Ned. Herv., ca. &/«% Geref. Opp.
3 298 ha.
Ligging. Het oude B. o. Z., dat reeds omstreeks 1260
stadsrechten verkreeg, de hoofdplaats van een heer-
lijkheid, in 1533 door Karei V tot markiezaat ver-
heven (zie lagL'r), moest in de M.E. mede het hertog-
dom Brabant in het N. beschermen; in latere eeuwen
was het een sterke vesting op de Z. grenzen van de
Republiek. Gunstig gelegen aan den drukst bevaren
Schelcletak, bereikte het vooral in de 15e eeuw een
groote vermaardheid als handels- en industriestad
(lakens, linnen, meekrap) en was het de geduchte
m
Bergen op Zoom
624
concurrent van Antwerpen. Door veranderingen in
de verdeeling van het Schelde-water, buitenla ndsche
mededinging in de lakennijverheid en vooral door
ongunstige staatkundige wijzigingen, namen aanzien
en welvaart zeer af. Sedert 1883 is de vesting ontman-
teld en werd de oude stad uitgebreid niet fraaie wijken
en parken. Haar hoofdfunctie nu vloeit voort uit haar
ligging op de grens van twee sterk gevarieerde econo-
mische landschappen en de ligging aan een zeearm,
de Ooster-Schelde. De omgeving biedt veel natuur-
schoon, zoowel aan den Zeeuwschen als aan den
Koord -Brab. kant.
Bezienswaardigheden. Van de overblijfselen dor
vroegere vestingwerken is vooral merkwaardig de
grootendeels 13e-eeuwsche O.I.. Vrouwe- of Gevangen-
poort. waarvan de ronde torens in Schelde-kalksteen
zijn opgetrokken; dit gebouw is nu ingcricht als Stede-
lijk Museum. Van de latere versterkingen, in 1691'
en volgende jaren door Menno van Coehoorn aangelegd,
is nog over ..het Ravelijn op de Zoom” (geheel geres-
taureerd). Het Markii zenhof «n de Steen bergsche straat,
eenmaal de verblijfplaats der Heeren van B. o. Z„
is thans als kazerne in gebruik: het is opgetrokken in
Vlaamschen Renaissance-stijl. Sommige deelen datee-
ren uit de 14e eeuw, andere uit de 15e en 16e; tot
stand gekomen onder leiding van de beroemde bouw-
meesters Keldermans uit Mechelen; in onze eeuw
gerestaureerd. Het jtadhuis met den voorgevel in
Schelde-kalksteen dateert uit het begin van de 17e
eeuw r ; bevat o.a. een Renaissance-trap van 1619,
verschillende 15e- en I6e-eeuwsche schilderijen, Bcrg-
sclie markiezen voorstellende, en de bekende Christof-
fel -schoorsteen, in 1521 gehakt in arduin door Rombout
Keldermans, in 1840 uit het Markiezenhof naar hier
overgebracht. De Ste. Geertrui- of Groote Kerk, aan
de markt, dateerend uit de 14e of 15e eeuw\ vaak
uitgebreid, tweemaal afgebrand, in 1747 grooten-
deels ingestort; ernstig verminkt; er bevinden zich
e enige grafmonumenten en zerken in. Voorts heeft
B. o. Z. nog eenige typische gevels en gevelsteenen.
Beteekenis. Als centrum van een sociaal -econ.
sterk gevarieerd landschap heeft B. o. Z. een druk
winkel- en marktwezen (Donderdagsche markt).
Een aanzienlijk deel der bevolking, de zgn. hoveniers,
houdt zich met tuinbouw bezig; vooral vermaard is
de aspergeteelt, terwijl het aantal kassen voor den
groentebouw’ zeer toeneemt. De veiling van den
Boerenbond is goed geoutilleerd. Van de visscherij
is vooral de vangst op ansjovis en haring bekend;
ook de oestercultuur en de kreeftenparken. Het
schippersbedrijf (vrachtvaart) heeft nog eenige
beteekenis.
Van de zeer belangrijke industrie treedt vooral de
ijzerindustrie op den voorgrond: drie haarden- en vier
machinefabrieken met constructie-werkplaatsen. Er
is de grootste spiritusfabriek van de weield gevestigd
met productie van alle soorten alcohol: een potasch-
raffinaderij is er aan verbonden. Voorts bevindt zich
in B. o. Z. nijverheid van: borstels, suikerwerken,
likeur, limonade, parfumerieën, zeep, sigaren, visch-
conserven e.a. De industrie ondervindt veel moei-
lijkheden van de getij -haven, waardoor aankomst en
vertrek der schepen slechts op enkele uren van den
dag kunnen plaats hebben. Een zoetwaterbron, reeds in
de M.E. bekend, wordt weer sedert 1930 geëxploi-
teerd: „Sinte Geertmydtsbronne”. Door het vele
natuurschoon: toerisme; in 1932 is een jeugdherberg
opgericht. De komst van een open Moerdijkkanaal
wordt ook in B. o. Z. met spanning tegemoet gezien;
dit zou voor de Noord-Brabantsche industrie de
mogelijkheid scheppen, te worden voorzien van een
kanalenstelsel met B. o. Z. als zeehaven.
Verzorging der Bevolking. B. o. Z. telt vijf parochie-
kerken: drie in de stad, Burgvliet en Het Fort; een
Ned. Herv., een Geref., een Luth. en een Israël,
kerk. Verder bevinden er zich het Juvenaat van de
Congr. der Priesters van het II. Hart van Jesus, hier
in 1900 gesticht; het moederhuis van de Congr. der
Gasthuiszusters van de Derde Orde van den II. Fran-
ciscus; een Kath. II.B.S. en H.H.S.; een Rijks-
H.B.S.; een Kath. Kweekschool voor meisjes; een
ambachtsschool; een Kath. nijverheidsschool voor
meisjes. Menige bekendheid geniet de Geschiedk.
Kring „Het Markiezaat”.
L i t. : Gids voor Bergen op Zoom en omstreken ;
G. C. A. Juten, Oud-Rergen (Oudheidk. Jaarboek. 1924) ;
het Bergen op Zoom-nunimer van de Holl. Revue, be-
werkt door C. Slontmans (jg. 1931) West-Brahant-
nummer van het tijdschr. : Ons Nederland (jg. 1932).
v. Velthoren .
Geschiedenis. Tot het einde der 13e eenw heeft het
land van Bergen op Zoom geen afzonderlijk bestaan
gehad; het vormde een onderdeel van Strijen, later
van Breda. Aanvankelijk heette de plaats Bergen;
Zoom zou kunnen duiden op den Westelijken rand van
Breda of beteekenen: moergrond; met het riviertje,
dat thans de Zoom wordt genoemd, heeft de naam der
plaats niets te maken. Als l.andelsstad bloeide ze
vooral in het laatst der 15e en het begin der 16e eeuw
als concurrente van Antwerpen, door visscherij maar
vooral lakenhandel; ze genoot den steun der ilanze.
De handelsbloei verging met de inrichting als grens-
vesting. In 1863 door aansluiting aan het spoorwegnet
en in 1883 en 1888 door tram verbindingen met Tholen
en Antwerpen, volgde opleving. Bekend zijn haar
ijzergieterijen, zoutziederijen en groote suikerfabriek,
terwijl ook het tuinbouwbedrijf sterk is uitgebreid
en de kreeften- en oesterputten vermaard zijn; haar
havenwerken zijn aanmerkelijk uitgebreid. De „Sinte
Geertruydtsbronne” levert uitstekend tafel water.
In de 16e. 1 7e en 18e eeuw doorstond de stad talrijke
belegeringen. De laatste markiezen sproten uit het
huis van Zulsbach; Maximiliaan van Zwxibrucken
verkocht het markiezaat aan de Bataafsche republiek.
Het Markiezenhof werd kazerne. Het stadhuis bevat
vele historische portretten. De St. Lambertuskerk
leed veel door den betddenstorm en de stadsbelegering
van 1747; ze behoort thans aan de Nederduitsch Her-
vormde Gemeente. Van vroegere kloosters rest nog
iets in het St. Catharinagosticht, eens Reeolletten-
klooster. Op 31 Maart 1932 is in de oude Onze Lieve
Vrouw r e-poort een gemeentelijk museum geopend;
dit is de eenige overgebleven poort, een der merk-
waardigste overblijfselen van de militaire architectuur
in Nederland met haar twee zware ronde torens uit
de 13e eeuw; vroeger stond daar een Maria-kapel;
later borg ze boosdoeners en kreeg den naam van
Gevangentoren. Van 1442 tot omstreeks 1580 had
Bergen op Zoom een kapittel. Van de vroegere kloos-
ters zijn te vermelden: St. Margafiete-klooster, in 1461
gesticht, het Cellezustersklooster van 1481 of 1482,
het Grauw'zustersklooster en dat der August inessen
en der Franciscanessen, het Minderbroeders- of
Recol letten klooster uit de 15e eeuw; ook w T aren er
Leliebroeders of Alexianen. Er bestond een pesthuis
en een begijnhof.
625
626
Berg en Terblijt — Bergeyck
L i t. : J. B. Kriiger, Kerkelijke geseb. van het bisdom
vaD Breda (III, 86-166i ; ir. A. J. L. Juten, J. Bevin en
A. J. A. de Kok Bergen op Zoom als woonplaats (19211 :
C. Slootmans, De Sinte Geertruydtsbronne : tijdschrift
Taxandria. Knippenberg.
2° Markiezaat van Borden op Zoom, een historisch
landschep in de prov. Noord- Brabant, ten N., O. en Z.
van Bergen op Zoom: in de vroede M.E. behoorde
het tot het graafschap Strijen, dat later (mogelijk in
begin 12e eeuw) uiteenviel.
Het Z. deel, nl. het Land van Breda, waartoe
ook het I and van B. o. Z. behoorde, werd toen een
Brabantsch leen. In 1288 werd het afgescheiden van
Breda en ontstond de aparte heerlijkheid B. o. Z..
tengevolge van de uitspraak van Jan 1 van Brabant
op 22 Juni 1287. Kr regeerden achtereenvolgens de
geslachten van Wesemaal, Van Bautersem en Van
Glymes. Vooral de llecren uit het laatste geslacht
waren zeer invloedrijk, met name Jan II van Glymes
( 1417 — ’94), de raadsman van Philips van Bourgondië.
en Jan IV, in onze historie als Bergen bekend, de
stadhouder van Henegouwen en Kamerijk. In 1538
werd de heerlijkheid door Karei V tot markiezaat
(markgraafschap) verheven. Tijdens den Spaanschen
bevriidingsoorlog werd het markiezaat aan de Oranjes
opgedragen; na 1048 maakte het deel uit van Staats -
Brabant, was dus Generaliteitsland. De heerlrkheids-
rechten behoorden toen aan het geslacht Van \\ ittem.
In 1801 werden deze door de Bataafsche Republiek
gekocht en hield het markiezaat als zoodanig op te
bestaan. Het bestond uit de stad B. o. Z. met haar
rechtsgebied, de Buitenpoortcrij; verder uit vier
districten: het Westkwartier, omvatte de
dorpen: Wouw, Moerstraten, Vorenseinde, Halsteren
en Noordgeest, benevens de polders Auvergne, G linies
en Beiemoer; het Zuid kwartier: Osscn-
drecht, Woensdrecht, Hoogerheide, lluybergen, Putte.
Zuidgcest en Borgvliet; het Oostkwartier:
Oudenbosch, de St. Maartenspolder, Oud -Gastel.
Nieuw -Gastel, Hoeven, Rucphen en Zegge: het
Noordkwartier: ’t Zandaarbuiten,^ Fijnaart
en Heiningen. v. VeUhocen.
Berg en Terblijt, gemeente in Nederhmdsch
Limburg, gelegen ï kilonv t» rten N.O. van Maastricht:
omvattend het dorp Berg en de gehuchten Terblijt,
Geulem en Vilt. benevens een deel van \ alkenburg.
In 1932: 2 151 inw. (Kath.). Landbouw en mergel-
cxploitatie. Te Geulem toerisme. v. Thiel.
Borgen, valt op ons. Bergen, valt op ons.
heuvelen bedekt ons (Lc. 23. 30). Christus bezigde,
toen Hij Jerusalems vrouwen, die llem beklaagden
op haar eigen ongeluk wilde wijzen, deze woorden van
Osee (10. 8); ze waren als spreekwoord blijkbaar in
gebruik (vgl. Apoc. 6. 13). Bij gewijde schrijvers komt
de vreugde der on vrucht ba ren, die niet getroffen
kunnen worden in haar moederlijk gevoel, voor bij
ls. 64. 1; bij profane: Euripides Androm. 395.
Brouwer
Borgen van Barmhartigheid, > Bank van
leening.
Borger, 1° H n g o, Duitsch geograaf, * 6 Oct.
1830 te Gera, f 27 Sept. 1904 te Leipzig. Van 1862—
*77 was hij leeraar, in 1899 werd hij prof. in de histo-
rische geographie in Leipzig. Vooral bekend is zijn:
Geschichte der wissenschaftl. Erdkuude derGricchen
( 2 1903). t>. Velthoven.
2° L u d w i g, Duitsch componist en muziek -
leeraar, * 1777 te Berlijn, f 1839 aldaar. Woonde in
Templin en Frankfort a. O.: studeerde in 1799 harmo-
nie en contrapunt te Berlijn onder J. A. Gürrlich.
Hij vertrok in 1801 naar Dresden, met de bedoeling
om leerling van J. G. Naumann te worden. Deze
was echter juist gestorven. Te zijner gedachtenis
schreef B. een cantate. In 1804 reisde hij als leerling
van M. dementi naar St. Petersburg en verbleef er
zes jaren. Hij werd hier bevriend met Al. Klengel en
J. Field. Na een kortstondig huwelijksgeluk te St.
Petersburg met de zangeres \\ilh. Kargc, verloor hij
tegelijk zijn vrouw en kind, vertrok in 1812 naar
Stockholm en vandaar naar Londen, waar Clementi
woonde. Hier leerde hij ook J. B. Cramcr kennen;
in 1815 keerde hij terug naar Berlijn, waar hij zich
hoofdzakelijk wijdde aan het muziek-onderwijs;
leerlingen waren o.a, Mendelssohn, Taubert, Ilenselt,
Fanny Hensel, Klister, e.a.
Werken: klavierwerken, o.a. sonaten op. 1, 6, 7,
9, 10, 15, 18; Etudes op. 12 (opnieuw uitgegeven door
Karl Reinecke) en op. 22 (opnieuw uitgegeven door X.
Scharwenka). — L i t. : L. Rellstab, Ludwig Berger
(1846). Pisiaer .
Bergerac, arr. hoofdstad in het Fr. dept. D<»r-
dogne (44° 61' N.. 0° 30 O.). 32 m boven zee. 17 520
inw. (1931). Handel in wijnen, brandewijn en truffels.
Vroegere Hugenotenstad. De opheffing van het edict
van Nantes in 1(185 vernietigde de industrie. De philo-
soof Maine de Biran werd hier geboren. ïleere.
Bergerac, Cyrano de, > Cyrano.
Berger»!, F m i 1 e, Fransch tooneelschrijver
en criticus. * 29 April 1845 te Parijs, f 13 Oct. 1923
aldaar. Als schoonzoon van Th. Gautier begonnen nïet
speelsche, in epigrammen toegespitste lyriek, sloeg
B. minder in met opgewekte bliispelen (Le capita ine
Frricasse, 1890) en goed gestileerde, lyrische, maar
daarom minder toonoelhoudende drama’s, dan met
zijn dolle Chioniques de Caliban in
Le Figaro.
W e r k c n. Verzen • Poèmes de la goerre (1871);
La lyrc eomique (1889) ; La lyre brispp (1903) ; Ballades
et sonnets (1910). Toonoel : Lp nom (1883) : Enguerrande
(1884): Lp Baron de Carahosse (1885); La nuit berga-
masque (1887): Plus epie reine (1899); La fontaine de
jouvenre (1906'. Verhalen : Souvenirs d’un enfant de
Paris (1885); Le livre de Caliban (1887); Le rire de
Caliban (1890) ; Trente-six contes de toutes les couleurs
(1919), e.a. Bauu
Bergcrclfe, Fransche dans uit de 16e eeuw;
ook algemeene benaming van herdersliedje.
Bergerie (Fr. berger =- herder) is een klein en.
fijn gedicht met als onderwerp de idyllische minne
van zgn. herders. Omstreeks 1600 veel beoefend, met
name door A. de Montchrestien.
Borgeron, Tor, Zweedsch meteoroloog, aan
het meteorologisch Instituut te Bergen (Noorwegen).
Cyclonen en fronten leer.
‘Werk: Wellen und Wirbel an ciner quasistationüren
Grenzflache (Leipzig 1924).
Bergeyck , Jan van Brouckhoven,
baron van J eefdael, graaf van, Belgisch staatsman,
* 9 October 1644, f 21 Mei 1726. Onderscheidde zich
op het einde der 17e eeuw, tijdens het gouverneur-
schap van Max. Emanuel van Beieren, en
het tijdelijke Fransche bewind. Reeds algemeen
schatmeester, werd hij in 1702 tot opperintendant van
Financiën en van Oorlog aangesteld. Hij trachtte
de methoden van Colbert tot herleving van de econo-
mische welvaart in de Z. Ned. toe te passen. Als
instrument van liet Fransche centralisme kw r am hij
627
Bergeijk — Berghe
628
in botsing met den geest der bevolking. Na de Fransche
nederlaag van Ramillies (1706) ging met de Fransche
macht ook zijn invloed te loor. V. Roosbroeck.
Bergeijk, gem. in N. Brabant, ten Z.W. van
Eindhoven aan de Belgische grens; bestaat uit de
ar< chie-dorpen B.-’t Hof, B.-'t Loo en B.-de Wee-
osch : ca. 3 200 inw., bijna allen Kath. Opp. 5 127 ha.
Landbouw en veeteelt; ook industrie (stoomzuivel-
fabriek met afzet van gecondenseerde melk naar
Engeland, waaraan een blikfabriek is verbonden;
verder sigarenfabrieken). Pensionaat, huishoud- en
industrieschool der zusters Lrsulinen. Veel natuur-
schoon: bosschen en heidevelden. De Weebosch is een
bedevaartplaats ter eere van den H. Gerardus Majella,
vooral druk bezocht gedurende het feestelijk octaaf
(16 — 24 Oct.). In 1468 werd B. door Karei den Stouten
tot stad verheven; het was toen een plaats met een
belangrijke weverij. Echter heeft B. zich niet met
muren omringd. Tot in de vorige eeuw woonden in B.
veel Teuten, handelaars, die vreemde landen bezochten,
cm hun waren te verkoopen. v. Velthoven .
Bergfried (middeleeuwsch „b e r f r e d u s”)
is de Duitsche benaming voor den alleenstaanden
hoofdtoren van een burcht. Verder > Belfort.
Berggeesten. Het geloof aan b. dankt zijn
ontstaan aan den demonencultus of aan het zielengeloof
en de zielenvereering. In het volksgeloof leven indruk-
wekkende historische figuren voort, verscholen in
bergspelonken, zooals Frederik Barbarossa in den
Kyffhauser, Karei de Groote in het Odenwald.
Knippenberg.
Berggoden, dit wil zeggen góden, die in of op
bergen wonen, vindt men bij alle volkeren, die in
bergachtige streken wonen. De berggoden en berg-
geesten zijn meest allen mannelijk, alhoewel ook berg-
moeders en bergnimfen voorkomen. De berggoden
worden gedacht in of op de bergen te wonen. In het
eerste geval worden ze als aardgoden beschouwd en
worden hun offers in bergholen opgedragen. In het
tweede geval zijn ze hemelgoden; de berg, die met
zijn kruin in den hemel reikt, is dan als de verbinding
tusschen hemel en aarde. Dezen góden worden tempels
en altaren opgericht en offers opgedragen op de bergen.
Door vermenging van culturen en van opvattingen
krijgen de berggoden vaak een gemengd karakter, zoo-
als duidelijk is waar te nemen in den Griekschen Zeus,
die, oorspronkelijk heme'god, bij zijn intocht in
Griekenland, verschillende berggoden verdringt en
hun voornaamste attributen overneemt. Bellon.
Berggoud noemt men het goud, dat op zijn
primaire ligplaats wordt aangetroffen. Als berggoud
wordt goud gevonden in gangen door kristallijne of
eruptieve gesteenten (Californië, Mexico), in fijn ver-
deelden toestand in het cement van sommige conglo-
meraten (Transvaal) en in goudkwartslagen (N. Ame-
rika). In tegenstelling met berggoud kent men het
zgn. stroomgoud, d.w.z. goud, dat zich op secimdaire
ligplaats in het rivierzand bevindt.
Hofsteenge.
Bergh, naam van een gemeente in Geld., in het
Z. van den Achterhoek, aan de Duitsche grens. Voor-
naamste plaats is ’s Heerenberg. De gem. ontleent
haar naam aan het kasteel Bergh. Tot de oude h e er-
1 ij k h e i d B. behoorden de dorpen ’s Heerenberg,
Didam, Zeddam, Etten, Gendringen, Beek, Kilder,
Wijnbergen, Azewijn, e.a. Voor de geschiedenis,
Zie ’s > Heerenberg.
Bergh, 1° Helvetius van den,
a-romanitsch schrijver van prozaverhalen, luimige
gedichten en eenige blijspelen, waarvan „De neven”
(1837) aardige, vlot-geschreven gedeelten bevat.
* 1799 bij Zwolle.
2° Herman van den, dichter, * 1897, mede-
oprichter en leider van het maandblad Het Getij. Hij
gaf den eersten stoot tot de beweging der jongeren in de
letterkunde; zijn poëzie schiep een nieuw dichterlijk
wereldbeeld, zijn critisch proza, ofschoon zeer stroef
van stijl, stimuleerde jeugdige dichters rond 1920.
Work: De Boog (gedichten, 1917); De Spiegel
(gedichten, 1925^ ; Nieuwe Tucht (studiën, 1928). —
L i t. : D. A. M. Binnendijk, Inleiding tot De Spiegel ;
11. Marsman, De Lamp van Diogenes ; Dirk Coster,
Nieuwe Geluiden. Asselbergs.
2° La u rent Philippe Charles van
den, rijksarchivaris van 1865 tot 1887. * 20 Juni
1815 te Düsseldorf, f 17 Sept. 1887 te Den Haag.
Studeerde rechten te Utrecht, en promoveerde aldaar.
Interesseerde zich vooral voor letterk. en gcsch. Gaf
verscheidene werken van J. v. Meerland uit.
Voorn, werken: Handb. der middolned. geo-
graphie, naar de bronnen bewerkt (1852, 2 1872 ; wel
verouderd, maar nog steeds niet door een beter ver-
vangen) ; Oorkondenboek van Holl. en Zeel. (2 dln.
1866 — *73). — L i t. : prof. Brugmans, in Nieuw Ned.
Riogr. Wdb. (IV. 118). Offermans.
Borgharen, gem. in Geld., in het midden van het
Land van Maas en Waal, ca. 15 km ten W. van Nij-
megen. De gem. heeft een opp. van 2 100 ha en omvat
de dorpen B., Hemen en Leur. Van de ruim 1 650
inwoners zijn ong. 1 400 Kath. en 250 Ned. Herv.
De bodem bestaat in het O. uit Diluviaal zand, overi-
gens uit rivierklei. Landbouw vormt het hoofdbest ans-
middel. B. w r erd vroeger ook wel Burgharen
genoemd, naar de vele kasteden in de omgeving, waar-
van er nog slechts enkele bestaan : te Wijchen, te
Hosen en het Huis te Hemen (15e en 16e eeuw r ).
Heijs.
Berghaus, 1° H e i n r i c h, geograaf en
cartograaf, * 3 Mei 1797 te Kleef, f 17 Febr. 1884 te
Grünhof (Stettin). Was leeraar aan een cartographen-
school in Potsdam, waar hij o.m. Petermann en Lange
bekwaamde. Sedert 1863 w r oonde hij in Grünhof.
Werken: Atl. von Asien (1833-’43): Physikalischer
Atlas (1836-’48); Allgem. Lander- und Völkerkunde
(6 dln. 1836 — *41) ; Grundrisz der Gcographic (1840 — *43);
Die Völker des Erdballs (2 dln. 1852 — *53).
v. Velthoven.
2° Hermann, cartograaf, * 16 Nov. 1828 te
Herford. f 3 Dec. 1890 te Gotha; gevormd in de carto-
graphenschool van zijn oom Heinrich B. in Potsdam.
Sedert 1850 cartograaf in de beroemde Geogr. Anstalt
van Justus Perthes te Gotha. Mede-uitgever van
Stieler’s Handatlas; bewerkte een nieuwe uitgave van
den Physikal. Atlas van Heinrich Berghaus (1886- ’92).
Berghe, 1° Jan van den, ook Berch,
zooals hij zich in een rijm -onderschrift noemt, schrij-
ver van een in 1431 te Brugge ontstaan allegorisch
werk Dat Kaetspel ghemoralizeert:
het kaatsspel met al wat er bij gebeurde of te pas kwam
werd er toegppast „ten facte van justiciën”. op de
rechtspraak, met 103 exempelen, zoo wat van overal
bijeengebracht, oï uit het Scaecspel overgenomen. Het
werk is navolging van de allegorieën -literatuur,
w T aarvan Thomas van Cantimprë met zijn Bonum Uni*'
versale de apibus en Jacobus de Cessol is met zijn
Ludus scaccorum het voorbeeld hadden gegeven. Het
Berghegge — Bergius
630
620
vond zooveel bijval, dat het reeds in 1477 (Leuven)
werd gedrukt en meermalen opnieuw werd uit-
gegeven.
-Ui. tg. : J. A. Roetert Frederikse, Dat Kaetspel
ghemoralizeert (1915).
V. d. B. heet ook de dichter van het E s b a t e-
raent van Hanneken Leckertant,
waarmee de rederijkers van de Violieren van Ant-
werpen in 1541 op het landjuweel te Diest den eersten
prijs behaalden.
U i t g. : G. Kalff, Trou moet blijcken (1389, 55-80).
V. Mierlo.
2° Willem van den, bestuurder van een in
Vlaamsche gemeenten befaamd rondreizend tooneel-
gezelschap, dat reeds in 1851 werd gesticht. * 1854
in Noord-Ned., f 1928 in Vlaanderen. Voerde uitslui-
tend volksdrama s op: Genoveva van Brabant (8 bedr.),
De Brusselsche Straatzanger (6 bedr.), De Vodden-
raper van Antwerpen, „aandoénlijk” (10 bedr.)!
Heden trekt het gezelschap v. d. B., onder leiding van
den zoon, Adolf, met een prachtige schouwburgtent,
weer door Vlaanderen, speelt het oude repertorium in
simili gemoderniseerde mise-en-scène en behaalt in
kleine steden en dorpen zeer veel succes. Goddaine.
Berghcggc, Vincent, acteur, * 1877 te
Tilburg; niet voor het tooneel opgeleid, begon hij zijn
loopbaan eerst op lateren leeftijd bij de Ned. Tooneel-
ver., later bij Royaards. Sinds 1915 bespeelde hij
vsch. openluchttheaters.
Berghem, gem. in N. Brabant, ten O. van Oss,
aan den spoorweg Den Bosch— Nijmegen; ca. 2 600
inw., bijna allen Kath.; opp. 1 334 ha. Landbouw en
veeteelt (stoomzuivelfabriek); veel arbeiders zijn werk-
zaam in de industrieën van het naburige Oss. Nieuwe
Kath. kerk, gebouwd aan den ouden gerestaureerden
toren (ca. 1500).
Berghen, 1° Georg L o d e w ij k van,
bisschop van Luik. * 15 Sept. 1662 te Brussel, 7 Febr.
1724 bisschop, f 4 Dec. 1743 te Luik, na een rustig
en verdienstelijk bestuur. Ilij gebood o.a. op zware
straffen aan de pastoors het volk des Zondags te onder-
wijzen in den godsdienst.
L i t. : Gesch. v. h. bisd. Roermond (I, 210).
2° R o b e r t van, bisschop van Luik (12 Dec.
1557). Onder zijn episcopaat had de nieuwe inrichting
der bisdommen in de Nederlanden plaats. Het bisdom
Luikwerd daardoor sterk verkleind, nl. heel liet bisdom
Namen en het grootste gedeelte van de bisdommen
Mechelen, Antwerpen, Roermond en Den Bosch w’erden
aan Luik onttrokken. Vandaar groote ontevredenheid,
vooral ook omdat Luik geen metropol itaanstad was
geworden. Ook Leuven met zijn universiteit was bij
Mechelen gevoegd. Lieven Torrentius van der •>
Beken, toen aartsdiaken van Brabant, werd naar
Rome gezonden om de terugtrekking te verkrijgen
van de nieuwe indeelingsbul, of ten minste een schade-
loosstelling aan Luik (> Luik, Algemeen overzicht).
In 1563 verkreeg Rob. ontslag wegens zwakke gezond-
heid; hij stierf te Bergen-op-Zoom, waar hij zich terug-
getrokken had.
L i t. : Biogr. Nat. de Belg. ; Habets, Gesch. bisd.
Roermond (1, 197). Valvekens.
Berghes, 1° Alphonsus de, aartsbis-
schop van Mechelen van 1671 tot aan zijn dood; f 7
Juni 1689 te Brussel. Eerst tot bisschop van Doornik
kangewezen, werd hij later, om politieke redenen, tot
aartsbisschop van Mechelen gekozen. Was in alle
opzichten een waardig kerkvorst. Alleen is hij niet
krachtig genoeg opgetreden tegen het Jansenisme.
Valvekens.
2° (Ook: Van Berghen), Gui Helmus
d e, Aartsbisschop. * 1551 te Antwerpen, f 25 April
1609 te Kamerijk. Hij stamde uit de familie der ba-
ronnen en graven van Grimbergen, studeerde te Leu-
ven, Dole, Padua, Bologna en Rome in theologie en
rechten. Huisprolaat van paus Gregorius XIII ge-
werden, kwam hij in dienst van kardinaal Gerardus
van Groesbeek, prins-bisschop van Luik. die hem ver-
schillende gezantschappen opdroeg. In 1584 tot deken
van de St. Lambertuskerk te Luik gekozen, werd hij
29 Maart 1598 als derde bisschop van Antw. gewijd. In
1601 werd hij aartsbisschop van Kamerijk.
L i t. : J. B. Kriiger, Kerkelijke gesch. van het bisdom
van Breda (II 1874, 175-180). Knippenberg.
Berghe Stc. Maria, eerste missiepost der Pa-
ters van Scheut in Kongo; gesticht door p. Gueluy
(December 1888) aan den samenloop van den Kongo-
stroom en de Kwa-rivier. In 1886 stichtten de Witte
Paters aldaar de missie Bocngana O.L. Vrouw, te
midden van den woesten Bayansi-volksstam. Wegens
de nieuwe kerkelijkc indeeling van Kongo werd deze
missie in 1887 door de Witte Paters verlaten. B. werd
verschrikkelijk geteisterd door de slaapziekte en des-
wege in 1900 opgeheven. Vanneste.
Berghocn (C a c c a b is), vogel, behoorend tot
de orde der hoenderachtigen. Lichaam krachtig, hals
kort, kop betrekkelijk groot, snavel langwerpig, maar
krachig, voet middelhoog met stompe sporen of een
hoornen wTat. Een roodachtig grijs, dat bij enkele
soorten naar het leikleurige zw r eemt, vormt de hoofd-
kleur; voorste deel van den hals en de bovenborst,
evenals de zijden zijn levendig rood gekleurd; steeds
zijn pooten en snavel rood. In Nederland is enkele
malen aangetroffen C. of Alectoris rufa of roode patrijs,
die in Z.W. Europa leeft. In Engeland is het ingebur-
gerd door uitpoting. Keer.
Berghout, naam voor dichte kristalaggregaten
van asbest.
Berghout, zware houten lijst, rondom een schip
of boot aangebracht ter hoogte van het dek, ter be-
scherming van den romp tegen beschadiging door
zware stooten.
Berghues, Cornelius de, of de Berg,
bisschop van Luik, 1538 — 1544. Onder zijn episcopaat
zijn de Jezuï ten in het bisdom gekomen. Hij bestreed
de Wederdoopers (Anabaptisten) en de Lutheranen.
Op aandringen van Karei V koos hij zich Georg van
Oostenrijk tot coadjutor met recht van opvolging,
om de twisten te voorkomen, die gew 7 oonlijk bij een
bisschopskeuze plaats vonden. In 1544 trok Cornelius
zich terug en nam ontslag. Reden onbekend, f 1545 te
Hoei.
L i t. : Habets, Gesch. bisd. Roermond (I, 196).
Valvekens.
Bergilers, > Belliek.
Bcrgingsmaat schappij, maatschappij, welke
zich belast met het vlot maken en het bergen van ge-
strande en gezonken schepen en ladingen, met het
opruimen van wrakken, met duikeronderzoek, enz.
Bergis, Willem de, ook Berghes,
> Berghes (Guilielmus de).
Bergius, F r i e d r i c h, scheikundige, * 11
Oct. 1884 te Breslau, in 1931 begiftigd met den Nobel-
631
Bcrgk— Berglceuwerik
632
prijs voor scheikunde, tegelijk met Bosch. Bekend door
zijn onderzoekingen
over het „vloeibaar
maken” van steen-
kool, het zgn. Ber-
gius-proees (zie on-
der). Hierdoor wordt
steenkool voor 60%
in olie omgezet, waar-
bij bijna alle olie in
den vorm van benzine
geronnen kan wor-
den. Door een ander
procédé, de hydrolvse
van cellulose, is het
mogelijk houtafval
voor 65% om te zetten
in een suikerhoudend
product, waarbij ver-
der azijnzuur en lignine verkregen worden. Het suiker-
houdend product is zeer geschikt voor veevoeder.
llongeveen.
Benrius-prooes. een werkwijze ter verkrijging van
vloeibare producten door destructieve hydreering
van bruin- of steenkolen. Een kenmerk van deze naar
dr. Bergius genoemde werkwijze is het gebruik van
waterstof onder een druk van ca. 200 kg /cm 2 bij een
temperatuur van 400 a 450 ° C. Het gebruik van ge-
schikte katalysatoren is van het grootste belang voor
een gunstig verloop van de reactie. Het Bergius-
proces wordt in Duitschland technisch toegepast; een
uitvloeisel ervan is de hydreering van aardoliepro-
ducten, waarvoor momenteel in Amerika een tweetal
proeffabrieken in werking is. De aan een technische
uitvoering verbonden kosten voor de hydreering van
kolen zijn zeer hoog, zoodat een ernstige concurrentie
van de synthetische benzine met de natuurlijke aard-
olie-destillaten slechts onder speciale omstandigheden
mogelijk zal zijn. Pulleners.
Bercjk, T h e o d o r, Duitsch philoloog, * 1812
te Leipzig, f 1881 te Ragatz; professor te Marburg
(van 1842 af), Freiburg (1852). daarna te llalle (1857)
en te Bonn (1869). Zijn naam is verbonden met de
studie der Grieksche dichters en de verzameling hun-
ner fragrmnten: Poetae Lyrici Graeci (3 d in. 1843).
Onder zijn talrijke andere werken was zijn Geschichte
der Gricchischen Literatur, na zijn dood voortgezet
door Peppmüller (4 dln. 1872 — 1887). een standaard-
werk. V. P uttel bergh.
Bercjkalk, verouderde benaming voor kolenkalk,
de kalksteen uit de onderste afdeel ingen van de Oar-
boonformatie. Deze kalksteen bevat een rijke mollus-
kenfauna en vertegenwoord igt de marine sedimenten
der onder-Carboonformatie. Jn de Ardennen, waar dit
gesteente op groote schaal ontgonnen wordt, draagt
het den naam marbre de Namur en petit granite. liet
wordt gebezigd als trottoirband enz. IJofsteenge .
Bergklimaat . Dit begint reeds op 500 meter
hoogte en kenmerkt zich door met de hoogte toenemen -
den lagen luchtdruk, reine, koude en verdunde lucht,
sterke zonnestraling met groote verschillen tusschen
de temperatuur in de zon en in de schaduw (te Davos
op 25 Dec. te 12 uur -f 40° C in de zon en — G in de
schaduw) en overvloed van ultra-violette stralen. De
zuivere en droge lucht van lagen druk verhoogt de
activiteit van bloedsomloop en ademhaling, prikkelt
de eetlust en geeft een gevoel van opgew ektheid, althans
op niet te groote hoogten (beneden 2 000 meter), dat
men in lager gelegen warmere streken mist. Tuber-
culose w T ordt daardoor gunstig beïnvloed, huidziekten
en malaria komen er bijna niet voor; rhachitis wordt
door de ultra-violette stralen verhinderd; ziekten
van het hart w r orden meestal niet gunstig beïnvloed.
Op groote hoogten (3 000 meter en meer) treedt bij
beweging spoedig bergziekte op. > Barometrische
druk. > Hoogteklimaat. Droog .
Bcrcjknop, > Muurpeper.
Bergkristal, variëteit van kwarts (Si0 2 ) en
voorkomend in den vorm van fraaie heldere kristallen,
behoorend tot het trigonale stelsel. De habitus dezer
Bergkristal.
kristallen doet ’n combinatie van ’n ditrigonaalprisma
en een bipyramide vermoeden. Op grond hunner pyro-
electrische eigenschappen neemt men aan, dat de zgn.
pyramidevlakjes in werkelijkheid rhomboëdervlakjes
zijn. Men kent vele variëteiten. De rookkleurige wordt
rooktopaas of rookkwarts genoemd; de donkerbru ine
heet morion en de gele citrien. Bergkristal wordt
meestal in de zgn. kristalhelders gevonden, waar de
kwartsen de wanden van holten in het gesteente be-
kleeden. Kristalhelders zijn o.a. bekend uit het Aar-
Gotthard -massief der Alpen. Verder komt het voor op
Elba, (’eylon en Madagaskar. Bergkristal wordt als
siersteen gebezigd en voorts bij het samenstellen van
bepaalde lenzencombinaties. IJofsteenge.
Bergkurk, weinig gebruikelijke naam voor as-
best.
Berg leeuwerik, tegenwoordig Strand-
1 e e uw er i k genaamd, Eremophila alpestris flava,
komt ’s winters op den trek vrij talrijk langs de kust
voor. Hoofdkleur leombruin, wenkbrauw, voorhoofd
en keel geel, teugel, wangen en breede dwarsband
633
Berglook — Bergonisatie
634
over de bovenborst zwart, midden van den kop zwart,
twee zijkuifjes achter de oogen. Schouder en stuit
met wijnrood waas. De mooiste van onze leeuwe-
riken. Wordt wel in kooien gehouden. Broedt in
N. Europa. Bernink.
Berglook, Allium carinatum, een
zeldzame plant, één der 270 soorten van het geslacht
Allium, behoorende tot de familie der lelieachtigen
(Liliaceae).
Bergloon werd onder het vroegere Ned. zee-
recht genoemd de beloon ing, verschuldigd voor
het redden van onbeheerd gevonden lading of schepen:
sinds 1927 is het niet meer onderscheiden van > hulp-
loon.
Bergman, 1° Bo IT j a 1 m a r, Zweedsch
dichter en novellenschrijver van zwaar-pessimistische
Tichting. * 6 Oct. 1869 te Stockholm. In B.’s werk.
dat van meesterschap over den vorm getuigt, is het
leven harteloos spel van een blind determinisme, dat
de wil- en doellooze menschen als marionetten ge-
bruikt.
Werken: Marionetter ( 1 903> ; Drommen (1901) ;
Skeppct (1917); Valda Dikter (1919); Livets Ögon
(1922). — L i t. : Böök in Resa kring Svenska parnassen
(Stockholm 1928).
2° II j a 1 m a r, Zweedsch tooneel- en roman-
schrijver, tevens kinderdichter. * 19 September 1883
te Örebro, f 1 Jan. 1931 te Berlijn. De grillige
humor is enkel het stijlkleed voor een hopeloos fatalis-
me. dat de bonte wereld van B.’s phantasierijke maar
duistere epiek beheerscht, waarvan de stof veelal
ontleend wordt aan het klein -burgerlijk midden van
het Zweedsche Abdera Wadköping (in Bergslagen).
Werken. Tooneel: Maria, Jpsu Moder (1905);
Parisiua (1915); Marionettspel (1917). Romans: Savo*
narola (1909) ; Amourer (1910) : Hans Nads Testament^
(1910); Dansen p& Früljarn (1915); Knutsmassomarknad
(1916) : En Döds Memoarcr (1918); Markurells i Wad*
köping (1919) ; Farmor of Varherre (1921) ; Jag, Ljung
och Mcdardus (1923). Baur.
Brrgmann, 1° A n t o n, de Vlaamsche Ililde-
brand, debuteerde met beloftehoudend werk: Twee
Rijnla ndsche novellen, en kwam tot volle uiting in
zijn meesterlijk en bekroond werk: Ernest Staes, Ad-
vokaat (1874), da> in juweel ig proza de heerlijke tafe-
reelen uit schrijvers jeugd (schuilnaam Tony) verhaalt.
* 1834 te Lier, f 1875. Philippen.
2° E r n s t v o n, langen tijd de eerste Berlijn che
chirurg, opereerde keizer Frcderik; * 1826, f 1907;
werd 1882 prof. te Berlijn. Groote verdienste voor de
aseptiek; hielp het sublimaat invoeren.
ê° Joris, burgemeester te Lier, vader van Tony
B., liet lezenswaardige Gedenkschriften na (uitge-
geven dooi P. Fredericq, 1895). * 1805, f 1893 te Lier.
Bergmnns, P a u 1, Belgisch musicoloog. * 23
Febr. 1868 te Gent, professor en hoofdbibliothecaris
ain de Gentsche universiteit, lid van de Académie
Rovalc de Belgique sedert 1913.
vVerkcn: o.a. P. L. Leblan (1884); II. Waelput
(1884); Variétés musicologiques (3 reeksen : 1891, 1901,
1920) • La vie musicale gantoisc au XVllle siècle (1897) ;
Peter Philips (1903); Les musidens de Courtrai et du
Courtraisis (1912) ; Fl. van Duyse (1919) ; II. Vicuxtemps
(1920) , Limnander (1920) ; 14 lettres inédites de Ph. de
Montc (1921); .1. van den Eeden (1924); van Elewijck
(1925); Les Loeillet (1927); Busschop (1928); La
typographie musicalo beige au XVle siècle.
V. d. Borren.
Bergmelk, een fijn wit poeder, vnl. bestaande
uit kleine calcietrhomhoëdertjes, dat soms in holten
en spleten in een gesteente voor kan komen.
Bergmuscli, > Rinsrmusch.
Bergnamen. Er bestaat geen algemeen type
voor de benaming van bergen en de gebruikelijke
namen zi;n van zeer verschillenden oorsprong en datum:
Alpen, Pyreneeën: reeds vóór- Keltisch; Geven nen,
Taunus, Ardennen: Keltisch; andere Romaansch,
Oermaansch. enz. Zeer verbreid is de associatie tus-
schen de begrippen „bosch” en „berg”: Zwarte Woud,
Böhmerwald, Thüringerwald, Ardennerwoud. In de
Ned. toponvmie komen, voor meest zeer geringe hoog-
ten, de volgende termen voor: berg, geest (zandige
hoogte), duin, heiikcl (Duitsch: Hiigelj, heuvel of
buffel, hil en hul (Eng. hill). haar (vgl. Duitsch: Hart,
ITarz), klinge, knok, lid, link. Het zeer gebruikelijke
dal wijst niet noodzakelijk naar een vallei, daar het
woord in benamingen van kloosters, vooral van vrou-
wen, in de middeleeuwen zeer geliefd was: Groenen-
dale, Roscndalc, Nonnenda le, llemelsdale, enz. be-
teekent eenvoudig groen klooster, nonnenklooster,
enz. Mansion.
Brrgner, El i s a b e t h, actrice. * 22 Aug.
1899 te Weenen. Kwam omstreeks 1925 tot grooten
roem als vertolkster van het ideale type van die jaren.
Met haar kinderlijk-tengere verschijning weet ze juist
gestalten van poëtisch karakter voortreffelijk te ver-
tolken. Tot haar beste rollen belmoren dan ook die
uit de blijspelen van Shakespeare (Portia, Viola,
Rosa 1 in d). Ook in Shaw’s Saint Joan had ze groot suc-
ces. E. B. trad op in Ziirich, Weenen, München en
Berlijn, evenals op buiten landsche tournées. Zij speelde
ook in eenige films van bijzonder gehalte (o.a. A riant* en
Der trii u mende Mund). v. Thienen.
Bergnlniph Alarasrnius, > W ekL kring -
zwam.
Berg-I\ubicrs, groep van de Nubiërs, > Afrika
(Bevolking).
Bergognone, II, eig. Ambrogio de
F o s s a n’o, Hal. schilder, die in zijn geboortestreek
(Lombardijc) met Foppa de eerste was, die de kunst
van Leon. da Vinei navolgde. * ca. 1465, f 1523. Zijn
naam komt het eerst voor in de matrikel der Milanee-
sche sch ildersun i vers ito it van 1481. Zijn werk is vrij
duidelijk in twee perioden te scheiden. ïn de eerste
(tot 1495) vertoont zijn koloriet een metaalachtige
grijsheid, die vooral aan de vloeschpartijen een heel
eigen, niet altijd bevredigend effect geeft. Zoo zijn
fresco’s in de Certosa van Pavia en de S. Satiro van
Milaan. Het zich eigen maken van Leonardo’s manier
kenmerk* de tweede periode: hij blijft ver beneden zijn
voorbeeld, beperkt zich tot vrij oppervlakkig na volgen,
maar het komt aan zijn koloriet in elk geval ten goede:
dit wordt malschcr en levendiger.
Voorn, werken: Kruisdragende Christus (Pavia,
Galleria) ; Madonna voor gordijn gezeten, dat door
engelen wordt opgehouden (Milaan, Brera) ; Madonnina
(Londen, National Gallery) ; Doopsel van Christus
(Melegnano); fresco's in de absis van S. Sempliciano te
Bergamo. — L i t. : Venturi, Storia dell* arte ital. (VTI
4 1915). Knipping.
Bcrgonié, > Bergonisatie.
Bergonisatie, methode in de electrotherapie in
gebruik en door Bergonié voor het eerst ingevoerd ora
door middel van rhythmische faradische stroomstooten
de spieren van het geheele lichaam zonder actieve
medewerking van den patiënt in rhythmische samen-
strekking te brengen. Deze methode wordt gebruikt
635
Bergpalm — Bergsöe
636
bij vetzucht, jicht en rheumatische aandoeningen en
heeft een sterk prikkelenden invloed op de stofwisseling.
Lit. : Archiv. d’électricité (April 1911; Nov. 1919).
Mom.
Bergpalm, Chamaedorea, is een kleine
rietachtige palm van de familie der Palmae, en be-
woont in 60 soorten Midden -Amerika en het Andes-
gebergte. Zij worden ook als kasplanten veel gekweekt.
Bcrgpurllj (G e s c h.), > Jacobijnen.
Bergpclcrselie, Peucedanum oreo-
selinum, behoort tot de familie der Scherm-
bloemigen (Umbelliferae).
Bergrede, redevoering van Jesus, opgenomen
door de evangelisten St. Mattheus (5 — 7) en St. Lucas
(6.17—49). De b., rijk van inhoud, is een uiteenzetting
van meerdere leerpunten en voorschriften omtrent de
Nieuve Wet, m.a.w. omtrent het door Christus ge-
stichte nieuwe Rijk Gods; in het bijzonder preciseert
Jesus, welke zijn houding is tegenover de Oude Wet,
en tot welke hoogere volmaaktheid en liefde hij al
degenen, die Hem volgen willen, uitnoodigt. Doorgaans
drukt Christus ook hier zijn gedachten uit in beeld-
spraak en spreuken, iets waarmee men bij
de interpretatie van de b. dient rekening te houden.
Schoon de rede bij Mt. en Lc. niet woordelijk overeen-
stemt, blijkt toch én uit de punten van overeenkomst,
én uit de — overigens verklaarbare — punten van
verschil, dat feitelijk een en dezelfde rede bedoeld is.
Onder de toehoorders vindt men, behalve
Galileeërs, een groote volksmenigte uit het Zuiden:
Judea en Jerusalem, en zelfs van Palestina ’s uiterste
Noordgrens: Tyrus en Sidon (Lc.6.17). De plaats,
die de b. in het evangelie van Mt. inneemt, zou den
indruk kunnen wekken, dat zij dateert van het begin
van het Galileesche tijdperk van Jesus’ ministerie,
om in een tableau d’ensemble een beeld te kunnen
geven van Christus’ nieuwe predikatie; eerst teekent
hij den Meester als Leeraar (5—7), daarna als Wonder-
doener (8.1—9.34); St. Mattheus heeft immers de ge-
woonte de evangelische gebeurtenissen veeleer syste-
matisch dan chronologisch te ordenen; St. Lucas,
die zijn evangelie meer chronologisch heeft samenge-
steld, dateert de b. in den tijd, waarop Jesus’ ministe-
rie in Galilea zijn toppunt bereikte. Jesus heeft de b.
gehouden op den > berg der zaligheden,
welke, volgens de meest waarschijnlijke meening, te
identificeeren is met het huidige Et Tabga, 3 km ten
W. van Tell-Hoem (het oude Caphamaüm). Bram.
Bergrordeii heeten in Twente de vier of vijf
zware palen der hooibergen; ze steken door een ver-
plaatsbaar houten dak, dat met riet gedekt is.
Bcrgsaglicri (Ital. bergsaglio = doel), \Toeger
een keurkorps van Ital. infanterie, thans militaire
wielrijders (12 regimenten a 2 bataljons).
Bergsche Maas, •> Verlegde Maas.
Bergschcnhock, gemeente in Z. Holland ten
N. van Rotterdam, tot 1811 bij Ilillegersberg behooren-
de. Opp. 1 529 ha, 2 300 inw., waarvan 26% Kath.
Bestaansmiddelen: tuinbouw en veeteelt (en eenige
industrie van meubelen en bitumen). Blaauw.
Bergsche plassen liggen ten N. van Rotter-
dam, ten W. van de Rotte. Evenals Kager en Brase-
mer Meer zijn de (Ilillegers) bergsche plassen de resten
van het vroegere laagveengebied, door turfgraven cn
afslag vergroot. Blaauw.
Bergsche Veld, ->■ Biesbosch.
Bergslagen is het industrieele overgangsgebied
tusschen midden -Zweden en Norrland, een bebosekt
moreenelandschap, verdeeld door breede dalen, die
reeds lang in cultuur zijn. Het econ. leven steunt op
de rijke ertslagen (vooral ijzererts), de waterkracht
en den boschrijkdom. Het ijzererts komt voor in de
leptietformatie,die ingesloten wordt door gneis en
verbrokkeld door graniet, zoodat het erts van de Klar
Elf tot aan de Oostzee in vele afzonderlijke gebieden
voorkomt, wat een hoofdkenmerk is voor dit landschap.
De heele ijzervoorraad is 120 millioen ton. Het erts
van het O. gebied heeft een zeer laag phosphorgehalte,
zoodat het met houtskool gemakkelijk tot zeer goed
ijzer verwerkt kan worden. De mijnbouw begon hier al
in de 14e eeuw en mede in verband met de geringe
vraag naar dit zeer waardevolle ijzer hebben de bedrij-
ven steeds bescheiden vormen behouden. Het zijn
kleine ondernemingen, die door de eenvoudige gebou-
wen en het half landelijk karakter harmonisch in het
landschap passen. Tot deze O. groep hooren de mijnen
in en om Dannemora, Persberg, Striberg, Norberg en
Bispberg. De N.W. rand van het ertsgebied, de Idker-
berg — Grangesbergzone, heeft modern grootbedrijf.
Vóór ca. 1880 was door het grooter phosphorgehalte
nog geen exploitatie mogelijk. De mijnbouw werkt er
voor het buitenland: Grangesberg en Blötberg voeren
uit in Oxelösund, Idkerberg en Gavle. Het overige
deel van Bergslagen verwerkt het ijzer zelf. Aanvanke-
lijk was de ijzer industrie gevestigd in het productie-
gebied, maar ten tijde van Gustaaf Vasa dwong de
houtnood van het mijngebied tot verplaatsing naar de
randen, o.a. naar Fiiipstad, Yestmanland, Söderman-
land, het gebied ten N. der beneden-Dal Elf en naar
het kustgebied van Gestrikland. Door ontwikkeling
der techniek kon men de waterkracht der groote rivie-
ren gaan benutten, kwam de ijzerverwerking nog meer
naar buiten en nam ook de concentiatie toe. De
ijzerindustrie legt zich hier vooral toe op de productie
van fijne fabrikaten. /r. Stanislaus.
Bcrgsma, 1° G., Holl. schilder, * 19 April 1873
te Winterswijk. Leerling van de Academie te Amster-
dam. Werkte ook nog in Den Haag en ging daarna
naar Italië. Sinds Dec. 1906 een tijdlang werkzaam te
München. Vestigde zich te Zoutelande in Zeeland.
Schilderde naakt, portretten, landschappen en genre-
tafereelen.
L i t. : Alb. Plasschaert, Holl. Schilderkunst.
2° J a c o b Hendrik, rechterlijk ambtenaar
en leeraar in Ned.-lndië, van 1894 tot 1897 minister
van Koloniën. * 1838, f 1915. Ond/r zijn minister-
schap vallen de Lombok-expeditie en een belangrijke
periode van den Atjeh-oorlog.
3° P i e t e r Adriaan, organisator van den
meteorologischen dienst in Ned.-lndië en eerste
directeur van het meteorologisch observatorium
van Batavia. * 1830, f 1882. Berg.
Willem Bernardus, bestuurs- en
rechterlijk ambtenaar in Ned.-lndië, bekend om het
onderzoek van de rechten der Inlanders op den grond,
dat hij leidde en waarvan hij de resultaten mede
publiceerde. * 1826, f 1900. Berg.
Bergsöe, Vilhelm, Deensch dichter en
romanschrijver. * 8 Febr. 1836 te Kopenhagen, f 26
Juni 1911 aldaar. Hoewel romantieker van aanleg en
een goed deel van zijn leven in blindheid doorbrengend,
toont B. zich — een geschoold entomoloog immers —
in spannende romans en novellen op autobiographi-
schen grondslag een natuurgetrouw schilder van Ita-
liaansche en Deensche landschappen en tijdsbeelden.
Werken: Fra Piazza del Popolo (1860) ; I Ny og
637
Bergson — Bergspoonvegen
638
Bergspoorwegen. Fig. 1. Eenvoudigste schema van de tandradfunctie. Een loodrecht staand tandrad grijpt in een
tandrails (a), welke bestaat uit ijzeren staven, op hun plaals gehouden door twee u balken. Fig. 2. Systeem van twee
tandraderen (a), welke ten opzichte van elkaar om een tandbreedte verschoven zijn. De tandrails bestaat hier uit
twee getande plaatijzeren banden (b). Fig. 3. Systeem met drie ten opzichte van elkaar verschoven tandraderen.
De systemen van fig. 2 en 3 geven den trein een regelmatigeren gang. Fig. 4. Het bogin der tandrails, hetwelk veerend
geconstrueerd is. Fig. 5. Systeem met twee horizontale tandraderen, o.a. toegepast op de Pilatusbaan.
Nae (gedichten 1867) ; Fra den gamle Fabrik (1869) ;
I Sabinerbjergene (1871); Bruden fra Rfirvig (1871);
Gjengangerfortarllinger (1871): Hjemve (1872); Blom-
8tervignetter (1873); Rom under Pius den Niende
(187/) ; Fra Mark og Skov (1881). — L i t. : B.’s auto-
biographie Livserindringer (1898 vlg.). Baur.
Bergson, II e n r i, Fr. wijsgeer. * 1859 te
Parijs. Sinds 1900 professor aan het College de France,
lid der Académie Frangaise. Zijn philosophie vormt
een reactie tegen materialisme en positivisme, erkent
de mogelijkheid van
metaphysische ken-
nis en aanvaardt
het bestaan van een
bovenstoffelijke re-
aliteit. Het ver-
stand, alleen be-
stemd voor het
practisch handelen,
kan de werkelijk-
heid niet doorgron-
den, omdat het
krachtens zijn in -
richting deze in
begrippen vastlegt
en daardoor ver-
minkt. De kennis
H. Bergson. van de werkelijk-
heid wordt echter
verkregen door de intuïtie, een eigen bewustzijns-
functie van onmiddellijk beleven. Deze dient
vooreerst om het Ik te leeren kennen, niet als
een opvolging van verschijnselen, maar als een
zuiveren duur, waarin verleden, heden en toekomst
elkaar doordringen; zij ziet in de zich voltrekkende
psychische handeling het wezen der vrijheid en door-
schouwt het ps. leven als individueel, onmeedeelbaar
en onherhaalbaar. Vervolgens leert zij de heele werke-
lijkheid zien als een eeuwig gebeuren, een onophoude-
lijk worden, dat zich in vrijheid voltrekt zonder wette-
lijkheid of doelmatigheid, en in zijn ontwikkeling de
eenige oergrond is van alle zijn, worden en vergaan.
B. onderscheidt een „statische” ethiek, die den grond
der verplichting vindt in de gemeenschap en een
„dynamische”, die dezen grond vindt in een drang
naar liefde en een streven naar vooruitgang. Beide
zijn uiteindelijk vruchten van de scheppende evolutie.
B. neemt een voortbestaan van het psychische na
den dood aan, zonder dit nader te bepalen. Hij is voor
velen de gids geweest naar een hoogere wereldbeschou-
wing, ook naar het Katholicisme, maar het monistisch
Godsbegrip, dat met het idee van de alles voortbrengen-
de évolution créatrice samenvalt, maakt zijn stelsel
als geheel voor Katholieken onaannemelijk.
Werken: Essai sur les données immédiates de la
conscience (Index) ; Matière et mémoire (Index) • L’évo-
lution créatrice (Index); Le rire, L’énergie spirituelle ;
Durée et simultanéité; Les deux sources de la morale
et de la religion. — L i t. : J. Hoogveld, De Nieuwe
Wijsbegeerte. Een studie over H. Bergson (1915); J.
Maritain, La phil. bergsonienne (Parijs 2 1931).
F. Sassen.
Bergspoorwegen . Reeds omstreeks 1870 zijn
dc spoorwegmaatschappijen in do verschillende landen
met berg- en heuvelland, als gevolg van het toenemend
toerisme, ondanks groote kosten, tot den aanleg van
bergspoorwegen overgegaan .
Wat betreft het bedrijf zijn drie soorten te onder-
scheiden: lijnen, voor algemeen vervoer, met hellingen
tot 40°/ oo , welke met de normale, hoewel zware loco-
motieven bediend worden ; lijnen met hellingen boven.
639
Bergstedt — Bergwind
640
70 ó / 00 . de zuivere bergspoorwegen, met over de geheele
lengte van den weg een tandhengel tusschen de sporen
voor tandrad locomotieven. Zie verder > Kabelspoor.
Het vervoer is vrijwel alleen personenvervoer in den
zomer, bijv. Rigi 250°/ O0 , Pilatus 480°/ 00 , lijnen met
hellingen van 40 o; oo tot 70°/ oo , welke slechts op de
steilere weggedeelten van een tandhengel zijn voor-
zien en waarop behalve personenvervoer ookeenig
goederenvervoer plaats vindt.
liet bedrijf wordt uitgeoefend door tandrad- tevens
wrijvingslocomotieven ofwel alleen door zware wrij-
vings locomotieven, daartoe bijzonder ingericht. Toe-
passing van deze laatste locomotieven kan het, veel
onderhoud vereischende, tandradgedeelte van een
lijn doen vervallen, maakt een grootere snelheid
niogelijk (max. op het tandradgedeelte 20 km, uur),
waardoor een grootere capaciteit en een goedkoopere
exploitatie van dc lijn verkregen wordt. Dat is o.a.
geschied op de lijn Blanken burg— Hüttenrode.
Beremm ing. Een voornaam onderdeel voor
de veiligheid vormt de beremming der treinen. Indien
geen doorgaande luchtdrukrem aanwezig is, worden
de treinen vervoerd met de locomotief steeds aan de
dalzijde. Voor hellingen boven 40°/ oo zijn de tandrad-
en wrijvingslocomotieven voorzien van een tegendruk-
rem. De cilinders werken bij den rit naar beneden als
compressoren, waartoe de handel op bergop gesteld
wordt, de uitlaat naar den schoorsteen, om het aan-
zuigen van rookgassen te vermijden, afgesloten en een
afzonderlijke klep voor inlaat van versche lucht ge-
opend wordt. Verder zijn bij tandrad -locomotieven
twee afzonderlijk te bedienen tandrad -remmen aan-
wezig, terwijl ook op de meegevoerde wagens een tand-
radrem aanwezig is. Bij wrijvingslocomotieven is de
doorgaande luchtdruk-rcm aanwezig. Als regel is met
de tegendruk-rem de snelheid, tijdens den rit naar
beneden, voldoende te regelen.
Hoewel van oudsher het stoombed rijf de meeste
toepassing gevonden heeft, zijn de laatste jaren ver-
schillende lijnen voor elcctrisch bedrijf ingericht,
bijv. Visp-Zermatt in 1929.
L i t. : Sturb, Die Zahnradbahnen der Schweiz bis 1900;
O. Amman und C. v. Grucnenwaldt, Bergbahnen.
Pot .
Bergstedt, Ha ra ld, Deensch dichter en
romanschrijver van socialistische richting; ve» laat
gaandeweg de literatuur voor de politieke agitatie.
* 1377.
Werken: Hans og Else (1910;) Alexanderscn (1918);
Narrelandct. (1920).
Bcrgstorting, > Aardafschuiving.
Bergstraszer, Johann Andreas
Ben i g n u s, paedagoog, philoloog en entomoloog,
* Dec. 1732 te Jdstein, f Dec. 1812. Studeerde te Jena
en llalle theologie en was van 1 750 — ’58 leeraar aan
het weeshuis te llalle. In 1759 werd hij rector van het
lyceum te Hanau en later professor te Regensburg.
Naast studies over paedagogie en philologie wijdde
hij zich ook aan beschrijvende entomologie en schreef
een groot werk over vlinders. Verder valt nog te
vermelden, dat hij een optisch seinstelsel uitdacht om
tusschen Leipzig en Berlijn een signaalpost in te
voeren. Hij gebruikte hiervoor vier verschillende
vuurpijlen, die door op elkander volgen of combinaties
de teekens moesten overbrengen. Naast verschillende
publicaties hierover bleef toch zijn voornaamste
werk: Realbuch über die klassischcn Schriftstellers
(7 dln., llalle 1772— ’81). Willems.
Bergteer, geel- tot zwartbruine, taaivloeibare
variëteit van > aardolie.
Berg Thabor. Het werk van Berg Thabor werd
onder de bescherming van het Belgisch Episcopaat
opgericht voor de zwakke en praetuberculeuze kinde-
ren. liet beschikt thans over meer dan 3 500 bedden,
verdeeld over 13 huizen, waarvan 7 voor jongens en
6 voor meisjes. Deze huizen worden meestal bestuurd
door de Zusters Dominicanessen. De kinderen leven er
vooral in open lucht, en ontvangen een aangepast
lager onderwijs. Om aangenomen te worden, moeten
de kinderen een geneeskundig getuigschrift vertoonen,
waardoor de behandelende geneesheer bevestigt, dat
zij door geen besmettelijke ziekte zijn aangetast.
Thans behoort de geheele inrichting toe aan den
Landsbond der Christene Mutualiteiten van België,
ten voordeele van de zwakke kinderen der leden van
de bij deze nationale organisatie aangesloten mutuali-
teiten. Deze instellingen nemen, hetzij volledig,
hetzij ten deele, de verblijfkosten der kinderen te
hunnen laste. De huizen zijn echter ook toegankelijk
voor niet- Katholieke kinderen, dus ook voor de
kinderen der leden der socialistische of liberale mutua-
liteiten. Onder de voornaamste huizen dienen vermeld:
Dilbeek, Terbanck (bij Leuven), Coxyde en Yvoir
voor jongens; Anderlecht, Raevels bij Turnhout,
Rochefort en Alsemberg bij Brussel voor meisjes.
De groote bezieler van het werk is E. H. Vetsuypens,
die tijdens den oorlog 1914-1918 deze inrichtingen
ten voordeele der ondervoede kinderen begon.
Kuypers.
Bergthee, Gaultheria procumbens,
familie der heideachtigen (Ericaceae). komt veel voor
in N. Amerika. De bladeren dezer plant werden vroeger
gebruikt als surrogaat van Chineesche thee, ook
Salvador-thee genoemd.
Bergt ras, ook wel w i 1 d t r a s, is > tras,
afkomstig van de bovenlaag der Duitschc tufsteen-
bedding. Het is zoo zacht, dat het niet gemalen behoeft
te worden, doch alleen gezeefd wordt, waardoor even-
wel de fijnheid dikwijls te wenschen overlaat. liet is
minder geschikt voor hydraulische mortels dan het
tras, dat door fijn malen van tufsteen wordt ver-
kregen. . P. Bongaerts.
Bergues, > St. Winoksbergen.
Bergiim, dorp van ongeveer 3 900 inw. aan de
tramlijn Drachten — Dokkum; in de Friesche gem.
Tietjerksteradecl de secretarie.
Bcrgumer Aleer, groot Friesch meer, ten O.
van Leeuwarden, belangrijk als boezemwater en
scheepvaartweg : Amsterdam — Lemmer/Stavoren —
Groningen en Leeuwarden — Groningen.
Bcrgtm (Graubundeiland, Zwitserland), hooge-
luchtkuuroord (1 389 mj. Jodium- en broomhoudende
bronnen.
Berg van Barmhartigheid (België), > Bank
van Leening.
Berg vink, > Keep.
Bergvlas, T h e s i u m, familie der Santala-
ceae, is een geslacht met meer dan 100 soorten, thuis
behoorende in Midden -Europa en de gematigde lucht-
streken van Azië, maar ook bijzonder veel in Z. Afrika.
Bij ons komt op enkele plaatsen in de duinen T. humi-
fusum voor, een plantje van 10 — 30 cm hoogte.
hou man.
Bergwind, of bergbries, waait des nachts
nederwaarts langs berghellingen en in dalen. Zijn
richting en kracht hangen van de gesteldheid van het
BEROEPSHYGIËNE
mmx
BERGSPOORWEGEN
Tandradspoorweg naar de Beiersche Zugspitze.
Wendelsteinbahn in de Beiersche Alpen, met gecombineerde tandrad- en wrijvingslocomotief.
641
Bergzand— Beri-Beri
642
terrein af. In enge dalen kan dc b. stormachtig blazen.
De b. is betrekkelijk koud; hij is droog in de hoogte,
maar vochtig in de laagte. Daardoor zijn, bij zons-
opgang, de bergtoppen wolkenvrij, terwijl de valleien
in mist of stratuswolken gehuld zijn. De hoofdoorzaak
van den b. is de rachte lijke afkoeling der berghellingen,
bij warmte-uitstraling. Hierdoor worden luchtmassa’s
betrekkelijk koud, dus zwaarder, en glijden neder-
waarts. In de berglanden der warme luchtstreken
treedt de b. regelmatig op; in die der gematigde
streken komt hij slechts voor, wanneer het weer in de
omgevende laaglanden stil en helder is. De nachtelijke
b. en de dalwind, die overdag opwaarts waait, vormen
samen een windstclsel met dagelijksche periode.
> Gletsjerwind.
L i t. : J. Hann, Theorie der Berg- und Thalwinde.
in Mcteorol. Zcitschr. (1879, 444): Chaix, Theorie des
brises de montagne, in Le Globe (1894, 105).
V. d. Broech
Berflzand heeft een bruingele kleur; het is minder
scherp dan rivierzand.
Beri-Beri is een ziekte, die te beschouwen is als
een vorm van zenuwdegeneratie, berustend op fou-
tieve voeding. B. komt het meest voor in Ned.-Indië,
Voor- en Achter-lndië, de Filippijnen en China. Ook
in Zuid-Amerika en sommige gedeelten van Afrika
werd b. beschreven.
Als eerste verschijnselen treden als regel op zwaar
gevoel en zwakte in de beenen en pijn in de kuit-
spieren, dikwijls ook gevoel van insectenkruipen op
de huid, bij welke verschijnselen zich zuchtige zwelling,
vooral van de onderbeenen voegt. Al spoedig worden
ook pijnen in de hartstreek waargenomen, gepaard
met hartkloppingen en kortademigheid. Men vindt
bij dc patiënten versterkte hartactie met soms enorme
vergroot ing van het hart. De spieren zijn zeer druk-
pijnlijk en worden geleidelijk atrophisch. Het loopen
en optillen van voorwerpen wordt daardoor moeilijk.
Verlammingen van verschillende spieren kunnen
optreden, o.a. van de ademhal ingsspieien; dit kan
den dood tot gevolg hebben, die echter meestal op-
treedt door hartverlamming.
Soms kunnen de verschijnselen zich in zeer korten
tijd in uitgesproken mate ontwikkelen, waarbij do
patiënten teekenen van heftige angst geven,
braken en lijden aan diarrhee. Het beeld van de b.
kan zeer verschillend zijn, en daardoor soms moeilijk
herkenbaar.
Over dc oorzaak der b. zijn niet alle onderzoekers
het eens gew r orden.
V ellicht de oudste opvatting is de vergiftigings-
theorie, volgens welke zeer verschillende stoffen, bijv.
arsenicum, koolmonoxide en vele andere, b. zouden
doen ontstaan. Een aanhanger van de vergift igings-
theorie was ook de arts v. Dieren, die al in 1897 ertoe
kwam b. te beschouwen als een gevolg van het rijst
eten. Hij heeft ook gewezen op het later bevestigde
gevaar, gelegen in het gebruik van langeren tijd
bewaarde rijst. Al heeft hij ons dus niet de defieit-
theorie in haar later vastge legden vorm gegeven, toch
hebben zijn beschouwingen stellig de richting aan-
gewezen, waarin gezocht moest worden.
Veel meer aanhangers nog heeft de besmettings-
theorie gehad; dit is ook zeer begrijpelijk, want dik-
wijls treedt de b. in een bepaald milieu op bij vele
menschen tegelijk, zooals ook met een besmettelijke
ziekte het geval is. In den laatsten tijd valt zelfs op
het overigens gedeeltelijk verlaten veld der infectie-
theorie weer nieuw leven te constateeren; Noel
Bernard geeft aan als verwekker de bacillus astheno-
genes.
Zeer waarschijnlijk echter zal op den duur wel
blijken, dat de deficittheorie de juiste is. Hierbij gaat
men uit van de opvatting, dat b. ontstaat door een
tekort, een deficit in dc voeding. De stoffen, die
ontbreken, zijn noodig om de gezondheid te bewaren,
en indien ze in de voeding ontbreken, wordt dc mensch
ziek en zal sterven, indien men hem deze zoogenaamde
> vitaminen blijft onthouden. Deze ziekten, waartoe
naast b. nog een aantal andere aandoeningen belmoren,
noemt men avitaminosen.
Baanbrekend werk voor de ontwikkeling van de
deficittheorie werd in Ned.-lndiö geleverd door het
werk van Eykman en Grijns. Door een uitgebreid
onderzoek in Javaansche gevangenissen was reeds
door Vorderman vastgesteld, dat b. ontstaat niet
zoozeer door voeding met rijst als zoodanig, maar wel
door voeding met zoogenaamde gepelde rijst, d.w.z.
rijst, waarbij liet zoogenaamde zilvervlies verwijderd
is. Eykman had in het militaire hospitaal to Batavia
kunnen waarnemen, hoe bij kippen een ziekte kan
optreden, die zeer veel op b. gelijkt. Deze zoogenaamde
polyneuritis gallinarum ontstond bij de proefdieren,
als Eykman ze voedde met op de Jnlandsche markt
gekochte rijst. Werden de kippen gevoed met afval-
rijst uit dc keuken van het militair hospitaal, dan ble-
ven alle ziekteverschijnselen weg. Gaf hij ze afgewerkte
rijst met andere voedingsmiddelen, bijv. vleesch,
dan bleven de ziekteverschijnselen ook weg. Men ging
dus meer en meer aannem’en, dat in het zilvervlies
van de rijst een stof zit, die het optreden van b. kan
voorkomen. Eykman heeft in het begin gemeend, dat
in de rijst een stof zou voorkomen, die voor het lichaam
schadelijk is, doch geneutraliseerd wordt door stoffen
in het zilvervlies. Later heeft hij zich aangesloten bij
de groep dergenen, die b. beschouwen als een ziekte,
optredend door het ontbreken van een bepaalde stof.
B. treedt op bij rijst etende personen, indien ze dit
voedingsmiddel gebruiken in gcpelden toestand en
zij daarnaast niet door middelman andere voedings-
middelen, die de vereischte stof bevatten (zooals
vleesch, aardappelen enz.) het bestaande tekort aan-
vullen. Grijns vond ook in dc katjang idjoe, een
erwtensoort, een uitstekend middel om de b. tegen te
gaan, terwijl hij ook ontdekte, dat door sterke verhit-
ting, bijv. van vleesch, het vitamine, dat het uit-
breken van b. voorkomt, verloren gaat.
Door de hedendaagsche kennis van de b. is het nu
ook veelal mogelijk het uitbreken van de ziekte te
voorkomen, of althans, zoo zich gevallen voordoen,
snel maatregelen te nemen om het kwaad te keeren.
Zilvervliesrijst bederft, wanneer ze langer dan een
of twee maanden bewaard blijft, waarbij de vitamine
verloren gaat. Is rijst goed geslepen, waarna ze dus
geen beschuttende werking tegen b. meer bezit, dan
kan men zegeruimen tijd bewaren. Ook in den bolster
(padi) kan men de rijst geruimen tijd bewaren en blijft
het vitaminegehalte ongeveer gelijk. Men zal ze dan
bij voorkeur pas ontbolsteren zoo kort mogelijk voor
het gebruik. Tenslotte kan nog gewezen worden op
het werk van Winkler en Pekelharing, die in 1886
op verzoek van de Red. regeering naar Indië gingen
om daar een onderzoek naar het wezen der b. in to
stellen; zij konden vaststellen, dat dit gezocht moet
worden in een degeneratie van de zenuwen.
E. Hermans.
vr.n
648
Berichtendienst — Beringzee
644
Berichtendienst, > Radiodienst.
Beriehtgranaat , > Granaat.
Berielithond wordt voor het overbrengen van
berichten in Nederland in beginsel gebruikt
in den stellingoorlog, wanneer andere verbindings-
middelen falen en in het bijzonder in moeilijk begaan-
baar terrein, gelegen onder ’s vijands vuur , over
afstanden van ten hoogste 2 km.
Alvorens een hond in aanmerking gebracht kan
worden voor den dienst van b., moet hij eerst onder
appel worden gebracht, d.w.z. hij moet zoodanig
worden afgericht, dat hij onder alle omstandigheden
de gegeven commando’s of teekens juist en onmiddel-
lijk uitvoert. Bij de verdere africhting, voor het over-
,A. Ademrak
B Celluloid rcrnttr V/ * 3 , fr y r/y
| C. Berichtentaschje *£' /
Berichthond met gasmasker.
brengen heen en weer van berichten, wordt partij
getrokken van het geheugen van den hond; mede door
stelselmatig oefenen wordt hij in staat ges te ld. een
eenmaal afgelegden weg gemakkelijk terug te vinden.
De b. kan ook gebruikt worden voor het overbrengen
van postduiven, munitie, voedsel, enz. De b. is te
velde o.m. uitgerust met een noodrantsoen en een veld-
flesch, een gasmasker en een drinkbak.
v . Leeuwen .
De b. wordt in België tijdens het gevecht aan-
gewend om in hevig beschoten en omgewoeld terrein
berichten over te brengen van de vuurlinie naar den
bataljonscommandant of de > steunartillerie. De
grootste afstand bedraagt 5 km; deze kan de b. in
12 min. afleggen. V. Coppenolle.
Beriehtkoker, in Nederland een der
seinpatronen voor vliegtuigen; verbindingsmiddel,
in gebruik bij den militairen -> vliegdienst, met
behulp waarvan schetsen of geschreven berichten van
een vliegtuig in de vlucht kunnen worden overge-
bracht naar staven en troepen op den grond. De b.
wordt daartoe afgevuurd met behulp van een > sein-
pistool op > berichtkokcrterreinen of nabij de plaats
van een | I seinlap, nadat het vliegtuig tot
beneden 300 m is gedaald. Koppert.
In België metalen geballaste bus, van een
wimpel voorzien en bestemd om schetsen en berichten
van een vliegtuig over den toestand van de vuurlinie
in uiterst benarde omstandigheden mede te deelen
aan een commando -post. De b. wordt door het > ver-
bind ingsvliegtuig van behoorlijke hoogte in de nabij-
heid van den > erkeimingsseinlap van den betref-
fenden post geworpen. V. Coppenolle .
Beriehtkokerterreiii, een uit de lucht herken-
baar, vierkant, open terreingedeclte van ongeveer
200 m in het vierkant, waarvan het midden is aange-
geven door een kruis van lappen. Wordt ingericht
ten behoeve van de verbinding tusschen vliegtuigen
in de lucht en verschillende diensten op den grond.
> Beriehtkoker. Koppert .
Berici, M o n t i, vulkanische heuvels in de
Povlakte bij Venetië (Italië, 45° 24' N., 11° 30' O.).
De Monte Alto is 444 m.
Bering , V e i t (V i t u s), Deensch zeeman,
1680, f 1741; nam dienst op de vloot van Peter den
Grooten. In 1725 kreeg hij het commando over een
expeditie om te onderzoeken of er een verbinding
bestond tusschen N.O. Azië en N.W. Amerika. Op zijn
eersten tocht bereikte hij een breedte van 67° 18 ,
voer door de naar hem genoemde straat, en toonde
hiermee aan, dat er geen samenhang tusschen de twee
werelddeelen was. Na verschillende andere expedities
werd hij in 1741 uitgezonden om na te gaan in hoe-
verre de door hem bereikte N.W. kust samenhing met
het Amerikaansche vasteland. Hij bereikte de
Beringzee en 'onderzocht de Amerikaansche Westkust;
bij het naar hem genoemde eiland leed hij schipbreuk
en kwam met een groot gedeelte van de bemanning
om . de Visser .
Beringe (aard r.), > Helden.
Bering -eilanden, > Kommandeur-eilanden.
Beringen , 1° gcm. in de prov. Limburg, ten N.W .
van Hasselt; handelsplaats in het nieuw Kempisch
steenkolenbekken; 2 600 inw., opp. 705 ha; koolmijn
in de omgeving, op het grondgebied van Roersel;
gemeente-college; kerk met Renaissance-versiering
van binnen; oude heerlijkheid met belangrijke ge-
schiedkundige rol; gedeeltelijk verwoest in 1914.
F. Asbroeck.
2° > Pepingen.
Bcringer , Franciscus, ascetisch schrijver,
vooral over aflaten, wiens boek „Die Ablasse” door de
H. Congregatie der Aflaten goedgekeurd en authen-
tiek verklaard werd. * 30 Mei 1838 te Mainz, f 23 Jan.
1909 te Rome. Was eerst kapelaan te Bingen, vervol-
gens secretaris van mgr. Ketteler, daarna rector van
het klein-seminarie te Mainz en trad in 1879 in de
Jezuïetenorde. In 1888 werd hij consultor der H. Con-
gregatie der Aflaten.
Werk: Die Ablasse, ihr Wcsen und Gebrauch
( 9 1887, bewerkt volgens vorige uitgaven van A. Maurel
S J. en J. Schneider S.J. ; herzien door P. A. Steinen
S.J., 2 dln. 15 1921-1922). P. Heymeijer.
Beringstraat, tusschen Azië (Kaap Desjnew)
en Noord -Amerika (Kaap Prince of Wales); 75 — 100 km
breed, 50 — 90 m diep.
Beringzee, Noordelijkste randzee van den Groo-
ten of Stillen Oceaan, tusschen Siberië, Alaska, de
Aleoeten en de Kommandeurs -eilanden. De opp.
bedraagt 2 275 000 km 2 , de gemiddelde diepte 1 444 m.
Van de kust van Alaska steekt een breed vastelandsplat
uit, ten Z. en Z.W. daarvan wordt de diepte grooter
en bedraagt 3 300 a 3 900 m. Grootste diepte 4 091 m
vlak benoorden het eiland Büldyr (Aleoeten). Het
zoutgehalte aan de opp. is laag, 30 — 32°/ 00 . De nog
onvolledige waarnemingen wijzen op een oppervlakte -
stroom in N. richting, en een dieptestroom in Z.
richting. Gemiddelde watertemp. aan de opp. ongeveer
-j-2°C. De B. staat in verbinding met de Noordelijke
IJszee door de Beringstraat (75 — 100 km
breed, 50—90 m diep) tusschen Kaap Desjnew (Sibe-
645
Bériot — Berkcfeld-filter
646
rië) en Kaap Prince of Wales (Alaska). Deze straat
werd in 1648 door Desjnew ontdekt en door Bering
in 1728 en 1741 bevaren. In de Straat liggen de Deo-
medes-eilanden en ten Z. het groote St. Laurens-
eiland. De Beringstraat vormt geen uitgangspoort
voor de ijsbergen der Noordelijke Ijszee, de stroom
trekt ook hier overwegend om de Noord (althans in
zomer en herfst). Het ijs in de Beringzee wordt elk
jaar opnieuw gevormd en smelt ’s zomers weg.
Wissmann.
Bériot, 1° Charles Auguste de, viool-
virtuoos. * 20 Febr. 1802 te Leuven, f 8 April 1870
te Brussel. Na algemeen muzikaal onderricht te zijn
te Leuven door Thiby, zijn voogd, ontwikkelde hij
zich hoofdzakelijk autodidactisch als violist. B. debu-
teerde in Parijs, maakte een concertreis door Engeland
en werd eerste solo-violist aan het hof van koning
Willem I te Den Haag, aan welke positie door den
Belgischen opstand van 1830 een einde kwam. B.
ging daarna weer concertreizen maken. Van 1843 tot
1852 was hij leeraar aan het conservatorium te Brussel.
Hij eindigde zijn leven volslagen blind en verlamd aan
den linkerarm. Hij schreef vele werken voor viool,
o.a. tien vioolconcerten, etuden en een driedeelig
leerboek voor het vioolspel.
2° Charles W i 1 f r i d, zoon van Ch. A. de B.,
pianist en componist. * 12 Febr. 1833 te Parijs,
f 22 Oct. 1914 te Sceaux du Gatinais. Schreef orkest-
werken (symphonisch gedicht Femand Cortez),
pianoconcerten, kamermuziek voor verschillende
bezettingen, o.a. Opéra’s sans paroles voor viool en
piano. Met zijn vader stelde hij een Méthode d’accom-
pagnement samen. Hanrlcroot.
Berisping is 1° een der paedagogische tucht-
middelen, een bepaalde vorm van straf. Het
strafkarakter ligt én in het wat én in de w ij z e
of den toon, waarop men spreekt. De b. vooronder-
stelt een waarde -oordeel omtrent een handeling of het
gedrag van den opvoedeling en is een fijnzinnig middel
om het oordeel of geweten van het kind te wekken en
te scherpen. Ze is vooral gericht tegen den zwakken
wil en biedt dezen steun. De b. moet aangepast
zijn aan de individualiteit van het kind: is anders
voor fijngevoelige dan voor stugge naturen. Haar
strengheid wordt afgemeten naar de grootheid der
misdraging, waarbij men vooral let op het subjectief
element. Bij te veelvuldige toepassing verliest de b.
haar waarde, wijl het kind ongevoelig wordt. Bij elke
berisping geve men ondubbelzinnig blijk van zijn
liefde voor het kind en bemoedige door vertrouwen
te schenken. Ironie en spot zijn gevaarlijk. Daarom
wenschen velen ze nooit aan te wenden.
2° Voor berisping in het Recht, -> Straf.
p. Gervasius.
3° (Lat. correptio fratema = broederlijke terecht-
wijzing), een der zeven geestelijke werken van
barmhartigheid: zondaars vermanen. Als
plicht van naastenliefde wordt de b. ons geleerd in
het Evangelie: „Indien uw broeder tegen u heeft
gezondigd, ga en berisp hem tusschen u en hem alleen.
Zoo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen
hebben” (Mt. 18. 15). St. Augustinus zag in het ver-
waarloozen van dezen plicht een der voornaamste
redenen van de ongunstige toestanden in zijn tijd
(De Civ. Dei I, c. 9). Wanneer de naaste in gevaar
is grootelijks te misdoen of reeds misdaan heeft en zich
niet heeft gebeterd, verplicht de naastenliefde hem te
vermanen, indien omtrent de zonde of het gevaar ervan
zekerheid bestaat, een gunstig gevolg te verwachten
is en de berisping een noodzakelijk middel ter verbete-
ring is. Ieder is tot b. verplicht; overheden meer dan
anderen. Ter wille van zijn goéden naam moet de
zondaar eerst in het geheim berispt worden, voordat
men er toe overgaat hem bij de overheid aan te brengen.
Dikwijls zijn er moeilijkheden, die van de verplichting
tot b. ontheffen, bijv. onbekwaamheid van hem, die
de b. zou moeten geven of gevaar voor ernstig nadeel.
Van groot gewicht is de wijze der berisping, die uit
den geest van liefde moet voortkomen en met Christe-
lijke voorzichtigheid beoefend, in nederigheid en op
het geschikte oogenblik.
L i t. : Thom., S. Theol. (II II, q. 33) ; Alphons.
Theol. Mor. (II, 34). P. Heymeijer.
Berk, katjesdragende loofboom van de familie
der Betulaceeën. De schors, aanvankelijk roodbruin,
wordt spoedig wit, later met zwarte schorsspleten.
De b. gedijt het beste op niet te dichte leem- of humus -
rijke zandgronden. > Berkachtigen ; -> Berkenhout.
De meest voorkomende is de ruwe berk (Betula
verrucosa Ehrh.), daarnaast de zachte berk (B. pubes-
cens Ehrh.). Beide soorten worden door elkaar ge-
bruikt voor bebossching van lichte gronden, vooral
als singels om dennenbosschen tegen brandgevaar.
Sprangers.
In Stiermarken zegt men, dat Judas zich ophing aan
een berk. Duivelbezweerders gebruiken den berketak
als sprenkeltwijg. De berk was aan Donar als vrucht-
baarheidsgod gewijd. Bij maalsteden, waar eertijds
de huwelijken plachten gesloten te worden, werd hij
meestal geplant; vele plaatsnamen in Duitsche gebie-
den bewaren de herinnering hieraan.
L i t. : Is. Teirlinck, Flora Diabolica. De plant in de
demonologic ; Prof. Jos. Feldmann, Ortsnamen (Halle
1925). Knippenberg.
Berka (Thüringen), staalbronnen. Behandeling
van bloedarmoede. Bij B. bevindt zich de Reichs-
ehrenhain, een hoog pijnbosch, dat ter herinnering
der in den Wereldoorlog gevallenen bestemd is.
Berkachtigen, Betulaceae, bewonen
Europa, Azië en N. Amerika in verschillende geslach-
ten, als: Carpinus, haagbeuk met 18 soorten, Ostrya
met 2 soorten, Corylus, hazelnoot met 7, Betula, berk,
met 33 en Alnus. els met 17 soorten. Uit gevonden
versteeningen blijkt, dat deze geslachten in vroegere
tijden meerdere, thans uitgestorven, soorten gehad
hebben. Verschillende soorten dezer groep leenen
zich uitstekend door parkbeplanting, andere voor
haagboomen, terwijl het hout voor verschillende doel-
einden te gebruiken is. Bouman.
Bcrkat, Arab. Barakah of Barak at,
zegen, wordt in den Indischen Archipel ook gebruikt
ter aanduiding van allerlei personen en voorwerpen,
die zegen brengen aan hem, die er mee in aanraking
komt. In het bijzonder noemt men b. de lekkernijen,
die men van een > slametan of andere samenkomst
mee naar huis mag nemen. Kjai Berkat noemt men
een heiligen rijstpot van den Soesoehoenan, waaraan
de Javanen het vermogen toeschrijven in tijden van
hongersnood onuitputtelijk te zijn. Berg.
Berkdijk, > Loon op Zand (N. Br. gem.).
Berkefeld-ïilter is een filter van kiezelaarde,
die zoo fijne poriën heeft, dat zelfs bacteriën terug-
gehouden worden. Deze filters worden behalve in
laboratoria o.a. ook gebruikt voor het reinigen van
drinkwater, maar kunnen daarvoor slechts betrekkelijk
korten tijd gebezigd worden. Ze raken nl. spoedig
647
Berkel — Berkin
648
verstopt of verliezen hun reinigend vermogen, doordat
de bacteriën er op den duur doorheen groeien en dus
toch liet drinkwater verontreinigen. Voor het reinigen
van drinkwater zijn later betere filters geconstrueerd.
Wycrs.
Rrrkrl, 1° gemeente inN. Brabant, ten
N.O. van Tilburg; ca. 2 200 inw., bijna allen Kath. ;
bestaat uit twee parochie-dorpen: B. en Enschot;
opp. 2 012 ha. Landbouw, veeteelt en industrie
(steenfabriek en de N.V. Bierbrouwerij „De Schaaps-
kooi”). Oude alleenstaande toren te Enschot (begin
löe eeuw’). Op B.’s grondgebied ligt de vermaarde
abdij Koningshoeve der pp. Trappisten (Cisterciën-
sersj: in 1S£0 kocht de abt van Notre Dame du Mont
(Noord -Frankrijk) cr de koninklijke hoeven. Natuur-
schoon rondom het Galgen- en het Baksvcn (Tilburg-
sche zwemgelcgenheid). v. Velthoven.
2° Z ij r i v i e r van den Geld. IJsel. Doorstroomt
met vele bochten het N. deel van de Graafschap
langs Eibcrgen, Borculo, Lochem en komt bij Zutphen
in genoemde rivier. Ondanks herhaalde verbeteringen
zet bij hoogen waterstand de B. nog uitgestrekte
gebieden onder water. > Gelderland (Hydrographi-
sche toestand). Heijs.
Iln kcl en Rodenrijs, gemeente in Z. Holland,
bestaande uit het dorp Berkel en een aantal polders,
liet dorp Berkel (richting Zegwaard) heet Noordeinde;
Rodenrijs (richting Overschie) heet Zuideinde. 4 300
inw., bestaande van tuinbouw. De parochie B. en R.
telt niim lf'00 Katholieken. Het dorp ligt aan de
lijn Scheveningen — Rotterdam. Een werkje over de
geschiedenis van Berkel bevindt zich in de Kon.
Bibliotheek in Den Haag. B^aauw.
Rerkclcy« residentiestad in den N. Amer. staat
Californië (37° 62' N., 122° 17' W.), op de Berkeley-
hcuvels gedrapeerd; ligt aan den O. oever van de
San Francisco-baai, recht tegenover de stad San Fran-
cisco (ferry dienst), en vormt met Oakland 6( i n agglo-
meratie. Langs het waterfront zeer diverse industrieën.
Te B. bevindt zich een gedeelte van de staatsuniver-
siteit (University of Califomia), waarvan de colleges
in 1930— '31 door 11 824 studenten werden bezocht.
In 1930 telde de stad ruim 82 000 inw., in 1920 daar-
entegen maar 60 000. Polspoel.
Berkel cv, G e o r g e, Anglicaansch bisschop
en wijsgeer, * 12 Maart 1086 bij Thomastown in Zuid-
Icrland, f 14 Jan. 1753 te Oxford; prol. aan de univ.
van Dublin, trok in 1728 voor het stichten van een
religieuze modelkolonie naar de Bermuda -eilanden,
werd 1734 bisschop van Cloyne in Ierland.
B. is het klassieke voorbeeld van een idealist, die
een van onze kennis onafhankelijk, zelfstandig bestaan
der buitenwereld loochent. Het aannemen van een
bestaan van stoffelijke substanties beteekent volgens
B. hetzelfde, als aan te nemen, dat wij ons voorstellen,
dat dingen bestaan, zonder dat ze voorgesteld worden:
een bew-ering, die zichzelf weerspreekt. Onze passivi-
teit tegenover de zinnelijke waarnemingen en het ver-
schil tusschen waarneming en willekeurige phantasie-
voorstelling verklaart B. uit de inwerking van God,
die de ordelijke samenstelling der waargenomen w’ereld
in ons veroorzaakt. Omdat alleen de actueele voor-
stelling werkelijkheid heeft, bestaan ook geen algc-
meene begrippen; wij denken slechts in voorbeelden.
De ontkenning der stoffelijke wereld sluit bij B. geen
scepticisme in, integendeel: hij meent, dat hij daarmee
des te beter het wezen der ziel, haar onsterfelijkheid
en haar verhouding tot God kan verklaren. Reeds
aantrekkelijk door hun buitengewone stijlkwaliteiten,
zijn zijn werken vooral bewonderenswaardig, doordat
ze geheel van religieuze motieven doortrokken zijn.
Uitg. : A. C. Fraser, Works (4 dln. Oxford 1901).
de Bruin.
Berkciicjordijjnzivam, Cortina r ius
(Lat. cortina = gordijn), genoemd naar het vlies, dat
bij jonge exemplaren van denhoedrand hangt, hemitri-
chus, een steelzwamsoort van de familie der Agari-
caceeën. Hij komt veel voor bij berken, waarvan de
wortels met het raycelium van de zwam een Mycorrhiza
> Zwam wortel) vormen. Bouman.
Berkenhout is wit, tamelijk zacht, taai hout,
afkomstig van verschillende soorten berken (Betula).
Het is slechts duurzaam, als het voortdurend in drogen
toestand is; vandaar beperkt gebruik. Dient voor
meubelen (stoelen), nappen, draaiers werk, enz. en
wordt gebruikt door v/agenmakers. Als brandhout
heeft b. wel het grootste w T armtegevend vermogen.
Berkenspanner, zw T art gesprenkelde vlinder,
metertorenkop, peper- en zoutvlinder, Amphidasis
Betularia; vliegt van Mei tot Juli. De vleugels zijn
krijtwit of helder grijswit, zwart bestoven, met zwarte
middenvlek; de voorvleugels met vier zw r arte voor-
randsvlekken en twee, soms onduidelijke, zwarte,
sterk gebroken dwarslijnen. De variatie I. Double-
dayaria is geheel zwart en wordt door overgangs-
vormen met het type verbonden. De rups is dik, stijf,
met diep ingesneden kop en knobbelig lijf. De kleur
is groen, bruin of grijs. Zij leeft van Juli— October op
allerlei loofhout, vooral op berken. De b. is verbreid
over bijna geheel Europa en het grootste deel van
Noord- en Midden-Azië. De vlinder en de rups zijn
goede voorbeelden van mimicry. Bernink.
Bcrkenlcer, zwarte dagget, dikke, zwartbruine
vloeistof, verkregen door droge destillatie van ber-
kenhout. Ze bevat ongeveer 6% phenolen, waaraan ze
haar desinfecteerende eigenschappen dankt. B. wordt
in Rusland en Polen veel bereid. Door destillatie
van b. krijgt men de lichte > berkenteerolie.
H oogeveen.
Berkenteerolie, lichtgele, aan de lucht rood-
bruin wordende vloeistof, verkregen door rectificatie
van het teer, dat in Rusland door droge destillatie
uit berkenstammen bereid wordt. Bestanddeelen:
phenolen en arom. koolwatcrstolfen. Gebruikt als
smeermiddel voor leder, vnl. juchtleder, en in de ge-
neeskunde o.a. in zalven. Hillm.
Berkeiivvoude, gemeente in Z. Holland (met
de buurtschap Achterbroek). gelegen in de Krimpener-
w'aard. Opp. 1 168 ha, 900 inw. (Prot.). Veeteelt,
meubclfabr., eendenkooien.
Berkhoen, > Korhoen.
Berkhout, bij Hoorn, gem. in het West-Friesche
zeeklei -gebied der prov. N.H.; opp. 2 674 ha: de gem.
omvat de dorpen en buurtschappen B., de Burg, de
Goorne, Spierdijk, Bobeldijk, Leekermeer, Baars-
dorpenneer, Zuidermeer, de Heelken, Hoogendijk
en de Waal. Op 1 Jan. 1933 : 2 842 inw. In 1930 w r as
ruim 60% Prot. en 46% Kath. De Kath. behooren tot
de parochies Goorn(e), Spierdijk en Zuidermeer. Mid-
delen van bestaan: land- en tuinbouw en veeteelt.
van der Meer .
Berkin of Vieux Berqu in, gem. in
kanton Mergem, arr. Rijscl. Ruim 1 800 inw.; twee-
talig. Twee kerspelen: Berkin Dorp: II. Bartholomeus,
en in Sec Bois: II. Karei Borromeus. Geboorteplaats
van wijlen abbé Lemire.
Berkmeer— Berlaymont
()50
m
Berkmeer, buurtschap in de N. Holl. gem.
Obdam.
Berkovicn, ->■ Berkowitza.
Berkowilza of Berkovica, Bulgaarsrhe
stad (43° 18' N., 23° 7'0.); 6 100 inw. Bij de B. vindt
men marmer en lood.
Beiks of Berkshire, graafschap in Engeland
(51° 30' N., 1° 20' W.), 300 000 inw., hoofdzakclijk
van landbouw en veeteelt levend. Hoofdstad Reading.
Bcrkslurcvnrkcn, bekend Engelsch varken,
meer spek- dan v leesch varken ; munt uit door beste
hammen, mg en lendenen; zwart van huid en haar;
witte pooten, min of meer wit aan den kop, die vrij
sterk is ingesnoerd; is sterk verbreid in Amerika; ook
in ons land een enkele maal geïmporteerd. Verhey .
Brrlaar, Belg. gem. in de prov. Antwerpen, op
7 km afstand ten O. van Lier. Opp. 2 241 km, ca.
7 300 inw. Zand- en leemgrond. Groote Nete. Centrum
en Berlaar-IIijkant. Landbouw, tuinbouw 7 , meubel-
fabrieken. Schoone St. Pieterskerk van overgangstijd -
vak Romaansch-Got., hersteld 1875. Toren: 13e eeuw.
St. Rumoldusparochie. Pensionaat der Zusters van het
H. Hart van M. (moederhuis). Godshuis (Zw’artz. v.
MeclO, Z. Maricollen van Antwerpen.
In B. bestaat de llooge en Middelbare Landbouw-
school, met modelhoeve. Kath. Schoolkolonie van
Antwerpen voor jongens. Striels.
Bi'iiari, > Barlad.
F Beilufjc, Hendrik Petrus, architect;
eerlijke architectuur; hij brak met het in „stijl”
namaken van oude vormen; had met dr. Ouypcrs de
hoofdgedachte gemeen, dat architectonische" vormen
een juiste typeer ing
moeten geven van
de functie, welke
zij verrichten.
* 21 Febr. 1856
te Amsterdam, be-
zocht JI.B.S. al-
daar; 1875—1878
stud. te Zürich ; tot
1880 maakte hij
kunstreizen in het
buitenland; daarna
w r as hij werkzaam
bij arch. Th. San-
ders te Amsterdam
gedurende 5 jaren
associé; in 1924 dr.
(hon. causa) van de
Technische Hooge-
school te Delft; in 1932 kreeg hij de Eng. kon.
gouden med. voor architectuur. Op stedebouw kun-
dig gebied w r as B. autoriteit met gezag. Talrijk
zijn op allerlei gebied Berlage 's werkzaamheden.
Voorn, uitgevoerde bouwwerken: Kantoorgebouw
der „Algemeene” (1903); Kantoorgebouwen „De Ne-
derlanden van 1845”, Den Haag (1909 en 1925);
Rotterdam (1910); Amsterdam (1911); Nijmegen
(1911); Batavia (1913); Geb. Ned. Diamantwerkërs-
bond (1899); Kantoorgebouwen der „Algemeene”
Soerabaja (1900); Leipzig (1902); Nieuwe beurs in
Amsterdam (1903); Amstelbrug (1900); Winkelge-
bouw Meddens Den Haag (1914) ; Kantoorgebouw'
Londen (1914); Boerderij ,.De Schipbrug”, Zuid-
Laren (1914); Bebouwing Mercatoqdein Amsterdam
(1925); Christian Science kerk Den Haag (1928;;
Nieuwe Amstelbrug.
Berlage publiceerde veel; hij is als denker minder
helder dan als arch. Sociaal voelend menseli; lloge-
liaan.
Voorn, werken: Over stijl in bouw- en meubel-
kunst (1904); Gedanken Ober Stil (1905); Grondlagen
und Entwicklung der Architeotur (1908) : Studies over
bouwstijl en samenleving (19101; Beschouwingen over
Bouwkunst en haar ontwikkeling (191D ; Schoonheid
in samen'eving (1919); Mijn Indische reis (1951) —
L i t. : dr. H. P. Berlage en zijn werk. door een aantal
medewerkers (1916): dr. H. P. Berlage, Bouwmeester
(1925, met 230 afbeeld, van zijn werk). Thunnissen.
Beihmiont, J u I ia, zustor Maria Dominica,
abdis, * 14 Maart 1799 te Izegcm, f 31 Aug. 1871 te
Brugge. Geprofest bij de arme Haren Colettijnen te
Brugge 19 Jan. 1826; reeds in 1829 novicenmeestcrcs,
8 Febr. 1831 abdis. Onder haar stuwkracht herstelde
p. Jacobus Vergauw'on de Recolettenorde in België.
Een voorbeeld voor allen, bracht zij haar klooster tot
ongemeenen bloei, stichtte nieuwe huizen te Antwer-
pen (1834), Lier (183G), Doornik (1837), Leuven
(1838), Teperen (1840). Kortrijk en Brussel (1843),
Baddeslev H inton (1850), Beaumont (1854), Londen
(1857), Oostende (1862). Manchester (1863). York (1865),
Rijsel (1866) en herstelde dat van Nijvel (1841). Zij
stier! in geur van heiligheid.
Lit. : Het leven van de Eerw. Moeder Maria Domi-
nica (Brugge 1875). Allosstry.
Berlsiro, Belg. gem. in de prov. O. Vlaanderen,
op den linker oever van de Schelde, 7 km ten W. van
Dendermonde. 6 400 inw.; opp. 1 780 ha, meestal
zandgrond en moerassige weiden. Landbouw 7 -, textiel-
en kantnijverheid. Een enorme kreek van den stroom
gaf oorsprong (eertijds in de heerlijkheid van Barel-
donek) aan bet steeds druk bezochte meer van De
Donck, vroeger 230 ha, nu nog 80 ha groot. Het in de
17e eeuw herstelde bedevaart-kapelleken (proostdij
van De Donck) is oorspronkelijk uit de 13e eeuw. Het
kasteel van Berlare dagteekent uit het Spaansche tijd-
vak. Het hospitaal is modern. Blanquaert.
Brrhiymont, 1° 0 land e, zoon van Karei
Berlavmont; veldheer aan de zijde van Spanje, steunt
Don juan, neemt 1581 Breda in, brengt Gelderen tot
rust. Sterft 14 Juli 1587 voor Den Bosch.
2° F 1 o r e n t, veldheer en staatsman, broeder
van Gillis B. Reeds in 1572 kapitein, later gouverneur
van Namen, w’aar hij overlijdt 8 April 1626.
3° G i 1 1 i s, baron van Ilierges, eveneens veld-
heer aan Spaansche zijde, neemt deel aan den slag van
Jemmingen en van Mook cn aan het beleg van Haar-
lem. Stadhouder van Friesland en Gelderen, later van
Holland, Zeeland, Utrecht. Na de Pacificatie van Gent
een w'ijle aan de zijde van de Sta ten -Generaal, keert
hij terug tot Don Juan; wordt gouverneur van Namen
en Artois, sterft bij beleg van Maastricht, 18 Juni
1679. Wordt in al zijn waardigheden opgevolgd door
zijn broeder Florent.
4° Karei, baron van Ilierges, heer van Floyen,
Haultepenne, graa f van, Ned. staatsman en veld-
heer.* 1510, f4 Juli 1578 te Namen. 1653 werd B. gou-
verneur, hoogbaljuw, oppcrjacht meester van Namen,
in 1566 ridder van het Gulden Vlies; tijdens regent-
schap van Margaretha van Parma, hoofd van de
financiën, lid Raad van State; stond aan de zijde van
de regeer ing tegen den opstand igen adel. Door Alva
„hebzuchtig bonhomme” genoemd, werd hij vooral in
zijn zonen (zie boven) door de Spaansche regeering
begunstigd. V. Rousbroeck.
5° Louis de, tweede aartsbisschop van Kame-
651
Berlenga-eilandeii — Berlioz
652
rijk, Sept. 1570 tot 1596. Zijn bisschopsstad werd door
de Fransclien onder den hertog van Alen^on, den
broeder van koning Hendrik III, in 1582 ingenomen.
L. moest met het kapittel naar Bergen (Henegouwen)
vluchten. Hij bestuurde dan van 1593 — 1595 het bis-
dom Doornik. 3 Oct. 1695 werd Kamerijk weer dooi-
de Spanjaarden heroverd. B. stierf 15 Febr. 1596.
Valvekens.
Berleiiya-eilandeii (1 1 h a s b e r 1 e n g a s),
verzameling van gevaarlijke granietrotsen en -klippen
voor de W. Portugeesche kust (39° 25' N., 9° 47' W.).
Het grootste, B. geheeten (4,4 bij 0,8 km), heeft een
vuurtoren. De omgevende zee is zeer rijk aan visch.
Berlepsoh , August, baron v o n, zeer
verdienstelijk Duitsch imker, die met Dzierzon den
mobielbouw bij den bijenkorf invoerde; bekend
schrijver over bijenteelt. * 1815, f 1877.
Berlicliincjeii, Götz v o n, roofridder,
* 1480 op den burcht Jagsthausen in Wurttemberg,
f 1562 op den burcht Homberg; in 1504 verloor hij
bij de belegering van Landshut a /d Neckar zijn rechter
hand en werd sedert genoemd: „Götz met de ijzeren
hand”. Hij streed in meerdere veete -oorlogen en
werd in 1514 door keizer Maximiliaan als roofridder
in den Rijksban gedaan. In den Boerenoorlog van 1525
werd hij door de boeren gedwongen als hun aanvoerder
op te treden en bleef daarom eenige jaren in gevangen-
schap. In 1542 streed hij met keizer Karei tegen de
Turken. Zijn levensbeschrijving, door Pistorius, in
1731 uitgegeven, werd de bron van Goethe’s drama
G. v. B. (1773). Zijn nageslacht Berlichingen -Rossa ch
stierf uit in 1924; dat van zijn broer Hans, B. -Jagst-
hausen, bestaat nog.
L i t. : Pistorius’ levensbeschrijving, in 1916 nieuw
uitgegeven door Leitzmann ; R. Pallmann, Der histo-
rische Götz von Berlichingen (1894). v. Gorkom.
Bcrlicum, gem. in N. Brabant, ten Z.O. van Den
Bosch; bestaat uit de deelen B. (dorp), Middelrode en
Kaathoven; ca. 3 600 inw., bijna allen Kath.; opp.
2 382 ha. Veeteelt, land- en tuinbouw. De oude kerk,
in 1248 aan de abdij van Berne gekomen, is sedert
1648 in gebruik bij de Herv. ; zeer oude toren (2e helft
12e eeuw). De parochie wordt nog altijd bediend door
de Eerw. Heeren Norbertijnen (abdij van Beme te
Heeswijk). In B. ligt het huis De Wamberg, met
prachtige plantsoenen en bosschen. Het gebouw
dateert van 1560, met latere verbouwingen.
v. Velthoven.
Berlière, Urs m e r, Benedictijn, * 3 Sept.
1861 te Gosselies, f 27 Aug. 1932 te Maredsous; als
Belgisch geschiedschrijver nam hij in 1902 een werk-
zaam aandeel in de oprichting van het Belgisch histo-
risch instituut te Rome, waarvan hij de eerste bestuur-
der werd (1902— ’06). Specialist in de geschiedenis
der geestelijke orden, publiceerde hij meer dan 300
historische bijdragen, grootendeels in de Revue
Bénédictine.
Voorn, werk: Monasticon Beige (2 dln. 1890-
1929). Lijst zijner publicaties : Hommage a Dom U.
Berlière (Brussel 1932, 11-31). — Lit: Hommage,
o. c. (blz. 5-10); De Moreau in Revue Beige de Phd* logie
et d’Histoirc (XI 1932). Elias.
Berlikum, dorp in de Friesche gem. Menaldu-
madeel; met Klooster -Anjum 2 100 inw. Vroeger lag
hier aan de Middelzee Uutgong, waar processies de
herinnering aan een Sacramentswonder levendig
hielden; later door de zee verzwolgen.
Berlin, voornaamste stad van het N. gedeelte
van den staat New Hampshire (V. S. van N. Arner.,
44° 30' N., 71° 12' W.). Het ligt aan de Androscoggin-
rivier, in de streek van de White Mountains; telde in
1930: 20 018 inw. Groote houtzagerijen, houtpulp- en
papierfabrieken.
Beriiudis, Heilige, maagd. * te Meerbeke bij
Ninove (Oost-Vlaanderen), f omstreeks het einde der
7e eeuw. De bijzonderheden van haar leven zijn niet
met zekerheid bekend. Wordt ons voorgesteld als de
dochter van Odelardus en de H. Nona, zuster van
St. Amandus. Zij zou in een klooster bij Aalst getreden
zijn, waaruit zij verjaagd werd door een bende baan-
stroopers, die het klooster verwoestten. In haar
geboortedorp teruggekeerd, bleef zij getrouw aan de
strenge voorschriften van den kloosterregel. Feestdag
3 Febr. (bisdom Gent). Met haar vereert de Kerk de
H.H. Nona en Celsa. De Schaepdrijver.
Berlincr, E in., Amer. uitvinder van een fono-
toestel (rond 1888), waarbij de spiraalgroeven der
platen steeds even diep waren en de trillingen op de
naald overbrachten door schommelingen naar links
en naar rechts (huidig principe).
Berlincr Abendblatter, romantisch dagblad,
in 1810— ’ll te Berlijn uitgegeven door Hein r.
von K 1 e i s t.
U i t g. : facsimile-herdruk (1925).
Berlincr Tagcblatt, gesticht in 1872 en voor-
naamste der bladen door de firma Mosso uitgegeven.
Het heeft vooral een gewaardeerd en internationaal
bekend bijblad voor handel. Voor den oorlog speelde
het B. T. een groote rol door zijn anti-Bülowpolitiek
en na den oorlog was het een representatief orgaan
der Duitsche liberale democratie. Sinds het Hitler-
bewind heeft het zijn democratische traditie en positie
opgegeven. Leemans.
Berlingcn, gem. in de Belg. prov. Limburg,
ten O. van S. Truiden; 300 inw.; opp. 248 ha; Herck-
rivier, kleiachtige landbouwgrond; bedevaartplaats
(O.L.V.).
Berlinghieri, 1° Berlinghiero, schilder
uit Lucca (Italië) in de eerste helft der 13e eeuw,
werkte samen met zijn zonen Marco, Barone en Bona-
ventura. Zeker is van hem een crucifix in de pinako-
theek van Lucca.
2° Bonaventura, schilder uit Lucca en
zoon van Beninghiero; * 1210, sterfdatum onbekend;
schilderde op paneel voor de S. Francesco in Pescia
een voorstelling van den H. Franc iscus (1235). Van de
andere aan hem toegeschreven werken staat niets vast.
Lit.: O. Sirén, Toskanische Malerei des 13. Jahr-
hunderts (1922, 37-67) ; van Marle, The Devclopment of
the Italian Schools of Painting (I 1923, 319 vlg.).
Knippiny.
Berlioz, H e c t o r, componist, * 1803 te Cöte
St. André, f 1869 te Parijs; zoon van een dokter en door
zijn vader bestemd om eens zijn plaats te vervullen.
Na het eerste onderricht van zijn vader ging hij naar
het seminarie te St. André en leerde fluit en guitaar
spelen. De kennis der harmonie putte hij uit de „Traité”
d’harmonie” van Rameau en componeerde spoedig
stukken voor strijkinstrumenten en fluit. In 1822
vertrok hij naar Parijs om aan de universiteit medi-
cijnen te studeeren ; zijn vader wilde de muziek alleen
als liefhebberij beoefend zien. Vier jaar later liet hij
de medische studie varen en wijdde zich tegen den wil
van zijn vader geheel aan de muziek. Hij werd leerling
aan het conservatorium van Lesueur en Reicha en
daar de toelage van zijn vader ophield, moest hij door
Berlitz-sehool
654
653
lesgeven en als chorist aan het Théatrc du Gymnase
dramatique in zijn onderhoud voorzien. Spoedig
verliet hij het conservatorium, daar het strenge
onderricht in conflict kwam met zijn phantasie, kwam
echter later weer terug, om mee te kunnen dingen naar
den Prix de Rome. Na vier vergeefsche pogingen
verkreeg B. in 1830 eindelijk den Prix de Rome met
de cantate: Sardanapale. Daarvóór had hij reeds
geschreven : een mis, de ouvertures Waverley en
Les francs juges en de Symphonie fantastique ou
épisode de la vie d’un artiste, welk werk ten nauwste
verband houdt met zijn liefde voor de tooneelspeelster
Harriet Smithson. Gedurende zijn verblijf in Italië
ontstonden de ouverture King Lear en het sympho-
nisch gedicht Lélio ou Le retour a la vie (1831) voor
solo, koor, orkest en declamatie, als vervolg op de
Symphonie fantastique (1830). Na anderhalf jaar
te Rome te hebben doorgebracht, waar hij zich
meer interesseerde voor het volk dan voor de Ital.
muziek, keerde hij terug naar Frankrijk. Het volgende
jaar huwde hij met Harriet Smithson, is echter in
1840 weer van haar gescheiden; na den dood van zijn
eerste vrouw (1854) huwde hij voor de tweede maal
met een Spaansche zangeres Mad. Rezio, die echter in
1862 stierf. B. overleed zeven jaar later.
B. was sinds 1823 verbonden als criticus aan ver-
schillende tijdschriften, o.a. Corsaire (1823), Corres-
pondant (1829), Revue européenne (1832), Courier de
1’Europe en Journal des Débats (1836). In 1834 in
eenzelfde functie aan de pas opgerichte Gazette
musicale de Paris; zoo trachtte B. door woord en daad
zijn nieuwen stijl: de programma-muziek te doen
kennen. (In Duitschland vond hij sinds 1847 een
volgeling in Franz Liszt.) Van 1843 — ’47 maakte B.
vele concertreizen, bezocht Duitschland, Oostenrijk
en Rusland, waar hij in de voornaamste steden zijn
werken ten gehoore bracht. Wel ondervond hij hier
of daar tegenstand, maar niettemin was overal de
belangstelling voor zijn composities gewekt. Tever-
geefs trachtte hij een plaats te krijgen als leeraar in
compositie aan het conservatorium. In 1839 werd hij
benoemd tot conservator van de bibliotheek en in
1852 tot bibliothecaris, welke plaats hij tot zijn dood
heeft behouden. In de jaren 1852 — ’53 bezocht hij
opnieuw Berlijn, Dresden en Weimar; zijn laatste
reizen waren in 1866 naar Weenen, waar hij een
opvoering moest leiden van Faust en in 1867 naar
Petersburg en Moskou. B. heeft gedurende zijn leven
in Parijs geen waardeering ondervonden, eerst tien-
tallen jaren na zijn dood vond ook zijn werk weerklank
in Frankrijk; tijdens zijn leven was hij meer bekend
in Duitschland, dank zij den steim, dien hij van Liszt
ondervond. Veel heeft hij ook te danken aan Paganini,
die hem in 1833 een som van 20 000 francs schonk,
waardoor zijn materieel e zorgen iets verlicht werden.
B. is één van de groote pioniers en vertegenwoordigers
van de programma-muziek, d.i. die soort
muziek, die de stemmingen, in een bepaald program
uitgedrukt, weet weer te geven. B. heeft deze muziek
bewust tot stijlprincipe verheven, ook het zgn. „leid-
motief” heeft hij toegepast op de symphonische muziek.
Een van zijn grootste verdiensten is ook de bewuste
behandeling van de klankkleur in het orkest. Niet
alleen voor de verschillende groepen van instrumenten,
maar ook voor elk instrument afzonderlijk wist B.
van de klankkleur partij te trekken: de Eng. hoorn,
ophicleïde en harp w T erden door B. met voorliefde
gebezigd. Opvallend in zijn werken is het groot aantal
deelen en het vermengen van zuiver instrumentale
stukken met vocale.
Werken: Tot zijn eerste composities behooren
nog : Huit scènes de Faust (1828) en de liederenbundel :
Mélodies irlandaises (1829). Harold en J talie (op. 16,
1834 ; symphonie, waarin de altviool een concerteerende
rol speelt naar Byron’s Childe Harold ; oorspr. aan
Paganini opgedragen) ; Grande Messe des morts (op. 5,
1837 ; uitgevoerd in den Döme des Invalides bij gelegen-
heid van de bijzetting van generaal Damrémont) ;
Romeo et Juliette (Symphonie dramatique d’après la
tragédie de Shakespeare, opgedragen aan Paganini :
voor soli, koor en orkest ; 1839) ; Symphonie funèbre et
triomphale (1840) ; Tc Deurn (1849). Opera’s : de komi-
sche opera’s : Benvcnuto Cellini (1838) en Béatricc et
Bénédict (1862) ; de dramatische legende La Damnation
de Faust (1846) ; de opera Les Troyens (1856-’59) ;
de bijbelsche trilogie L’enfance du Christ. Bewijs voor
de geringe waardeering van B. is wel het volgende :
het tweede deel van dit werk werd uitgevoerd on dor den
naam van Pierre Ducré, een 17c-eeuwsch componist,
meende men ; de critici prezen het werk éénparig en
stelden het nota bene B. ten voorbeeld ! Ouvertures :
o.a. Le carnaval romain (ouverture over thema's van
Benvenuto Cellini) ; orchestratie van Weber’s Auf-
forderung zum Tanz als balletmuziek. — Theore-
tisch werk: Traité d’instrumentation, met de
bijvoegsels : Le chef d’orchestre, en Les nouveaux
instruments (1844). Herziene Duitsche uitgaven bezorg-
den C. von Schwerin ( 2 1902) en Fclix Weingartner (1901).
— Geschriften: Voyage musical en Allemagno
et en Italië (2 dln. 1844) ; Soirées de 1’orchestre f1853) ;
Grotesques de la musique (1859). Na zijn dood ver-
schenen do Mémoires (2 dln. 2 1876). Zijn brieven
zijn verzameld in : Correspondance inédite (1878, van
Dan. Bernard) en Lettres intimes (1882, van Gounod).
Een critische uitgave van alle werken verscheen bij
Breitkopf und Hartel, geredigeerd door Ch. Malherbe
en F. Weingartner. — Lit. : Fr. Liszt, B. und seine
Haroldsinfonie (1855) ; Scheurleer, Twee Titanen der
19e Eeuw. B. en Wiertz (1877) ; Alfr. Ernst, L’oeuvrc
dramatique de H. B. (1884) ; R. Pohl, H. B. Studiën
und Erinnerungen (1884) ; Ed. Hippeau, B. et son temps
(1892) ; G. Brautigam, H. B. aus den Erinnerungen
von E. Legouvé (1898) ; J. G. Prod’homme. Le cycle B.
(1898) ; Jul. Kapp, B. ( 2 1922) ; P. M. Masson, B. (1923
in Les maitres de la musique). Piscaer.
Berlitz-sehool. Berlitz Schools of Languages
zijn inrichtingen voor het aanleeren van moderne
talen, meestal tot practische doeleinden, individueel
of groepsgewijze, volgens de directe methode, zoo,
dat verblijf in het buitenland overbodig wordt ge-
maakt. Ze zijn verspreid over Europa en Amerika en
worden meer bezocht door grooteren dan door eigen-
lijke schoolkinderen. De eerste school van dezen aard
werd door M. D. Berlitz gesticht te Providence in de
Ver. St. en vond spoedig navolging. Te Parijs bestaat
een kweekschool voor Berlitz-leeraren. De directeur
van een B. -school heeft doorgaans enkele leerkrachten
onder zich, afkomstig uit het land, waarvan zij de
taal doceeren, en houdt voortdurend contact met den
opper leider der scholen.
De directe methode, die gevolgd wordt, bestaat
hierin, dat de moedertaal van den leerende feitelijk
wordt uitgeschakeld: een Ned. kind bijv. leert dus
Fransch zooals het Nederlandsch geleerd heeft, nl.
door de Fransche woorden en uitdrukkingen zonder
tusschenschakel met de zaakvoorstellingen en -be-
grippen te associeeren. De directe methode wil zijn:
„1’application méthodique des lois naturelles”.
De indirecte methode, die op de meeste andere scho-
len gebruikt wordt, leert de vreemde taal via de moe-
dertaal. Romboiits.
655
Berlo de Brus — Berlijn
656
Berlo de Brus, 1° Ferd inandus de.
11e bisschop van Namen (1697 — 1725). 21 Januari
nam bij er door een procurator bezit van. f 1725.
2° Paulus Godfried de, 13e bisschop
van Namen (1741 — 1771). Hij herbouwde de kathe-
draal (1741—1753). f 19 Jan. 1771.
Bcrloz, gem. in de prov. Luik, ten W. van Borg-
worm; opp. 521 ha, ca. 1 000 inw. ; Jekerrivier,
landbouw, weiden, kasteel van B., bezienswaardige
kerk uit de 14e eeuw met graftomben van de familie
de Berlo; belangrijke oude heerlijkheid.
Berlijn (zie plaat t/o kolom 529), hoofdstad
van het Duitsche Rijk en van den vrijstaat Pruisen,
ligt binnen de provincie Brandenburg, vormt evenwel
een eigen regeeringsdistrict.
Aantal inw. (1931), 4,31
millioen. Opp. 883,5 Ion 1 2 * * * * .
In 1920 hadden nog tal van
annexaties plaats en werd
de nieuwe Stadtgemeinde
in 20 bestuursdistricten
verdeeld.
Ligging. B. ligt in het
moerassige oerstroomdal
van B. -Warschau, waar
dit door voorsprongen van
liet Bamim -plateau in het
N. en het Teltow-plateau
in het Z. tot 5 km wordt
versmald. Na 1870 werden ook de randen der plateau ’s
voor vestiging in gebruik genomen. De Spree door-
stroomt de stad in N.W. richting. Waar in het
O. bij Köpenick de samenvloeiing met de Dahme
tot stand komt, verwijden beide zich tot aanzien-
lijke meren. Niet minder uitgestrekte meren worden
in het W. door de Ilavel gevormd. Tusschen beide
vereen igingspun ten is de Spree betrekkelijk smal;
waar de oeverflanken elkaar het dichtst naderen,
splitst de rivier zich in twee takken.
Stadsdeelen. Op het ingesloten eilandje ligt het
oude Kölln, dat samen met oud-Bcrlijn aan den rechter
Spree-oever, Friedrichswerder en Neukölln de kern
vormt van de stad. Het Z. deel van Altkölln heeft
nauwe straten, evenwel met druk verkeer; het N. deel
omvat koninklijk slot, musea en Lustgarten; Neu-
kölln reikt van den linker Spree-oever tot de Wall-
straszen en omvat ook de Spittelmarkt. Noordelijk tot
de vroegere stadsgracht „Grim en Graben” ligt Frie-
drichsw’crder.
Om deze oude gedeelten heen, gelegen binnen den
ouden vestingmuur, welke ongeveer de Neuc Friedrich-
strasze en de Wallstraszen volgen, hebben de jongere
stadsdeelen zich ontwikkeld. Z.O. van de Spittel-
markt Luisenstadt, verder Westelijk Friedrichstadt
en Dorotheenstadt, door Behrenstrasze gescheiden.
Wapen van Berlijn.
N. aan den rechteroever van de Spree Friedrich-
Wilhelmstadt, door de verlengde Friedrichstrasze
van het Spandauer Viertel gescheiden. De voortzetting
naar het O. vormt Königstadt en Stralauer Viertel.
Alleen Friedrichstadt en Dorotheenstadt met recht-
hoekig elkaar snijdende straten w T erden volgens een
bepaald plan aangelegd; bij latere uitbreiding ging
men vaak met groote willekeur te werk, waardoor een-
heid in het stadsbeeld ontbreekt. Friedrich-Wilhelm*
stadt ontstond in het N.W. om het ziekenhuis Charité;
hier liggen ook de universiteitsklinieken. Meer N.O.
sluiten hierbij aan Moabit, Gesundbmnnen, Wedding,
Rosenthaler en Oranienburger Vorstadt met groote
arbeidcrskw T artieren; in deze stadsdeelen treft men
tevens de w r oonw T ijken aan van den kleinen middenstand.
Als een groen eiland temidden der huizenzee ligt in
W. Berlijn, in het N. door de Spree begrensd, het
grootste stadspark, de Tiergarten, met een opp. van
253 ha. Dwars er doorheen loopt de Charlottenburger
Chaussee. In het O. het Rijksdaggebouw en Bismarck-
dcnkmal. Het stadsdeel tot Zoologischer Garten is het
woongebied der aristocratie. De Z. stadsdeelen zijn
Friedrichvorstadt, Schöneberger en Tempelhofer
kwartier, Oostelijk tot Kreuzberg en Tempelhofer
Feld, welks W. deel bebouw T d w r ordt, het O. deel als
vlieghaven dient. Om dit Berlijn van 1870 zijn nadien
nog een krans van plaatsen nauw 7 met de stad vergroeid.
Spandau en Charlottenburg werden in het W. gean-
nexeerd; in het Z. w r erd het prachtige Grünew r ald ver-
kleind door aanleg van villawijken. In het N. liggen
de industrieele centra Tegel, Reinickendorf en Siemens-
stadt op een deel der Jungfernheide.
De eigenlijke city vormt Friedrichstadt met do
straat Ünter den Linden als de hartader van Berlijn.
Van Brandenburger Tor tot Lustgarten 1,3 km lang,
met een dubbele rij lindeboomen, die een middenallee
insluiten, liggen hier de gezantschapsgebouwen, de
groote hotels, de prachtige winkels. Parallel aan Unter
den Linden loopt de Behrenstrasze met groote bank-
gebouwen. De Wilhelmstrasze, die met de Friedrich-
strasze uitloopt op de Belle Alliance Platz, is in haar
N. deel de straat, waar de regceringsgebouwen ge-
vestigd zijn (paleis van dèn rijkspresident, van den
rijkskanselier, de rijkskanselarij enz.). Hoofdverkeers-
straat is ook de in O.W. richting verloopende Leip-
zigerstrasze, met groote warenhuizen als van Wert-
heim en Tietz aan de Dönhoffplatz. Aan de Westzijde
vormen Leipziger en Potsdamerplatz de afsluiting
van de city. Toen begin 20e eeuw de oude binnenstad
geen ruimte genoeg meer bood, ontwikkelde zich in
het W. in de omgeving van den Zoologischer Garten
een tweede centrum en werd de Kurfürstendamm tet
eerste winkelstraat. Lips.
Kerken, gebouwen, monumenten. Uit het Berlijn
van de middeleeuwen zijn eenige Gotische kerken be-
1. Museum für Völkerkundc. 2. Kunstgewerbemuseum.
3. Ministerie van Landbouw. 4. Ministerie van Handel.
5. Ilerrenhaus. 6. Pruisische Landdag. 7. Ministerie van
Oorlog. 8. Rijksministerie van Economische Zaken. 9.
Rijksmarineministerie. 10. Ministerie van Arbeid. 11.
Rijksministerie en Museum van Posterijen. 12. Rijks-
ministerie van Justitie. 13. Paleis van den Rijkskanseiier.
14. Ministerie van Buitenlandsche Zaken. 15. Palris van
den Rijkspresident. 16. Rijksminis f erie van „Landwehr”.
17. Pruisisch Ministerie van Justitie. 18. Ordenspalais.
19. Ministerie van Eeredicn9t. 20. Pruisisch Ministerie van
Binneniandsche Zaken. 21. Rijksdaggebouw. 22. Kroll-
opera. 23. Rijksmini3terie van Binneniandsche Zaken.
24. Kolonialmuseum. 25. Gevangenis. 26. Urania. 27.
Anatomie. 28. Komische Oper. 29. Kliniek. 30. Univer-
siteitskliniek. 31. Slot Monbijou. 32. St. Hedwigs-zieken
huis. 33. Kaiser-Friedrich-Museum. 34. Nationalgai-
lerie. 35. Neues Museum. 36. Altes Museum. 37. Dom
(Protestantsch). 38. Zeughaus. 39. Pruisisch Ministerie
van Financiën. 40. Universiteit. 41. Staatsbibliotheek. 42.
Opernhaus. 43. St. HedwigsbasiJiek (Katb.). 44. Fransche
Dom. 45. Schauspielhaus. 46. Duitsche Dom. 47. Reichs-
bank. 48. Beursgebouw. 49. Marienkirche. 50. Hoofdpost-
kantoor. 51. Raadhuis. 52. Nikolaikirche. 53. Parochieel
stadhuis. 54. Kiosterkirche. 55. Land- und Amtsgericht.
56. Hoofdbureau van Politie. 57. Markisches Museum.
GROOT-BERLIJN
BERLIJN De binnenstad.
rtx
^ Voor do verklaiing der oijiers zie hiernaast.
660
659
Berlijn
waard gebleven: de Nicolaikirche (ca. 1230), de Ma-
rienkirchc (ca. 1260), de Klosterkirche (Franciscaner-
kerk; ca. 1290), de Heilige Geist Kapelle (ca. 1300).
Vooral do 18e en de 19e eeuw verrijkten B. met vele
gebouwen (Barok, Rococo, Monumentaalstijl). Het
Berliner Schloss is in hoofdzaak gebouwd door Schlü-
ter (ca. 1700), vergroot in 1713 door Eosander; de 70 m
hooge koepel is van Stüler (ca. 1850). Schlüter ont-
wierp ook het ruiterstandbeeld van den Grooten Keur-
vorst, een der belangrijkste werken uit den Baroktijd.
Eenige in Barokstijl gebouwde paleizen in de Wilhelm -
strasse, waaronder de tegenw. woning van den rijks-
president. Het Charlottenburger Schloss (•> Charlot-
tenburg) en het Zeughaus eveneens uit dezen tijd.
Schinkel bouwde o.a. het Schauspielhaus aan de Gen-
darmenmarkt, de „alte Wache” (Untcr den Linden)
en liet „Alte Museum” aan den Lustgarten. Het be-
roemde Opemhaus, Unter den Linden (1741 — ’43),
is van Knobelsdorf. Onder Frederik den Grooten werd
de Sint Hedwigsbasiliek (Kath.) gebouwd (1747-1773),
volgens plannen van Legeay (centraalbouw, naar het
Romeinsche Pantheon).
De Duitschc en de Fransche dom (Gendarmenmarkt)
werden beide in 1701 gebouwd. 1894 — 1905 bouwde
Raschdorff den imposanten Berliner Dom (Prot.),
centraalbouw in Renaissance -stijl. De Kaiser Wilhelm
Gedachtniskirche (laat-Romeinsche centraalbouw) is
van Von Schwechten (1891 — ’96).
Op het zgn. Museum-insel liggen bijeen: het Alte
Museum (antieke plastiek), het Neue Museum (1850,
door Stüler: Egyptische kunst, antieke vazen, koper-
gravuren), de National-Galerie (19e eeuwsche kimst),
verder het groote Pergamon-Vorderasiatische en Deut-
sche Museum, en "het Kaiser-Friedrich -Museum
(Duitsche, Ncderlandsche, Vlaarasche en Italiaansche
schilder- en beeldhouwkunst uit de middeleeuwen en
de Renaissance). Onder de vele musea is nog te ver-
melden het Markischc Museum (geschiedenis van B.
en Brandenburg).
De voornaamste openbare en staatsgebouwen zijn
verder: het Rijksdaggebouw (Wallot, 1884 — ’94),
het Landdaggebouw (Renaissance; 1893 — '98), Stad-
huis (Barok; 1911), Beursgebouw (1860), Raadhuis
(Waesemann 1861 — ’69). Onder de tallooze standbeel-
den zijn de voornaamste : standbeeld van Frederik den
Grooten, Unter den Linden (J. C. Rauch, 1840), Bis-
marckdenkmal voor het Rijksdaggebouw (Begas,
1901). Interessante bezienswaardigheden zijn o.a. de
Siegessaule op den Platz der Republik, herinnering
aan de overwinningen tegen Oostenrijk (1866) en
Frankrijk (1870), en het Brandenburger Tor.
Van de vele moderne gebouwen zijn te vermelden:
Hans des Rundfunks, Ullstein-Haus, meerdere groote
handelshuizen, het groote tentoonstellingsgebouw
met den Funkturm (Martin Wagner en Hanz Poelzig),
Planetarium. G. Jansen.
Bevolking en middelen van bestaan. De groote
toename der bevolking begint vooral na de stichting
van het rijk. Pas dan wordt Berlijn getrokken binnen de
sfeer der Europeesche betrekkingen en wordt het door
de ontwikkeling van techniek en verkeer gemaakt tot
een middelpunt van spoorwegen (internationale lijnen:
Stockholm— Parijs, Stockholm— Rome, Riga— War-
schau — Parijs, Londen, Weenen, Leningrad en
Moskou). In 1801 telde de stad 173 440 inw., die de
ruimte binnen den ouden tolmuur niet vermochten
te vullen. Eerst 1830 was het inwoneraantal tot
200 000 gestegen. Na het midden der 19e eeuw voltrekt
de groei zich dan in stormachtig tempo ; in 1860 kwam
het aantal over een half millioen; in 1930 hebben
reeds 147 km 2 een bevolkingsdichtheid van meer dan
10 000. Door de stichting van de gemeente Groot-
Berlijn en de centralisatie der verkeersmiddelen werd
de vestiging in de peripherie bevorderd. Hier geeft de
Ringbahn de grens der dichtere bevolking aan. In de
binnenstad valt een sterke ontvolking te constateeren ,
die reeds begon vóór de stichting van het rijk. Sinds
1870 verloren de oudste deelen van B. ong. 70% van
hun inwoners. De toename der bevolking komt in
hoofdzaak voor rekening van de immigratie. Verreweg
de meeste immigranten komen uit Duitschland, zelfs
op de eerste plaats uit Pruisen. In 1930 woonden in B.
136 600 buitenlanders. Talrijk zijn onder hen de im-
migranten uit O. Europa. Door de gunstige ligging
kon B. zich ontwikkelen tot een industrie-
centrum van den eersten rang. De ijzer- en metaal-
industrie behooren tot de voornaamste takken. De
locomotievenfabriek van Borsig, de ij zer cons tractie -
fabrieken van Orenstein en Koppel, van LudwigLöwe,
de electro-technische industrieën van Siemens Schuckert
en Siemens Halske (A.E.G.) zijn wereldberoemd.
Belangrijk is ook de confectie-industrie, die vooral
in de biimenstad zetelt. Talrijke uitgeversmaatschap-
pijen verschaffen aan duizenden werk. Vanzelf, dat
in deze millioenenstad ook de handel een zeer groote
rol speelt; 14% van de Duitsche bevolking, die zich
met handel bezig houdt, woont in B. B. is tevens
centrum van het geldverkeer. Vele groote bankinstel-
lingen hebben hier hun hoofdzetel (Deutsche Bank,
Reichsbank, Preuszische Staatsbank). Van de inrich-
tingen van hooger onderwijs moeten genoemd worden
de Fr iedrich- Wilhelm universiteit met 724 docenten, de
technische hoogeschool (Charlottenburg), de veterinaire
en landbouwhoogeschool, de hoogeschool voor muziek.
Verkeer. Zooals reeds werd opgemerkt, is de ont-
wikkeling der voorsteden onafscheidelijk verbonden
aan de uitbreiding van het snelverkeer. Hiervoor zor-
gen electrische trams en electrische Hoch- und Unter -
gnmdbahn. Het eerste deel tusschen Stralauer Tor
en Potsdamer Platz werd aangelegd in 1902. Nu heeft
B. een wijdvertakt net met dubbel spoor ter lengte
van 80,35 km. De electrische Stadt-, Ring- en Vorort-
bahn staan eveneens ten dienste van het snelverkeer.
De Stadtbahn doorkin ist de N. stadhelft van W. naar
O. over een afstand van 13,5 km. De Ringbahn begrenst
in een wijden boog de binnenstad en verbindt de dicht
aangrenzende voorsteden. Voor liet verkeer met de
meer verwijderde voorsteden zorgt de Vorortbahn.
Naast Duisburg is B. tevens de grootste b innen-
haven van Duitschland. Door goede waterwegen
staat de stad in verbinding niet alleen met de voor-
naamste havensteden aan Noord- en Oostzee, maar
ook met de industriegebieden in Opper-Silezië, Saksen,
Tsj echo -Slowakije. Door het Mittellandkanaal zal een
verb inding met Z. enZ. W. Duitschland tot stand komen.
Behalve de Spree zelf dienen het Landwehr- en
Luisenkanaal voor de scheepvaart.
Om B. heen werd als verbinding van Havel en Spree
het Teltow-kanaal aangelegd. Aan het Berlijn—
Spandauer Scheepvaartkanaal ligt de in 1923 vol-
tooide West-haven met drie havenbekkens en groote
pakhuizen en silo’s (in 1929 bedroeg de invoer 1
millioen ton, de uitvoer 140 000 ton). Tusschen
Treptower Spoorbrug en Oberbaumbrücke ligt de 10
jaar oudere Oost-haven met onderaardsche benzine-
tank en een laadvermogen van 1 millioen ton (in 1929
Berlijn
661
662
ingevoerd 600 000 ton, uitgevoerd bijna 1 / 4 millioen). De
overige zeven havens zijn van ondergeschikte beteekcnis.
L i t. : Engelbert Graf, Hans Spethmann, Beitrage
zur Geographie Berlins (1918) ; Hans Brennert en Erwin
Stein, Probleme der neuen Stadt Berlin (1926) ; Reisgids
Baedekcr, Berlin und Umgebung ( 20 1927) ; Felix Lampe,
Berlin und die Mark Brandenburg (1930) ; Friedrich
Leyden, Grosz Berlin, Geographic der Weltstadt (1933) ;
Reisgids Griebcn, Berlin und Umgebung. Lips.
Verzorging der bevolking. Volgens telling 1925
is 76,6% van de bevolking Prot., 10% Kath. Door ge-
mengde huwelijken en afval gaat de Kath. bevolking
achteruit (vlg. telling 1927 sloten 67,7% van de Kath.,
die huwden, een gemengd huwelijk). De Kath. be-
volking van B. is ingedecld in 73 parochies en recto-
raten met 58 kerken, 90 kapellen, 294 geestelijken. 12
mannelijke en 17 vrouwelijkc kloosterorden hebben
in B. resp. 18 en 84 huizen. Verder bezitten de Kath.
verschillende instellingen van middelbaar onderwijs
(Jezuïetengymnasium, 4 lycea, Franziskus-Oberly-
ceum enz.) ,"57 volksscholen, 15 ziekenhuizen, 14 wees-
huizen, talrijke andere instellingen (voorzorg voor
meisjes, zuigelingenzorg enz.).
Andere onderwijsinrichtingen: Friedrich- W ilhelm
universiteit, technische hoogeschool, landbouw -
hoogeschool, hoogcschool voor muziek, een diergenees-
kundige hoogeschool, een Staatskunstschool, talrijke
inrichtingen voor middelbaar onderwijs, ca. 600 scholen
voor lager onderwijs en talrijke vakscholen. Voor ver-
pleging bestaan totaal 200 inrichtingen, waarvan o.m.
30 alg. stedelijke ziekenhuizen, 5 stedelijke sana-
toria, 12 inrichtingen voor ouden en hulpbehoevenden.
Het bisdom Berlijn is opgericht in 1929, behoort
tot de kerkprovincie Breslau. Het bisdom telt (1927)
520 015 Kath. (naast 6 674 183 nict-Kath.). Zetel
van den bisschop te Berlijn; kathedraal is de in 1773
gewijde St. Hedwig-basiliek. Het bisdom is ingedeeld
in 13 archipresbyteraten, 78 canonisch opgerichte
parochies en 76 rectoraten en heeft 319 geestelijken,
waarvan 256 met zielzorg belast zijn.
Politieke geschiedenis. B. heeft zijn ontstaan
te danken aan de kolonisatiepolitiek der Duitsche
vorsten in de middeleeuwen. In de 12e eeuw had
Albrecht de Beer do Saksische Noordermark ingericht;
meer en meer drongen zijn opvolgers naar het Oosten
door en stichtten omstreeks 1230 om strategische
redenen twee steden aan den samenloop van Ilavel
en Spree: B. op den rechteroever, Kölln op een eiland
van de Spree. Vroeg reeds speelden beide steden,
vooral B., een voorname rol in de geschiedenis van
Brandenburg. Sedert de 14e eeuw was B. hoofd van
een Brandenburgschen stedenbond tot handhaving
van den landsvrede, en lid van de Duitsche Hanze.
Aan die macht had het te danken, dat langen tijd de
Brandenburgschc heerschers uit de huizen Wittelsbach
(1324 — 1373) en Luxemburg (1373 — 1415) slechts in
naam aan de Spree regeerden: feitelijk was alle macht
in handen van de stad. De Hohenzollern, sedert 1415
in Brandenburg, wisten echter B. te betoomen. Onder
voorwendsel in het bestuur der gemeente geregelde
toestanden te herstellen, ontnam markgraaf Frederik II
haar alle zelfbestuur in 1442 en dwong haar uit de
Hanze te treden. Sedert het einde der 15e eeuw werd
B. de officiëele residentiestad der Ilohenzollem
en hoofdstad van Brandenburg. Tijdens de 16e eeuw
ontwikkelde zich de stad tot een cultuurcentrum: in
1574 werd er de eerste Latijnsche school gesticht. De be-
volking bedroeg in dien tijd ongeveer 14 000 zielen.
Veel had B. tijdens den 30-jarigen oorlog te lijden
zoowel van de Zwcedsche als van de keizerlijke troepen .
Een gedeelte der stad brandde geheel af in 1640, en
het inwonertal liep tot op de helft terug. De weder-
opbouw begon echter onmiddellijk daarop onder den
Grooten Keurvorst, Frederik Willem I (1640 — 1688).
Hij is het ook, die na de herroeping van het Edict
van Nantes (1685) talrijke uit Frankrijk verbannen
Hugenoten naar Berlijn riep, en aldus de stad tot een
nog nooit gekenden cultureelen en economischen
bloei bracht. De Fransche uitgewekenen vormden
met hun 5 000 een vijfde der Berlijnsche bevolking.
De hoofdstad van Pruisen (sedert 1701) breidde zich
meer en meer uit: de voorsteden Dorotheenstadt,
Neukölln, Friedrichstadt, enz. kwamen tot stand,
en werden gelijk met Kölln door koning Frederik I
in 1709 bij B. geannexeerd. Deze vorst streefde ernaar
aan zijn hoofdstad een monumentaal aanzien te geven,
bijv. door den bouw van het paleis en het arsenaal.
Aan hem dankt B. tevens het ontstaan van de academie
voor schoone kunsten (1696) en voor wetenschappen
(1701). Onder Frederik den Grooten (1740 — 1786)
werd B. een bloeiend nijverheidscentrum (porcelein)
en een gewichtige handelsstad. Terzelfdertijd gaven de
werkzaamheden van Voltaire, Lessing, Moses Mendels-
sohn, Nicolaï, Tieck e.a. aan de Pruisische hoofdstad
een belangrijke cultureele beteekenis. Op het einde
der 18e eeuw was de bevolking ruim de 100 000 voorbij.
De korte bezetting van B. door Oostenrijkers^ en
Russen in den zevenjarigen oorlog (1757 en 1760)
was niet bij machte de ontwikkeling te vertragen.
De Fr. revolutie schonk aan B. opnieuw een groote
hoeveelheid uitgewekenen, die ook tot den bloei van
de stad op alle gebied bijdroegen. Een universiteit
werd in 1809 gesticht onmiddellijk na den aftocht der
Napoleontische troepen, die de stad van 1806 — 1808 be-
zet hielden. Gedurende de 19e eeuw ontwikkelde B. zich
in steeds sneller tempo. De nijverheidsinrichtingen
werden hoe langer hoe talrijker (Borsig, Siemens).
Sedert 1838 was de spoorweg B. — Potsdam in
exploitatie en werd B. het middelpunt van het Prui-
sisch spoorwegnet. In 1848 was de stad het tooneel
van de bloedige Maartrevolutie. Bij B. werden in den
loop dezer eeuw nog talrijke voorsteden, zooals Lich-
tenberg, Moabit en Wedding, ingelijfd. In 1871 werd
B. hoofdstad van het Duitsche Rijk. In 1878 hielden
de Europeesche staatslieden er een congres ter regeling
der Oostersche kwestie; in 1884 — ’85 de Kongo-confe-
rentie, en in 1890 de eerste internationale conferentie
tot bescherming van de arbeiders. Bovendien werden
te B. verscheidene verdragen gesloten, o.m. dat van
1911, tot oplossing der Marokkaanscho kwestie.
9 Nov. 1918 brak te B. de revolutie uit: ook nadat
de keizer afgetreden was, duurden de onlusten der
Spartacistcn geheel den winter voort. In 1920 kreeg B.
zijn tegenwoordige uitgestrektheid, door aanhechting
van een aantal gemeenten, waarmede het feitelijk
sedert 1912 een overeenkomst gesloten had, om een-
heid in de regeling der gemeenschappelijke belangen
te verzekeren; sedert den oorlog waren achtereenvol-
gens Wermuth, Böss en Sahm burgemeester.
Lit. : Schwebel, Geschichte der Stadt B. (2 dln.
1888) ; Geiger, B. 1688—1840, Gesch. des geistigen
Lebens der prouss. Hauptstadt (2 dln. 1892 — 1895) ;
Streckfuss, 500 Jahre B.er Geschiehte ( 5 1900) ; Ostwaldt,
Kultur und Sittengesch. B.s ( 2 1926) ; Neumann, Ge-
schichte B.s (2 dln. 1928). — Als oorkonden-
v e r z. : Fidicin, Historisch-diplomatischc Beitrage zur
Gesch. der Stadt B. (5 dln. 1837— *42) ; Mitteilungen des
663
Berlijn — Bennuda-eilanden
664
Verein8 ftir die Geschichte B.s (1884 vlg.) ; Quellen und
Forsehungen zur Geschichte der Stadt B. (1927 vlg.».
V. Houlte.
De Akte van Berlijn werd opgesteld tijdens de
Berlijnsche koloniale conferentie (15 Nov. 1884 —
26 Febr. 1885), waaraan bijna alle Eur. mogendheden
(14 staten! deelnamen. De conferentie, die tot doel had
regeling van handelsvrijheid aan den Kongo en den
Niger, werd gehouden op initiatief van Frankrijk en
Duitschland, toen Portugal, gesteund door Engeland,
aanspraak had gemaakt op den Kongomond, waardoor
de Internationale Kongo Mij., waarin veel Fransch
geld gestoken was, bedreigd werd. De Akte erkent de
onafhankelijkheid van den Kongostaat en wijst dezen
den Kongomond toe, maar bepaalt, dat in het geheele
Kongo-gebied de open-deur-politiek zal gelden.
Controle wordt uitgeoefend door een internationale
commissie voor den Kongo, door een Fransch-Engel-
sche commissie voor den Niger. Europeesche aan-
spraken op Afrikaansch gebied gelden alleen dan,
wanneer ze kunnen gestaafd worden door wezenlijk
uitgeoefende macht of door protectoraatscontracten
met hoofden van inboorlingen.
De beteekenis dezer Akte lag in de overwinning, die
Frankrijk in zijn koloniale politiek over Engeland
behaalde. De gevolgen der Akte waren een nog sneller
wedloop om het binnenland, wat ten slotte leidde
tot de verdeeling van Afrika. > Association Inter-
nationale du Congo.
Conferentie van Berlijn, zie Akte van Berlijn in
dit artikel.
Congres van Berlijn, 1878, •> Oostersche kwestie.
Verdrag van Berlijn, 1911, •> Marokkaansche
kwestie.
Berlijn, A n t o n, Ned. componist, * 1817 te
Amsterdam, j 1870 aldaar. Leerling van Ludwig
Erk. B. is in het buitenland maar weinig bekend
geworden.
Werken: 9 opera’s ; 7 balletten ; oratorium
Mozes; symphonicÊn ; vele kleinere werken. — L i t. :
C. Böbm, Nachruf an A. B.
Berlijnsch blauw. Deze blauwe kleurstof is in
1704 door Dippel en Diesbach toevallig ontdekt bij de
bereiding van Florentijnsche lak. Zij bereidden de
kleurstof daarna fabriekmatig uit bloed. De juiste
samenstelling is eerst veel later gevonden. Het is een
ingewikkelde ijzercyaanverb inding, die men meestal
eenvoudig voorstelt als ferri-ferro-cyanide Fe 4
[Fe(CN) 6 ] 3 , en die ontstaat door geel bloedloogzout
met een ferrizout te behandelen. De fijnste soort,
het zgn. Parijsch blauw, bereidt men uit geelbloed-
loogzout met een oplossing van basisch ijzernitraat.
De minste waardevolle soort noemt men mineraal-
blauw. Door behandelen van B. b. met een 1% sal-
miak -oplossing krijgt men een violetachtige kleur,
die den naam Monthiersblauw (ook Louisablauw en
Bleu de France) draagt. Voor den handel wordt
B. b. met andere stoffen verdund, bijv. met gips,
zwaarspaat of ook wel aardappelmeel. Met chroom-
gecl gemengd komt het in den handel als chroomgroen.
B. is onoplosbaar in water, echter bestaat er ook een
in water oplosbare soort met eenigszins andere samen-
stelling. v , d . Beuk,
Berl ijnscli bruin, een chemische omzetting
van Berlijnsch blauw. Komt als kimstschildersverf
weinig voor.
Berlijnsch porselein is een bepaald soort
porselein, dat sinds 1751 te Berlijn wordt vervaardigd.
De ovens werden door W. Wegely gebouwd en genoten
spoedig den steun van koning Frederik II. In den eer-
sten tijd was het bekendste B. p. het sierporselein,
in aan Meissener porselein herinnerenden Rococo-stijl.
Sinds het eind der vorige eeuw is men zich echter
meer bijzonder gaan toeleggen op het vervaardigen
van gebruiksporsclein (kopjes, schoteltjes, vazen,
werktuigen voor laboratorium, enz.). Bekende ont-
werpers: Ruth Schaumann, Gebr. Marcks, Rich.
Secwald.^ Knipping.
Berlijnsch zilver, > Argentaan.
Berm, > Bermen.
Bermejo, rechter zijrivier van de Paraguay
in Z. Amerika; ontspringt in de Cordilleren van Z.
Bolivia, splitst zich in de Gran Chaco in Rio B. en
Rio Teuco, om bij Villa del Pinar te monden in de
Paraguay; alleen voor kleine schepen bevaarbaar.
Bcrmcjo, Bartholomé, Spaansch schilder
uit Cordova (laatste helft 15e eeuw), werkte hoofd-
zakelijk in Catalonië. In zijn kunst is hij een uitge-
sproken volgeling van de manier der Van Evcks.
Van de Vlaamscho school erfde hij ook de attentie
voor het detail, beter dan de Vlamingen echter wist
hij dit ondergeschikt te maken aan de compositie
van het geheel.
Voorn, werk: raam voor de kathedraal van
Barcelona (1495); Sint Michacl met schenker aan zijn
voet (Poll. Wernher, Londen); II. Maagd van Monserrat
(triptiek, kathedraal v. Acqui) ; 11. Aanschijn van
Christus (Bissch. Museum in Vich) ; Beweening v.
Christus (kathedr. v. Barcelona, kapittelzaal). — L i t. :
Samperc y MiqueJ, Los Quatrocentistas cataloncs II
(1906); Tormi, Barth. B. in „Archivo Espanol de Arte
e Arqueo’ogia” (IJ 1926, 11-97). Km'ppi'ng .
Bermen, de gedeelten van een weg ter weers-
zijden van de verharding; somtijds zijn zij ook van
een, zij het lichtere, verharding voorzien. Bij dijken
dienen de b. tot verzwaring van het dijkprofiel ; men
onderscheidt hierbij binnen- cn buiten bermen, naar
gelang zij aan de land- dan wel aan de rivier- of zee-
zijde gelegen zijn.
Blinde b. liggen onder den normalen waterstand
cn dienen, bij kanaaldijken, als verdediging van het
beloop; zij worden vaak met riet beplant.
Bij zeedijken treft men de zgn. kreukelbcrmen aan,
steenbestortingen op gelijke hoogte met de oppervlakte
van het voorland; zij dienen tegen ontgronding van
het dijklichaam. ƒ>. Bongaerls.
Berm heet ook het horizontale of flauw hellende
vlak ter onderbreking van een beloop. Men verdeelt
een hoog beloop door bermen in gedeelten om de kans
op afschuiving te verkleinen, en om eventueele afschui-
ving te beperken tot het gedeelte tusschen twee bermen.
Bermoo, Spaansche havenstad aan de Golf van
Biscaye (43° 25' N., 2° 46' W.). Belangrijkste visschcrs-
plaats van Biscaya; ruim II 000 inw. (Katli.).
Bcrmsloot , sloot langs een kanaal, waarin
verscheidene door het kanaal gesneden slooten worden
opgevangen, ten einde gezamenlijk op een punt in het
kanaal te worden geleid of door één duiker onder
het kanaal door te worden gevoerd. Kgelie,
Bcrmuda-cihmricn , ook wel Somers-
eilanden genoemd, Britsche (sinds 1612) eilan-
dengroep in het W. van den Atl. Oceaan (32° 15' N.,
64° 52' W.), bestaande uit een 300-tal kleine eilanden,
klippen en riffen, 1 000 km ten O.Z.O. van Kaap
Ilatteras; erootte 50 km 2 , hoogte 80—100 m. De eil.
bestaan grootendoels uit koraal-kalk. liet zijn de
meest Noordelijke koraaleilanden der aarde: de warme
665
Berraudagras—Bem
666
golfstroom maakte vorming mogelijk. De groep rust
op een uitgcdoofden gezonken, onderzeeschen vul-
kaan. 20 eilanden zijn bewoond; de grootste zijn:
Bermuda, Ireland, Saint Oeorgc, Somerset, Watford
en Oates. De bevolking bedraagt 31 000 (blanken,
doch liet meest negers en kleurlingen).
De B.-e. hebben door invloed van den golfstroom
een zeer zacht, gelijkmatig, oceanisch klimaat (gemidd.
jaartemp. 21° 0). Regenval is het geheele jaar door
aanwezig (1 430 mm); bronnen voor rivieren ontbre-
ken; regenwater wordt bewaard in vergaarbakken of
tanks. De planten- en dierenwereld, arm in haar
soort, heeft haar oorsprong, hetzij op het vasteland,
of in \V. lndië. Landbouw: uien, aardappels, fruit,
vroege voorjaarsgroen ten. Bekend is a ldaar de jenever-
struik (Juniperus Bermudiana). Bijna alles wordt
verscheept voor de Ver. Staten. Een weinig visscherii.
De eilandengroep is een winterverblijfplaats der
Amerikanen.
De B.-e. worden bestuurd door een gouverneur,
bijgestaan door een Raad van 6 leden, door den koning
van Engeland aangewezen. Hoofdstad is Hamilton
(ca. 3 000 inw.). Kabelverbinding met Halifax (Canada)
en Jamaica. De eil. zijn een zeer versterkt vloot- en
havenstation. De Bermuda-groep werd ontdekt in
1527 door den Spanjaard Juan de Bermudez.
De eil. behooren sedert 1851 tot het aartsbisdom
Halifax.
B< k i*inu<lnc)rns, Cynodon dactylon,
familie der grassen (Gramineae), groeit in de gematigde
streken. Hoewel in bouwland en kweekerijen een
hinderlijk onkruid, is het in de Zuidelijke staten van
N. Amerika een uitstekend weidegras, speciaal goed
voor koeien en paarden. De wortelstokken zijn voor
de geneeskunde nog van eenig belang. Bonman .
Brrmudatuifj, > Zeilen.
Boi tmidez, J e r ó n i m o, Spaansch Domini-
caan en dichter; * 1530 in Gallicië, f 1589. Theologie-
professor aan de universiteit van Salamanca; het too-
neelstuk van Ferreira „Inés de Gastro” werd door hem
vertaald onder den titel van „Nisc lastimosa”, en zelf
voegde hij er een tweede deel aan toe, „Nise laurcada”
(Madrid 1577). Tot zijn voornaamste werk behoort
verder het gedicht „llesperoida”, opgedragen aan den
hertog van Al va. Borst.
Bcrmmlo, Juan, Spaansch theoreticus te
Ecija (Andalusië), schreef een theoretisch werk:
Declaracion de Instrumentos, Ilamado Arte tripharia,
welk werk in 5 dln. van 1549 — "55 in Osuna verscheen.
Hierin worden de muziekinstrumenten in drie groepen
verdeeld: 1° de natuurlijke (naturales), nl. de stem;
2° de kunstmatige (artificiales), nl. strijkinstrumenten;
3° de groep, welke het midden houdt tusschen beide:
blaasinstrumenten (de ayre) en het orgel. Het eerste
boek van 1549 omvat een inleiding tot de algemeene
muziekleer.
L i t. : O. Kinkeldey, Orgel und Klavier. Piscaer .
Bermijn, A 1 f o n s, bisschop-zendeling van
de Congr. van Scheut. * 2 Aug. 1853 te St. Pauwels
(Waas), f 16 Febr. 1915 te Kang fang ing tze (Ortos).
Priester 10 Juni 1876. trad in de Congr. van Scheut
in Oct. daarop. Naar Ortos (Z.W. Mongolië) 13 Maart
1878; provinciaal, titulair bisschop van Stratonice
en apost. vicaris 15 Apr. 1901. Terecht beschouwd als
medestichter der zoo bloeiende missie; de Christenen
noemden hem den St. Paulus van Ortos.
L i t. : F. de Pillecijn, Monseigneur Bermijn (1929) ;
J. van Oost, mgr. Bermijn (1931). AÜossery.
Bom , 1 ° Kanton, na Graubunderland het grootste
van Zwitserland; omvat in het N. en N.W. een deel
der Jura, in het midden een deel der hoogvlakte met de
landschappen Mittelland, Emmen-Tal, Oberaargau
en Seeland, in het Z. de Berner Alpen (Bemer-Ober-
land). Het land heeft een opp. van 6 883,5 km 2 en
behoort bijna geheel tot het stroomgebied van de Aar.
Aantal inw. ruim 674 000, waarvan het meerendeel
de Duitsche taal spreekt ( 559 000, tegenover 107 000
met het Fransch als moedertaal). Het meerendeel
der bevolking (581 000) is Protestant, 90 000 Kath.
Ongeveer 5 585 km 2 of 81 ,5% van den bodem is in
cultuur gebracht; 3 970,1 km 2 is als bouw- en weiland
in gebruik, 1 617,7 km 2 met bosch bedekt. Van den
woesten grond beslaan de gletsjers een oppervlakte
van 288 km 2 .
De voornaamste veeteeltgcbieden zijn Simmen-Tal
(runderen), Kander-Tal (schapen), Saane-Tal (geiten),
terwijl in do Jura de paardenfokkerij van belang is.
Gezochte kaassoorten leveren Emmen-Tal en Saane-
land. De mijnbouw levert kalk en zandsteen, die in
steengroeven w T ordt geëxploiteerd. Minerale bronnen
hebben Gurnigel, Heustrichbad en Weiszenburg.
Door gebruikmaking van waterkracht gaat de industrie
sterk vooruit; voornaamste takken zijn horlogerie,
textiel, machinebouw. Houtsnijden, kantklossen eu
zijdeweven worden nog als huisnijverheid beoefend.
De wetgevende macht berust bij den
Grooten Raad, bestaande uit 224 leden, voor vier jaar
gekozen; de Regeeringsraad (negen leden) heeft de
uitvoerende macht. Het hoogste rechtscollege, het
Obergericht, bestaat uit 15 door den Grooten Raad
gekozen leden. De Katholieken staan onder het
bisdom Bazel, de Oud-Katholieken onder den bis-
schop van Bern.
2° Hoofdstad van Zwitserland en van het gelijk-
namige kanton, 600 — 580 m boven zeeniveau, ongeveer
in het midden van het Mittelland gelegen, knooppunt
van zes belang-
rijke spoorlijnen.
104 600 inw., over-
wegend Protes-
tant. Daar de
stad op de grens
ligt van het
Fransch -Duitsche
taalgebied, wordt
naast Duitsch
(door 96 000 inw.)
ook veel Fransch
(door 54 000 inw.)
gespro ken. De door
het Munster be-
heerschte oude
stad ligt op een
molasse-zand-
steenrug, aan drie
zijden door de Aare
omsloten. Door de
straten met win-
kelgalerijen draagt
de stad nog den
stempel van bur-
gerlijke welvaart
uit de 18e eeuw.
Van bijzondere be-
koring zijn de fonteinen met vaak humoristische
voorstellingen en de oude torens, o.a. Zeitglockenturm
(367
Bern
668
BERN
Schaal 1 '• 23.000
0 2 00 400 6 00 8 00 1000
2E=3=E=23=> m
voorstellende het laatste oordeel, door de Hervorming
tamelijk beschadigd; verder uitmuntende ramen in
het koor (1441 — ’60). Ook de vroegere Dominicaner -
kerk is een driebeukige basiliek met lang koor en
merkwaardige galerij. Verder de H. Geest-kerk door
Schildknecht van 1726 — ’29 gebouwd; een Piot. bede-
huis van Fransch karakter (rechthoekig).
Het schilderachtige raadhuis in laat-Gotischen stijl
(1406) is in de vorige eeuw herhaalde malen gerestau-
reerd. De woonhuizen zijn over het algemeen 18e
eeuwsch (Rococo en Louis XVI -stijl), van voren smal,
maar zeer diep inloopend, met vooruitspringend dak
en langs den straatkant van een overdekte „Laube”
voorzien. De vele sierlijke „Brunnen” dateeren voor
het meerendeel uit Renaissancetijd (Doedelzakspeler.
Schuttersfontein). Het historisch museum Kirchenfeld
is voor de Zwitsersche geschiedenis van belang, bevat
echter ook merkwaardige voorbeelden van laat-middel-
eeuwsche kerkelijke edelsmederij.
L i t. : Sainte-Marie-Perrin, B&le, Berne et Genèvc
(1909 in de serie Les Villes d’Art célèbres) ; Das Bürgcr-
haus in der Schweiz (V 1917) ; Dehio, llandbuch der
deutschen Kunstdenkmaler (IV 1926) ; St&dtebau in der
Schweiz (1929). Kmpping .
met middeleeuwsch mechanisch uurwerk, en Kaiig-
turm, waar het archief werd ondergebracht.
Door acht bruggen, waarvan vier hooge, wordt de
oude stad verbonden met
de arbeiders- en villa-
wijken aan de andere
zijde van de Aare. Over de
steenen Nydeckbrücke
komt men aan den
berenkuil, waarop stads-
kosten eenige beren, de
wapendieren van Bern,
gehouden worden.
hips.
Kunst te Bern.
Gelegen in een wijde bocht
Wapen van Bern. der Aare, kon de stad
zich slechts in twee
richtingen uitbreiden. Vandaar dat oud-Bern tamelijk
nauw op elkaar gebouwd is. Het Münster St. Vincent
(1421) van Mattkeus Ensinger(zoon van den bouwmees-
ter van den dom te Straatsburg) is een driebeukige
pijlerbasiliek, in bouwtrant aan Ulm verwant; het por-
taal heefteen tympaau -reliëf van Kung van Westfalen,
669
Bernabeï — Bernaert
670
Van monumentale beteekenis is ook het oude bonds-
paleis (1857) in Florentijnsche Renaissance, het nieuwe
dateerend van 1892, met daartusschen als bekroning
van het geheel de machtige koepel van het parlements-
gebouw (1902).
Als zetel van het bonds- en kantonale bestuur werd
B. op de eerste plaats beambtenstad. Toch groeit
den laatsten tijd de beteekenis der industrie (zijde-,
wol-, katoenindustrie, machinebouw). De groote
universiteit wordt door meer dan 1 600 studenten
bezocht.
Sinds 1869 is B. ook zetel van de internationale
post- en telegraafvereeniging. Lips.
Disputatie van Bern. Op dit dispuut, gehouden
5 — 26 Jan. 1528, waar beide partijen, Katholieken en
Protestanten, vertegenwoordigd waren, trachtte men
in 10 thesen de Kath. leer in haar traditioneele punten
aan te vallen, om door die bestrijding de definitieve
invoering van het Protestantisme te motiveeren.
Daarvoor was de gelegenheid in Bern thans gunstig,
omdat in den Kleinen Raad de Evangelischen door
een nieuwe regeling in de meerderheid waren gekomen.
Nog voor de woordenstrijd ten einde was, begon het
gepeupel kerken en beelden te vernielen. Bij mandaat
van 7 Febr. werd het nieuwe geloof officieel
afgekondigd. Wachters.
Berner Conventie, > Bcrner Conventie.
Berner Conferentie 1900. In 1905 gelukte het de
Zwitsersche regeering, na moeizame voorbereiding en
veel tegenwerking, te Bern een conferentie te beleggen
van regeeringsgedelegeerden, welke ten doel had te
komen tot een internationale arbeidswetgeving. Deze
conferentie eindigde met twee belangrijke besluiten,
gewoonlijk genoemd de Berner Besluiten van 26 Sept.
1906. Het eerste daarvan betrof een regeling van den
nachtarbeid van vrouwen, waarvan de voornaamste
bepaling deze was, dat de arbeid der vrouwen verboden
zou zijn gedurende 11 achtereenvolgende uren, waarin
minstens de periode van 10 uur ’s avonds tot 5 uur
’s morgens moest vallen. Het tweede behelsde een
verbod van het gebruik van witten (gelen) phosphor
bij het vervaardigen van lucifers. Bras.
Berner Program 1917. Na de Berner Conferentie
1906 werd in 1913 te Bern opnieuw een deskundige
conferentie belegd, teneinde te komen tot regeling
van den nachtarbeid van jeugdige mannelijke arbei-
ders, terwijl voor vrouwen en jeugdige personen een
maximum -arbeidsdag van 10 uur zou moeten worden
vastgelegd. De oorlog van 1914 verhinderde de resul-
taten van deze conferentie. Gedurende den wereld-
oorlog (1914-1918) gingen van verschillende zijden
stemmen op, die eischten, dat het vredesverdrag ook
de noodige aandacht zou besteden aan de internationale
arbeidswetgeving. Zoo ontstond het Leeds-
program van Juli 1916, waarin een deel der vak-
organisaties van Engeland, Frankrijk, België en Italië
zijn eischen had vastgelegd, verder het Buffalo-
program van 1917, waarin de American Federa-
tion of Labor haar standpunt kenbaar maakte, en
eindelijk ook het Berner Program van 1917,
samengesteld door de vertegenwoordigers der centrale
en neutrale mogendheden. Het Berner program van
1917 is meer gedetailleerd dan dat van Leeds van 1916,
terwijl het zich ook niet bepaalt tot het geven van be-
ginselen, doch tevens regels voor doorvoering en
controle aangeeft. Er as.
Bernabeï, E r c o 1 e , ltaliaansch componist,
* ca . 1620 te Caprarola (Kerk. Staat), f 1687 te Mün-
chen. Leerling van Benevoli ; 1653 — 1665 organist aan
de San Luigi dei Francesi te Rome, dan tot 1667 kapel-
meester van de St. Jan van Lateranen en daarna tot
1672 wederom in eerstgenoemde betrekking. 1672
werd hij opvolger van Benevoli aan de Sint Pieter en
van 1674 tot zijn dood hofkapelmeester te München in
de plaats van J. K. Kerll. Als componist van kerkelijke
werken en cantates behoort B. tot de Romeinsche
school en zijn stijl is nauw verwant met dien van
Carissimi.
Werken: behalve 5 opera’s, w r aarvan slechts 2
tekstboeken bewaard bleven en vele kamercantatos,
schreef B. hoofdzakelijk kerkelijke werken, 4-8 stemmig ;
weinig is ervan in hs. bewaard. Gedrukt werden motetten
voor 5 zangstemmen, 2 violen en bas (1691) en 3-stem-
mige madrigalen (Concerto madrigalesco, 1669). —
L i t. : R. Casimiri, E. B. maestro della Cappella mqsi-
cale al Laterano (1920) ; R. de Rensis, E. B. (1920)1
Piscacr.
Bernabci da Cortona, Domenico,
bijgen. Boceadoro, Ital. bouwuneester, met anderen
op verzoek van Karei III naar Frankrijk geroepen,
waar hij als „maistre des oeuvres de ma^onnerie du
roy” werkte aan de kasteelen van Amboise, Blo is en
Chambord. Volgens eenigen was hij leerling van
Giuliano da San Gallo. * ca. 1460 te Cortona, f 1549
te Parijs.
L i t. : von Geymüller, Baukunst der Renaissance in
Frankreich (Handbuch der Architektur II 6 1898) ;
Haupt, Baukunst der Renaiss. in Frankreich und
Deutschl. (Handbücher der Kunstwissenschaft, 1923) ;
Lesueur, Dominiquc de Cortone, dit Le Boccador (1928).
Knipping.
Bernacchi, Antonio, zangleeraar en com-
ponist, stichtte in Bologna een zangschool, die be-
roemde kunstenaars vormde. * 1686 te Bologna, f 1726
aldaar.
Bernadette Soubirous (Zuster Maria Ber-
narda), Heilige, wier naam onafscheidelijk verbonden
is met de beroemde Maria -bedevaartplaats Lourdes.
*7 Jan. 1844 te Lourdes, f 16 April 1879 te Nevers. B.
was een eenvoudig meisje en ontving van 11 Febr. tot
16 Juli 1858 in de grot van Massabielle 18 verschij-
ningen van de H. Maagd Maria, de Onbevlekte Ont-
vangenis. Hierdoor werd Lourdes een wereld-bede-
vaartp laats, waar tal van wonderen geschieden. Op
29 Juli 1866 trad B. in de Congregatie der Zusters van
St. Gildard te Nevers. Ondanks het voorrecht, dat ze
genoten had, bleef zij thuis zoowel als in het klooster
altijd even bescheiden en kinderlijk eenvoudig. Feest-
dag 18 Febr. 8 Dec. 1933 werd zij op plechtige wijze
in de St. Pieter heilig verklaard.
L i t. : M. Faltz (Freiburg i. Zwl. 1927).
J. v. Rooij.
Brrnadottc, Jean Baptiste, vrijwilliger
in het Fransche leger, generaal, min. van oorlog,
maarschalk, prins van Pontecorvo, * 1764 te Pau,
f 1844 te Stockholm. Jaloezie t.o.v. Napoleon maakte
hem tot middelpunt van ontevreden militairen. Door
Karei XIII van Zweden in 1810 tot opvolger aange-
nomen (als Karei Johan, wmrdt Luth.);18l8 koning.
Zweden ’s belang en afkeer van Napoleon brengen hem
aan de zijde van Napoleon ’s vijanden. Ondanks verzet
der Noren drijft. B. in 1814 hun vereeniging met Zweden
door. V. Claassen.
Bernaert, W u 1 m a r i s, doctor in de beide
Rechten, werd in 1565 met de bisschoppen van Atrecht,
Ieperen en Namen en andere rechtsgeleerden en staats-
lieden bij Margaretha van Panna, geroepen om een
671
Bemaerts — Bernard van Tiron
672
verzoekschrift naar den koning van Spanje te onder- 1
teekenen, inzake verdraagzaamheid van den gods-
dienst in de Nederlanden. Valuekens .
Bemaerts, 1° P ie ter Jan, priester; *7
Oct. 1879 te Antwerpen. Ziel en hoofd van de Katho-
lieke Ylaamsche Tooneelcentrale, organisme, waarin
de actie van de Algemeene Tooneelboekerij, liet Alg.
Kath. VI. Tooneelverbond en den Tooneelgids samen-
vloeit en gecentraliseerd wordt.
L i t. : H. G. Caunegieter, Karakterschets : Jan
Bemaerts, in Morks Magazijn (29e jg. April 1924).
Godelaine.
2° U 1 m e r, hoogleeraar te Leuven; * ca. 1510 te
Eecke bij Cassel, f 23 Jan. 1571 te Leuven; doceerde
46 jaar, eerst de wijsbegeerte, vanaf 1548 het recht.
Werd in 1550 door Karei V afgevaardigd naar Trente.
Zijn werk werd niet uitgegeven.
L i t. : Biogr. Nat. Erens.
Bernngjic (B o r a g o o f f i c i n a 1 i s), ge-
neeskrachtige plant, die ook wel dient voor schotel-
versiering.
Bcrnaf)ie, P i e t e r, medicus en professor
aan het Amstcrdamsch Athenaeum, schrijver van ver-
schillende, vooral zedcschilderende, blijspelen, o.a.
, : De belachelijke Jonker”, kluchten en enkele treur-
spelen. In het werk van dezen schrijver is weinig meer
te bespeuren van de Nederlandsch-realistische tooneel-
traditie. Hij staat volkomen onder Franschen invloed.
Zijn beteekenis voor de geschiedenis der tooneel-lite-
ratuur is dan ook voor het grootste gedeelte hierin
gelegen, dat zich die invloed bij hem scherp waarneem-
baar begint af te teekenen. * 1656, f 1699. A. Sassen.
Bernaldcz, A n d r é s, Spaansch priester en
geschiedschrijver. * ca. 1450, f 1513. Pastoor van Los
Palacios (bij Sevilla). Schrijver van een kroniek over
het gedenkwaardige tijdperk van het begin der Gouden
Eeuw; de groote daden van Columbus worden er uit
diens eigen manuscripten in verhaald. Hoewel merk-
waardig van soberheid en waarheid, werd het niet
eerder dan ca. 1850 uitgegeven.
Voorn, werk: .Historia de los Rcyes Cf tolicos,
don Fernando y dona Isabcl (Bibliotcca de autores
espanoles ; LXX Rivadeneyra). — L i t : Pizarro y
OreUana, Varones ilustres del Nuevo Mundo (Madrid
1639) ; A. G. Barcia, Historiadores de Indias (Madrid
1749); E. de Vedia, Historiadores primitivos de Indias
(Madrid 1853). Borst.
Bcrnanos, G e o r g e s, Fransch romanschrij-
ver van de jong-Katholieke richting, onder invloed
van H e 1 1 o en B 1 o y. *1888 te Parijs. In sterk-
analytische, vurig en fraai geschreven, veelal zedelijk-
gewaagde romans, waarin de godsdiensttwijfel hoofd-
probleem is, verkondigt B. een opvatting van de wils-
vrijheid, die de macht van Satan pessimistisch over-
drijft en de werking der genade aanzienlijk uitschakelt.
Werken: Les amants de Verdun (1924) ; Sous le
soleil de Satan (1926) ; La joie (1929) ; L'imposturc
(1930) ; La grande peur des bien-pensants (1931).
Baur .
Bernard, eigennaam; zie ook > Bernardus.
Bernard, koning van Italië, natuurlijke zoon
van P i p p ij n en kleinzoon van Karei den Grooten.
f 818. Hij werd bij den dood zijns vaders (810) koning
van Italië. Bij de verdeel ing van het rijk in 817 werd
aan B. niets toegewezen. Hij smeedde daarop een samen-
zwering, doch moest zich spoedig onderwerpen. Een
Rijksdagvergadering veroordeelde hem ter dood;
Lodewijk de Vrome ,. verzachtte” dit vonnis tot blind-
| maken. Tengevolge der pijnen, doorstaan bij het vol-
trekken van dit vonnis, overleed B. enkele dagen later.
Stoot mans.
Bernard, graaf van Saksen, bekend, omdat
hij met graaf Th iet mar, in den geweldigen slag bij
Lenzen (5 Sept. 929), een beslissende overwinning
behaalde op de opstandige Wenden.
Bernard van Saksen- Weimar, jongste
zoon van hertog: Johan 111, * 1604 te Weimar, f 1639
te Neucnburg in Baden. Streed sedert 1622 met de
Ih'ot. condottieri in W. Duitschland in de eerste
tijdperken van den 30-jarigen oorlog, ook in Deenschen
dienst; in 1628 liet hij zich eenigszins verzoenen, trok
zich terug uit den Duitschen strijd, maakte o.a. in de
Nederlanden het beleg van Den Bosch mee (1629).
Sedert 1631 trad hij weer op en onderscheidde zich in
dienst van Gustaaf Adolf; na het sneuvelen van den
Zwcedschen koning in den slag bij Lützen (6 Nov.
1632) nam hij het opperbevel op zich en behield het
slagveld tegenover Wallenstein. Bij Nördlingen (6
Sept. 1634) werd hij samen met den Zweedschen veld-
heer Horn door de keizerlijke partij verslagen.
Hij wordt dan door Richel ieu met 18 000 man Duit-
sche troepen in dienst genomen en veroverde d<n Elzas
voor Frankrijk; maakte hij zich gereed Beieren en de
Oostenrijksche erflanden te gaan aanvallen, maar
stierf plotseling.
L i t. : G. Droysen, Bern. v. Weimar (2 dln. 1885) ;
Thoma, Bernh. v. Weimar (1904) ; De Noailles, Bernard
de Saxe-Weimar et la réunion de 1’Alsace è, la France
(1908). v. Gorkom .
Bernard de Ycntadour, wellicht de grootste
der troubadours, dichter bij uitstek van de Liefde:
een vijf en veertigtal zijner liederen zijn nog bewaard,
waarin hij, in sierlijk gebouwde strophen, al de ver-
rukking, maar ook de kwelling en foltering, al de
vertwijfeling en blijde verwachting, al de onderworpen-
heid, de schuchterheid, den angst in trouwen, ootmoe-
digen dienst, ondanks nijd en verraad, dikwijls in
verband met het jaargetijde of er mede in strijd, van
den waren minnaar uitzingt. Zoon van een slotknecl t
van graaf Ebles II van Ventadour, was hij o.a. in den
dienst van Aleonore van Poitiers, en van Raimond VI,
van Toulouse; hij stierf als monnik te Dalon, na 1194,
op betrekke lijk gevorderden leeftijd.
U i t g. : K. Appel (lialle 1915). — L i t. : Salverda de
Grave, De Troubadours (1917) ; K. Vossier, Minnesang
des B. v. V. (1918). V. Mierlo.
Bernard van Chartres, scholasticus en hoofd
van de kathedraalschool van Chartres; f tusschcn
1124 en 1130. B. houdt volgens Joannes van Salisbury
in de leer der algemeene begrippen het midden tusschen
Plato cn Aristotcles; de Aristotelische zelfstandig -
heidsvormen treden op als afbeeldingen der Platoonschc
ideeën, die onveranderlijk in Gods verstand bestaan.
De verbinding van het cxemplarisme van Augustinus
met de universalia leer van Aristoteles door Thomas
van Aquino wordt hier voorbereid.
L i t. : A. Clerval, Les écoles de Chartres au Moyen-
Age (Parijs 1895) ; E. Gilson, Le Platonisme de Bernard
de Chartres in Rev. Néo-Scol. (XXV 1923, 5-19).
F . Sassen •
Bernard van Tiron, Heilige, Benedictijner-
monnik; 1100 abt van St. Cyprien. Keerde zich af van
Cluny en stichtte een klein klooster in het woud van
Tiron (dioc. Chartres), nadat hij eerst predikend was
rondgetrokken.
L i t. : J. v. Waltcr, Die ersten Wanderprediger
URENBOEK VAN DEN
HERTOG VAN BERRY
Ontmoeting der Drie Koningen. Miniatuur uit de ,,Très riches heures du duc de Berry" (1416).
BETHLEHEM
Gezicht op de stad, links de Geboortekerk, rechts de Catharinakerk van het Franciscanerklooster.
Geboortegrot in de Geboortekerk. Een zilveren ster onder het Grieksche altaar geeft de plaats der geboorte
van Christus aan.
673
Bernard van Tours — Bernard
674
Frankreichs (II Leipzig 1906, 1 vlg.); Lex. Theol. Kirche
(II, 208).
Bernard van Tours, > Bemardus Syl vestris.
Bernard van Utrecht, clericus, leermeester
aan de Domschool te Utrecht op het einde der elfde
eeuw. Schreef een grootendeels ongedrukte commen-
taar op de Ecloga van > Theodulus (Godescalc?),
een dialoog tusschen Alithia (waarheid) en Pseustis
(leugen). B. droeg liet zeer woordrijk en uitvoerig
werk op aan Koenraad, bisschop van Utrecht (1076— ■
1099). Zijn voornaamste bronnen zijn Servius, St.
Isidorus, > Fulgentius Mythographus en Remigius.
Talrijke hss. zijn ervan bewaard o.a. te München,
Kassei, Einsiedeln, Weenen.
L i t. : Dedicatiebrief bij Martène-Durand, Yeterum
SS. ampl. coll. (I, 512 vlg.); uittreksels bij Jos. Frey,
Ueber das mittelalterliche Gedicht Theoduli ecloga und
den Kommentar des Bernhard Ultraiect. (Munster
1904) ; Manitius, Gesch. der latein. Lit. (III, 194-196).
Lampen.
Bernard, 1° C h. J., directeur van het dept.
van Landb., Nijv. en Handel in Ned.-Indië; * 5 Dec.
1876 te Genève. In 1905 in ’s Lands dienst als waar-
nemend afdeelingschef op het dept. van Landb. te
Buitenzorg. In 1912 benoemd tot adviseur voor de
theecultuur; was tevens directeur van het proefstation
voor de theecultuur te Buitenzorg. 21 Maart 1928
werd B. benoemd tot waarnemend directeur van
Landb., Nijv. en Handel in Ned.-Indië, waarna 22 Jan.
1929 zijn definitieve benoeming als zoodanig volgde.
B. publiceerde talrijke artikelen over de theecultuur,
vnl. verschenen in het Archief van de Theecultuur in
Ned.-Indië. Dijkstra.
2° Charles de, Fransch romanschrijver uit
de school van Balzac. * 1804 te Besan^on, f 1850 te
Neuilly. Beter stilist dan zijn meester en voortref-
felijk opmerker als hij, doet Bernard voor hem slechts
onder in scheppende kracht en vruchtbaarheid.
Werken: Le noeud gordien (1838) ; Gerfaut
(1838) ; Le paravent (1839) ; La femme de 40 ans (1840) ;
Les ailes d’Icare (1840); La peau du lion et la chasse aux
amants (1841) ; Le gentilhomme campagnard (1846). —
Lit.: L. de Piépape, Notice sur C. d. B. (Besanpon
1885). Baur.
3° C 1 a u d e, heilig priester uit de 16e eeuw,
* 26 Febr. 1588 te Dijon (Frankrijk), f 23 Maart 1641
te Parijs. B. was eerst jurist; in 1622 priester gewijd.
Hij deed onnoemelijk veel voor zieken en armen, vooral
de zielzorg onder de misdadigers in de gevangenis
had zijn aandacht. Te Parijs stichtte hij een seminarie
voor 33 onbemiddelde studenten uit alle diocesen,
dat tot 1790 bleef bestaan. Na zijn dood geschiedden
talrijke genezingen op zijn voorspraak. De commissie,
belast met het onderzoek van deze feiten, werd reeds
in 1641 benoemd, maar moeilijkheden, o.a. de Janse-
nistische verwarringen, verhinderden de voortzetting
van het canonisatieproces. J. van Rooij.
4° C 1 a u d e, Fransch physioloog, * 1813 te
Villefranche bij Lyon, f 1878 te Parijs. Wilde eerst in
de literatuur, schreef een drama, bood het aan ter
opvoering. De academicien St. Mare Girardin ried
hem aan, medicijnen te studeeren. B. kon echter geen
assistentenplaats krijgen; in 1843 afgestudeerd; kon
toen evenmin agrégé worden. De wanhoop nabij, sloot
hij een rijk huwelijk. Magendie nam hem eindelijk als
assistent aan. B. bleef onbekend, en werd eindelijk,
40 jaar oud, professor in de algemeene physiologie aan
de Sorbonne. Hij was de beroemdste vivisector. De
eerbewijzen volgden elkaar later op. Hij geldt als de
grootste Fransche physioloog der 19e eeuw, „la phy-
siologie même”. Hij werkte onsystematisch; zijn groot-
ste ontdekkingen deed hij tijdens de demonstraties
op het college. Bekend zijn zijn proeven over de
hersenzenuwen, de vasomotorische functie van den
halssympathicus, vooral de suikersteek: door een steek
in de vierde hersenventrikel komt er door werking
op het pancreas suiker in de urine; dit was het begin
van de wetenschappelijke kennis der suikerziekte.
Lit.: J. Y. de Groot, Denkers over ziel en leven.
Schlichting.
5° J e a n Jacob, Fransch tooneelschrijver
van het >Théatre du silene e. *30 Juli
1888 te Enghien-les-Bains. Hij schrijft bij voorkeur
blijspelen volgens een techniek, die vooral werkt met
onrechtstreeksche karakteristiek en een dialoog met
lange poozen en onsamenhangende rede en tegenrede.
Voorn, werken: La joie du sacrifice (1912) ;
Voyage ü deux (1917) ; La maison épargnée (1919) ;
Le feu qui reprend mal (1921) ; Martine (1922) ; Le
printemps des autres (1924) ; L’invitation au voyagt
(1924) ; Denise Marette (1926) ; Le secret d’Arvers (1927).
Baur .
6° J e a n Mare, Fransch dichter van de zgn.
neo-Klassieke richting, die in Les g u ê p e s, het
door hem gestichte satirisch tijdschrift (1909 vlg.),
een tijdlang haar strijdorgaan had, en ten slotte opging
in de > A c t i o n francais e. *4 Dec. 1881
te Valence sur Rhöne, f 9 Juli 1915 in den slag te
Carency. Bernard ’s poëzie van vóór den oorlog (Ron-
deaux choisis, Sub tegmine fagi, 1913) koos zich
„Catulle, Horace, Anacréon et le Virgile des Eglogues”
tot model: rozen, wijn en zinnenroes zijn er, naast een
zeer zuivere landschapschildering, de overheerschende
thema’s. Maar in de eerste maanden van den Wereld-
oorlog verdiept zich dit lyrisme tot een smachtend
gebed (bijv. De profundis) en een gedempte,
ernstiger levensbeschouwing.
U i t g. : Oeuvres de J. M. B., éditées par H. Clouard
(2 dln. Parijs 1923). — Lit. : L. Thomas in Nouvelles
Littéraires (Oct. 1927).
7° Pater, familienaam: Hafkenscheid. Ned.
Redemptorist. Volksprediker, heeft een machtig
aandeel gehad in het opwekken van het Kath. leven
en bewustzijn in
Nederland. *12 Dec.
1807 te Amsterdam,
f 2 Sept. 1865 te
Wittem. Priester en
dr. Theol. (Rome
1832); Redempto-
rist 1833. Predikte
volksmissiën (291)
in Ned., België,
Duitschland, Enge-
land, N. Amerika,
met zóóveel talent,
dat zelfs anders-
denkenden hem be-
wonderden (Evang.
Kerkbode VI, 32 ;
Vil, 79).
Lit.: Lans, Leven van P. Bernard ( 4 1905) ; Het
Kath. Ned. van 1813—1913 (I, 157 en II, 337); Neer-
landia Cath. (fol. X, 1888). Mosmans.
Pater Bernard.
8° Tristan (eigenl. Paul), Fransch roman- e*
vooral tooneelschrijver van de luchtige, ethisch dik-
wijls gevaarlijke richting. * 7 Sept. 1866 te Besanpon.
De geestigheid van T. B., die over onuitputtelijke*
av. 22
676
Bernard — Bernardinus van Siena
676
humor beschikt, toont meer sympathie voor de dwaze
dan voor de wijze maagden: het blinde toeval brengt
de laatsten, met al haar deugd, ten val en leidt de
wegen der eersten ten goede. Een luchthartig pessimis-
me over de redeloosheid van alles hier beneden blijft
de slotindruk van de meeste zijner werken. Een zijner
hoofdtypen, Triplepatte, de held van de
stelselmatige besluiteloosheid, welke T. B.’s hoogste
levenswijsheid schijnt te zijn, vond ook den weg van
de filmkunst.
Voorn, werken. Tooneel : Le fardeau de la
liberté (1897) ; L’Anglais tel qu'on le parle (1899) ;
Daisy (1902); L’ardent artilleur (1905); Triplepatte
(1905) ; Le poulailler (1908) ; Le danseur inconnu (1909) ;
Le petit café (1911); Les petites curieuses (1920); My
love (1922) ; Le sauvage (1931). Romans : Mémoires
d’un jeune homme rangé (1899) ; Un mari pacifique
S ; Deux amateurs de femmes (1908) ; Corinne et
tin (1923' ; Féerie bourgeoise (1924), e.a. — U 1 1 g.:
Thé&tre (5 dln. Parijs 1923 vlg.). — L i t. : L. Treich,
L'esprit de T. B. (Parijs 1925). Baur.
Bernard, Sint, een in 1797 opgeheven Cister-
oiënser abdij aan de Schelde. De overgebleven monni-
ken betrokken 1833 het voormalige Dominicanen-
klooster > Bornhem (bisdom Mechelen) en zetten
er het convent van St. Bernard voort.
Bernardakes, Demettrios, ook B er-
na r d a k is, Grieksch philoloog, * 1834 op Lesbos,
f 1907 te Athene; studeerde in Duitschland en werd
later professor te Athene.
Voorn, u i t g. : Plutarchus’ Moralia (7 dln. met
Epilogus, 1886-1896).
Bernardes, D i e g o, Spaansch-Portugeesch
dichter; * 1630 te Ponte do Barca, f 1605. Hij wordt
genoemd Principe de la poesfa bucólica, en: Dulce
cantor de Lima. Nadat hij, als kroniekschrijver, den
gezant Pedro de Alca<jova Cameiro naar Spanje heeft
vergezeld, neemt hij in 1578 deel aan de expeditie
van koning Sebastiaan naar Afrika. Daar werd hij
gevangen genomen, doch in 1681 herwon hij de vrijheid
door de bemoeiingen van Philips II. Men vermoedt,
dat de Portugeesche dichter Luis de Camoens aan B.
eenige werken ontstal. In ieder geval staat vast, dat
Camoens hem, zoowd als Theocritus, den Griekschen
schepper van het pastorale genre, imiteerde. B. munt
uit door zuiverheid van gevoel en uitdrukking, en
helderheid van denkbeelden.
Voorn, werken: Varias rimas ao bom Jesus e
a Virgem gloriosa (1594); Santa Ursula, OLyma(1596);
Rimas varias, Flores do Lima (1597) en verschillende
Spaansche gedichten. Borst.
Bcrnardin dc St. Pierre, > Saint-Pierre.
Bernardinus a Piconio (Bemardin de Picquig-
ny), Kapucijn, Fransch exegeet en schrijver over ascese.
Het kenmerk zijner studies over de H. Schrift is een te
waardeeren streven naar meer moreel-practische ver-
klaringen en toepassingen van den gewijden tekst.
Werken: Opera omnia (Parijs 1870 — 1872) ; voor-
naamste en zeer verspreid exegetisch werk : Triplex
expositio epistolarum Sancti Pauli (Parijs 1703) ; voor-
naamste ascetisch werk : La vraie manière de sanctifier
sa vie par la préparation éi la mort (Lyon 1701 ; Latijn-
sche uitgave van B. Kistler, Au^sburg 1703 ; Duitsche
uitg. van E. Bierbaum, 1878). Brems.
Bernardinus van Asti, uit den adel der De
Palüs, Kapucijn; 2e stichter der Kapucijner Orde.
* te Asti, f 1664. In 1634 ging hij van de Observanten
naar de Kapuc. over en was daar procurator en vicaris-
generaal.
Bernardinus van Feltre, Zalige, Minder-
broeder, * 1439, f 1494. Volksmissionaris en vasten-
prediker in Italië. Was vooral bedacht op den nood
van het volk en heeft zich bijzonder verdienstelijk
gemaakt door de stichting van zgn. „montes pietatis”,
een soort van volks leenbanken, om het volk te bescher-
men tegen den w T oeker.
L i t. : D. de Kok, De Montes Pietatis, in : De Kath.
van 1912, 1913 en 1914 (in dit laatste art. terecht critiek
geleverd op het w r erk van Lud. de Besse) ; Arch. Franc.
Hist. (XIX, 226 vlg.). v. d. Borne .
Bernardinus van Fossa, Minderbroeder;
* te Fossa, f 1603 te Aquila; ijverde voor de Obser-
vanten; zijn kroniek (Chronica fr. min. obs., uitg.
door Lemmens, Rome 1902) is van groote beteekenis.
Bernardinus van Laredo, Franciscaner
leekebroeder uit Andalusië. * 1482 te Sevilla, f ca. 1546
aldaar. Zijn kennis der geneeskunde stelde hij in
dienst van arme zieken. Hij was geneesheer van koning
Jan II van Portugal en trad 1510 in de Orde der
Minderbroeders. Hij las de middeleeuwsche mystieke
en ascetische geschriften met wdenschappelijken zin
en vroom gemoed; de schrijver van vsch. medische en
ascetische werkjes. Vooral beroemd is zijn „Subsida del
Monte Sion por la via contemplativa”: Opgang naar den
berg Sion langs den weg der beschouwing, dat van
1636-1617 zesmaal herdrukt werd. Voorde H. Teresia
was dit w’erk een eerste hooggewaardeerde gids in
haar opgang naar het beschouwend leven. Zij vond
daarin ook de grondgedachte van haar hoofdwerk:
Het Kasteel der Ziel.
L i t. : E. A. Peers, Spanish Mysticism, a preliminary
survey (Londen 1924) : R. Hoomaert, S. Térèse éctivain
(1922, 360-374). J. v. Rooij.
Bcruarcliuus van Portuflruaro (familie-
naam Dal V a g o), Minderbroeder, * 1822, f 1895.
Was van 1869 — ’89 alg. overste der Minderbroeders-
orde en wordt genoemd de „restaura tore dell’ Ordine”,
wijl hij in een zeer moeilijken tijd de kloosters, door
secularisatie ontnomen, trachtte te herkrijgen en de
provincies zocht te herstellen. Hij stichtte het bekende
studiehuis S. Bonaventura te Quaracchi, het inter-
nationale college S. Antonio te Rome en het Orde-
tijdschrift Acta Ordinis Fratrum Minorum. Zijn
onvermoeide werkzaamheid richtte zich vooral op de
verdieping van het religieuze leven, het oprichten
van Seraphijnsche colleges, den ijver voor de buiten -
landsche missies, de bevordering der studie (vooral
Bonaventura-studie) en de verbreiding der Derde Orde
van S. Franciscus.
Lit. : I. Beschin, II Servo di Dio Padre B. de Porto-
gruaro (2 dln. Treviso 1927) ; Coll. Franc. Neerl. (1 1927,
389 vlg.). v. d. Borne .
Bernardinus van Siena, Heilige, Minder-
broeder, * 1380, f 1444. Beroemd volkspredikant uit
den tijd van het Humanisme. Met sommigen dezer
richting stond hij in connectie en in zijn preeken wist
hij het goede ervan te waardeeren, ofschoon hij gelijk
zijn ambtgenooten fel de extravaganties bestreed. Zijn
preeken bevatten rijke gedachten; de Italiaansche
zijn van letterkundige waarde om de levendige schil-
dering, de Latijnsche zijn meer materiaalverzameling.
B. was een vurig ijveraar voor de hemieuwingsrichting
(de zgn. Observantie) in zijn Orde en stond eenigen
tijd aan het hoofd ervan. Met zijn leerling, den H. Joan-
nes van Capistrano, ijverde hij voor de vereering van
den naam Jesus, wat hem in veel moeilijkheden bracht:
zijn streven werd echter door de pausen Martinus V
en Eugenius IV goedgekeurd.
677
Bernardinus van Uden — Bernardus
678
B. wees op het belang der gezonde beginselen in de
ascese; zonder de principes ooit prijs te geven, waar-
schuwde hij voor overdrijving. Ofschoon als Observant
VM Bernardinus van Siena.
„Schrotblatt” uit het einde der 15e eeuw.
vurig verdediger der armoede, bleef hij er zich levendig
van bewust, dat de liefde het fundament der armoede
moest zijn. In alles toonde hij zich een ijverig volgeling
van Franciscus.
U i t g. van Do la Haye (oncritisch) ; Ital. preeken
werden uitg. door Bianchi. — L i t. : S. Franciscus
(XVIII vlg., 1903, enz.) ; H. Hefele, Der hl. B. und die
fraimskanische Wanderpredigt (Freiburg 1912) ; B.
Kruitwagen, in : Neerl. Franc. (I 1914, 349 vlg.) ; M.
Sticco, II Pensiero di S. Bern. (Milaan 1924) ; Biographie
van Thureau-Dangin (nieuwe uitg. Parijs 1926 ; zeer
goed). Goede bibliogr. in Lex. Theol. Kirche (II, 216).
v. d. Borne.
Voorstelling in de kunst. B., gekleed
als Minderbroeder, draagt een schild of een vaan met
Jesus’ naamcijfer: IHS in een stralengloed daar op.
Boven het naamcijfer drie spijkers met de punten naar
elkaar toe. Verder heeft hij een kruis, een boek, een
model van de stad Siena en drie mijters. Ook wordt hij
afgebeeld met een boek, waarop drie bergtopjes liggen
met boomen en bloemen begroeid, ter herinnering aan
zijn ijveren voor de zgn. Montes Pietatis. B. is verder
afgebeeld als getuige van Maria ’s verheerlijking.
Heijer.
Bernardinus van Uden, familienaam Joan-
nes van der Voort. Legde als custs-proo-
vinciaal opnieuw den grondslag voor de orde der
Kapucijnen in de Nederlanden. * 14 Sept. 1815 te
Uden, f 25 Nov. 1854 te Velp. Eerst kapelaan te Wes-
sem, werd hij in 1841 Kapucijn. Hij was licentiaat in
de theologie.
L i t. : Godsdienstvriend (LXXIII 1854, 561 vlg.).
p. Placidu8.
Bernardo Portinari, Italiaansch koopman te
Brugge en beschermer der kunsten in de 15e eeuw.
Bernardus, 1° een bisschop van Parma.
* te Florence uit de adellijke familie der Uberti.
In 1085 werd hij monnik in S. Salvi en bekleedde ver-
schillende hooge ambten in de Orde. Paus Urbanus II
benoemde B. tot kardinaal. B. was in zijn tijd de beste
diplomaat der curie en een onverschrokken prediker.
In 1106 besteeg hij den bisschoppelijken zetel van
Parma, dat hem na zijn dood reeds spoedig als be-
schermheilige der stad vereerde.
L i t. : R. Davidsohn, Forsch. zur alt. Gesch. v.
Florenz (1897, 66-68) ; N. Pelicelli (Parma 1923).
J. v. Rooi#.
2° Heilige, Cisterciënser, abt van Clairvaux,
kerkleeraar (Doctor Mellifluus, ultimus inter Patres).
Ofschoon het predikambt niet tot de taak zijner Orde
behoort, is B. zoowel in als buiten het klooster een
roemrijk prediker geweest, wiens preeken tijdgenoot
en nageslacht onverminderd bleven bekoren en stich-
ten. Zijn theologie onderging den invloed van zijn rijk
en warm gemoed en is doordrongen van den geest des
gebeds. Zijn godsvrucht tot Maria is mede een zijner
kenmerkende eigenschappen. Onuitputtelijk is hij in
lofprijzingen van de Theotokos, die vol van genade
(plena sibi, nobis superplena et supereffluens) ons door
God als middelares gegeven is en met haar Zoon mag
meewerken aan onze Verlossing. Zijn „Memorare* 5
bleef er de door de Kerk en het geloovige volk over-
genomen belijdenis van. Zijn mystiek is het best
ontwikkeld in zijn: De diligendo Deo (causa diligendi
Deum, Deus est; modus sine modo diligere) en zijn
preeken over het Hooglied, waarin hij zijn mystiek
huwelijk met Christus viert: de menschheid van het
Woord had zijn ziel een „groote en zoete wonde”
geslagen. > Bernardijmche mystiek. B.’s werken
bleven tot heden vruchtbaar voor het Kath. leven,
en een vindplaats voor de liturg, teksten van de
nieuwste feesten (H. Hart, diverse Mariafeesten,
St. Joseph). J. Sassen .
* 1090 te Fontaines bij Dijon, f 1153; 1173 heilig
verklaard. Feestdag 20 Aug. In 1112 trad hij met
30 gezellen te Citeaux in, en werd 3 jaar later reeds
door abt Steph. Harding met de stichting van Clair-
vaux belast, vanwaar voor zijn dood nog 68 andere
dochterhuizen uitgingen. Gaarne had de Heilige in de
stilte van het klooster geleefd, maar zijn buitengewone
gaven van wijsheid, heiligheid en welsprekendheid
verwierven hem spoedig een invloed, waarvan de
pausen zich tot heil der Christenheid zoowel van het
Oosten als van het Westen wisten te bedienen. De
eenheid der Kerk ging hem bovenal ter harte. Grooten
invloed oefende hij uit op het kloosterleven van zijn
tijd; zelfs Cluny kon er zich niet aan onttrekken.
Gedurende het schisma (1130 — ’38) deed hij veel om
Innocentius als rechtmatigen paus te doen erkennen.
679
680
Bernardus Guidonis — Bernardus van de H. Tkeresia
Niet minder gingen hem de waardigheid en heiligheid
van het pausschap ter harte (De consideratione).
Herhaaldelijk trad hij uit blakende liefde tot de waar-
heid tegen dwaalleeraars op: tegen Abelard, die op het
Concilie van Sens werd veroordeeld (1140), tegen Pierre
Bruys en de Henricianen, wier verderfelijken invloed
hij in Z. Frankrijk tijdelijk tegenhield (1145), tegen
Gilbert de la Porrée op het Concilie van Reims (1148).
Ook nam hij om dezelfde beweegredenen en wegens de
gevaren voor de Christenheid een zeer werkzaam aan-
deel in de prediking van den tweeden Kruistocht
(1146—1147). Gelouterd door velerlei beproevingen
ontsliep hij den 20en Aug. 1153.
Werken. Zijn geschriften, te talrijk om hier af-
zonderlijk op te noemen en waaruit een innige vroom-
heid spreekt, zijn vnl. preeken, o.a. op het Hooglied,
en tractaten over theologische onderwerpen, waaronder
het boek De Consideratione, gericht aan een geliefd
leerling, paus geworden onder den naam van Eugenius
III. Zie Migne P. L. (CLXXXII— CLXXXV). — Li t. :
L. Janauschek, Bibliographia Bernardina, tot 1890
(Weenen 1891) ; E. Vacandard, Histoire de S. Bernard
(2 dln. Parijs 4 1910) ; Saint Bernard et son temps,
Recueil de mémoires . . . présentés au Congrès de
Dijon (Dijon 1928). Lindeman .
Voorstelling in de kunst. B., gekleed
als Cisterciënser monnik, draagt regelboek en abbatiale
staf. Overige attributen zijn: een kruis; lijdens instru-
menten (Rosweyden); een hond; drie mijters en een
bisschopsstaf, naast hem op den grond liggend; een
banderol en zegel (Bemarduszegel). Men beeldt hem
ook af geknield biddend voor een kruis (van Loo).
Somwijlen heeft Christus aan het kruis de armen daar
van losgemaakt en omarmt B. Of wel, terwijl hij zijn
homilieën schrijft, verschijnt hem de H. Maagd,
omgeven door engelen. Bij Murillo toont Maria aan B.
haar ontbloote borst. Verder heeft men uit zijn leven
verschillende gebeurtenissen in beeld gebracht. Zie
pl. t/o kol. 513. Heijer.
St. Bernardus in de literatuur. Van
St. Bernardus werden in het Mnl. vertaald Ser-
moenen, gedeeld in winterstuc en somerstuc:
nog uit verschillende hss. en fragmenten bekend, en in
1484 en 1485 te Zwolle bij Peter van Os gedrukt.
Aangehaald, reeds door Hadewych, in sermoenen,
ascetische schriften, zedenwerken, als bij Jan Praet,
waren „leren” (Vaderlandsch Museum, 1858), gebeden,
contemplacies over den zoeten Naam Jesus (uit het :
Jesu, dulcis memoria, van hem?), uittreksels uit
zijn commentaar op het Hooglied, op het evangelie
Missus est, vooral verspreid. Ook een leven van hem is
vertaald geworden. Op zijn naam gingen nog: Onser
liever Vrouwen souter ; boecxken van verduldich lijden,
een compilatie; van den hcmelschen wijngaert, de
vitis mystica van den H. Bonaventura; de epistel tote
Raymonde, hoe men een huus regeeren sal.
V. Mierlo.
3° Bisschop van Hildesheim gedurende de jaren
1130 — ’63. Hij bouwde verschillende kloosters
en kerken, o.a. de Godehardi-kerk, een juweel van
Romaansche bouwkunst. In deze kerk werd B. begra-
ven. Het volk vereerde hem als Zalige en wonder-
doener. In de Orde der Benedictijnen wordt hij als
zoodanig vereerd. Feestdag 20 Juli.
4° Kluizenaar, > Wenden (Missie).
Bernardus Guidonis, Dominicaan, geschied-
schrijver en inquisiteur in de provincie Toulouse
(1307 — ’24). * ca. 1260 te Royères (Limousin), f 30
Dec. 1331 te Lauroux. Hij trad streng doch rechtvaar-
dig op als inquisiteur, zooals blijkt uit zijn: „Practica
(contra infectos labe) haereticae pravitatis”. Van zijn
andere werken is o.a. bekend: „Catalogus brevis ponti-
ficum Romanorum et imperatonim”.
L i t. : A. Bigelmair in Lex. Theol. Kirche (II, 203).
Koeken.
Bernardus Syl vestris, of B. van Tours,
Scholasticus, midden 12 eeuw. Hij schreef een De
universitate mundi, sive Megacosmos et Microcosmos,
een allegorisch mythische natuurphilosophie in
proza en verzen, pantheïstisch getint en steunend op
den Timaeus-commentaar van Chalcidius, een Ars
dictaminis, over proza en poëzie en de vermenging
van beide, een philosophisch bedoelden commentaar
op de Aeneïs, waarbij hij putte uit Macrobius, Martia-
nus Capella en Fulgentius Mythographus en dwaze
woordverklaringen geeft. Wordt soms verward met
Bernard van Utrecht.
L i t. : Manitius Gesch. d. lat. Liter. d. Mittelalters
(III 1931, 205-209). F. Sassen/ Fr anses.
Bernardus Tolomco (Ptolomaeus), Geluk-
zalige, stichter der Olivetijnen. * 1273 te Siena, f 1348.
Feestdag 21 Aug. Hij voelde zich reeds jong tot het
kloosterleven aangetrokken, maar door den tegenstand
zijner familie moest hij zijn plan opgeven. Hij bekleed-
de voorname posten in het stadsbestuur van Siena,
waarna hij zich in 1313 terugtrok in een wildernis nabij
zijn vaderstad. Hij stichtte er een klooster, waar bij-
zonder de devotie tot de H. Maagd bloeide. De con-
stituties, gebaseerd op den Benedictijner Regel, werden
in 1319 door Guido, bisschop van Arezzo, goedgekeurd.
L i t. : Acta S.S. Aug. (IV 1739, 464) ; Maréchaux, Vie
du Bienheureux Bernard Tolomei (Parijs 1898).
Lindeman.
Bernardus van Ander matt, familienaam
Eduardus Kristen. Als minister -generaal
(1884^-1908) breidde hij de > Kapucijner Orde, en
vooral hare missiegebieden zeer uit. * 23 Juli 1837
te Andermatt, f 11 Maart 1909 te Ingenbohl. Hij
schreef: Leben des H. Franciscus v. Assisi (Innsbruck
1899), in verscheidene talen vertaald; verder talrijke
brieven enz. in Analecta O.M. Cap. (begonnen in
1884). In 1908 tot titulair aartsbisschop van Stauro-
polis benoemd.
Lit. : Analecta O.M. Cap. (XXV Rome, 113, 151
vlg.). p. Placidus.
Bernardus van Breitenbaeh, kanunnik uit
Mainz, f 5 Mei 1497, bekend door zijn reis naar het H.
Land in 1483, welke door Martinus Röth in het Latijn
werd opgeschreven en door zijn reisgezel, den litrecht-
schen schilder Erhard Rewich, met waardevolle hout-
sneden verlucht. Dit werk beleefde een groot aantal
uitgaven.
Lit.: Röhricht, Deutsche Pilgerreisen nach dem
hl. Lande (Innsbruck 2 1900). J . v. Rooij.
Bernardus van Cluny , of M o r 1 a n e n s i s
(= Morlaix, Bretagne ?), Benedictijn te Cluny, onder
Peter den Eerbiedwaard igen (1122 — ’56), satirist en
dichter (De contemptu mundi), schrijver van de
Consuetudines Cluniacenses.
Lit.: Morin, Revue des Questions Hist. (XL 1886,
603-613) ; Hurter, Nomenclator litterarius (II, 7).
Bernardus van Corleone, Zalige broeder
Kapucijn. * 6 Fcbr. 1605 te Corleone, f 12 Jan. 1667.
Feestdag 19 Januari.
Bernardus van de II. Theresia (Jean du
Val), Karmeliet, bisschop van Bagdad en tevens
vicaris apostolicus van Perzië en visitator van Ktesi-
phon. * 1597 te Clamecy (Nevers), f 11 April 1669 te
681
Bernardus van Menthon — Barnays
682
Parijs. Aldaar stichtte hij een seminarie voor Ooster-
sche missionarissen zijner Orde, waaruit zich later het
Parijsche miss ie -seminarie ontwikkelde (1642).
L i t. : Bibl. Carm. (I, 285) ; Provinciae Parisiensis
Historia (in het algemeen archief te Rome).
J. v . Rooij.
Bernardus van Menthon, Heilige, volgens
de overlevering stichter van de kloosters op den
Grooten en Kleinen Sint Bemhard. Critisch schijnt
vast te staan, dat hij 1081 gestorven is; 1681 heilig
verklaard: Pius XI verhief B. in 1923 tot patroon van
de alpinisten.
L i t. : P. A. Pidoux de Maduère, Saint Bernard de
Menthon, 1’apötre des Alpes (Rijsel 1923).
Th. Heijman .
Bernardus van Officia, Zalige broeder
Kapucijn. * 7 Nov. 1604 te Appignans, f 21 Aug. 1694.
Feestdag 1 Sept.
Bernardus van YVaging, Benedictijn uit de
15e eeuw, schrijver van verschillende mystiek -asce-
tische werken; * ca. 1400, f 2 Aug. 1472 té Bergen bij
Eichstatt. Hij was een intieme vriend van Nicolaas
van Cusa, met wien hij een belangrijke briefwisseling
onderhield over mystiek en kloosterhervorming. In
zijn Defensorium et laudatorium der ignorantia
verdedigt hij de docta ignorantia van Nic. van Cusa.
Ue meeste van zijn mystieke ascetische en liturgische
werken zijn in handschrift bewaard te München,
Melk en Weenen.
L i t. : Beitr. zur Gesch. der Philos. und Theol. des
Mittclalters (XIV nr. 2-4) ; V. Redlich, Tegernsee u.
die dtsch. Geistesgeschichte (1930). J. v. Rooij.
Bernardusbroeders, een chiliastische sekte,
gesticht door Bemhard Müller, (* ca. 1780 te Kosheim
bij Mainz, f ca. 1840 in Amerika). Reeds in zijn jeugd
had Müller zgn. openbaringen en in 1815 werd hij door
de ideeën van Pöschls te Salzburg beïnvloed. Hij hield
zich voor den „tweeden Johannes den Dooper”en
leerde, dat het duizendjarig rijk op komst was. Müller
had vele aanhangers zelfs in invloedrijke kringen;
de groothertog van Hessen-Darmstadt verhief hem
in den adelstand (baron von Proli of Broli). Door
geestelijke en wereldlijke overheden achtervolgd, ver-
trok hij in 1831 met 46 volgelingen naar Amerika. De
sekte bestaat tegenwoordig niet meer.
L i t . : A. Fr. Ludwig, Die chiliast. Bewegung in
Franken und Hessen in 1. Drittel des 19. Jahrh. (1913).
J. van Rooij.
Beriiarclusbrood, St., wordt gewijd onder aan-
roeping van den II. Bernardus van Clairvaux, patroon
tegen rheumatische pijnen en sommige veeziekten,
o.a. te Hoeven bij Oudenbosch (N.Br.) op 20 Augustus
en de drie volgende Zondagen. Ook op plaatsen in
België bestaat het gebruik; Lier heeft zijn Bemardus-
bedevaart naar de kerk van de oude abdij van Naza-
reth, waar het volk zich op de onafscheidelijke kermis
tevens te goed doet aan de Bemardusvlaaien.
L i t. : J. H. Nannings, Brood- en gebakvormen en
hunne beteekenis in de folklore fblz. 140, 141).
Knippenberg.
Beruarduskazuifel, moderne, onjuiste naam
voor den kazuifelvorm der M.E.
Bernardus valles. Bernardus valles, montes
Benedictus amabat, oppida Franciscus, celebres Do-
minicus (Ignatius) urbes (Lat.) = De Bemardijnen
bewonen bij voorkeur valleien, de Benedictijnen ber-
gen, Franciscanen stadjes, Dominicanen (Jezuïeten)
groote, beroemde steden.
Bemardijnen, > Cisterciënsers.
Bernard ijnsche mystiek. Hieronder verstaat
men een bepaalde richting in de mystiek, volgens de
leer van Sint Bernardus over de mystieke vereeniging
van de ziel met God, zooals hij die voornamelijk heeft
ontwikkeld in zijn Preeken over het Hooglied. Ber-
nardus geeft geen afgerond logisch systeem, maar
uitgaande van eigen innerlijke ervaring en die van
anderen, steunend op de H. Schrift (vooral St. Paulus),
Augustinus en Gregorius den Grooten, beschrijft
hij, hoe de ziel door vele oefeningen en verstervingen
zich waardig moet maken om als bruid in de meest
innige vereeniging met den Bruidegom, het Woord
Gods, de geestelijke liefdesgeneugten van het mystieke
huwelijk te smaken.
Bij deze één -wording van schepsel en Schepper
wijst St. Bernardus uitdrukkelijk alle gedachte aan
pantheïsme af. Zeer terecht wordt hij de vader van
de Christus- en Bruidsmystiek genoemd. De liefde
is het alles overheerschend element. Dit verbonden
met een sterk persoonlijken inslag, een zoetheid en
zachtheid van uitdrukking en voorstelling, geeft aan
zijn werken een sterk-affectieve kleur, een eigen
bekoorlijkheid, waardoor hij een grooten invloed heeft
uitgeoefend op de ontwikkeling van het geestelijk
leven tot op onze dagen, vooral in deze streken door
de Cisterciënser Orde in de 12e en 13e eeuw, bijzonder
de Begijnenbeweging. Bijna alle volgende theologen,
predikers, ascetische en mystieke schrijvers ondergaan
min of meer zijn invloed of putten uit zijn werken
begeesterende gedachten, beelden of uitdrukkingen.
De intellectualistische school van Eckhart vormt
wellicht de meest scherpe tegenstelling t.o.v. de
Bernardijnsche mystiek.
L i t. ; J. Ries, Das geistl. Leben nach der Lehre
des hl. Bern. (1906) ; J. Bernhart, Eckhartische u.
Bernhardische Mvstik in ihren Beziehungen u. Gegen-
s&tzen (1911) ; R. Linhardt, Die Mystik des lil. B. v.
C. (1924) ; P. Pourrat, La Sqiritualite chrétienne (II,
29 — 116); uitgebreide lit.opgave in Lex. f. Theol. u.
Kirche (s.v. Bemhard v. Clairvaux). J. v. Rooij.
Bcrnauer, A g n e s, de dochter van een bar-
bier uit Augsburg; zij trok de aandacht van hertog
Albrecht III van Beieren, die in 1432 in het geheim
met haar in het huwelijk trad. Tijdens de afwezigheid
van Albrecht liet diens vader hertog Ernst zijn schoon-
dochter wegens tooverij aank lagen en bij Straubing
in den Donau verdrinken (1435). Het droeve lot dezer
vrouw maakte veel indruk op het volk, leefde nog lang
in diens herinnering voort en bleef altijd een dank-
bare stof voor drama’s en volksliederen. Bijzonderen
opgang maakte Fr. HebbeFs ,,Agnes Bernauer”.
Wachters.
Bcrnay, arr. -hoofdstad van het dept. Eure (49°
5' N., 0° 40' O.); 7 590 inw. (1926); linnen- en laken-
industrie; handelsstad; paardenmarkt; kerk (Ste
Croix) uit de 14e — 15e eeuw.
Bernay, Alexandre de, vervaardiger van
den grooten Franschen Alexanderroman in twaalf-
lettergrepige verzen, waarvan hijzelf de eerste en vierde
branches dichtte, de overige twee overwerkte en den
samenhang verzekerde; vóór 1177.
U i t g. : H. Michelant (Stuttgart 1846). V. Mierlo .
Bernays, 1° I s a a k, klassiek philoloog en
hoogleeraar te Breslau, te Bonn, later weer te Breslau.
* 1792, f 1849. Bestudeerde inzonderheid Lucretius
(uitg. 1852) en, in verband daarmede, de Grieksche
wijsbegeerte te Rome; verder leverde hij tal van bij-
dragen tot de kennis der oude denkers en de gods-
683
Bernburg — Berners
684
dienstgeschicdenis (o.m. over de kathars is -theorie bij
Aristoteles, den Pseudo-Phocylides, het tractaat van
Theophrastus over de Godsvrucht, enz.). Zijn werken
zijn van Joodschen geest doordrongen. V. Pottelbergh.
2° M i c h a ë 1, Duitsch Germanist en beoefe-
naar van de vergelijkende literatuurwetenschap. * 27
Nov. 1834 te Hamburg, f 25 Febr. 1897 te Karlsruhe.
B. legde de grondslagen van de > Goethe-philologie
en stelde in vele kleinere monographieën de metho-
denleer op voor de wetenschappelijke letterkundige
historiographie.
Hoofdwerken: Ueber Kritik und Geschichte
des Goetheschen Textes (1866) ; Der junge Goethe
(3 dln. 1875) : J. W. Goethe (in Allgem. Deutsche Biogr.
1880) ; Schriften zur Kritik und Literaturgeschichte
(4 dln. 2 1903). — L i t. : E. Schmidt, in Allgem. D.
Biogr. (XLVI 1902). Baur.
Bernburg, stad in den vrijstaat Anhalt aan
de bevaarbare Saaie; ca. 35 500 inw. Metaalin-
dustrie. In de omgeving komen zoutlagen voor,
die een kali- en soda-industrie in het leven riepen
(Deutsche Solvay Werke A.G.); het zout wordt ook
aangewend voor zoutbaden (sterk geconcentreerd,
31%) en modderbaacn. Behandeling van rheuma,
vrouwenziekten, kinderziekten. Lips.
Bernburgcr stijl is een stijlrichting, welke
vooral aan den da" treedt in de voorhistorische Noord -
Duitsche ceramieK uit do Neolithische periode. Hij
wordt genoemd naar de vindplaatsen bij Bernburg
(onderloop der Saaie). Kenmerken dezer ceramiek:
schaalfijne bouw, glad, meestal zwart, soms rood of
geelachtig oppervlak, ingegrifte, rechtlijnige versie-
ringen, breede vormen (potvormige vazen met wijden
mond, schotels en kannetjes).
Lit.: Ebers, Reallexikon der Vorgeschichte (I 1924,
428 vlg.). Knipping.
Berndtson, Gunnar Fredrik, Finsch
schilder en teekenaar. * 1854 te Helsingfors, f 1895.
Studeerde te Parijs (1876), bereisde Egypte. Zijn
kracht ligt in impressionistisch genrewerk, land-
schappen, stillevens en portretten.
Berne, abdij van, Heeswijk.
Berncau, gem. in de prov. Luik, ten O. van
Verviers; opp. 317 ha, 460 inw.; Berwinne-rivier;
landbouw; kasteden van B. en Longchamps; B. werd
vernietigd in 1914.
Berner, > Bemer van Nijvel.
Berner Alpen, het deel der W. Alpen, dat ligt
binnen het kanton Bern. De smalle Westelijke keten
van Diablerets tot aan denGemmi-pas behoort geheel
tot de Kalkalpen-zone. Oostelijk van Balmhorn ver-
smalt zich deze gordel van Jurakalkgesteentcn ; Eiger
(3 975 m), Wetterhorn (3 703 m) en Blümlis-alp
(3 661 m) hooren er toe. Hoog in het gebergte loopt de
scheidingslijn met het in het Z.O. aansluitend Aar-
massief, dat uit graniet en gneis is opgebouwd. De
hooge toppen van dit gebergte, Finsteraarhom (4 276
m), Schreckhorn (4 080 m), Jungfrau (4 166 m),
Mönch (4 170 m), en die van de Westelijke B.A.,
Balmhorn (3 716 m), Wildstrubel (3 258 m), Wild-
hom (3 264 m), Diablerets (3 246 m), begrenzen
het breed ontwikkelde alpiene dalsysteem van de
Aare, een gebied, dat onder den naam Berner
Oberland bekend is. Deze geweldige bergreuzen
met hun eeuwige sneeuw- en ijsbedekking maken dit
gebied tot een der schoonste en drukstbezochte deelen
der Alpen. Centra van toerisme werden Interlaken,
Meiringen, Grindelwald en Wengen. Zie krt. Lips.
Berner Conventie. Er zijn drie te Bern gehou-
den conventies op verschillend gebied als B.C. bekend.
Deze zijn:
1° De Berner Conventie, die de eerste overeenkomst
was betreffende het internationale postverkeer, geslo-
ten te Bern 1874; gewijzigd door latere verdragen,
vooral door het verdrag de „wereldpostvereeniging”
van 26 Mei 1906 te Rome. •> Postwezen.
2 De Berner Conventie in zake auteursrecht. Deze
werd 9 September 1886 te Bern (Zwitserland) gesloten
onder den naam „Union intern, pour la protection des
oeuvres littéraires et artistiques” en was voorbereid
door een te Parijs gevestigde vereeniging met gelijk
doel. Dit doel is wederzijdsche erkenning van het
auteursrecht. Aangevuld in 1896 te Parijs, verdere
wijzigingen in 1908 te Berlijn en in 1928 te Rome
(Herziene Conventie van 2 Juni 1928). Thans worden
beschermd alle letterkundige, wetenschappelijke en
artistieke voortbrengselen van plast ischen, muzi-
kalen of dramatisch en aard, daaronder begrepen
vertalingen, reproducties, photographieën, films en
bouwwerken. Met het auteursrecht is het vertaalrecht
gelijkgesteld. De bescherming, die de auteur in eigen
land geniet, wordt gedurende 50 jaar in alle aange-
sloten staten gewaarborgd, tenzij het land van oor-
sprong een korteren termijn heeft. De auteur heeft
het uitsluitend recht te machtigen tot draadlooze
mededeeling. De bepalingen omtrent het verzenden
van perstelegrammen namen stelling tegen invoering
van preventieve censuur in vredestijd. Tot het sluiten
der B.C. werkte o.a. België mede. Nederland trad toe
in 1912.
Lit.: J. J. Wijnstroom en J. L. A. Pcremans, Het
Auteursrecht (Zwolle 1930).
3° De Berner Conventie, betreffende het internat,
goederenverkeer op de spoorwegen tusschen nagenoeg
alle staten van het vasteland van Europa. Na den
Wereldoorlog traden enkele staten uit, doch bij bijzon-
dere verdragen onderwierpen zij zich later opnieuw'
aan de voornaamste bepalingen. De overeenkomst
regelt op grondslag van een directen vrachtbrief, door
eenvormige voorschriften, het goederen -transito-ver-
keer op de spoorwegen tusschen de grondgebieden der
toegetreden staten. De overeenkomst van vervoer
komt tot stand door de aanneming van het te vervoe-
ren goed met den vrachtbrief. Vonnissen, gewezen
door een krachtens de overeenkomst bevoegd verklaard
rechter, hebben rechtskracht in alle toegetreden staten
(art. 56). Bij dit tractaat worden betreffende het inter-
nat. goederenverkeer internat, geldende wetsbepa-
lingen vastgelegd, w r elke zich van de afzonderlijke
nationale wetgevingen kunnen onderscheiden. Voor-
looper van > Codificatie Intern. Privaatrecht. Ter
doorvoering van de B.C. zetelt te Bern een centraal
bureau; publiceert een officieel orgaan (1893): Bulletin
des transports internat ionaux par ehemins de fer.
Grondtractaat gesloten te Bern 14 Oct. 1890. Ge-
wijzigd bij de Additioneele Overeenkomsten van Parijs
(1898), Bern (1906), Bern (1924), Bern (1932).
Ned. Wetgeving: Bern (1924): in Wet van 30 Dec.
1926 (Stbl. 473), K.B. 18 Mei 1928 (Stbl. 180); in
werking 1 Oct. 1928. Bern (1932): goedgekeurd Eerste
Kamer 3 Aug. 1933.
Lit.: Molengraaf, Handelsrecht; C. D. Asser jr..
Intern. Goederenverv. langs spoorwegen, enz. (proefsohr.
1887). Beynes.
Berner Oberland, > Bemer Alpen.
Berners, 1° Dame Juliana, schrijfster
ji^!*W]
*S&P
^ -J3 3 .
BERNER OBERLAND
mom
J2 $
^l J2
o;a^
Ki
687
Berner van Nijvel— Bernhardt
688
van het „Book of St. Alban V’, gedrukt te St. Alban’s
in Zuid-Engeland in het jaar 1486, herdrukt in 1496
en ontelbare malen in de 16e eeuw. Het bestaat uit
vier korte verhandelingen: over de valkerij, over de
jacht, en over heraldiek, grootendeels, zoo niet geheel,
naar liet Fransch bewerkt. Over de schrijfster is niets
bekend; zelfs haar familienaam is onzeker; men kan
alleen zeggen, dat zij vermoedelijk geleefd heeft om-
streeks 1450 en misschien in het klooster van Sopwell
bij St. Alban’s.
L i t. : Facsimile uitg. E. Stock (1881) en W. Blades
(1901). Zie verder Dict. of Nat. Biogr. ; E. Gordon Duff,
The English provincial Printers (1912). Pompen.
2° G e r a 1 d T y r w h i 1 1, lord, Engelsch
componist, * 18 Sept. 1883. Was in de jaren 1909- — ’19
in diplomatieken dienst en studeerde een tijdlang bij
Strawinskij en Casella. Hij behoort tot de vooraan-
taande moderne componisten; typeerend is het paro -
distisch element in zijn muziek. Schreef o.a. een
opera, een ballet, orkestmuziek, pianostukken (waar-
onder 3 treurmarschen resp. op een staatsman, een
kanarie en een erftante) en liederen. Reeser.
3° Lord (John Bourchier), verdienste-
lijk vertaler van Fransche werken in het Engelsch.
* 1467, f 1533. Van adellijke afkomst was hij eenigen
tijd aan het hof, en in 1520 werd hij aangesteld tot
onder-gouverneur van Calais, waar hij ook begraven
ligt.
Werken: vertalingen van 7 werken, waarvan 3
beroemd zijn gebleven in de Engelsche letterkunde :
Froissart’s Chronicles (1523 en 1525) ; Huon of Burdeux,
een lange Fransche romance, gedrukt 1534, opnieuw in
1570 en 1601 ; The golden boke of Marcus Aurelius (uit
een Fransche vertaling van Guevara’s Relox de Prin-
cipes), gedrukt in 1534, 1539, 1542, 1553, 1557 en 1559.
Pompen.
Berner van IV Ij vel, kanunnik van St. Martinus
te Luik, was met Siger van Brabant een der leiders
van het Lat. Averroïsme en werd met hem in 1277
na de veroordeeling van hun leer voor de Inquisitie
gedaagd; na beroep op den paus werd B. in vrijheid
gesteld en keerde te Parijs terug.
L i t. : P. Mandonnet, Siger de Brabant et 1’Averroisme
latin au 13e s. (Leuven 2 1911). \F. Sa£3en .
Bcrnrux, Simeon Frans, Fransch mis-
sionaris, * 1814 te Chateau-du-Loir, f 8 Maart 1866
als martelaar in Korea. Na zijn priesterwijding was
hij korten tijd professor in de philosophie, in 1840 ver-
trok hij naar Tonkin. Ook Mandsjoerije en Korea
mochten de vruchten plukken van zijn moedigen missie-
arbeid. Het proces zijner zaligverklaring is in 1902
begonnen.
L i t. : A. Launay, Les Missionaires Francais en
Corée (Parijs 1895, 113-148). J. v. Rooij .
Bernhard, ■> Bemard(us).
Bombard, Christoph, musicus, * 1627
te Danzig, f 1692 te Dresden; leerling van Chr. Werner
en Paul Siefert te Danzig; later van H. Schütz te
Dresden. In 1649 werd hij hier zanger aan de kapel
•n in 1665 onder-kapelmeester. De keurvorst zond
hem tweemaal naar Rome om verder te studeeren bij
Carissimi. Door intriges van Ital. zangers werd hij
verdrongen en was van 1664 — 1674 cantor aan de
Jacobuskerk te Hamburg. Daarna kwam hij weder te
Dresden als muziekleeraar van den prins en onder-
kapelmeester; vanaf 1681 kapelmeester tot 1688, in
welk jaar hij pensioen kreeg. B. was in de 17e eeuw
één der beste musici in Duitschland.
Werken: Gedrukt werden: Geistlichc Harmonien
(1665) ; een zangstuk voor de begrafenis van Joh.
Rist (1667) ; Prudentia Prudentiana (hymnen, 1669).
Eenigo cantates gaf Max Seiffert uit in Denkmaler
deutscher Tonkunst (VI; tezamen met Cantates van
M. Weckmann). Het grootste gedeelte van zijn com-
posities bleef in hs., evenals zijn geschriften. — L i t. :
Jos. Müller-Blattau, Die Kompositionslehre Heinrich
Schützen8 in der Fassung seines Schillers Chr. B. (1926) ;
Herm. Rauschnung, Musikgeschichte der Stadt Danzig
(1926). Piscaer .
Bomhard, St., naam van twee Alpen-
passen. 1° Groote St. Bernhard,
2 470 m, scheidt de Mont-Blancgroep van de Pen-
ninische Alpen. De 84 km lange straatweg verbindt
het Rhöne-dal bij Martigny met het dal der Dora
Baltea bij Aosta. Op de pashoogte staat het beroemde
St. Bemhards-Hospiz. De monniken hebben den
plicht verongelukte reizigers met behulp van hun hon-
den op te sporen.
Van 15 tot 21 Mei 1800 trok Napoleon voor den slag
bij Marengo met een leger van 30 000 man over dezen
pas.
2° Kleine S t. Bernhard, 2 188 m,
scheidt de Savooische van de Grajische Alpen. De
32 km lange straatweg, die Bourg St. Maurice in het
lsère-dal verbindt met Courmayeur in het Aosta -dal,
verloor door den aanleg der Mt. Cenis-lijn zijn betee-
kenis. Lips .
Bernhardi, 1° Friedrich von, Duitsch
generaal en schrijver. * 22 Nov. 1849 te St. Petersburg.
In 1898 werd hij chef der hist. afd. van den gen. staf;
tijdens den Wereldoorlog als korpsoverste eerst aan
het Oostelijk, dan, sedert 1918, aan het Westelijk front.
Veel belangrijker was zijn invloed als militair publi-
cist, o.m. door zijn „Deutschland und der nachste
Krieg” (1913), waarin hij zijn land aanzette het offen-
sief tot den oorlog te nemen om eiken inval te voor-
komen. Werd dan ook aangezien als leider der Panger-
manisten.
Werken: Deutschlands Zusammenbruch (1920) ;
Deutschlands Heldenkampf (1921). Cosemans .
2°* Johann Jacob, Duitsch plantkundige,
* 1774, f 1850 te Erfurt, waar hij hooglceraar in de
plantkunde was. In zijn werken munt hij uit door
groote zelfstandigheid. Hij beantwoordde een prijs-
vraag van de universiteit te Göttingen over de
natuur van cellen, vezels en vaten. Zijn terminologie
op gebied van histologie is origineel.
Werken: o.a. Beobachtungen über Pflanzengefasze
(Erfurt 1805); Handbuch der Botanik (Erfurt 1630).
Bonman .
Bernhardt , Henriette Rosin e, zich
noemende S a r a h, Fransch tooneelspeelster. * 22
April 1843 te Le Havre of 22 Oct. 1844 te Parijs, f 26
Maart. 1923. Haar moeder w*as een Holl.-Joodsche
muziekleerares, haar natuurlijke vader een Fransch
beambte, die de kinderen in een kloosterschool liet
opvoeden. Na een voldoend examen aan het Conser-
vatoire kreeg S. B. haar eerste rollen aan het Gymnase,
de Porte St. Martin en in het „Odéon” (Les femme»
savantes, King Lear, Ruy Bias, Le passant, Kean).
Sinds 1872 behaalde zij in de Comédie Fran^aise schit-
terende successen, speciaal in het klassieke en roman-
tische repertoire (Phèdre, Zaire, Andromaque, Le
mariage de Figaro, Ilernani). In 1880 verbrak zij haar
contract met de Comédie en begon in hetzelfde jaar
een tournée door Amerika, waarbij vooral La dame
aux Camélias haar glansrol was. Teruggekeerd volgt
een tournée door Europa. In 1882 huwde zij met den
689
Bernhardy— Bernini
690
Griek Jacques d’Amala, als toimodspeler bekend onder
den naam Daria. In 1883 bespeelt zij de „Porte St.
Martin”, onder directie van haar zoon Maurice Bem-
hardt. Sardou’s La Tosca en Théodora worden dan
nieuwe succesrollen, evenals Jeanne d’Arc van Barbier
en Cleopatra van Sardou en Moreau. In 1888 volgt
een tweede toumée door Amerika. De lastercampagnes,
door afgunstige collega’s op touw gezet, waren geen
beletsel voor haar steeds stijgenden roem. Een grooten
triomph boekte zij in 1900 in de travesti-rollen van
hertog van Reichstadt in Rostand ’s L’Aiglon, en als
Hamlet.
Als schrijfster gaf zij uit: de blijspelen: L’Epingle
d’or, L’Aveu, Dans les nuages, Impressions d’une
chaise. S.B. had ook talent als beeldhouwster en kreeg
in 1876 een eervolle vermelding, doch in de eerste
plaats heeft zij haar roem verdiend als „tragédienne”,
waarin zij langen tijd niet geëvenaard werd.
L i t. : J. Huret, Sarah Bernhardt (Parijs 1899) ;
Lysiane S. Bernhardt, Le soir de la vie de S. B. (1927).
v. Thienen.
Bernhardy, Gottfried, Duitsch klassiek
philoloog, * 1800 te Landsberg, f 1875 te Ha 11e; van
1829 af professor te Halle. Bestudeerde inz. de Griek-
sche syntaxis (Wissenschaftliche Syntax der Grie-
chischen Sprache 1829), de geschiedenis der Grieksche
en Romeinsche literatuur (Geschichte der Röm. Liter.
1830; Gesch. d. Griech. Lit. 1836 — ’45). Verder be-
zorgde B. een groote uitgave van Suidas’ Lexicon
(1853). V. Poüelbergh.
Bernheim , H i p p o 1 y t e, professor te Straats-
burg, * 1873 te Mulhouse, f 1919. Is vooral bekend
wegens zijn studie van het hypnotisme en van de sug-
gestie.
Berni, Francesco, Italiaansch dichter,
* 1497 te Lamporecchio (Toscana), f 26 Mei 1535 te
Florence. Zijn hoofdwerk is zijn „rifacimento” of
verwerking van > Boiardo’s Orlando innamorato
(1541), maar zijn roem heeft hij te danken aan zijn
burlesk -satirische sonnetten en „capitoli”, die van
geestigheid overstroomen en in het zuiverste Floren-
tiinsch geschreven zijn. Berni is de meester van den
dichttrant, die daarna „poesia bemesca” genoemd
werd. Als Latijnsch dichter heeft hij zich ook ver-
dienstelijk gemaakt.
Werken: Berni’s Italiaansehe gedichten zijn, met
andere van zijn tijdgcnooten (della Casa, Molza, Mauro
enz.), bewaard gebleven in de verzameling Opere bur-
lesche (Florence 1548). Zijn Latijnsche gedichten werden
opnieuw uitgegeven door A. Virgili, onder den titel
Rime, poesie latine, lettere (Florence 1885). — Lit.:
A. Virgili, Francesco Berni (Florence 1881.) TJlrix.
Bernieien, door Woodward ingevoerde benaming
voor de steriele lagen der Carboonformatie, gelegen
onder het Productief Carboon. De naam B. is in on-
bruik geraakt en vervangen door Dinantien.
Bern icki (Branta bemicla), > Rotgans.
Bern Ier, 1° Armand, Fransch -Belgisch
dichter van expressionistische lyriek, die graag den
weemoed bezingt van een groote -stadsjeugd in haar
trek naar het verre, avontuurlijke, ethisch -gevaarlijke.
* 1902 te Braine-l’Alleud.
Werken: Portes obliques ; Carroussel d’ennui
(1932). — Tijdschrift: L’Avant-Poste. Baur.
2° C 1 a u d e, Jezuïet (1617), Fransch mysticus;
* 9 Jan. 1601 te Orléans, f 17 Juni 1654 te Amiens.
B. doceerde Latijn aan verschillende colleges, was
later biechtvader van de hertogin d’Elbeuf, en geeste-
lijke leider der fraters-studenten. Hij leidde een leven
rijk aan mystieke begenadiging, maar werd door
zijn omgeving niet steeds begrepen.
Lit.: Zeitschr. ftir Asz. und Myst. (II 1927, 155-164).
J. v . Rooij .
3° Etienne Alexandre, pastoor te
Angers, * 1762 te Daon, f 1806 te Parijs. Insermenté,
veel invloed op de leiders van den Vendée-oorlog;
reorganiseert dien na 1794 met Stofflet; heersch-
zuchtig en listig, maar ook veel belasterd. Na bru-
maire biedt hij Napoleon zijn diensten aan; pacifi-
ceert de Vendée; toont zich als onderhandelaar van
het concordaat een ijverig dienaar van Nap.; 1802
aartsbisschop van Orleans. V. Claassen.
4° J e h a n, > Jehan Bemier.
Bernières, C 1 a u d e, pseud. van Mme.
L o u f , Fransch-Belgische schrijfster van Katholieke
inspiratie. * 1894 te Swevezeele bij Brugge.
Werken: Le visage des heures (gedichten, 1922) ;
Le villago dans les yeux (roman).
Bern ina -Alpen, Zuid-Westelijk deel van de
Rhatische Alpen, tusschen Oberengadin en Veltlin.
De Oost-Alpen bereiken hier hun grootste hoogte in
de Piz Bernina (4 052 m); andere bergtoppen zijn de
Piz Zuppo (3 999 m), de Piz Roseg (3 943 m), de Piz
Palü (3 912 m) en de Piz Morteratsj (3 754 m). Het
geheele massief, dat uit graniet, gneis, syeniet en
kristallijne leien is opgebouwd, draagt groote gletsjers,
waaronder de Morteratsj-, Fomo-, Roseg-, Tchiewa-
gletsjer aan de N. afhelling, de Palü-gletsjer aan de
O. helling. Van den Maloja-pas voert de Muretto-pas
(2 557 m) dwars door het massief naar Italië. Aan de
Oostzijde ligt de Bemina-pas (2 330 m), waarover een
weg werd aangelegd. De Bernina-spoorweg gaat van
St. Moritz naar Tirano. De lengte bedraagt 60 km;
het hoogste pimt ligt 2 256 m boven zeeniveau. Deze
spoorweg werd aangelegd van 1907 — 1910 en kostte
in totaal 15 millioen frs. Lips.
Bcrninck, Henr., Minderbroeder. Als eerste
gardiaan van het Observantenklooster te Leiden
onderteekende hij de overeenkomst met het stadsbe-
stuur (evenzoo te Antwerpen in 1450).
Lit.: Colleet. Franc. Ncerl. (11^1931, 156).
urn .. av -v -t— rr t i
Bernini, 1° G i a n L o r e n z o, zoon van Pietro,
Italiaansch bouwmeester, beeldhouwer en schilder,
* 7 Dec. 1598 te Napels, f 28 Nov. 1680 te Rome.
Als beeldhouwer leerling van zijn vader; res-
taureerde antieke beelden (Liggende Hermaphrodiet:
Parijs, Louvre). Zijn eerste groote opdrachten kreeg hij
van kardinaal Scipio Borghese: standbeelden, busten
en groepen, nu in de villa Borghese op den Pincio.
Evenals Michelangelo was hij een bewonderaar van de
Hellenistische en laat-Romeinsche portretkunst (de
Laöcoön -groep). In zijn: David, Roof van Proserpina,
Aeneas en Anchises, Apollo en Daphne (geïnspireerd
op een torso, vroeger tot de collectie Borghese behoo-
rende, nu in Berlijn) breekt hij allengs met de vormen
van het Cinquecento. Zie plaat bij art. > Barok.
Als bouwmeester studeerde hij de monu-
menten van het Romeinsche keizerrijk en van Michel-
angelo. Nadat hij voor paus Urbanus VIII een begin
had gemaakt aan den baldakijn van Sint Pieter (1624),
werd hij benoemd tot hoofd-architect van St. Pieter
en bleef sindsdien meer bouwmeester dan beeldhouwer
(liet de in grove lijnen uitgestippelde beelden door zijn
leerlingen uitvoeren). In 1639 huwde hij met Catherina
Tazio, dochter van den procureur van het pauselijk
hof. Bij den opvolger van Urbanus, paus Innocentius X,
stond B. aanvankelijk niet zoo in de gunst, werd zelfs
691
Bernini
692
van het hof verwijderd. Als symbool dezer miskenning
beeldhouwde hij de: Waarheid door den Tijd ontsluierd.
Na den bouw van de Cappella Comari in de S. Maria
dellaVittoria (waarin de beroemde extase derH.There-
sia) herwon hij ’s pausen gunst (1647) en maakte met
hulp van leerlingen de: Fontein der Vier stroomen
(voorst, van de vier groote wereldstroomen: den Nijl,
Donau, Ganges en Rio de la Plata). Na 1653 wijdde
hij zijn beste krachten aan de voltooiing en decoratie
van den Sint Pieter, waarmee hij onder Alexander VII
doorging. De meest belangrijke werken daaruit zijn
de versiering van de langzijde der basiliek en de colon-
nade om de Piazza del Popolo (in den geest der omslui-
ting van de keizerfora), een voorbeeld voor de colonna-
de van St. Pieter. Zijn architectuur draagt de volgende
kenmerken: zij streeft naar organischen opzet der massa
en contrastrijke lichtwerking (clair-obscur, naar het
voorbeeld van Michelangelo), de versiering wordt
woelig en krullend (naar het voorbeeld van de bouw-
kunst van het keizerlijke Rome der 2e en 3e eeuw na
Chr.). De lichtwerking tracht hij door het gebruik van
verschillend gekleurde marmersoorten, door vergul-
den en afwisseling met brons nog te versterken. Met
den bouw van het Palazzo Chigi (nu Odescalchi)
levert hij het voorbeeld van een Barok-paleis: hij
breekt met het eentonige lange front, doch plaatst
op een hoog onderstuk, waarin hij pylonen in den vorm
van rotsen aanbrengt, twee verdiepingen binnen hooge
rijen Korinthische pilasters en zet de derde verdieping
in een lijst. In navolging van het Colosseum versiert
hij den gevel van liet Palazzo Barberini met de boven-
elkander-plaatsing van drie rijen zuilen, elk van ver-
schillende bouworde (Dorisch, Jonisch en Korin-
thisch). Naar het voorbeeld van het Pantheon zijn zijn
kerken concentrisch of (om de dieptewerking te ver-
sterken) ovaal gebouwd. Bij de versiering streeft
hij naar organisch verband van ornament en muur-
massa. Tegenover de fonteinen der Renaissance ver-
toonen de zijne meer een constructie in de breedte,
terwijl niet een dunne waterstraal ergens aan het
beeld ontspringt, maar breede watermassa’s organisch
uit de beelden in een breed, tot den rand gevuld bekken
vloeien. Met het monument van zuster Maria Raggi
(S. Maria sopra Minerva) schept hij de Barokke graf-
tombe: om het medaillon, waarin de portretbuste,
slingert hij breede lappen marmer, die door een denk-
beeldigen windstoot opwaaien. Zijn naam dringt door
tot in Engeland — voor Karei I 'maakt hij naar drie
hem toegezonden portretten, door Van Dijck geschil-
derd, een buste — en Frankrijk — de buste van
Richelieu naar drie schilderijen van Philippe de
Champaigne. In 1664 vroeg Lodewijk XIV hem een
plan voor den gevel van het Louvre en verzocht hem
naar Parijs te komen. Daar werd hij feestelijk ontvan-
gen, doch wegens de afgunst der Fransche bouwmees-
ters kon hij zijn plannen niet uitvoeren. Zijn verblijf
in Frankrijk had echter daar zijn invloed blijvend
gevestigd. Na een beroerte, waardoor zijn rechterarm
verlamd werd (die kon nu eindelijk uitrusten, schertste
hij), stierf B. spoedig.
Naast bouw- en beeldhouwwerken zijn van B.
enkele gravures bekend (voor een uitgave
van de Latijnsche gedichten van paus Urbanus VIII)
en enkele thoaterdocoraties. Vele van zijn schilderijen
heeft hij met eigen hand vernietigd op het laatst
van zijn leven.
De waardeering, die B. gedurende de 17e en 18e
eeuw genoot, is in de 19e eeuw sterk gaan verminderen:
men vond zijn kunst leeg, opgeschroefd en bombas-
tisch. Zij beantwoordde niet aan het klassieke ideaal,
dat men zich opgebouwd had uit de Helleensche kunst
der 5e en 4e eeuw voor Chr. Nu het klassiek ideaal
zich heeft uitgebreid, begint ook een beter begrip
van Bernini ’s kunst boven te komen. De invloed van
B. deed zich vooral in midden-Italië gelden: het Noor-
den werd meer door Borromini geïnspireerd. Zijn
navolgers in de bouwkunst waren vnl. Mattia de’
Rossi, Carlo Fontana en Carlo Rainaldi; in de beeld-
houwkunst: Finelli, Mocchi en F. Duquesnoy.
Voorn, werken: De geredde en de verdoemde
ziel (ong. 1612, Rome, S. Maria in Monserato, sacristie) ;
Aeneas en Anchises (Rome, Villa Borghese) ; David
ibidem) ; monument van den H. Robert Beilarminus
1622, Rome, Gesu) ; Apollo en Daphne (ong. 1623,
Rome, Villa Borghese) ; gevel der Santa Bibiana en
beeld (1626, Rome) ; hoofdgeve: van het paleis der
Propaganda (1627, Rome/ : baldakijn van Sint Pieter
(1627-’33, Rome) ; hoofdgevel van het Palazzo Barbe-
rini (1629, Rome); Bijenfontein (1629, Rome, Vaticaan);
twee busten van kard. Borghese (1632, Rome, Villa
Borghese) ; graftombe van gravin Mathilde van Toscane
(1635, Rome, Sint Pieter) ; kerk der H. Anastasia (1636,
Rome, Palatijn) ; H. Longinus (1638. Rome, Sint Pieter);
buBtc van Karei I van Engeland (1639, Windsor) ;
Tritonsfontein (1640, Rome, Piazza Barberini; ; buste
van kard. Richelieu (1642, Parijs) ; graftombe van zuster
Maria Raggi (1643, Rome, S. Maria sopra Minerva) ;
De door den Tijd ontsluierde Waarheid (1645, Rome,
Casa Bernini) ; Cappella Cornaro met extase der H.
Theresia (1646, Rome, S. Maria della Vittoria) ; Vier-
stroomen-fontein (1647-’52, Rome, Piazza Navona) ;
restauratie van de kapellen van den Sint Pieter (1647-
’53) ; colonnaden van Sint Pieter (1656-’63) ; ver-
siering der cathedra van Sint Pieter (1656) ; Daniël en
Habacuc (1657, Sint Pieter) ; Scala Regia (1663- ’66,
Rome, Vaticaan) ; buste van Lodewijk XIV (1665,
Parijs) ; ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV (ong. 1673,
Versailles) ; ruiterstandbeeld van Constantijn den
Grooten (1670, Rome, Sint Pieter) ; grafmonument van
Urbanus VIII (na 1645, Rome, Sint Pieter) ; graf-
monument van Alexander VII (1672-’78, ibidem) ;
beeld van de stervende Zalige Ludovica Albertoni
(1675, Rome, S. Francesco a Ripa). — Li t. : Baglione,
Lo vite de’ pittori, scultori e architetti (Rome 1642);
Baldinucci, Vita del cavaliere G. L. B. (Florence 1682) ;
Fraschetti, II B. (1900) ; Pollak, Lorenzo B. (1909) ;
Ricci, II B. (1910) ; Munoz, G. L. B., architetto e decora-
tore (1925); Benkard, G. L. B. (1926) ; M. v. Böhm, B.,
seine Zeit, sein Leben und sein Werk ( 2 1927).
Knipring.
2° P i e t r o, Italiaansch beeldhouwer en
schilder, * 1562 te Sesto Fiorentino, f 29 Aug. 1629
te Rome; leerling van Florentijnsche manieristen,
werkte met Tempesta en andere schilders in den dienst
van kardinaal Alexander Farnese in Caprarola, res-
taureerde antieke beelden en ging in 1584 naar Napels,
waar hij medewerker werd van Michelangelo Nacche-
rino (volgeling van Giambologna) bij fonteinen en
sculpturale kerkdecoratie. In 1605 door paus Paulus V
naar Rome geroepen, schilderde hij in de S. Maria
Maggiore. Men roemt zijn vrije behandeling van het
marmer. Vooral onder invloed van zijn zoon Gian
Lorenzo ontwikkelde hij zich uit het maniërisme naar
de Barok (Fontana della Barcaccia).
Voorn, werken: Zeemonsters aan de Fontana
Medina (Napels, 1600) ; beelden voor de Fontana dell'
Immacolatella (Napels, S. Lucia, 1601) ; Maria met
Jesuskind en Sint Jan den Dooper (Napels 1605) ; Ten
hemel opneming van Maria (Rome, S. Maria Maggiore
1606-1611) ; Boodschap des Engels (Bordeaux, S. Bru-
non, 1620) ; St. Jan de Dooper (Rome, S. Andrea della
Valle, 1616) ; medewerking aan het graf van den H.
<593
Bernis — Berno
094
Robert Bellarminus (Rome, Gesu, 1623) ; Fontana della
Barcaccia (Rome, Piazza di Spagna). — L i t. : Brinck-
mann, Barockskulptur (1921). Knipping.
Bernis, Fran$ois Joachim de Pierre
d e, kardinaal, diplomaat, * 1715, f 1794 te Rome;
zocht het priesterschap vanwege de armoede zijner
adellijke familie; kwam in staatsdienst en werd door
den invloed van Mme. de Pompadour gezant te Vene-
tië en te Weenen, waar hij het Fransch-Oostenrijksche
verbond van 1756 voorbereidde, hetgeen hem berouw-
de, toen Frankrijk geheel naar het Oostenrijksche
belang w r erd medegesleept in politiek en financieel
opzicht (1757). In 1758, na de slagen bij Rossbach en bij
Leuthen, viel hij in ongenade. Hij werd echter kardi-
naal, ging in Ï769 als gezant naar Rome en wendde
zijn invloed aan tot de verkiezing van paus
Clemens XIV en tot de opheffing der Jezuïeten -orde.
Zijn „Mémoires et lettres” werden in 1878 uitgegeven
door Frédéric Masson.
B. was met Voltaire bevriend; hij schreef een snedig
proza en beminnelijke Rococo -verzen.
U i t g. : Oeuvres (2 dln. Parijs 1802). — L i t. :
F. Masson, Le Cardinal de Bernis depuis son ministère
(1758-’94) (Parijs 1884) ; Pastor, Geschichte der Papste
(XV 1932). v. Gorkom.
Bernissart, Belg. gem. in deprov. Henegouwen,
ten W. van Bergen; opp. 646 ha, ruim 2 50Ó inw.
Oude heerlijkheid. B. is beroemd door de vondsten
van merkwaardige fossielen. > Bemissartien.
Bernissarticn (genoemd naar Bernissart in
Henegouwen, België), onderaf deel ing der Krijt-
formatie, overeenkomende met het Wealden in België.
Het Bernissartien is bekend om zijn fossielen. De
belangrijkste zijn de Dinosauria, met name het genus
Iguanodon. De mijnput Sa in te Barbe heeft behalve
meer dan 20 complete skeletten van Iguanodons
nog resten van schildpadden, krokodillen cn visschcn
opgeleverd. Aan de fossiele fauna van Bernissart
is in het Musée d’Histoire Naturelle te Brussel een
aparte zaal gewijd. De collectie Iguanodons is eenig
op de wereld.
De flora van het Bernissart ’sche Krijt is beschreven
door Savart. Hofsteenge,
Bcrnissc, of B o r n i s s e, opgeslijkt water,
dat vroeger de eilanden Voorne en Putten (beide
Z. Holland) scheidde. Vroeger werd hier een tol gehe-
ven, die in 1600 naar Dordrecht werd verplaatst.
De dichtslibbing geschiedde door het graven van het
Spui (16e eeuw) en de Dordsche Kil (begin 17e eeuw).
Blaauw.
Bernlêf . Om het jaar 790 ontmoette de H. Liudger
ten huize van een edele vrouw in Oost-Friesland den
toen sedert drie jaar blinden B., die „door zijn geburen
hooggeacht werd, omdat hij het verstond de daden der
voorvaderen en de oorlogen der koningen voortreffelijk
met harpbegeleiding voor te dragen”. Plij is de oudste
met name bekende West-Germaansche dichter: geen
speelman, maar een bij zijn volk in eere staande scöp.
Zijn liederen w r aren wel heldenliederen. Hij moet
echter reeds Christen zijn geweest, toen de H. Ludger
hem bij die ontmoeting van zijn blindheid genas.
V. Mierlo,
Berno (Bern), abt van Reichenau, beroemd
liturgicus. Monnik te Fleury omstr. 999, dan te Prüm,
door St. Hendrik II tot abt van Reichenau gekozen
(1008) in plaats van den wreeden abt Immo. Zijn
brieven over liturgische vragen, o.a. aan Aribo van
Mainz, zeer waardevol. Op verzoek van abt Piligrim
van Keulen schreef B. een werk over muziek: Tonarius.
MetjHendrik III stond B. eveneens in nauwe relatie.
B. zorgde zoowel voor den materieelen als voor den
wetenschappe lijken bloei zijner abdij. Overleed daar
7 Juni 1048; zijn graf in het S. Marcus-koor werd in
1929 weder ontdekt.
Werken: Qualiter quatuor temporum ieiunia per
sua sabbata sint observanda ; Qualiter adventus domini
celebretur, quando nativitas domini feria secunda ad-
venerit ; Ratio generalis de initio adventus domini
(dit werk geeft een lang citaat uit een ons onbekend
werk van S. Hilarius van Poitiers, Officia geheeten) ;
De quibu8dam rebus ad missae officium pertinentibus
(gezonde historische zin ; B. 6tcunt vooral op St. Grego-
rius den Grootcn, Smaragdus en Amalarius) ; Vita S.
Udalrici (omwerking van een ouder leven, weinig nieuws .
Muzikale werken, later veel afgeschreven : Tonarius ;
De varia psalmorum atque cantuum moduatione;
De consona tonorum diversitate. B. componeerde
getijden van St. Ulrich (Udalricus), St. Meinrad, tropen
en hymnen voor Epiphanie, O.L.V. Lichtmis en de
Vasten, een sequentie op St. Willibrord (Laude? Christo
die nunc isto, in hs. St. Gallen, 546, fol. 203 aan Z. Notker
toegeschreven, n St. Gallen 89S aan Berno) ; dit laatste
hs. bevat ook brieven van B. — - U i t g. : Pez, Thesaurus
anecdotorum novis6imus IV in Migne Patrologia lat.
(CXLII) ; Gerbert, Scriptores de musica sacra (II 1784
en 1905). — L i t. : Gatard in Dict. Arch. Lit. (II, 820
vlg.) ; Manitiu8, Gesch. der latein. Literatur des Mittel-
alters (II 1923, 61-71) ; K. Gröber in Lexikon für Theol.
und Kirche (ÏI, 218 vlg., ; R. Molitor, in die Kultur der
Abtei Reichenau (I 1925, 112 vlg.). Lampen.
Nicolaas
raadsheer
1623—1708.
Nicolaas Johannes I
raadsheer 27 Juli 1667 —
1662—1716. 1 Jan. 1748.
Math. prof. te
Groningen (1695 —
1705), daarna te
Bazel.
Nicolaas I
10 Oct. 1687—
29 Nov. 1759.
Math. prof. te
Pavia, Log. et
Jur. prof. te
Bazel.
Jacob I
27 Dec. 1654 —
16 Aug. 1705.
Math. prof. te
Bazel.
Nicolaas TI
27 Jan. 169fi-
26 Juli 1726.
Jur. prof. te
Bazel. Math.
prof. te Pe-
tersburg.
Daniël
29 Jan. 1700-
17 Mrt. 1782.
Math. prof. te
Petersburg.
Anat. et Bot.
prof. te Bazel,
daarna Phys.
prof. aldaar.
Johannes II
18 Mei 1710-
18 Juni 1790.
Math. prof. te
Bazel.
Johannes III Jacob II
4 Nov. 1744 — 13 Juli 27 Oct. 1759—
1807. 3 Juli 1789. Lid
Directeur sterre- van de Academie
wacht te Berlijn. te Petersburg.
695
Bernoulli — Bernstein
696
Bernoulli, 1° E d u a r d, muziekhistoricus,
* 1867 te Bazel, f 1927 aldaar: sedert 1910 hoogleeraar
aan de universiteit te Zurich. Zijn werken bestrijken
uiteenloopende perioden, van de middeleeuwen tot
den modernen tijd. Onder de voornaamste dienen ver-
meld: Aus Liederbüchern der Humanistenzeit (1910);
een heruitgave van M. Praetorius’ Syntagma musicum,
1620 (1916), en een facsimile-uitgave van > Attain-
gnant’s dansen en meerstemmige liederen, 1531 (5 dln.
1914Ï. Lemerts .
2° Naam van een familie te Bazel (oorspronkelijk af-
komstig uit Antwerpen), waaruit in de 17e en 18e
eeuw tal van wiskundigen zijn voortgekomen , vermeld
in bovenstaand uittreksel uit den stamboom. (Zie
kolom 694.)
De grootsten onder hen zijn Jacob I, Johannes I en
Daniël. De eerste twee hebben veel bijgedragen tot de
ontwikkeling van de jonge differentiaal- en integraal-
rekening, tot het ontstaan der variatierekening en tot
de toepassing van de wiskunde op de mechanica. Jacob
I beoefende verder oneindige reeksen, vlakke krommen
en waarschijnlijkheidsrekening (Ars Conjectandi, 1713).
De verstandhouding tusschen de beide broeders is
vanaf 1695 volkomen verstoord geweest door priori-
teitskwesties. Daniël heeft groote verdiensten op het
gebied der toegepaste wiskunde (mechanica, hydro-
dynamica, kinetische gastheorie). Nico laas I hield
zich, voorzoover juridische studiën en andere werk-
zaamheden hem tijd lieten, bezig met hoogeremachts-
vergelijkingen, oneindige reeksen en waarschijn lijk-
heidsrekening; Nicolaas II met differentiaalvergelij-
kingen; Johannes II met synthetische meetkunde;
Johannes III was voornamelijk astronoom; Jacob II
schreef over theoretische mechanica.
L i t. : F. de Boer, De familie Bernoulli in de ge-
schiedenis der wiskunde (rede, Groningen 1896).
Dijksterhuis.
Getallen van Bernoulli (Jacob I). Deze treden
op bij de bepaling van de som van de ke machten
van alle natuurlijke getallen kleiner dan of gelijk aan
n. Men vindt voor het eerste getal van B. (svmbool:
BJ 1/6, verder B 2 = 1/30, B 3 = 1/42, B 4 = 1/30,
B 6 = 5/66, B 6 = 691/2 730, B 7 = 7/6, B 8 = 3 617/510,
enz.
L i t. : L. Saalschütz, Vorlesungen über die Ber-
noullischen Zahlen (Berlijn 1893) ; P. Bachmann, Niedere
Zahlentheorie (II 1910). Dijksterhuis.
Wetten van Bernoulli, > Fluitpijp.
Stelling van Bernoulli-Laplacc, laat zich, zonder
gebruik te maken van formules, als volgt uitspreken.
Wanneer telkens bij ieder van s proeven óf een ge-
beurtenis E (met > wiskundige kans p) óf een gebeur-
tenis E' (met wisk. kans 1 — p = q) optreedt, dan is
onder de moge lijke resultaten dat het waarschijnlijkst,
waarbij de verhouding m : n van de aantallen herha-
lingen van E en E' gelijk is aan of het dichtst ligt bij
p : q. Neemt s toe, dan neemt de kans op het waar-
schijnlijkste resultaat af, en nadert tot nul, terwijl
de kans op een van het waarschijnlijkst resultaat hoog-
stens een zeker, vast gegeven percentage afwijkend
resultaat toeneemt, en tot 1 nadert. J. Ridder .
Bcrnoulliaanscli bewijs, > Inductie.
Bernried, Paulus van, > Paulus van
Bernried.
Bernsen , Joannes Jacobus Atha-
n a s i u s, Franciscaan, palaeontoloog en geoloog,
voortreffelijk kenner van de Ned. fossiele vertebraten-
fauna. * 2 Mei 1888 te Nederhorst den Berg, f 5 Juni
1932 te Leiden; studeerde biologie, geologie en palae-
ontologie te Amsterdam en promoveerde in 1927
cum laude tot dr. phil. op proefschrift: „The geology
of the Teglian clay and its fossil remains of rhino-
ceros”. Bewerkte de fossiele werveldieren uit de klei
van Tegelen, verder hetgeen te voorschijn kwam bij
de werken aan het Twente-Rijn-kanaal en uit de klei
van Maas en Waal en uit de Schelde bij Breskens.
Een uitvoerige publicatie over dit materiaal werd
door zijn plotselingen dood verhinderd; onbeëindigd
bleef ook de bewerking van de Trinil-collectie, ver-
zameld door prof. E. Dubois, tot wiens assistent B.
in 1930 werd benoemd. In deze collectie vond hij drie
dijbeenderen van den Pithecanthropus
e r e c t u s.
Publicaties: Ona fossil monkey found in the
Netherlands, in Proceedings (Kon. Ac. te Amsterdam
XXIII 1930, nr. 7); Eine Revision der fossilen Sauge-
tierfauna aus den Tonen von Tegelen, in Natuurhist.
Maandblad (1930-1932) ; Recente vondsten van fossiele
zoogdieren in Ned., in Geologie en Mijnbouw (11e jg.
nr. 2 en 4). Crommelirn
Bernstein, E d u a r d, Sociaal-Democratisch
theoreticus van naam. Een der oudste S. Democraten
in Duitschland, die Marx en Engels persoonlijk gekend
heeft. In ballingschap in Londen, leerde hij het Engel-
sche Socialisme kennen en werd dientengevolge in
evolutionnaire richting gestuurd. Hij is de vader van
het > Revisionisme. * 6 Jan. 1850 to Berlijn, f 18
Dec. 1932 aldaar; aanvankelijk bankemployé, trok
in 1878 naar Zwitserland; van 1881 tot 1890 bestreed
hij als redacteur van den „Sozialdemokrat” Bismarck’s
Socialistenwet; in 1888 verbannen, verbleef hij tot
1901 in Londen. Na zijn terugkeer in Berlijn was hij
1902—1906, 1912, 1918, 1920—1928 lid van den
Rijksdag, waarin hij den oorlog bestreed.
Werken: Die Kommunistischen und Domokra-
tisch-Sozialen Strömungen in England wahrend des
17 Jahrh. (1895) ; Zur Geschichte und Theorie des
Sozialismus ( 4 1904) ; Der Revisionismus (1909) ; Lasalle
u. der Sozialismus (1920) ; Die Voraussetzungen des
Sozialismus und die Aufgaben der S. D. ( 2 1921).
2° Georg Heinrich, Duitsch oriëntalist en
prof. in de Oostersche talen te Breslau. Schrijver van
vsch. werken, vooral over Syrische literatuur. * 1789,
t 1860.
3° Heinrich Agathan, werd na zijn
studie in de medicijnen als geneesheer aangesteld te
Gadok (Batavia); in 1860 door de Ned. regeer ing belast
met een wetenschappelijk onderzoek van de Molukken
en Nieuw Guinee. * 1828, f 1865.
Werken: Abhandlung über die Nester der Salan-
ganen, en andere Ornithologische bijdragen. Willems.
4° II e n r y, Fransch tooneelschrijver van de
naturalistische school. * 20 Juni 1876 te Parijs. Het
tooneelwerk van B., uit een scenisch oogpunt sterk te
noemen, wat zijn ongelooflijk vluggen bijval verklaart,
is grootendeels een mengsel van grof effectbejag, dat
soms het melodrama nabij komt, en brutale schildering
van de ongebreidelde lagere driften. Alleen zijn laat-
ste stukken verraden eenige verdieping van psycholo-
gische studie, zonder daarom ethisch gezonder te wor-
den.
Werken: Le marché (1900) ; Le détour (1902) ;
Joujou (1902) ; Le bercail (1904) ; La rafale (1905) ; Lc
voleur (1906); Samson (1907); Israël (1908); Après moi
(1911) ; L’assaut (1912) ; Le secret (1913) ; L’élévation
(1917) ; Judith (1922) ; La galerie des glacés (1924) ;
Félix (1925) ; Le venin (1926) ; Mélo (1929). fBawr.
697
Bernstorff — Bernus
698
Bernstorü ,1° Andreas Peter, graaf,
* 1735, f 5*797, van een oud Hannoveraansch adelge-
slacht; kwam in 1759 door voorspraak van zijn oom
in Deenschen staatsdienst en werd in 1772 na Struen-
see’s val eerste minister; als aanhanger van het ver-
licht despotisme schafte hij de lijfeigenschap af; sloot in
1780 het verbond van gewapende neutraliteit in het
eerste tijdperk der revolutie-oorlogen.
2° Johan Hartwig Ernst, graaf,
staatsman, * 1712 te Hannover, f 1771 te Hamburg;
kwam in dienst van den Deenschen koning Frederik
V ; werd Deensch gezant te Parijs en vatte daar diepe
bewondering op voor de Fransche beschaving; sedert
1751 eerste minister te Kopenhagen, werd in 1770
uit dit ambt verdrongen door Struensee’s groeienden
invloed en vertrok naar Duitschland. v. Gorkom .
Bernulphus of Bernold, Heilige, bisschop
van Utrecht (1027 — 1054). Hij werd in 1027 door koning
Koenraad II tot biss. van Utr. aangesteld. Het bericht
van Beka, dat deze benoeming een belooning was voor
het bericht, dat B. als pastoor van Oosterbeek naar
Utrecht bracht, dat nl. keizerin Gisela een kind ter
wereld had gebracht, verdient geen geloof. B. stond
op goeden voet met keizer Koenraad II en vooral met
Hendrik III, van wien hij bezittingen in Drente en Gron.
kreeg (1040), verder het graafschap Vollenhove (1042),
een graafschap rond Deventer en Zuid-Neder -Maasland
(1046). B. volgde den keizer op een krijgstocht tegen
koning Ovo van Hongarije (1042) en stelde de Utr.
macht ter beschikking van Hendrik III tegen Dirk
IV, graaf van het latere Holland (1047). Deze krijgs-
tocht had geen succes, maar 14 Jan. 1049 versloegen
de troepen van B., samen met die van andere vorsten,
Dirk IV bij Dordrecht.
B. begunstigde de hervormingsbeweging van de 11e
eeuw, was bevriend met Poppo van Stavelot, voerde
diens gewoonten in het klooster S. Paulus bij Utrecht
in, en trachtte de kerken uit de handen van leeken te
bevrijden. B. bouwde de kerken van S. Pieter en S. Jan
en de abdijkerk van S. Paulus te Utrecht en van
S. Lebuinus te Deventer. Feestdag 19 Juli. Thans
patroon van het S. Bemulphusgilde.
L i t. : De H. Bcrnulfus, in het Gildebock (XIII 1930,
89-102). Post.
Bemulphusgilde, Sint, is opgericht den
28en Nov. 1869. Het stelt zich ten doel (Statuten): de
bevordering van den bloei der hedendaagsche kerkelijke
kunst, het wekken en kweeken van eerbied voor de
oude kerke lijke kunst; het verspreiden van kennis
omtrent beide. Onder de hiertoe aangewende mid-
delen zijn: vergaderingen met voordrachten en ge-
dachtenwisseling, de uitgave van een tijdschrift,
tentoonstellingen, studiereizen, samenwerking met
verwante vereenigingen, bevordering van zuivere
verhoudingen tusschen opdrachtgevers en kunstenaars.
De leden zijn voor verreweg het grootste deel (ruim 2 / 3 )
geestelijken, overigens kunstenaars en eenige leeken
(kunsthistorici). De oprichter, mgr. G. W. van
H e u k e 1 u m, had dan ook allereerst het oog op
voorlichting en opvoeding van den clerus in zake
religieuze kunst, gelijk Bethune met zijn 3 jaren te-
voren opgericht Gilde van St. Thomas en St. Lucas
in België en, reeds vroeger , Reichensperger in Duitsch-
land zich die voorstelden.(In zijn eersten opzet had mgr.
v. H. leeken slechts als hospitanten willen toelaten.)
Het kader om deze stichtingsdaad trekken we, be-
knopt, over de punten: herstel derbisschopp. hiërarchie
— activiteit in den bouw en de versiering van nieuwe
kerken — cultureele en staatkimdige vrijwording der
Katholieken (werken en streven van Alb. Thijm
en Schaepman) ; als sterk sprekenden achtergrond
hebben we te zien de herleefde liefde voor en de studie
van de Gotiek (Viollet-le Duc, herbouw van den
Keulschen dom). Dat de architectuur weder leidster
der kunsten werd, was de bedoeling; in de practijk
liep het voorhands vaak uit op een decoratief gebruik
van Gotische (veelal Duitsch-Gotische ) detailvormen,
op stijl-nabootsing, archaïsme: de neo-Gotiek, waar-
van v. Heukelum de zeer leerstellige prediker was,
geholpen (soms ook getemperd) door de uitvoerende
mannen als arch. A. Tepe, W. Mengelberg, J. H. Brom,
H. Geuer.
In het begin der 20e eeuw kwam er een kentering,
ten deele onder invloed van de kunstidealen van Beu-
ron, maar vooral door het in kunstenaarskringen
buiten het Gilde ontwaakte leven: de nieuwe Neder-
landsche architectuur en kunstnijverheid, het ver-
hoogde verantwoordelijkheids- en zelfbesef der kunste-
naren. Reeds in 1896 had arch. P. J. H. Cuypers, die
zooveel ouder was, maar die toch steeds op eenigen
afstand van het Gilde was gebleven (ook omdat de
Gotiek hem heel wat meer was dan een modellen-
boek) aangedrongen (tevergeefs) op krachtiger actie
ter „verhooging van het peil van kennis en smaak”
onzer kerke lijke artisten en op de vorming van een
grooten bond met plaatselijke afdeelingen. Een derge-
lijke actie, gericht tegen de eenzijdige formuleering
van v. Heukelum c.s. en tegen de isoleering van het
Gilde met zijn gedweeë meeloopers, leidde eindelijk
in 1911, nadat het Gilde (sinds 1900) was gaan insla-
pen, tot een herleving. In nieuwe Statuten kreeg de
hedendaagsche kunst haar recht, en werd de moge-
lijkheid van een schifting der kunstenaars-leden ge-
opend (stemhebbende naast belangstellende leden),
waarvan de verwezenlijking echter tot nog toe niet is
aangedurfd. Voorts breidde de broederschap zich bui-
ten het bisdom Utrecht uit; ook de andere diocesen
vonden in het bestuur vertegenwoordiging. De wereld-
oorlog knotte tijdelijk het nieuwe streven. In 1918
en volgende jaren ging het zich echter krachtig mani-
festeeren, vooral in de hernieuwde verschijning van
zijn orgaan Het Gildeboek, verder in allerlei werk-
zaamheid als in den aanhef van dit artikel aangegeven.
Een eenige jaren lang volgehouden poging om te komen
tot de stichting van een commissie van advies i.z.
kerkelijke kunst (ongeveer op de wijze van de
V.A.N.K.) stuitte af op verzet van hoogerhand. Aan
de zuivering der verhoudingen tusschen opdracht-
gevers en kunstenaars is nog veel te doen, tenzij
men dit aan de jongere zustervereniging (Alg. R.K.
Kunstcnaarsvereen.) alleen zou moeten overlaten.
Lit. : C. Hartman, Verleden en toekomst v.h. St.
B. -gilde (Feestuitgave 1919 Gildeboek) ; E. J. Ilasling-
huis, Tien jaren uit de geschied, v. h. St. B. -gilde (Gedenk-
boek 1929) ; G. Brom, Herleving der kerkel. kunst in
Kath. Nederland (hfst. V, 1933). UasUnghuis .
Bern tis, A 1 c x a n d e r von, Duitsch dichter
van theosophische strekking en bemiddelaar van de
moderne Engelschc romantiek in Duitschland. Hij
vertaalde ook uit Petronius en Ovidius. * 6 Febr.
1880 te Lindau.
Werken: Aus Rauch und Raum (1903) ; Leben,
Traum und Tod (1904) ; Maria im Rosenhag (1909) ;
Hymnen an Caroline Günderode (1911) ; Gesang an
Lucifer (1923). — Tooneel : Versspiele (1930) ; daarin
o.m. Der getreue Eckart. — U i t g. : Gesammelte
Gedichte (1917). J Baur.
609
Bernward — Beroep
700
Bernward, bisschop van Hildesheim (993 —
1022); f 1025. B. leidde de opvoeding van den toe-
komstigen keizer Otto III, tot deze 15 jaar oud was
(996). Als geleerde heeft B. veel bijgedragen tot de
bevordering der zgn. Ottonische Renaissance, in het
laatste kwart der 10e eeuw. Kerkelijk was hij de Clu-
niacensische hervormingsrichting ijverig toegedaan.
Hij was een groot bevorderaar van wetenschap en
kunst. In zijn dagen stond Hildesheim aan de spits
onder de Duitsche steden, vanwege zijn sierlijken bouw-
trant (oud-Saksische stijl).
L i t. : Thangmar, Vita Bernwardi (in Mon. Germ.
Hist. t. IV) ; Dietr. Schafer, Deutsche Geschichte
(I 1910). Slootmans.
Kunstschool van den H. Bern-
ward. Grooten invloed op de kunstontwikkeling
van den H. Bernward had een bezoek aan Rome (in
gezelschap van den jongen Otto III). In Hildesheim
richtte hij een bronsgieterij in en liet aldaar de Sint
Michaëlskerk bouwen (1001 — 1022). Alle takken van
kerkelijke kunst, vooral echter de edelsmeedkunst, de
boekverluchting en de binderskunst genoten zijn be-
langstelling. Uit de Bernward-kunstschool zijn be-
roemd: 1° de twee-vleugelige bronzen deur aan de St.
Michaël: op iederen uit één stuk gegoten vleugel be-
vinden zich acht reliëfs van plompe verhoudingen,
doch goede plastiek, waarop de heilsgeschiedenis
vanaf de schepping van den mensch tot aan den man-
slag van Kaïn alsmede de jeugd en het lijden van
Jesus zijn voorgesteld; 2° de 4 m hooge bronzen zgn.
Bernwardszuil in den dom (1022), oorspr. waarsch.
een kandelaar voor de Paaschkaars, in inspiratie
aan de Romeinsche Trajanuszuil : tooneelen uit de
H. Schrift in reliëf, dat over de zuilschacht in acht
windingen opwaarts slingert; 3° het kruis van St.
Bernward in de Magdalena-kerk te Hildesheim, in
verguld mengmetaal uitgevoerd en met goudfiligraan
bedekt en met half ede lsteenen versierd, van overwe-
gend Byzantijnsch karakter; 4° twee zilveren luch-
ters in den vorm van een gedraaiden boomstam, aan
den voet versierd met op dieren zittende naakte men-
schengestalten en op de schacht symbolen van de
zichtbare en onzichtbare schepping; 5° De graftombe
van den H. Bernward (met koperen dekplaat), waarop
apocalyptische voorstellingen.
Van de boekkunst zijn te vermelden 1° het Sacra-
mentarium van Bernward en 2° het Evangeliarium,
door den monnik Guntbald geschreven, met een band,
waarvan de techniek en compositie ontleend zijn aan
Byzantijnsche ivoren.
L i t. : Beisscl, Bernwards Evangclienbuch (1891);
Beissel, Bernward als Künstler (1895) ; Habicht, Des
hl. Bernw. von Hildesheim Kunstwerke (1922).
Knipping .
Beroaldo, Filippo, 1° de Oudere, Ital.
Humanist, prof. te Parma, Milaan, Parijs en zijn
geboortestad Bologna: hij gaf veel Lat. auteurs uit.
* 1453, f 1505.
2° De Jongere, neef en leerling van den yorige,
bibliothecaris van Leo X; hij publiceerde de eerste
volledige uitgave van Tacitus (Rome 1516) en schreef
Lat. gedichten. * 1472, f 1518. Zr. Agnes.
Beroea (a n t. g e o g r.), l c stad in Macedonia
Emathia, teg. Verria. Bij B. werd Demetrius Polior-
cétes door Pyrrhus van Epirus verslagen en aldus van
Macedonië beroofd, 288 v. Chr. St. Paulus predikte
er met succes (Act. 17. 10 — 14).
2° Stad in Thracië, teg.^Eski Zagora. Davids.
3° Stad, vermeld in de oorlogen der Macchabeeën
(2 Mac. 13.4), waarsch. = Aleppo, dat sinds de Mace-
donische verovering ook B. genoemd werd.
Beroep. Ofschoon onder b. in ruimeren znTelke
levenstaak kan verstaan worden, geeft het woord
in strikten zin alleen aan de habitueele uitoefening
van een werkzaamheid, tot volledig of gedeeltelijk
levensonderhoud dienende, waardoor in een der behoef-
ten van de samenleving wordt voorzien. De samen-
leving toch ontstaat door het veelvuldig vervlochten
zijn van functies, strevingen en handelingen, die,
elkaar aanvullend, het volledige stelsel van geestelijke
en stoffelijke goederen te weeg brengen en in stand
houden, die tot bevrediging van de verschillende
behoeften der menschen dienen moeten. In een op
arbeidsverdeling berustende maatschappij zal een-
ieder tot een der branches moeten behooren (geestes-
prestaties, productieve arbeid of diensten), wier totaal
dit gesloten systeem van werkzaamheden uitmaakt;
tegelijk heeft dan elk dier werkzaamheden ten doe)
eenieder, door hem in het geheel der (in ruimeren zinl
productieve factoren in te schakelen, ook weer in het
maatschappelijk inkomen tot zijn eigen onderhoud te
doen deelen. Elk beroep heeft dus zoowel een sociale
als persoon lijke strekking.
De sociale beteekenis treedt minder op den voor-
grond voorzoover bij sterk ontwikkelde specialisatie
sommige beroepen enkel maar op zeer ondergeschikte
werkzaamheden zijn gericht, of ook voorzoover onge-
qualificeerde functies niet op één bijzondere werk-
zaamheid, maar op meerdere gericht zijn, bijv. op
alle werk, dat alleen maar spierkracht vergt. Ofschoon
nu daardoor bepaalde handelingen, die bijv. van zuiver
stoffelijken of mechanischen aard zijn, naar haar eigen
object beoordeeld, minder innerlijke waarde vertegen-
woordigen, toch zijn ze in het maatschappelijk
geheel noodzakelijk en dikwijls onmisbaar en verdienen
daarom eerbied en bescherming. De middeleeuwsche
spreekwijze gaf soms van deze opvatting blijk, door
ook beroepen of functies, die overigens niet in aanzien
stonden, een officium of ambt te heeten. Met het
oog op die hoezeer ook gereduceerde, toch reëele
beteekenis voor het geheel, kan men derhalve ook de
werkzaamheid der ongequalificeerde arbeiders een
beroep noemen, alhoewel de meer gewone spreekwijze
met het woord de gedachte schijnt te verbinden aan
een bepaalde taak, die ook vakkennis vergt.
Wat de persoonlijke beteekenis aangaat, het beroep
dient tot levensonderhoud, maar het is er niet slechts
een technisch middel toe; het behoort iets van het
hoogere leven zelf te zijn, het dient in de spheer der
menschelijke doelstellingen te worden opgeheven en
daartoe in een bewust, organisch verband te treden.
Dat wil zeggen, dat het beroep en de uitoefening ervan
door de wetten der moraal moeten bestuurd worden
en dienovereenkomstig bestaat er voor elk beroep een
beroepsmoraal of beroepsethos. Het beteekent verder,
dat de mensch zijn beroep maar niet als van onder-
geschikt belang heeft te beschouwen, doch er hart
en ziel dient in te leggen. Een behoorlijke opleiding
en een verstandig geleide beroepskeuze zijn daartoe
noodig en reeds vroegtijdig dienen de ouders tot dit
doel op aanleg en eigenschappen hunner kinderen te
letten.
Het kiezen van een beroep was in vroegere tijden niet
geheel vrij. Behalve dat in vele landen een soort kaste-
wezen, naar beroepen ingedeeld, bestond, was ook in
de middeleeuwen en veel later krachtens de gilden-
701
Beroep — Beroepsgeheim
702
%
ordening de vrijheid tot het ter hand nemen van een
beroep in allerlei opzicht gebonden (> Gilde). In
den nieuweren tijd waren het niet meer juridische,
maar moreele barrières, die bepaalde beroepen voor
bepaalde klassen afsloten, omdat de publieke opinie
of de mode die voor leden van bepaalde standen ontoe-
gankelijk achtten en dit zoowol naar boven als naar
onderen. Zeer zeker staat de aard der functie tot den
maatschappelijken stand in betrekking (> Stand),
maar voor excessen dient men zich hier te hoeden.
Weve.
Beroep (N e d. Bel. recli t). De belas-
tingplichtige, die van oordeel is, dat hij een te hooge
belasting moet betalen, kan daartegen in beroep komen.
De rechtspraak, welke alsdan wordt uitgeoefend, be-
hoort tot de administratieve rechtspraak, die in
sommige belastingwetten is opgedragen aan adminis-
tratieve rechters, in andere aan den burgerlijken
rechter. Bepaalt een wet niets omtrent deze adminis-
tratieve rechtspraak, dan geldt als algemeen beginsel,
dat onverschuldigd betaalde belasting door een actie
bij den burgerlijken rechter kan worden teruggevorderd.
I. Als administratieve rechters zijn
aangewezen: l°do raden van beroep voor
de directe bel.; zij beslissen over primitieve en navor-
deringsaanslagen en over ontheffingen inzake inkom-
sten-, gemeentefonds-, vermogens-, verdedigings-,
personeele, dividend- en tantièmebelasting en alle
gemeentelijke belastingen. 2° De voorzitters
van de raden van beroep voor de directe bel. ; zij
beslissen op verzoekschriften om toelating tot indie-
ning van bezwaar- of beroepschriften inzake een
directe bel., dividend- en tantièmebel. en enkele
andere heffingen n a de daarvoor gestelde termijnen
(-> Overschrijden van in belastingwetten gestelde
termijnen). 3° De Kroon; zij beslist inzake de
gemeente van aanslag in de inkomsten-, vermogens-,
dividend- en tantièmebel. en inzake de verdeeling
van de gemeentelijke opcenten op laatstgenoemde bel.
4 ° De Gedeputeerde Staten; zij beslissen
«.a. inzake de grondbel. en bezwaren tegen bij de
invordering van directe bel. in rekening gebrachte
kosten van vervolging. 6° De tariefcommis-
s i e ; zij beslist inzake bezwaren betreffende de
waarde van ten invoer aangegeven, met een invoer- of
statistiekrecht belaste, goederen, inzake de toe-
passing van de tariefwet 1924 ten aanzien van de
ingevoerde goederen alsmede inzake primitieve en
navorderingsaanslagcn in en teruggaven van de om-
zetbelasting. 6° Verder zijn er nog eenige commissies,
die van minder beteekenis zijn.
II. Van de b u r g e r 1 ij k e rechters zijn ter
beslissing van belastinggeschillen in belastingwetten
aangewezen: 1° de arrondissementsrecht-
banken; zij beslissen inzake de invordering en
terugvordering van registratie-, zegel- en successie-
recht, invoerrechten (behalve hetgeen onder I, 6 is
vermeld), accijnzen, alsmede inzake bepaalde geschil-
len bij de invordering van directe bel. Bovendien
treden zij op terzake van terugvordering van onver-
schuldigd betaalde bel., indien de betreffende belas-
tingwet geen regeling omtrent administratieve recht-
spraak bevat, bijv. inzake wegen- en rijwielbel.
2° De gerechtshoven; zij beslissen als appèl-
rechters in de onder II, 1 genoemde zaken; het ge-
rechtshof te Den Haag beslist in eerste en hoogste
instantie over het toepasselijk zijn van de wet op de
riehtige heffing der directe bel. 3° De Hooge
R a a d ; hij beslist als cassatierechter over de zaken
genoemd onder I, 1 en II, 1.
Het beroep wordt ingesteld door een geschrift,
dat in de gevallen onder 1,1 beroepschrift
heet. Een beroepschrift moet worden ingediend binnen
een in de betreffende wet gestelden termijn; vgl.
> Overschrijden van in belastingwetten gestelde
termijnen.
Verscheidene belastingwetten kennen een admi-
nistratieve vóórinstantie, alvoren#
de administratieve rechtspraak wordt uitgeoefend.
> Bezwaar.
Lit. : Sinningke Damsté, Inleiding tot het Ned.
Belastingrecht ; v. d. Poel, Raden van Beroep voor dt
dir. belastingen ; Schendsok, Raden van beroep voor dt
dir. belastingen. Smeets .
2° Voor België, > Belastingen (België),
Rechtspleging en Strafrecht.
Voor beroep in het Ned. en Belg. Recht,
> Hooger Beroep.
Berocpsanalyse is het door ontleding vast-
stellen van de eigenschappen, die voor de uitoefening
van een beroep noodig zijn. De b. wordt toegepast,
alvorens men bij psychotechnische keuringen overgaat
tot het samenstellen van proeven. Men kan verschillen-
de hulpmiddelen toepassen om tot een goede b. te
geraken. De eenvoudigste methode is de informatie
en wel bij personen, die het beroep zelf uitoefenen of
uitgeoefend hebben. Meestal kan men hiermee niet
volstaan, omdat de beoefenaars niet tot introspectieve
beoordeeling in staat zijn en dus niet kunnen aan-
geven, welke functies bij de uitoefening van beroep
in w r crking zijn. Een tweede methode is de observatie.
Een deskundige, die de beoefenaars nauwkeurig en
langdurig waarneemt, kan in sommige gevallen eea
duidelijk inzicht op die wijze verkrijgen. Het hangt
van den aard van het beroep af of de observatie-metho-
de bruikbaar is. Hoe meer bewegingen bij de uitoefe-
ning werden gemaakt, des te eerder komt de observati#
in aanmerking. De beste methode is de zelf-uitoefening.
Deze stuit veelal op practische bezwaren, omdat het
veel tijd van den deskundige eischt. Deze methoda
heeft het voordeel, dat het werk wordt geleerd door
een in introspectie geschoolden persoon en bovendien,
dat deze persoon de leer-periode doormaakt, d.w.z.
het proces, waarbij door gewenning en aanpassing
de moeilijkheden van het beroep zich het sterkst
doen gevoelen.
In vele gevallen zijn psychotechnische keuringen
mislukt, doordat te weinig aandacht was geschonken
aan de beroepsanalyse.
Voor de hoogere beroepen zal de beroepsanalyst
extra-moeilijkheden op leveren, o.a. omdat het voor
den psychotechniker onmogelijk is deze beroepen zelf
uit te oefenen. Hij zal daarbij meestal moeten volstaan
met informatie. de Quay -
Beroepschrift (Ned. Bel. recht),
> Beroep.
Beroepscomedie, > Commedia dell’arte.
Beroepscriminaliteit, criminaliteit, voor-
zooverre zij beïnvloed wordt door het beroep van den
misdadiger. Criminaliteit.
Beroepsgeheim is een speciaal geval van toever-
trouw’d geheim. Onder beroepsgeheim en ambtsge-
heim w r ordt verstaan de verplichting, om datgene,
wat men krachtens ambt of beroep van anderen weet
en waarvan de bekendmaking voor anderen onge-
wenscht is, geheim te houden. Deze verplichting kan
703
Beroepshof— Beroepshygiëne
704
voortvloeien uit den aard van het ambt of berode
{bijv. geneesheer, advocaat, notaris) of uit een wette-
lijk voorschrift of uit een uitdrukkelijk opgelegde
of uitdrukkelijk aanvaarde verplichting tot geheim-
houding (soms door middel van een eed). De verplich-
ting, die het b. oplegt, is een ernstige zedelijke ver-
plichting. Het b. immers is noodzakelijk voor het
algemeen welzijn. De menschen moeten in verschillende
aangelegenheden de hulp van deskundigen kunnen
inroepen, zonder gevaar, dat hetgeen zij aan die
deskundigen inededeelen, tot hun nadeel of ongerief
aan anderen bekend zal worden. Als het beroeps-
geheim niet bestond ook als gewetensverplichting,
zouden velen ervan teruggehouden worden, zich tot
een dokter te wenden, tot groot nadeel niet alleen van
hun persoonlijke gezondheid, maar ook van de volks-
gezondheid. Het beroepsgeheim wordt ook door de
burgerlijke wet erkend en beschermd, doordat de over-
treding gestraft wordt. Zelfs de rechter kan nooit
iemand dwingen om voor de rechtbank getuigenis
of verklaring af te leggen aangaande dingen, die onder
het beroepsgeheim vallen. Wel geeft de wet de vrijheid
om voor den rechter over dergelijke dingen te spreken,
zoodat de betrokken personen hier hebben te handelen
overeenkomstig de natuurlijke zedenleer en hun eigen
geweten. Zooals van ieder toevertrouwd geheim, geldt
ook van het beroepsgeheim, dat het niet zoo absoluut
en star moet worden opgevat, dat er nooit een reden
zou kunnen aanwezig zijn, die het geoorloofd maakt
om te spreken. Deze redenen doen zich wel zelden voor,
nl. wanneer openbaring van hetgeen men onder
beroepsgeheim weet, het eenige middel is om de
gemeenschap of een derde te beschermen tegen een
zeer groot en onrechtvaardig toegebracht nadeel.
Wanneer bijv. iemand een besmettelijke ziekte heeft
on weigert de noodige maatregelen te nemen om niet
anderen te besmetten, zou een geneesheer de overheid
mogen waarschuwen; hij zou het zelfs verplicht zijn
om wille van de gezondheid van vele anderen. Deze
uitzondering bestaat niet alleen wat den gewetens-
plicht betreft, maar wordt ook erkend door de burger-
lijke juristen. „De bij art. 272 veronderstelde ver-
plichting tot geheimhouding kan ook opgeheven
worden door een hoogeren plicht van zedelijken of
maatschappelijken aard, die de openbaarmaking van
het geheim vordert” (Simons, Leerb. Ned. Strafr.
II, 65). In het bijzondere geval van besmettelijke
ziekte legt de wet den geneesheeren uitdrukkelijk den
plicht op, om de overheid ervan in kennis te stellen.
De zedelijke verplichting van het b. kan ook worden
opgeheven, doordat de persoon, wien het aangaat,
bijv. de patiënt, verlof tot spreken geeft; of de wet
deze uitzondering erkent, is niet zeker. Een zeer
bijzondere vorm van beroepsgeheim is het > biecht-
geheim, voor de priesters, dat nog strenger tot
geheimhouding verplicht.
L i t. : A. Aletrino, Eenige beschouwingen over den
beroepseed der artsen (1889) ; J. N. Thyssen, Het
geheim van den medicus (T. v. S. V 1890, 363) ; dr. C. v.
Tus8chenbroek, Het geheim van den medicus (T. v. S XI,
10D ; Handelingen der Ned. Jur. Ver. (1905 ; adviezen
A. Tak en J. N. Thyssen); C. J. Wynaendts Francken,
Het medisch beroepsgeheim (1906) ; A. C. M. Beukers,
Het beroepsgeheim van den geneesheer (1915).
Bender.
Beroepsgeheim in het Ned. Strafrecht. Hij,
die opzettelijk eenig geheim, dat hij uit hoofde van
zijn (ambt of) beroep verplicht is te bewaren, bekend
maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste
zeshonderd gulden (art. 272 W. v. Str.). Wanneer
iemand in verband met art. 272 verplicht is een ge-
heim te bewaren, wordt meestal door den aard van
het beroep bepaald. Vast staat het voor geestelijken,
geneesheeren, advocaten, enz. Minstens twijfelachtig
bij journalisten, bankiers, enz. Als dringende belangen
het eischen, kan de verplichting vervallen. Art. 272
is dan van zelf niet meer toepasselijk. Een beroep
op overmacht (art. 40 W. v. Str.) is dan ook niet eens
noodig. In hoeverre dergelijke omstandigheden de
verplichting doen vervallen, moet van geval tot geval
naar redelijk oordeel worden beslist.
Ned. Strafprocesrecht. Van het geven
van getuigenis kunnen zich verschoonen zij, die uit
hoofde van hun stand (geestelijken zijn hier bedoeld),
hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht
zijn, doch alleen omtrent hetgeen, ^waarvan de weten-
schap aan hen als zoodanig is toevertrouwd (art. 218
W. v. Str.). Dit geldt van getuigenis voor den straf-
rechter. Naast den geheimhoud ings plicht staat
het verschoon ings recht. De betreffende mag
spreken, als een dringend belang dit zou vorderen.
Pompe .
Belg. Strafrecht. Art. 458 van het Straf-
wetboek straft de geneesheeren, heelmeesters, officieren
van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle
andere personen, die door staat of beroep bewaarder
zijn van de hun toevertrouwde geheimen, en deze
openbaren buiten het geval, dat zij geroepen zijn om
in rechte getuigenis af te leggen, alsook buiten het
geval, dat de wet hen verplicht die geheimen bekend
te maken. De andere personen, waarvan sprake in de
wet, en die door staat of beroep bewaarder zijn van de
hun toevertrouwde geheimen, zijn o.m. priesters,
advocaten, pleitbezorgers (procureurs), notarissen,
postbedienden, deurwaarders, leden van tuchtraden,
voogden, curators, enz. De wet verplicht zekere
bewaarders van het beroepsgeheim deze bekend te
maken: 1° voor de aangifte der geboorte van een kind
(art. 55-57 B.W.); 2° voor besmettelijke ziekten
(K. B. van 10 Juni 1922); 3° voor de bestatigingen,
gedaan in uitvoering van een opdracht van de rechter-
lijke macht. De toestemming van den belanghebbenden
persoon heeft voor gevolg, dat de schending van het
beroepsgeheim niet strafbaar is. Doch daaruit volgt
niet, dat het geheim moet geopenbaard worden. Al de
personen, hierboven aangegeven, mogen weigeren te
getuigen nopens de geheimen, welke hun toevertrouwd
werden. Doch zij zijn niet strafbaar, indien zij ter
gelegenheid van een getuigenis een geheim kenbaar
maken. Zij moeten naar geweten oordeelen, of het
geheim al dan niet dient bewaard te blijven.
L i t. : Quelques mots sur le secret professionnel, in
Annales de la Société de Médecine légale (1902) * Nijpels
et Servais, Code Pénal Annoté (IV, 333 vlg.) ; Répertoire
pratique de Droit Beige (I, V° Art de guérir, nr. 37 vlg.).
Collin .
Beroepshof, > Hof van Beroep.
Beroepshygiëne (arbeids hygiëne)
(zie plaat t/o kolom 641) heeft tot doel de gevaren te
voorkomen, waarmede de uitoefening van sommige
beroepen den gezondheidstoestand van de daarin
werkzame personen bedreigt. Zij tracht dus de zoo-
genaamde beroepsziekten te voorkomen en is als een
onderdeel van de > bedrijfshygiëne te beschouwen.
Nadeelige invloed van het beroep kan zich op
velerlei wijze doen gelden en komt voor zoowel bij hen,
705
Beroepshygiëiie '
706
die geestelijken als bij hen die lichamelijken arbeid
verrichten; ook bij landbouwers en kooplieden, maar
toch het meest merkbaar bij de industrieelen, de arbei-
ders en arbeidsters in fabrieken en werkplaatsen.
De voornaamste factoren, waarmede rekening
gehouden moet worden, zijn :
1° Ongeschikte lichaam s- of gees-
tesgesteldheid. Personen met aanleg voor
bronchitis of tuberculose moeten niet in stofrijke
bedrijven worden aangesteld, niet het beroep van steen-
houwer kiezen of bij de t.b.c. -bestrijding voor enquê-
trice solliciteeren, lichamelijk zwakken moeten niet
spitten of sjouwerman worden, zwakhoofdigen niet
de leiding in moeilijke of ingewikkelde zaken nemen;
de juiste keuze van een beroep kan onder dit opzicht
veel kwaads voorkomen.
De beroepskeuze is niet alleen van sociaal
belang (the right man on the right place), maar ook
hygiënisch belangrijk zoowel voor de maatschappij
als voor het individu, en keuring voor een beroep
is daarom aanbevelenswaardig. Meer en meer wordt
door lichamelijke keuring reeds aan het einde van den
schooltijd (schoolartsen) en later ook met behulp van
de > psychotechniek getracht de naar een beroep
solliciteerende candidaten op hun eigenschappen te
onderzoeken. Men let daarbij niet alleen op de gewone
lichaams- of orgaanafwijkingen, maar bijv. op rust
en zekerheid der hand bij boetseerders en teekenaars,
op reactiesnelheid bij telefonisten, tramconducteurs
en vliegeniers; op geringe vermoeibaarheid bij revi-
soren van drukproeven, enz. Toch is ook hiermede de
volmaaktheid niet bereikt, omdat vele, vooral karak-
ter-eigenschappen, tot nog toe slechts door lange
observatie en ervaring zijn te achterhalen.
2° Overmatige arbeid, hetzij dan te
zware of te langdurige arbeid, kan vooral voor kinde-
ren nadeelig zijn. Fabrieksarbeid gedurende 6 uur per
dag is voor jongens van 16 jaar lang genoeg en 8 uur
voor volwassenen is volgens de gangbare meening
een behoorlijke tijdsduur. Landarbeiders werken
zonder schade ’s zomers langer en ’s winters korter,
terwijl nachtarbeid en ondergrondsche arbeid minder
langdurig behooren te zijn. Voor kinderen en vrouwen
is nachtarbeid geheel ongeschikt. Ook overmatige
geestelijke arbeid is in zijn gevolgen niet te onder-
schatten (staatslieden, geestelijken, bankiers, leer-
lingen) en kan geestelijke afwijkingen als neurasthenie
en zenuwoverspanning veroorzaken.
3° Werkplaatsen dienen wat lichttoevoer,
luchtverversching en verwarming betreft, aan hygië-
nische eischen te voldoen; stof en schadelijke dampen
moeten vermeden of verwijderd worden. Gemiddeld
dient in gesloten ruimten 15 m 3 voor iederen werker
gereserveerd te zijn.
4° Spierarbeid in onhygi ë n i sche
houding kan tot orthopaedische afwijkingen en
zelfs tot orgaangebreken leiden. De langdurige zittende
en gebogen houding van kleermakers maakt dat borst-
en buikorganen sterk gedrukt worden en de eigenaar-
dige houding der beenen werkt nadeelig op de knie-
gewrichten. Mede onder invloed van de huisindustrie
met haar gebrek aan frissche lucht komt daarom tuber-
culose bij kleermakers vrij veel voor. Naaisters zijn
gepredisponeerd voor bleekzucht. Schoenmakers en
schoenlappers vertoonen eveneens een verhoogde
sterfte aan t.b.c. De zgn. schoenmakersborst, d.w.z.
een inzinking van het borstbeen en afplatting van de
borstkas, ontstaat door het steunen van de werk-
stukken tegen de borst en is waarschijnlijk oorzaak van
de vrij veelvuldige hartaandoeningen; de schoenen-
fabriek is daarom hygiënisch een vooruitgang. Ook
stratenmakers ondervinden vaak de gevolgen eener
ongeschikte houding in den vorm van hartafwijkingen.
Het langdurig staan van apothekers en drogisten,
de zittende levenswijze van kantoorbedienden en
studiemenschen, kunnen den bloedsomloop schaden en
dikke beenen of aderspatten veroorzaken of het ont-
staan van platvoeten in de hand werken; werksters
lijden door het kruipen vaak aan kniebeursontstekmg;
lastdragers aan scheefheid of verkrommingen. Bekend
zijn ook de zgn. bakkersbeenen (x-beenen) en de plat-
voeten der winkelbedienden. Wetten en verordeningen
hebben veel bijgedragen om de geschetste nadeel ige
gevolgen te voorkomen.
5° Beschadiging der zintuigen komt vooral
tot uiting ten opzichte van het gezicht en het gehoor.
Bijziendheid bij horlogemakers, juweliers, typografen,
graveurs; nystagmus (krampachtige trekkingen van
oogspieren) / conjunctivitis bij stralende hitte, ultra-
violet licht en stofinwerking zijn bekende aandoe-
ningen. Door schutbrillen is veel nadeel te voor-
komen.
Het gehoor ondergaat veelal nadeeligen invloed,
in het bijzonder het Cortische orgaan, door hamer-
slagen (smeden), kanonnades (artilleristen), werkzaam-
heden met springstoffen en treingeraas (locomotief-
personeel). Voorzorgen kunnen door de belang-
hebbenden soms genomen worden (proppen in de
ooren).
6° H o o g e luchtdruk, > Barometrische
drukking. Bijzondere gevallen van nadeeligen invloed
van hoogen druk doen zich voor bij beroepsmuzikanten,
die blaas instrumenten bespelen en bij glasblazers.
Uitzetting der longen (emphyseem) met bronchitis
komt bij beiden nogal eens voor; de zgn. glasblazers -
wangen ontstaan door een bovenmatige uitrekking
der wangen, die wel geen gevaar, maar toch een
monsterachtig gezicht oplevert.
7° H o o g e temperatuur in den vorm van
stralende warmte komt in smidsen, ijzergieterijen,
glasblazerijen, bakkerijen, bij autogeenlasschen en bij
stokers voor; de sterk zweetende huid is gevoelig voor
ontsteking en de door de hitte opgewekte dorst leidt
soms tot onmatig drinken en digesties toorn is; ook de
plotselinge overgang in koude omgeving levert gevaar
op. Tegen brandgevaar wordt asbestkleeding of in
ammoniumsulfaat gedrenkte kleed ing aangewend;
tegen de huidaandoening is verschoonen en baden
aangewezen. Waar heete lucht gepaard gaat met hoog
vochtgehalte is veel ventilatie onontbeerlijk.
8° Inademing van stof leidt bij steen-
houwers, mijnwerkers (anthracosis) en in stofrijke
bedrijven zooals cement- en wolfabrieken, ijzer-
industrieën (siderosis) en thomasslakkenmeelfabrieken
tot ziekte der ademhalingsorganen.
Door exhaustors dient men het stof te verwijderen
en door respirators de individuen te beschermen. Dik-
wijls werken de arbeiders niet mede, omdat respira-
tors, schutbrillen, enz. hinderlijk worden geacht.
Ook stofzuigers, voor huiselijke bezigheden zoor doel-
matig, worden door huisvrouwen, dienstboden en
werksters nog te weinig gebruikt.
9° Vergiftigingen kunnen zoowel door
vaste en vloeistoffen als door gassen veroorzaakt
IV. 23
707
Beroepshygiëne
708
worden en geven aanleiding tot het ontstaan van chro-
nische kwalen.
Het lood (loodwit) in het schildersbedrijf en in
de letterzetterij gebruikt, het phosphor in de lucifers-
fabrieken, het kwikzilver in spiegel- en tkermometer-
fabrieken, het arsenicum bij het verwerken van arseni-
cumerts, leveren alle gevaar op, dat echter bij goeden
wil door groote zindelijkheid (handenwasschen vóór
het eten) en stofbestrijding zeer kan worden getemperd.
Vergiftiging door chloor, bij de chloorkalkfabricatie,
door zoutzuur bij de glas- en porceleinfabricatie, door
zwavelzuur bij het bleeken van zijde, wol en katoen
en stroohoeden; door salpeterzuur bij de bereiding
van nitrobenzol, vervaardiging van gloeikousjes
en onderzoekingen in laboratoria, zijn niet zeldzaam.
In den oorlog hebben de gifgassen groote beruchtheid
gekregen en ook de doodelijke ongevallen in het Maas-
dal bij Luik zijn overbekend. Luclitv erv ers ch ing^is in
deze gevallen het eenige middel.
10° Ongevallen zijn in tal van bedrijven
mogelijk en in hooge mate afhankelijk van het betrok-
ken individu. Ongevallen bij arbeid in de bergen
(steengroeven) en mijnen door neervallende steen of
kolen, bij het af dalen in de mijngangen, bij den omgang
met explosief materiaal (stoomketels, knalgas),
zijn echter dikwijls niet te vermijden. Het toenemend
gebruik van machines heeft het aantal ongevallen doen
vermeerderen, maar ook de middelen ter voorkoming
doen vinden, als omkleed ing der gevaarlijke deelen
(riementransmissies, zagen, centrifuges), afronding
van hoekige draaiende stukken, enz. De veiligheids-
wet bevat daarvoor de noodige bepalingen en de
ongevallenwet voorziet in de gevolgen voor zoover
mogelijk. Een leerzaam instituut voor de practische
toepassing der veiligheidsvoorschriften is het Veilig -
heidsmuseum te Amsterdam.
11° Ziekten spelen eveneens een belangrijke
rol. Tuberculose (bij verpleegsters), typhus door melk
of water of bacillendragers, syphilis (bij verloskundi-
gen), mijnwerkersziekte door wormen (anchylostomum
duodenale), infecties door lompen in papierfabrieken
en bergplaatsen van afval, dierziekten (miltvuur
en droes) in slachterijen en huidenzouterijen, staan
menigmaal met beroep in oorzakelijk verband. Onder-
richt in deze gevaren, verantwoordelijkheidsgevoel
en voorzichtigheid zijn de beste voorbehoed-
middelen.
12° Nachtarbeid werkt nadeelig door het
ontbreken van zonlicht, waarvan de gunstige invloed
op bloedvorming en stofwisseling (ultra-violette
stralen) door niemand meer ontkend wordt. Bovendien
ondervindt het zenuwstelsel dikwijls een nadeeligen
af stompenden invloed door gebrek aan slaap en het
buitengesloten zijn van familie- en maatschappelijk
leven. Vooral geldt dit voor onafgebroken nacht-
dienst. Nachtarbeid voor vrouwen voor industrieele
doeleinden is dan ook wettelijk verboden behalve
voor één industrie (haringspeten).
13° Vrouwenarbeid. Zware lichaams-
arbeid is in het algemeen voor vrouwen ongeschikt;
ook wijst in vele gemengde beroepen de vrouw een
hooger ziektecijfer en een langzamer herstel aan dan
de man, ofschoon alcoholmisbruik en ongezonde levens-
wijze bij haar minder voorkomen (textielindustrie,
lucifers-, aardewerk- en tabaksfabrieken). Er zijn
echter talrijke beroepen, waarvoor althans de onge-
huwde vrouw even goed of beter geschikt is dan de
man (kantoorarbeid, werkster, huishoudster, dienst-
bode, winkeljuffrouw, verpleegster).
De gehuwde vrouw behoort, vooral als ze
kinderen heeft, in fabrieken en werkplaatsen niet
thuis. Volgens een door de arbeidsinspectie ingesteld
„Onderzoek naar den Fabrieksarbeid van gehuwde
vrouwen in Nederland” deden 45% der gehuwde
vrouwen, waarover het onderzoek liep, naast den
fabrieksarbeid, het huishouden met inbegrip van de
wasch en hervatten den arbeid reeds kort na de beval-
ling, voor zoover althans de wet zulks niet verhinderde.
De gevolgen zijn, dat niet alleen bij de arbeidster
zelve zich vaak uitputtings- en vermoeiingsverschijn-
selen voordoen of bij veel staanden arbeid de bekende
beenzweren (ulcera cruris) ontstaan, maar ook nog,
dat de kinderen de borstvoeding moeten ontberen
en in het algemeen onvoldoende verzorgd worden.
Voor het eten zorgen, bedden opmaken en de wasch
doen gaan voor. De zwangere vrouw moest zooveel
mogelijk uit de fabriek geweerd worden en eerst drie
maanden na de bevalling terug mogen keeren; dan
kan ze ook althans in die drie maanden haar kind
zoogen.
14° Kinderarbeid van jonge kinderen
behoort in Nederland behalve bij den landbouw en de
huisindustrie vrijwel tot het verleden; arbeids- en
leerplichtwet hebben daaraan grootendeels een einde
gemaakt. Toch wordt naast het schoolgaan nog wel
eens loopwerk of huiselijk werk van kinderen geëischt,
meestal met als gevolg oververmoeienis en slechte
vorderingen in het onderwijs. Oudere, niet meer
schoolplichtige kinderen bezitten ook nog niet vol-
doende weerstandsvermogen om langdurigen of
veeleischenden arbeid te verrichten. Arbeiders onder
20 jaar vertoonen een te hoog ziektecijfer en dit geldt
volgens Oostenrijksche statistieken vooral ten opzichte
van a.s. bouwvakarbeiders, boekdrukkers, bakkers,
kleermakers, handschoenmakers en boekbinders. Dik-
wijls is de onervarenheid en onhandigheid oorzaak van
verwondingen met de gevolgen daarvan (bouwvak-
arbeiders). De genezing treedt echter meestal spoedig
in. Arbeid in de frissche lucht is vooral voor jonge
menschen het meest geschikt, maar dikwijls niet
mogelijk.
16° Huisindustrie geschiedt gewoonlijk
in een onhygiënische omgeving (zolders, kelders,
schuren) en wordt daarbij slecht betaald, terwijl dan
een compensatie gezocht wordt in een langdurigen en
dikwijls nachtelijken arbeid. Vrouwen, kinderen en
minderwaardige werkkrachten vooral nemen er deel
aan. Geen wonder, dat ziekten en vooral tuberculose
veel onder de huisindustrie-arbeiders (kleermakers,
schoenmakers, mattenindustrie) voorkomen. Boven-
dien laten arbeidswet en veiligheidswet dezen beroeps-
arbeid nagenoeg ongemoeid. In New York is het aantal
woningen, waar huisindustrie wordt uitgeoefend, door
samenwerking van werkgever, huiseigenaar, woning-
toezicht en arbeidsinspectie van 25 000 tot 3 000
gereduceerd.
Statistiek. De mate van schadelijkheid van beroepen
heeft men ook getracht in cijfers weer te geven. Van
belang is daarbij te weten, hoe de verschillende
beroepen over de bevolking verdeeld zijn. Het Statis-
tisch Zakboek over 1931 van het Centraal Bureau
v.d. Statistiek, blz. 15, geeft voor Nederland het
I volgende overzicht.
Economische en sociale toestand der bevolking. Verdeeling der personen, die een beroep uitoefenden,
Arbeidsstatistiek (Nederland) naar bedrijven, waarin zij werkzaam waren.
709
Beroepshygiëne
710
fj-fi
§ M
*9 ©
ec co
la
TJ!
■ — ' ©
§?Ë
s
S-s
©
§
§
O
o®
oqcq^cqo 2 0 cq ww i>oq 02^10
CM
I> iO t> ^ |> rH cq rH 02^ 00^
O
co^
1
0
(M CO
1-1 CO
d rf tj- d od d h d i> d w h
CM CO CO CO H 1-1 CM CM CO CM
O*
CM
CM" D-" CO CO* rH O Th O rH Op"
rH ^ rH CM CM CM H CO ^
rH
id
rH
H
+ 1
+++++++++++++
+
+ 1 ++ 1 ++++++
+
+
§
ü
«Tof
rHr^iH^rH^oqCqTj^CM CM CO 00
CM ^ C2 00 0 " jO o-" cm r-T cd of 0 " l>
t>
C2 CO O, O CM^ 00^ rH 02^ 02 00 CO
r- CM* rH Cm" l>" CO CO" O O
CM H CO CM CO CM 1-1 D- CO
O
rH
cq
id
d
1-1 co
^ 00 CO rH ao co ^ vO CO co co
rH
CM
rH
g
iH
CM
>
1 1
+ + “b 1 1 ++ | + + + + +
+
+I++I I+++++
+
+
g
0 co
02 02 iq 1 -J H Ol I> lO H C5 QO
rH
cqcqc^^cqcqcoTj^o 10 co
[>•
cq
1
co" co'
tH CO
02 (D CO CO 05 rf oT io" O CM of
1— 1 CO CM CMrl T-IHCMCO rH
rH
CM
O t'- CM CM ld O cd i-T C^- rn" of
rH Hi rH CO rH CM CO Tf
id
rH
id
rH
+ 1
+ + + H- + + + + + + + + +
+
1 1 ++ 1 +++ | ++
+
+
1
0 00
s®
CO O O 02 CM 02 00 02 CO C2 CM O CM
OOOiOOMOHHOwJf^
0Q’H?O2I>-i-)COr^'^'^CMCMCMI>-
O
rH
00
§Ss3SSS?323gS
OHCOt^CCHMOOCOCO
§
iO
CO
iq
-M
£
S ^ ^ ^ ^ 55 0 * od
CO kO CM O CO H iC co CM 00 CM H
CM tH CM CM
«d
§3
02*cdcodaoörHidcdcMt>
CO H 02 C2 CM CM O» 00 'Hi CO rH
CO CO CM rH CM
id
00
rH
id
8g
rH
cd
c
.050
643
v0t>CMC0'rf00OC0CMI>--r-(rt02
^Stoow^r-OO^CïiXM»
▼H 02 iq CM CM 02 02 rH CO rH lO O
00
3
COQOCOCOC^TjicprHrHCOCM
CO CO C2 CM 02 Tf* 02 H' rH rH
Hf
03
1 O
02
88
s
2
<N
CM CM ld rH aó CO rH CM ^ O CO
I>- r-i CO CM
1
02 ^Tjï^coididrh id
O 0 CO lOHCO
l>
CO
CM
02
>
1H rH CM
t>
02
cd
Ö
©
02 vO
8«
HCOT^COOOHHCO^lMHHCft
O 02 tH O» CM CO 00 tH H 02 O 02 CO
‘>r^T^rfi>iHr-iqcOkq^Hcqoo
CM
sg
Q^COH|>C2iQCMQHr^
O-hCMtHCOOCMiOOOCM
t>COwHq^HiOrit^q
02
ro
O
co
co
1
od^öcdcdiHaóo2idooóo2id
CM 10 CM lO O CO 'tIN hiQH 02
CM CM rH
id
s
d CM cd CO* ld 02 * 02 * CM* CM*
& tH SP 03 7-1 ^ °° CO rH
lO CM CM rH
od
rH
f
02
tH
CM
cd
1
O 02
SS
22E^rj:r ,COi_,cf: > <:£ > Cvl ' F * 00 < = > ( > :|
0 a aq m q O vj; © a 0 h i> h
uO
10
rH
’^r > -00l>C002Ocpu0C002
HO Hr-a C2 CM 0 co O co
iqiqc^iOcqOD^rlirH02 00
§
co
rH
H
td 0
CO tH
^COHHHdddd^cd
CM 02 CM CM fO^O HCOHOO
rH tH rH tH
CO
i
CM 02 rH rH 02* CO CM* OC r-5 Tl5 rH
£ï rH £:S? < ^’- , ^ <i OCMCM*H
CO CM CM rH CM
cvi
CM
O;
1
rH
CM*
cd
g
s
O rH
S8
^(MvfHCOOCvQCiHHOlO
SSS^^°°SgS^S0SS
CM
r-
O
ClC0r-rH000202Oi0C0iO
rH
S
rH
O
d
2
>
(N rH
tH 1-5 cd rH 00 CM cd I> cd CM CO
l>* CM rH
9
rH
CM
rH
s
id
iQ
cd
c
©
s
SS
HiO[»Or*HC^HC001>00(M
SS§8SSSSSS§lig2Jg
1
cmhhoooohcdom^
hJ* 02 0« CO rH OJ CO 00 02 CO O
cqrH'HjcicqoocqiOc^oorr-
CO
D-
lO
iO
co
rH
=
etf
cgoi
1-t rH rH
1
CMO^^cd^ci-HCMOi'HÏcd
CO rH O CO CM rH O CO CM
iO CM CM rH
ö
s
ö
rH
CM
cd
&
c
©
©
tüD
T3
S
•&
©
fn
bc
O
3
-G
.3
"O
©
£
03 ©
c 3 T 3
£ C
©
0 g
5 *
1 §
9 G
O O
s
ja 'O
rs
©
PQ
ö w p* .
© GO
3 © r
w .C^-g •
Cip O r .
® e
as ® g-s
eö fl F a
M © > -M
\fg fl 05
%££ g
TiDis ^ 'S
„ © P co
© © - £*
£ r 1 ^
£ © !
’P’S:;
§>
C 8 ( 8®0 .
c g-g **«
Psl
g>g §
•9 i 5 „ _
T 3 ^ C ^ 'O
is • 5 Sb ©
eö >■ "H ja
c 3 i eö *01
> |
© © o “ o
>MM PQ
I
o ^
£ -9
£ .bp
ï s
ö .>■
©
.5 -ö
* ^
tS g ©
3
3g£
,ö «.5 c
k S
1o
§J§
— I
5 . S,
3 o
g -jg
£ *r ©
Ss“
■W -
j* -BS
§ jj.2
Ti o H
g-ai
•*J3
Ö ” 2.
T3
S® &S
O^ft H
5=i
. - ©
© o
'm ^
"© g
© cj
© >
W)
c -5
© Ti
~ '9
..W) .
Ti
• • Ti
• .
©
. 40
~ tüO
• a 0
. g
.£ .
. .3
# #
©
. H3
© ^
. o ^
»
M
0
s
2 .9
©
’ c
©
: :&
* B
Q
• © ö
N Pi C
»Ö
.9
C H>
fl
!f A
is
| : ÊT
.Q .-P
T3 §
fi
©
* ft
©
. P
•|
©
•*
©
S-g
ö a I a
I S.s-g
co . t -4 :
_ m • © 0
’£
.r
•öJ|
e8 © £
W>Ö
© ' C ö .
>>of
lg
s-s
'ö ;§ *
^aS -M
© u. co
&SJ
JsS
S 3 a
o s c
> f© CV
© £ «
X2 fe) -
_ 5 2 s
o3 © "Ö c
-2 “ § t
H O | g
W P>
711 Beroepshygiëne 712
Jaarlijksche sterfte naar het beroep in Parijs, Engeland en Nederland per 1 000 van elke leeftijdsklasse
(volgens Huinink).
Beroep
Parijs 1885 — ’89
Engeland 1880— ’82
Nederland 1891—
’95.
20-29 j.
30 — 39 j.
40— 49 j.
25 — 45 j.
45— 65 j.
18-24 j.
25 — 35 j.
36— 50 j.
Alle mannen ....
11,1
14,9
21,2
10,2
25,3
6,6
7,0
10,5
Geestelijken ....
5,0
8,2
9,0
4,6
15,9
5,8
5,5
7,9
Geneeskundigen
9,9
11,3
9,8
11,6
28,0
—
8,0
13,4
Onderwijzers ....
7,0
8,5
5,8
6,4
19,8
4,6
5,6
6,8
Bakkers
12,4
16,2
24,4
8,7
26,1
5,0
6,6
10,2
Banketbakkers . .
15,0
16,5
20,4
—
—
5.9
4,8
7,5
Tuiniers
11,1
13,6
21,6
6,5
16,2
5,0
4,7
8,0
Koetsiers
17.6
21,5
26,7
15,7
36,8
7,9
17,4
23,0
Voerlieden ....
—
—
—
12,5
33,0
5,3
4,5
9,0
Kellners
22,6
55,3
7,2
11,5
20,9
Logementhouders . * i
Tappers ’ i
Slagers
12,0
21,2
25,7
18,0
33,7
6,5
11,0
11,2
13.2
16.3
10,6
14,0
22,2
12,2
29,1
3,5
6,2
8,6
Ziekte- en sterftecijfers in verband
niet het beroep moeten met groote voorzichtigheid
behandeld worden, omdat andere oorzaken daarbij
dikwijls niet uit te sluiten zijn. Zeldzame beroepen
bijv. geven te kleine grondgetallen voor de berekening
en sommige beroepen hebben een ouderdomsbezetting,
die van grooten invloed is op het sterftecijfer (huis-
eigenaren bijv. zijn meestal ouder dan 40 jaar). Soms
oefent iemand naast zijn gewoon beroep nog een ander
uit (barbier en begrafenisondernemer). Door de invoe-
ring van machines is voor oorspronkelijk verschillende
beroepen het verschil uit gezondheidsoogpunt wegge-
vallen; of iemand als timmerman of als metaalbe-
werker aan een draaibank staat, of een bakker een
kneedmachine en een boekdrukker een drukpers
hanteert, maakt in hygiënisch opzicht weinig verschil.
Bij vrouwen heeft het geslachtsleven veel invloed op
ziekte en sterfte.
Winkeliers, winkelbedienden en kantoorbedienden,
ambtenaren, geneesheeren, vrachtrijders hebben nog
wel een zelfden werkkring als vroeger en kunnen wel
statistisch meer betrouwbare gegevens op leveren.
Mag men aannemen, dat hooge sterfte in hooge leef-
tijdsklassen en geringe bij de jongelingschap (18—24
jaar) in een zelfde beroep op nadeel voor de gezondheid
wijst, dan zouden wat de werklieden betreft, bijv.
schilders, smeden, slagers, meubelmakers, agenten
en reizigers, bootwerkers, krijgslieden en ook land-
bouwers een ongezond beroep uitoefenen; terwijl omge-
keerd boekdrukkers, grondwerkers, timmerlieden,
kleermakers, scheepsbouwers, zeevisschers en ambte-
naren in een gezond bedrijf zouden werken. De ver-
schillen zijn in deze gevallen echter niet groot en dus
niet zeer bewijzend. Ongunstige cijfers vinden we ook
bij Katli. geestelijken, vergeleken bij predikanten, en
bij beroeploozen in vergelijking met arbeidenden,
misschien omdat onder beroeploozen veel lichamelijk
zwakken schuilen. In het algemeen zijn in het verloop
der 20e eeuw mede door de sociale bemoeiingen de
sterftecijfers belangrijk gedaald en dit geldt in ’t
bijzonder voor geestelijken, geneeskundigen, onder-
wijzers, bakkers, voerlieden en slagers. Chlorose als
massaal verschijnsel in beroepen als winkeljuffrouw
is zelfs verdwenen. Ter illustratie dienen hier eenige
sterfte-statistieken, overgenomen uit Saltet’s Voor-
drachten over Gezondheidsleer 1919, blz. 89 en 93.
Om den belangrijken invloed van den ouderdom
zooveel mogelijk uit te schakelen, werd in de tweede
statistiek (der werklieden en bedienden) alleen reke-
ning gehouden met personen beneden den 45-jarigen
leeftijd. Tevens is in deze statistiek de sterfte aan
tuberculose als meest belangrijke oorzaak weergegeven.
Sterfte, gemiddeld in 1908-’11 per 1000 per jaar
naar leeftijdsklassen, met vermelding tusschen
haakjes der sterfte aan tuberculose van longen en
larynx.
Werklieden of bedienden
18—24
jaar
25—34
jaar]
35-44
jaar
Alle beroepen
3,67
4,02
5,48
(1,67)
(1,62)
(1,44)
Alle mannen
4,05
4,64
5,70
Boekdrukkers
5,21
5,06
5,25
(2,64)
(2,95)
(2,40)
Grondwerkers
4,69
3,44
4,90
(1,74)
(1,35)
(1,08)
Metselaars
3,60
3,82
4,59
(1,38)
(1,37)
(1,25)
Timmerlieden
4,26
3,45
5,14
(1,81)
(2,26)
(2,59)
Schilders
4,27
5,51
6,98
(2,21)
(2,57)
(2,21)
Meubelmakers
3,13
4,12
6,06
(1,71)
(1,68)
(2,39
Kleermakers
6,03
5,13
4,38
(3,47)
(2,89)
(1,88)
Schoenmakers .
6,60
5,70
5,58
(3,27)
(2,94)
(1,79)
Smeden
4,67'
6,06
7,06
(2,25)
(2,80)
(2,08)
Machinisten
3,92
2,84
4,60
(0,95)
(0,86)
(0,72)
Scheepsbouwers
3,84
3,62
4,22
(1,30)
(0,89)
(0,70)
Textielarbeiders
3,00
4,46
6,05
(1,58)
(2,37)
(1,82)
Bakkers
2,73
3,77
5,08
(1,07)
(1,37)
(0,77)
713
Beroepshygiëne
714
Werklieden of bedienden
(Vervolg)
18—24
jaar
25—34
jaar
35—44
jaar
Vleeschhouwers
2,96
3,88
6,47
(1,36)
(1,48)
(1,73)
Tabaksbewerkers
5,64
5,93
7,74
(3,55)
(3,06)
(2,26)
Landbouwers
3,62
4,16
5,85
(1.55)
(1,63)
(1,38)
Zeevisschers
4,57
3,72
4,06
(1,62)
(1,27)
(1,14)
Kooplieden
2,51
2,31
3,28
(1,53)
(1,14)
(0,78)
Agenten en reizigers
1,88
2,88
6,05
(0,94)
(0,86)
(1,41)
Spoor en tramwachters. . . .
6,83
3,61
5,88
(1,77)
(1,46)
(1,55)
Voerlieden
2,71
3,33
4,64
(0,98)
(1,39)
(1,51)
Bootwerkers
3,34
4,25
5,94
(1,39)
(1,43)
(1,36)
Binnenschippers
4,59
6,98
6,79
(1.11)
(1,59)
(0,83)
Magazijnbedienden
2,54
2,34
4,05
(1,07)
(1,00)
(0,99)
Geleerde
beroepen
18—24
jaar
25—34
jaar
35—44
jaar
45-54
jaar
55—64
jaar
Geneeskundigen
en veeartsen .
3,30
4,37
10,09
34,31
Onderwijzers . .
2,86
(0,65)
3,32
(0,19)
3,92
(- )
8,64
(1,96)
24,13
(1,62)
(1,32)
(1,02)
(1,37)
(1,90)
Predikanten . .
2,92
3,75
14,64
31,63
Kath. Geestel. .
(- )
4,21
(0,63)
5,35
(1,08)
16,61
(0,75)
44,68
Krijgslieden . .
3,47
(2,53)
3,91
(0,63)
6,74
(1,31)
15,71
(2,13)
67,82
(1,18)
(1,26)
(1,72)
(2,63)
(3,40)
Ambtenaren van
Rijk, Gemeen-
te en Water-
schap ....
4,06
3,05
4,73
9,31
25,76
(2,16)
(0,89)
(0,74)
(0,96)
(1,49)
Rechtswezen,
advocaten,
notarissen . .
2,79
4,21
10,08
41,30
Alle beroepen .
3,67
(1,04)
4,02
(0,53)
5,48
(0,56)
10,49
(1,33)
24,42
(1,67)
(1,62)
(1,44)
(1,79)
(2,27)
Ned. Recht. Wettclijko maatregelen ter voor-
koming van hygiënische en sociale nadeelen van den
arbeid en het beroep zijn voor Nederland o.a. vastge-
legd in de Arbeidswet 1919 en daaruit voort-
vloeiende algem. maatregelen van bestuur. Zoo bevat
deze wet: 1° bepalingen ter beperking van den arbeids-
duur (in fabrieken en werkplaatsen niet meer dan
8 1 / 2 uur per dag en 48 uur per week); 2° voorschriften
omtrent het verrichten van arbeid, die gevaar oplevert
voor de gezondheid, zedelijkheid of het leven van de
arbeiders, in het bijzonder van jeugdige personen en
vrouwen ; 3° arbeidsverbod voor leerplichtige kinderen
en voor alle kinderen beneden een bepaalden leeftijd
(14 jaar); 4° bepalingen, noodig om de naleving der
voorschriften te controleeren en te verzekeren.
Onder arbeid verstaat deze wet alle werk-
zaamheden in een onderneming. De wet is nog niet
op alle soorten van arbeid toepasselijk verklaard.
Voor sommige ondernemingen zijn de voorschriften
in afzonderlijke wetten belichaamd, zooals voor den
steenhouwersarbeid in de Steenhouwerswet 1921,
voor den havenarbeid ten deele in de Stuwadoorswet,
voor den mijnarbeid in de Mijnwet 1903. De werkzaam-
heden van den patroon en van zijn echtgenoote zijn
niet aan beperkende bepalingen onderworpen, behalve
in het bakkersbedrijf. De reeds genoemde Veiligheids-
wet dient ook tot bescherming van den arbeid, terwijl
de Hinderwet last en schade voor omwonenden tracht
te verhinderen. In 1932 is ook de Winkelsluitingswet
in werking getreden.
Het toezicht op de bepalingen der Arbeidswet
en den opsporingsdienst is opgedragen aan verschillen-
de ambtenaren, waarvan de directeur-generaal aan het
hoofd staat. Verder zijn er aan verbonden inspecteurs,
ingenieurs, scheikundigen, landbouwkundigen en ook
vijf geneesheeren met den titel van medisch-adviseur
of geneeskundige bij de arbeids-inspectie. De wet
verplicht ook de gewone niet-ambtelijke geneesheeren
tot aangifte van beroepsziekten, een verplichting,
waaraan echter dikwijls niet gedacht, althans niet
voldaan wordt. De geneesheeren -ambtenaren der
arbeidsinspectie verrichten blijkens het Centraal
Verslag talrijke onderzoekingen en keuringen van
mannelijke, vrouwelijke en jeugdige werkers en werk-
sters in fabrieken en van de inspecteurs en ingenieurs
kan, vooral nu aan de technische hoogeschool te Delft
ook technische hygiëne wordt gedoceerd, op den duur
meer inzicht en belangstelling voor beroepshygiëne
en beroepsziekten verwacht worden; maar er is op dit
gebied nog zooveel te onderzoeken en te verbeteren,
bijv. omtrent fabrieksruimten, verlichting, reinheid,
ventilatie, temperaturen, schade door dampen,
gassen, stof en giftig materiaal, dat een centraal
instituut, waar onderzoekingen kunnen worden ver-
richt en door de ambtenaren kennis kan worden opge-
daan, zeker niet overbodig zou zijn.
L i t. : W. J. H. Huinink, Verg. Studie van de sterfte
naar het beroep in Nederland en eenige andere landen
(dis8., 1899) ; H. Westergaard, Die Lehre von der Mor-
talitat und Morbiditat (1901) ; R. Prinzing, Handbuch
der medizinischen Statistik (1906) ; S. Rosenfeld, Zur
Gesundheitsstatistik der Berufe (1907) ; Krankheits-
und Sterblichkeitsverhaltniese in der Ortskrankenkasse
für Leipzig und Umgebung (Berlijn 1910) ; C. M. Kleipol,
Critische beschouwing over beroepsziekte- en beroeps-
sterftestatistiek (diss., 1912) ; Bijdrage tot de Statistiek
van Nederland (1917, no. 247 v.h. Centr. B. voor de
Statistiek) : Causes of Deuth by Occupation U.S. Depart-
ment of Lubr (1917) ; E. W. Hope, Industrial Hygiene
und Medicine (1923) ; L. Heyermans, Handleiding tot de
kennis der Beroepsziekten ( 2 1925) ; Centraal Verslag der
Arbeidsinspectie (1931) ; P. Stapel en J. J. A. de Koning,
Leerboek voor de Politie (1932) ; R. Bromberg, Over
de be drijf sziekten en hare sociale beteekenis ; J. Berthil-
lon, De la morbidité et de la mortalité par professions.
Transaction 7 Int. Congres of Hygiene Demogr.
Droog.
Beroepshygiëne in België. De b. wordt in de Bel-
gische arbeidswetgeving geregeld door een zeker
aantal wetten en Kon. Besluiten, die tot doel hebben:
1° maatregelen te treffen om de veiligheid en de
gezondheid van de werklieden te bevorderen, en 2°
de eerste hulpmiddelen te bepalen, die bij ongevallen
715
Beroepskeuze
716
in de handels- en nijverheidsondernemingen dienen
toegepast te worden. Het meeste belang biedt het
Algemeen Reglement van 30 Maart 1905. Dit voorziet
o.m. maatregelen aangaande de gezondheidsvoor-
waarden der localen: luchtvoorziening, verlichting,
verwarming, zindelijkheid en droogte der werkhuizen;
maatregelen tot voorkoming van de gevaren, opge-
leverd door machines: beschutting voor vliegwielen,
cylindertrommels, assen, riemen, kabels en andere
bewegingsorganen; maatregelen tot voorkoming van
de gevaren, veroorzaakt door heftuigen en kabelbanen:
verplicht jaarlijksch onderzoek nopens den weerstand
der kabels, remmen en pallen; maatregelen tot voor-
koming van verstikking in gasuitwasemende plaatsen,
enz.
Dit Algemeen Reglement werd herhaalde malen
herzien en aangevuld, o.m. door het K. B. van 28 Mrt.
1919 op de stoomketels en door het K. B. van 28 Dec.
1931 op het aan leggen van electriciteitsgeleidingen.
Het eerste heeft tot voornaamste do«d de voorkoming
van explosie door te hooge stoomdrukking of door
droogstaan der ketels. Het tweede beoogt vooral het
voorkomen van brand door kortsluiting en electrocutie.
Andere wetten en K. B. voorzien voorschriften voor
bepaalde bedrijven, beschouwd als bijzonder gevaarlijk
of ongezond; onder deze dienen geciteerd: samen-
geordende wetten op de mijnen, steengroeven en
graverijen (15 Sept. 1919); wet en Kon. Besluit op
de steenbakkerijen (wet 30 Aug. 1909 en K. B. 4 Juli
1925); wet en Kon. Besluit op de lucifersfabrieken
(wet 30 Aug. 1919 en K. B. 1 Juni 1920); wetten
en Kon. Besluiten op het gebruik van loodwit en
andere loodhoudende kleurstoffen; wetten en Kon.
Besluiten op de stapelplaatsen en fabrieken van
springstoffen, enz. De eerste hulpmiddelen, die bij
ongevallen in de handels- en nijverheidsondememing
gen moeten toegediend w r orden, maken het voorwerp
uit van een Kon. Besluit van 16 Jan. 1932. Daarin
wordt voorzien: o.m. dat in iedere gevaarlijke of
ongezonde handels- of nijverheidsonderneming steeds
een verbandtrommel moet voorhanden zijn, waarvan
de inhoud verandert naar gelang den aard en omvang
van het bedrijf.
Naast deze wetten en K. B. kent de Belgische
arbeidswetgeving zekere andere wettelijke voorschrif-
ten, die onrechtstreeks bijdragen tot de verhoog ing
van de beroepshygiëne. Hieronder dienen gemeld:
de wet op den arbeidsduur (> Achturenwet); de wet
op de Zondagsrust; de wet op den arbeid van vrouwen
en kinderen; de wet op de werkhuisreglementen;
het toezicht van de fabrieken en werkhuizen
(> Arbeidsinspectie), enz.
L i t. : Destrée, Ballet, Soudan, Janson, Code du
Travail (2 dln. Brussel 1924) ; H. Velge, Eléments de
droit industriel beige (3 dln. Brussel 1927-1929).
Rondou .
Beroepskeuze is het nemen van een beslissing
met betrekking tot den toekomstigen maatschappe-
lijken werkkring. Bij deze beroepskeuze kunnen ver-
schillende motieven een rol spelen. In vele gevallen
treft men dienaangaande valsche motieven. Zoo in
geval de natuurlijke ontwikkeling meebrengt., dat een
eigenschap zich op een bepaalden leeftijd sterk ont-
wikkelt en op den voorgrond treedt en ouders ten
onrechte besluiten tot bijzondere begaafdheden van
hun kind in die richting. Het meest constateert
men dit op het gebied van technischen aanleg bij
jongens tusschen 10 en 16 jaar.
De motieven, die de b. behooren te bepalen, zijn
aanleg, sociaal -economische omstandigheden en econo-
misch perspectief. De psychotechniek houdt er zich
mee bezig den aanleg van een persoon te bepalen, en
wel aanleg in zijn breedsten zin. In tegenstelling met
de meeste scholen, die alleen den verstande lijken
aanleg meten, tracht zij rekening te houden met alle
begaafdheden en bekwaamheden.
Deze taak van de psychotechniek is omvangrijk,
omdat zij voor eiken persoon, wat betreft den aanleg,
een keuze moet doen uit een zeer groot aantal mogelijk-
heden. De voordeelen van een deskundige voorlichting
op dit gebied zijn, dat de deskundige beter den aanleg
kan bepalen, dat hij veel meer beroepen en mogelijk-
heden kent en dat hij tevens op de hoogte is van oplei-
dingsmogelijkheden. Wat betreft de lichamelijke
geschiktheid zal een medisch onderzoek in vele geval-
len gewenscht zijn.
De sociaal-economische omstandigheden gelden
als motief bij de beroepskeuze in zooverre de meeste
kinderen ongeveer in den beroepsrang willen en
moeten blijven als hun ouders. Kosten, verbonden
aan de opleidingen, wegen hier meestal zwaar. Het
economisch perspectief van een beroep is van belang,
omdat men rekening moet houden met de mogelijk-
heden in de toekomst en met de eventueele risico’s.
De b. wordt meestal niet door den persoon zelf
gedaan, maar door de ouders. In somm'ge gevallen
trachten dezen rekening te houden met de belangstel-
ling der kinderen, doch deze belangstelling is vaak on-
gemotiveerd, omdat zij gebaseerd is op valsche voor-
stellingen van het beroep. De b. is vooral de laatste
jaren urgent geworden, omdat de beroepskansen in
vele gevallen zijn gedaald en omdat een verkeerde
keuze moeilijker dan voorheen te herstellen is.
de Quay .
Beroepskeuze in België. De uitdrukking beroeps-
keuze wordt niet altijd in dezelfde beteekenis gebruikt.
In beroepskeuze wordt wel eens beroepsbolang omvat;
zoo ook brengt men soms de selectie van personeel
onder den inhoud van beroepskeuze. Zonder aan
theoretische beschouwingen te doen, moet toch gezegd,
dat deze bijdrage zich bepaalt bij volgende beteekenis:
wat practisch gedaan wordt om, op grond van studie
en kennis der beroepen, tezamen met bet onderzoek
van de individuen — kinderen of volwassenen —
de meest aangepaste beroepen te vinden. Beroeps -
belang, beroepsonderwijs en selectie komen bijgevolg
niet in aanmerking.
De practijk van de b. in België is gegroeid uit het
privaat initiatief. De studie van dit veelzijdig vraag-
stuk werd voor het eerst ondernomen in 1910 in een
paedagogisch milieu, de „Société Beige de Pédo-
technie”.
De gedachte groeide uit de vaststelling, dat de
meeste kinderen een beroep kozen zonder onderscheid,
onwetend over de eischen van de beroepen en over
hun persoonlijken aanleg. In 1912 kw r am het eerste
bureau van b. tot stand, met als bijzondere mede-
werkers dr. Decroly en de heer Christiaens. De wereld-
oorlog kwam die werking onderbreken, doch in 1922
heeft het bureau zijn werkzaamheden hervat. Dit
bureau heeft verschillende filialen in de voorsteden
van Brussel, het publiceert een driemaandelijksch
tijdschrift: Bulletin trimestriel de 1 ’off ice inter-
communal pour 1’orientation professionnelle.
De practijk van de b. heeft zich verder verspreid
in de verschillende sociale kringen. Sinds 1926 bestaan
717
Beroepskleding — Beroepsorganisatie
718
er bureau ’s voor raadpleging in sommige gewestelijke
sociale secretariaten, zooals: te Brussel (voor meisjes
en voor jongens) en ook te Antwerpen. In de K.A.J.
(Katholieke Arbeidersjeugd) is ook sinds enkele jaren
zeer ernstig werk verricht ten bate van de b. Eindelijk
is de bekommering voor de b. tot in de school zelf
doorgedrongen op verschillende wijzen: sommige,
zooals de Hoogeschool van den Arbeid te Charleroi,
doen zelf aan b., andere trachten bij te dragen tot
een betere keus door voordrachten over het beroeps-
leven aan de kinderen te geven vooraleer zij de school
verlaten, en ook door ouders en kinderen aan te zetten
om raad te vragen in de bureau ’s van b. De methoden,
gebruikt door de verschillende organismen, komen
neer op waarneming, onderzoek en vragenlijsten.
Altijd heeft er een geneeskundig onderzoek plaats en
soms bepaalt men zich daarbij tot wat het wetenschap-
pelijk onderzoek betreft. De waarnemingen en de
resultaten van onderzoek worden aangebracht in de
verschillende deelen van de vragenlijst. De onder-
deden van de ingevulde vragenlijst brengen op die
wijze aanduidingen samenkomend van: den belang-
hebbende, geneesheer, ouders, school en aangestelde
van het bureau. Er bestaat in België geen verplichting
voor de kinderen om zich naar het bureau van b. te
begeven; nochtans is het aantal bezoekers steeds
toegenomen.
Van officieele zijde is er belangstelling vermits
sommige instellingen voor b. een toelage ontvangen
van het Ministerie van Arbeid.
L i t. : R. Delrue, Beroepskeuze en arbeidersselectie.
Gids op maatschappelijk gebied (Mei 1928) ; A. G.
Christiaens, L’orientation professionnelle en Belgique ;
Dix conférences sur l’orientation professionnelle (Parijs,
89). Delrue.
Beroep sklccding voor de vrouw. Een
eenvoudige, practische, sterke, waschbare japon of
japonschort; als hoofdbedekking een muts of doek,
die om het hoofd geknoopt wordt; als voetbekleeding
stevige, ruime schoenen met lage hakken.
v. Oerle-Nipper.
Beroepsleger (N ed. Recht), > Leger.
Beroepsmisdadiger. De misdadigers worden
ingedeeld in gelegenheids-, gewoonte- en beroeps-
misdadigers. Beroepsmisdadigers zijn zij, die doel-
bewust een of meerdere soorten van misdaad ais
beroep uitoefenen. Bijv.: heler, woekeraar, prostituée.
Beroepsmisdadigheid, > Beroepscriminali-
teit.
Beroepsmoraal beteekent het samenstel van
bijzondere moraa Regelen, die hun toepassing vinden
bij de uitoefening van een bepaald beroep. Elk beroep
toch betreft een bijzondere categorie van handelingen
en wordt daarom — niet door een andere moraal dan
hiervan onderscheiden beroepen — maar door een
bijzondere toepassing der algemeen geldende moraal-
regelen op zijn speciale materie beheerscht. Zoo is er
een beroepsmoraal voor geestelijken, kooplieden,
artsen, magistraten, enz. Maar soms wordt ook als
zoodanig aangeduid het samenstel van normen, die
krachtens conventioneele fatsoenlijkheidsopvattingen,
al dan niet in verband of in overeenstemming met de
echte moreele gedragsregelen, voor een bepaald beroep
als verplichtend gelden, wil aan de beroepseer vol-
daan worden; menigmaal betreft dit formalistische
wetten, op gewoonte of uiterlijkheid berustend;
menigmaal echter zijn het ook zekere gedragswijzen,
die in laatste instantie in het belang der beroeps-
genooten en tot juiste beoefening van het beroep zelf
gevorderd worden. Weve.
Beroepsorganisatie beteekent de ordening
der beroepen, dus van de onderscheidene takken van
werkzaamheden, die gezamenlijk de maatschappij
der menschen vormen. Dit geschiedt dan vooral door
vereeniging van de groepen dergenen, die tot een
zelfde beroep behooren. Door zulk een uitbouw der
beroepsstanden moet ten slotte de geordende staat
weer het aanzijn krijgen, die nl. niet uit los van elkaar
staande individuen noch uit elkaar bestrijdende
klassen of groepen bestaat, maar uit het evenwichtig
verband tusschen maatschappelijke formaties, die
elkaar aanvullen, elkaar noodig hebben en met elkaar
samenwerken. Die organisatie dient dan vooreerst
tot bevordering der verschillende beroepsbelangen en
van het moreele, maatschappelijke en economische
welzijn der leden, maar dan ook tot richt ige beharti-
ging van het algemeen welzijn, ^waartoe allen hebben
mee te werken. Het is van belang, dat de beroeps-
organisatie worde voltrokken niet in den zin van een
corporatieven staat, waarbij de op te richten beroeps-
standen of andere organen staatsinstellingen zijn,
ware organen van den staat, van boven af gevorderd
en door ambtenaren geleid, maar in den zin van een
corporatieve maatschappij, waarbij de ordening van
het beroepsleven in handen ligt van de georganiseerde
beroepsgenooten zelve. Geheel iets anders is de eisch,
dat de beroepsstanden ten slotte een publiekrechtelijk
karakter moeten krijgen, dus met verordende bevoegd-
heid in eigen kring behooren te zijn toegerust, maar
zulks door decentralisatie van de publieke macht,
niet door uitbreiding of monopolie van de politieke
staatsmacht. Zóó pas ontstaat opnieuw een vrije
maatschappij en wordt de staat tot een geheel met
eigen zelfstandige werking der onderdeelen, zooals
het aan een organisme van redelijke wezens past en
zooals de sociale wijsbegeerte met haar stelling om-
trent de „subsidiaire” werkzaamheid der hoogere
organen altijd geëischt heeft. Hieronder immers wordt
verstaan het beginsel, dat een hooger of breeder maat-
schappelijk orgaan slechts heeft ter hand te nemen,
wat het lagere, meer beperkte niet vermag; zoodat
altijd en over geheel de linie het initiatief van onderen
af dient te beginnen.
Dit alles betreft het denkbeeld van beroepsorgani-
satie in het algemeen. Daarnaast wordt aan het woord
wel een minder ruime zin toegekend naar de mate
van den oogenblikkelijken stand van de organisatie
der beroepen in de verschillende landen en dus van het
concrete karakter der reeds bestaande organismen.
Men kan nl. al wat ter verzorging der maatschappelijke
of stoffelijke behoeften van bedrijfs- of vakgenooten
aan vereenigingen gesticht wordt, reeds beroeps-
organisatie heeten. En omdat zulke groepeeringen
soms nog maar een beperkte taak hebben en pas verre
voorbereidingen zijn tot de eigenlijke beroepsorgani-
satie, die ten slotte het herstellen is van het organische
staatsgeheel, daarom wordt in dit geval onder de be-
roepsorganisatie iets anders verstaan dan wat hier-
boven werd uiteengezet. Zij is dan ook iets anders
dan bedrijfsorganisatie, die in het eerste geval als een
onderdeel der algemeene, alle vakken omvattende b.
beschouwd wordt. ->■ Bedrijfsorganisatie. Weve.
Beroepsorganisatie in Nederland. Tot de b., opge-
vat in de laatstgenoemde beteekenis, behooren de
vakvereenigingen van arbeiders, middenstanders en
werkgevers, maar niet de standsorganisaties dezer
719
Beroepsoriënteering — Beroepsscholen
720
volksgroepen, noch de arbeiders -coöperaties en andere
algemeen -sociale instellingen. Evenmin financieele
instellingen als landbouwbank en middenstandsbank,
omdat deze geen beroeps- maar standsbelangen ver-
zorgen.
De b. omvat anderzijds wél de coöperaties of stich-
tingen, door de organisaties van landbouwers in het
leven geroepen, voor den collectieven aankoop van
meststoffen en veevoeder, en den verkoop van land-
bouw- en zuivel-producten. Dit alles geldt het beroep.
Ook behooren tot de b. productie- en verkoop -organi-
saties in den vorm van trusts en kartels, die zich tot
eenzelfde beroep beperken. Het ontstaan der b. is de
natuurlijke correctie op het individualisme der libe-
rale school. In een proeftijd van vallen en opstaan is
de b. allengs tot vervolmaking gekomen en voert de
volkshuishouding naar een meer gebonden en solidaris-
tische economie. Aanvankelijk werd de b. bevrucht
door het negatieve spel van aanval en verweer in de
verhoudingen tusschen groepen en standen, maar naar-
mate de volkshuishouding aan het liberale individua-
lisme ontgroeit, gaat ook de practijk van den klassen-
strijd wijken voor een meer solidaristische beheersching
der sociale en economische verhoudingen. Het allen
tegen allen wordt door de b. uit de samenleving ver-
drongen, om langzaam plaats te maken voor strevin-
gen, die zich richten op de belangen der volksgemeen-
schap als geheel. De opkomst der moderne b. dateert
in Nederland vnl. sedert de Wet van 22 April 1855
(Stbl. 32) tot regeling en beperking van het recht
van vereeniging en vergadering,
nader aangevuld en gewijzigd bij de wetten van 14
Sept. 1866 (Stbl. 123) en 15 April 1886 (Stbl. 64).
Reeds ouder zijn de typographenvereenigingen te Den
Haag (1843) en Amsterdam (1849). De eerste nationale
vakbond — van typographen — werd opgericht in
1866. De b. onder de werkgevers ontstond grootendeels
later; met uitzonderingen als de reedersvereeniging
in het visscherijbedrijf te Scheveningen (1812), de
organisatie van goud- en zilversmeden (1864) en van
de schilderspatroons (1880). De jongste, van regeerings-
wege uitgegeven naamlijst (1926) vermeldt 460 ver-
eenigingen van werkgevers op het gebied van handel
en industrie, die alle van meer dan locale beteekenis
zijn.
De Kath. b. van werkgevers en middenstanders
ontstond in 1917 — ’18; die op landbouwgebied echter
reeds in de eerste jaren van de 20e eeuw. De b. der
landbouwers is door haar instellingen sterk economisch
georiënteerd, en in socialen geest minder ontwikkeld.
Zij is grootendeels geconcentreerd in de drie groote
centrale organisaties van Katholieke, Protestantsche
en neutrale richting. Dit geldt ook voor de arbeiders
in den landbouw, waarbij voor neutraal is te lezen:
Sociaal-Dcmocratisch. De b. der landbouwers omvat
groote bedrijven voor den handel in en verwerking
van agrarische producten. Dit in tegenstelling met de
b. der werkgevers, die grootendeels ontstond als middel
van verweer tegen het streven der arbeidersbeweging.
Dit doel trad aanvankelijk sterk op den voorgrond,
doch haar karakter is allengs milder geworden, waartoe
de eischen der realiteit en de opkomst der b. op Katho-
lieken en Protestantschen grondslag hebben bijge-
dragen. Met de ontwikkeling in omvang en innerlijke
kracht is in de b. ook de onderlinge verhouding op
hooger sociaal peil gekomen. De individualistisch-
liberale en revolutionnair-socialistische uitersten
zijn allengs op den achtergrond gedrongen en ver-
vangen door een ten deele onbedoeld streven in meer
solidaristische richting (> Arbeidersbeweging, Vak-
beweging, Landbouworganisatie, Werkgeversorgani-
satie, Werkliedenverbond). Kuiper .
Beroepsorganisatie in België. Meestal verstaat men
in België onder b. de organisaties, die zich wijden aan
de behartiging der belangen van een bepaalde groep
deelgenooten in het economisch leven: werknemers,
werkgevers, landbouwers of middenstanders.
Vooral tusschen de werklieden zijn deze
organisaties, vakvereenigingen of syndicaten genoemd,
zeer verspreid: de grootste helft der arbeiders in
België maakt deel uit eener vakvereeniging. De
machtigste groepeering is die der Socialisten, de
Syndicale Commissie, vertakt in 24 centrales: zij
vormt het hoofdbestanddeel der Belgische Werklieden-
partij. Haar strekking is reformistisch, haar leden-
aantal, dat in 1920 tot 718 000 steeg, daalde sindsdien
tot 608 620 op 31 Dec. 1932. Daarna komt het Alge-
meen Christelijk Vakverbond (A.C.V.), dat in den
schoot der standsorganisatie der Katholieke arbeiders ,
hun beroepsbelangen verzekert; bestaat uit 17 cen-
trales, en kende sinds 1918 een stijgenden opbloei
(in 1920: 200 000 leden, in 1933: 330 000 leden).
Enkele liberale en ook neutrale vakbonden zijn van
jongeren datum en bereikten geen noemenswaardige
resultaten. De pogingen, weleer aangewend om arbei-
ders en werkgevers in gemengde groepeeringen te
vereenigen, mislukten.
Bij de landbouwers bestaan ook beroeps-
organisaties, vnl. van den Belgischen Boerenbond.
Eveneens vindt men bijzondere b. voor midden-
standers, hetzij als onderdeden eener algemeene
standsorganisatie als den Landsbond van den Christe-
lijken Middenstand, hetzij als zelfstandige kleinere
groepeeringen met meestal regionaal karakter (bijv.
Grossisten-vereenigingen). De werkgevers in
België zijn voor het meerendeel aangesloten bij het
Comité Central Industriel, dat in alle gewesten, langs
zijn Patronale Kamers om, de nijveraars ook volgens
beroep organiseert. De Katholieke Werkgevers in het
Vlaamsche land hebben in hun jongere standsorga-
nisatie, nl. het Algemeen Christelijk Verbond voor
Werkgevers (A.C.V.W.) ook ruimte gelaten aan b.
voor bijzondere takken van nijverheid of groothandel:
slechts enkele vereenigingen zijn tot nog toe opgericht
en hun werking bleef zeer beperkt. > Beroeps vereen i-
ging-
Soms hecht men aan b. ook den zin van bedrijfs-
organisatie of beroepsstand.
In de ontwikkeling der b. valt in België eveneens
een strekking tc bespeuren naar een solidaristische
verbondenheid, die uitgaat boven bedoelden of opge-
drongen klassenstrijd en principieel door de Katho-
lieke organisaties, vooral in hun laatste uitingen, op
den voorgrond wordt geplaatst. > België (Sociale
inrichtingen); > Syndicalisme.
L i t. : Rutten, Handboek voor Sociale Studie en
Actie (Brugge) ; id., De sociale leer der Kerk (Antwerpen
1932) ; Arendt, L’Action Syndicale (2 dln. Brussel 1933).
V. Gestel.
Beroepsoriënteering, > Beroepskeuze.
Beroepsreclit van den medicus, > Ambts-
geheim; > Mishandeling; -> Vivisectie.
Beroepssoliolen of vakscholen zijn
inrichtingen van onderwijs, die opleiden voor een
bepaald beroep, vak of ambacht. Hun doel is den
leerlingen de benoodigde theoretische en practische
721
Beroepssilhouette — Beroepstalen
722
vakkennis bij te brengen. Zij danken hun ontstaan
aan de in het dagelijksche leven gevoelde practische
behoeften. Daarmee hangt hun veelsoortigheid samen.
Hun naam ontleenen ze meestal aan het vak, waarvoor
ze opleiden. Zoo zijn er landbouw-, handels-, textiel-,
technische, mijn-, kunst- en kunstnijverheidsscholen,
opleidingsscholen voor de zeevaart, de binnenvaart,
de visscherij. De ambachtsscholen leiden op voor een
bepaald ambacht als timmerman, smid, electricien,
enz. Voor de meisjes zijn speciaal bestemd de huishoud-,
landbouwhuishoud- en nijverheidsscholen. Er zijn
dag- en avondvakscholen en verder een groot aantal
speciale beroeps- of vakcursussen. Voor België,
> Technische scholen. Widdershoven.
Berocpssllhouctte is een graphische voor-
stelling van de eigenschappen, die voor de uitoefening
van een bepaald beroep noodig zijn. Men maakt daarbij
meestal gebruik van ster-diagrammen. De stralen
vermelden de verschillende eigenschappen, terwijl
de grootte wordt aangegeven door den afstand vanaf
het middelpunt van het diagram. De aldus verkregen
punten op de stralen worden met elkaar verbonden
en het ingesloten deel wordt donker gekleurd. Het
aldus verkregen b. geeft vlug en op aanschouwelijke
wijze een overzicht van de beroepseischen. de Quay.
Beroepsspccuiatie (beurstechnisch) is ver-
zamelnaam voor die speculanten, die zich bij wijze
van beroep met speculatieve transacties bezig houden
en dus uiteraard in de techniek van den beurshandel
en de beursspeculatie doorkneed zijn.
Beroepsstaiic! is de georganiseerde eenheid
dergenen, die eenzelfde beroep uitoefenen, of nog
juister, tot eenzelfde beroep behooren. De volmaaktere
vorm van beroepsstand toch, omdat al degenen, die
in een bepaalde branche werkzaam zijn, mogen het in
leidende dan wel in uitvoerende functies wezen:
b. sluit dan in: hoofd- en handarbeiders, hoog en laag,
patroon en arbeiders, zoowel als de beambten en al
degenen, die in een specialen tak van bedrijf (of andere
werkzaamheid) hun levensonderhoud verdienen. Wat
de grondgedachte hiervan betreft (de gesloten eenheid
nl. dergenen, die tot eenzelfde beroep behooren),
dit karakter vertoonden o.m. de gilden en andere
organismen der middeleeuwsche maatschappij. Bij
den uitbouw eener ware organische maatschappij
zouden deze beroepsstanden dan hun rol vervullen,
doordat zij ten slotte als eenheid aller daarbij betrok-
kenen over den gang van zaken in de onderscheidene
bedrijven zouden hebben te beslissen, althans door
vertegenwoordigende lichamen, zooals > bedrijfs-
raden. In dezen zin valt dus de idee der beroeps-
standen met die der corporaties van den „corpora-
tieven staat” samen. Zij zijn dan iets anders dan de
zgn. standsorganisaties, die bijv. alle arbeiders dwars
over de verschillende beroepen heen omsluiten. Zij
zijn tegelijk iets anders dan de vakvereenigingen, die,
hoezeer enkel bedrijf sgenooten omsluitend, toch, daar
zij bestaan uit enkel patroons of enkel arbeiders, te
eenzijdig van samenstelling zijn, dan dat zij de eigen-
lijke organische geledingen van het volledige corpora-
tief opgebouwde geheel zouden kunnen zijn. De opvat-
ting als zouden reeds, hetzij de vakbonden, hetzij de
vier groote standsorganisaties de eigenlijke beroeps-
standen zijn, is, hoewel indertijd door meerderen ver-
dedigd, nooit sterk gefundeerd geweest en heeft nog
aan beteekenis verloren sedert de Ene. Quadragesimo
Anno geëischt heeft de toekomstige wording van
bedrijfs schappen, „waarbij de menschen niet ingedeeld
worden volgens de plaats, die zij op de arbeidsmarkt
innemen, maar volgens de fimctie, die ieder vervult
in de maatschappij”, vereenigd als zij zijn door „een
samenvoegende kracht, vooreerst liggend in het feit,
dat werkgevers en werknemers van eenzelfde bedrijf-
schap gemeenschappelijk goederen produceeren of
diensten verrichten, en vervolgens in het algemeene
welzijn, waartoe alle bedrijfschappen zonder uitzonde-
ring moeten meewerken”. In een minder strikten zin
zou men ook alle beroepsorganisaties beroepsstanden
noemen (> Beroepsorganisatie). Weve.
Beroepsstoringen der stem, functioneele
stemstoringen, die bij bepaalde beroepen of bij bijzon-
der stemgebruik kunnen optreden. Men heeft storingen
der spreekstem, die der kommandostem en die der
zangstem. De symptomen bij storingen der spreekstem
zijn: een spoedig optredend vermoeidheidsgevoel bij
het spreken. Dit gaat bij ernstige gevallen over in een
pijnlijk gevoel in de halsstreek, het voortdurend
weigeren der stem, het tremoleeren der stem, met als
ergsten graad: volkomen stemloosheid (> Aphonie).
Bij de kommandostem vindt men bovendien, dat er
veel liooger dan de gewone spreekstem gekommandeerd
wordt, terwijl als storing der zangstem een onzuivere
intonatie nog bijzonder karakteristiek is.
v. Amelsvoort.
Beroepstalen, een belangrijk onderdeel der
groeptalen, onder > taalkringen besproken Men
verstaat eronder de taalvariaties naar de verschillende
beroepen of maatschappelijke posities. In haast ieder
beroep bestaat de behoefte om speciale zaken nauw-
keurig te benoemen, terwijl de alg. taal daartoe de
uitdrukking mist. Vandaar in de b. eigen woorden
en vaak een speciale beteekenis voor woorden uit de
omgangstaal. Door hun beroeps- of > vaktalen kunnen
beroepsgenooten zich van buitenstaanders onder-
scheiden en ontstaat een nauwere band onderling.
Hierdoor kunnen b. soms bewust als geheimtalen
aangewend worden. De b. zijn voor de taalstudie van
groot belang, daar het zgn. leven der taal zich hier
veelal afspeelt. Door verkeer in woord en schrift
hebben ze dan hun invloed op de alg. taal. Bij het
tegenwoordige intense verkeer komt echter bijna
iedereen ook in aanraking met vaktermen uit meerdere
b., zoodat thans de bestudeering daarvan ook uit
practisch oogpunt onmisbaar is. Groot nut heeft de
studie der b. ook opgeleverd voor de klassieke taal- en
literatuurkennis.
De b. zijn te verdeelen in hoogere en lagere, daar
voor ieder beroep niet een zelfde ontwikkeling ver-
eischt is. Tot de hoogere b. rekent men bijv. de rechts-
taal, priester-, dichter-, dokters- en kanselarijtaal.
Een kenmerk is, dat deze b. meer vreemde en abstracte
woorden bevatten dan de lagere b., waartoe bijv.
hooren de boeren-, soldaten- en zeemanstaal, verder
de dieventaal en alle ambachtstalen, alsook de tech-
nische termen uit industrieele bedrijven. Enkele b.,
bijv. de handelstaal, zijn tot beide groepen te rekenen.
Als een beroep tevens een stand uitmaakt (bijv. pries-
ter, boer) kan men ook van standstalen spreken.
Lit. : Voor de lit., > Taalkringen. Voor de b.,
die hier genoemd worden, zie aldaar. Bespreking
van zeer veel b. met woordenlijsten bij v. Ginneken,
Handb. der Ned. Taal (II). Ambachtstalen van steen-
bakker, smid, timmerman, metselaar en loodgieter in
het Vak- en Kunstwoordenboek (7 dln.) der Vlaamsche
Academie. De vakwoordenb. der hoogere b. en Tech-
nische talen worden gewoonlijk meer als compendia
723
Beroepsuitslag — Beroepsvereniging
724
voor vakmenschen dan uit taalbelangstelling geschreven.
Niettemin zijn zo ook voor de taalstudie van nut!
W. Janssen.
Beroepsu it sla jj (*■ Beroepsziekten) is een
huidaandoening, die optreedt als gevolg van den speci-
fieken arbeid van den betrokkene. Men onderscheidt
vsch. oorzakelijke momenten: mechanische (druk,
wrijving), thermische (koude en vorst bij landarbeiders,
koetsiers, warmte bij metaalgieters, enz.), stralende
energie (licht, Röntgen, electriciteit) en chemische
(verbranding, etsing, enz.). Vele beroepshuidziekten
geven zoo typische afwijkingen, dat men op het
klinisch beeld alleen al de diagnose kan stellen.
Slechts een gedeelte der arbeiders, die met bepaalde
praedisponeerende momenten in aanraking komen,
krijgen beroepshuidziekte. Er bestaan dus praedispo-
neerende individueele momenten. Bakkers- of cement-
eczeem treedt maar bij een bepaald percentage der
met die stoffen werkende arbeiders op. Op den duur
kunnen ook gedeelten der huid, die niet direct aan de
inwerking der schadelijke momenten zijn blootgesteld,
toch ziekteverschijnselen gaan vertoonen.
De behandeling van het b. stelt de volgende eischen:
1° het elimineeren der schadelijke momenten, totdat
geheel herstel is bereikt; 2° het opheffen der over-
gevoeligheid of praedispositie, opdat bij het hervatten
van den arbeid geen recidief optreedt; 3° het uitscha-
kelen van secundair ziekmakende infecteerende
kiemen. E. Hermans.
Belg. Recht. De wet van 24 Juli 1927 op de
beroepsziekte geeft geen bepaling van b. Zij voorziet,
dat een K. B. de ziekten zal aangeven, die als b. moeten
beschouwd worden, met opsomming van de bedrijven,
in dewelke ze aanleiding geven tot vergoeding. De
lijst der b. kan aangevuld worden door latere K. B.
op advies van een technisch comité, bestaande uit
geneesheeren, werkgevers en werknemers. In deze
lijst worden van rechtswege opgenomen de b., die het
voorwerp uitmaken van een Internationale Conventie,
door België bekrachtigd.
Heden worden in Belg. Sociale Wetgeving onder
de beroepsziekten gerangschikt: 1° de intoxicatie,
veroorzaakt door lood, door loodverb indingen en
samenstellingen; 2° de intoxicatie, veroorzaakt door
hot kwik, zijn legeeringen en samenstellingen; 3° de
koolziekten; 4° de intoxicatie, veroorzaakt door
phosphor en zijn scheikundige verbindingen; 5° de
intoxicatie, veroorzaakt door arsenicum en de samen-
stellingen er van; 6° de intoxicatie door koolsulfide;
7° de intoxicatie door koolwaterstofverb indingen,
behoorende tot de aromatische reeks of tot de vette
reeks, met de rechtstreeksche gevolgen van die ver-
giftiging; 8° de ziekelijke stoornissen, toe te schrijven
aan radium of aan stoffen met radium of aan stoffen
met radium -uitwerksels; 9° de ziekelijke stoornissen,
toe te schrijven aan X-stralen; 10° de opperhuid -
ziekten (Kon. Besluiten van 30 Jan. 1928 en 30 Juni
1932 en minister ieele besluiten van uitvoering 2 Nov.
1931, 31 Oct. 1932 en 26 Juli 1933).
De wet op de b. volgt zoo nauw mogelijk de wet op
de arbeidsongevallen, doch met zekere afwijkingen.
Zooals voor deze laatste wordt voor de b. het grond-
beginsel van het bedrijfsrisico aangenomen. De werk-
nemer hoeft geenszins het bestaan van een fout van
den patroon te bewijzen.
Bij afwijking van het stelsel, voorzien voor de
arbeidsongevallen, huldigt de wet op de b. de collec-
tieve verantwoordelijkheid van al de bedrijfsleiders
van dezelfde categorie. Derhalve zijn die gehouden,
wettelijk vastgestelde stortingen te doen in een door
den Staat ingericht Voorzorgsfonds. De individueele
dekking van het bedrijfsrisico door private verzeke-
ringsorgan ismen is uitgesloten. Het Voorzorgsfonds,
dat de vergoedingen aan de slachtoffers uitkeert,
ontvangt een regeer ingstegemoetkom in g voor eerste
inrichting, bijdragen van de bedrijfshoofden, en
een speciale staatstoelage in geval van tekort. De bij-
drage van de betrokken bedrijfshoofden w r ordt jaarlijks
herzien en vastgesteld door Kon. Besluit. Bij toepas-
sing van het beginsel van het bedrijfsrisico w r ordt de
vergoeding, die aan het slachtoffer verschuldigd is,
berekend op een forfaitaire basis, die nagenoeg over-
eenstemt met die, voorzien voor de > arbeidsonge-
vallen. De aanvragen tot vergoeding moeten gericht
worden tot het Voorzorgsfonds. In geval van betwis-
ting wordt de zaak gebracht voor den vrederechter
van het kanton, w r aarin het slachtoffer zijn woonplaats
heeft. De rechtbank van den eersten aanleg oordeelt
in beroep.
L i t. : H. Velge, Les lois beiges d’assurance et de
próvoyance sodales (Brussel 1933). Rondou.
Beroepsvereenicjing (Belg. Recht). De
Fransche omwenteling had de organisatie van de
beroepen (ambachten en neringen) afgeschaft. De vrij-
heid van vereeniging werd door de Belgische Grondwet
opnieuw erkend. Eerst door de wet van 31 Maart 1898
werd aan de beroepsvereenigingen een statuut gegeven.
De wetgever is betrekkelijk terughoudend geweest en
heeft slechts met aarzeling de nieuwe wegen ge-
volgd.
De w r et van 1898 bedoelt uitsluitend vereenigingen,
die op een of andere wijze hun beroepsbelangen dienen.
Alle politiek, economisch, mutualistisch of godsdien-
stig doel blijft uitgesloten. Opdat een vereeniging
van de voordeelen der wet van 1898 zou kunnen genie-
ten, moet zij w r ettig erkend worden. De beroepsver-
eeniging kan worden opgericht bij onderhandsche
of bij notarieele akte. De vereeniging is vrij haar sta-
tuten op te maken, zooals zij het goed oordeelt. Deze
statuten moeten echter door den Mijnraad geënteri-
neerd w r orden. Zij moeten dus in overeenstemming
zijn met de w r et en met de openbare orde. Verder
voorziet de wet van 1898 zelve een reeks bepalingen,
die moeten voorkomen in de statuten van de vereeni-
ging, die wil erkend worden. Vooral voor wat het
beheer der vereeniging betreft, alsook het geldelijk
bezit, eischt de wet, dat zekere bepalingen worden
opgenomen in de statuten.
Zoo zegt de wet, dat het mandaat der beheerders
niet langer dan vier jaar mag duren ; dat vreemdelingen
van het beheer uitgesloten blijven, dat vrouwen
er aan deel kunnen nemen, dat de macht der beheer-
ders moet vastgelegd worden in de statuten, dat
benevens de gewone verantwoordelijkheid, de beheer-
ders ook een strafrechtelijke verantwoordelijkheid
hebben, enz.
Eenmaal erkend, bekomt de vereeniging vele voor-
deelen. Zij krijgt de rechtspersoonlijkheid; zij heeft
het recht roerende goederen te bezitten en ook onroe-
rende (alhoewel dit laatste aan beperkende maat-
regelen is onderworpen), zij kan verbintenissen aan-
gaan (natuurlijk binnen de' palen van haar eigen
welomschreven werking), zij mag in rechte optreden,
zij kan giften en legaten ontvangen (mits zekere
voorwaarden te volgen), en eindelijk mag zij ook
fabrieksmerken en handelsmerken bezitten. Ten slotte
725
Beroepsvorming — Berouw
726
regelt de wet de eventueele vereffening en de ver-
deel ing der gelden.
De wet op de b. heeft een stap gezet in de richting
der beroepsorganisatie. Niettemin hebben de meeste
vereen igingen van arbeiders en landbouwers er geen
gebruik van willen maken, omdat de werking aan te
veel beperkingen is onderworpen. Sommige beroeps -
vereen igingen hebben gebruik gemaakt van de bepa-
lingen van de wet van 1921 op de vereeniging zonder
winstgevend doel, terwijl veel andere (de meeste) als
feitelijke vereenigingen blijven bestaan. Vertessen.
Beroepsvorming in het algemeen omvat de
beroepsvoorbereiding en de eigenlijke beroepsvorming
in engeren zin. De beroeps voorbereid ing is de funda-
menteele vorming, ook wel algemeene vorming ge-
noemd, die aan hoogere eischen moet voldoen naar
gelang het beroep hooger is. Beroepsvorming in engeren
zin is uitsluitend die vorming, die noodig is voor de
volkomen uitoefening van het latere beroep. Deze
begint, als het individu de keuze van een beroep
gedaan heeft, hetgeen door innerlijke en uiterlijke fac-
toren wordt bepaald. Het beroep zelf met zijn eischen
en moeilijkheden leidt als doel de geheele vorming.
Deze vorming kan geschieden in en buiten de school.
p. Joannes.
Beroepswet (N e d. Recht). In art. 75 der
Ongevallenwet 1901 (art. 81 der Ongevallenwet 1921)
werd bepaald: „Over de beslissingen, waartegen inge-
volge de bepalingen dezer wet beroep openstaat, wordt
geoordeeld door raden van beroep en in hoogste ressort
door een college van het Rijk”; in die raden zouden
werkgevers en werklieden zitten, terwijl verder alles,
wat de samenstelling dier colleges en de procedure
betreft, aan regeling bij een nadere wet werd opgedra-
gen. Die wet is geworden de wet van 8 Dec. 1902,
Stbl. 208, de Beroepswet.
Art. 1 dier wet bepaalt, dat over de beslissingen van
het bestuur der Rijksverzekeringsbank, waartegen
ingevolge de bepalingen der Ongevallenwet beroep
openstaat, bij uitsluiting geoordeeld wordt in eersten
aanleg door > raden van beroep, in het hoogste ressort
door een > Centralen Raad van beroep. Deze colleges
zijn gaandeweg in diverse andere wetten ingeschakeld
als rechtsprekende organen voor de geschillen, bij
de toepassing dier wetten gerezen. Stoer .
Beroepsziekte is een ziekte, waartoe de uit-
oefening van een bepaald beroep bijzondere aanleiding
geeft. > Beroepshygiëne.
Ned. Recht. In de Ned. Sociale wetgeving
worden b. behandeld als ongevallen, d.w.z. de schade
door loonderving, die een arbeider tengevolge eener b.
ondervindt, wordt hem vergoed volgens de regelen
der > ongevallenwet en niet volgens die der > ziekte-
wet. Sedert 1928 bevat de ongevallenwet eenige
bepalingen over b. (art. 87a — 87d). Art. 87b noemt
als b.: loodvergiftiging, kwikvergiftiging, miltvuur
en mijnwormziekte en vermeldt voorts, welke beroepen
tot ieder dezer ziekten bijzonder aanleiding geven.
> Beroepshygiëne. Stoop.
Beroerte (beslag, apoplexie), het plotseling
optreden van min of meer uitgesproken bewusteloos-
heid, dat met hoofdpijn en braken gepaard gaat en
gevolgd wordt door een gewoonlijk halfzijdige ver-
lamming. Bij verlamming van den rechterkant be-
staat dikwijls tevens een stoornis van de spraak.
Deze verlamming herstelt zich gewoonlijk in het
verdere verloop weer gedeeltelijk. De b. berust op een
aandoening van de hersenen. Doordat een bepaald
hersengedeelte onvoldoende van bloed wordt voor-
zien, treden aldaar veranderingen, dikwijls ook
bloedingen op. De oorzaak kan gelegen zijn in
bloedvaatveranderingen (> Arteriosclerose), in een
> embolie, uitgaande van een slecht werkend hart,
en in reeds tevoren bestaande hersenafwijkingen. Voor
de behandeling is een juiste verpleging van het
grootste gewicht, zoonoodig later gevolgd door de
behandeling der overgebleven verlamming, v . Balen .
Beroertcraad, > Raad van Beroerten.
Berolina-apparaat, ontsmettingstoestel. Het
bij verdamping van formaline vrijkomende gas, for-
maldehyde, heeft in de omgeving van waterdamp
een sterk desinfecteerend vermogen. Wordt gebruikt
voor het ontsmetten van kamers, meubelen, bedde-
goed, enz. Henneman.
Bcronge, missie der Paters van Scheut, apost.
vicariaat Leopoldstad. Volksstam: Bakonda-Eranga
(Nkoendoe). Ongeveer 14 000 zielen. Gesticht 1931.
Gedoopten (1932): 5 543.
Bcrooken van voorwerpen dient in het volksge-
loof om schadelijke invloeden te weren en zoo de
vruchtbaarheid te bevorderen. Aan den rook van St.
Jansvuren, St. Maartensvuren e.d. werd eenzelfde
kracht toegeschreven.
Berossos, Chaldeesch priester in Babylonië, die
ca. 280 v. Chr. in zijn driedeelig werk Babulooniaka
de astronomie en de geschiedenis van zijn volk vanaf
de oudste tijden te boek stelde. De bij Joseph. Flavius
en Eusebius bewaarde resten volstaan om de groote
geschiedk. waarde van zijn werk aan te toonen, hoe-
wel zijn dynastieënlijsten nog raadselachtig zijn.
L i t. : P. Schnabel, Berossos u. die babyl.-hellenist.
Literatur (II : Babulooniaka Berlijn-Leipzig 1923) ;
Reallex. f. Assyriologie (II 1933, 1-17). Simons.
B er o Ui (Beeroth = Putten), bijb. plaats in Pales-
tina, die deel uitmaakte van den N. stedenbond,
welke onder leiding van Gabaon streed tegen Josuë
(Jos. 9). Hoewel de stad bij het gebied van Benjamin
was ingedeeld (Jos. 18,2), bleef zij tot op Saul’s tijd
min of meer onafhankelijk (2 Reg. 4.2; vgl. Jos. 9).
Na de ballingschap keerden vele Joden naar B. terug
(Esdr. 2,25). Vooral wegens de gelijkenis van naam
wordt B. dikwijls geïdentificeerd met het huidige
El Bire ca. 15 km ten N. van Jemsalem, doch mogelijk
is ook het nabije El Dzjib (vgl. Gabaon) en vooral
> Teil en Nasbe. Simons.
Béroul 9 Bretonsch trouvère, de machtigste der
Fransche Tristan- lichters, van het einde der 12e
eeuw. Ondanks komische zetten, die, als de herhaalde
toespraak tot de hoorders, aan een jongleur doen den-
ken, treft zijn werk door de directheid, de aangrijpende
kracht, de psychologische diepte van verhaal en voor-
stelling. Slechts omstreeks 4 600 verzen blijven er
van over.
Uitg.: E. Muret (Parijs 1903) ; kleine uitg. m
Classiques fr. du Moyen-dge (Parijs 2 1922). — L i t. :
J. Bédier in diens inleiding op de uitg. van Thomas*
Tristan (Parijs 1902-1905). V . Mierlo.
Berouii, Tsjechische naam voor Boraiin (stad).
Bero unk a 7 Tsjechische naam voor > Beraun
(rivier).
Berouw is een daad van den wil, die de zonde
betreurt en verfoeit, met het > voornemen van
niet meer te zondigen (Concilie v. Trente, sess. 14
cap. 4). Luther had geloochend, dat leedwezen noodig
was tot vergiffenis; zijn stellingen werden door Leo X
(16 Juni 1520) veroordeeld. De Kerk leert dat, volgens
727
Berquin — Berruguete
728
de bestaande schikking Gods, nooit een zonde
(zelfs geen dagelijksche) vergeven wordt zonder berouw.
Het b. moet 1° waarachtig zijn, in den ern-
stig gestemden wil. Het volstaat niet te goeder trouw
te meenen een degelijk b. te hebben. Anderzijds behoeft
het b. niet hevig of gevoelig te zijn.
2° Het moet zoodanig zijn, dat de wil de zonde
verafschuwt boven alle kwaad of ongeluk,
m.a.w. dat men in het algemeen bereid is liever alles
te lijden of te verliezen, ook het leven, dan God te
vergrammen. Anders blijft de wil eenigszins aan het
kwaad gehecht; wat de vergeving belet. Dit b.
boven alles groot (do lor appretiative summus)
is zeker niet zoo gemakkelijk, maar als de mensch
door nadenken en bidden zijn best doet, zal God hem
de daartoe noodige genade wel verleenen.
3° Het b. moet algemeen zijn, zoodat het
alle doodzonden omvat, wier schuld (reatus
culpae) nog in de ziel aanwezig is, ofschoon wellicht de
zondaar zich die fouten niet herinnert. Immers bij de
grondstelling (zie boven): een onberouwde zonde
wordt niet vergeven, komt nog deze tweede: een onbe-
rouwde doodzonde is een beletsel tot vergeving van
andere feilen. Doch een onberouwde dagelijksche
zonde belet de kwijtschelding van andere fouten niet,
en zoo is deze derde hoedanigheid van het b. (algemeen-
heid) niet voor de dagelijksche zonden vereischt,
wel echter de drie andere eigenschappen.
4° Het b. moet bovennatuurlijk wezen,
zoo nl. dat het verwekt wordt met de genade (die niet
ontbreken zal) en om een beweegreden, voortkomende
uit het geloof en eenigszins op God betrekking heb-
bende. Het is dus niet genoeg leedwezen te hebben,
omdat de zonde oneer of ziekte veroorzaakte; wel
echter om de tijdelijke of eeuwige pijnen, waarmee
God de zonden straft, of beter nog uit liefde tot Hem.
Het b. is onvolmaakt (attritio) als het niet
voortkomt uit eigenlijke liefde tot God, maar toch uit
een bovennatuurlijke reden, bijv. de ongeregeldheid der
zonde als met God tegenstrijdig zijnde, of de hel of
andere straffen door God voor het kwaad opgelegd.
Die gesteltenis is in zichzelf niet slecht (Trid. sess.
14, can. 5 de sacr. Paen. ; zie ook stellingen door Alex-
ander VIII en Clemens XI veroordeeld); ze bevat niet
noodzakelijk een vrijwillige gehechtheid aan het kwaad.
Onvolmaakt berouw is op zich zelf niet bekwaam
om een doodzonde uit te wisschen ; maar met de abso-
lutie in de biecht is het daartoe voldoende (Trid.
sess. 14, cap. 4; zie ook de 25e en 36e stelling door
Pius VI veroordeeld). Ook in het Doopsel van een
volwassene is althans zulk berouw over zijn dood-
zonden vereischt, maar ook voldoende, tot recht-
vaardigmaking; hetzelfde leeren veel theologen
omtrent de Sacramenten der levenden, bijzonder het
heilig Oliesel, die men te goeder trouw in staat van
doodzonde zou ontvangen. Eindelijk wie in staat van ge-
nade is, kan door een onvolmaakt b. al of niet gepaard
met gebed, boete en andere goede werken, in zekere
maat vergiffenis van dagelijksche zonden bekomen.
Een volmaakt b. (contritio perfecta, ot
kortweg contritio) komt voort uit > liefde tot God
(amor benevolentiae), volgens de bepalingen door de
godgeleerden van deze deugd gegeven, telkens nl. als
het den zondaar rouwt, omdat hij de Opperste Majesteit
en Goedheid, in zichzelf oneindig beminnelijk, ver-
gramd heeft. Zulk leedwezen is niet zoo moeilijk te
verwekken, met Gods genade, als men wat nadenkt,
als men van de gedachte van Gods weldaden opklimt
tot de beminnelijkheid van den Gever zelf, of indien
men Christus den Verlosser beschouwt, die niet alleen
mensch, maar ook waarachtig God is. — Het volmaakt
b. herstelt de ziel in staat van genade, ook buiten de
biecht (Trid. sess. 14, cap. 4; zie ook de veroordeelde
stellingen van Bajus), niet echter zonder eenig ver-
band met de biecht, want door het volmaakt b. en de
liefde Gods ernstig opgevat is de zondaar bereid (votum
sacramenti) aan zijn stelligen plicht van zijn dood-
zonden te biechten te voldoen. Het is van belang een
volmaakt berouw te leeren verwekken, bijv. door
oprecht gemeend de gebruikelijke „akte van berouw”
op te zeggen, omdat dit leedwezen soms het eenig
middel ter zaligheid is, nl. als een zondaar in stervens-
gevaar verkeert zonder priester. — Dat wie in dood-
zonde gevallen is, strikt verplicht zou zijn zoodra moge-
lijk een volmaakt b. teverwekken (of te biechten) om
niette hervallen, is niet met zekerheid bewezen; maar
zulke handelwijze is ten zeerste aanbevelenswaardig.
Het b. (volmaakt of onvolmaakt), door den zondaar
verwekt, maakt in zekeren zin deel uit van het
sacramenteele toeken in de biecht: het
Concilie van Trente (sess. 14 cap. 3) noemt de daden
van den biechteling (berouw, belijdenis, voldoening)
quasi-materia, als het ware de stof van het sacra-
ment. Daaruit volgt niet, dat het berouw moet ver-
wekt met het oog op de absolutie, maar wel dat het
eenigszins met haar moet verbonden zijn. Doch dit ge-
beurt vanzelf, als de biechteling zijn zonden belijdt om
er kwijtschelding van te bekomen (confessio dolorosa),
en aldus tevens zijn b. uitwendig betuigt. Salsmans .
Berquin, A r n a u d, Fransch dichter uit de ->
prae-Romantiek. * 1749 te Langoiran, f 21 Dec. 1791
te Parijs. De idyllen en romancen, waarin B. den
Duitscher G e s s n e r navolgde, stonden om hun
onnatuurlijke zoeterigheid weldra in ongunstigen roep
(berquinades !). De Engelsche natuurpoëzie (T hom-
s o n e.a.) werd door hem nagebootst. Het meest
oorspronkelijk trad hij op in kindergeschriften en
paedagogische romans.
Voorn, werken: Sandfort et Merton ; Le petit
Grandison ; L’ami des enfans (6 dln. 1784 vlg.) ; Le livre
des families (1791). — U i t g. : Oeuvres (4 dln. Parijs
1842). — L i t. : H. Broglé, Die französische Hirten-
dichtung in der 2. Helfte des 18. Jahrhunderts (Leipzig
1903). Baur.
Berre. 1° Etang de Berre, meer in
Zuid-Frankrijk bij Marseille, 200 km 2 , 3—10 m diep,
zout water. 6 km lange verbinding met de Middel-
landsche Zee (Rove-tunnel).
2° Fransch stadje van 2 350 inw. met salinen-
bedrijf en visscherij, in het dept. Bouches-du-Rhone
(43° 30' N., 5° 10' O.).
3° Riviertje bij Narbonne (Fr.), bekend om den slag
aldaar geleverd in 737, waarbij Karei Martel met
Longobardische hulp de Arabieren terugdreef.
Berriais, Réné L e, Fransch tuinbouwkun-
dige en schrijver. * 1722, f 1807.
Berroia of V e r r i a, Grieksche stad (40° 32' N.
22° 13' O.); 13 000 inw. Belangrijke katoen- en tapijt-
industrie.
Berruguete, 1° A 1 o n s o, Spaansch beeld-
houwer, * ca. 1490 te Paredes de Nava (Palencia),
f 1561 te Toledo; vertrok na 1506 naar Italië. Daar
zou hij het carton van Michelangelo, de „Overrompe-
ling bij Cascina”, gecopieerd hebben. Naar Spanje
(Saragossa) teruggekeerd werd hij spoedig hofbeeld-
houwer bij Karei V en werkte vnl. te Madrid, Granada
729
Berry — Bersabee
730
en Valladolid. Zijn menschenfiguren zijn sterk be-
wogen, lang en mager.
Voorn, werken: Christus’ Verheerlijking, in
Ubeda ; Graf v. kardinaal Tavera, in Toledo ; deel v. h.
koor v. d. kathedraal v. Toledo. — L i t. : Orneta, B.
y su obra (1917) ; von Logan, Spanische Plastik (1923,
21 vlg.).
2° Pedro, Spaansch schilder, * ca. 1460 te
Parades de Navas (Palencia), f ong. 1506; vader van
Alonso. In Spanje kwam hij sterk onder den invloed
der Vlaamsche primitieven. Verbleef een tijdlang in
Italië; invloed van Piero della Francesca en Mclozzo
da Forli (ong. 1477). Werkte met Justus van Gent
en later mctMelozzo samen bij de versiering van het her-
togelijk paleis te Urbino (allegorieën der artes liberales).
Zijn fresco's in de kathedraal van Toledo zijn verloren.
L i t. : Mayer, Geschichte der spanischen Malerei
(1922). Knipping.
Berry, landschap in midden -Frankrijk bij de
Loire (47*° N., 2° 10' O.), aan den rand van het Bekken
van Parijs; Jura en Krijt (heide en schapenteelt).
Hier en daar leem (tarwe). Hoofdstad Bourges, weinig
industrie. In deze streek woonden de Gallische Bi-
turiges. Vóór 1101 was het een Frankisch graafschap,
dat tot Aquitanië behoorde.
L i t. : Chénon, Le Pays de B. (1916). Heere.
Berry, 1° Charles Ferdinand van
Bourbon, hertog van, tweede zoon van
den graaf van Artois (Karei X van Frankrijk) en van
Maria Theresia van Savoye. * 24 Jan. 1778 te Versail-
les; f 14 Febr. 1820 te Parijs. Vluchtte in 1789 met
zijn ouders naar Turijn en vocht meermalen met de
emigranten tegen Frankrijk. In 1801 ging hij naar En-
geland en sloot een morganatisch huwelijk met de
Éngelsche Anna Brown. In 1816 trad hij in het huwe-
lijk met Maria Carolina Ferdinanda Louisa van Napels.
Bij het verlaten van de opera (.13 Febr. 1820) werd hij
door een politieken dweper, Louvel, aangevallen en
doodeÜjk gewond; hij stierf den volgenden dag. Door
die misdaad leden de vrijzinnigen groot nadeel en
zagen zij de zegepraal der gestreng monarchale begin-
selen bevestigd.
L i t. : Chateaubriand, Mémoires touchant la vie et
la mort du duc de B. (Parijs 1820) ; S. Charléty, La
Restauration (Parijs 1921). Lousse.
2° Maria Carolina Ferdinanda
Louisa van Napels, hertogin van,
oudste dochter van Frans I, koning van Napels, echt-
genoote van Charles Ferdinand, hertog van Berry.
* 5 Nov. 1798 te Palermo; f 16 April 1870 op het
kasteel Brunnsee in Stiermarken. Na den dood van
haar gemaal (Charles F. van Berry) schonk zij, 29 Sept.
1820, het leven aan een prins, die den naara ontving
van Hendrik van Artois, hertog van Bordeaux, en
later dien van graaf van Chambord. Na de Juli-
r evolutie van 1830 volgde zij Karei X in ballingschap.
Doch, daar in sommige gewesten een machtige partij
haar zoon als den rechtmatigen erfgenaam van den
troon begunstigde, keerde zij in 1832 naar Frankrijk
terug en trachtte een opstand in de Vendée te ver-
wekken. Deze poging mislukte en als staatsgevangene
werd zij naar de citadel van Blaye gebracht. Een ver-
klaring, door de zwangere hertogin 22 Febr. 1833
afgelegd, dat zij in het geheim gehuwd was met Hector
Lucchesi-Palli, een Napolitaanschen markgraaf,
beroofde haar van allen staatkundigen invloed, zoodat
de Fransche regeer ing geen bezwaar maakte haar, na
de geboorte eener dochter (10 Mei 1833), in vrijheid
te doen stellen.
L i t. : Imbert de Saint- Amand, La duchesse de B.
(4 dln. Parijs 1887-’89) ; M. Ch. Poinsot, La vie ro-
manesque de la duchesse de Berry (Parijs 1913) ; S.
Charléty, La monarchie de juillet (Parijs 1921). Lousse.
Berry, Urenboek van den hertog
van, is een kostbaar verlucht manuscript door de
gebroeders Limburg uitgevoerd voor Jean de France,
hertog van Berry (1390^-1460), dat zich nu onder den
naam van „Trés belles heures du duc de B.” in het
museum van Chantilly bevindt. Het getijdenboek
opent met een rijk geïllustreerden kalender, met vele
volbladminiaturen verlucht. Het in 1416 uitgevoerde
werk is een der beste exemplaren der school van
Fransche en Zuid-Ned. boekverluchters, omtrent het
midden der 14e eeuw ontstaan. Zij brak met den vlak-
ken gedamasceerden achtergrond en bracht daarvoor
in de plaats het landschap en het stadsgezicht. In plaats
van dekverven werd bij voorkeur gouache gebezigd.
Zie plaat t/o kolom 672. Knipping.
Berryer, 1° A n t o i n e P i e r r e, Fransch
politiek redenaar van de legitimistische oppositie onder
de Juli-monarchie. * 4 Jan. 1790 te Parijs, f 1868 te
Angerville.Werd inl852 lid van de AcadémieFranQaise.
U i t g. : Oeuvres (9 dln. Parijs 1872 vlg.). — L i t. :
Ch. de Lacombe, Vie de B. (5 dln. Parijs 1894 vlg.).
2° Pierre Nicolas, Fransch advocaat.
* 1757 te Sainte-Menehould, f 1841. Trad als verde-
diger in beroemde politieke processen op, o.a. van
generaal Moreau en van maarschalk Ney.
Voorn, werk: Souvenirs (Parijs 1839).
Bersa, koning van Gomorrha, die in den strijd
tegen Chodorlahomor omkwam (Gen. 14.2.10).
Bersabee (Be 'er Sjeba 4 ), een der meest bekende
plaatsen uit het O. T., thans Bir es Seba' , op de grens
van de woestijn, die Palestina van Egypte scheidt. B.
speelt een groote rol in de geschiedenis der aarts-
vaders (Abraham: Gen. 21 en 22; Isaac, ib. 26; Jacob,
ib. 28 en 46). Later behoorde de stad tot het gebied
van Juda (Jos. 15,28) en woonde er de stam van Simeon
(Jos. 19,2). Ook in de gesch. van Samuel wordt B.
vermeld (1 Reg. 8,2) en Elias kwam er op zijn tocht
naar Horeb (3 Reg. 19,3). In Amos' tijd was B. een
centrum van afgodendienst, waarheen men van verre
pelgrimeerde (Am. 8, 14; 5,5). „Van Dan totB.” d.i.
van Noord- tot Zuidgrens is in de H. Schrift een staan-
de uitdrukking voor: geheel het Isr. land (vgl. Jud.
20,1 en vele anderen). De Hebr. naam B. wordt door
Abraham verklaard als „bron van den eed” naar
aanleiding van zijn verdrag met xAbimelcch (Gen. 21,31)
en eenzelfde bedoeling moet wel worden gezien in de
woorden van Isaac (Gen. 26,33, vgl. v. 31). De lezing
„Zeven -Bronnen” van den Massoretischen tekst (Gen.
26,1) berust op een afwijkende vocalisatie, die waarsch.
van jongeren datum is. B. is als pleisterplaats aan den
rand der wnestijn en afzetmarkt voor den handel der
Bedoeïenen nog steeds belangrijk. In den Wereldoorlog
drong het Éngelsche leger onder Allenby, die er thans
zijn standbeeld heeft, vanuit Egypte bij B. Palestina
binnen. B. telt thans ca. 3 000 inw. Simons.
731
Berse — Berte as grans pies
732
Berse, Gaspar, ook Barzaeus of Conradus
Zelandus, of Conr. Belga geheeten, een der voornaam-
ste medewerkers van den H. Franciscus Xaverius.
* 1616 te Goes, f 18 Oct. 1563 te Goa. Trad 20 April
1646 in Portugal in de Soc. van Jesus, vertrok 1548
naar Voor-Indië. Werkte van 1649 — ’51 op het eiland
Ormoes in de Perzische Golf, daarna te Goa als pro-
vinciaal van de Indische missie. B. is een der grond-
leggers van de missie in Ethiopië (Abessynië), waar-
voor hij in 1551 toestemming kreeg van keizer Claudius.
L i t. : Nic. Trigault, Vita Gasparis Barzaei (Ant-
werpen 1610) ; W. v. N(ieuwenhof), Gaspar Berse of de
Nederlandsche Franciscus^Xaverius (1870) : N. Ned.
Biogr. Wdb. Wessels.
Bersezio, V i 1 1 o r i o, Italiaansch schrijver,
* 1830 te Peveragno (Piemont), f 30 Jan. 1900 te
Turijn. Stichtte het blad L’Espero en de Gazzettapie-
montese (later als tijdschrift onder den titel Gazzetta
letteraria). Schreef talrijke romans, novellen, tooneel-
werken. Zijn opzet is de eerlijke roman- en novellen -
literatuur te redden tegen het toenmaals — ten tijde
van La dame aux camélias — wild woekerende Fran-
sche romantisme, en militaristische-vaderlandsche
tooneelen voor het voetlicht te brengen ter voortplan-
ting van het staatsburgerlijk ideaal in het nieuwe
Italië. Zijn naam is vooral bekend door een komedie
in Piemonteosch dialect: Le miserie d’monsü Travet
(1863), waarin hij een treffend, overbekend geworden
beeld ophangt van een angstvallig beambte, maniak
en bewust van zijn waardigheid, op wien de onheilen
als in een hagelbui neerstorten.
Werken: Romans : o.a. Amor di patria (1856) ;
Minna o virtu d’amore (1858) ; II segreto d’Adolfo (1861);
La plebe (1863); Povera Gio vanna (1869); 11 piacere
della vendetta (1874); II debito paterno (1880); Do-
menico Santorno (1888) ; Racconti popolari (1898). —
Lit. : Maria Mattalia, V. Bersezio, 1’uomo, il patriota,
Partista (Cuneo 1911). Ulrix.
Bersillies-l’Abbaye, gem. in de prov. Hene-
gouwen, ten Z.W. van Thuin, opp. 384 ha, ca. 800
inw., Thure-rivier, steengroeven; kerk van de 18e
eeuw; reeds bekend gedurende het Romcinsche tijd-
perk; bezat vroeger een abdij.
Bersisi, volkeren -groep van de Mon-Kmer,
->• Achter-Indië.
Bcrsot, E r n e s t, Fransch moralist van
Stoïcijnsche richting en geschiedschrijver vooral van
de 18-eeuwsche wijsbegeerte in Frankrijk, wiens wer-
ken door grondige analyse en verzorgden stijl uit-
munten. * 1816 te Surgères, f 1880 te Parijs.
Werken: La philosophie de Voltaire (1848) :
Etudes sur la philosophie du 18e siècle (1851 vlg.);
Etudes sur le. 18e siècle (1855) ; Littérature et morale
11861) ; Questions actuelles (1862) ; Morale et politique
(1868); Conseils d’enseignement (1880). — Lit.:
E. Schérer, Un moraliste (Parijs 1879). Baur.
Bersuire, Pierre, ook Bercheure,
Fransch schrijver van de Orde der Benedictijnen. Geb.
in de Vendée, f 1362 te Parijs. Naast een moralisee-
rende bijbclcompilatie gaf deze vriend van Petrarca
een vertaling van Titus-Livius en een Redacto-
riummorale, encyclopedisch handboek van dena-
tuurbeschrijvende wetenschap der late middeleeuwen.
Lit.: Pannier, Notice sur P. B. (Parijs 1872) ; A.
Thomas, in Romania (XI). Baur .
Berszenyi, D dn i e 1, Hongaarsch dichter,
volgt in zijne oden vooral de oude Klassieken na.
* 1776 te Egyhaz-Hety, f 1836 te Nikla.
Bert, Paul, Fransch geleerde en staatsman,
* 1833 te Auxerre, f 1886 te Hanoi. Werd in 1866
hoogleeraar in de natuurwetenschappen te Bordeaux
en in 1869 hoogleeraar der physiologie aan de Faculté
des Sciences te Parijs. Als afgevaardigde in 1874 en in
1881 als minister van Onderwijs in het ministerie van
Gambetta heeft hij zich vooral doen kennen als heftige
tegenstander van den clerus en het clericaal onderwijs.
In 1886 benoemd tot gouvemeur-generaal van Fransch
Indo -China, stierf hij spoedig na aanvaarding van dit
ambt.
Werken: Notes d’anatomie et de physiologie
comparées (2 dln. Parijs 1867-70) ; Physiologie com-
parée de la respiration (Parijs 1869) ; La pression baro-
métrique (Parijs 1877); La morale des Jésuites (Parijs
188 °)- Willems.
Bertaechi, Giovanni, Italiaansch dichter,
professor in de letterkunde aan de universiteit te
Padua. * 1868 te Chiavenna (Sondrio).
Werken: II canzoniere delle Al pi (1895) ; Poemetti
livici e liriche umane (1904) ; Le malie del passato (1905) ;
Alle sorgenti (1906) ; Trilogia moderna (1910) : Un
maestro di Vita (1917) ; L’ora del mondo (1918) ; Reflessi
di orizzonti (1921; ; A fior di silenzio (1922) ; II perenne
domani (1929).
Bcrtali, A n t o n i o, opera- en oratorium-
componist, * 1605 te Verona, f 1669 te Weenen. Vanaf
1637 musicus aan het hof te Weenen, in 1649 hofkapel-
meester als opvolger van Valentini. Reeds in de jaren
1631 — 1646 werden in Weenen cantates van hem uit-
gevoerd; de opera’s volgden later.
Werken: verschillende opera’s : o.a. L’inganno
d’amore (1653 ; de tekst van Ferrari bleef bewaard) ;
Operetta per la nascita dell’ imperatrice Eleonora (1664) ;
L’Alcindo (1665, proloog van Draghi) ; La contesa de
numi (1667, balletmuziek van J. H. Schmelzer). Ora-
toria : Maria Magdalena (1663) ; Oratorio sacro (1663) ;
La strage degl’ innocent! (1665). Verder missen, mo-
tetten, enz. (in hs.). — Lit.: Ch. Laroche, A. B. als
Opern- und Oratorienkomponist (diss. 1919, ongedrukt).
Piscaer.
Bcrtalotti, A n g e 1 o, zangleeraar, * 1665 te
Bologna; studeerde van 1687—1690 te Rome. Hij
verbleef later hoofdzakelijk te Bologna, waar hij als
zangleeraar hoog in aanzien stond. In 1703 werd hij
mede-lid van de Accademia Filharmonica.
Werken’ Regole utilissime per apprendere il
canti fermo e figurato (1698) ; 50 Solfeggi a Canto e
Alto (opnieuw uitgegeven door Fr. X. Haberl 2 1888).
Pisraer.
Bei* tuut, J e a n, Fransch schrijver, bisschop
van Séez, die, naast een dichterlijke paraphrase der
psalmen, veel modelyriek (sonnet, madrigaal) naliet
in den precieuzen tijdstijl van het •> M a r i n i s m e,
vol mythologischen opschik, gezochte antithesen en
spitsvondige woordspelingen. * 1552 te Donnav
* 1611 te Séez. J
U i t g. : Oeuvres poétiques d. A. Chenevière (Parijs
1891) .— Lit.: G. Grente, J. B. (Parijs 1903) Baur .
Bertaux, E m i 1 e, Fransch kunsthistoricus,
die vooral studie maakte van de Italiaansche plastiek.
* 1869, f 1917 te Parijs.
Werken: L’art dans ITtalie méridionale (1903) ;
Rome (3 dln. 1904 vlg.) ; Donatello (1910) ; Etudes
d’histoire d’art (1911).
Berte as grans pies, roman, omstreeks 1275
gedicht door > Adenet (le Roi), waarin Bertha, de
vrouw van Pippijn, als dochter van Floris en Blance-
floer wordt voorgesteld; zij werd door Margiste, haar
kamervrouw, bedrogen, die haar eigen dochter, Aleste,
in haar plaats als Pippijn ’s bruid weet in te dringen.
B. moet vluchten, houdt zich negen jaar schuil in een
733
Berteau — Bertheroy
734
woud, tot het bedrog ontdekt wordt, als Floris en
Blancefloer eens hun dochter komen bezoeken. B.
houdt haar schitterenden intocht, als koningin, in
Parijs. Het is het thema der onschuldig veroordeelde
koningin. Van een vrije bewerking in het Mnl. blijven
er nog een 138-tal verzen over, die verhalen, hoe
Pippijn B. terugvindt in het woud van Mans.
U i t g. : Aug. Scheler (Brussel 1874) ; de Mnl. fragm.
door H. E. Moltzer in zijn uitg. van Floris en Blancefloer
(1879). V. Mierlo .
Berteau (Berteaud, Berthau), Martin, de
eerste Fr. violoncellist van gToote beteekenis, * te
Valenciennes, f 1756 te Parijs; leeraar van Cup is,
Janson en Duport Sr.
Werken: van zijn composities zijn alleen de viool-
sonates met basso continuo op. 2 behouden.
Een afstammeling van B. is Gabriel B., van
wien ca. 1800 een cello-concert werd gedrukt. Piscaer.
Bertelin, A 1 b e r t, Fransch componist, * 26
Juli 1872. Schreef orkestwerken, liederen, kamermu-
ziek, orgelwerken op Gregoriaansche melodieën, een
Indische legende Sjakoentala, een opera, een oratorium
en motetten voor koor, orkest en orgel In Nativitate
Domini.
Bertelmann, Jan Georg, componist en
organist, * 1782 te Amsterdam, f 1854 aldaar; leerling
van den blinden organist D. Brachthuyzer. Als leeraar
en componist stond hij hoog in aanzien; het meest
werd hij geprezen om zijn paedagogische kwaliteiten.
Hij richtte te Amsterdam een muziekschool op, waar
o.a. Stumpf en Rich. Hol zijn leerlingen waren.
W e r k e o : Requiem, een mis, strijkkwartet, viool-
en klaviercomposities. Verschillende cantates, viool-
études, klarinet-concerten, contrabas-concerten, alsook
een harmonieleer bleven in handschrift. Piscaer.
Berlelsinann , Karl August, zangleeraar
en componist, * 1811 te Gütersloh, f 1861 te Amster-
dam; leerling van Rinck in Darmstadt; daarna zang-
leeraar aan het seminarie te Soest, het laatst in Amster-
dam, waar hij in 1839 de leiding overnam van het pas
opgerichte Eutonia. 1853 dirigeerde hij het muziek-
feest te Arnhem.
Werken: liederen voor mannenkoor, liederen met
klavier en klavierwerken. Piscaer.
Bertem, gem. in Belg. Brabant, Z.W. van
Leuven; 2 700 inw. (Kath.); opp. 1 059 ha; land-
bouw. Merkwaardigheid: Romaansche kerk uit de
11e eeuw. Klooster der Zusters van Liefde.
Berten, gem. en kerspel in kanton Belle-Z.W.
(Fr. Vlaand.); ruim 500 inw., Vlaamschspr. ; land-
bouw. Gehuchten: de Zeventien Velden, de Warande,
Vlaminkstraat.
Berteroa, een geslacht van de familie der kruis-
bloomigen (Cruciferae), heeft slechts enkele vertegen-
woordigers. Het grijskruid, B. incana, ook wel Far-
setia incana genoemd, komt vrij algemeen in Midden-
Azië en Noord-Europa voor.
Bertha, vrouw van Pippijn, > Berte as
grans pies.
Bertha, dochter van Karei den Grooten, die door
de dichters, zoowel om haar geest als haar schoonheid,
zeer gevierd werd. Karei beminde haar zoo zeer, dat
hij haar niet wilde uithuwelijken, doch zag haar
misslagen niet. Uit haar verhouding tot Angilbert
werden twee zonen geboren. Zeer waarschijnlijk
berust de sage over E inhard en Emma wel
door een verwisseling van naam op de verhouding
tusschen Angilbert en Bertha. Slootmans .
Bertha, dochter van markgraaf Otto van Savoye
en Turijn en Adelheid van Susa; f 1087. B. werd in 1055
met den vijfjarigen, lateren keizer Hendrik IV
verloofd, om diens positie in Italië te versterken.
Hendrik beschouwde het huwelijk als een lastig juk
en wenschte reeds spoedig echtscheiding (1069).
Dit werd door den pause lijken legaat Petrus Damiani
belet. Op den duur leerde Hendrik zijn gemalin waar-
deeren; zij was voor hem een trouwe en vaste steun
en maakte ook zijn boetetocht naar Canossa mee.
Lit. : > Hendrik IV. Slootmans .
Bertha van Holland, dochter van > Robert
den Fries, huwde met Philips I van Frankrijk (1060—
1108), die haar verstiet.
Bertha of B e r t a, Heilige, stichteres en abdis
van Avenay, f einde der 7e eeuw. Met toestemming
van haar echtgenoot, den H. Gumbert, trok zij zich
in dit klooster terug. De legende verhaalt, dat zij
door haar stiefzoon vermoord is. B. wordt als martela-
res vereerd. Feestdag 1 Mei (in Reims 11 Mei).
Lit.: Gallia christiana (IX, 277 vlg.). J. v. Rooij.
Bertha van Marbais, Zalige, trad na den
vroegtijdigen dood van haar echtgenoot, een der
heeren van Molembais, te Aywières (Brabant) in de
Orde der Cisterciënscrzusters. Zij werd ± 1227 eerste
abdis van Marquette in Vlaanderen.
Lit.: Gallia christiana (III, 314'.
Bertha van Vilich, ook Bertrada, Bene-
dictines; schreef het leven van de II. Adelheid in
Vilich (1056 of 1057), dat uitgegeven werd in Monu-
menta Germaniae historica, Scriptores XV, 754 vlg.
en Anal. Boll. (II, 211 vlg.).
Berthélemy, II e n r i, Fransch rechtsgeleerde,
* 1857. Doceerde sedert 1884 te Lyon en vanaf 1896
te Parijs, alwaar hij in 1922 deken werd der rechts-
geleerde faculteit. Tot 1933 doceerde hij ononderbroken
het Administratief Recht. Terwijl Laferrière het Fran-
schc Administratief Recht had aangepast aan de
rechtspraak van den Raad van State, terwijl Hauriou
enkele jaren later de beginselen had gesystematiseerd,
die het Administratief Recht beheerschen, maakt B.
den lezer vooral met de dagelijksche toepassing dezer
beginselen vertrouwd. Zijn Traité de Droit Admini-
stratif, in Frankrijk klassiek geworden, heeft tot nu
toe dertien uitgaven gekend. B. verdedigt er de
traditioneele en in het algemeen behoudsgezinde
theorieën van het Administratief Recht. Orban.
Bcrthclol, Marcel 1 in Pierre Eugène,
physico -chemicus, * 25 Oct. 1827 te Parijs, f 18 Maart
19Ö7 aldaar. In 1860 werd hij hoogleeraar in de schei-
kunde, in 1886 minister van
Onderwijs, in 1900 lid van de
Fransche Academie. B. heeft
veel gedaan voor de geschie-
denis der chemie. Hij is de
grondlegger van de thermo-
chemie, verder maakte hij
synthetisch een aantal stof-
fen, voorkomende in levende
wezens. Van zijn geschriften
is een gedeelte samengevat in :
„Essai de méchanique chimi-
que fondée sur la thermo-
chimie”.
Lit.: Par. Soc. Ch. Buil.
135 (1913. 260).
Bcrthélot, Petrus, > Dionysius a Nativitate.
Berthelol-hom, > Bom, calorimetrische.
Bertheroy, J e a n, eigenl. Mme. Berthe
J. v. Santen .
735
Berthier — Berthold-Otto-school
736
Corinne Le Barillier, Fransch romanschrijfster van
de idealistische richting. * 1860 te Bordeaux, f 24 Jan.
1927 te Le Cannet. Zij beoefende graag den historischen
roman, maar ook haar verhalen, ontleend aan het
zuivere, eenvoudige leven, sloegen in.
Werken: La danseuse de Pompéi (1889) ; Les trois
filles de Pieter Waldorp (1897) ; Le journal de Marguerite
Plantin (1899) ; Le jardin des Tolosati (1903) ; Les dieux
familiers (1904) ; Le frisson sacré (1911) ; Vers la gloire
(1918); Albunca la Sibylle (1920); L’ange au sourire
(1923); La ville des Expiations (1924); Les brebis de
Mme. Deshouillères (1925). Baur.
Berthier, Alexander, vorst van Wagram
en hertog van Neuchatel en Valangin, Fransch maar-
schalk. * 20 Febr. 1753, f 1 Juni 1815 te Bamberg,
waar hij zich bij den doormarsch van de Russen naar
Frankrijk uit het raam van zijn woning wierp. B. was
chef van den staf van Napoleon van 1796 tot 1814
en diens rechterhand bij alle operatiën. Van 9 Nov.
1799 (18 Brumaire) tot 1807 was B. minister van
Oorlog. In 1814 sloot hij zich bij de Bourbons aan.
Berthier, 1° Jean B., stichtte in 1895 te
Grave de Congregatie van de Missionarissen der
H. Familie. * 24 Febr. 1840 te Chatonnay (Isère),
f 16 Oct. 1908 te Grave. In 1862 trad hij als diaken in
de Congregatie der Missionarissen van La Salette,
werkte met succes als volksmissionaris. Zijn theolo-
gisch -ascetische werken, zijn beschrijving van de
verschijning van O. L. Vrouw van La Salette, worden
veel gelezen. De Congregatie, in 1895 door hem
gesticht, is bijzonder voor opname van late roepingen
en minvermogenden.
Lit. : P. Ramers, Bonus miles Christi Jesu (2 dn.
1930); Mens divinior (1930). J. v. Rooij.
2° J o a c h i m, Dominicaan, * 1847 te Talloires
bij Annecy, f 1924 te Fribourg (Zwitserl.); studeerde
geschiedenis en archeologie te Rome en doceerde
daarna in Carpentras en Fiesole. Werkte mee aan de
stichting der universiteit van Fribourg (Zwitserland,
1890). Leefde daarna in Rome en bracht zijn laatste
levensjaren door in Fribourg. Arbeidde met Munoz
aan de herstelling der S. Sabina in Rome. Zijn ge-
schriften zijn van theologischen, ascetischen en kunst-
wetenschappelij ken aard .
Voorn, werken: De locis theologicis (1885) ;
La divina commedia con commenti secondo la scolastica
(18941 ; L’église de la Minerve (1909). — Li t. : Tauri-
sano in Annales Ordinis Praedicatorum (1925, 92-96).
Knipping.
Berthiëriet, mineraal van de samenstelling
FeSb 2 S 4 , voorkomend in den vorm van vezelige
aggregaten, o.a. bij Freiberg in Saksen en bij Przibram
in Bohemen.
Berthold, -> Bertholdus.
Berthold I, bijgenaamd „de Baar d”, stam-
vader van de beide hoofdtakken, waarin de familie
der Zahringer, zich door zijn zoons Berthold II
en Hermann I (f 1074) splitste. Van keizerin Agnes
kreeg B. het hertogdom Karinthië (1061), doch moest
het in 1073 weer afgeven, f 1078. Slootmans.
Orde van Berthold I, in 1877 door groothertog
Frederik van Baden gesticht als hoogere orde van de
Zahringer Löwenorde; sedert 1896 een zelfstandige
orde. Vier klassen. Devies: „Gerechtigkeit ist Macht”.
Teeken: wit geëmailleerd Malthezer kruis, gedekt
met een kroon (keerzijde hertogshoed); monogram
F. W. L. in het hart. Lint: rood met gele randen.
E . v. Nispen tot Sevenaer .
Berthold van Ckiemsee, bisschop en theo-
logisch schrijver. * 1465 te Salzburg, f 1643 te Saal-
felden. Hij heette eigenlijk Pürstinger; als vorst-bis-
schop van Chiemsee was hij niet tegen de Hervormers
opgewassen; hij deed afstand van het bisschopsambt
en trok zich terug in het klooster Raitenhaslach, waar
hij het eerste groote werk der Contra-Reformatie,
de „Teutsche Theologey” schreef, steunend op de
H. Schrift en St. Thomas van Aquine. Misschien schreef
hij ook het op Katholieke hervorming aandringende
Onus Ecclesiae.
Berthold, 1° He r m a n n, werkte het thans
gebruikelijke typographische meetsysteem uit. * 1831
te Berlijn, f 23 Dec. 1904 te Grünewald. B. nam op aan-
sporing van eenige Berlijnsche lettergieterijen op zich,
orde te brengen in den chaotischen toestand, waarin
zich ’t typographische puntenstelscl bevond. Hij nam
het Fransche typographische puntenstelsel als basis en
in de Berlijnsche sterrenwacht werd vastgesteld, dat
er 2 660 typographische pimten, volgens het Didot-
systeem, op een meter gaan. In 1879 werd dit punten-
stelsel in Duitschland ingevoerd, en na dien werd
het ook in het overige gedeelte van het vasteland
van Europa aangenomen. Engeland en Amerika
bezitten een afzonderlijk puntenstelsel (> Typogra-
phisch puntenstelsel). Ronner.
2° Willem, bisschop van Utrecht (van 1291
tot 1301, als Willem II), proost van Leuven, gesproten
uit een hoogadellijke Brabantsche familie. Zijn
regeering was zeer onrustig. Tijdens de woelin-
gen na den moord op zijn bloedverwant graaf Floris V
van Holland (1296) trachtte hij het Sticht van den
overheerschenden invloed der Hollanders te bevrijden,
doch zonder succes. Verschillende Stichtsche edelen,
in bondgenootschap met Jacob van Lichtenberg,
burgemeester van Utrecht, kwamen tegen den bisschop
in opstand; deze werd gevangen genomen (1299) en
eerst vrijgelaten onder de belofte, van het bisdom
afstand te zullen doen. Paus Bonifatius VIII weigerde
echter het ontslag te aanvaarden. Gesteund door den
bisschop van Munster, wist Willem in Overijsel een
leger bijeen te brengen; hij rukte tegen Utrecht op»,
doch sneuvelde op den Hoogen Woerd, bij Utrecht
(1301).
Lit.: J. H. Hofman, W. B. Arch. Aartsb. Utrecht
(XXVI, 324-407). J . de Jong.
Berthold-Otto-school of Holbein-school is
de naam van een nieuwe, zuiver paedocentrische
onderwijsinrichting in de buurt van Berlijn, ook
aangeduid als „Hauslehrerschule”. Ze telt een 80-tal
leerlingen, jongens en meisjes van 6 tot 19 jaar, met
rechterscollege, scholierenrechtbank en schoolkanse-
larij, dus volledige zelfregeering. De school, zegt Otto,
moet voor het kind een voortzetting zijn van den
voorschoolschen natuurlijken groei. Daarbij heeft de
kindervraag een zeer voorname rol gespeeld
en die moet ze blijven spelen. Daarom noch een vast
leerplan, noch strenge leergangen voor de verschillende
vakken, noch een nauwkeurig omschreven rooster van
lesuren. Op de Holbein-school heerscht „het v r i j e
o n d e r w ij s”, „der zwanglose Unter-
richt”, waarvan de gang op de eerste plaats bepaald
wordt door de belangstelling der leer-
lingen. Het heele schoolbedrijf wordt hier ten slotte
een vrij geestelijk verkeer met de jeugd, aangevuld
door occasioneele lessen.
Iets geheel karakteristieks is Otto ’s Gesamt-
unterricht: drie- of viermaal in de week is
gedurende het laatste schooluur, van 12 tot 1, de
737
Bertholdus van Calabrië — Berti
738
heele school met alle onderwijzers in ongedwongen
vergadering bijeen. Eerst worden gemeenschapsaan-
gelegenheden behandeld en dan begint het eigenlijke
werk: bespreking van leerlingen -vragen. Ieder kan te
berde brengen, wat hij verkiest. Op de beurt af worden
de kwesties behandeld, en wel zoolang als er algeraeene
belangstelling voor bestaat. Altijd is de jongste het
eerst aan de beurt om te antwoorden, en de ouderen
doen hun best om zich zoo duidelijk uit te drukken,
dat ook de minst ontwikkelden hen volgen kunnen.
Dat is de echte geestelijke zelfwerkzaamheid, meent
Otto (> Gesamtunterricht, dat doorgaans in anderen
zin gebruikt wordt).
Berthold Otto is ook de man van de „Kindesmund-
art”, van het „vrije opstel” en het recht van het kind
opeigen individueele uiting: „weg von der roten
Tinte !” Hoe modem een en ander moge zijn, voor
algemeen gebruik is het stellig niet geschikt.
L i t. : fr. S. Rombouts, Hist. Ped. (III 1928).
Rombouts.
Bertholdus van Calabrië, Heilige, eerste
Latijnsche prior-generaal der Karmelieten, was uit
het diocees van Limoges (Frankrijk) (niet uit Calabrië)
afkomstig. Naar het Heilige Land getogen ter ver-
overing van AntiocMë in 1153, sloot hij zich met een
tiental gezellen bij de kluizenaars van den Karmel aan.
Hij heeft sterk geijverd om de kluizenaars van de
Oostersche naar de Latijnsche kloosterrichting te
doen overgaan ; wordt ook daarom wel de stichter der
(Latijnsche) Karmel-Orde genoemd. Hij werd tot
eersten prior-generaal (1154r— ’95) gekozen, f ca. 1195.
Feestdag 29 Maart.
L i t. : Etudes Carmelitaines (1912). C. Speet.
Bertholdus van Engelberg, Zalige, Benedic-
tijner abt (van Engelberg), f 1197. Bevorderde kunst
en wetenschap. Feestdag 3 November.
Voorstelling in de kunst. B., Bene-
dictijner abt, geneest een zieke. Zijn beeld komt voor
op glasschilderingen in Penberg en Steyr.
L i t. : J. Lorenz, St. Bertholdi-Büohlein (Linz 1906).
Bertholdus van Mosburg, Dominicaan,
wijsgeer uit de neo -Platonische school van Albert den
Grooten (> Albertus Magnus), lector te Keulen; begin
14e eeuw; heeft met zijn „Expositio in Elementationem
Theologicam Procli” Nicolaus van Cusa beïnvloed.
Bertholdus van Begcnsburg, Franciscaan,
een der machtigste Duitsche volkspredikanten der 13e
eeuw, ja van de middeleeuwen. Met zijn wat ruwe,
maar natuurlijke en beeldrijke welsprekendheid
wekte hij zijn meestal duizenden toehoorders op tot
zedelijke levens verbetering, door ware nederigheid,
berouw, oprechtheid, inwendigen godsdienst, die
alleen waarde en beteekenis geeft aan uitwendige
oefeningen; tegenover de mystiek, of tegen alle
„dweperij” onder het volk, stond hij wantrouwig,
wat hem ook deed optreden tegen Jodenvervolging,
zoowel als tegen geeselaarsoptochten. Geb. in de eerste
helft der 13e eeuw, begon hij omstreeks 1250 zijn
apostolische reizen door Zuid-Duitschland, Zwitser-
land, Bohemen, tot Hongarije toe. In 1262 preekte hij
met zijn vriend den H. Albertus den Grooten den
kruistocht. Omstreeks 400 preeken zijn in het Latijn
overgeleverd, al werden ze Duitsch gehouden, f 1272.
Voorstelling in de kunst. B., Minder-
broeder, predikt van af een preekstoel voor een groote
menigte menschen over de hel, getuige het hellevisioen
in een van de kerkvensters. Afb. bij Raderus, Bavaria
Sacra.
U i t g. : Duitsche preeken, door T. Pfeiffer en
J. Strobl (2 dln. Weenen 1862— ’80) ; in hedendaagsch
Duitsch, door F. Göbel (2 dln. Regensburg 5 1929) ;
bloemlezing, door O. H. Brandt (1924). Een uitg. van
zijn Latijnsche preeken ad religiosos, Speciales, Extra-
vagantes wordt voorbereid. — Lit. : E. Michaël S.J.,
Geschichte des d. Volkes (III Freiburg i. Br. 1903) ;
A. Schönbach, in Sitzungsber. der Wiener Acad. (Weenen
1906) ; K. Rieder, Das Leben B.’s v. R. (in III Verein-
schrift der Görresges. voor 1909) ; E. W Keil, Deutsche
Sitte u. Sittlichkeit im 13 Jrht. nach den damaligen
Prodigern (Dresden 1931 ; wil B. v. R. tot voorlooper
der Hervorming maken). V. Mierlo.
Bertholdus van Bei chenait, kroniekschrijver,
wiens dood in de kroniek van Bemold van Konstanz
vermeld wordt op 12 Maart 1088. Hij vervolgde de
kroniek van zijn leermeester en vriend Herman Con-
tractus. Toch schijnen de annalen, welke op zijn naam
staan en van 1055 tot 1080 loopen, niet van één schrij-
ver. Na 1066 is waarschijnlijk een andere auteur aan
het woord.
Lit.: J. Richter, Die Chroniken B.s. u. Bernolds
(Diss., Koningsbergen 1882) ; W. Wattenbach ( 6 II,
53-55). J. V. Rooij.
Bertholdus van Bohrbaeh, aanhanger van
de Broeders en Zusters van den vrijen geest. Hij
verkondigde zijn quietistische dwaalleer in Würzburg,
en werd door de Inquisitie in 1356 te Speyer verbrand.
Bcïrtholet, Alfred, Zwitsersch Prot. god-
geleerde, * 9 Nov. 1868 te Bazel; hoogleeraar aan
de univ. van Berlijn. Schreef vele en belangrijke werken
over O. T. en over onderwerpen uit de vergelijkende
godsdienstgeschiedenis. Op gebied van bijbelcritiek
is B. Wellhausiaan; zijn opvattingen omtrent de
godsdienstgeschiedenis zijn evolutionistisch.
Werken: o.a. Stellung der Israeliten u. der Juden
zu den Fremden (1896) ; Bücher Esra u. Nehemia (1902) ;
Buddhismus u. Christentum ( 2 1909) ; Biblische Theologie
des A. T. (1911) ; Israëlitische Vorstellungen vom Zu-
stand nach dem Tode ( 2 1914) ; Kulturgeschichte Israëls
(1920) ; Ursprung des Totemismus (1920) ; Kultur u.
Religion (1924). Brans.
Bcrtholletia (p 1 a n t k.), een geslacht van de
familie Lecythidaceae, behoorende tot de orde der
Myrtineae, omvat een aantal boomgewassen in N. en
Z. Amerika. Bekend is B. excelsa, welke de para- of
Braziliaansche noten levert. Dit is een woudboom
met een 3 tot 4 m dikken stam, die 50 m hoogte kan
bereiken. De paranoten zijn een zeer belangrijk han-
delsartikel. Deze vrucht bevat 50 — 60% vette olie.
Bouman.
Berthout, adellijk Brabantsch geslacht, behoo-
rende tot de Baenrotsen. Zij drongen in 1354 aan op
het tot stand komen van de „Joyeuse Entrée”.
Berti, Giovanni Lorenz o, Augustijn,
voornaamste theoloog der latere Augustijnenschool,
doceerde theologie te Siena, Florence, Bologna, Padua
en Rome, en kerkelijke gesch. te Pisa; op verzoek van
paus Benedictus XIV benoemd tot prefect der Biblio-
theca Angelica en assistent-generaal van de i Italiaan -
sche Provincies. Op schitterende wijze wist hij zich zelf
en Bellelli te rechtvaardigen tegen de valsche aan-
klacht van Bajanisme en Jansenisme. * 1696 te Terra-
vazza in Toscane, f 1766 te Pisa.
Voorn, werken: De theologicis disciplinis (8 dln.
Rome 1739— ’45, München 1749, Napels 1792) ; AugustL
nianum Systema de gratia ab iniqua Bajani et Janseniani
erroris insimulatione vindicatum (2 dln. Rome 1747) ;
Ecclesiasticae historiae Breviarium (Pisa 1760, later
herhaaldelijk herdrukt en aangevuld tot in het laatst
-IV. 24
739
Bertilla - Bertken
740
der 19e eeuw, Valladolid 1889). — L i t. : Lanteri
O.E.S.A., Postr. saec. sex (III, 270-274) ; W. Lampen,
Lex. Theol. Kirche (II, 230-231). Claesen,
Bertilla, Heilige, eerste abdis van het klooster
Chella, door de H. Bathildis gesticht. Leefde omstreeks
700. f 5 Nov. Haar leven, ca. 800 geschreven, werd
opgenomen in Acta S. S. Nov. (III 1910, 90 vlg.).
Bertillon, 1° A 1 p h o n s e, anthropoloog en
ethnograaf, * 1853
te Parijs, f 13 Febr.
1914 aldaar; was
voorzitter van het
bureau voor gerech-
telijke identificatie
van deParijsche pre-
fectuur. Voor zijn
„portrait parlé” be-
nutte hij, behalve
de gebruikelijke her-
kenningsteekenen
(misvormingen, ver-
minkingen , litteeke-
nen, moedervlek-
ken, tatoeëeringen,
enz.) de gegevens,
verkregen door :
1° meting van de
lichaamslengte, van de lengte en breedte van het hoofd,
van de lengte der ledematen van de rechterzijde van
het lichaam, van de spanwijdte der armen; 2° vast-
stelling van kleur en intensiteit van de iris. B. ’santhro-
poraetrische methode berust op het feit, dat het been-
derenstelsel van den mensch na zijn 20e levensjaar
vrijwel niet verandert en speciaal ter linkerzijde van
het lichaam zeer constant is. Een belangrijk element
in zijn systeem (de Bertillonnage) wordt gevormd
door de vernuftige rangschikking der signalements-
kaarten. Het systeem, uitgevonden in 1879, werd in
1885 behandeld op het internationaal gevangen is -
congres te Rome en is nadien ingevoerd in de meeste
moderne staten, w.o. Nederland. Naast de Bertillon-
nage kent men thans de dactyloscopie, die eenvoudiger
van toepassing is.
Werken: o.a. Ethnographie moderne. Les races
sauvages (Parijs 1883) ; La photographie judiciaire
(Parijs 1890) ; L’anthropométrie judiciaire a Paris en
1869 (Lyon 1890) ; Do la rcconstruction du signalement
anthropométrique au moyen des vêtements (Lyon 1892);
Identification anthropométrique. In6tructions signalé-
tiques (Parijs 2 1893) ; A. Bertillon en A. Chervin, An-
thropologie mélrique (Parijs 1909L Weehuizen.
2° Louis Adolphe, eerst medicus, later
statisticus en demograaf, en een der groote mannen
in de demographie. * 1821, f 1883. Op het einde
van zijn leven was hij directeur van het Parijsch
statistisch bureau, en professor in de demographie.
Hoofdwerk: Demografie figurée de la France
(4 dln.1874). Schlichting.
Bertillonnage, > Bertillon (Alphonse).
Bertin, Louis Fran^ois, invloedrijk
Fransch dagbladbestuurder, die met zijn Journal
des Débats het politiek leven van Frankrijk be-
heerschte. * 1766 te Parijs, f 1841 aldaar. Zijn
broeder L. Fr. B. d e Veaux (1771 — 1842) en
na dezen zijn beide zoons [F r a n ^ o i s Edouard
(1797 — 1871) en Louis Marie Armand
(1801 — 1854)] namen de leiding van hem over.
Bertin, Sint, Benedictijner abdij, ca. 650 in
het bisdom Terwaan gesticht (> Bertinus); beroemd
om haar kronieken en kerkbouw; in 1791 werden de
monniken verdreven.
Bertini, 1° Giuseppe, Noord-Italiaansch
schilder, zoon van den glazenier Giovanno Battista;
* 1825 te Milaan, f 1898. B. bezocht de schilder-
academie van Milaan en verbleef een tijd in Rome.
In 1859 werd hij benoemd tot „professore di puttura”
aan de Brera -academie van zijn vaderstad, later was
hij directeur van de pinacotheek van de Brera. Hij
munt vooral uit als historieschilder. Knipping.
2° H e n r i, pianist en componist van nog steeds
veelgebruikte instructieve pianomuziek. * 28 Octo-
ber 1798 te Londen, f 1 October 1876 te Meylan
bij Grenoble; kwam als jongen van 6 jaar naar Parijs,
waar hij bijna voortdurend verbleef. Maakte van daar-
uit concertreizen en componeerde voornamelijk
pianowerken. In 1859 trok hij zich op zijn villa te
Meylan terug. Van zijn composities zijn de meeste
vergeten; zijn Etudes echter hebben hun muzikale
en technische waarde voor het onderricht nog geheel
behouden. W. Andriessen .
Bertinus, Heilige, Benedictijner abt, leefde in de
7e eeuw, f ö Sept. 698; stichtte met Mummolenus het
klooster Sithin, de latere beroemde abdij St. > Bertin.
Feestdag 5 Sept. (bisdom Brugge).
Voorstelling in de kunst. B.,
Benedictijner abt, draagt als attribuut een scheepje
zonder zeil en mast. Hij wordt ook afgebeeld, wande-
lend op het water, met een hostie in de hand. Uit zijn
leven: geboorte, intrede in het klooster, zieken gene-
zend, enz.
L i t. : Künstlc, Die Kunst des Rlosters Reichenau
(1924).
Bcrtius, 1° Abraham, > Petrus van de
Moeder Gods.
2° Petrus (Pieter de Bert), hoogleeraar in de
zedenkunde aan de universiteit van Leiden. * 1565 te
Beveren (Vlaanderen), f 1629 te Parijs. B. was een
vriend van Arminius, wiens opvattingen hij in ver-
schillende geschriften verdedigde; na de Dordtsche
synode werd hij afgezet. In 1620 ging hij te Parijs tot
de Kath. kerk over; hij werd professor der welsprekend-
heid aan het college van Boncourt en later der wis-
kunde aan het koninklijk college te Parijs. Drie zijner
zoons traden in de orde der Ongeschoeide Karmelieten:
Abraham (Petrus a Matre Dei), missionaris te Leiden,
schrijver van verschillende werken, o.a. Historia
missionis sive clara relatio missionis hollandicae.*161ö
te Leiden, f 1683; Johannes (Caesarius), missionaris
te Den Haag; Wenceslaus (Paulus a Jesu Maria),
missionaris in Afrika.
L i t. : H. J. Allard, Petrus B. (Stud. III 1870) ;
Etudes carmelitames (1913 — ’20). J. de Jong».
Bertken, Zuster Bertken, Jacobs-
dochter, die „57 jaren besloten heeft gheseten
tot Utrecht in dye bucrkcrcke”, van haar dertigste
jaar af, in 1457. De tijdens haar leven reeds verspreide
liederen van haar werden na haar dood gebundeld en
uitgegeven met enkele geestelijke verhandelingen,
vooral over het Lijden, in 1518 te Leiden bij Jan van
Severen. Haar acht liederen, innig, rustig -eenvoudig,
soms pramend -opwekkend, met wel eens een naklank
van Hadewych, behooren, zonder sterke composities
te zijn, tot de beste geestelijke liederen der middel-
eeuwen, al is het ook onzeker, of wel alles eigen werk
van haar is. De bekende, zeer mooie maagdendans in
het lied ,,Die werelt hielt mi in hare gewout” komt im*
de redactie van B. niet voor.
741
Bertogne — Bertrand
742
Uit?.: dr. Joh. Snellen, in Herdrukken van de
Maatsch. der Ned. Letterkunde (1924). V. Mierlo.
Bertogne, gem. in de prov. Luxemburg, ten N.
van Bastenaken; opp. 2 342 ha, ruim 1000 inw.,
rotsachtige landbouwstreek ; bosschen ; bronnen ;
druïdensteen.
Bertoldo di Giovanni, Jtal. beeldhouwer en
medailleur, waarschijnlijk leerling van Donatello en
leermeester van Michelangelo in diens eerste periode;
* ca. 1420, waarsch. te Florence, f 1491. B. bestuurde
in 1458 de kunstenaarsschool, door de Medici in de
villa van San Marco opgericht, en was inspecteur van
de kunstcollectie, aldaar bewaard. Daar ontving
Michelangelo zijn lessen. Zijn roem dankt B. voor-
namelijk aan een voor hem gunstig afgeloopen con-
currentiestrijd met Bellano in de S. Lorenzo te Floren-
ce. Leerling van Donatello toont hij zich in nauw-
gezet realisme; zijn vormen zijn echter ronder, en het
rhythme zijner compositie en de weergave der
houdingen -in -beweging zijn met meer consequentie
doorgevoerd, dan het geval is bij zijn leermeester. In
zijn latere ontwikkeling kan een vooruitgrijpen naar
de Klassieke vormen der 16e eeuw worden bespeurd.
Voorn, werken: Ruitergevecht (Florence, Mu-
seo Nazionale) ; Kruisiging (ib.) ; Hercules (Berlijn,
Kaiser-Friedrich Museum) ; H. Hiëronymus (ib.) ;
Bellerophon en Pegasus (Weenen, Kunsthistor. Museum).
— L i t. : Semrau, B. di G., ein Beitrag zur Gesehichte
der Donatelloschule (1891); W. v. Bode, Bertoldo und
Lorenzo dei Medici. Die Kunstpohtik des Lorenzo il
Magnifico im Spiegel der Werke seines Lieblingskunstlers
B. di G. (1925). Knipping .
Bertolini, Francesco, klass. philoloog,
prof. in de oude geschiedenis te Bologna. Hij schreef
werken over Italië in de Oudheid (critisch als aan-
hanger van Niebuhr) en in de 19e eeuw (Cavour).
* 1836 te Mantua, f 1909 te Bologna. Zr. Agnes.
Bcrtoni, C a s p a r, Eerbiedwaardige, ijverig
priester en stichter van de Congregatie der priesters
van de H. Wondteekenen (1816). * 1777 te Verona,
f 12 Juni 1853 aldaar. In zijn jeugd muntte hij uit
door een reinen levenswandel; als priester bij het
volk zeer in aanzien en geestelijke leider van zusters
en priesterstudenten. Naar hun stichter worden de
leden der congregatie Bertonianen genoemd,
in Italië Padri Stimmatini. 23 Juni 1925
definitief goedgekeurd. Zij stellen zich ten doel om
den bisschop als zielzorgers en volksmissionarissen
ter zijde te staan. In 1929 werd hun het missiegebied
Yihsien (China) toegewezen.
Het proces der zaligverklaring van B. is in 1906
begonnen. J. v. Rooij.
Bertrada, gemalin van Pepijn den Kor-
ten. Als moeder van Karei (den Groot en) en Karlo-
man moest zij meermalen bemiddelend optreden
tusschen deze beide broers, die elkaar vijandig gezind
waren. > Karei de Groote.
Berirada van Montiort, echtgenoote van
Fulco van Anjou; zij verliet haar ruwen gemaal en
leefde in concubinaat met Philips I van Frankrijk,
die om haar zijn wettige vrouw verstiet. De kerkelijke
ban en de opstand van de graven van Vlaanderen en
Anjou konden slechts een voorgewende scheiding be-
werken. B. verzoende zich later met de Kerk en stierf
in 1118 in het klooster Fontevrault. Wachters.
Bertram de la Broquière, ondernam in de
15e eeuw reizen naar Pruisen, Rusland, Egypte en
Palestina.
Bertram van Minden, (mecstcr-)schilder en
beeldhouwer uit de 14e eeuw, f vóór 1415; vooral
werkzaam te Hamburg. Zijn beeldhouwkunst vooral is
levenstrouw, ietwat geïdealiseerd, al te slanke gestal-
ten en bij de hoofdfiguren sierlijke plooienval.
Voorn, werken: Het Grabower-altaar (luiken-
altaar), in 1379 voor de Sint Petruskerk te Hamburg
vervaardigd, later in Grabow terecht gekomen, nu in
de Hamburger Kunsthalle : van binnen houtsnijwerk,
Christus aaD het kruis met Maria en Johannes, naast
profeten : Apostelen en Heiligen in vergulde Gotische
nissen, op de predella Maria Boodschap, St. Jan de
Dooper, Kerkvaders en Ordestichters ; op de buiten-
luiken schilderwerk : de Schepping, Hoogaltaar te
Doberan, Beeldhouwwerk en Crucifix. Maria-altaar te
Buxtehude. Apocalypse-altaar, nu in het Victoria and
Albert-museum te Londen. Altaar in het Prov. Mus.
van Hannover (1930 ontdekt). — L i t. : Lichtwark,
Meister B. (1905) ; Rohde, Der Hamburger Peter-Altar
(1916). Knipping.
Bertram ,1° Charles, beroemd Engeisch
vervalscher van een historisch werk; * 1723 te Londen,
f 1765 te Kopenhagen; opgevoed te Kopenhagen,
waar hij Engeisch leeraar werd en in 1757 zijn „vondst’’
uitgaf, als gelijkwaardig met Gildas en Nennius, nl.
een „Ricardus Corinensis de situ Britanniae”, over
het oude land der Britten, een werk, dat algemeen als
echt werd aanvaard en alle historici heeft misleid,
tot het bedrog werd ontdekt in 1866 door B.B. Wood-
ward. Een vertaling van dr. Giles verscheen nog in
1872 als een van de Six English Chronicles in Bohn’s
Library. Pompen .
2° Ernst, Duitsch dichter van nationalistische
richting, uit den kring der Blattcr für die
Kunst; vooral oorspronkelijk litterair historicus,
voor wien de letterkundige geschiedenis niet zoozeer
moet streven naar objectieve teruggave van het letter-
kundig verleden, langs den moeizamen weg der philo lo-
gische critiek en der historische biographiek, dan wel
naar herschepping van de bestudeerde personaliteit
tot een soort heidenmythe, dank zij persoonlijke
intuïtie. Zijn Nietzsche (1918) is een klassiek
voorbeeld van het genre geworden. * 27 Juli 1884 te
Elberfeld, thans (1933) hoogleeraar te Keulen.
Werken: Gedichte (1913); Strassburg (1920);
Das Gedichtwcrk (1922 vlg.) ; Der Rhein (1922) ; Das
Nornenbuch (1925). Baur.
Bcrtramwortel, > Vuurwortel.
Bertran, > Bertran de Bom.
Bertrand, 1° > Robert Macaire.
2° Alexandre, Fransch oudheidkundige,
* 28 Juni 1820, f 9 Dec. 1902; studeerde aan de Ecole
fran<;aise te Athene, 1862 directeur van het Archeolo-
gisch Museum te St. Germain, 1881 lid van de Acadé-
mie des Inscriptions.
Werken: o.a. Etudes de mythologie et archéologie
grecque (1876); La Gaule avant les Gaulois ( 2 1891);
Nos origine8. La religion Gauloise (1897) ; vanaf 1860 de
,, Revue archéologique”. W. Vermeulen.
3° A 1 o y s i u s (eigenl. Louis), Fransch
schrijver van de latere romantiek. * 1807 te Dijon,
f 1841 in het Neckerhospitaal te Parijs. B. ijverde
voor letterkundige decentralisatie in zijn tijdschrift
Le Provincial. Zijn eenig werk Gaspar d de la
N u i t (1842) beoogde een vernieuwing van het proza
in den zin van het rhythmische kunstproza: Baudelaire
bekende later het hem te hebben nagedaan.
L i t. : J. Chasles-Pavie, A. B. in Revue de Paris (1911).
Baur.
4° Jean Gustave, theoreticus en muziek-
geleerde, * 1834 te Vaugirard bij Parijs, f 1880 te
743
Bertran de Born — Bcrtrandus de Garriga
744
Parijs; schrijver over muziek, recensent en medewerker
aan verschillende Parijsche couranten.
Werken: Histoire ecclésiastique de 1’orgue (1859) ;
Essai sur la musique dans 1’antiquité (1866) ; Les origines
de Pharmonie (1866) : De la réforme des études du chant
au Conservatoire (1871) ; Les nationalités musicales
étudiées dans le drame lyrique (1872). Piscaer.
5° Joseph Louis F r a n q o i s, Fransch
wis- en natuurkundige, * 11 Maart 1823 te Parijs, f 3
April 1900 aldaar. Werd in 1856 hoogleeraar aan de
École Polytechnique, in 1862 aan het Collége de
France, in 1874 Sécrétaire Perpétuel van de Académie
des Sciences. B. schreef talrijke werken en verhande-
lingen over wiskunde, mechanica, mathematische
physica en astronomie, verscheidene Éloges académi-
ques en enkele biographieën.
Werken: o.a. D’Alembert (Parijs 1889) ; Eloges
Académique8 (2 dln. Parijs 1890, 1902) ; Blaise Pascal
(Parijs 1891) ; Calcul des Probabilités (Parijs 1907). —
L i t. : G. Darboux, Eloge historique de J. B. (in Eloges
II). Dijksterhuis.
6° Louis, Zwitsersch wiskundige,
* 3 Oct. 1731 te Genève, f 15 Mei 1812 aldaar. Woonde
een tijd lang als lid van de acad. der wetensch. te
Berlijn, was daarna hoogleeraar in wiskunde aan de
universiteit te Genève. B. deed in zijn werk: Dévelop-
pement nouveau de la partie élémentaire des mathé-
matiques (2 dln. Genève 1778) een poging tot her-
vorming van den elementairen opbouw der wiskunde.
Dijksterhuis .
7 ° Louis, vooraanstaand figuur in de -> Bel-
gische (socialistische ) werkliedenpartij, waarvan hij
in 1885 medestichter was. Hij stichtte ook haar voor-
naamste dagblad „Le Peuple”, waarvan hij redacteur
en later administrateur was. Stichtte eveneens de
Brusselsche coöperatie: La Maison du Peuple. Ver-
tegenwoordigde zijn partij in den gemeenteraad van
Schaarbeek, en vanaf 1894 in de Kamer van Volks-
vertegenwoordigers, waarvan hij ondervoorzitter werd.
In 1926 nam hij zijn ontslag als afgevaardigde. Werd
als Minister van State in den Kroonraad opgenomen.
* 1851 te St. Jan -Molenbeek bij Brussel.
Werken: o.a. Histoire de la démocratie et du
socialisme en Belgique depuis 1830 (2 dln. Brussel-
Parijs 1906 — 1907) ; Histoire de la coöpération en Bel-
gique ; Souvenirs d’un meneur socialiste (2 dln.).
V. Gestel
8° Louis, Fransch romanschrijver en
cultuur-historicus van nationaal-traditionalistische
richting. * 20 Maart 1866 te Spincourt. B. verheerlijkt
den klaren geest van de Latijnsche beschaving en de
weelderige Noord -Air ikaansche natuur in romans
volgens de realistische techniek (Flaubert), in ver-
zorgde reisbeschrijvingen en in psychologisch uitge-
diepte biographieën. Sinds 1924 is B. lid van de
Académie Fran^aise.
Werken: La fin du classicisme et le retour a
Pantique (1897) ; Le sang des races (1899): La Cina (1901);
Pépète le bien-aimé (1904 ; later herwerkt tot Pépète
et Balthasar, 1920) ; La Grèce du soleil et des paysages
(1908) ; Le mirage oriental (1909) ; Le livre de la Médi-
terranée (1911) ; Saint Augustin (1913) ; Sanguis Mar-
tyrum (1918) ; Les villes d’or (1921) ; Louis XIV (1923) ;
Ma Lorraine (1926) ; Philippe II è, PEscurial (1929).
Baur.
9° Marcel, Fransch geoloog en de grondlegger
van de dekbladentheorie. B. heeft met een bijzondere
intuïtie bijna alle problemen der gebergtevorming
doorschouwd en door zijn leerlingen Lugeon, Tennier
e.a . den grondslag gelegd van een school in de Fransche
geologie, die niet het minst gekenmerkt is door de
koene grootschheid van haar hypothesen en bijna
dichterlijke bewondering voor de mysteries van onze
aarde en hare schoonheid. * 2 Juli 1847 te Parijs,
f 13 Apr. 1907, zoon van den wiskundige Joseph B.
Doorloopt de Ecole polytechnique en de Ecoles des
Mines. 1872 ingenieur bij het Mijnwezen in de Fransche
Jura. Door den invloed van zijn vader 1878 geplaatst
bij de Service de la Carte Géologique te Parijs, waar
zijn wetenschappelijke loopbaan begint. Onder invloed
van het werk van E. Suess krijgt hij een nieuwen kijk
op tal van vraagstukken, ontdekt de liggende plooien
van groote afmetingen in het Fransch -Belgische kolen-
bekken en in de Provence, breidt zijn werk uit tot de
Alpen. Met profetischen blik ziet hij de oplossing
van de Alpen-tectoniek door de dekbladen-
theorie. In 1886 wordt hij professor aan de Ecole
des Mines, in 1895 Academicien. Aansluitende bij
Suess’ opvattingen over de plooiingsperioden, breidt
hij deze uit tot het begrip van den cyclus der
> gebergtevorm ing. Zijn wetenschappelijk
werk vindt in 1900 een droef einde door de geestelijke
inzinking, tengevolge van den dood van zijn vader
en van een doodelijk ongeluk, zijn oudste dochtertje
overkomen. In 1902 moet hij zijn professoraat neer-
leggen.
Werken: La chaine des Alpes et la formation du
continent Européen ; Bulletins de la Société Géologique
de France, 3e serie (XV, 423) ; Essai d’une théorie
mécanique de la formation des montagnes ; Compte
Rendu des séances de 1’Académie des Sciences (CXIII,
291). — Lit. : Pierre Termier, Marcel Bertrand,
gedachtenisrede, in de Bulletins de la Société Géologique
de France, 4e serie (VIII) ; eveneens in diens verzamelde
schetsen : A la gloire de la Terre (Parijs 1922).
Jong.
10 ° Paul Joseph, aalmoezenier van Lodewijk
Napoleon. Hij poogt vergeefs de bisschoppelijke Cleresy
met de Kath. kerk te verzoenen. B. had ook zitting
in de door Lodewijk Napoleon benoemde regelings-
commissie voor den Kath. ceredienst. Vermoedelijk
heeft hij Nederland verlaten bij het vertrek van Lod.
Nap. (1810).
Lit.: A. Hensen, P. J. Bertrand (Nieuw Ned. Biogr.
Woordenb. I 1911). de Haas.
lier Iran de Born, troubadour, beroemd vooral
om zijn sirventes: krijgsliederen, waarin hij den
„jongen koning” Hendrik, en na diens dood zijn broeder
Richard Leeuwenhart diende, vooral in den strijd tegen
hun vader Hendrik II, koning van Engeland en hertog
van Aquitanië. Hij heeft nog enkele opwekkingen tot
den kruistocht, een paar treurliederen op zijn bescher-
mer, en enkele minneliederen geschreven; alles te
zamen zijn er 42 liederen van hem bewaard. Van
ridderlijke afkomst, eindigde hij zijn leven, als vele
troubadours, in een klooster: te Dalon, vóór 1215.
Dante verwees hem naar de hel (28e zang).
U i t g. : A. Thomas (Toulouse 1888) ; A. Stimming
(Halle 2 1913). — Lit.: Salverda de Grave, De Trouba-
dours (1917) ; C. Appel (1931). V. Mierlo.
Bertrand’sche lens, een zwak vergrootende
lens, die in het polarisatiemicroscoop tusschen analy-
sator en oculair kan worden ingeschakeld. Zij wordt
gebezigd, indien men mineraalslijpp laatjes bij con-
vergent licht bestudeert, en dient om de assenfiguur,
die zonder Bertrand ’sche lens scherp, maar klein is,
te vergrooten. Hofsteenge.
Bertrandus, > Ludovicus Bertrandus.
Bcrtrandus de Garriga, Zalige, Domini-
745
Bertrandus de Turre — Berwyn
740
caan, f 1233; metgezel van St. Dominicus, prior van
het eerste klooster te Toulouse, en bij den uitgroei
der Orde provinciaal der Provence. Feestdag 6 Sept.
Bertrandus de Turre (de la Tour),
Minderbroeder, f 1332 of ’33. Nam zeer actief deel
aan den zgn. Armoedestrijd der Minderbroedersorde.
Als predikant zeer gezocht.
L i t. : in : Lex. Theol. Kirche (II, 234).
Bertrec, gem. in de prov. Luik, ten Z. van
Landen ; opp. 278 ha, ca. 400 inw. Vruchtbare
landbouwstreek; aldaar overblijfselen van een Ro-
meinsche villa gevonden.
Bertrich , Bad, badplaats in de Eifel, Rijn-
provincie. 165 m boven zee. Ca. 700 inw., meest Kath.
Zoutbronnen. Drink- en badkuren. Behandeling
van lever- en galziekten, maag- en darmaandoeningen,
jicht en rheuma.
Bertrix, gem. in de prov. Luxemburg, ten W.
van Neufchateau; opp. 4186 ha, ruim 3 600 inw.,
op het plateau der Ardennen, ten N. der Semois;
steengroeven, vooral leien; spoorwegcentrum. Belang-
rijke oude heerlijkheid; B. leed veel gedurende den
inval der Duitschers in den Wereldoorlog.
Bertrijn, Louis, tooneelspeler en leeraar
in het voordragen aan het Conservatorium te
Antwerpen. * 10 Juli 1868 te Antwerpen. B. begon zijn
loopbaan als tooneellief hebber, werd 1892 geëngageerd
door H. Verstraete in den Cirkschouwburg van zijn
geboortestad. Ging een jaar nadien over naar den Kon.
Schouwburg te Gent en vandaar naar den Kon.
Ned. Schouwburg te Antwerpen, en werd de gevierde
jeune premier. 1912 — 1914 was B. samen met Adr. van
der Horst, en 1919 — 1920 alleen, bestuurder van
den Kon. Ned. Schouwburg. Later speelde hij de
nobele vaderrollen, naast zijn vrouw, Hélène De
Dapper, die de statige oude dames uitbeeldde. Tn 1933
vierde hij zijn veertigjarig tooneel jubileum en nam
in hetzelfde jaar zijn ontslag.
Met zijn echtgenoote heeft L. B. den opgang van
de tooneelspeelkunst in Vlaanderen meegemaakt en
bevorderd: zij weerden bombast en streefden naar
eenvoud.
L i t. : Het Tooneel (jg. 18, nrs. 24 en 25, Antwerpen
1933). Godelaine.
Bcrtuinus, Heilige, bisschop en belijder, volgens
sommigen van Iersche, volgens anderen van Angel-
saksische afkomst. Stichtte de abdij van Malonne bij
Namen. Verkondigde het Geloof vnl. in de Sambre-
vallei. Feestdag 16 Nov. (bisdom Luik), f Einde
7e eeuw. De Schaepdrijver.
Beruete, Aureliano, de, Spaansch schil-
der, * 1845 te Madrid, f 1912 aldaar; achtereenvolgens
leerling van den landschapschilder Carlos Haes en
Martin Ricco (vriend van Fortuny). In zijn later werk
ondergaat hij sterk den invloed van het Fransche
Impressionisme. B. was een verzamelaar, vooral
van gravures, en een kenner der Spaansche schilder-
kunst van de 17e eeuw. Gaf in 1898 te Parijs een werk
over Velasquez uit.
Voorn, werken: Aan de oevers van de Man-
zanares (1878) ; Verder gezichten op Madrid, Toledo enz.
Knipping,
Berula, > Watereppe.
Bérulle, P i e r r e de, stichter van de in de
geschiedenis der ascese bekende „Ecole fran^aise”.
* 4 Febr. 1575 op het kasteel Cerilly in Champagne
(Fr.), f 2 Oct. 1629 te Parijs. Zijn letterkundige,
philosophische en theologische opleiding genoot
hij te Parijs aan de colleges van Boncourt, Bourgogne,
Clermont en aan de Sorbonne. Hij was een heilig
priester en zeer gezocht zielenleider, hielp madame
Acarie (Gelukzalige Maria van de Menschwording)
bij de vestiging van de ongeschoeide Karmelitessen
in Frankrijk, stichtte in 1611 het Fransche Oratorium
en was daarvan de eerste superior generalis.
De ascetische geschriften van P. de B. kenmerken
zich door een Theocentrisme (neiging om in theorie
en practijk het goddelijke op den voorgrond te plaat-
sen) en een typeerend Christocentrisme (heiliging door
geloof- en liefdevol aansluiten bij de gesteldheden
van het Menschgeworden Woord). Bij zijn verheffing
tot kardinaal 30 Aug. 1627 noemde Urbanus VIII
hem „Apostolus Verbi Incarnati”. Met klem verzette
de B. zich tegen quietistische neigingen. Dom
J. Huyben heeft in een uitvoerig artikel (O. G. E. IV,
428 — 473) pogen aan te toonen, dat de stichter der
„Fransche School” het meest karakteristieke van zijn
leer, nl. de leer der Christusbeleving, aan de -> Evan-
gelische Peerle te danken heeft. Naast dezen Ned.
invloed staat een Spaansche van den Spaanschen
Carmel, in het bijzonder van de Eerbiedw. Anna
van Jesus. De meest bekende leerlingen van P. de
B. zijn de H.H. Vinc. a Paulo, Jean Eudes, Olier,
Grignon de Montfort en Condren.
L i t. : Oeuvres complètes de Bérulle, Migne (Parijs
1856) : Prof. Dagens bereidt een nieuwe volledige uitg.
zijner werken en brieven voor, die binnenkort in 8 dln.
verschijnt: H.Brémond, Hist.littér. du sentiment religieux
en France (Parijs 1921) ; P. Pourrat, La Spiritualité
chrétienne (III, 491 vlg.) ; Claude Taveau, Le Cardinal
de Bérulle (Parijs 1933). «ƒ. v. Rooij.
Bervic, Charles Clement, eig. Bal -
v i c geheeten, Fransch graveur. * 1756 te Parijs,
f 1822. Werd reeds op 18-jarigen leeftijd om zijn
werk „Le petit Turc” bekroond door de Académie
des Beaux-Arts. Lodewijk XVI wees hem het Louvre
als verblijfplaats aan. Tot zijn leerlingen behooren
o.a. A. Caron en Arm. Corot. Het grootste deel van
zijn werken zijn trouwe copieën in gravure naar
Fransche en ïtaliaansche schilders van de hoog-
Renaissance en de Barok.
L i t. : Portali8 en Beraldi, Les graveurs du 18e
siècle (z.j.). Knipping.
Berwick, graafschap in Schotland (55° 45' N.,
2° 30' W.), 30 000 inw. Hoofdstad Duns.
Berwick, James Fitzjames, hertog
van, Fransch veldheer, * 1670, f 12 Juni 1734;
natuurlijke zoon van koning Jacob II en van Arabella
Churchill; nam deel aan den veldtocht der Jacob ieten
in Ierland in 1690 en werd in den slag bij de Boyne
zwaai gewond; streed in dc latere oorlogen in Franschen
dienst, in den Spaanschen Successie-oorlog vooral in
Spanje; voerde in 1718 als veldheer der Quadruple
Alliantie het Fransche leger over dc Pyreneeën en
sneuvelde in den Poolschen Successie-oorlog bij het
beleg van Philipsburg.
Zijn Mémoires werden uitgegeven in 1839. v. Gorkom.
Berwick-on-Twecd, stad in Engeland
(55° 47' N., 2° W.), aan de uitmonding van de
Tweed in de Noordzee. 15 000 inw. Het speelde een
belangrijke rol in de grensoorlogen van Engeland en
Schotland.
Berwyn, een snel groeiende voorstad van Chicago,
in den staat Illinois (V. S. van N. Amer., 41° 50' N.,
87° 49' W.). Tn 1930: 47 027 inw. (in 1920 slechts
14 150).
747
Berwyn Mount — Besan<?on
748
Berwvn Mount, berg in Wales (52° 53' N.,
3° 22' W.).
Beryll , hexagonaal mineraal van de samen-
stelling 3Be0.Al 2 0 3 6Si0 2 . Behalve de elementen
Be, Al, Si en O bevat beryll soms nog Na,Li,Cae
en H 2 0. De beryllkristallen komen meestal voor als
combinatie van een hexagonaal prisma en twee basis-
vlakken. Door de groote hardheid (H=8) en door de
dikwijls fraaie kleuren, die van kleurloos tot diep-
groen en blauw kunnen varieeren, is beryll een zeer
gezochte edelsteen. Men onderscheidt talrijke varië-
teiten. Zoo wordt de diepgroene beryll smaragd
genoemd, de blauwe aquamarijn en de groengele
opaliseerende variëteit, heliodoor. Beryll is sterk
pleochroïtisch. Het komt op vele plaatsen op aarde
voor. In de beroemde mijnen van Muzo in Columbia
komt de smaragd voor op spleten in kalksteen; in het
Oeralgebergte, in het stroomgebied der Starka en
der Takowaja vindt men soms tot 40 cm lange kris-
tallen in glimmerschisten. In de oudheid waren de
groeven van Dzjebel Sabarah bij Koesair aan de Roode
Zee beroemd. Door atmospherische invloeden ver-
andert beryll in kaolien. Hof steenge.
Beryllium, een chemisch element, behoorende
tot de lichte metalen en wel tot de alkalische aarden.
S.g. = 1,842, atoomgewicht 9,02, atoomnummer 4,
geen isotopen. Smeltpunt ongeveer 1 280°, kookpunt
ong. 1 900°. B. is zeer hard (het krast glas), de kleur
is staalgrauw. B. wordt door w^ater weinig aangetast,
wel door zuren en ook door alkaliën. In de spannings-
reeks staat het tusschen zink en aluminium.
Het oxyde, de beryllaarde, werd in 1798
door Vauquelin in het mineraal beryll ontdekt. Wegens
den zoeten smaak van sommige berylliumzouten
kreeg het den naam glucinium ( ( Gr. glukus = zoet),
welke naam zich niet heeft gehandhaafd, uitgezonderd
in het Fransch. Het metaal b. zelf w T erd in 1828 door
L. Wöhler afgescheiden.
In de natuur komt het vnl. voor als > beryll, een
dubbelsilicaat van de volgende samenstelling:
3Be0.Al 2 0 s 6Si0 2 .
Men gebruikt b. -zouten als hardingsmiddel voor
gloeikousjes, om deze te kunnen verzenden. Verder als
katalysator. In den luchtschepenbouw' kan het w T egens
zijn lichtheid een toekomst hebben. v. d. Beek.
Beryllus, bisschop van Bostra in Arabië. Hij
verbreidde onjuiste opvattingen omtrent de godheid
van Christus vóór de Menschwording, maar w T erd
door Origenes en een synode van ca. 240 tot de ortho-
doxie teruggebracht. Zijn brieven en tractaten, waar-
van Eusebius en Hieronymus spreken, gingen verloren.
L i t. : Bardenhewer, Gesch. d. alt-kirchl. Liter.
(II 1914, 273 vlg.). Franses.
Berytus, > Beiroet.
Berzawa, linkerzijrivier van de Ternes, ontstaat
op het Banater-gebergte (Roemenië). Benedenloop
is gekanaliseerd tot Berzawa kanaal.
Berzée, gem. in de prov. Namen, aan de Eau
d’Heure, ten N. van Walcourt; 800 inw., grootendeels
Kath.; opp. 612 ha; landbouw, steengroeven.
Berzeliaiiict, zeer zeldzaam rhombisch mineraal
van de samenstelling Cu,Se. Berzelianiet komt soms
voor als een dendriet isch aanslag op barsten in calciet,
of wel in den vorm van zeer fijne impregnatie in kalk-
steen. Dit zeldzame mineraal* wordt o.a. in Smaland
(Zweden) en bij Lehrbach in den Harz gevonden.
Hof steenge.
Berzelius, Jöns Jakob, scheikundige;
* 20 Aug. 1779 te Waversunda in Zweden, f 7 Aug. 1848
te Stockholm, waar hij vanaf 1810 hoogleeraar in de
scheikunde is geweest. Zeker de grootste chemicus
der 19e eeuw f , wiens experi-
menteele arbeid alle gebie-
den der chemie besloeg.
Vooral bekend w r erden de
ontdekkingen en bereidingen
van kiezel, selenium, tho-
rium, cerium, tantalium, zir-
conium, druivenzuur, enz.,
en de onderzoekingen over
ferrocyaan verbindingen. Le-
verde belangrijke gegevens
over isomerie en bewees, dat
de wet van de multipele
proporties ook voor organi-
sche verbindingen geldig is.
Gaf nauwkeurige atoomgewrichtsbepalingen van de
elementen en oefende, door zijn kritische en systema-
tische schifting van de tot zijn tijd bekende chemische
kennis, een grooten invloed op de ontwikkeling der
theoretische chemie uit. Zijn „Leerboek der Chemie”,
dat van 1808 — 1818 in 3 dln. in het Zweedsch
verscheen, is in bijna alle talen, ook in het
Nederlandsch, vertaald.
L i t. : Berzelius, Selbstbiegraphische Aufzeichnungen
(uitg. Soederbaum 1903) ; Arne Holmsberg, Biblio-
graphie de J. J. Berzelius (1933). Hoogeveen .
Bes. Ooftteeltkundig zijn bessen: de
> aalbes, kruisbes, aardbei, moerbei, framboos, braam,
wijnbes, boschbes en veenbes. Men zegt ook wel
„klein fruit”. Bes plantkundig, > Vrucht-
boomen.
Bes, Egypt. god, beschermer tegen vijanden en
wilde beesten, god van den oorlog en van de muziek,
als goede genius tegenwoordig bij de geboorte der
kinderen. Vooral in de Hellenistische periode was hij
uiterst populair. Zijn talrijke voorstellingen (deels
mensch, deels dier met langen staart) zijn steeds
grotesk, bijna satyrachtig. Simons.
Besan^on, vesting in de Jura, hoofdstad van
het Fransche dept. Doubs (47° 15' N., 6° 3' O.);
250 m boven zee; 60 340 inw. (1931). Aartsbisschops-
zetel sinds de 4e eeuw; Universiteit. Veel horlogerie,
textiel, kunstzijde, enz. Kanaalverbindingen met den
Rijn. Als Bourgondische stad Irwam B. in 1032 aan
Duitschland, in 1307 werd het vrije Rijksstad; in
1648 kwam het aan Spanje; in 1679 aan Frankrijk.
Vaderland van Granvelle, Ch. Fourier, J. Proudhon,
Ch. Nodier en V. Hugo.
Lit. : Castar, B. et ses environs ( 2 1887). Ueere .
Besan<;on is het oude Vesontio, de hoofdstad der
Séquani, aan de Dubis (Doubs); om zijn strategisch
sterke ligging door Caesar in den strijd tegen Ariovis-
tus, in 58 v. Chr. bezet (Caesar, De Bello Gallico,
I, 38). Later metropolis van de provincia Maxima
Sequanorum. Davids.
Kunst te Besan<jon. Er zijn resten van
een Romeinsch amphitheater en een theater (enkele
kolommen) en van een oude door Marcus Aurelius
gebouwde brug. De oude kathedraal is door Vauban
bij het aanleggen van vestingwerken nagenoeg met
den grond gelijk gemaakt. De nieuwe (1148 door paus
Eugenius III geconsacreerd), aan Sint Jan toegewijd,
heeft twee tegenover elkander liggende absiden en
vertoont in plan gelijkenis met Rijnlandschen laat-
Romaanschen kerkenbouw. In de kerk: graftombe
J. J. Berzelius.
749
Besanjelier — Bescheidenheid
750
van Ferry Carandolet (Brugsch werk, 1543, wit
marmer). Schilderwerk van Charles van Loo, Troy
en Natoire.
Uit de eerste decennia der 20e eeuw is de basiliek
van de HH. Ferróol en Ferjeux (architect Ducat,
geïnspireerd op den Romaanschen stijl dor 12e eeuw).
Verder Gotische en Rena issancepa leizen (o.a. palais
Granvelle). De musea zijn vooral van belang voor
de praehistorie, alsmede voor de beeldhouwkunst
der Bourgondische school van omstreeks 1400. Er
bevindt zich een triptiek van een Orley (O. L. Vrouw
van zeven Weeën) en het portret van Carandolet,
toegeschreven aan Gossaert. De twee vestingtorens
zijn van omstreeks 1400.
L i t. : Castan, Monographie du palais Granvelle & B.
(1867) ; B. et ses environs (1880) ; Magnin, La peinture
et le dessin au musée de B. (1919). Knipping.
Rijksdag van Bcsan^n, bijeengeroepen door
Frederik Barbarossa in 1157, bekend door het uit-
breken van het conflict tusschen paus en keizer,
dat reeds lang dreigde. Er verscheen een pauselijk
gezantschap onder leiding van kardinaal Roland
Bandinelli (de latere paus Alexander 111), dat enkele
kerkelijke kwesties moest regelen, maar tevens op-
dracht had opheldering te vragen over bepaalde
rechtsschendingen. Het woord „beneficia” in het
schrijven van paus Hadrianus IV, door dezen be-
doeld als weldaden, door den keizer ten onrechte
opgevat als leengoederen, werd de aanleiding tot het
conflict. De keizer, die een verheven opvatting van
het keizerschap had en zich door deze uitdrukking
tot leenman van den paus verlaagd waande, vond voor
zijn ontstemming steun bij zijn vleiers. Frederik dreigde
reeds met représailles, maar de nadere toelichting
van den paus voorkwam de definitieve breuk, die
op den rijksdag in de Roncalische velden (1158)
niet meer was te vermijden.
Lit. ; de Jong, Handboek der Kerkgesch. (I 2 1932,
427-428) ; Histoire Générale sous L. Halphen et Ph.
Sagnac (VI Parijs 1932, 139). Wachters .
Besanjetier, Cucubalus baccifer,
familie der muurachtigen (Caryoplyllaceae), is de
eenigste soort van dit geslacht en groeit aan den water-
kant van riviertjes en beken.
Bcsant, 1° A n n i e, leidster der theosophische
beweging en voorvechtster der Britsch- Indische
onafhankelijkheidsbeweging. * 1847 te Londen, f 1933;
dochter van den
medicus Wood;
huwde 1867 met
den Anglicaanschen
geestelijke F. Be-
sant; liet zich 1873
van hem scheiden:
was in dien tijd
atheïsteen socialis-
te en trad op bij
werkstakingen. In
1890 leerde ze de
Russische mevr.
Blavatsky kennen
en ijverde sindsdien
door w r oord en ge-
schrift voor de the-
osophie. In 1907
w'erd zij presidente
der Theosophische Vereeniging. Te Benares (Br. -Indië)
stichtte ze een College tot opvoeding van Hindoes in
hun eigen godsdienst en in de Westersche beschaving.
In 1911 stichtte ze de Orde der Ster van het Oosten ter
voorbereiding van de komst van den Wereldleeraar.
dien ze in 1925 te Ommen in den Hindoe Krisjna-
moerti beweerde te herkennen. Haar ijveren voor zelf-
bestuur in Britsch -Indië en haar connecties met den
\ rij -Katholieken bisschop Leadbeater wekten veler
misnoegen. Door haar fascineerende persoonlijkheid
sleepte ze velen mede. Van de theosophische be-
weging scheidden zich in 1912 de Anthroposophen
(> Anthroposophie) af.
Werken: The religious problems in India (1902) ;
A. B. ,Autobiography (1919). — Lit.: J. P. Verhaar,
De Mod. Theosophische Beweging (1931).
2° Sir W a 1 1 e r, Engelsch romanschrijver.
* 1836, f 1901, broeder van Frank B. (f1917), die met
Annie Besant was gehuw'd. Zoon van een koopman te
Portsmouth, studeerde te Londen en te Cam bridge,
vrijmetselaar sedert 1862. Was leeraar op St. Mauritius
(1861 — 1867) en vestigde zich daarna als schrijver te
Londen, en w r as tegelijk secretaris van het Palestine
Exploration Fund (tot 1886). Aanvankelijk schreef
hij over Fransche letterkunde en over Palestina, toen
(sedert 1871) romans. Hiervan is vooral All Sorts
and Conditions of Men (1882) populair geworden en
de aanleiding tot de stichting van The People’s Palace
in het East End van Londen in 1887. In 1884 riep hij
een beweging voor avondscholen in het leven, en The
Home Arts and Industries Association heeft er nu
talrijke in Engeland. In hetzelfde jaar organiseerde
hij een Society of Authors, w T aarvan het ledenaantal
in 1900 tot bijna 2 000 w r as geklommen. In 1894
begon hij een uitvoerige historische beschrijving van
Londen, waarvan hij zelf eenige voorbereidende studies
heeft gepubliceerd, maar die pas na zijn dood in tien
geïllustreerde deelen is verschenen (1902 — ’12).
Pompen .
Besappcl (P i r u s b a c c a t a), een appel-
boompje met zeer kleine vruchtjes. Fraaie bloeiheester.
Besar (stomme e en klemtoon op de laatste letter-
greep), Maleisch woord voor „groot”, dat, behalve
in aardrijkskundige namen, in het bijzonder bekend
is als de in Indonesië gebruikelijke naam voor de
twaalfde maand van het Mohammedaansche jaar
(Dzoe’1 Hidzjdzja), waarin het „groote feest” (nl.
dat van de hadzjdzj) gevierd wordt, en in de verbin-
ding toean besar = groote heer, benaming van den
gouverncur-sreneraal van Ned. -Indië, of in het alge-
meen ook van aanzienlijke personen. Berg .
Beshorodko , Alexander Andreje-
witsj, vorst, Russisch staatsman, * 1747,
f 1799 te Petersburg; werd in 1780 staatssecretaris
van Catharina II. In 1792 sloot hij den vrede van
Jasi met de Turken en leidde de onderhandelingen,
die de derde Poolsche deeling tot stand brachten (1795).
Als rijkskanselier van Paul I legde hij den grondslag
tot de tweede coalitie tegen Frankrijk door het bond-
genootschap met Engeland te sluiten.
Lit.: B. Raptschinskij, De geschiedenis van het
Russische volk (II 1929). v. Gorkom.
Bescheidenheid w T ordt in breederen en engeren
zin genomen. In den r u i m s t e n zin verstaat men
er onder: modest ia, van moderari (Lat.) = matigen.
Gematigd dienen te worden: 1° het verlangen naar eer;
en dat doet de nederigheid; 2° het verlangen naar
kennis; 3° de uiterlijke handelingen en het gedrag;
4° het uiter lijke, zooais kleeding e.d.
In engeren zin, zooais de opvoedkunde het
751
Beseheidenheit — Bescherming
752
gewoonlijk neemt, is het de deugd, die ons uiterlijk
voorkomen en optreden regelt naar den maatstaf van
het verstand. Om waarlijk een deugd te zijn, moet dit
gematigd optreden overeenstemmen met het innerlijke.
Anders is het huichelarij. De inwendige gesteldheid,
waaruit ze voortkomt, is de nederigheid. Nederigheid
steunt vooral op het geloof onzer absolute afhankelijk-
heid van God. Dat moet het kind dus geleerd. Men
wenne het rekening te houden met zijn omgeving,
vooral niet te druk en luidruchtig te zijn bij spel en in
gesprek. Toone door voorbeelden aan, hoe fijn en
aangenaam een bescheiden optreden is en neme overi-
gens de onbescheidenheid van de rijpende jeugd niet
al te tragisch.
Lit. : St. Thomas, S. Thcol. (II II, q. 160-170);
A. D. Sertillanges, Philosophie Morale de S. Thomas
d’Aquin (486 vlg.) ; Roloff, Lexikon der Padagogik (I).
p. Gervasius.
Beseheidenheit . Beseheidenheit ist eine Zier, ƒ
Doch weiter kommt man ohne Ihr. = Bescheiden -zijn
siert den mensch, maar met onbescheidenheid bereikt
men meer. Travestie van Franz Grillparzers: „Ziert
Beseheidenheit den Jüngling, Nicht verkenn’ er
seinen Wert” [uit het treurspel „Ahnfrau” (1816),
le bedrijf, vs. 692.; Grillparzers Werke (Rudolf Franz)
Leipzig-Wien, Bibliographisches Institut, I]. Brouwer.
Beschermende rechten, heffingen bij den
invoer of bij den uitvoer van goederen, met het doel
de concurrentie -voorwaarden van de binnenlandsche
industrie gunstig te beïnvloeden, hetzij door den
invoer van buitenlandsche producten te belemmeren,
hetzij door den uitvoer van grondstoffen te bemoei-
lijken. -> Bescherming. Kaag.
Beschermengel, > Engelbewaarder.
Bescherming (e c o n.), het op een of andere
wijze steunen van het nationale bedrijfsleven tegenover
de buitenlandsche concurrentie. Zij kan zich in zeer
verschillende vormen voordoen, nl.: 1° door het heffen
van invoerrechten; 2° door het uitvaardigen van
invoerverboden- en beperkingen; 3° door het toe-
kennen van uitvoerpremies ; 4° door de heffing van
differentieele rechten ten behoeve van de nationale
scheepvaart en van den eigen handel in de koloniën;
5° door een bepaalde tarievenpolitiek in het binnen-
landsch verkeer; 6° door het uitvaardigen van uit-
voerverboden van grondstoffen en halffabrikaten.
De meest voorkomende vorm is wel de onder 1°
genoemde.
Historisch overzicht. Van een eigen-
lijke bescherming van de nationale nijverheid kan men
eerst spreken in de 17e eeuw. De toen aangehangen
mercantilistische zienswijze beschouwde de handels-
politiek als een deel der staatspolitiek; de staat behar-
tigde en beschermde de belangen der productie als
een staatsbelang. Op het einde der 18e, maar vooral
in de eerste helft van de 19e eeuw wijzigen zich de
meeningen en wordt bescherming beschouwd als een
belemmering van de natuurlijke ontwikkeling van de
voortbrenging. De physiocraten (Quesnay) en de klas-
sieken (Adam Smith, Ricardo, J. S. Mill) bepleiten
de vrijheid van het internationale verkeer. Hun voor-
naamste algemeene argument is, dat dit vrije ruil-
verkeer zal leiden tot een bepaalde arbeidsverdeeling,
waardoor elk land juist datgene zal kunnen vóórt-
brengen, waartoe het door zijn economische ontwikke-
ling en geographische ligging het meest geschikt is.
In de 70er en 80er jaren der 19e eeuw komt de kente-
ring. Was de sterke industrieele ontwikkeling van
enkele landen de groote stoot tot de vrijhandels-
beweging, de in 1873 ingetreden crisis deed een streven
ontstaan naar steun aan het zwaar getroffen bedrijfs-
leven. Een middel daartoe meende men te zien in b.,
waartoe vrijwel alle landen, uitgezonderd Engeland,
overgingen. Na den Wereldoorlog heeft dit streven,
onder invloed der economische omstandigheden, sterk
aan beteekenis gewonnen. Ook Engeland is ten slotte
tot bescherming overgegaan.
Pro en contra. Verschillende argumenten
zijn door de voor- en tegenstanders aangevoerd ter
verdediging van hun inzichten. Vóór bescherming:
1° het List’sche opvoedings-argument. De buiten-
landsche concurrentie zal soms ten gevolge hebben,
dat de in een land bestaande economische mogelijk-
heden niet kunnen worden benut. Om deze tot ontwik-
keling te brengen, bepleitte Fr. List in zijn: Das
nationale System der politischen Oekonomie (1841)
het heffen van tijdelijke rechten. 2° Politieke argumen-
ten, voornamelijk hierop neerkomend, dat een land
moet streven naar een bepaalde mate van zelfgenoeg-
zaamheid. 3° Kosten -argumenten, waarin wordt
betoogd, dat rechten moeten worden geheven ter
compensatie van hoogere loonen en kosten in het
binnenland in vergelijking met het buitenland,
4° Ten slotte wijst men op de noodzakelijkheid van
evenwicht in de betalingsbalans, welk evenwicht door
b. in de hand zou worden gewerkt.
De vrijhandelaren voeren hier tegenover aan:
1° het in- en uitvoerargument, waarin wordt gezegd,
dat elke uitvoer ten slotte slechts mogelijk is, wanneer
daartegenover invoeren staan. Beperkt men den
invoer, dan volgt daaruit automatisch een inkrimping
van den uitvoer. Aan den eenen kant bevordert men
de industrie, maar aan den anderen kant zou men haar
ontwikkeling belemmeren, met name de export-indu-
strie. 2° In verband daarmede voerde men dan aan het
kapitaalargument. Een land beschikt slechts over een
bepaalde hoeveelheid kapitaal. Gaat men nu over totb.,
dan zal dit leiden tot een uitzetting van de productie
voor binnenlandsch verbruik. De beschikbare kapitaal-
hoeveelheid wordt voor een grooter deel aangewend
in deze voortbrenging. Het deel beschikbaar voor de
export-industrie wordt kleiner, m.a.w. er treedt een
verschuiving op, waarbij er evenveel wordt verloren
als gewonnen. 3° Een ander argument, dat in verband
met het eerste w r ordt aangevoerd, is de noodzakelijkheid
van evenwicht in de internationale betalingsbalans,
feitelijk dus eenzelfde argument, als ook wordt aange-
voerd vóór bescherming. 4° Ten slotte wijst men op
de prijsverhoogende werking van invoerrechten.
Immers zou de b. niet prijsverhoogend werken, dan
zou ze haar doel missen. In het algemeen neemt men
dan verder aan, dat die prijsverhooging onvoorwaar-
delijk nadeelig is. Bij de bepaling van ons standpunt
ten opzichte van de b. gaan we uit van de door de
Katholieken gehuldigde leer omtrent de doelstelling
van de staatsgemeenschap. Dat doel is de bevordering
van de gemeenschappelijke weelvaart der leden der
staatsgemeenschap. Die taak is niet louter passief,
beperkt tot het handhaven van een bepaalde
rechtsorde. Zij heeft ook een actief karakter. De staat
moet al die maatregelen treffen, die met het oog op
zijn doelstelling, nl. positieve welvaartsbevordering,
noodzakelijk zullen blijken. Het moge waar zijn, dat
men door invoer uit het buitenland de basis schept
voor een uitvoer, natuurnoodzakelijk brengt dat nog
niet mee de verwezenlijking van die exportmogelijk-
754
Beschermingsmiddelen der dieren.
753
heid. Tegen b. moge worden aangevoerd, dat vrij-
handel, mede als gevolg van de daardoor bevorderde
natuurlijke arbeidsverdeeling, een toename van de
totale voortbrenging in het geheele gebied, waar hij
geldt, bewerkt: daarmede is nog niet bewezen, dat hij
ook de grootste welvaart brengt in elk deel van dat
gebied. Integendeel, het is best mogelijk, dat het
slechts bij die exportmogelijkheid blijft of dat een
bepaald deel van het gebied geheel of ten deele wordt
uitgeschakeld. Zoowel om het eerste te verwerkelijken,
als om het tweede te voorkomen, zal een actieve
handelspolitiek moeten worden gevoerd. Bovendien
zal ook naar het wapen van b. moeten worden
gegrepen, wanneer monopolievorming, dumping of
onrechtvaardige behandeling van bepaalde bevol-
kingsgroepen in het buitenland, de gemeenschappe-
lijke welvaart in gevaar zouden brengen. Voor zuiver
chauvinistische overwegingen is in een dergelijke
politiek geen plaats.
De houding van Nederland ten opzichte van be-
scherming. In het begin der 19e eeuw was de Ned.
handelspolitiek sterk protectionistisch getint. Op
verschillende wijzen heeft koning Willem I getracht
de nationale nijverheid te bevorderen. Naast invoering
van tarieven trof hij maatregelen tot bescherming
van den scheepsbouw, de koopvaardij en de industrie
(differentieele rechten, reserveering van de exporten
der koloniën voor de eigen scheepvaart, financieele
steun aan de industrie, vooral na de afscheiding van
België). In het midden van de 19e eeuw ontstond een
strooming naar vrijheid vooral van de zijde van den
handel. 1845 gaf een tariefherziening, die echter nog
weinig beteekende. Eerst door de afschaffing van de
scheepvaartwetten in 1850 kwam een definitieve
omslag. 14 Maart 1862 werd een nieuwe tariefwet inge-
voerd, waarbij alle rechten werden verlaagd tot 5%
voor afgewerkte en 2 k 3% voor halffabrikaten, terwijl
grondstoffen vrij bleven. Deze rechten hadden vooral
een fiscaal karakter. Na 1862 neemt het streven naar
vrijheid een steeds vasteren vorm aan. Aan pogingen
om deze tendenz naar vrijheid om te buigen heeft het
niet ontbroken. Minister Harte van Tecklcnburg
in 1904 en mr. Kolkman in 1911 deden in dien geest
voorstellen, echter zonder succes. De tariefwet van
1862 bleef, afgezien van enkele technische herzieningen,
practisch tot op heden bestaan. Een poging tot be-
scherming was het schoenenwetje van 1923. In 1917
verhoogde minister de Vries het tarief van 5 op 7%,
waarna Co lijn in 1924 dit bracht op 8%. Dec. 1931
kwam een verhooging tot 10% tot stand, waarop in
1932 opcenten werden geheven. Bij al die verhoogingen
werd in de considerans van de wet gewezen op de
behoeften van ’s lands schatkist, zoodat deze rechten
een fiscale strekking hadden. Dat zij in meerdere
gevallen beschermend werkten, kan niet worden
ontkend. De in de laatste jaren, als tijdelijken
maatregel, in het leven geroepen contingenteeringen
hebben een zuiver beschermend karakter. Na
1850 tot op heden kan men Nederland een vrij-
handelsland noemen. Thans kan men echter aller -
wege, ook in regeer ings-, handels- en financieele
kringen, een wijziging der mceningen ten gunste van
een actieve handelspolitiek constateeren.
L i t. : mr. A. Beaujon, Handel en Handelspolitiek
( 2 1927) ; mr. P. A. Diepenhorst, Actieve Handelspolitiek
(1927); J. E. Vleeschhouwer, Actieve Handelspolitiek
(1928) ; H. A. Kaag, Handelspolitiek (1930).
( 7 . Janssens.
De bescherming in België. In het begin van zijn
onafhankelijkheid was België protectionistisch, zooals
elk land op dit tijdstip. Nochtans was de bescherming
nogal gematigd en toen de gevolgen van de breuk met
Holland zich lieten gevoelen, eischten landbouw en
nijverheid ingrijpender maatregelen. Het land verloor
toen inderdaad belangrijke afzetgebieden; in den loop
van de jaren na 1830 tot 1842 werden de toltarieven
onophoudelijk verhoogd. Maar dit bracht den voor-
spoed in het land niet weer, zoodat de vrijhandels-
gedachten hoe langer hoe meer vat kregen op de open-
bare meening.
De wending ten gunste van den vrijhandel kwam
eerst tot uiting in het jaar 1851, en werd doorgevoerd
in 1861 ten tijde van de handelsovereenkomst met
Frankrijk. In 1860 werden de stedelijke accijnzen
afgeschaft en in 1863 de Schelde vrijgekocht. In den
loop van de tien volgende jaren werden de laatste
overblijfselen van het protectionisme opgeruimd.
Tot aan den wereldoorlog bleef België den vrij-
handel getrouw, al voerde het in 1887 en 1895 eenige
rechten in van zeer gering bedrag op landbouw-
producten.
Na den oorlog (1924) werd het Belgisch toltarief
geheel gewijzigd. Over het algemeen kon de vrijhandel
behouden blijven. Men bespeurde nochtans een zekere
bescherming wat betreft automobielen en schoeisel;
de rechten, gelegd op de landbouwproducten, waren
geringer dan voor den oorlog.
België trof geen enkelen beschermingsmaatregel in
het begin van de crisis (1929). Maar in 1930 beschermde
het de suiker; in 1931 werden de invoerrechten op de
landbouwproducten, in goud-waarde uitgedrukt, tot
op peil van voor den oorlog gebracht. 30 Juni 1931
werd aan de regeering de toelating verleend den invoer
te contingenteeren. In 1932 maakte zij gebruik van
deze toelating en verminderde den invoer van vee,
boter, schoeisel in leder, enz. Alles tezamen genomen
hebben deze maatregelen toch minder omvang gehad
dan die, welke getroffen werden in andere landen.
België heeft steeds volgehouden, dat deze maatregelen
moeten beperkt blijven tot de crisisperiode.
België heeft getracht internationale accoorden uit
te lokken, bestemd om den vrijhandel weer in eere
te herstellen. Het nam een actief aandeel in de bespre-
kingen, die leidden tot het tolbestand van 1930;
het sloot zich aan bij de Overeenkomst van Oslo
(1930). Ten slotte sloot het met Nederland in Juni 1932
de overeenkomst van Ouchy, die tot op heden niet
werd bekrachtigd.
Sedert Mei 1922 maken België en het groothertog-
dom Luxemburg een economische unie uit. Deze unie,
die gesloten werd voor den duur van vijftig jaren,
functionneert heden tot voldoening van beide partijen,
na een ietwat lastige aanvangsperiode. Luxemburg
moest zich aanpassen aan de nieuwe handelspolitiek;
daarenboven deed de depreciatie van den frank ern-
stige moeilijkheden ontstaan. Baudhuin.
Beschermingsmiddelen der dieren. De
manieren, waarop de dieren zich tegen de hun bedrei-
gende gevaren weten te beschermen, zijn velerlei. De
meeste dieren bezitten in de huid, die hun lichaam
omgeeft, een beschutting tegen de uitwendige ongun-
stige invloeden. Bovendien is de huid hiervoor dikwijls
speciaal voorzien van sterke kalkplaten (stekel-
huidigen), van chitinelagen (geleedpootigen), van
hoombedekkingen (gewervelde dieren). Ondersteund
door andere harde bestanddeelen (kalk, kiezel of been)
755
Berschermingsvliegtuig— Beschikking
756
vormen deze beschermende lagen dikwijls een buiten-
ewoon stevige bepantsering. De meeste weekdieren
ebben om hun lichaam een huis gebouwd, waarin
zij zich bij dreigend gevaar kunnen terugtrekken. De
larve der kokerjuffer zoekt uit de omgeving allerlei
materiaal, waarmede zij een koker vormt om daarmede
het weeke achterlijf te omgeven; eveneens zoekt de
heremietkreeft een wulkenschelp, eet het hierin
gehuisveste dier op en gebruikt vervolgens de schelp
om daarin het onbeschermde achterlijf te bergen.
Actief weten vele dieren zich tegen hun vijanden te
beschermen door het bezit van verdedigingswapenen,
zooals tanden, horens, geweien, stekels, angels,
schrikkleuren of klierstoffen, die óf een giftige uit-
werking hebben, óf een zeer onaangenamen geur ver-
spreiden of een walglijke smaak bezitten. Een zeer
eigenaardige wijze van bescherming is de bij verschil-
lende dieren voorkomende autotomie. Zoo is het
bekend van hagedissen, dat zij, bij den staart gegre-
pen, dit lichaamsdeel op daarvoor aangelegde breuk-
plaatsen af breken; van krabben en kreeften is bekend,
dat zij hun scharen of gangpooten gemakkelijk bij de
basis kunnen afbreken, die dan door nieuwe, bij elke
vervelling grooter wordende ledematen worden ver-
vangen. Dikwijls weten dieren zich aan de aandacht
van hun vervolgers te onttrekken door in kleur en
vorm hun omgeving na te bootsen (oneigenl. mimicry).
Uit de vele voorbeelden zijn hier te noemen de blad-
vlinder en het wandelend blad, waarvan de eerste in
rusttoestand een verdord blad, de tweede een groen
blad nabootst, of de spanrups, die een stand kan aan-
nemen, waarin zij bijna niet van een verdord takje
is te onderscheiden. De eigenlijke mimicry (naboot-
sing) bestaat hierin, dat ongewapende dieren in vorm
en kleur gelijken op goed gewapende dieren. Als
typische voorbeelden worden dikwijls aangehaald de
horzelvlinder, de groote houtwesp en de blad wesp
Cimbex variabilis, die, zelf ongewapend, de hoornaar,
zeer gevreesd om haar pijnlijken steek, nabootsen.
Door mimicry zijn de dieren wel tegen toevallige,
niet echter tegen hun natuurlijke vijanden beschermd.
Willems.
Bcschcrmingsvliegtuig, > Vliegtuig.
Bescherming van meisjes en vrouwen,
eigenlijk R.K. Internationale Vereeniging tot Be-
scherming van Vrouwen en Meisjes, met den hoofdzetel
tc Freiburg, tracht vrouwen en meisjes voor gevaren
te behoeden. Taak van de vereeniging: 1° verschaffing
van tijdelijk verblijf; 2° samenkomst voor meisjes van
buiten en van vreemdelingen; 3° plaatsen van meisjes
in gestichten; 4° verwijderen van meisjes uit gevaar-
lijke omgeving; 6° stationswerk; 6° arbeidsbemidde-
ling voor huishoudelijke beroepen. Op hetzelfde terrein
werken: Ned. Vereen, ter behartiging van de belangen
van jonge meisjes, de Middemachtzending, Vereen,
ter bescherming van het Joodsche meisje. F . Eaye.
Bescliey, Balthasar, Vlaamsch schilder
uit de 18e eeuw, rector der Antwerpsche academie en
op lateren leeftijd deken van het Sint Lucasgilde.
* 1708, f 15 April 1776 te Antwerpen. Zijn land-
schappen schildert B. in den trant van Jan Brueghel.
Voorn, werken: Portret v. bisschop Verbroeck
(Antwerpen, St. Jacob); portret v. d. Rchilder Maarten
Jozef Geeraarts (pastel, Antwerpen, museum); bijbelsche
voorstellingen in het museum van Antwerpen en het
stadhuis van Leuven ; allegorieën : de 5 zintuigen (2
doeken : Leningrad, Ermitage). — L i t. : Rooses, De
Antwerpsche Schilderschool (1880). Knipping.
Beschieting, houten betimmering van do ver-
blijven aan boord van schepen.
Beschikbaar mctaalsaldo (e c o n.) heet
het verschil tusschon de werkelijke en de wette lijk
vereischte metaaldekking bij de circulatiebanken.
Beschikken, > Beheeren.
Beschikking. I. Ned. Recht. A) Burg.
Recht. Beschikking is de uitspraak van den
rechter, die niet in den vorm van een vonnis is gego-
ten. B. komen vooral voor bij de zgn. vrijwillige recht-
spraak, of volontaire jurisdictie, waarin de rechter
een hem door de wet opgelegde taak vervult, zonder
dat men kan spreken van beslissing in rechtsgeschillen.
Voorbeeld: benoeming van voogden. Het hooger
beroep van b. moet, tenzij in de wet anders is bepaald,
binnen 2 maanden worden ingesteld, dat van vonnissen
binnen 3 maanden. Witteman.
B) Beschikking in het Ned. Strafrecht is
een beslissing van den rechter, welke niet op de te-
rechtzitting wordt gegeven (art. 138 W. v. Str.). Er
zijn allerlei soorten beschikkingen in verband met de
zaak zelve (art. 250 W. v. Str.), in verband met de
voorloopige hechtenis (art. 63 vlg. W. v. Str.), gege-
ven door de rechtbank, door den rechter-com missar is,
enz - Pompe .
Ter b. van de Regeering stellen is
een zgn. beveiligingsmaatregel, d.w.z. een niet op
vergelding gerichte maatregel, genomen tegen perso-
nen, die zich aan een strafbaar feit schuldig gemaakt
hebben. En wel tegen: 1° minderjarigen
onder 18 jaar. Dezen kunnen — sinds 1905 — onder
bepaalde voorwaarden ter beschikking van de Regee-
ring gesteld worden, uiterlijk tot hun 21e jaar, ten
oinde in hun opvoeding worde voorzien. Deze
opvoeding geschiedt óf in een Rijksopvoedingsgesticht,
óf in een particulier opvoedingsgesticht, óf in een
gezin van pleegouders. Bij de keuze van het particulier
gesticht of de pleegouders wordt rekening gehouden
met den godsdienst van den pupil. De ter beschikking
stelling kan steeds voorwaardelijk of onvoorwaardelijk
beëindigd worden. Vgl. art. 39 bis vlg. W. v. Str.
2° P e r s o n e n, bij wie tijdens het begaan van
het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing
der geestvermogens bestond. Dezen kunnen (sinds 1928)
ter beschikking van de Regeering gesteld worden ten
einde te worden verpleegd. Voorwaarden zijn: a) mis-
drijf of een der bepaald genoemde overtredingen; tot
1936 blijven de overtredingen buiten aanmerking, en
komen in het algemeen de vermogensmisdrijven slechts
in aanmerking bij meervoudige herhaling; b) dat het
belang der openbare orde de ter beschikking stelling
bepaaldelijk vordert.
De duur van dezen maatregel is twee jaar en kan
door den rechter telkens met een of twee jaar verlengd
worden. De verpleging geschiedt in een Rijksasyl,
in een particulier asyl, waarbij rekening gehouden
wordt met den godsdienst van den verpleegde; ze
kan ook in een gezin plaats hebben. Binnen de genoem-
de wette lijke en rechterlijke termijnen kan de ter
beschikking stelling steeds voorwaardelijk of onvoor-
waardelijk beëindigd worden. Vgl. art. 37 vlg.
W. v. Str.
L i t. : mr. C. Feber, De Psychopathenwetgeving
(1932). Pompe .
1 1 . Belg. Recht. A) Burg. Recht. In
burgerlijke zaken en in handelszaken is b. beslissing
van een rechter, die deel uitmaakt van een college,
75T
Beschikkingsrecht — Beschoeiing
758
maar die in sommige gevallen alleen optreedt. Zoo
wordt gesproken van een beschikking van den voor-
zitter der rechtbank in de vrijwillige rechtspraak,
waartegen geen rechtsmiddelen bestaan; ook van
een beschikking (ordonnantie) in kort geding, waar-
tegen beroep kan worden ingesteld (> Kort geding).
In sommige zaken worden bepaalde maatregelen,
b. genoemd, aan een rechter-commissaris opgedragen;
bijv. in zake faillissementen.
B) Beschikking in strafzaken is een beslis-
sing van de Raadkamer (> Strafvordering), waarbij
het vooronderzoek wordt afgesloten. Er zijn drie
soorten beschikkingen; de beschikking van verwijzing,
de beschikking van buitenvervolgingstelling, en de
beschikking van nader onderzoek.
Collin/V. Dievoet.
Ter b. der r e g e e r i n g stellen is een
administratieve maatregel, welke kan genomen worden
ten overstaan van minderjarigen, van gewoontemis-
dadigers en van recidivisten.
1° Minderjarigen. Kinderen, die den vollen leeftijd
van 16 jaren niet bereikt hebben, zijn aan het Straf-
recht onttrokken. Zij kunnen, indien zij een misdrijf
gepleegd hebben, of zoo daartoe andere gronden zijn,
door den kinderrechter ter beschikking van de regee-
ring gesteld worden (Wet van 16 Mei 1912).
2° Gewoontemisdadigers en recidivisten. Het ter
beschikking der regeering stellen is een beveiligings-
maatregel, welke naast de straf mag opgelegd worden
aan recidivisten en gewoontemisdadigers (Wet van
9 April 1930). De ter beschikkingstelling mag uit-
gesproken worden; 1° in geval van wettelijke herhaling;
2° wanneer een misdaad wordt begaan door iemand,
die reeds vroeger werd gestraft met een correctioncele
straf; 3° tegen gewoontemisdadigers. Als gewoonte-
misdadigers beschouwt de wet degenen, die binnen een
termijn van vijftien jaren minstens driemaal een
correctioneele straf hebben opgeloopen, en die tevens
een aanhoudende neiging tot het plegen van misdrijven
vertoonen. De maatregel bestaat hierin, dat de regee-
ring naar goeddunken den persoon, die haar ter
beschikking wordt gesteld, kan opsluiten en verplegen
in een bijzonder gesticht, of in een beperkte of volledige
vrijheid laten.
Tot uitvoering van deze wet werd een bijzonder
gesticht opgericht te Merxplas. De ter beschikking
stelling eindigt: 1° met het verloop van den termijn,
waarvoor zij werd opgelegd; 2° door een beslissing
van het Hof van Beroep, uitspraak doende over de
vraag tot invrijheidstelling van den veroordeelde.
Ook bedelaars en landloopers kunnen ter b. der regee-
ring worden gesteld. > Bedelarij. Collin.
Beschikkingsrecht (N e d.-I n d. R e c h t).
Het b.,niet overal in Ned.-Indië intact gebleven, is
het hoogste zeggingsrecht over grond en water, toe-
komend aan de adatrechtelijke inl. gemeenschappen
(dessa, negari, marga, stam), zich uitend in het vrije
gebruik door de gemeenschap en haar leden (anderen
slechts met toestemming der gemeenschap of tegen
betaling geoorloofd) van de binnen haar rechtsgebied
gelegen gronden en water, recht van toezicht op reeds
ontgonnen gronden, een enkele maal op woonerven,
en een algemeene verantwoordelijkheid voor den goe-
den gang van zaken aldaar. B. Damen.
Beschoeiing, constructie, dienende voor het
keeren van grond, waarbij de vaste stand wordt ver-
zekerd door den weerstand van ingeheide onderdeden
in den bodem en waarbij gewoonlijk tevens een ver-
ankering in den achtergelegen grond wordt toegepast.
Fig. 1 toont de normale constructie van een geheel
uit hout samengestelde beschoeiing. Deze bestaat
uit een rij ingeheide
palen a, afgedekt door
een houten balk, de
deksloof b. Ongeveer
ter hoogte van den
grondwaterstand is
langs de palen een
balk c aangebracht,
de zandstrook of wa-
tergording, waarlangs
de damplanken d zijn
geheid. Van de zand-
strook tot de deksloof
zijn in horizontale
richting de beschoei-
ingsplanken e aange-
bracht. De palen zijn
door de ankers f verankerd aan een ankerstoel, welke
is samengesteld uit twee ankerpalen g, onderling ver-
bonden door een kruishout h.
De constructie van de b. is uiteraard voor allerlei
wijziging vatbaar. Bij geringe hoogte kan de construc-
tie vereenvoudigd worden, bijv. doordat ófwel de
damplanken, ófwel de beschoeiingsplanken vervallen.
Ook komen meer samengestelde constructies voor, bijv.
een beschoeiing met watergebint (fig. 2). Daarbij rei-
ken de palen niet hooger dan de watersloof. Op deze
Fig. 2.
759
Beschot — Beslaan
760
sloof zijn stijlen geplaatst, zgn. opzetters of kubbe-
stijlen, welke zijn afgedekt met de deksloof, en waar-
tegen de beschoeiingsplanken zijn aangebracht. De
kubbestijlen en de watersloot zijn verankerd.
De beschoeiingsplanken, welke het meest aan ver-
wering zijn blootgesteld , vervangt men wel door metsel-
werk. In dat geval wordt voor de kubbestijlen en de
deksloof veelal ijzer toegepast.
Tegenwoordig gebruikt men voor een beschoeiing
vaak gewapend beton of ijzer in plaats van hout. Fig.
3 toont een beschoeiing, bestaande uit een verankerden
ijzeren dam wand. Egelie .
Beschot (t e c h n.), beplanking van een hou-
ten > sluisdeur.
Beschouwing (theol.), > Schouwen; > Con-
templatie.
Beschouwingswijze der economie , >
Economie.
Beschrijvende kromme, rechte (m e et k.).
Kan men een oppervlak laten ontstaan door beweging
van een rechte of kromme lijn, dan noemt men het
oneindig aantal rechten of krommen, die aldus het
oppervlak voortbrengen, beschrijvende rechten, resp.
beschr. krommen. ■> Cylinder; -> Kegel; > Regel-
vlak.
Beschrijvende meetkunde beoogt het uit-
voeren van constructies aan ruimtefiguren. Hieraan
gaat steeds vooraf het afbeelden der ruimtefiguren op
een plat vlak. Dit heeft plaats met de projectiemetho-
den: centrale projectie, perspectief, orthogonale en
scheeve parallelprojectie, axonometrie e.a.
L i t. : dr. Hk. de Vries, Leerboek der b.m. (I 3 1931,
II z 1922) ; eenvoudiger : dr. Hk. de Vries en P. Wijdenes,
Leerboek der b.m. (I 5 1927, II 1925). t?. Kol .
Beschrijvende plantkunde, > Plantkunde.
Beschrijvende psychologie is dat deel der
psycli., dat de concrete psychische verschijnselen of
processen zoo getrouw en volledig mogelijk beschrijft,
daarbij steunend op waarneming en analyse, ten einde
aldus door generalisatie en abstractie der individueele
bijzonderheden tot het wezen van een psych. pheno-
meen, bijv. sensatie, te geraken.
Bijzondere vormen van b. zijn > phenomenologie
en •> geesteswetenschappelijke psychologie.
v. d. Veldt.
Beschuit, zeer luchtig gebak, meestal uit tarwe-
bloem gemaakt, dat tweemaal wordt gebakken
(Fransch: biscuit; Duitsch: Zwieback), en daardoor
droog en bros is.
Beschuitgelei of honingzoet, een in
hoofdzaak uit vet, suiker, aardappelstroop en kleine
hoeveelheden zeep en dubbel koolzure soda bestaande
hulpstof bij de beschuitbereiding.
Beschuttingskolloïd, > Schutkolloïd.
Beselarc of Becelaere, gem. in de prov.
West- Vlaanderen, ten O. van ïeperen; opp. 1 404 ha,
ruim 2 500 inw. Reutelbeek; landbouw; vlasnijverheid.
Kerk met liturgische doopkapel; Duitsche militaire
kerkhoven. B. werd verwoest gedurende den wereld-
oorlog. Vroeger was B. eigendom van de familie Van
de Woestyne, die een belangrijke rol speelde gedurende
de moderne geschiedenis. V . Asbroeck.
Besclcr, Hans Hartwig von, Prui-
sisch generaal der genie, * 27 April 1850, f 20 Dec.
1921. v. B. nam op 10 Oct. 1914 Antwerpen en in Aug.
1915 Nowo Georgiewsk. Hij was daarna gouverneur
van Polen.
Besheide, > Kraaiheide.
Beshuist (Ilex Aquifolium pyramidalis), een
verscheidenheid van hulst, die veel bessen draagt.
Besik Göl, een meer in de laagte ten N. van
Chalcidice (Griekenland). Geen bovcngrondsche af-
watering.
Besitang, rivier, ontspringende op de N.
helling van de G. Bandahara, op de grens van het gou-
vernement Oostkust van Sumatra en Atjeh en Onder -
hoorigheden. Zij mondt uit in de Aroebaai, centrum
van de petroleumwinning. Aan den benedenloop ligt
de gelijknamige plaats. v. Vroonhoven.
Besjestaal moet beschouwd worden in verband
met de oude-menschenpsyche: vasthouden aan eenmaal
aangenomen meeningen, voorliefde voor „den goeden
ouden tijd” der jeugdherinneringen. Voor die oude
dierbare dingen gebruiken ze graag ook oude woorden.
Kinderlijk en vromer geworden, verhalen ze het liefst
aan kinderen, die hun taal wel niet overnemen, maar
ze zich later in innige en gewijde oogenblikken toch
vaak herinneren. Houdt dit soms verband met archa-
ïstisch getinte literaire- en godsdiensttaal ? De syn-
tactische bijzonderheden der b.: korte onaffe zinnetjes,
verliezen van den draad door tusschengevoegde herin-
neringen enz., zijn hiervoor van minder belang. Voor
het verband met andere groeptalen, > Taalkringen.
L i t. : J. v. Ginneken, Handb. der Ned. Taal (I 1913,
540-547). w. Janssen.
Bcsjlr de Groote (ook: B a s j i r), beroemd
emir in Libanon, van 1788—1840. * 1763; f 1850 te
Konstantinopel. Als Mohammedaan geboren, later
tot het Christendom bekeerd. Vazal van Mehmet (of
Mohammed) Ali, onderkoning van Egypte. In 1841
werd hij door de Engelschen opgelicht en naar Malta
gevoerd. " Lousse.
Bcskidcn, > Karpaten.
Beskow, 1° Bernard, Zweedsch dichter,
tooneelschrijver en letterkundig criticus van roman-
tische richting. * 1796 te Stockholm, f 1868 aldaar.
Ook aan geschiedenis, wijsbegeerte en biographie
heeft B. gedaan, maar alleen met zijn historiedrama ’s
leeft hij thans nog voort.
Hoofdwerken: Erik XIV (1826) ; Thorkel
Knutsson (1830). — L i t. : Rydquist, B. v. Beskow
(1870).
2° Els a, geb. Maartmann, Zweedsch
schrijfster van door haarzelf heerlijk geïllustreerde
kinderboeken. * 11 Febr. 1879 te Stockholm.
3° N i 1 s, Zweedsch romanschrijver en Luthe-
raansch predikant. * 14 Sept. 1863, in 1929 tot het
Katholicisme bekeerd.
Werken: Moln som snart g&r öfver (1905) ; Inför
Guts ansikte (1923) ; Guds vagar (1924) ; Liltstecken
och dödstecken (1929). Baur.
Beslaan van paarden. Onder b. verstaat men het
voorzien van de hoefzool met een hoefijzer.
B. is een vak, dat onderwezen wordt aan de militaire
hoefsmidschool en te Utrecht in een cursus van de
veterinaire faculteit der universiteit. Is aan het eind
hiervan het examen met goed gevolg afgelegd, dan
wordt het rijksdiploma als hoefsmid uitgereikt.
Sinds het begin onzer jaartelling past men dit be-
slaan toe. In den tijd dat Assyriërs, Babyloniërs, Per-
zen en Israëlieten het paard als huisdier gebruikten,
was beslaan nog niet noodig, daar het evenwicht
tusschen slijtage en nieuwen groei van den hoef nog niet
door harde wegen verbroken was. Later is dit verband
tusschen hoornslijtage en hoomvorming verstoord,
ook door harden arbeid en men is hieraan tegemoet
761
Beslag
762
gekomen door hoefbeslag, eerst primitief (door de oude
Egyptenaren bijv. met strooken leer, door de Grieken
met sandalen, gemaakt van planten vezels, door de
Romeinen met metalen sandalen). De Kelten hebben
het eerst hoefbeslag met nagels gebruikt en hiervan
zijn er ook in Limburg gevonden. In de late middel-
eeuwen, den riddertijd, werd zeer veel zorg aan het
beslag besteed. Dit was de bloeiperiode van het zware
(Vlaamsche) paard. Toen dit uit de mode raakte, had
men ook niet meer zulk zwaar beslag noodig en na
een verval in de 16e en 17e eeuw, komt het beslaan
weer meer in aanzien, als de eerste veeartsenijscholen
worden opgericht. In dien tijd werden de hoefijzers
alleen met de hand gemaakt, tegenwoordig veelal
machinaal, w T at in vele opzichten te betreuren is, daar
het vak als zoodanig in discrediet komt, terwijl toch
vele hoeven door hun afwijkenden vorm een individueel
hoefijzer noodig hebben. Een voordeel is, dat fabrieks-
ijzers goedkooper zijn en dat men er, zoo noodig (bijv.
te velde) koud mee kan beslaan. Tot nu toe is ijzer het
meest geschikte metaal gebleken, maar ook ander
materiaal wordt gebruikt: aluminium en aluminium-
legeeringen, om het hoefijzer lichter te maken, koper,
goud, zilver, papier, geperst buffelleer, rubber. Al
naar de eischen, die aan het paard gesteld worden,
gebruikt men hoefijzers, verschillend van vorm en
verschillend van samenstelling. Een renpaard zal men
lichter beslaan dan een trekpaard, dat men ijzers met
een zgn. balk geeft en met kalkoenen (het rechthoekig
naar onder omgebogen uiteinde der hoefijzertakken).
Rubberijzers (rubber met ijzer er in verwerkt) hebben
niet voldaan wegens onregelmatige slijtage.
Behalve ijzers worden bovendien ook zolen van
verschillend materiaal gebruikt. Deze worden tusschen
hoefzool en hoefijzer genageld, zóó, dat de zool afzon-
derlijk verwijderd kan worden. Het hoefmechanisme
functionneert beter, het uitglijden wordt tegengegaan
en het ballen van de sneeuw tusschen het hoefijzer
wordt voorkomen. Als bovendien de zool zóó gecon-
strueerd wordt, dat er lucht tusschen zool en hoomzool
kan passeeren, dan wordt rotting tegengegaan. In
oorlogstijd gebruikte men hoefijzers, die voorzien
waren van een scharnier, welke de soldaten zelf kon-
den aanleggen. In de practijk heeft dit niet voldaan;
het hoef mechanisme leed te veel.
O.a. in N. O. Indië worden ook ossen beslagen. Van
ieder been komen slechts 2 klauwen op den grond en
deze worden, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk
van een hoefijzer voorzien (toonstukjes).
Beslag (genees k.), plaatselijke naam voor >
beroerte.
Beslag van paarden, ossen, ezels of muilezels is
het beschermend materiaal, dat onder of om den
hoornen hoef wordt aangebracht, en dat ten doel heeft:
1° de te snelle slijtage van den hoef te voorkomen;
2° het dier te beschermen tegen uitglijden op gladde
wegen; 3° den goeden stand en den goeden gang van
het dier zooveel mogelijk te bevorderen. Zie verder
> Beslaan.
Beslag (bouw k.), metaalwerk, hetwelk dient
voor versterking, versiering, sluiten en afhangen van
bouwonderdeelen .
Bij poorten, deuren en luiken is dit b. dikwerf
ornamenteel uitgevoerd en bestaat uit hengsels,
dekplaten, sleutelplaten, e.a. In koper, zilver of
goud wordt b. bij meubels ter versiering gebniikt,
bijv. in empire-stijl. Thunnissen.
Beslag (Burg. Recht). Algemeen. B. is een ge-
rechtelijke maatregel tot de verzekering van iemands
(vorder ings-)recht tegenover een derde. Doorgaans
omvat het b. twee bedrijven: 1° door een deurwaarder
w T ordt, zoo noodig met behulp van den sterken arm,
de hand gelegd op de zaak, die daardoor aan de vrije
beschikking van den bezitter onttrokken wordt; 2°
door een vonnis wordt het b. van waarde verklaard,
waarna de zaak ten behoeve van den schuldeischer of
van de schuldeischers verkocht w r ordt. De verdeeling
van de opbrengst geschiedt volgens rangregeling of
evenredig met de verschuldigde bedragen, naargelang
er bevoorrechte schuldeischers zijn of niet.
Sommige goederen verklaart de wet, om redenen
van menschelijkheid, onvatbaar voor beslag, bijv. uit-
keer ingen tot levensonderhoud, de onontbeerlijke
kleederen, een deel van het dagloon, het arbeiders -
gereedschap, enz.
Men onderscheidt: 1° conservatoir beslag, 2° execu-
toriaal beslag, 3° revindicatoir beslag. De eerste twee
zijn ingesteld ten behoeve van hem, die, als schuld-
eischer, tegenover een ander, schuldenaar, een op geld
waardeerbare vordering heeft; zij bestaan in de ont-
trekking van een deel van het vermogen des schul-
denaars aan diens vrije beschikking ten einde voor den
schuldeischer de gelegenheid te openen, om zich (door
verkoop van dit vermogensdeel) financieel schadeloos
te stellen.
Conservatoir beslag dient meer bepaald
om den schuldenaar te beletten zijn goederen te „ver-
duisteren” d.w.z. door verkoop of anderszins aan exe-
cutie te onttrekken: dit beslag kan de schuldenaar doen
opheffen door het stellen van voldoende zekerheid
voor de schuldvordering, waarvoor beslag werd gelegd.
Revindicatoir beslag is ingesteld ten be-
hoeve van hem, die een bepaalde zaak, w r elke zich
onder de feitelijke heerschappij van een ander bevindt,
wederom in zijn macht wenschte te krijgen: het bestaat
in de onttrekking van de zaak aan de heerschappij van
den feitelijken houder, teneinde dengene, die haar
wenscht terug te krijgen, in de gelegenheid te stellen
om haar — na verlegen gerechtelijke uitspraak te
zijnen gunste — als eigenaar, als bezitter of als pand-
hebber tot zich te nemen. Het arrest onder derden
neemt een eigen plaats in: tot verzekering of tot be-
taling van zijn vordering op zijn schuldenaar B kan
schuldeischer A beslag leggen onder een derde C,
wanneer deze op zijn beurt iets aan B schuldig is. Na
van waardeverklaring van het arrest door de recht-
bank, zal de derde verplicht zijn om hetgeen B te vor-
deren heeft, niet aan hem, maar aan den schuldeischer
van B, aan A te betalen.
1 ° Ned. Recht, a) Als soorten van conservatoir
beslag onderscheidt de wet: conservatoir b. onder den
schuldenaar; arrest onder derden; arrest onder den
schuldeischer; > pandbeslag voor huren en pachten;
conserv. b. op onroerend goed; maritaal beslag.
Conserv. beslag onder den schul-
denaar (art. 727 vlg. Rv.) mag slechts gelegd wor-
den met verlof van den president van de rechtbank.
Dit verlof wordt niet gegeven dan nadat den president
is aangetoond, dat er gegronde vrees bestaat, dat de
schuldenaar zijn goederen zal „verduisteren”. Binnen
8 dagen na het leggen van het beslag moet de eisch
tot deszelfs van waarde verklaring ingcstcld worden.
Men pleegt tegelijk met dezen eisch ook de hoofd-
vordering in te stellen, waarvoor het beslag gelegd is.
Door het vonnis van waardeverklaring gaat het cons.
beslag over in executoriaal beslag. Wanneer liet geleg-
763
Beslag
764
de beslag niet van waarde verklaard wordt, kan de
besin glegger — „indien daartoe gronden aanwezig
zijn” — jegens den beslagene tot schadevergoeding
veroordeeld worden. Arrest onder derden kan zonder
verlof van de rechtbank gelegd worden. Na deszelfs
van waarde verklaring, die binnen 8 dagen gevraagd
moet worden, zal de derde, C, verplicht zijn, om hetgeen
B van hem te vorderen blijkt te hebben niet aan dezen,
maar aan zijn B.’s schuldeischer A te betalen.
Beslag onder den schuldeischcr.
Wanneer A, die op B. een niet liquide vordering heeft,
door B. uit hoofde van een liquide vordering wordt
aangesproken, kan A zich tegenover B. niet op > com-
pensatie beroepen (art. 1463 B.W.). Er blijft A dan
geen ander verdedigingsmiddel over dan onder zich
zelf beslag te leggen, voor het bedrag, dat hij van B.
meent te kunnen vorderen.
Om misbruik te voorkomen bepaalt de wet, dat hij,
tegen wicn door een ander een vordering wordt inge-
steld, slechts dan onder zich zelf beslag zal kunnen
leggen, wanneer hij ofwel zulks op grond van authen-
tieke bescheiden doen kan, ofwel hiertoe op grond van
onderhandsche bescheiden van den president der recht-
bank verlof bekomen heeft. Het leggen van het beslag
moet dan de tegenpartij beteekend worden. Hierbij
moet deze tevens tot van waarde verklaring gedag-
vaard worden. Het door A onder zich zelf tegen B ge-
legde beslag, belet B de executie van het door hem te-
gen A verkregen veroordeelend vonnis.
Beslag op onroerend goed. Dit wordt
gelegd door een inschrijving van het beslag in de hy-
potheekregisters. Binnen 8 dagen hierna moet de
eisch tot van waarde verklaring ingesteld worden, en,
binnen 14 dagen er na, moet het instellen van deze
eisch ter griffie van de rechtbank geregistreerd zijn.
Bij gebreke hiervan zal de aanteekening der beslag -
legging in de hypotheekregisters kunnen worden
doorgehaaid.
Maritaal beslag. Aldus heet het cons.
beslag, dat een vrouw, die tegen haar man een eisch
van echtscheiding, van scheiding van goederen of van
tafel en bed wil instellen, na verkregen verlof van den
president van de rechtbank kan leggen op de goederen,
die haarzelf toebehooren; zoodanig beslag op de
onroerende goederen van de vrouw is overbodig, omdat
de man toch niet eigenmachtig daarover kan beschik-
ken. Na legging van maritaal beslag hoeft geen eisch
van van waarde verklaring ingesteld te worden, om-
dat het slechts gelegd wordt om te voorkomen, dat,
hangende het proces, de goederen van de vrouw of van
de gemeenschap door den man verspild of weggemaakt
worden (art. 246 B.W.). Door een gelegd maritaal
beslag worden derden -crediteuren niet verhinderd
om voor reeds vroeger ontstane vorderingen op dezelfde
goederen beslag te leggen.
b) Als soorten van executoriaal beslag onder-
scheidt men exec. b. op roerende goederen, op on-
roerende goederen, of op schepen van den debiteur en
exec. beslag onder een derde.
Dit laatste beslag wordt gelegd door beteekening
van het te executeeren vonnis aan den derde (bijv.
een bank), waarbij tevens dezen derde bevel wordt
gegeven om het beslagen goed onder zich te houden.
Het onder den derde gelegde cxcc. beslag moet den
debiteur beteekend worden. Daarna zal de executee-
rende partij den derde-beslagene dagvaarden, opdat
deze verklare wat hij van den debiteur onder zich
heeft of aan hem verschuldigd is en om te worden ver-
oordeeld tot afgifte hiervan aan de executeerende
partij. Voor de geldigheid van exec. beslag op onroe-
rend goed van den veroordeelden debiteur is over-
schrijving van het proces -verbaal der inbeslagneming
in de hypotheekregisters noodig. Voor de beslagleg-
ging op schepen bestaat een aparte regeling (art. 663
Rv.). Hier is voor de geldigheid van het gelegde beslag
inschrijving in de scheepsregisters vereischt.
c) Bevindicafoir beslag heeft een analoge strekking
als conserv. b. en wordt daarom ook veelal als een
soort hiervan beschouwd.
Voor het leggen van revind. beslag is verlof ver-
eischt van den president van de rechtbank. Van ge-
gronde vrees voor verduistering hoeft niet te blijken.
Op straffe van verval van het beslag moet binnen 8
dagen, nadat het gelegd is, een eisch ingesteld worden
van van waarde verklaring. Stoop /V. Dievoet.
Belastingrecht. Indien een belastingschuldige,
die nalatig is de door hem verschuldigde bel. te vol-
doen, geen gevolg geeft aan een hem beteekend dwang-
bevel of dwangschrift, heeft de fiscus het recht op de
wijze, bepaald in het tweede Boek van het Wetboek
van Burg. Rechtsvordering, beslag te doen leggen
op de roerende en onroerende goederen van den
nalatige. Het leggen van beslag inzake dir. bel.,
div. en tantièmebel., accijnzen en wegenbel. ge-
schiedt echter door ambtenaren van de dir. bel.,
enz. — Verzet tegen het gelegd beslag geschiedt
in het algemeen overeenkomstig genoemd wetboek.
De belangrijkste afwijkingen gelden bij de invordering
van de dir. bel., de dividend- en tantièmebel. en de
gemeentelijke bel. Hier worden er eenige genoemd.
Derden, die recht meenen te hebben op in beslag ge-
nomen roerende goederen, kunnen deswege een be-
zwaarschrift indienen bij den directeur der directe
bel. ; belanghebbenden verliezen hierdoor niet de be-
voegdheid het verzet voor den gew T onen rechter te
brengen (art. 16 wet op de invordering. Derden
kunnen echter geen bezwaren inbrengen, indien bepaal-
de in art. 16 w r et op de invordering genoemde goederen,
die zich op den bodem van den belastingschuldige
bevonden, terzake van belastingen (uitgezonderd de
grondbel.) in beslag zijn genomen. (In een in Nov.
1933 ingediend wetsontwerp wordt voorgesteld art. 16
ook van toepassing te verklaren op de invordering
van de accijnzen en daardoor ook op die van de
omzetbel.) De wet op de invordering kent verder
een vereenvoudigd derden-beslag;
art. 7 verplicht nl. bepaalde personen, alsmede houders
van penningen en werkgevers op „vordering” van den
ontvanger de belasting van den schuldenaar, van wien
zij gelden onder zich hebben c.q. aan wien zij loon
verschuldigd zijn, te voldoen, zonder dat zij cenige
verificatie of rechterlijke uitspraak mogen afw : achten.
— Conservatoir beslag is voorzien in
art. 26 successiewet, nl. op de door overlijden geërfde
of verkregen onroerende en roerende zaken. Vgl.
verder > Invordering van directe belastingen. Smeets.
2° Belg. Recht. Voornaamste vormen van beslag
in België: a) Het executoriaal b. in den
eigenlijken zin van het woord: b. door den schuld-
eischer op roerende goederen van den schuldenaar,
ten einde ze te doen verkoopen en den prijs te gebrui-
ken tot betaling van zijn vordering: dit b. is vooraf-
gegaan door een bevel tot betaling, en onderstelt een
uitvoerbaren titel: W. v. B. Rv. art. 583 vlg. Het be-
slag op vruchten te velde (saisie brandon) behoort tot
deze soort: W. v. B. Rv. art. 626 vlg.
765
Beslagen hout — Besluit
766
b) Het b. op onroerende goederen: het
executoriaal b. op onroerende goederen, moet zijn
voorafgegaan door een bevel tot betaling en onderstelt
een uitvoerbaren titel: het is aan ingewikkelde en
langdurige formaliteiten gebonden (wet van 15 Augus-
tus 1854). Ten einde aan die formaliteiten te ontsnap-
pen, kan de hypotheekhoudende schuldeischer be-
dingen , dat het hem, in geval van niet-nakoming der
verplichtingen van den schuldenaar (ontleener), zal
toegelaten zijn het onroerende goed van den schulde-
naar, zonder beslag, bij dadelijke uitwinning te ver-
koopen (zelfde wet, art. 90 — 92).
c) Het arrest onder derden kan ge-
schieden zonder een uitvoerbaren titel, krachtens een
toelating van den voorzitter van de rechtbank. Het
beslag op de som of op het roerend voorwerp in handen
van den derde wordt aan den schuldenaar beteekend,
die, evenals de derde, wordt gedagvaard voor de recht-
bank, ten einde te hooren uitspraak doen over de waar-
de van het arrest en over de afgifte van de som of van
het voorwerp (W. v. B. Rv. art. 557 — 582).
«*) Beslag op renten is afzonderlijk gerege-
geld: de proceduur is ten deele ontleend aan het arrest
onder derden (voor het onder het bereik brengen van de
justitie) en ten deele aan het beslag op onroerende
goederen (voor het verkoopen van de rente) (wet van
15 Augustus 1854).
e) Het conservatoir beslag stricto
s e n s u is het beslag, dat door den eischer, met de
toelating van den voorzitter der rechtbank van koop-
handel, mag worden gelegd op de vreemde goederen
van den schuldenaar-verweerder, waanneer het te vree-
zen is, dat deze, gedurende het proces, en vóór de ten
uitvoerlegging van het vonnis, bedoelde goederen zou
kunnen wegmaken : dit b. bestaat alleen voor de recht-
bank van koophandel (VV. v. B. Rv. art. 417).
I) Het beslag tegen niet ingezetenen
(saisie foraine) is van denzelfden aard (W. v. B. Rv.
art. 822).
fl) Het pandbeslag, aan den verhuurder of
verpachter verleend tot verzekering van zijn pand-
recht op de roerende goederen van den huurder of
pachter, heeft in de eerste plaats een conservatoir
karakter: het kan worden gelegd krachtens een uit-
voerbaren titel of krachtens een toelating van den voor-
zitter der rechtbank (Wet van 16 December 1851, art.
20, 1° en W. v. B. Rv. art. 819 — 825). •> Pandbeslag.
h) Het revindicatoir beslag onderstelt
een toelating van den voorzitter van de rechtbank en
geschiedt voor het overige in dezelfde vormen als het
beslag op roerende goederen (W. v. Rv. art. 826 — 831).
Het behoort o.m. aan den eigenaar, die een roerend
goed verloren heeft of wien een roerend goed ontstolen
w r erd (B.W. art. 2279) en aan den verhuurder, wanneer
de huurder of pachter de roerende goederen, die zich
in het verhuurde pand bevinden, heeft weggemaakt
(wet van 16 Dec. 1851 art. 20, 1°), aan den verkooper
van tegen contant geleverde en niet betaalde roerende
goederen, zoolang die zich in het bezit van den kooper
bevinden (wet van 16 December 1851, art. 20, 5°). Het
b. op schepen is aan bijzondere regelen onder-
worpen (w r et van 1 September 1908).
Stoop /V. Dievoet.
Belastingrecht. Inkomstenbelastingen. Geeft de
belastingschuldige geen gevolg aan het dwangbevel,
door den ontvanger uitgevaardigd, dan wordt over-
gegaan tot beslag door tenuitvoerlegging op zijn meu-
belen en roerende goederen. Dit beslag geschiedt
volgens de voorschriften van Titel VIII Boek V van
het Wetboek van Burgerlijke rechtspleging. Tot het b.
w r ordt overgegaan niettegenstaande elk verzet tegen het
dwangbevel, tenzij de ontvanger bevel geeft verdere
vervolgingen te schorsen. Ten minste acht dagen na de
beteekening aan den schatplichtige van het proces-
verbaal van b., geschiedt verkoop van de in b. genomen
voorwerpen, tot beloop van het bedrag van de verschul-
digde belastingen, de interesten en de kosten.
Beslag op wortelvaste vruchten geschiedt overeen-
komstig de voorschriften van Titel IX Boek V van
het Wetboek van Burg. rechtspleging.
De ontvanger kan eveneens b. leggen op onroerende
goederen. Dit kan echter slechts geschieden, nadat hij.
door tusschenkomst van den Bestuurder der Belas-
tingen, toelating daartoe gekregen heeft van den
minister van Financiën.
Ook kan beslag onder derden gelegd worden. De
bewaarnemers en schuldenaars van den schatplichtige
zijn alsdan gehouden, ter ontlasting van dezen laatste
en tot beloop van de sommen, die zij hem verschuldigd
zijn, geheel of een deel van de achterstallige lasten te
kwijten. (Kon. Besl. 30 Aug. 1920. art. 30 vlg.).
Registratie, zegel, successierechten en Taksen met
het zegel gelijkgesteld.
Het door den vrederechter geviseerd en uitvoerbaar
verklaard dwangbevel geeft aan het Beheer recht om
alle conservatoire en uitvoeringsmaatregelen te treffen.
mit3 inachtneming van de voorschriften door het
Wetboek van Burgerlijke rechtspleging voorzien:
bewarend b.; uitvoerend b. op roerende of onroerende
goederen; b. onder derden; b. op vruchten te velde,
enz.
De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan echter
geschorst wnrdcn door regelmatig verzet met dag-
vaarding op vasten datum voor de Rechtbank van
eersten aanleg (Wet 22 Frimaire Jaar VI I, art. 64).
> Invordering der Belastingen. De Weerdt/Rondou.
Beslagen hout noemt men ronde stammen,
welke geheel of ten deele met de bijl bewerkt (beslagen)
zijn, zoodat daaraan een of meer platte kanten voor-
komen. Van de zgn. juffers is alleen het ondereind
beslagen, de ellens zijn over twee kanten geheel besla-
gen, over de beide andere kanten alleen aan het onder-
einde. Beslagen eiken palen worden hoofd zakelijk
voor w T aterbouw T werken gebruikt. P . Bongaerts
Beslagen palen, > Beslagen hout.
Bcslotenen, > Slot (kloosterlijk'.
Besloten Bof, ontleend aan Cant. 4. 12 en toe-
gepast op Maria of ook op de Kerk, beide „gegrendeld’*
door den Heer, en ontoegankelijk voor bederf en ver-
woesting.
Besloten Hof, naam van een in 1773 opgeheven
Norbert messen -klooster te Herentals; thans bezit
van de Franciscanessen.
Besloten testament, -> Testament.
Besloten tijd, liturgisch tijdperk, waarin de
plechtige huwelijksvoltrekking (behoudens bijzondere
vergunning) niet geoorloofd is. Heden: van den eersten
Zondag van den Advent tot Kerstdag (inbegrepen);
en van Aschw r oensdag tot Paaschzondag (inbegrepen).
Deze laatste periode w r erd reeds voorgeschreven door
de Syn. van Laodicea (4e eeuw), de eerste dagteekent
uit de M. E. (vgl. Kerkelijk Wetb. can. 1108).
Louwersê •.
Besluit in de logica of redeneering is een
gedachtengang, waardoor wij een oordeel uit andere,
ons bekende oordeelen (praemissen) af leiden. Een b.
767
Besluiten — Besmettelijke ziekten
768
heet juist, wanneer deze afleiding volgens de
regels der logica geschiedt; waar, wanneer het
afgeleide oordeel (conclusie) waar is. Een b., dat uit
een of twee waarschijnlijke praemissen een waar-
schijnlijke conclusie afleidt, noemt men een > waar-
schijnlijkheidsredeneering; een b., dat uit ware en
zekere praemissen een ware en zekere conclusie af leidt,
een zekerheidsredeneering of > bewijs. De voornaam-
ste vormen van het b. zijn de > deductie en de
> inductie.
Lit. : J. Th. Beysens, Logica ( 3 1923). F. Sassen.
Besluiten (Recht), > Conclusie.
Besluitenregcering, > Amortisatie -syndi-
caat; > België (Geschiedenis).
Besluitpartij (Beschlusspartei), staatkundige
partij in Hongarije, in 1861 en volgende jaTen onder
Koloman Tisza, die de grondwet van 1848 wederom
als rechtsgeldig wilde verklaren. > Adrespartij.
Besmettelijke ziekten. Hieronder vat men
samen die ziekten, welke van den eenen patiënt op
den anderen kunnen worden overgebracht. De oorzaak
van deze ziekten moet altijd gezocht worden in het
binnendringen van ziekmakende kiemen in het
lichaam, waartegen dit geen of niet voldoende ver-
weermiddelen heeft. Wanneer deze ziektekiemen
van den eenen patiënt op den anderen overgaan,
kan dus ook de ziekte overgebracht worden. Besmette-
lijke ziekten zijn derhalve altijd infectieziekten, d.w.z.
ziekten, die door levende schadelijke organismen
(bacteriën, protozoën of schimmels) veroorzaakt
worden. Het omgekeerde geldt niet, en lang niet alle
door ziektekiemen veroorzaakte aandoeningen zijn
besmettelijk, want de wijze, waarop de ziektekiemen
(en dus ook de ziekte) worden overgebracht, kan soms
van zooveel samenwerkende factoren afhankelijk zijn,
dat overbrenging in werkelijkheid bijna nooit voor-
komt. In het algemeen kan men dus zeggen, dat be-
smettelijke ziekten ziekten zijn, door ziektekiemen
veroorzaakt, waarbij deze min of meer gemakkelijk
van den eenen op den anderen patiënt worden
overgebracht. Sommige ziektekiemen zijn zóó klein,
dat men ze met de beste microscoop niet kan zien
(ultravirus).
De eenvoudigste wijze, waarop de overbrenging
geschiedt, is die van het directe contact (contact-
uifectie), waarbij de overbrengingsmethode zonder
meer duidelijk is en waarbij de gezonde dus in direct
contact komt met den patiënt (handen geven, verple-
gen, zoenen). Er zijn ook menschen, die bacillen m
hun lichaam hebben zonder zelf ziek te zijn (bacillen-
dragers), terwijl zij wel anderen kunnen besmetten.
Bij een aantal infectieziekten worden de ziekte-
kiemen ook door gebruiksvoorwerpen (eetgerei, speel-
goed, boeken, kleeren, enz.) overgebracht, maar over
het algemeen speelt deze besmettingsmethode een
betrekkelijk geringe rol. Slechts bij enkele ziekten,
zooals bijv. roodvonk, moet met deze overbrengings-
methode ernstig rekening worden gehouden. Van veel
grooter belang is besmetting door verontreinigd
voedsel of drinkwater, hetgeen vooral bij cholera nog
al eens het geval is. Ook onder goede hygiënische
omstandigheden ziet men af en toe epidemieën van
febris typhoidea ontstaan na het gebruik van melk,
die met typhusbacillen besmet is. Meestal zijn het
drinkwater of de melk besmet, doordat ze in contact
zijn gekomen met zieken of hun uitwerpselen.
Een derde wijze, waarop de besmetting kan overgaan,
is door de lucht en wel door inademing van lucht,
die stof- of waterdeeltjes bevat met ziektekiemen er in.
Zoo neemt men aan, dat tuberculose overgebracht
kan worden door inademing van lucht, die veront-
reinigd is met geïnfecteerde vochtdnippeltjes, afkom-
stig van hoestende tuberculose-patiënten. Ook bij
miltvuur, pest en andere ziekten kan de infectie door
de lucht worden overgebracht.
Weer een andere wijze van overbrenging is die door
insecten, zoo wordt bijv. de ons overigens onbekende
verwekker van de vlektyphus overgebracht door
kleerluizen; wanneer men uit de omgeving van een
lijder aan die ziekte alle kleerluizen verwijderd houdt,
verspreidt deze patiënt de ziekte bijna nooit verder,
want andere overbrengingsmethoden spelen bij deze
ziekte een ondergeschikte rol. De malaria wordt uit-
sluitend verspreid door een bepaald soort mug, die
bij een malaria-patiënt bloed zuigt, daardoor zelf
besmet wordt en de ziekte overbrengt, wanneer zij
een ander mensch steekt. Daarom bestaat de bestrij-
ding van de malaria in hoofdzaak uit het verdelgen
van de muggen (voldoende is natuurlijk die eene soort),
waardoor de ziekte niet verder kan worden over-
gebracht.
Zoo heeft bijna iedere besmettelijke ziekte een
bepaalde wijze, waarop zij wordt oyergebracht en de
kennis hiervan opent de mogelijkheid om de versprei-
ding van deze ziekten tegen te gaan.
De besmettelijkheid van een ziekte is, behalve van
het soort ziektekiem en van de overbrengingsmethode,
ook afhankelijk van de gevoeligheid van de personen
uit de omgeving van den zieke voor die ziekte. De
gevoeligheid voor diphtherie bijv. wisselt zeer sterk
en het is duidelijk, dat, wanneer de omgeving van een
diphtherielijder ongevoelig is voor die ziekte, de kans,
dat die ziekte verder overgebracht wordt, zeer veel
geringer is. , ,
Bij de tuberculosebesmetting speelt de weerstand
van het lichaam een groote rol; een wijze om den
lichaamsweerstand bijzonder te verhoogen is de onvat-
baarmaking (immunisatie) tegen bepaalde ziekten
door middel van inentingen (pokken, roodvonk,
diphtherie, cholera, typhus, tuberculose).
Verschillende infectieziekten zijn maar onder
bepaalde omstandigheden besmettelijk. Bijv. iemand
met steenpuisten kan zeer wel bij minder goede
hygiënische omstandigheden iemand in zijn- omgeving
met dezelfde ziekte besmetten, wanneer d e persoon
althans voor den verwekker van steenpuisten gevoelig
is. Omdat zulks echter maar betrekkelijk zelden het
geval is, spreekt men bij steenpuisten niet van een
echte besmettelijke ziekte en er zouden veel voorbeel-
den op te noemen zijn, waarbij de besmettelijkheid
maar een zeer betrekkelijke is. Een scherpe grens of
klassificeering is dan ook in vele gevallen niet moge-
^ Bi oude tijden werden de verwoestende epidemieën
aan bovennatuurlijke oorzaken toegeschreven. Circa
400 jaar v. Chr. verkondigde de Grieksche arts Hippo-
crates voor het eerst de meening, dat deze ziekten
aan natuurlijke oorzaken zouden zijn toe te schrijven
en dat de (levenlooze) ziektestoffen zich in de lucht
bevonden. Eerst in de 17e eeuw n. Chr. kwam men,
vooral door den arbeid van den Jezuïetenpater Athana-
sius Kircher (1660), op de gedachte, dat de ziekten door
onzichtbare levende wezens zouden kunnen verwekt
worden, terwijl de Delf tenaar Anthonie van Leeuwen-
hoek omstreeks 1675 voor het eerst de bacteriën zelf
waarnam en bestudeerde. De volle beteekenis dezer
769
Besnard— Besnijdenis
770
uiterst kleine levende wezens met betrekking tot de
verschillende infectieziekten werd echter eerst in de
tweede helft der 19e eeuw in het licht gesteld door de
onderzoekingen van Pasteur, Robert Koch, Lister en
anderen.
In alle landen bestaan wettelijke bepalingen om
het verspreiden van besmettelijke ziekten tegen te
gaan. In Nederland is deze materie geregeld in de
Besmettelijke-ziektenwet van 21 Juli 1928, Stbl. 265,
krachtens welke twee groepen van besmettelijke ziekten
worden onderscheiden nl. groep A, welke omvat
-> exotische ziekten: pest, cholera, variola major
(pokken), gele koorts, vlektyphus en febris recurrens;
groep B, welke > endemische ziekten omvat, zooals
roodvonk, diphtherie, febris typhoidea, paratyphus,
enz. De wette lijk voorgeschreven maatregelen bij het
optreden van ziekten van groep A zijn van veel verder
strekkenden aard dan die voor groep B.
Van de belangrijke en gevaarlijke besmettelijke
ziekten moet de behandelende geneesheer aangifte
doen aan den burgemeester of de door dezen aange-
stelde diensten (bijv. geneeskundige dienst) en verder
aan den inspecteur van het Staatstoezicht op de volks-
gezondheid. Dezen nemen dan zoodanige maatregelen,
dat de uitbreiding van de ziekte kan worden voor-
komen. Wyers/Eyckel
In België onderscheidt men, zooals in Nederland,
twee groepen van besmettelijke ziekten; de eerste
groep omvat cholera, variola, pest, vlektyphus en
febris recurrens ; de tweede groep omvat febris typhoi-
dea, paratyphus, bacillaire dysenterie, nekkramp,
roodvonk, encephalitis lethargica, kraamkoorts en
rabies. Krachtens de besmettelijke-ziektenwet van
18 Juli 1831 en verschillende Koninklijke Besluiten
moeten de geneesheeren de gevallen van de
ziekten van de eerste groep telegraphisch en ten
laatste binnen de twaalf uren ter kennis brengen
van den inspecteur der Sanitaire-omschrijving en van
den burgemeester. Bij het optreden van ziekten van de
tweede groep werd door verschillende Koninklijke
Besluiten aan de geneesheeren gevraagd de gevallen
binnen de 24 uren ter kennis te brengen van den
inspecteur der Sanitaire-omschrijving. De aangifte
moet de volgende inlichtingen verstrekken: adres van
den patiënt, datum, waarop de ziekte vastgesteld
werd, ouderdom en beroep van den patiënt en, indien
het een kind betreft, de school, die door den patiënt
bezocht werd. Eeymans.
Besnard , A 1 b e r t, Fransch schilder en gra-
veur. * 1849 te Parijs. Leerde eerst bij zijn vader, die
leerling van Ingres was en zijn moeder, een niet onver-
dienstelijk miniaturiste. Studeerde daarna te Parijs
met Cabarel bij Jean Bremond. Na een verblijf in
Italië huwde hij met de beeldhouweres Charlotte
Dubray. Zijn licht-impressionisme en zijn nieuwe
manier van decoreeren (vestibule van de Ecole de
Phannacie te Parijs) riepen bij zijn tijdgenooten
levendige critiek wakker. Naast zijn decoraties zijn
de portretten en dierenstudies (paarden) nog van
belang.
Voorn, werken: De Caryatiden (Brussel, museum);
De zich verwarmende vrouw (Parijs, Musée du Luxem-
bourg) ; decoraties in de Ecole de Pharmacie, de nieuwe
Sorbonne en het Hotel de Ville van Parijs. — L i t. :
Mourey, A. B. (1906) ; Lecoute, A. B. (1915) ; Coppier,
L’oeuvre de guerre d’A.B. (1919) ; idem, L’oeuvre
gravée de B. (1921) Knipping.
Besnijden (van hoeven) vindt plaats, omdat de
hoomrand van den hoef vlugger aangroeit dan afslijt.
Toen de paarden nog geen hoefijzers droegen, was de
groei vrijwel evenredig met het afslijten. Door den
aanleg van verharde wegen sleten de hoeven echter zoo
vlug af, dat men ze ging beslaan. Wanneer een ijzer
afgesleten is, wordt het afgenomen en vóór nu een
nieuw ijzer wordt ondergelegd, worden eerst de hoom-
rand en de zoolwand van het doode, losse hoorn ont-
daan, zoodat men weer een goed draagvlak krijgt,
waarop het nieuwe ijzer bevestigd kan worden. Voor b.
gebruikt men speciale messen, die men renetten
noemt.
Besnijdenis , een chirurgische bewerking, welke
men bij vele volkeren aan de geslachtsdeelen voltrekt.
Bij de mannen kan de b. op drie wijzen geschieden:
door circumcisio, incisio en subincisio. De meest
voorkomende is de circumcisio, welke bestaat in het
wegnemen der voorhuid. De b. in algemeenen zin
komt bij vele natuurvolken van Azië, Afrika, Amerika
en Australië voor; soms wordt zij ook aan vrouwen
voltrokken. Gewoonlijk gaat de b. met een feestelijk-
heid gepaard. De oorsprong wordt verschillend ver-
klaard. Men zoekt den grond der b. in hygiënische
motieven, of beschouwt ze als een behoedmiddel
tegen sexueele gevaren, als een proeve van moed,
als een heiliging van het geslachtsleven of als middel
tot verhooging van den zinnelijken lust.
Bij de Israëlieten werd de b. alleen aan mannen
voltrokken, en enkel als circumcisio. Elk mannelijk
kind werd op den achtsten dag na de geboorte besneden.
De b. werd door God aan Abraham en zijn afstamme-
lingen opgelegd als een godsdienstige plechtigheid
(Gen. 17). Zij was het teeken van het verbond tusschen
God en de Israëlieten. Daardoor werd de Israëliet
ingelijfd in het Joodsche volk, kreeg hij deel aan zijn
voorrechten en nam hij de verplichtingen der wet op
zich. Zij moest den Israëliet herinneren aan den
plicht, zijn hart te besnijden, d.w.z. van boosheid
te reinigen (Deut. 10. 16; 30. 6; Jer. 4. 4; Rom. 2. 29).
Zij was een voorafbeelding van het Doopsel (Col. 2. 11).
In het nieuwe Verbond werd de b. afgeschaft (Act. 15.
1 — 20; Hebr. 8. 13) en daarmede ook de verplichting
van de ceremonieele wet der Joden (Gal. 6. 3). Enkele
sekten, zooals de Nestorianen en Abessinische Chris-
tenen, behielden de besnijdenis.
L i t. : E. Kalt, Biblisches Reallexikon (Paderbom
1931) ; M. Buchberger, Lcxikon für Theologie und
Kirche (Freiburg i. Br. 1931). Keulers.
Als Oud -Arabische volksgewoonte is de besnijdenis
ook in den Islam overgenomen. Daar zij niet in den
Koran vermeld wordt, heerscht er meeningsverschil
onder de wetgeleerden over de vraag, of de besnijdenis
voor den Mohammedaan verplicht is of slechts aan-
bevelenswaardig. De Sjafiitische School, die zich
hierin aansluit bij het oordeel van de massa, welke
de besnijdenis — eigenlijk ten onrechte — beschouwt
als een van de voornaamste onderscheidingsteekenen
van de Mokammedaansche gemeente, stelt haar
verplicht, doch laat vrijheid ten aanzien van den tijd,
waarop zij verricht dient te worden: als geschikt wor-
den genoemd de zevende dag, de veertigste dag, het
zevende levensjaar of het intreden van de puberteit.
Zij dient ook bij meisjes verricht te worden; bij haar
wordt een deel van de voorhuid der clitoris of de
geheele clitoris weggenomen, ook wel de kleine schaam-
lippen, en geschiedt deze operatie meestal op vrij
jeugdigen leeftijd. De besnijdenis wordt in de heele
IV.
25
771
Besoeki — Bespiegelingen
772
Mohammedaansche wereld feestelijk gevierd, voor
jongens meer dan voor meisjes. De wetstermen zijn
chitan voor jongens en chafd voor meisjes. In den
Jndischen Arcliipel, waar men de Sjafiitische School
volgt en dus de besnijdenis verplicht acht, noemt men
haar niettemin vaak soennat = vroom gebruik. >
Mishandeling; > Godsdienst. Berg .
Besnijdenis des Heeren, Lat. Circumcisio Domini,
feest gevierd op den eersten Januari (Lc. 1. 21), in
de Gallieaansche liturgie reeds in de 6e en 7e eeuw,
sinds de 9e ook in Rome, waar tevoren op dien dag,
reeds in de 5e eeuw, een octaafsfeest werd gevierd
van Kerstmis, dat als oudste Mar iaf eest wordt geteld.
In Gallië en in Spanje was het tevens een boetedag
met vasten en processies, wegens de ergernissen der
heidensche viering van den aanvang van het jaar.
bouwree.
In de kunst komt de besnijdenis van Christus
eerst laat voor. In het Oosten oudste voorst, in het
Menologium van keizer Basilius II (begin 11e eeuw);
in het Westen op het Antipendium van Klostemeu-
burg (12e eeuw), in een Antiphonarium van Salzburg
(13e eeuw): Jesus op Maria ’s arm. de priester staat
gereed de b. te verrichten. In de latere middeleeuwen
vaker (in verbinding met tafereelen uit Jesus’ kinds-
heid) op Gotische altaarstukken. Zoo ook bij dc Ned.
primitieven (Hugo van der Goes; bij Joost van Calcar
geschiedt de b. boven een soort doopvont). Soms is
zeer moeilijk uit te maken of b. ofwel opdracht
bedoeld is. In de kunst der Contra-Reformatie
wordt vaak het besnijden zelf voorgesteld; het onder-
werp is dan ook niet zoo zeldzaam meer (Rubens).
L i t. : Kiinstle, Ikonographie der christl. Kunst
(I 1928, 353 vlg.); Smits, Iconografie v. d. Ned. Primi-
tieven (1933, 60 vlg.). Knipping
Bcsocki , afdeeling (residentie),
provincie Oost-Java, omvat de regentschappen
Bondowoso, Panaroekan, Djember en Éanjoewangi.
Opp. 10 136,9 km 2 ; hiervan zijn 235 909 ha droge en
154 716 ha natte (sawah) bouwvelden der lnlandsche
bevolking. De vorm van het Inlandsch grondbezit
is uitsluitend erfelijk individueel. Het Janggebergte in
het N.W. met den Argopoero (3 086 m) als hoogsten
top, het Idjèngebergte (Merapi 2 796 m) en het Ken-
denggebergte (Raoeng 3 330 m) in het Oosten, met
het heuvelland van Zuid-Djember in het Z.O. omslui-
ten een vruchtbare vallei. In deze vallei, alsmede
langs de Noord- en langs de Oostkust woont in hoofd -
zaak de lnlandsche bevolking. In het Z.W. strekt zich
een vlakte uit, welke in den laatsten tijd door verbe-
tering van de afwatering en den aanleg van irrigatie-
werken sterk in bevolking toenam. De bevolking
teelt rijst, maïs en tabak. De ondernemingscultuur:
suiker, tabak, koffie en mbber is sterk ontwikkeld.
Het aantal erfpachtsperceelen is 96 tot een totaal
oppervlak van 118 700 ha. In 1931 werkten 12 suiker-
fabrieken, die van 15 355 ha aanplant 2 029 104
quintalen suiker produceerden. Eind 1930: 5 293
Europeanen, 2 050 730 Inlanders, 21151 Chineezen
en 4 693 andere Vreemde Oosterlingen, in totaal
2 081 867 zielen; bevolkingsdichtheid is 202 per km 2 .
De inheemsche bevolking is gemengd Madoereesch-
Javaansch; men spreekt er Madoereesch en Javaansch.
Kerkeli.k behoort B. tot de apost. prefectuur van
Malang onder leiding der pp. Karmelieten. Een
vaste statie te Djember met pastorie, Zusterhuis,
scholen, enz. Statie te Bondowoso in voorbereiding.
Inl. kerkjes o.a. in Banjoewangi. Naar de voor-
namere plaatsen hebben geregeld dienstreizen plaats.
Brokx.
Besogne, Groot, vereenigde vergadering van
wetgevend lichaam, ministers en staasraad met het
staatshoofd van de Bataafsche Republiek, den raad-
pensionaris Schimmelpenninck. Kwam in April en
Mei 1806 te Den Haag enkele malen bijeen om te be-
raadslagen over de houding, w T elke men zou aan nemen
tegenover Napoleon ’s voornemen om Lodewijk Napo-
leon hier koning te maken. Ondanks het verzet van
Schimmelpenninck was het einde, dat een deputatie
te Parijs gedwee om Lodewijk Napoleon ’s koningschap
ging vragen, welk nederig verzoek genadiglijk werd
toegestaan. Verberne.
Besolii, plaats met kopermijnen op het Japansche
eiland Sjikokoe, 20 km van de kust van de Binnenzee;
1 200 m boven zee.
Besoigne, J é r o m e, Jansenistisch theoloog,
* 1687 te Parijs, f 25 Jan. 1763; gaf talrijke werken
uit, waaronder de bekende Histoire de 1’abbaye de
Port-Royal (6 dln. Keulen 1752). en Vies des quatre
éveques qui sont engagés dans la cause de Port-Royal
(2 dln. Keulen 1756).
L i t. : Rondet, Mémoire sur la vie et les ouvrages de
J. Besoigne (Parijs 1763). de Meyer.
Besolri, G., medicus. De bij physisch onderzoek
(percussie en auscultatie) der longen gevonden afwij-
kingen kunnen graphisch voorgesteld worden. B.
beschreef zulk een stelsel, hetwelk door de Ned.
tuberculose-artsen in het algemeen gevolgd
wordt.
Besommen, opbrengen, in het bijzonder bij de
visscherij gebruikt bij de opbrengst van één vangst;
bijv.: stoomtreiler Sch. 225 besomde bijna 3 000 gld.
Besoyen, > Bezooien.
Bespieder (Belgisch Recht). Als b.
w'orden aangezien militairen of vermomde burgers,
die in plaatsen binnen dringen, welke een militair
belang opleveren, met het oogmerk om zich beschei-
den of inlichtingen te verschaffen in het belang van
den vijand (art. 17 en 18, Wet van 27 Mei 1870).
Collin.
Bespiegelingen . „Bespiegelingen over Godt en
Godsdienst. Tegens d’ongodisten, verlochenaars der
Godtheit of Goddelijke Voorzien igheit”, een der groote
godsdienstige leerdichten van Joost van den Vondel,
waarvan hij in 1659 het tweede (over het mysterie
der Allerheiligste Drieëenheid) in het licht gaf. Vol-
ledig verscheen het in vijf boeken in 1662 bij de Wed.
Abr. de Wees. Vondel geeft een poëtische uiteenzetting
van de Scholastieke beginselen omtrent de Godsleer.
Het eerste boek brengt de bewijzen voor het Gods-
bestaan, het tweede Gods kenmerkende eigenschappen,
het derde de werken van God, het vierde betoogt het
recht van bestaan van den godsdienst, het vijfde toont
de noodzakelijkheid van een geopenbaard en, in
het bijzonder van den Christelijken godsdienst
aan.
Üitg. : Amsterdam 1662; Rotterdam 1700; Am-
sterdam 1723, en in de groote 19e- en 20e-eeuwsehc
uitgaven van Vondel’s Werken — L i t. . p. fr. J. V. de
Groot O.P., Vondel in zijne Bespiegelingen (Amsterdam
1879) ; Al. Baumgartner, J. v. d. V. (Freiburg i. Br.
1882, 269 vlg.), ook in Stimmen aus Maria-Laach (1880),
een Ned. vert. hiervan door „A. Th. H.” met voorw.
773
Bespotten — Bessel
774
van prof. Alb. Thijm (A’dam 1886, 240 vlg.) ; G. Brom,
V/8 Bekering (119 vlg.) ; J. J. G. Boelen S.L, Vondel-
studiën (4 dln. 1906); De Beiaard (jg. 6, I, 440 vlg.,
jg. 7, I. 207 vlg., jg. 8, I, 456 vlg.) ; in de uitg.-Diferec
(VI, 271 vlg., met inleiding door p. J. Zey S.J.).
Piet Visser.
Bospol ten (Lat. irrisio), door woorden of gebaren
de aandacht vestigen op gebreken van een persoon,
om er mede te doen lachen of hem beschaamd te
maken. Kan een zonde zijn tegen de rechtvaardigheid
(wanneer men er schade door berokkent in eer en
goederen) en tegen de naastenliefde. De graad van
boosheid zal vooral afhangen van de eer, die men
verschuldigd is aan den persoon, waarmede men spot.
Zoo is het zeer groot kwaad te spotten met God en
heilige zaken, wat tevens een soort godslastering is.
Groot kwaad is ook het bespotten zijner ouders (tegen
de deugd van pietas), en het bespotten van vrome
personen of van de deugd (omdat het velen van de
vroomheid en de deugd aïhoudt). In sommige gevallen
zal het echter geen kwaad zijn, eerder zelfs een deugd-
zame daad (herleid tot de deugd van eutrapelia),
wanneer het namelijk geschiedt bij wijze van scherts
of al gekscherend, en het gaat over kleine gebreken,
en daarbij de maat niet overschreden wordt; wordt de
maat overschreden en is het den naaste zeer onaan-
genaam, dan zal het gewoonlijk een zonde tegen de
naastenliefde inhouden.
L i t. : S. Thomas, Summa theologica (Ha Ilae, q.
72 a. 2 ad 1 ; q. 75). A. Janssen.
Bespreken > Belezen.
Besproeien, > Spuit.
Besredka, > Cultuur (voedingsbodem).
Bessarahië (Roemeensch Basarabia ( Roe-
meensche hospodarengeslacht Basarab), de meest
N.O. provincie van Roemenië, tusschen Proeth en
Dnjestr; 44 420 km 2 met 2 865 506 inw. (1930), dus
65 per km 2 . Het midden en N. is heuvelachtig, het Z.
(Boedsjak) vlakker en zeer vruchtbaar. Slechts 7%
van B. is met bosch bedekt, vnl. in het midden.
Landbouw is hoofdmiddel van bestaan; tarwe,
maïs, gerst, haver, tabak en wijn. De bevolking bestaat
uit Roemenen (60%), Russen (vnl. Oekraïners in liet
Z., 15%), Joden (10%), Bulgaren (5%) en Duitschcrs
(3%). De economische ontwikkeling van B. wordt
zeer geremd door de slechte verkeerswegen: weinig
spoorwegen; van de waterwegen is alleen de Proeth
te gebruiken, het verkeer op de Dnjestr is onmogelijk
door het conflict tusschen Roemenië en Rusland; de
havens (Cetatea Alba, Ismaël en Chilia Noua) zijn
ondiep. De hoofdstad Chisinau telt 117 016 inw.
(1930). Hoek.
Geschiedenis. Bcssarabië vormde gedurende de
laatste eeuwen den twistappel tusschen Turkije, later
Roemenië, en Rusland. In 1357 behoorde het aan
Moldavië, in 1700 aan Rusland, in de tweede helft
van de 18e eeuw aan Turkije, in 1812 aan Rusland,
van 1856 — ’78 gedeeltelijk aan Rusland en sinds 1878
(Congres van Berlijn) geheel aan Rusland. In het be-
gin van den Wereldoorlog beloofden de Centrale Mo-
gendheden Bessarabië aan Roemenië, indien het hun
zijde zou kiezen; hoewel Roemenië de andere partij
koos, bezette het tijdens de Russische revolutie B.
In 1918 sprak een deel der bevolking zich uit voor
aansluiting bij Roemenië, hetgeen door het Verdrag
van Parijs (28 Oct. 1918) bevestigd werd. Sovjet-
Rusland heeft deze annexatie nooit erkend en daardoor
is de toestand tusschen Rusland en Roemenië steeds
gespannen gebleven. De oprichting der Sovjet-Repu-
bliek Moldavië aan de overzijde van den Dnjestr heeft
tot doel in B. vijandschap tegen Roemenië op te
wekken, alsmede separatistische neigingen bij de be-
woners van B. te kweeken.
Lit. : Babcl, La Bessarabie (1926); Uhlig, Die
Bessarabische Fragc (1926). «>. Son.
Bessarion , B a s i 1 i u s of J o h a n n e s,
kardinaal, voorn. Grieksche geleerde en schrijver der
15e eeuw, Humanist, ijveraar voor de hereeniging der
Kerken. * ca. 1400 te Trapezont, f 1472 in Ravenna.
B. studeerde in Konstantinopcl, werd 1423 Basilianer-
monnik, 1431 priester. In Morea had hij enorm succes
als gewijd redenaar en verdiepte hij zich tevens in de
philosophie van Plato. 1437 aartsbisschop van Nicea.
Als zoodanig woonde hij het Alg. Concilie van Flo-
rence bij, waar hij eerst voor de Grieksche Kerk op-
kwam, maar weldra vurig ijverde voor de Unie met
Rome en de krachtige bekwame bestrijder was van
den onverzoenlijken Marais van Ephese. Hij keerde
na het Concilie naar zijn vaderland terug, maar de
bevorderaars der Unie werden daar zoo slecht behan-
deld, dat hij nog hetzelfde jaar 1439 weer naar Italië
trok en daar zijn verder leven bleef. Paus Eugenius IV
creëerde hem tot kardinaal (1439). Tweemaal was hij
candidaat bij de pauskeuze (1455 en 1471). In 1463
werd hij Latijnsch patriarch van Konstantinopel be-
noemd, maar bleef in Italië, want zijn ideaal: kruis-
tocht tot herstel van het Byzantijnsche Rijk ging niet
n vervulling. Afgezien van enkele politieke zendingen
wijdde hij zich aan de studie. Tegen Georgius van
Trapezunt verdedigde hij de leer van Plato. Aristoteles
en Plato hebben beiden hun dwalingen en beiden hun
verdiensten, maar bij Plato vindt hij minder tegen-
spraak en duisterheden, meer overeenkomst met onze
leer over God, schepping, oorsprong der dingen, on-
sterfelijkheid der ziel. Zijn uitgebreide, waardevolle
bibliotheek schonk hij nog bij zijn leven aan Venetië,
omdat daar, zooals hij aan den doge schreef, het meeste
Grieksche intellect te zamen kwam. Zijn grootste eere-
titel blijft zijn ijveren voor de hereeniging, die wel tot
stand kwam op het Concilie van Florence, maar helaas
van korten duur was.
Werken; philosophisch: Latijnsche vert.
van Aristoteles en Thcophrastus ; twee geschriften over
Plato tegen Georgius van Trapezunt ; theologisch:
redevoeringen op het Concilie van Florence, vooral ter
verdediging van het Filioque (de H. Geest komt uit
Vader én Zoon voort) ; tractaten over hetzelfde onder-
werp, ook een over de Consecratiewoorden der H. Eucha-
ristie ; een epistola catholica aan de Grieken om hen aan
te sporen tot erkenning van Rome ; ascetisch:
een compendium der ascetische geschriften van S. Basi-
lius den Grooten. — U i t g. : Migne Patrol. Graeca
(CLXI ; onvolledig) ; vert. der Metaphysica van Arieto-
teic« in de A. -uitgave van Berlijn (1831); brieven en
andere werkjes in het Gr. tijdschrift Neos Hellènom-
nèmoon (1904 vlg.). — Lit.: Mohler, Kardinal B. als
Theologe, Humanist und Staatsmann (2 dln. 1923 — ’27) ;
Dict. Théol. Cath. (II, 801-807); Lexikon f. Theol.
Kirche (11 1931, 247 vlg.); Ehrhard in Krumbachers
Gesch. d. Byzantin. Liter. ( 2 1897, 117 vlg.).
Franses.
Bcsseboom, > Aalbes.
Bossocjes, Fransche stad in het arr. Alais, dept.
Gard (44° 20' N., 4° O.); 7 060 inw. (1926). Stccnkool-
en ijzermijnen; hoogovens, glasblazerijen.
Bessol , 1° Friedrich Wilhelm,
Duitsch sterrenkundige; * 1784 te Minden, f 1846 te
775
Besseleers — Bessemer-proces
776
Bessemer-peer. a. Persluchtleiding', b. Luchtkanalen, c. Chamotte-oven-bekleeding.
Koningsbergen. Was eerst in den handel werkzaam,
legde zich uit liefhebberij toe op astronomische bere-
keningen en later
ook op waarne-
mingen. In 1810
wordt B. directeur
van de nieuwe Ko-
ningsberger Ster-
renwacht en prof. in
de astronomie. B.
had een buitenge-
woon waamemings-
talent, waarbij voor-
al de gebruikte
instrumenten zeer
nauwkeurig werden
onderzocht. Deze
onderzoekingen heb-
ben blijvende waar-
de. Zijn instrumen-
ten waren vooral meridiaancirkel en heliometer. B. be-
werkte oude waarnemingen van Bradley, mat de eerste
stcrparallax en leidde samen met Baeyer de Oost-
Pruisische graadmeting. •> Besselsche functies.
Bruna.
2 ° W a s s i 1 i, Russisch uitgever van muziek;
* 1843, f 1907. De in 1869 opgerichte firma Bessel
heeft de werken van de voornaamste Russische com-
ponisten uitgegeven.
Besseleers , Clemens, gaf verzenbundels
uit, o.a. In schaduwen van Dood (1912). * 1889 te
Sin&ai.
Besseler, H e i n r i c h, Duitsch musicoloog,
F. W. Bessel.
* 2 April 1900, sedert 1928 prof. te Heidelberg. Specia-
list op het gebied der middeleeuwsche muziek. Geeft
de volledige werken van Dufay uit.
Besselsche functies. De differentiaalvergelij-
king van Bessel luidt: (x 2 d 2 y/dx 2 +x dy/dx+(x 2 — v 2 )
y — O, waarbij v reëel. De oplossingen dezer verge-
lijking dragen den naam van cylinderfuncties
of B.f. > Bessel (1°).
L i t. : Courant-Hilbert, Methoden der mathemati-
schen Physik (I 2 1931).
Bessemer, fabrieksstad je in den N. Amer. staat
Alabama (33° 25' N., 86° 50' W.). B. ligt te midden
van rijke ijzererts-, steenkool- en kalksteenvelden,
in de onmiddellijke nabijheid van Birmingham (het
Pittsburg van het Z.). Groote ijzer- en staalfabrieken;
productie van meststoffen, tecrproducten en ontplof-
fingsmiddelen. Vlieghaven. In 1930: 20 721 inw.
Polspoel .
Bessemer, sir H e n r y, Engelsch ingenieur
en fabrikant te Sheffield, uitvinder van het •> Besse-
mer-proces. * 1812 te Charlton, *j* 1898 te Londen.
Bessemer-peer, Bessemer-proces.
Bessemer-proees. Volgens dit proces wordt
het ruwe ijzer, nadat het den hoogoven heeft verlaten,
gezuiverd van de ongewenschte bijmengsels, die in
hoofdzaak bestaan uit silicium, mangaan en koolstof.
De methode, die in 1856 door Bessemer is uitge-
vonden, bestaat hierin, dat door het gesmolten ijzer
een luchtstroom wordt geblazen. Deze lucht oxydeert
de silicium en het mangaan vrijwel geheel en de kool-
stof gedeeltelijk. De warmte, die bij deze oxydaties
vrijkomt, houdt de metaalmassa vloeibaar. Door deze
bewerking, die tegenwoordig nog uitsluitend in de
777
Bessemers— Bestaan
778
zgn. Bessemer-peer (een groot, inwendig met vuur-
vaste steen bekleed reservoir, dat om een horizontale
as draaibaar is en waarvan de bodem van lucht-
kanalen is voorzien, waardoor men langs de holle as
lucht door de ijzermassa persen kan) wordt uitgevoerd,
verkrijgt men smeedbaar ijzer. Dit wordt eerst bij veel
hoogere temperatuur dun vloeibaar, doch is bij lagere
temperaturen gemakkelijk vervormbaar. Het kool-
stofgehalte varieert van 2,5 tot 0,05%, terwijl het
ruwe ijzer tot 5% koolstof bevat. De phosphorus, die
in ruw ijzer ook aanwezig is, wordt echter door deze
bewerking niet verwijderd. Gedurende het doorblazen
van de heete lucht slaat uit de Bessemer-peer een hooge
vlam van brandende koolmonoxvde, die bij het ver-
laten der Bessemer-peer aan de lucht ontbrandt.
Het tijdstip van voldoende ontkoling van het ijzer
wordt nu hieraan gekend, dat deze vlam plotseling
veel kleiner wordt. Verder > IJzer. v. d. Beek .
Bessemers, Maria, ook Maaiken
Verhuist genoemd. Zuid-Ned. miniatuur-schilde-
res, gehuwd met Pieter Coeck van Aalst, leermeesteres
van Jan Breughel, haar kleinzoon. * ca. 1520 te Meche-
len, f ca. 1600.
L i t. : Guicciardini, Descrittione di tutti i Paesi
Bassi (Antwerpen, 2 1581) ; v. d. Branden, Geschiedenis
der Antwerpsche schilderschool (1883). Knipring.
Bessemer -staal, > Staal, > Bessemer -proces.
Bessemer-staaldraacl wordt zoowel blank
als gegloeid in den handel gebracht; het eerste bezit
een trekvastheid van 65 kg /mm 2 bij een elasticiteits-
grens van 52kg/mm 2 ; het gegloeide draad heeft van
40 tot 60 kg /mm 2 trekvastheid.
Bessemer- ijzer, > IJzer, > Bessemer -proces.
Bessensap, > Vruchtensap.
Bessenspanrups (Abraxas grossulariata L.).
De vlinders, met geel lijf en onsymmetrisch zwart-
gevlekte witte vleugels, verschijnen in Juli en Augus-
tus. De nipsen vertounen zw T arte vierkanten op de
witte rugzijde en zw r arte stippen op de beide zijkanten.
Zij zijn in het voorjaar soms zeer schadelijk voor aai-
en kruisbessen.
Verbreid over Europa, behalve het Z.O., over
Midden- en Noord-Azië tot Japan. J. Goossens.
Bessen* linder, > Bessenspanrups.
Bessenu ijjn, soort van wijn, ontstaan door
vergisting van het sap van aalbes of kruisbes. Tijdens
de gisting voegt men suiker toe, waardoor de wijn
geestrijker wordt.
Bessenyei, G y ö r g y, Hongaarsch schrijver,
groot bewonderaar van Rousseau en Voltaire. Hij
streefde ernaar de Hongaarsche cultuur op Europeesch
peil te brengen. B. schreef lyrische gedichten en dra-
ma's. * 1747 te Bercel, f 1811 te Pusztakov&cs.
Besser, Joliann von, Duitsch dichter uit
den nabloei van het laat-Barok. * 8 Mei 1654 te
Frauenburg, f 10 Febr. 1729 te Dresden. B.’s gedich-
ten zijn meestal opgepronkte, pancgyrische hofpoèzie
(oden en epische stukken), soms ook grof -zinnelijke
erotiek. Hij werd, als letterkundig theoreticus, in
den strijd tegen de tweede Silesische dichterschool ge-
wikkeld.
U i t g. : Schriften, door König (1732). — L i t. :
K. A. Varnhagen, Biographische Denkmale (IV Berlijn
2 1846) ; W. Haertel, J. v. B. (dissertatie, 1919).
Baur.
Bessestruik, > Aalbes.
Bessetakvlinder, Lygris associata, behoort
tot de fam. der spanners.
Bessi, in de Oudheid roofzuchtige volksstam in
Thracië, in het Haemusgebergte (teg. de Balkan) en
aan den bovenloop van de Hebrus (teg. de Maritza).
Voornaamste plaats Bessa Para (teg. Besikara).
Herhaaldelijk door de Romeinen overwonnen. Vele
B. in het Rom. leger.
Bessièrcs, 1° A 1 b e r t, Fransch Jezuïet en
schrijver van apologetische romans. * 2 Febr. 1877 te
Saint-Vincent. Pater B. stichtte de Fédération
nationale catholique.
Werken: L’union catholique (1924) ; L’Evangile
du chef (1927) ; L’agonie de Cosmopolis (1929).
2° Jean Baptist e, hertog van Istrië,
Fransch maarschalk. * 6 Aug. 1768, f 1 Mei 1813.
Ruit eraan voerder en commandant van de garde.
Volgde in 1809 Bemadotte op als opperbevelhebber
in Holland. Sneuvelde bij Gross Görschen.
Bessin, Fransen landschap in Normandië, hoofd -
stad Bayeux. Vette Liasmergel, vruchtbaar; weiden.
Paarden- en ninderteelt.
Besson, 1° Hyacinthe, Dominicaansch
schilder. * 1816 bij Besangon, f 1861; intieme vriend
van zijn ordebroeder Lacordaire en te Parijs een tijd-
lang leerling van den schilder P. Delaroche. Hij deed
veel voor het herstel zijner Orde in Frankrijk, werd
novicenmeester en meermalen prior. In Italië geraakte
hij geheel onder de betoovering van de muurschilde-
ringen van Fra Giovanni da Fiesole. Zijn werk, niet
geheel ontdaan van Fransch academisme, ademt een
subtiele reinheid, zijn kleuren blijven altijd licht en
teer.
Voorn, werk: schilderingen in de San Sisto te
Rome, waarvan vooral de Ontmoeting van den H.
Dominicus met den H. Franciscus het zuiverst zijn aard
weergeeft. — L i t. : Berthier, L 'oeuvre artistique du
père B. (1908). Knipping.
2° L., Fransch meteoroloog. Wolkenstudies. De
nephoscoop van Besson is een toestel
tot bepaling van de driftsnelheid der wolken.
Bessus, Perzisch satraap van Bactrië. -> Alexan-
der de Groote.
Bessy, d c, > Frcniclc do Bessy.
Best, gem. in N. Brabant, ten N.W. van Eind-
hoven; ca. 4 400 inw., bijna allen Kath.; opp. 3 603
ha; veeteelt, landbouw, industrie (klompen, tricot,
sigaren, hout, boter, steen). Pensionaat met huishoud-
school.
Bestaan, ook existentie (Lat. existentia)
genoemd. Het zijn kan onderscheiden w r orden in w T e-
zenszijn (esse essentiae) en bestaanszijn (esse existen-
tiae). Het eerste beantwoordt aan de vraag: w^at is
iets, het tweede aan de vraag: is iets. Krachtens het
bestaan is een ding niet in een soort geplaatst, maar
is het zonder meer. Het is de voltooiing van een ding
als zoodanig. Het b. heet daarom in de Scholastieke
wijsbegeerte de „laatste" act van een ding, waardoor
het nl. als ding voltooid is en zijn werkzaamheid
kan gaan uitoefenen. Eerst door zijn b. (Lat. exis-
tentia < sistere extra causas = buiten zijn oorzaken
plaatsen, tot stand brengen) is een ding als zoodanig
tot stand gebracht; te voren w r as het enkel als mogelijk
ding oorzakelijk aanwezig, in zooverre de oorzaken
bestonden, die het tot stand kunnen brengen. Strikt
genomen kan het b. dus niet aan God worden toege-
kend, daar Hij niet veroorzaakt is en nooit tot stand
is gebracht; beter is het, ten opzichte van God den
algemeeneren term „zijn" (Lat. esse) te gebruiken. In
plaats van „God bestaat" zeggen we juister „God is".
779
Bestaanbaar geta —Bestel
780
De vraag, of in de schepselen het wezen en het be-
staan reëel of slechts logisch onderscheiden zijn, wordt
niet door de Katholieke philosofen en theologen een-
stemmig beantwoord. De Thomistische School aan-
vaardt een reëel onderscheid van essentie en existentie
en ziet hierin de leer van St. Thomas. Wel is een-
stemmige leer, dat het bestaan aan God toekomt
krachtens zichzelf en aan al het andere door de
oorzakelijkheid van de Eerste Oorzaak, God. >
Aseïteit. Elk schepsel heeft zijn bestaan ont-
vangen, daar het veroorzaakt is; alleen de niet-ver-
oorzaakte God i s zijn bestaan. God kan daarom
gedefin ïeerd worden als de Bestaande of
liever, overeenkomstig het boven gezegde, als de Zijnde
(Exod. 3.14). Del Prado noemt dit werkelijk onder-
scheid tusschen wezen en b. der schepselen de grond-
waarheid der Christelijke wijsbegeerte. Tegenwoordig
wordt ze door de meeste Katholieke wijsgeeren aan-
vaard.
L i t. : Del Prado O.P., De verit. fund. philos. christ.
(1899) : Manser O.P., Wesen des Thomismus (1932) ;
Van den Berg, Introd. in Ontologiam (1933, 48-5G) :
S. Thomas, De ente et essentia ; Del Padro, De veritate
fimdamentali philosophiae christianae (1911): Piecirelli,
Disquisitio Metaphysica, Theologica, Criticade distinc*
tione actuata inter essentiam existentiamque creati
entis intercedent' . Kreling/v. d. Berg.
^Menseh waardig bestaan, krachtterm uit ’t begin
van het Socialisme in Duitschland. Zoo sprak de ar-
beidersafgevaardigde Schlöffel in 1848 van „menschen-
würdige Zustande” en Lassalle in 1863 vooral van
„menschcnwürdiges Dasein”. Sociale wetgeving ont-
neemt langzamerhand de kern aan dit slagwoord,
dat zelfs in „Rerum Novarum” in dezen vorm al niet
meer voorkomt. Brouwer .
Bestaanbaar getal. De positieve en negatieve
getallen vormen met het getal nul de b.g. Deze staan
tegenover de onbestaanbare get., als daar zijn de imagi-
naire, de complexe, en de hoogere complex’e get., bijv.
de quaternionen. Van het complexe getal a -f* bi heet
a het bestaanbare, bi het imaginaire stuk.
v. d . Corput.
Bestaansdrift, uitingsvorm van het ego-centri-
sche driftleven. In de moderne psychologie wordt de
bestaansdrift door sommigen onder de Ik-driften
ondergebracht: een streven naar de instandhouding
van het Ik -bestaan onder den een of anderen vorm.
De analytische psychologie onderscheidt naast de
bestaansdrift een doodsdrift, gericht op voortzetting
van het Ik-bestaan in anderen vorm. Carp .
Bestaansminimum is dat inkomeu of die
som, die tot het levensonderhoud zonder meer nood-
zakelijk schijnt. Eenieder heeft hierop een natuurlijk
recht. Daarom is het gebruik ontstaan, bij de bel. van
het inkomen en van het vermogen een dgl. minimum
onbelast te laten en men doet dit nu verder eveneens
bij de hoogere en hoogste inkomens, al zou zonder
die vrijstelling hier dat minimum toch even goed
gewaarborgd blijven. Behalve bij de belastingleer
speelt het bestaansminimum een rol bij de > loontheo-
rie en bij de moraal omtrent de aalmoes (> Bijstand).
Weve.
Bestand, Twaalfjarig, -> Twaalfjarig
Bestand.
Bestanddeel en, > Plant (Anatomie der).
Bestedelingenhuizcn, tehuizen voor kinderen,
die hun wettelijke verzorgers missen, bijv. halfweezen,
kinderen, wier ouders in een ziekenhuis verpleegd
worden, en vondelingen. Er zijn stadsbestedelingen-
huizen, geëxploiteerd door de gemeenten, en bestede-
lingenhuizen van verschillende gezindten. F. Haye.
Besteden, > Aanbesteding.
Besteedster, wouwelijk beroep voor particuliere
arbeidsbemiddeling voor wouwen in huiselijke diensten.
Bestek, uitvoerige omschrijving volgens welke
een werk moet worden uitgevoerd; het vormt den
grondslag voor de aanbesteding van dat werk en bevat
een opgave van de hoeveelheden der bouwstoffen en
andere materialen en de eischen, waaraan zij moeten
voldoen, de verschillende voorwaarden en termijnen
voor uitvoering, oplevering en onderhoud van het
werk tot aan de oplevering, het loon en de wijze van
huisvesting der arbeiders en verder alle zaken, welke
voor den aannemer van belang zijn. In de meeste b.
wordt ten aan zien van een aantal bijzonderheden
verwezen naar de bepalingen, opgenomen in de Alge-
meene Voorschriften van den Rijkswaterstaat voor de
uitvoering en het onderhoud van werken onder beheer
van het Departement van Waterstaat, in den regel
aangeduid met de letters A.V. P. Bongaerts.
N ed. en Belg. Recht. In geval van bestek,
tusschen aannemer en eigenaar van den grond vastge-
steld, betreffende het maken van een gebouw, kan
geen vermeerdering van prijs worden gevorderd, on-
danks veranderingen of bijvoegselen, indien deze niet
schriftelijk zijn ingewilligd (Ned. B.W. art. 1646;
Belg. B.W. art. 1793). Petit.
Bestek (zeevaartkundig) is plaatsbe-
ling op zee. Het astronomisch bestek wordt uit den
stand der hemellichamen afgeleid. Is waarneming der
hemellichamen uitgesloten, dan berekent men de
plaats van de laatst bekende plaats af (gegist bestek).
Besteken (een geschenk geven) doet men in
Limburg en in Vlaanderen iemand op zijn naamdag;
men schenkt hem een feestgebak, waarin een groen
takje (in later tijd een bloementuiltje) was gestoken;
thans is op den koek, vaak een peperkoek, meestal
blad- en bloemversiering met den naam in suiker
aangebracht.
Bestek hout, het voor een werk benoodigde
hout, gezaagd volgens de in het bestek aangegeven
afmetingen; daar het voor dit doel speciaal gezaagd
wordt, is de hoedanigheid in het algemeen beter dan
die van het gewone handelshout, dat in courante
afmetingen uit het buitenland wordt ingevoerd.
Bestel (in Vlaanderen Mastel geheeten) is
een sterk met anijs gekruid gebak in ringvorm. Het
Mastellenfeest of de Krakelingworp te Geeraardsbergen
in België op den eersten Zondag van de groote Vasten,
ook wel groote Vastenavond geheeten, is vermaard
en komt reeds in de stadsrekeningen der 14e eeuw
voor. Prof. Paul de Keijser ziet er de kerstening van
een vruchtbaarheidsoffer in. Op den Ouden Berg
ledigen geestelijke en wereldlijke autoriteiten een beker
wijn, met een levend vischje, een grondeling, erin,
nadat een korte godsdienstoefening is gehouden, waar-
bij de Maria-litanie wordt gebeden; vervolgens worden
krakelingen onder het volk gestrooid. Auderen zoeken
den oorsprong van het gebruik in een beleg der stad,
waarbij men, in wanhoop, de laatste brooden naar
de belegeraars wierp, die, meenend, dat de plaats
nog goed geproviandeerd was, het beleg zouden hebben
opgebroken.
L i t. : J. H. Nanningo, Brood- en gebakvormen en
hunne beteekenis in de folklore, alwaar afbeeldingen
van het Vlaamsche volksfeest. Knippenberg
781
Bestelbrief — Besten
782
Bestelbrief. Wanneer een bestelling wordt
aangenomen, maakt men gebruik van een formulier,
waarop aangegeven worden: het volgnummer der
bestelling, de naam cn woonplaats van den besteller,
de datum van inschrijving, de datum van aflevering,
de aard en omschrijving der bestelling, de verlangde
hoeveelheid en nadere bijzonderheden. Ronner.
Bestelgoed, term, welke tot Mei 1933 in gebruik
was om een bepaalde wijze van goederenverzending bij
de spoorwegen aan te duiden; thans vervangen door
den term snelgoed.
Bestelhuis is bij bodediensten een huis,
waar goederen kunnen worden gebracht, welke ver-
voerd en aan hun adres bezorgd moeten worden.
Bestelhuis van den boekhandel, instelling
van de Vereeniging ter bevordering van de belangen
des boekhandels, heeft ten doel het in ontvangst nemen,
verdoelen en verzenden van pakken enz. van en aan
boekverkoopers en uitgevers. Het b. is gevestigd te
Amsterdam in het Boekhuis. Door het samenvoegen
van kleine pakjes tot balen wordt belangrijke vracht-
besparing verkregen. P . Coebergh.
Bes tel sta at van materialen dient zoo systema-
tisch en overzichtelijk mogelijk ingericht te worden;
door de Hoofdcomm. v. d. Normalisatie in Nederland
is, bij normaalblad N 41, een geschikte vorm daarvoor
vastgesteld.
Bestemming van den mensch in het heelal,
niet de bestemming van den mensch na den dood
(> Onsterfelijkheid), maar de bestemming in dit leven,
en dit in de natuurlijke, niet in de bovennatuurlijke
orde.
De leer hierover berust op verschillende wijsgeerige
stellingen. 1° De wereld is een geordend geheel, door
God geschapen. 2° De orde der dingen is, statisch
beschouwd, in laatste instantie gelegen in hun soor-
telijke wezenheid. Terwijl veie enkelingen één soort
uitmaken, maken al de soorten samen een ordelijk
geheel uit, geen chaos. 3° De dynamische orde der
dingen bestaat hierin, dat de verrichtingen der dingen
in verhouding zijn tot hun soortelijke wezenheid.
4° Door hun verrichtingen streven de dingen naar hun
doel en bereiken aldus hun bestemming in de verwezen-
lijking van hun mogelijkheden. 5° De mensch bestaat
uit lichaam en ziel. Hij is echter mensch in de eerste
plaats door zijn ziel, in de tweede plaats door zijn
lichaam. 6° De verrichtingen van lichamelijken aard:
zintuiglijke kennis en streving, zinnelijke gevoelens,
zijn ondergeschikt aan de hoogere zielsverrichtingen:
verstandelijke kennis en streving, geestelijke gevoelens.
Hieruit kunnen wij de bestemming van den mensch
af leiden.
a) Het verstand van den mensch is gericht
naar de kennis der waarheid omtrent de stoffelijke
dingen, de geestelijke wezens, en God. De menschelijke
geest is immers niet bevredigd door de kennis der
onmiddellijke oorzaken der stoffelijke dingen, maar
zoekt naar de diepste bewerkende oorzaak ervan, die
te zelfder tijd hun eindoorzaak is, nl. God. Al kan nu
verder de mensch beter van God zeggen, wat hij niet
is, dan wat hij wel is, hij is toch in staat om de litanie
der Goddelijke volmaaktheden te stamelen, en aldus
op te gaan in de beschouwing van het Goddelijk wezen.
b) Op de kennis van het verstand volgt de
streving van den wil naar de stoffelijke
goederen, waaraan de mensch naar zijn lichaam behoef-
te heeft om te leven, doch in ondergeschiktheid aan
zijn hoogeren geestelijken aard, en verder ook naar
de geestelijke goederen, waarnaar onze hoogere ver-
mogens verlangen. Hier neemt God de voornaamste
plaats in. Alleen de liefde-vereeniging met Hem
bevredigt den wil. De wijsbegeerte stelt hier de vraag
aangaande het natuurlijk verlangen naar God, en
hoever dit in de natuurlijke orde kan bevredigd worden.
Het antw T oord luidt zeer verschillend, cn kan door de
wijsbegeerte alleen niet volledig gegeven worden.
c) Benevens het w T are en het goede is er een derde
„waarde”, die de menschelijke bedrijvigheid in beslag
neemt: het s c h o o n e. De schoonheid in de kunst
en de schoonheid in de natuur spreken tot den mensch
in eigen taal. Vanuit beide, en vooral vanuit de laatste,
stijgt de mensch op tot de ongeschapen
schoonheid, die God is, en oorzaak is
van alle schoonheid. In het genieten van de Goddelijke
schoonheid ligt de hoogste bestemming van den mensch.
Dit is een inductieve uiteenzetting van
’s menschen bestemming. Langs deductieven
weg komt men tot hetzelfde besluit: het volmaakte
wezen, dat God is, kan in zijn werkingen naar buiten
alleen zijn eigen volmaaktheid tot doel hebben. God
heeft dus het heelal en ook den mensch voor Zichzelf
geschapen. De bestemming van den mensch is in de
vereeniging met God als opperste waarheid, goedheid
en schoonheid. Door zijn kennis en zijn liefde brengt
de mensch het heelal terug tot God. van Wien het is
uitgegaan.
L i t. : S. Thomas, Contra Gent. (Lib. I c. 1, Lib. III
c. 25) : id., De divinibus nominibus (c. 4) ; id., Summa
Thcol. (Lib. I q. 93). P. Janssens.
Bestcmmingsbelasting, > Bestemmings-
heffing.
Bestemmingsheffing is een belasting, welker
opbrengst w r ordt aangewend tot bestrijding van de
kosten van een bepaald onderdeel van overheidszorg;
bijv. de gemeentefondsbelasting, welker opbrengst
wordt gestort in het > gemeentefonds. Tot de bestem-
mingsheffingen belmoren ook de > bijdragen. > Be-
lastingen (kolom 377). Smeets .
Bestemmingsplan . In het plan tot uitbreiding,
hetwelk elke Ned. gemeente van meer dan 10 000 inw.
volgens de Woningwet verplicht is te maken, wordt
de bestemming aangegeven van de terreinen, waarop
de uitbreiding zal moeten plaats vinden. Men onder-
scheidt hierbij bestemming voor de allernaaste toe-
komst, dus voor gronden in de onmiddellijke nabijheid
van de bestaande bebouwing, welke zeer nauwkeurig
w r ordt bepaald, en bestemming voor verdere toekomst,
voor veraf gelegen terreinen, waarbij alleen hoofdver-
keerswegen, terreinen voor woningbouw, plantsoenm,
fabriekswijken e.d. worden aangegeven. Onder b.
verstaat men gewoonlijk dit laatste globale plan. Zie
ook: Woningwet van 22 Juni 1901 met aanvullingen,
Woningbesluit van 20 April 1921. Thunnissen.
Besten, Vanden negen, Mnl. leerdicht,
dat een leer wil geven in riddereer door het voorbeeld
van de negen beste ridders: drie heidenen: Hector,
Alexander, Julius Caesar; drie Joden: Josue, David,
Judas Macchabeus: drie Christenen: Arthur, Karei de
Groote, Godfried van Bouillon. De stof is in de middel-
eeuwen w T cl bekend en werd ook in het Fransch be-
werkt, hoewel dit gedicht losvaart tegen de Walsce
boerden met de grote faloerde, en toch Arthur op-
neemt.
U i t g. : Nap. de Pauw, Mnl. Gedichten en Fragm.
(I Gent 1897, in twee verschillende redacties). — L i t. :
J. W. Muller, Een nieuw bericht omtrent Maerlant’s
783
Bestendige Deputatie van den Provincialen Raad — Bestiaire
784
leven en werken (in Tijdschrift voor Ned. Taal en Letterk.
XXVIII 1909, 278 vlg.), die meent, dat het van Maer-
lant zou kunnen zijn. V. Mierlo.
Bestendige Deputatie van den Provin-
cialen Baad (Belg. Recht), beraadslagende
vergadering, samengesteld 1° uit zes leden door den
Provincieraad gekozen tusschen zijn leden, 2° en den
gouverneur, die van rechtswege voorzitter der verga-
dering is met stemrecht (Pr. W. art. 3 en 96 al. 1 en
104 al. 1).
De leden der deputatie worden gekozen voor 4 jaren
en bezoldigd door den staat (Pr. W. art. 70 en 105).
De werkzaamheden der Bestendige Deputatie zijn
geregeld door de Provinciewet en door het huishoude-
lijk reglement door dit college, onder goedkeuring van
den Provincieraad en van den koning vastgelegd
(Pr. W. art. 104 al. 2). De beslissingen worden ge-
nomen met meerderheid van stemmen der aanwezige
leden. Wanneer de stemmen staken, zal het voorstel
niet verworpen zijn, zooals in de andere beraadsla-
gende vergaderingen, o.a. den gemeenteraad, maar de
afwezige leden en zoo noodig een lid van den provincie-
raad zullen opgeroepen worden om de staking op te
heffen.
De B.D. bezit een tweevoudige bevoegdheid: 1° een
administratieve bevoegdheid, onderverdeeld in een
bevoegdheid van provincialen aard, o.a. het dagelijk-
sche bestuur van de belangen van de provincie (Pr. W.
106 al. 2 en 107 en 115), en een bevoegdheid van alge-
meenen aard: tusschenkomst tot uitvoering der wetten,
waaronder begrepen het toezicht over de gemeenten
(Pr. W. art. 106 al. 1 en al. 2); 2° een bevoegdheid in
betwiste zaken, die o.m. betreft de geschillen over
gemeentelijke verkiezingen, en de geschillen over
provinciale en gemeentelijke rechtstreeksche belas-
tingen. De B.D. oordeelt in betwiste zaken meestal
zonder beroep; in enkele zaken is beroep bij den Ko-
ning mogelijk. In betwistbare zaken zijn de zittingen
openbaar; in verkiezingszaken moeten de beslissingen,
op straf van vernietigbaarheid, steeds met redenen
omkleed zijn. Alle beslissing van de B.D. moet den
naam van den verslaggever en van de aanwezige leden
vermelden (art. 104 al. 8 Pr. W.).
Zie ook > Gedeputeerde Staten. V. Boon.
Bestendige onbekwaamheid, > Arbeids-
ongeval, > Ongevallenwet.
Bestendigheid van gesteenten is in de
eerste plaats afhankelijk van het gebruik, dat van
de gesteenten gemaakt wordt en van de mate, waarin
zij aan verweerende invloeden zijn blootgesteld. Som-
mige (bijv. kalkgesteenten) worden gemakkelijk door
water, dus ook door regen en sneeuw, opgelost en de
in de atmospheer voorkomende zuren als koolzuur
en zwavelzuur oefenen een sterke aantasting op de
gesteenten uit, waarvan de poreuze het meest te lijden
hebben, terwijl deze ook door vorst veel meer te lijden
hebben dan de dichte gesteenten. Door polijsten wordt
de b. verhoogd, daar de gesteenten dan een geringer
oppervlak aan de verweerende stoffen bieden.
P. Bongaerts.
Bestendigheid van wind of stroom. Ter verkrijging
van een maatstaf, om de kans op wind of stroom uit
of in een bepaalde richting aan te geven, geeft men
tegenwoordig dikwijls in meteon logische of oceano-
graphische werken bij de gegevens over wind en
stroom de b. op. Hieronder verstaat men het navol-
gende: gesteld, dat men een aantal waarnemingen van
windrichting en snelheid gedaan heeft van bijv. N.O.
8,2 m per sec., terwijl de gemiddelde windsnelheid
(berekend zonder de richting in aanmerking te nemen)
12,3 m per sec. was, dan is de b. 8,2 : 12,3 = 0,75.
Men drukt de b. in procenten uit en spreekt dus in dit
voorbeeld van een b. voor N.O. wind van 75%. Indien
alle waarnemingen N.O. wind hadden gegeven, was
de b. 100% geweest. Wissmann.
Bcstens-order is een opdracht om effecten of
valuta’s tegen den voor den opdrachtgever voordeelig-
sten koers ter beurze te koopen of te verkoopen.
Besters, A. J., Noord-Ned. landschapschilder,
werkte aanvankelijk aan de teekenschool der Pictura
in Den Haag, reisde Vlaanderen door en woonde later
in Leiden. * 1747 te Den Haag, f 1819 te Leiden.
L i t. : Oud Holland (XIX, 234—235).
Bestevaar of bestevaer, eerenaam, dien het
scheepsvolk aan admiraal de Ruijter gaf.
Bestia, 1° Lucius, complotgenoot van
Catilina in 63 v. Chr. te Rome.
2° Lucius Calpurnius, Romeinsch
volkstribuun en consul tegen het einde van de 2e
eeuw v. Chr. Hij liet zich omkoopen door Iugurtha,
tegen wien hij gezonden was.
Bestiaire, eigenlijk dierenboek: werken met
zedenkundige strekking, waarin de hoedanigheden
en eigenschappen der dieren allegorisch verklaard en
in verband gebracht worden met godsdienstige waar-
heden en deugden en ondeugden der menschen. Daarbij
werd veel gebruik gemaakt van den zgn. > Physio-
logus: een Hellenistische, populaire fabelachtige
zoölogie met Christelijk-dogmatische duiding uit de
2e eeuw n. Chr., die door een Latijnsche vertaling van
de 4e of 5e eeuw naar het Westen gekomen was en ver-
schillend overgeleverd werd. De dierensymboliek
der middeleeuwen heeft er ruimschoots uit geput,
doch ook uit andere fabelachtige werken. De oudste
Fransche b. is die van den Anglonormandischen dich-
ter Philippe van Thaon, die omstreeks 1125 zijn werk
opdroeg aan de Engelsche koningin Aaliz van Leuven.
Andere b. zijn die van Guillaume le Clerc (begin 13e
eeuw), van den Normandiër Gervaise, en, in proza,
van Pierre van Beauvais; eveneens in proza, maar nu
op de liefde toegepast, bestiaire d’ amour,
van Richard van Foumival, van omstreeks 1240. Zulk
een b. werd, volgens van Maerlant, te onzent gedicht
door Willem van Utenhove, een priester van goeden
love van Erdenburch: daaruit stammen wel de 208
w., die ons van een b. zijn bewaard, en die bewerkt
werd volgens Richard van Foumival. Een onlangs
ontdekte Middelnederduitsche vertaling van een b.
zou oorspronkelijk Vlaamsch-Brabantsch zijn. De
naïeve ernst, waarmede de meest onmogelijke of fabel-
achtige dingen op de verhevenste mysteriën werden
toegepast, wordt, door Richard althans, wel onder-
broken door den glimlach van een bon entendeur.
V. Mierlo.
Invloed op de kunst. Het eerste geïllu-
streerde b. van het Westen dateert uit het eind
der 9e eeuw en bevindt zich in de Brusselsche biblio-
theek : de teekeningen zijn vrij onbeholpen. De
oudste geïllustreerde Physiologus (begin 12e eeuw)
wordt in de bibliotheek van Smyraa gevonden. Een
overvloed van geïllustreerde b. produceert de 12e en
13e eeuw: de behandelde dieren zijn meestal in klein
formaat, door bladwerk ingelijst, boven elk artikel
geplaatst, zelden vult een dierengeschiedenis een heele
bladzijde. Van het grootste deel dezer b. is de artis-
tieke waarde gering, doch zij zijn van groot belang
785
Bestiarius— Bestuiving
786
1° als iconographisch gegeven voor de Romaansche
en Gotische beeldhouwers ; 2° als voorbeeld, waaruit
zich later de zgn. „Dróleries” ontwikkelen in de laat-
Gotische manuscripten.
L i t. : Cahier, Curiosité9 mystérieuses : Nouvelles
Mélanges d’archéol. (1 1874, 106 v!g. en 311 vlg.);
Lauchert, Geschichte des Physiologus (1889) ; Collins,
Symbolism of Animals and Birds, represented in Englisb
Church Architecture (1913). Knipping.
Bestiarius , veroordeelde, die ongowapend en
naakt tegen wilde dieren moest vechten te Rome.
Practisch beteekende dit een zekeren dood.
Bestiënzuilen zijn in Romaansche en vroeg-
Gotische kerken (vooral in de Duitsche landen:
Regensburg, St. Jacob, Berchtesgaden, Freising) aan
portalen, in kruisgangen en vooral in crypten voor-
komende zuilen, waarop de strijd van menschen met
monsterdieren is voorgesteld, misschien wel als sym-
bool van de overw’inning van het Christendom op
het heidendom. Decoratief beschouwd is het een
gegeven uit de Noorsche kunst.
Lit. : Abele, Der Dom zu Freising (1919, 24 vlg.);
Leonia Lorenz, Das Schottenportal zu Regensburg (1929).
Knipping.
Bestoesjew, Alexander Alexandro-
w i t s j, pseud. Kosack Marlinskij, Russisch roman -
sc! rijver van gemaakt-romantische richting. * 1795,
f 1837, gesneuveld tijdens de bestorming van de berg-
vesting Ardler in den Kaukasus, na jarenlange verban-
ning in Siberië als deelnemer aan den opstand der >
Dekabristen (1825). De gezwollen, tandenknarsende
romantiek van B.’s Byroniaansche en Wertheriaansche
helden (zie: Kaukasus, De schrikwekkende prophetie,
Amalat Bey) in het eenvoudige kader der Kaukasische
natuur, w r aar ze optreden, werkt thans nog alleen maar
onbedoeld komisch. Zijn letterkundige almanak
Poliarnaja Swesda (De poolster, 1823)
diende de Russische romantiek tot verzamelplaats.
U i t g. : in de Duitsche vertaling van Löbenstein :
Gesammelte Schriften (4 dln. Leipzig 1845). Baur.
Bestoesjew-Rjoernin, Alexei, graaf,
Russisch staatsman, * 1693 te Moskou, f 1766; trad
in den diplomatieken dienst van Peter den Grooten
en werd minister van de tsarina’s Anna en Elisabeth;
bracht in 1756 het bondgenootschap met Oostenrijk
tot stand als inleiding op den zevenjarigen oorlog:
viel daarna bij Elisabeth in ongenade, maar werd
door Catharina II in ecre hersteld. Zijn omkoopbaar-
heid was in Europa berucht.
Lit.: B. Raptschinsky, De geschiedenis van het
Russische volk (II 1929). v. Gorkom.
Bestorten, het nastorten van stortsteen op ge-
zonken > rijswerken of het storten van beton, steen,
puin en dgl. op een beloop onder water om uitschuring
ervan te voorkomen.
Bestraling, > Stralen therapie.
Bestrating, het verharde gedeelte van een weg-
dek, bestaande uit klinkers, keien, blokken, blocks
of tegels van asphalt, beton of hort. Een bestraat
wegdek heet open wegdek, in tegenstelling met een
gesloten wegdek van asphalt- of cementbeton.
-> Kunstwegen. De onderbouw (fundeer ing) is som-
tijds een van 10 tot 20 cm dikke betonlaag, doch ook
een gewalste laag puin op een vlaklaag van oude
klinkers, keien of iets dergelijks; meestal echter worden
keien en klinkers zonder fundeering gestraat in een
± 20 cm dikke zandlaag. De verschillende soorten
van b. hebben elk hun eigen voor- en nadeelen.
Klinkerb., zonder fundeering, heeft voor
middelmatig zwaar verkeer voordeelen wegens het
eenvoudige onderhoud, gemakkelijk opbreken en ver-
nieuwen en de eigenschap, dat zij des zomers niet
slikkerig en glad is: daarentegen is zij niet geschikt
voor zware vrachten (vernieling der klinkers) en zij
wordt dan duur in onderhoud, terwijl zij bij onvol-
doende gebruik van nieuw materiaal spoedig in slech-
ten toestand verkeert. Dit bezwaar kan worden voor-
komen door de klinkers op een fundeering te leggen.
K e i b. heeft dezelfde voordeelen als de klinkerb.,
doch is niet zoo effen en is duurder in aanleg, boven-
dien veelal ook gladder. Zij kan zwaardere lasten
dragen en is in onderhoud goedkooper. In plaats van
de gebruikelijke groote keien bezigt men tegen-
woordig veelal kleinere kubussen van natuursteen
(Kleinplaveisel), welke in waaiervorm in een ca. 2 cm
dikke zandlaag wordt gezet.
A s p h a 1 1 b. Voorts worden nog asphalttegels
en asphaltblocks gestraat, beide in fabrieken door
hvdraulische persing van asphalt met verschillende
materialen (steengruis, zand, cement) verkregen;
zij hebben het voordeel van sneller en onder alle weers-
omstandigheden op den weg te kunnen aangebracht
worden.
Cementtegelb. Ook de cementtegels worden
machinaal geperst in fabrieken, al of niet met toeslag
van hard steengruis, waarvoor veelal porfier van
Quenast gebruikt wordt. Trottoirs, rijwiel- en tuin-
paden e.d. worden veelal met cementtegels bestraat.
Een bijzonder harde cementtegel wordt verkregen
door toevoeging van ijzer- of staalvijlsels.
Wat de h o u t b. betreft kan worden opgemerkt,
dat deze van harde of zachte houtsoorten wordt ver-
vaardigd; tot de eerste behooren Yarah (Australië),
djati of teak (Ned. Indië), eiken en beuken; tot de
laatste grenen (Zw T eedsch, Finsch of Amerikaansch),
larix en dennen. Zij worden gecreosoteerd vóór het
leggen. Hardhouten blokjes worden zonder voegen
tegen elkaar geplaatst of met voegen, welke met ® en
kit gevuld worden. P • Bongaerts.
Bestreken ruimte, horizontale projectie van
het gedeelte der baan, waarin het afgcschoten projec-
tiel zich niet hooger verheft dan het doel.
Best rikken doet men jarige kinderen in het
Noord-Oosten van ons land; met linten wordt hun
een feestkoek op den arm gebonden.
Bestrijding der tubereulose, > Tuber-
culose.
Bestrijdingsproef , > Proefveld wezen.
Bestuiving, bij hoogere planten, is de over-
brenging van het stuifmeel (pollen) op den stempel
van een bloem, waardoor de bevruchting, d.w.z. de
versmelting van de eikem met een generatieve kern
uit de stuif meelbuis, mogelijk wordt. Bestuiving
beteekent dus nog niet bevruchting; normaal heeft deze
laatste alleen plaats, wanneer de stuif mee lkorrel
kiemt en de aldus ontstane stuifmeelbuis den kiemzak
bereikt, om daar de twee generatieve kernen te laten
binnentreden.
Het stuifmeel uit de helmknoppen kan op den
stempel worden gebracht o.a. door den wind, door het
water of door dieren. 1° Windbestuiving
(anemophilie) treedt op bij alle naaktzadigen en bij
een aantal bedektzadigen; het stuifmeel is dan licht
en droog en kan op groote afstanden met den wind
worden meegevoerd. Bij dennen is het stuifmeel lichter
gemaakt door twee luchtb lazen; bij andere windbe-
stuivers hangen de mannelijke bloemen in katjes of.
787
Bestuiving
788
zooals bij grassen, aan lange stuif meeldraden, terwijl
bijv. bij Pilea het pollen wordt weggeslingerd door
strekking der opgerolde meeldraden. De stempels
der windbloemen zijn vedervormig (grassen), penseel-
vormig (hazelaar) of draadvormig (maïs), wat het
opvangen van het stuifmeel bevordert. 2° Hydrophilie
of het overbrengen van pollen door het water
komt slechts bij een klein aantal waterplanten voor
(zeegras, Vallisneria, Elodea). 3° ln de meeste
gevallen heeft de bestuiving plaats door dieren;
soms gebeurt dit door vleermuizen of door slakken
(Lemna, Chrysosplenium), in dit laatste geval spreekt
men van malakophilie; bestuivingen door vogels
of ornithophilie treft men o.a. aan bij bloemen van
Abutilon (door kolibries) cn van het geslacht Hibiscus
(door honigvogels). Het meest verspreid is de bestui-
ving door insecten (entomophilie). Hier is het stuif-
meel meestal kleverig of voorzien van stekels, zoodat
het gemakkelijk door de bezoekende dieren wordt
overgedragen. In hoever kleur en geur als lokmiddel
voor de insecten gelden, is nog niet uitgemaakt;
de eigenlijke lokmiddelen zijn de honig in de necta-
riën, het overtollige stuifmeel en, bij enkele bloemen,
de vleezige, voor insecten eetbare bloemdeelen.
De ligging der honigk lieren en de speciale bouw van
sommige insecten bloemen bevordert in de meeste
gevallen de kruisbestuiving. Hieruit afleiden, dat de
natuur zelf bestuiving verafschuwt en dat deze nood-
zakelijk tot ontaarding leidt, is echter niet in over-
eenstemming met de feiten.
Rechtstreeksche bestuiving (zelfbestui-
ving of autogamie) bestaat hierin, dat de pollen uit de
helmknoppen van een tweeslachtige bloem den stempel
van diezelfde bloem bestuiven; men spreekt van
onrechtstreeksche bestuiving, wanneer de
stempel van een bloem bestoven wordt door de pollen
van een andere bloem van hetzelfde individu (gebuur-
bestuiving of geitonogamie), ófwel door de pollen
van een bloem van een ander individu derzelfde soort
(kruisbestuiving of allogamie). Genetisch geven zelf-
bestuiving en gebuurbestuiving hetzelfde resultaat.
Tweeslachtige bloemen bezitten zoowel
de mannelijke als vrouwelijke voortplantingsorganen.
De d i k 1 i n i e is gekenmerkt door het verschijnsel,
dat een plantsoort enkel een siachtige bloemen,
zulke met alleen mannelijke (stuif meelbloemen) en
zulke met alleen vrouwelijke voortplantingsorganen
(stamperbloemen) vormt; de bestuiving is hier steeds
onrechtstreeks, doch geschiedt gemakke lijker en
zekerder, wanneer beide geslachten, zooals bij de
maïs, op dezelfde planten worden aangetroffen (een-
huizigheid of monoecie), dan wanneer zij op ver-
schillende planten gevormd worden (tweehuizigheid
of dioecie), zooals bijv. bij hop, spinazie, dadelpalm,
populier. Tweehuizige planten kunnen in normale
gevallen alleen zaad vormen door kruisbestuiving ;
eenhuizige worden ook meestal vreemd bestoven, doch
hier kan tevens gebuurbestuiving optreden.
Ook bij tweeslachtige bloemen kan de onrechtstreek-
sche bestuiving door sommige eigenaardige inrichtin-
gen worden bevorderd. Een korte beschrijving van de
voornaamste moge hier volgen. 1° De d i c h o g a -
mie is gekenmerkt door het feit, dat helmknoppen
en stampers niet gelijktijdig rijpen; zijn de meeldraden
rijp vóór de stampers, dan spreekt men van p ro-
ta n d r i e, een verschijnsel, dat men aantreft bij
vele Umbelliferae, Compositae, Caryophyllaceae en
Labiatae; gevallen van protogynie, waar
de stampers het eerst rijp zijn, komen minder veel-
vuldig voor, o.a. bij veldbies, reukgras, weegbree
en Magnolia.
2° Is de lengte van de stijlen en die van de meel-
draden op verschillende planten van eenzelfde *oort
niet gelijk, dan spreekt men van heterostylie.
Sommige plantsoorten, o.a. het vlas, de sleutelbloem
en de boekweit, hebben bloemen met langsti jlige
en bloemen met kortstijlige stampers; de langstijlige
hebben dan kmt » meeldraden en de k rtstijl ge
hebben lange meeldraden. Bestuiving van een stamper
met langen stijl door stuifmeel van een langen meel-
draad uit den anderen bloemvorm heet legitiem;
illegitieme bestuiving, waarbij meeldraden
en stampers van onge lijke lengte zijn betrokken,
komt maar zelden voor. Behalve d i m o r p h e
bloemen kent men ook trimorphe met drie
verschillende stijl lengten en drie daarmee overeen-
komende meeldraad-lengten, bijv. de klaverzuring.
Het is hier niet de plaats om het genetisch vraagstuk
van de heterostylie te behandelen.
3° De hercogamie is hierdoor gekenmerkt,
dat de geslachtsorganen op zulke wijze geplaatst zijn,
dat het eigen stuifmeel zonder vreemde hulp niet
op den stempel komen kan, dit is o.a. het geval bij
Iris en Orchis.
Het komt voor, dat op de bestuiving van den
stempel door pollen van dezelfde bloem of van andere
bloemen van hetzelfde individu, geen bevruchting
volgt. Dergelijke gevallen van zelf steriliteit
treft men aan bij sommige, doch niet bij alle rogge-
planten, bij de lelie, enkele Cruciferae, e.a. Bij zelf-
steriele variëteiten van fruitboomen geldt dit ver-
schijnsel voor al de individuen van een klon, die
vegetatief uit een eerste zaailing werden vermeerderd;
variëteiten van fruitboomsoorten kunnen ook voor
elkaar onvruchtbaar zijn ; men spreekt dan van
> intersteriliteit.
Door sommige botanici werd vroeger al te zeer na-
druk gelegd op de noodzakelijkheid der kruisbestui-
ving (Sprengel, Darwin, e.a.); toch is zelfbestuiving
niet uitgesloten ; vele tweeslachtige insecten bloe-
men, die geen bezoek ontvangen, trachten door
zelfbestuiving zaad te vormen; zelfbestuiving moet
ook nog optreden bij kleistogame bloe-
men, die zich nooit openen (Anonaceae, sommige
bloemen van Oxalis). Verder kent men een aantal
planten met tweeslachtige bloemen, die normaal
langs autogamen weg voortplanten: tarwe (Triticum
vulgare), haver (Avena sativa), erwt (Pisum sativum)
e.a. Deze gewassen kunnen zich voortdurend door zelf-
bestuiving vermeerderen, zonder hierbij eenige ver-
zwakking in de groeikracht te ondervinden. Andere
worden normaal door kruisbestuiving voortgeplant,
doch verdragen kunstmatige zelfbestuiving, zonder
daarbij > inteeltschade te vertoonen (sommige
Compositae); de meeste kruisbestuivers echter, zooals
kool, maïs, prei, tabak, leveren bij gedwongen zelf-
bestuiving zaad, waaruit zich planten met ver-
minderde groeikracht ontwikkelen.
Kunstmatige zelfbestuiving wordt in hoofdzaak
doorgevoerd met het doel, sommige planten erfelijk
te onderzoeken, ten einde bepaalde typen zuiver te
kweeken (> Plantenveredeling); voor het inhullen
van de bloeiwijzen gebruikt men hokken, geolied doek,
glazen buizen of pergaminezakken. Allogame plant-
soorten, die, na één of meer generaties van gedwongen
zelfbestuiving, degeneratieverschijnselen vertoonen.
789
Bestuur — Bestuursmacht van de Kerk)
790
geven een nakomelingschap met normale groeikracht,
zoo gauw zij met andere, zelfs eveneens gedegenereerde,
planten van dezelfde soort worden gekruist. Dumon .
In de o o f 1 1 e e 1 1, waar zoowel zelffertiele als
zelfster ie le verscheidenheden worden gekweekt en
waar naast zelf bestuiving ook b. door wind en insec-
ten voorkomt, eischt de bestuiving der bloemen alle
opmerkzaamheid van den teler. Rietsema.
lleslmir. Door de Grondwet wordt het bestuur
genoemd de Uitvoerende Macht. Deze is onder-
worpen aan de grondwet en aan de wetten, en oefent
haar bevoegdheden uit binnen de haar gestelde wette-
lijke grenzen. Haar doel is echter niet zoozeer de toe-
passing van de wet te verzekeren, als het behartigen
van het algemeen, provinciaal of gemeentelijk belang
te dienen. V . Dievoet.
De uitvoerende macht is samengesteld uit een uit-
gebreide hiërarchie, geholpen door menigvuldige
ambtenaren en beambten. Het principe der eenheid
van het bestuur is zoowel in Nederland als in België
getemperd door een breede decentralisatie, welke
naast de algemeene belangen ook provinciale en
plaatselijke belangen erkent. En zoo onderscheidt
men: 1° het centraal bestuur met den
koning als hoofd van de uitvoerende macht; de minis-
ters, als rechtstreeksere en verantwoordelijke mede-
werkers van den koning; de gouverneurs (Belg.) of
commissarissen des konings (Ned.) van de provinciën,
voorts in België de arrondissementscommissarissen,
en ten slotte de burgemeesters, die allen het centraal
gezag vertegenwoordigen. Opgemerkt dient te worden,
(lat de centrale besturen over het geheele land ambte-
naren en beambten hebben, die alleen van dat bestuur
afhangen: zoo bijv. ambtenaren van Financiën, van
Openbare Werken of van Waterstaat en zoo meer.
2° Het provinciaal bestuur, samen-
gesteld uit den provincieraad (Belg.), of Provinciale
Staten (Ned.) als beraadslagende macht; de Bestendige
Deputatie (Belg.) of Gedeputeerde Staten (Ned.) als
besturend korps, en den gouverneur of commissaris
des konings, die behalve orgaan van het centraal
bestuur ook orgaan van het provinciaal bestuur zijn.
Dit bestuur regelt zelfstandig wat van provinciaal
belang is.
3° Het gemeente bestuur, gevormd uit
den gemeenteraad als beraadslagende macht; het
college (Belg.) of B. en W. (Ned.) als besturend korps,
en de burgemeester, die naast orgaan van het centraal
bestuur ook gemeentelijk bestuursorgaan is.
Dit bestuur regelt zelfstandig wat van ge-
meentelijk belang is. Plet administratief toezicht,
soms voogdij genoemd, dat het centraal bestuur op de
twee andere uitoefent, waarborgt in het land de nood-
zakelijke eenheid van bestuur. V. Boon.
Bij gebrek aan een administratieve rechtspraak is
in menig geval elk rechterlijk verhaal tegen een onwet-
telijk optreden van het bestuur practisch uitgesloten,
en blijft den belanghebbende geen ander middel dan
een beroep op de hoogere administratieve overheid
en op de openbare meening, alsook een petitie
aan de gekozenen in het parlement of in den
Raad van provincie of gemeente. > Geschillen van
bestuur. •> Bestuursrecht. V . Dievoet.
Besluur van Ned.-Indië, > Nederlandsch-Indië
(Bestuur).
Bestuurder der Sociale Werken (in
België), priester, in elk bisdom van België aan-
gesteld voor het behartigen, bevorderen en richten der
Katholieke sociale werken voor den arbeidersstand.
De bestuurders komen maandelijks bijeen te Brussel op
het Alg. Secretariaat der Christene (R.K.ï Sociale
Werken, geven samen de rechtslijnen voor den goeden
gang der Kath. sociale instellingen in het algemeen en
elk in het bijzonder voor deze van het hem toegew T ezen
gebied, fn de tweetalige bisdommen zijn twee diocesane
bestuurders der Sociale Werken. Voor Neder-
land, > Aalmoezeniers van den Arbeid. Cool.
Bestuurde zender, > Stuurzender.
Bestuurlijke scheiding, > Vlaamsche Be-
weging.
Bestuursacademie. Bij het treffen van een
nieuw r e regeling voor de opleiding der ambtenaren
bij den Nederlandsch-Indischen administratieven
dienst van 1907 werd er ten behoeve van die fun-
geerende ambtenaren, die onder een ander systeem
w^aren opgeleid, en van wie men mocht verwachten,
dat zij zouden voldoen in de leidende functies van
het korps, een aanvullende studie georganiseerd in de
zgn. Ned. -Indische Bestuursacademie. Deze was
gevestigd te Den Haag en zou jaarlijks twaalf nieuwe,
door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen studenten
opnemen, die zich in twee jaar de gedoceerde stof
eigen zouden moeten maken. In verband met de af-
kondiging van het besluit van Juli 1922 betreffende
een nieuwe organisatie der zgn. Indologische studiën
zijn er na 1921 geen ambtenaren voor het volgen
van de lessen der Bestuursacademie meer aangewezen
geworden.
Bestuursambtenaren in IYed.-Indië, >
Nederlandsch-Indië (Bestuur).
Bestuursgeschillen (Ned. Recht), >
Geschillen van bestuur.
Bestuurshervorming in Ned.-fnclië, >
Nederlandsch-Indië (Bestuur).
Bestuursmacht van de Kerk. Christus heeft
zijn Kerk gesticht als een volmaakte maatschappij, en
gaf haar opdracht de geloovigen te onderrichten en
te gebieden omtrent al datgene, wat noodig is om
zalig te worden. Als volmaakte maatschappij geniet
de Kerk de volledige bestuursmacht. Haar doel be-
paalt aard en voorwerp van haar macht. Zooals in
elke maatschappij heeft de b. in de Kerk een drievou-
dige functie te vervullen. Deb. iswetgevende
macht, waardoor zij recht heeft bepaalde verordeningen
uit te vaardigen om in het algemeen goed der maat-
schappij te voorzien. In de Kerk zal die wetgevende
macht tot uiting komen, wanneer de Kerk den geloo-
vigen oplegt sommige dagen de H. Mis bij te w’onen,
wanneer ze voorschriften uitvaardigt betreffende het
huwelijk of het toedienen en ontvangen van andere
sacramenten, enz. De b. is verder rechterlijke
macht, waardoor de Kerk het recht heeft den waren
zin van de wetten te bepalen en te oordeelen, of in een
bepaald geval de wet verplicht, overtreden of nage-
leefd werd. De wetgevende macht is totaal ondoel-
treffend zonder rechterlijke macht. Het gezag moet
niet alleen wetten maken, het moet ze ook door de
leden doen onderhouden.
De b. is ten derde straf-, dw r ang-, of uitvoeren-
d e macht, waardoor de Kerk haar leden om hun
overtredingen kan straffen en dwingen kan de opge-
legde straf te ondergaan. Die strafmacht is even
noodig met betrekking tot de rechterlijke macht, als
deze tot de wetgevende macht. Zonder sanctierecht,
zonder tuchthuis bekomt een rechtbank geen uitslag.
De H. Schrift wijst ons duidelijk op die aanstelling
791
Bestuursorganen — Betaalmeester te velde
792
der kerkelijke macht, in haar drievoudige functie. De
macht om te binden of te ontbinden (Mt. 18.18), de
macht om een weerspannige uit de gemeenschap te
verbannen (Mt. 16.19). de macht om de geloovigen te
gebieden alles, wat Christus zelf gebood (Mt. 28.19),
laten klaarblijkelijk Christus’ inzicht daaromtrent
kennen. De apostelen hebben dan ook van af den aan-
vang der Kerk de b. in haar volheid waargenomen. Ze
hebben wetten uitgevaardigd (Act. 15.29; 1 Cor. 6.4.
11.6; 1 Tim. 5.9 — 12; enz.); ze hebben van het straf-
recht gebruik gemaakt (1 Cor. 4.21; 2 Cor. 13.10; enz.).
De b. werd de Kerk ontzegd door Luther, die be-
weerde, dat elke mensch door het doopsel vrij is van elk
gezag, zoodat niemand paus noch bisschop hem met
recht bevelen kan; door Wicleff en Jandunus, die be-
vestigden, dat de kerkelijke overheid om haar zondig-
heid alle macht verloren had. De Kerk bepaalde op
het Concilie van Trente, dat God haar met de b. had
uitgenist (Denz. 864). De Jansenisten en Gallicanen
wilden de kerkelijke b. beperken door te eischen, dat
geen kerkelijke wet in een bepaald land zou gepubli-
ceerd worden, zonder dat zij voorzien was van het
koninklijk placet; verder door eiken Katholiek het
recht toe te kennen zich in beroep te voorzien bij de
burgerlijke overheid, wanneer hij door een kerkeiijke
rechtbank veroordeeld was. Dat recht heette: jus
appellationis ab abusu. Pius IX in den Syllabus en
het Vaticaansch Concilie hebben die aanmatiging
veroordeeld.
L i t. : Maes, De Kerk van Christus (Antwerpen
1929) ; Van Noort, De Ecclesia Christi. Maes.
Bestuursorganen (N e d. Recht) zijn
die organen, wier hoofdtaak bestaat in het verrichten
van bestuurshandelingen, d.z. die handelingen, die
niet bestaan in wetgeving of rechtspraak. In art. 157,
lid 2 der grondwet wordt het complex van bestuurs-
organen aangeduid als „administratieve macht”.
Het geheel der bestuursorganen vormt in Ned.
een zeer gedifferentieerd agglomeraat. Dit is mede het
gevolg van de aanwezigheid binnen het territoir van
het rijk van verschillende openbare lichamen met
eigen bestuursorganen voor de eigen huishouding.
Het rijksbestuur wordt niet uitsluitend door het
reeds zeer omvangrijke apparaat van rijksbestuurs-
organen uitgeoefend, doch hierbij wordt in belangrijke
mate de medewerking van de bestuursorganen van
andere openbare lichamen ingeroepen.
L i t.: mr. dr. J. H. P. M. van der Grinten, De In-
richting van het Bestuur, in Nederlandsch Bestuurs-
recht (1932). Stoer.
Bestuursrecht (België) of administratief
recht, het samenstel der rechtsregelen, welke in het
bestuur van toepassing zijn. Deze zijn zoo talrijk,
zoo verscheiden, zoozeer aan voortdurende wijzigingen
en hervormingen onderworpen, dat zij voor algemeene
codificatie niet vatbaar schijnen. Het bestuursrecht
kan genoemd worden de grondwet in uitwerking, ver-
mits de bestuurswetten worden uitgevaardigd tot
uitvoering van of ten minste in overeenstemming met
de principes van do grondwet. Het bestuursrecht is
veel minder volmaakt dan bijv. het privaatrecht, om-
dat tot nog toe de administratieve rechtspraak slechts
sporadisch aanwezig is, en omdat de gewone rechter,
bij toepassing van het beginsel van de scheiding der
machten, zich het recht ontzegt administratieve maat-
regelen te vernietigen of af te keuren. De gewone
wetgever zou zeer gepast de bevoegdheid van het
Verbrekingshof in deze kunnen uitbreiden, bijzonder
wanneer er machtsmisbruik en machtsoverschrijding
van wege de bestuur lijke macht is gebeurd. In het
algemeen geldt het hier gezegde zoowel voor Neder-
land als België. > Rechtspraak ; > Geschillen
van bestuur.
L i t. : voor Nederland: Nederlandsch bestuurs-
recht, bewerkt onder leiding van mrs. C. W. van
der Pot, J. H. P. M. van der Grinten, R. Kranenburg,
C. A. van Poelje en C. W. de Vries met bijstand van
mr. Th. G. Donner. Voor België: K. Brants, De
Staatsinrichting in België, Beginselen van grondwettelijk
recht en van administratief recht (Brussel 1931). Boon.
Bestuurstaal in de middeleeuwen. De
bestuurstaal door het bestuur van een graafschap, een
stad, een gilde gebruikt in keuren, rekeningen, ge-
dingen enz. Zij bestond reeds zeker in akten uit de
eerste helft der 13e eeuw, maar vertoont zich feitelijk
eerst in Vlaanderen, omstreeks 1250 (Schepenenbrief
van Boechout 1249; Rentebrief van Massemen, ca.
1250). De taal der best verzorgde stukken (le soort),
als die der keuren, welke vaak in kloosters opgesteld
werden, steekt door haar dialectische kleur vaak
merkbaar af tegen de litteraire taal (Jacobs, Het
Westvlaamsch, 1928, 73, 10A); nog grooter is dit
verschil echter in akten (rekeningen, correctieboeken),
opgesteld door gewone stadsklerken (2e soort), en nog
grooter afwijkingen vertoont de schrijftaal van onbe-
holpen schrijvers, bijv. in gilderekeningen (3e soort).
De studie van de laatste soort laat vooral toe de hand
te leggen op staaltjes en juweeltjes van de eigenlijke
Mnl. volkstaal.
L i t. : Jacobs, Verslagen en Mcd. Kon. VI. Ac. (1922,
485-489) ; Fl. Prims, O. C. (1933, 301-312). Jacobs.
Bes-wier, Sargassum, een wier van de
familie der Fucaceae, komt met 150 soorten het meest
aan de Oost-Aziatische, Indische en Australische kus-
ten voor. In den Atlantischen Oceaan komt S. vulgare
veel voor, evenals in de Middeliandsche Zee, waar ook
S. linifolium te vinden is. In de Sargasso-zee, een ge-
deelte van den Atl. Oceaan ten W. van de Azoren tot
bij de Oostkust van N. Amerika, wordt vooral S.
bacciferum gevonden. Bonman .
Bèta, > Biet.
Bèta, de tweede letter van het Gr. alphabet: /?,
B; als Gr. cijfer: 2. > Gymnasium.
Betaalbaarstelling in het bankverkeer
is de opdracht van een cliënt aan zijn bank om een
bepaalden wissel of kwitantie ten vervaldage voor zijn
rekening te betalen (> Domicilieeren). In het
effectenverkeer verstaat men onder b. de
publicatie, dat bepaalde coupons, dividendbewijzen
of losbare stukken bij een bepaald betaalkantoor
(meestal een bank) verzilverd kunnen worden.
Huysmans.
Betaalmeester, > Rijksbetaalmeester.
Betaalmeester te velde (Ned.), ambtenaar
van ’s Rijks schatkist, weid tot voor kort ingedeeld bij
het leger te velde tot het verschaffen van gelden ten
behoeve van de strijdende troepen. Thans wordt door
eenige hoogere troepencommandanten een zgn. offi-
cier-betaalmeester benoemd, die onder gewapend ge-
leide de gelden voor de verschillende onderdeelen op
een der kantoren van de Nederlandsche Bank gaat
halen. De gelden worden door de Nederl. Bank be-
schikbaar gesteld op assignatiën, aan de troepen-
commandanten toegezonden. Waar mogelijk wordt
gebruik gemaakt van den postchèque- en girodienst.
v. Leeuwen.
In België was betaalmeester te velde voor-
793
Betaïne — Bèta-stralen
794
heen de benaming van de administratie-officieren
bij de troepenkorpsen. Aan het korps der admini-
stratie-officieren wordt het beheer der militaire in-
richtingen en der troepenkorpsen toevertrouwd.
Vooraleer tot een dezer posten toegelaten te worden,
moet de administratie-officier behoorlijk cautie stellen.
De oudste in rang van de bij een korps aanwezige
administratie-officieren neemt het ambt van thesau-
rier waar. Als dusdanig beheert hij de gelden en is hij
chef van het centraal administratiekantoor van het
korps. Hij oefent ook toezicht uit over het admini-
stratiekantoor der eenheden, waarvan een hem onder-
geschikt administratie-officier de leiding heeft. In
sommige gevallen kan de thesaurier beide ambten
samenvoegen. V . Coppenolle.
Betaïne komt voor in suikerbieten en hoopt zich
bij de suikerbereiding in de melasse (3%) op. Het is
een derivaat van trimethylglycocol met de samenstel-
ling C 6 H 11 0 2 N. Kristalliseert in groote kleurlooze
kristallen met één molecule water, ruikt naar muskus,
smaakt verkoelend en is tegen chemische inwerking
goed bestand. Physiologisch indifferent.
Door behandeling met zoutzuur ontstaat het bè-
ta ïnehydrochloride, dat als zgn. „vast zoutzuur”
onder den naam > acidol in den handel komt.
Hoogeveen.
Betaling (Belg. Recht). In rechtskun-
digen zin is b. het volbrengen van een verbintenis.
In principe kan gelijk welke persoon, dus ook een derde,
den schuldeischer voldoen. Een verbintenis om iets
te doen kan echter door een derde niet voldaan wor-
den tegen den wil van den schuldeischer, indien deze
er belang bij heeft, dat de daad door den schuldenaar
zelve verricht wordt.
De betaling moet gedaan worden aan den schuld-
eischer, of aan iemand, die volmacht van hem heeft,
of die door den rechter of door de wet gemachtigd
is om voor hem te ontvangen. Men kan dus betalen
aan den schuldeischer, aan zijn vertegenwoordiger of
aan zijn lasthebber. Wanneer men aan een anderen
persoon betaalt, loopt men gevaar tweemaal te moeten
betalen. Nochtans zijn er, bij uitzondering, enkele
gevallen, waarin een betaling, die niet aan den schuld-
eischer of diens lasthebber gedaan werd, niettemin
den schuldenaar bevrijdt, namelijk: 1° wanneer de
schuldeischer deze verkeerde betaling goedkeurt; 2°
wanneer de schuldeischer door deze betaling werkelijk
gebaat werd; 3° wanneer de betaling te goeder trouw
gedaan werd aan den bezitter van de inschuld, d.w.z.
aan den schijnbaren schuldeischer, dien de betaler
alle reden had om als werkelijken schuldeischer aan
te zien.
Betaald moet worden hetgeen verschuldigd is; aan-
vaardt de schuldeischer een andere zaak in betaling,
dan is de schuld gedelgd door i n b e t a lin g-
g e v i n g, door iets, dat in de plaats van de betaling
gegeven wordt.
Anderzijds moet de schuldeischer geen genoegen
nemen met een gedeeltelijke b., alles moet ineens
worden voldaan. De rechter kan nochtans, indien de
schuldenaar ongelukkig en te goeder trouw is, hem
zekere termijnen van respijt verleenen, om aldus zijn
schuld bij wijze van afkortingen op gestelde termijnen
te voldoen.
De b. moet gedaan worden ter plaatse, die bij de
overeenkomst bepaald is. Zwijgt de overeenkomst
hierover, dan moet de schuld, die een bepaalde zaak
tot voorwerp heeft, voldaan worden ter plaatse, waar
deze zaak zich bij het aangaan der overeenkomst be-
vond, terwijl de schuld, die vervangbare zaken, bijv.
geld, tot voorwerp heeft, ter woonplaats van den schul-
denaar betaalbaar is; schulden zijn dus in principe
haalbaar en niet draagbaar.
De kosten van de betaling zijn ten laste van
den schuldenaar; deze kosten worden immers in zijn
belang en tot zijn nut gedaan; dit is namelijk het
geval met de kosten, die gedaan worden om de zaak
op de plaats van levering te brengen, om het geld op
te sturen, alsmede met de zegels, die voor de quitan-
tie moeten gebruikt worden. De kosten van wegne-
ming integendeel komen voor rekening van den schuld-
eischer, w r ant, de zaak eenmaal afgeleverd, heeft de
schuldenaar volledig aan zijn betalingsplicht voldaan.
Kluyskens.
Betalingsbalans, overzicht van de bedragen,
welke in een bepaalde periode tusschen een bepaald
land en het buitenland moeten worden verrekend. Op
do actiefzijde woorden alle transacties opgesomd, welke
tot betalingen van het buitenland aan het land in
questie leiden, als goederenu itvoer, verleende diensten,
ontvangen rente, dividenden en aflossingen op in het
buitenland geïnvesteerde kapitalen, in het buitenland
opgenomen gelden, verkochte effecten en geplaatste
leeningen. Op de passiefzijde daarentegen worden alle
transacties vermeld, w r elke tot betalingsverplichtin-
gen aan het buitenland leiden, als goed eren invoeren,
genoten diensten, te betalen rente, dividenden en
aflossingen, in het buitenland gekochte effecten,
verleende credieten of nieuw r geïnvesteerde kapitalen.
Men noemt de b. actief, indien het land in questie
gedurende een bepaalde periode meer van het buiten-
land als betaling heeft te vorderen dan omgekeerd.
In het tegenovergestelde geval spreekt men van pas-
sieve betalingsbalans.
De ontw r ikkeling van de b. is beslissend voor de be-
weging van de wisselkoersen en daardoor in een iand
met den gouden standaard ook voor den in- en export
van goud. Voor Nederland wordt jaarlijks een b.
gepubliceerd door het Centraal Bureau voorde Statis-
tiek. Kaag.
Bèta-Lyrae-sterren zijn sterren, waarbij men
uit de periodieke veranderingen in de lichtsterkte
kan besluiten, dat ze uit tw r ee om elkaar wentelende
sterren bestaan, die elkaar periodiek verduisteren
(eclipssterren). De eigenaardigheid van bèta-Lyrea-
sterren bestaat hierin, dat ze door hun zeer kleinen
onderlingen afstand en hun groote onderlinge aantrek-
king een langgerekten vorm hebben, waardoor de
schijnbare middellijn varieert en ook buiten de ver-
duisteringen de lichtsterkte veranderlijk is. Meestal
hebben ze een korte periode van 2 — 12 dagen; bij nog
kortere perioden spreekt men van W Ursae Majoris-
sterren.
Bèta Lyrae is de eerst ontdekte van deze soort.
Bruna.
Bèta-mctaal, een tinlegeering, wrelke in verschil-
lende hardheidsgraden in den handel gebracht wordt.
Bèta-stralen, zeer kleine, negatief geladen
deeltjes, zgn. electronen, die een buitengewoon groote
snelheid bezitten. Zij ontstaan bij radio -actieve pro-
cessen (> Radio-activiteit). Hun snelheid kan de
lichtsnelheid zeer dicht benaderen. De natuur der b.-s.
kon w r orden opgehelderd door meting van hun gedrag
in een electrisch of een magnetisch veld. Kunstmatig
opgewekte b.-s. met veel kleinere snelheid noemt men
kathodestralen. ^Ausems.
795
Beteekening — Beteekenisverandering
796
p Bèta -stralen worden bij de geneeskundige toepas-
sing van radium weinig gebruikt, daar zij een sterk
caustische werking hebben; zij worden daarom door
filters teruggehouden; voor de b.-s. met een lange
golflengte is voor dit doel een filter van 2 mm alumi-
nium voldoende, voor b.-s. met een korte golf-
lengte wordt een filter van 0,5 mm platina vereischt.
Heukensfeldt Jansen.
Beteekening (N e d. en Belg. Recht)
is kennisgeving door middel van deurwaardersexploit.
Van de beteekende mededeeling wordt aan den persoon,
voor wien zij bestemd is, of aan een zijner hnisgenooten,
een afschrift overhandigd. Het doel der beteekening
is vast te leggen, dat de bewuste mededeeling inder-
daad gedaan is aan hem, die haar moest ontvangen.
In die gevallen, waarin het voor iemand van belang
is om te kunnen bewijzen , dat hij een ander een bepaalde
mededeeling gedaan heeft — bijv. dal hij zijn schul-
denaar in gebreke gesteld heeft — is het verstandig,
dien ander deze mededeeling te laten beteekenen.
In sommige gevallen schrijft de wet beteekening als
wijze van kennisgeving voor: zoo bijv. ten aanzien
van dagvaard ingen , van vonnissen en ten aanzien van
de kennisgeving van de cessie eener vordering aan den
debiteur. Witteman.
In België mag, indien de deurwaarder in de
woonplaats noch den persoon, noch een familielid,
noch een dienstbode aan treft, de beteekening ook
worden gedaan in de handen van een buurman, en,
in dien deze weigert, in de handen van de gemeen te-
overheid. Elke beteekening, die niet aan den belang-
hebbenden persoon zelf gedaan wordt, moet in België
onder besloten omslag geschieden. V . Dievoet.
Beteekenis, in de psychologie, is een
veelomstreden term. Bij een perceptie is b. al
datgene, wat (buiten den vorm) ons de waarneming
van een ding tot bewustzijn brengt. De behavioristen
meenen, dat de b. slechts een ^ voorwaardelijke reflex
zou zijn.
Beteekenisdominant, de term in de
semasiologie voor die beteekenis van het
woord, die op de eerste plaats in het bewustzijn treedt
en in alle woorden van een > beteekenisgroep wordt
teruggevonden en gewoonlijk uit een heel scène-tje
bestaat.
Beteekenisgroep is in de semasiologie
een groep van woorden, die alle dezelfde beteekenis
hebben. Elk woord heeft daarnaast zijn eigen nuancen,
die het een zelfstandig bestaan in de taal verzekeren.
Zoo behooren bijv. zitten, zetel, zitting, zetten tot
een beteekenisgroep; hun beteekenisdominant is de
heele scène van een persoon, die gaat zitten.
L i t. : J. Wils, Onze Taaltuin (I. 333).
Betcckeniskaart is een taalkaart, waarop de
gebieden van de beteekenissen van een gegeven w r oord
of vorm of constructie staan aangeduid. Men kan nl.
bij het in kaart brengen van een dialectverschijnsel
volgens tw’ee methodes te werk gaan. 1° Men neemt
een begrip, onderzoekt dit en stelt cartographisch
voor, hoe dat in de taal wordt weergegeven. Bijv. men
beschouwt het begrip: pakken in het Ned. taalgebied
en ziet dat één gedeelte van Nederland pakken, een
ander „krijgen”, een ander „langen” en w’cer een ander
„vatten” heeft. Of men vindt, dat in Noord -Brabant
voor het begrip „melk” het Westen „melk” of „molk”,
het Oosten „roome” heeft. 2° Men kan echter ook van
een bepaalde taaluiting, bijv. constructie of woord
uitgaan, en zien, welke beteekenissen zich eraan vast-
knoopen. Neemt men bijv. in tegenstelling met de
eerste methode het w’oord melk of molk, dan w 7 ordt dit
in West-Noord-Brabant voor zoete melk (of gewoon-
weg: melk), in Oost-Noord-Brabant uitsluitend voor
karnemelk gebruikt.
Beteekeniskaarten bestaan er nog slechts zeer weinig.
Kaarten, die bijv. de verschillende beteekenissen van
een bepaalde syntactische eigenaardigheid of van een
grammaticalen vorm weergeven, zijn er nog niet.
Öok het aantal woord beteekeniskaarten is gering.
Voorbeelden van w r oordbeteekeniskaarten: „Sülï”
en „Lede” bij W. Pessler, Plattdeutscher Wortatlas
von Nordw'estdeutschland (Hannover 1928); „Be-
stand” bij Freiherr von Künnsberg in: Rechtsprach-
geographie; Sitzber. der Heidelberger Akademie der
Wissensch. (Phil. Hist. KI. 1926— ’27 le afl.).
L i t. : W. Pessler, Atlas der Wortgeographie von
Europa eino Notwendigkeit, in : Donum Natalicium
Schrijnen, Durand Chartres (1929) : W Pessler, in
Tcuthonista (1924, 9 en 19) ; J. v. Ginneken, Taalkaart
(Pakken), Onze Taaltuin (I, 43). Weijnen.
Beteekenisleer, > Semasiologie.
Beteekenisverandning is een wijziging in
den begripsinhoud van het woord. Er bestaat een
zekere correlatie tusschen zaak en begrip; het woord is
de tolk om dit begrip uit te drukken. Maar ieder mensch
vormt zijn begrippen volgens eigen bevattingsvermo-
gen en voorstel lingsspheer. Zoo worden door een woord
eindeloos veel beteekenissen uitgedrukt, naar gelang
van den persoon, die het w r oord gebruikt en de omstan-
digheden. (In een woordenboek vindt men gewmonlijk
slechts een algemeene beteekenis, die als grootste
gemeene deeler uit alle bijzondere beteekenissen is
geabstraheerd.) Zoo is het duidelijk, dat de woorden
voortdurend van beteekenis veranderen. Het is de
taak der semasiologie te bestudeeren, onder welke
omstandigheden en volgens welke vaste beginselen
die b. plaats heeft. Op verschillende manieren heeft
men getracht de b. in systeem te brengen. Men begon
met een logisch systeem, waarbij men sprak van
verenging of uitbreiding der beteekenis. Verenging
van beteekenis heeft men bijv. bij het woord „ooft”,
dat vroeger alle vruchten omvatte, die boven den
grond groeien, tegenwoordig alleen boomvruchten;
verruiming van beteekenis bijv. in „schilderen”,
dat vroeger alleen in de beteekenis van kleuren van
wapenschilden werd gebruikt. Anderen volgden later
een psychologische methode, die veel meer inzicht
bracht. Zoo werd bijv. de factor van den gevoelstoon
meer naar voren gebracht. Op deze wdjze is de b. te
verklaren in woorden als „onnoozel”, dat vroeger
onschuldig, onschadelijk beteekende en dat wij slechts
in „Onnoozele Kinderen” met die beteekenis hebben
bewaard. De gevoelstoon „simpel”, die er bijkwam,
kreeg langzamerhand den boventoon.
Nog anderen gingen uit van het beginsel, dat de
taal een sociologisch verschijnsel is, waardoor meer
de aandacht w’erd gevestigd op de volksgroepen, waarin
een woord werd gebruikt. De kerkelijke taal bijv. levert
hier zeer vele voorbeelden, waarvan redemptio, fidelis,
doopen al zeer sprekend zijn. Het tijdschrift „Wörter
und Sachen”. in 1909 voor het eerst verschenen, legt
in deze laatste richting den nadruk op de studie der
cultuurhisto ie in verband met de taal.
I. i t. : J. v. Ginneken, Principes (1907) : id., Het
gevoel in taal en woordkunst (1911-12); W. Wundt,
Die Sprache (2 dln. 3 1911) ; H. Paul, Prinzipien ( 5 1920) ;
M. Bréal, Essai de sémantique ( 5 1921) ; J. Vendrycs,
Le Langage (1921) ; K. O. Erdmann, Die Bedeutung
797
Betekom — Bethaven
798
des Wortcs ( 3 1922) ; A. Waag, Bedeutungsentwicklung
( 6 1926) ; G. Stern, Meaning and Change of Mcaning
(1932); J. v. Ginneken, Onze Taaltuin (II, 170 vlgj.
v. AJarmnjk.
Brlrkom, gem. in Belg. Brabant aan den Demer,
ten W. van Aarschot ; 3 000 inw. (Kath.); opp. 1 208 ha:
landbouw.
RHel, een narcotisch middel, dat terwille van de
speekselontwikkeling gekauwd wordt. Het bestaat uit
betelbladeren (Piper-soort), Areca-noten (Areca-
soort) en gebrande kalk. Hierdoor worden deslijmhuid
bruinrood en de tanden zwart gekleurd. In Zuid-
Oost-Azië, Indonesië, Melanesië.
L i t. : Lewin, Ober Areca und das Betelkauen (1889).
HesUrmann.
BolHfjiMisc, ook Alpha Orionis gehee-
ten, de helderste ster van het sterrenbeeld Orion, is
een roodachtige ster van de eerste grootte. De helder-
heid is onregelmatig veranderlijk. Afstand 190 icht-
jaren. Met den interferometer is van deze ster de schijn-
bare middellijn gemeten, welke ook veranderlijk bleek
te zijn. De ware middellijn is 210 tot 300 maal die
van de zon.
De beteekenis van het Arabische woord is niet
geheel zeker, al Dzjauza = het sterrenbeeld Orion.
Volgens Ideler komt de naam van Ibt al Dzjauza =
Oksel van Orion. Bruna.
Bclclpnlm (Areca Catechu), > Pinang.
BclHphmt, Maleische mam sirih, Pi per
B e t 1 e, ook betelpeper of alleen betel geheeten,
familie der Peperachtigen (Piperaceeën), is een in
Azië en Afrika voorkomende klimplant, waarvan de
bladeren, vermengd met kalk en de vruchten van den
Areca -pa lm, door de inwoners worden gekauwd.
Botman.
BHli (Hebr., = tent, huis, woning, plaats),
1° naam der tweede letter van het Hebreeuwsche
alphabet, correspondeerende aan onzen medeklinker
b. 2° Vaak in samenstelling gebruikt om namen van
steden en dorpen te vormen (bijv. Bethanië, Bethar-
ram, Bethaven, Bethlehem), zooals het Fransche:
ville (van het Latijnsche: villa = Romeinsch buiten-
goed, waaromheen steden en dorpen ontstonden)
deel uitmaakt van meerdere Fransche plaatsnamen.
Br arts.
Bel ha diaram (Beth Karem = Huis van den
Wijngaard), bijb. plaats nabij Jenisalem, niet ver van
Thecua (Jer. 6. 1). De H. Hierom mus heeft de juiste
ligging waarsch. nog gekend.
Bellianië, 1° Nieuw Testament ische plaats,
waar Lazarus en zijn zusters Martha en Maria woon-
den (Joh. 11, 1) en ook Simon „de Melaatsche” (Mt. 26,
6; Mc. 14, 3). Christus kwam te B. om gezalfd te wor-
den door Maria (Joh. 12, 1 — 3), hield van hieruit zijn
intocht in Jcrusalem (Mc. 11, 1) en steeg er ten hemel
na zijn verrijzenis (Lc. 24, 60). Volgens Mc. 11, 1 lag
B. op den Olijfberg en volgens Joh. 11, 18 op 16 sta-
diën (2 775 m) van Jenisalem, en moet derhalve
gezocht worden boven op den Olijfberg, waar ook resten
van een oude nederzetting zijn gevonden, een weinig
dichter bij Jenisalem dan het huidige El- Azarije,
zooals, door een verbastering van den Christ. Latijn-
schen naam Lazarium, B. thans genoemd wordt.
In El- Az. wordt het graf van Lazarus vereerd, het-
geen volkomen overeenstemt met het feit, dat de doode
niet binnen de stad mocht worden begraven. De
H. Hierom mus zag daar een kerk ter eerevan Lazarus
gebouwd. Het zgn. „slot van Lazarus” of „huis van
Simon” en de resten van het „huis van Maria en
Martha” zijn overblijfselen van een middeleeuwsch
klooster. De beteekenis van den Hebr. naam B. is
zeer omstreden (huis van droefheid, van ellende,
van gehoorzaamheid, van dadels e.a.).
2° Denzelfdennaam droeg de plaats over den Jordaan,
waar Joannes de Boetgezant doopte (Joh. 1, 28),
welker juiste ligging niet zeker is. De meest waarschijn-
lijke identificatie is die met Ohirbet el-Medesj, 3 km
ten N. van de huidige Allenbybrug, een knooppunt
van vsch. wegen in Joannes’ tijd met belangrijke
ruïnes. De Orthodoxen laten zich vaak doopen in den
Jordaan nabij het Joannesklooster op enkele kilo-
meters afstand van de Doode Zee. Sinwns .
BHliimië, 1° Congregatie van Dominicanessen,
werd gesticht 14 Aug. 1866 te F rasnes- Ie-Chateau in
het bisdom Besan^on, door den Dominicaner pater
Johannes-Joseph Lataste (1832 — 1869) en Moeder
Ilenrica-Dominica (Victorine-Anna Berthier, 1822 —
1907).
Hoofddoel: de zedelijke verheffing van gevallen
meisjes, door zusterlijke vereeniging voor het heele
leven, want volgens de plannen van den stichter moe-
ten de boetelingen geheel volwaardig zijde aan zijde
naast de andere kloosterlingen staan, zonder dat zelfs
het kleinste onderscheid zou herinneren aan haar
verleden. Van deze Dominicaansche congregatie
bestaan in Frankrijk behalve het moederhuis te Mont-
ferrand nog dochterhuizen te V irv -Chat il Ion, La
St. Baume, Ecommoy. In België bestaan twee kloos-
ters: Sart-Risbart en Linth; in Nederland een te
Venlo. V. Gestel.
2° Gezelschap der Vrouwen van Bethanië, te
Bloemendaal in 1919 gesticht door dr. Jac. van
Ginneken. Doel: het terugbrengen tot God van moderne
ongedoopten in beschaafde werelddeelen. Naast
contemplatieve leden staan catechisten, die in de
Reinildahuizen werken. Orgaan: „Bethanië”. Zij
hebben ook missiewerk op Java gehad, waar zij haar
aandacht speciaal wilden schenken aan de opheffing
van de lnheemsche vrouw. de Haas.
BHhsiruhai (= Huis der Woestijn), bijb. plaats
op de grens van Juda en Benjamin nabij Jericho (Jos.
15. 6, 61; 18. 22).
Bel ha run (Beth Haram = Huis der Hoogte;
ook Ramatha en Betharamphtha genoemd), bijb.
stad in Transjordanië, door de Israëlieten veroverd
op de Amorrheeën en den stam van Gad toegewezen
(Num, 32, 36; Jos. 15, 17). B. werd later door Herodes
Antipas versterkt tegen de invallen der woestijn-
bewoners en ter eere van keizer Augustus’ echtgenoot©
Ju lias of Livias genoemd. Thans Teil er Rame ten
N.W. der Doode Zee. Simons.
Bell) Alltel, een stad, waarvan de verwoesting
door den profeet Osee (Hebr. 10. 14) als schrikwekkend
voorbeeld aan het zondige Israël wordt voorgesteld.
Welke stad in den overigens ook onzekeren tekst
bedoeld is, staat niet vast.
Brlhnvcn (Beth Awen = Huis van Ongerechtig-
heid), bijb. plaats in Palestina, volgens 1 Reg. 13, 5
ten W. van Michmas, niet ver van Bethel, met welke
laatste plaats zij volgens Jos. 18. 12 vlg. niet identiek
schijnt te zijn. Andere teksten (vlg. Os. 10, 6) en de
vertaling der Zeventig doen echter vermoeden, dat
„Huis van Ongerechtigheid” slechts een verachtelijke
naamsverandering was voor Bethel („Huis Gods”),
waar Jeroboam immers een gouden kalf deed ver-
eeren (3 Reg. 12, 25 vlg.). De „woestijn van B”
799
Bethbessen — Beth Hagla
800
(Jos. 18, 12) is een gedeelte van de woestijn van Juda
tusschen Bethel en het Jordaandal. Sirnons.
Bethbessen (Bethbassi e.a.), bijb. plaats in de
woestijn van Juda, vermeld in de oorlogen der Maccha-
beeën (1 Mac. 9. 64), wellicht = Chirbct Beit Bassa
ten Z.O. van Bethlehem.
Beth Dagon (Huis van Dagon), behalve bijb.
benaming van den tempel van Dagon in Azotus
n Mac. 10, 83; vlg. 1 Sm. 5, 1—5), de naam van
2 bijb. plaatsen. B. in het gebied van Juda (Jos. 15,
41) lag (indien de lezing juist is) in de Sjefela. Waarsch.
= Beth Dedsjan, halverwege Lydda en Jaffa. Van B.
in het gebied van Aser (Jos. 19, 27) is de ligging onbe-
kend. Simons.
Bethe, E r i c h, Duitsch klassiek philoloog,
* 1863 te Stettin, hoogleeraar te Rostock, Bazel,
Gieszen en, van 1906 af, te Leipzig- sinds 1933 emeritus.
Bestudeerde inzonderheid de Grieksche heldensage,
het Grieksche epos en de tragedie: Thebanische
Heldenlieder (1891); Prolegomena zur Geschichte
des Theaters im Altertum (1896); zijn hoofdwerken
zijn: Homer, Dichtung und Sage (1914), Die Odyssee,
der Kyklos, Zeitbestimmung (1922) en Die Sage vom
Troischen Kriege (1927). Verder een critische uitgave
van Pollux’ Onomasticon (2 dln. 1900 — 1931).
Bethel, bijb. plaats in Palestina, die volgens alle
aanwijzingen van de H. Schrift en van Eusebius’ Ono-
masticon, evenals vol-
gens de resultaten van een
voorloopig archeologisch
onderzoek, gelegen heeft
bij het huidige Beitin,
ca. 17 km ten N. van
Jerusalem, rechts van den
weg naar Sichem. Reeds
Abraham had bij B. zijn
tent opgeslagen en scheid-
de zich daar van Lot(Gen.
12 en 13). De plaats ont-
ving haar naam, die
„Huis Gods” beteekent,
van Jacob na het visioen
der hemelladder (Gen.
28, 19; zie echter > Luz.)
Volgens Jos. 18, 22 viel
B. bij de verovering van
Canaan aan Benjamin ten
deel, doch volgens andere
teksten was zij zeker
langeren tijd in het bezit
der Ephraïmieten. In de
Isr. geschiedenis is B. be-
kend door het verhaal van
Debbora (Jud. 4, 5), die
in de nabijheid dezer
plaats recht sprak; door
het tijdelijk verblijf van
de Ark des Verbonds
(Jud. 20) en door de werk-
zaamheid van Samuel,
onder wien B. een bede-
vaartsplaats werd voor
heel Israël. Om die rede-
De weg, dien lAbraham volgde nen stichtte de opstan-
( dubbele lijn;. <Jige j ero boam daar een
heiligdom voor de vereering van een gouden kalf (3 Reg.
12, 15 vlg.), waarom de profeet Osee later haar naam
veranderde in > Bethaven, d. i. Huis van Ongerechtig-
heid (Os. 10. 5). Ten tijde van Elias en Eliseus woon-
den er de „jongeren der profeten”. Waarsch. werd B.
tegelijk met Samaria door de Assyriërs verwoest ( Jer. 48,
13), doch later herbouwd (4 Reg. 17,28). Na de balling-
schap opnieuw bewoond, was B. in den tijd der Macclia-
beeën een versterkte plaats, die in den Joodschen oorlog
ook nog door Vespanianus (68 n. Chr.) werd ingeno-
men. De H. Hiëronymus spreekt van een kerk, in B.
gebouwd, ter herinnering aan het visioen van Jacob.
In de 12e eeuw bouwden de kruisvaarders er een
kerk, waarvan de mines nog zichtbaar zijn. De belang-
rijke plaats wacht nog op een systematisch archeolo-
gisch onderzoek. Simons.
BetheJ, > Zetten.
Bethennabris, » Beth Nemra.
Bether, » Bittir.
Bethesda (Huis van Barmhartigheid), 1° volgens
Joh. 5, 2 vlg. naam van een „vijver met 5 zuilen-
gangen” nabij Jerusalem, niet ver van de
Schaapspoort. De juiste lezing van den naam is on-
zeker. Onwaarschijnlijk is de lezing Bethsaida;
mogelijk echter, behalve B., de vorm Bethzata of
Bezatha. Hier genas Christus op een sabbat den man,
die 38 jaar lam was geweest, waarvoor Hij door de
Joden werd achtervolgd (Joh. 5).
De vijver van B th< sda met vier portieken in een
rechthoek en één in het midden, zooals reeds Cyrillus
van Jerusalem (4e eeuw) hem had beschreven, is
sinds 1871 met groote waarschijnlijkheid teruggevon-
den bij het klooster van Sint Anna (Paters van Lavi-
gérie) te Jerusalem.
L i t. : C. Mommert, Der Teich Bethsaida (sic !) zu
Jerus. (Leipzig 1907). Simons .
2° Verblijfplaats van de melaatschen van de
Protestantsche gemeenten van Suriname, onder
leiding van de Moravische Broeders, bij (Groot-)
Chatillon; 87 verpleegden.
Ook veelvuldig de naam van ziekenhuizen e.d.
3° Stadje in W a 1 e s (53° 12' N., 4° 3' W.),
met groote leigroeven.
Bethgabris of Bethogabra, > Beit
Dzjibrin.
Bethge, Hans, Duitsch dichter en bemiddelaar
van de Oostersche letterkunden. * 9 Jan. 1876 te
Dessau. Zijn veel herdrukte Deutsche Lyrik seit
Liliencron (D905) droeg aanzienlijk bij tot bekend-
making van de moderne Duitsche lyriek.
Werken: Die stillen lnseln (1898) ; Die Feste der
Jugend (1901) ; Die Chinesische Flöte (1907) ; Saiten-
spiel (1909) ; Lieder an eine Kunstreiterin (1910) ; Hafis
(1910) * Japanischer Frühling (19111 ; Die indische Harfe
(1913) ; Die armeDische Nachtigall (1924) ; Aegyptische
Reise (1925) ; Die Treulose (1927). Baur.
Beth Hagan (Tuinhuis), bijb. plaats in Palestina,
waarheen Ochozias vluchtte voor Jehu (4 Reg. 9, 27;
Vulgata: domus horti), gewoonlijk geïdentificeerd met
Engannim (1), een stad in het gebied van Issachar
(Jos. 19, 21), later toegewezen aan de levieten-afstam-
melingen van Gerson (Jos. 31, 6). Volgens een late
overlevering zou Christus hier de 10 melaatschen
genezen hebben (Lc. 17, 12-19). Thans Dzjenin, een
welvarend dorp van ca. 3 000 inw. aan den Zuidrand
der vlakte van Esdrelon tusschen Nazareth en Nabloes.
Simons.
Beth Hagta (Beth Chogla = Patrijzenhuis),
bijb. plaats op de grens van Juda en Benjamin (Jos.
15. 6 e.a.) ten Z.O. van Jericho, thans ruïnes bij Kasr
Hadzjl aan den Jordaan.
BEURONER KUNST
BEURSGEBOUWEN
Interieur in de Koopmans- en Schippersbeurs te Amsterdam. Architect dr. H. P. Berlage.
„Wallstreet", de ingang der effectenbeurs te New York.
Effectenbeurs te Amsterdam. Architect ir. Jos. Cuypers.
Beurs te Berlijn.
801
Bethjesimoth — Bethlehem
802
Bethjesimoth (Huis der Wildernis), bijb. plaats
in het Jordaandal (Trans jord.), waar de Israëlieten
kampeerden vóór hun overtocht van den Jordaan(Num.
33 , 49). B. werd veroverd op Sehon, den koning der
Amorrheeën (Jos. 12. 3) en bij het gebied van Ephraïm
gevoegd (Jos. 13, 20). Thans waarsch. Chirbet Soe-
weime. Simons.
Bethlehem (zie plaat t/o kolom 673), ter onder-
scheiding van het minder belangrijke B. in Zabulon
(Jos. 19, 6) soms B. in Juda genoemd (Jud. 17, 7 e.a.),
is een bijb. plaats in Palestina, zoowel in het Oude als
in het Nieuwe Testament van bijzondere beteekenis.
De oude en gebruikelijke verklaring van den naam als
„huis des broods” is niet meer dan waarschijnlijk. B.,
thans Beit Lahm, in den bijb. tijd niet méér dan een
dorp, klein „onder de hoofdplaatsen van Juda” (vgl.
Midi. 6, 2 en Mt. 2, 6) en volgens het getuigenis van
een kroniekschrijver ook in de middeleeuwen niet
méér dan één straat, is thans een stadje van ca. 7 000
inw., waarvan ca. de helft Kath. is. Sinds de verwoes-
ting van het stadsdeel der Mohammedanen door
Ibrahim Pasja in 1834 zijn dezen in B. onbeteekenend
in getal en bezitten er slechts een enkele kleine moskee.
Gr ieksch -orthodoxen zijn er ong. 3 000.
B. ligt 9 km Zuidwaarts van Jerusalem aan den
alouden weg naar Hebron en is gebouwd op twee
heuvels, welke door een kort zadel verbonden zijn
(31° 44' N., 35° 13' O., 777 m boven den spiegel der
Middellandsche Zee). Naast landbouw en veeteelt
is de vervaardiging van religieuze artikelen een belang-
rijk bestaansmiddel. Het ophouden van den pelgrims-
stroom, bijz. uit Rusland, heeft na den wereldoorlog
de welvaart van het stadje grootendeels vernietigd
en de emigratie der bevolking, vooral naar Zuid-
Amerika, versterkt.
B. wordt in de H. Schrift het eerst vermeld onder
den naam Ephrata als de plaats, waar Jacob zijn
vrouw Rachel begroef (Gen. 35, 19). Door de Israë-
lieten veroverd, werd B. bij het gebied van Juda inge-
deeld (Jos. 16, 60 Septuag.) en het eerst bewoond door
de familie van Salma, daarom de „vader v. B.”
genoemd (1 Par. 2, 61). Booz en Ruth woonden in B.,
evenals hun zoon Obed en hun kleinzoon Isai, de
vader van David (vgl. het boek Ruth), die er tot koning
gezalfd werd door Samuel (1 Reg. 16).
Overigens wordt B. nog slechts in het voorbijgaan
in het Oude Test. vermeld (2 Reg. 23, 14; 2 Par.
11, 6; Esdr. 2, 21 e.a.). De grootste roem van B. is
echter, dat in de volheid der tijden de Messias daar
geboren werd in een herdersgrot, omdat er voor zijn
ouders geen plaats was in de herberg (Lc. 2). De heilig-
dommen van B., die aan deze en daarmee samenhan-
gende gebeurtenissen herinneren, zijn talrijk. Het voor-
naamste daarvan is de Geboorte -Grot, gelegen onder
de Basiliek der Geboorte, door de H. Helena het eerst
opgericht. Weinig heiligdommen van Palestina kunnen
wijzen op een zoo oude en zekere overlevering als de
Geboorte-Grot van B. De basiliek, wier geschiedenis
wij door de middeleeuwen heen tot op onzen tijd kun-
nen volgen, is thans in handen van Latijnen, Grieken
en Armeniërs. In de onmiddellijke nabijheid liggen
o.a. de zgn. „kapel van den H. Joseph”, de grot der
Onnoozele Kinderen, en het eveneens onderaardsche
oratorium van den H. Hiëronymus, die hier lange
iaren in gebed en studie doorbracht en er zijn eerste
begraafplaats had. Zijn leerlinge, de H. Paula, stichtte
in B. twee kloosters. Op grooteren afstand ligt het
„huis van S. Joseph”, waar volgens een overlevering
Plattegrond der Kerk
der Geboorte te
Bethlehem (4e eeuw).
de H. Familie na de geboorte van Jesus eenigen tijd
zou hebben gewoond. Sinds de 4e eeuw wijst men
buiten B. het „veld der herders” (Lc. 2. 8 vlg.) aan,
ten tijde der kruisvaarders vereenzelvigd met het
„veld van Booz” (vgl. Ruth 2), 2 km ten O. van B.
L i t. : Vin cent- Abel, Bethléem. Le Sanctuaire de la
Nativité (Parijs 1914). Simons .
Geboortekerk van Bethlehem. Deze blijft tot in
onze dagen een voorbeeld van primitieve Christelijke
architectuur. Niettegenstaande de leelijke ombouwing
is toch het oorspronkelijke plan nog goed zichtbaar.
Vanuit den smallen Narthex
komt men door drie deuren
(waarvan twee dichtgemet-
seld) in de basiliek, welke
door vier rijen van 6 m hooge,
lichtroode witdooraderde
marmeren zuilen in 6 schepen
verdeeld wordt. De zuilen
zijn bekroond met wit mar-
meren Korinthische kapi-
teelen. Op de kapiteelen
rust een houten architraaf,
dat in het middenschip de
9 m hooge muren en in de
zijschepen de dwarsbalken
draagt. Aan de Oostzijde
van het transept komen de
vijf schepen weer te voor-
schijn en loopen tot aan de
koorabsis door. Vanuit
het koor leiden twee trappen naar de crypte
(12 x 3 x 4 m), waar zich in een absis het
betrekkelijk kleine Geboorte-altaar bevindt. Daar-
naast in een ondiepe nis het kleine kribbekapellctje,
en daartegenover een altaar ter herinnering aan de
Aanbidding der Wijzen. Vanaf de gewelfde zoldering
hangen 63 lampen voor het Geboorte-altaar, deels
van de Latijnsche, deels van de Grieksche en de
Armeensche communiteit. In de crypte bevinden zich
nog de Sint Josephkapel, de kapel der Onnoozele
Kinderen en de Grafkapel (of Oratorium) van den
II. Hiëronymus (ong. 6e eeuw). Tegenover de meening
van Weigand, Baumstark e.a., dat de tegenwoordige
bouw geheel beantwoordt aan het grondplan uit don
tijd van keizer Constantijn (330), staat de theorie van
de Dominicanen Vincent en Abel, dat het Constan-
tijnsche plan niet gehandhaafd bleef, doch dat eerst
onder Justin ianus (527 — 565) het dwarsschip (met
prothesis en diaconicon) en de afsluitende triconchos
werden toegevoegd. Volgens deze laatste theorie zou
de oorspronkelijke bouw afgesloten zijn door een
enkele groote halve -cirkelvormige absis, terwijl de
eerste meening steunt op de overeenkomst van bouw-
deelen (kapiteelen, zuilen, architraven enz.) uit het
dwarsschip en den triconchos met die van de lengte -
schepen. Onder de overheersching der Latijnen (ong.
1160) werden de wanden met mozaïek versierd. Deze
mozaïeken zijn nu verloren, maar de beschrijving
van hun voorstellingen (uit het Oude Testament, het
leven van Jesus en van de eerste Christenheid) is ons
overgeleverd door den geleerden Franciscaan Quaresmi
(Elucidatio Terrae Sanctae, 1616). Na de herovering
door Saladijn (1187) werd door toedoen van den
bisschop van Salisbury, Hubert Walter (1192), de
Latijnsche ritus in het heiligdom hersteld tegen een
jaarlijksche schatting. Even later werd den Francis-
canen de hoede der Basiliek opgedragen. Veel is door
iv 26
803
Bethlehem — Bethlen
804
hen (met name door de gardiaans Girardo Calveti
en Giovanni Tomicelli, einde 16e eeuw) voor haar
onderhoud en herstel gedaan. Sinds de 16e eeuw
beginnen de onverkwikkelijke twisten tusschen de
Franciscanen en de Grieken om het bezit der kerk.
De Porte was nu eens deze, dan weer gene communiteit
genegen, naar gelang haar politiek dat VToeg. Op
21 April 1873 deden de Grieken een inval in de basiliek,
doodden 8 Minderbroeders en verwoestten de kribbe-
kanel. Nog dikwijls herhaalden zich dergclijke over-
vallen, zij het ook minder bloedig; de laatste had
plaats 6 Juni 1928. De kribbe, oorspronkelijk van leem,
werd ten tijde van Iliëronymus door een zilveren ver-
vangen. Volgens een latere overlevering heeft er een
houten kribbe bestaan, die met reliquieën van de
Onnoozele Kinderen en van den H. Iliëronymus naar
Rome in de Liberiaansche Basiliek (sindsdien Sancta
Maria ad praesepe geheeten) werd overgebracht.
Het tegenwoordig Franciscanenklooster met de
Sint Catharinakerk staan w T aarsch. op de plaats van
het vroegere klooster der vrome vrouwen, die onder
de H. Paula met Iliëronymus in B. verbleven.
Lit.':} Schultz, The Church of the Nativity of B.
(1910); Weigand, Die Geburtskirche von B. (1911); IJ. Vin-
cent en F. M. Abel, B. Le Sanctuaire de la Naüvité (1914);
Baldi, La questione dei Luoghi Santi (1919, 30-58);
Dict. d’Archéol. chrét. et de Liturgie (II, kol. 828-837).
Knipring.
Bethlehem , fabrieksstad in den N. Amer. staat
Pennsylvania (40° 40' N., 76° 27' W.), gedrapeerd op
de heuvelen, die zich langs beide oevers van de Lehigh-
rivier uitstrekken. 67 892 inw. (1930). Spoorw^egkruis-
punt aan de Lehighrivier en het Lehigh Coal and
Navigation Company-kanaal. Hoofdzetcl van de
Bethlehem Steel Corporation, waarvan de ijzer- en
staal-, de cokes- en machinefabrieken een lengte
van 6 km langs de rivier bezetten. Ook de zijdc-
industrie is er van belang (werkgelegenheid voor de
vrouwen, terwijl de mannen in de zw r aarindustrie
arbeiden). Zetel van de Lehigh University, in 1930
1 669 studenten. Polspoel.
Bethlehem, 1° een bij Oudkerk (Friesl.) door
den Norbertijner abt, den Zal. Fredericus, ca. 1176
gestichte Norbertinessen -proosdij; in de 16e eeuw
opgeheven.
2° (Ook: B i e 1 h e m) voormalig klooster bij
Doetinchem, ca. 1180 gesticht dooreen zekeren Franco
op verzoek van Hendrik van Nassau, graaf van Gelro
en Zutphen. In den aanvang een klein houten bedehuis,
gebruikt door kluizenaars, werd het weldra door tal-
rijke schenkingen en privilegiën een rijk en beroemd
klooster van reguliere kanunniken, levende volgens
den regel van Sint Augustinus. Een poging tot aan-
sluiting bij de Duitsche orde mislukte. Bemard van
Vollenhove stelde in 1309 een nieuwe stichting te
Zwolle onder de hoede van Bethlehem. Dit afhanke-
lijke klooster w r ordt gcw T oonlijk ook Bethlehem.
soms St. Laurentiusklooster genoemd. Toen in 1430
het kapittel van Neusz, waartoe B. sedert 1423 behoor-
de, zich aansloot bij Windesheim, handhaafde B.
zich als onafhankelijk convent. De troebelen van den
80-jarigen oorlog deden de kloosterlingen de wijk
nemen naar Emmerik. Van het klooster zijn de fun-
damenten nog aan te wijzen.
L i t. : W. L. Bouwmeester, Het klooster Bethlehem
bij Doetinchem (diss. 1903) ; F. Ketner, De oudste
oorkonden van het klooster Bethlehem bij Doetinchem
(diss. 1932). J. v. Rooij .
3° Voormalig Kartuizerklooster te Roermond.
Het werd in 1376 gesticht en is in 1783 bij keizerlijk
besluit van Joseph II opgeheven. In zijn gebouwen
is thans het groot-seminarie van het bisdom Roer-
mond gevestigd. Bekende priors zijn o.m. geweest
Hcndi ik van Kalkar. Albertus Buer (f 1439) cn Bartho-
lomeus van Maastricht (f1446). Van 1420 tot 1471
leefde hier de vermaarde > Dionysius de Kartuizer.
23 Juli 1672 zijn 12 monniken en broeders van het
convent door Staatscho troepen vermoord.
L i t. : II. J. J. Scholtens, Een Boek over Kartuizers
(Roermond 1924). Scholtens .
4° (Ook : St. Barbara-proosdij) Nor-
bertinessen -klooster in Den Haag; gerechtshof van
den inquisiteur-generaal der Nederlanden; in 1676
opgeheven.
5° Franciscanessen -klooster te Haren bij Megen,
gesticht 1601, het eenige klooster der Reguliere
Derde Orde van den H. Franciscus in Nederland,
dagteekenend van voor de Hervorming.
Bit.: dr. Titus Brandsma, O. Carm.. Stichting, ver-
woesting en wederopbouw van het Franciscanessen-
klooster „Bethleëm” te Haren bij Megen, Bossche ^Bij-
dragen (I 1918, 268-353).
Bethlehemsclie Kindermoord, > Onnoo-
zele Kinderen.
Bethlen, 1° Gabor (= Gabriel), vorst van
Zevenburgen en koning van Hongarije; * 1580, f 1629;
van een oud-Ilongaarsch adeli. geslacht, dat de heer-
schappij in Zevenburgen had gekregen cn Calvinis-
tisch was gewerden. In 1619, bij het begin van den
dertigjarigen oorlog, trad hij op als bondgenoot der
Bohcemsche Protestanten cn rukte op tegen Weenen,
om de opvolging van Ferdinand II en het intreden
der Contra -Reformatie te beletten. In 1620 liet hij
zich kiezen tot koning van Hongarije; tot vrede ge-
bracht, behield hij echter zijn vijandschap tegen de
Katholieke Habsburgers, bleef in verstandhouding
met de Duitsche Protestanten en stierf in de voorbe-
reiding van nieuwen strijd. Zijn broeder Stephan
volgde hem op.
L i t. : Gindely, B. Gabor und sein Hof (1890) ;
Redlich, Gesch. Oesterreichs (V 1920). v . Gorkom.
2° Graaf Step h anus, Ilong. staatsman,
* 1874; in 1901 gehuwd met do schrijfster gravin
Margaretha Bethlen, 1901 lid van het Huis van
Afgevaardigden. Oorspr. behoorend tot de Liberale
Partij ging hij in 1904 over tot de Onafhankelijkheids-
partij, die hij in 1917 verliet, omdat zij onder K&rolyi
radicaal begon te worden. Begin 1919 ijvert hij, als
voorzitter van den Raad van Seklcrs, voor het behoud
van Transsylvanië on tracht tot de oprichting van een
conservatief blok te komen. Tijdens de Sovjet-regee-
ring is B. te Weenen, waar hij de tegenrevolutie orga-
niseert en optreedt als diplomatiek agent van de
tegen rejgeering te Szcged. Treedt bij de vredesonder-
handeling van Neuilly en Trianon als Transsyl-
vanisch deskundige van de Hong. delegatie op.
1921 — ’31 minister-president.
Zijn binnenlandsche politiek w r as
gericht op de consolidatie. Om ongestoord te kunnen
werken trok hij in zijn „Eenheidspartij” een parlemen-
taire meerderheid samen. Stabiliseerde de kroon met
behulp van een volkcnbondslecning. Een agrarische
henrorming werd, vooral ten behoeve van oud-front-
strijders, doorgevoerd. De cultureele hervormingen
werden uitgevoerd door > Klebelsberg, de sociale
door mgr. > Yass.
Door zijn buitenlandsche politiek
805
Beth Maacha— Bethsan
806
bevrijdde hij Hong. uit zijn isolement. Hij sloot een
vriendschap?- en arbitrage verdrag met Italië, breidde
voorts de vriendschapsbetrekkingen uit met Turkije,
Engeland, Oostenrijk, Duitschland. Door zijn meest-
begunstigingsverdragen o.a. met Tsiecho-Slowakije,
Oostenrijk, Folen, Duitschland, Italië, Frankrijk was
de liandelsbalans eenigon tijd actief. Sivirsky.
Bclh Maacha, > Abel Beth Maacha.
Bcllimann-Hollwecj ♦ 1° M o r i t z August
v o n, Duitsch rechtsgeleerde en staatsman; * 1795
te Frankfort a. d. Main, f 1877 op Rheineck bij Ander-
nach. Was achtereenvolgens hoogleeraar te Berlijn
en Bonn; van 1858 — 1852 minister van Eeredienst.
In 1840 in den adelstand verheven.
Belangrijkste werk: Der Zivüprozess des
gemeinen Rechts in geschichtlicher Entwicklung (6 dln.)
2°Theobald von, Duitsch staatsman,
* 23 Sept. 1856 te ITohenfinow, f 2 Jan. 1921. Uit een
familie van ambtenaren gesproten, trad hij, na zijn
studiën in de rechten voleindigd te hebben, in dienst
van den Pruis, staat; in 1905 Pruis. min. van Binnenl.
Zaken, in 1907 staatssecretaris van Binnenl. Zaken
van het Rijk. Na het ontslag van den minder volg-
zamen von Bülow, in 1909, werd hij tot rijkskanselier
verkozen. Zijn streven, vriendschappelijke nabuur-
schap met Engeland en de onzijdigheid van dit land
te bewerken, stuitte op groote moeilijkheden ten
gevolge van de vlootkwestie, het optreden van admi-
raal von Tirpitz en van den keizer. Door zijn weifelende
houding tegenover Oostenrijk in Juli 1914 en zijn
onhandig optreden o.m. tegenover de schending der
Belgische neutraliteit, werd hij door zijn buitenland-
sche vijanden beschuldigd het uitbreken van den
oorlog niet belet te hebben. Als gekant tegen verscherp-
ten duikbootenoorlog werd hij door von Tirpitz en
andere imperialisten ten val gebracht 13 Juli 1917.
Werken: Betrachtungen zum Wcltkricg{2 dln. 1919);
Kriegsreden (uitg. F. Thimmo 1919). Cosemans .
Bcllmal Green, wijk in het East End van
Londen.
Bclh Neinra (misschien «= Huis van helder
water), bijb. plaats in het gebied van den stam Gad,
veroverd op Selion, den koning der Amorrheeën
(Num. 32, 36; Jos. 13, 27). Waarschijnlijk het huidige
Teil Nimrin ten N.O. van de Doodo Zee, in den
Grieksch-Rom. tijd Bethennabris genoemd.
Simons,
Bctlioron (Beth Choron = Huis van den Bergpas),
bijb. dubbelstad (Boven- en Beneden-B.) in het gebied
van Ephraïm (Jos. 16, 3. 5) en aan de levieten van het
geslacht Caath toegewezen (Jos. 21, 22). Hierheen
vervolgde Josuë de verslagen troepen van den koning
van Jerusalcm en zijn verbondenen, terwijl het „groote
steenen” op hen regende (Jos. 10, 10. 11). Ook later
was B. vaak het tooneel van strijd, daar het een voor-
namen toegang van de kustvlakte naar het binnenland
beheerschto (vgl. 1 Reg. 13, 18; 1 Mac. 16, 24 e.a.).
Salomon (3 Reg. 9, 17) en later Bacchides (1 Mac.
9, 60) versterkten de stad. Thans Beit 'Oer el-Foka
en Beit 'Oer el-Tachta. Simons.
Beth Palet (Vluch thuis), bijb. plaats in het Z.
van Palestina (Jos. 15.27; Neh. 11.26). Opgravingen
(vanaf 1927 W. M. Flinders Petrie) doen vermoeden,
dat Teil Fari' de ruines bevat van B.
L i t. : W. M. Flinders Petrie, Beth .Palet. (I Londen
1930; II 1932).
Bclhphnge (Vijgenhuis), Nieuw-Testamentischc
plaats op den Olijfberg, vanwaar Christus zijn leer-
lingen zond naar Jerusalem om het muildier te halen
voor zijn intocht (Mt. 21.1). B. lag zóó dicht bij Jeru-
salem, dat het door den talmoed als één daarmee
wordt beschouwd. Het huidige B. bewaart overblijf-
selen van een traditie uit de 12e eeuw, doch het bijb.
B. is misschien hooger op den Olijfberg te zoeken.
Simons.
Bclh Phocjor (Beth Peor = Huis van Peor; vgl.
Baal Peor), bijb. plaats in het gebied van Ruben (Jos.
13.20) van onzekere ligging (Trans jordanië.).
Beth Recliob, > Rohob.
Betlisabcc, vrouw van Urias, werd door David
tot echtbreuk verleid. Nadat Urias door David’s
schuld in den oorlog gevallen was, werd B. door den
koning tot vrouw genomen. Het uit de echtbreuk
geboren kind stierf spoedig na de geboorte, maar B.
schonk David nog vier zonen, waaronder Salomon.
Zij wist van David te verkrijgen, dat Salomon tot
troonopvolger gekozen en gezalfd werd. Keulers.
Bctksaida (Vischhuis), Nicuw-Tcstamentische
plaatsnaam, die in het Evangelie meerdere malen
vermeld wordt. Er is veel gestreden over de vraag,
of B. over den Jordaan ten N.O. van het meer van
Genesareth (sinds den herbouw door den tetrarch
Philippus Bethsaida Julias genoemd), waar Christus
minstens éénmaal de brooden - vermenigvuldigde
(Mc.6,48) en een lamme genas (Mc.7,22), al dan niet
identiek is met „B. van Galilea”, waaruit de apostel
Philippus afkomstig was (Joh. 12,21) en, daar zij
Galileeërs waren uit B., ook Petrus en Andreas (vgl.
Joh. 1,44). In alle geval pleit Mc.6 sterk voor een
dubbel B., doch de profane geschiedschrijvers en de
Christ. oudheid kennen er slechts één. Eerst sinds
de kruisvaarders wijst men B. aan de Westkust van
het meer van Genesareth aan. De ligging van B. Julias
daarentegen is zeker nabij Mesad ijeh op korten afstand
van de Jordaanmonding. Zie ook > Betkesda.
Simons.
Bcthsamcs (Beth Sjcmesj «= Huis der Zon),
naam van meerdere bijb. plaatsen. B. in het gebied
van Ncphthali (Jos.19,38) en B. in het gebied van
Issachar (Jos.19,22) zijn van weinig beteekenis. Te B.
in Juda, thans 'A in Sjems (= Bron der Zon) aan den
spoorweg Jerusalem — Jaffa, kwam de ark des yer-
bonds op haren terugtocht uit het land der Philistijnen
(1 Reg. 6). Koning Amazias van Jerusalem werd nabij
deze plaats verslagen door Jehu van Israël (4 Reg.
14,11). De in 1911 daar begonnen opgravingen
(Duncan Mackenzie) zijn na den oorlog hervat en nog
niet voltooid (E. Grant). Over de chronologie der oude
vesting, die, door haar ligging bijzonder blootgesteld
aan Egyptische en Aegeïsche invloeden, een veel bewo-
gen geschiedenis heeft gehad, heerscht nog verschil
van meening.
L i t. : Pal. Explor. Fund, Annual (I 1911 ; II 1912 —
’13) ; E. Grant, Beth Shemesh. Progr*ss of the Haverford
Arch. Expedition (Haverford, Amerika, 1929) ; id., Ain
Shcms Excavations (Haverford 1931— 1 '32). Simons.
Bethsan (Beth Sjean), oude stad in Palestina
in den Oosthoek van de vlakte van Esdrelon, op gerin-
gen afstand van den Jordaan. De beteekenis van den
naam B., niet zelden vertaald als „huis van rust,
veiligheid” is nog onzeker. Een deel van het huidige
„Beisan” (ca. 3 000 inw., waarvan 1 700 Mohamm.)
aan den spoorweg Ilaifa — Damascus, bedekt de oude
nederzetting, waarvan echter zeer belangrijke ruïnes
zijn blootgelegd in den Teil el-llosn, gelegen tusschen
het huidige dorp en de rivier Dzjaloed. Aan den ande-
807
Beth Sjan — Beton
808
ren eever is tevens de necropool der oude stad ontdekt.
De bijb. berichten ovei B. zijn betrekkelijk schaarsch.
De Israëlieten konden in den aanvang de sterke ves-
ting niet veroveren op de Cananeeën met hun „ijzeren
wagens” (Jos.17,11; Jud. 1,27). De Philistijnen hingen
het lijk van Saul op aan den muur van B. (1 Reg.
31,10), blijkbaar in dien tijd in hun macht. Eerst met
de overwinning van David op de Philistijnen moet B.
in handen der Israëlieten zijn gekomen (vgl. 3 Reg.
4,12). Daarna wordt de stad eerst in den Macchabeeën-
tijd weer vermeld (1 Mac. 12,40). De bronnen der pro-
fane geschiedenis echter en de resultaten der zeer
belangrijke opgravingen van den jongsten tijd (C. S.
Fisher 1921— ’23; A. Rowe 1926— ’28; G. M. Fitzge-
rald 1928) veroorloven een veel vollediger beeld van de
geschiedenis der befaamde Jordaanvesting. Van de
negen opeenvolgende strata, die thans in de ruïnes
van Teil el-Hosn zijn blootgelegd, dateerend vanaf
1500 v. Chr. tot op den modernen tijd, zijn vooral de
oudste bijz. merkwaardig om de overblijfselen van
een sterken Egyptischen invloed en de resten van vier
Canan. tempels (vgl. ook 1 Reg. 31,10 en 1 Par. 10,10).
In den Griekschen en Romeinschen tijd wordt B.
Scythopolis of 2xv&a>v jioXtg genoemd, hetgeen ech-
ter niet zeker een gevolg is van de invasie der Scythen
in Palestina (ca. 625 v. Chr.), doch wellicht slechts een
verbastering van onbekenden oorsprong. Na den
herbouw door Gabinius werd B. weer een zeer belang-
rijke stad, de voornaamste der Decapolis. Het Christen-
dom drong er reeds zeer vroeg binnen, zoodat onder
Decius en Diocletianus talrijke martelaren er den dood
stierven. Patrophilus, bisschop van Scythopolis, was
tegenwoordig op het Concilie van Nicea in 325. De
pelgrims uit het Byzantijnsche tijdperk, evenals Arab.
geschiedschrijvers blijven B. vermelden in hun annalen.
L i t. : A. Rowe, The Topography and History of
Beth-Shan (Philadelphia 1930) ; G. M. Fitzgerald, The
four Canaanite Temples of Beth-Shan (ibid. 1930) : id.,
Beth-Shan. Excavations (1921 — ’23, ibid. 1931). Simons.
Beth Sjan, Beth Sjean, > Bethsan.
Beth Sjemcsj, > Bethsames.
Bethsur (Huis der Rots), bijb. plaats in Palestina
aan den huidigen weg van Jerusalem naar Hebron.
Bij het gebied van Juda ingelijfd (Jos.13.58) werd B.
door Roboam later versterkt (2 Par. 11.7). In den
Macchabeeëntijd was B. een strategische post van be-
teekenis door Joden en Syriërs met afwisselend succes
omstreden (vgl. 1 Mac. 4.6,7.; Mac. 11 en 13). Het
huidige Beit Soer met resten van oude Arab. bouw-
werken ligt in de nabijheid van de bijb. stad, thans
Chirbet et-Rabeiqah, waar opgravingen begonnen
zijn in 1930. Simons.
Bcthulia, bijb. plaats, de geboorteplaats van
Judith, door Holofernes belegerd (Judith 7 en vlg.).
De juiste ligging (niet ver van Dothain) is onbekend.
Béthune, arr. hoofdstad van het Fransche dept.
Pas de Calais (50° 32' N., 2° 38' O.), 19 956 inw. (1931).
Moerassig gebied, veel steenkool. Handelsplaats,
linnenbleekerij ; suikerraffinaderij .
B. ligt in het oude Artes ië, waarnaar Robert III
van Vlaanderen heette. In 1487 leed Maximiliaan hier
een geduchte nederlaag tegen de Franschen, wat aan-
leiding tot nieuwe woelingen der Vlamingen werd.
Bethzacharam (Bethzacharia = Huis van
Zacharias), bijb. plaats in Palestina, waar Judas de
Macchabeeër een onbeslisten slag leverde tegen de
Syriërs (1 Mac. 6.32 vlg.). Thans Beit Zakaria, 18 km
ten Z. van Jerusalem.
Bcthzata, > Bethesda.
Bcthzeeha (of Bezet h), bijb. plaats in Pales-
tina, vermeld in de oorlogen der Macchabeeën (1 Mac.
7.19). De meest waarschijnlijke identificatie is Beit
Zeita, 5 km ten N. van Bethsur.
Betimmering, in hout uitgevoerde afwerking
van vertrekken, wanden en onderdeelen. Men onder-
scheidt kamer-, kast-, kozijn- en wandbetimmeringen.
De constructies moeten zóó gemaakt worden, dat het
hout vrij kan krimpen zonder dat naden ontstaan ofwel
zoo dat deze naden niet hinderen. Bij kostbare b.
wordt het hout onzichtbaar bevestigd door verdekte
vernageling.
Ventilatie achter wand-b. is gewenscht. Groote
vlakken in paneelen worden veel van triplex gemaakt.
Tkunnissen.
Beting, zwaar houten of ijzeren juk, in gebruik
op sleepbooten, ter bevestiging van den sleeptros.
Bestaande uit: twee verticale palen, de zgn. beting-
stijlen, aan de bovenzijde verbonden door een dwars-
balk, den betingbalk.
Betjocnen beteekent in Friesland: beheksen,
betooveren.
Beton, een mengsel van mortel en toeslagmateria-
len, waarvoor meestal grind en steenslag wordt ge-
bruikt, ook wel hoogovenslakken of bimsslakken
uit het Eifelgebied; men spreekt dan van slakken-
of bimsbeton. Ter verkrijging van bijzonder
hard b. wordt vijlsel van ijzer of staal toegevoegd,
bijv. voor vloeren in fabrieken; dit is zgn. s t a al-
fa e t o n. De mortel moet na een bindings- cn ver-
hardingsproces met het toeslagmateriaal een vast en
zoo dicht moge lijk geheel vormen. Naar gelang van
het bindmiddel in de mortel spreekt men van ce-
ment-, tras- of kalktrasbeton. De
mengingsverhouding der grondstoffen voor het maken
van b. werd tot vóór enkele jaren door de bouwmeesters
telkens ingevolge de uitkomsten van bijzondere proef-
nemingen voor elk geval afzonderlijk bepaald. Het
doel van derge lijke proefnemingen was, een zoodanige
samenstelling van het zand en het toeslagmateriaal
te bepalen, waarvoor het beton de grootste drukvast-
heid bleek te bezitten. Door de uitgebreide en veel
omvattende nasporingen in de Ver. St. van N. Amerika
en de systematische proefnemingen der Europeesche
proefstations voor het onderzoek van (bouwmateria-
len is in de laatste jaren op dit speciale gebied voor de
behoeften der practische bouwkunde een hooge graad
van volmaaktheid bereikt. Door het vaststellen van
de grootte der zeefmazen wordt tegenwoordig een
bepaalde korre lgrootte van het zand voorgeschreven.
Door toepassing van bijzondere toestellen (schudtafels
en dgl.) is men er in geslaagd een maatstaf voor de
consistentie (stijfheid) der betonmassa te vinden. Als
gevolg van deze beproevingsmethoden is men thans
in staat de gelijkmatige samenstelling van het b. voor
een geheel bouwwerk te verzekeren en mislukkingen
bij de uitvoering te voorkomen. Naarmate de verschil-
lende doeleinden varieert de mengverhouding van
cement, steenslag (^rind) en zand, terwijl voorts de
gebezigde hoeveelheid water van invloed is op de vast-
heid van het b. Men onderscheidt in hoofdzaak:
stampbeton, dat een consistentie heeft van
vochtige tuinaarde en bij groote werken niet veel meer
wordt toegepast wegens het hooge arbeidsloon; voorts
gietbeton met een consistentie als van dunne
brij , dat meer en meer gebruikt wordt wegens het gemak
waarmede het, door het aanwenden van storttorens.
m
Betonbouw
810
goten en andere mechanische hulpmiddelen, kan
worden bereid, en vervolgens het zgn. plastisch
beton, met een consistentie, welke tusschen
die der beide vorige in ligt en een drukvastheid, weinig
verschillende van die van het eerstgenoemde. Door een
bepaalde mengingsverhouding kan de consistentie
zoodanig worden gemaakt, dat het b. onder luchtdruk
kan worden gespoten of geperst. Dit laatste vindt bijv.
toepassing om losse steenlagen bij tunnelbouw’ vast te
zetten. Vette b. bevat meer, magere b.
minder cement dan met de normale mengingsverhou-
ding overeenkomt.
De bestandheid van b. tegen atmospheri-
sche en andere invloeden is voornamelijk van belang
ten opzichte van zuren, welke echter niet alle schade-
lijk zijn. Zoo is bijv. alleen vrij koolzuur agressief,
doch in gebonden toestand niet. Bovendien wordt door
de aantasting dikwijls een huid op het b. gevormd,
waardoor dit verder voor invreten wordt beschermd.
In het algemeen is het wenschelijk een zoo dicht
moge lijk b. samen te stellen en dit bovendien nog door
bestrijken met mastiek en dgl. verder te beschermen.
Zwavelzuur, zwavel igzuur en zwavelwaterstof tasten
het b. sterk aan, daar zij de aanwezige vrije kalk in
gips omzetten; als voorbehoedmiddel daartegen
wordt tras aan het b. toegevoegd. Voorts moet nog,
vooral in de veenstreken, gerekend worden op aan-
tasting door humuszuren, welke echter slechts zeer
verdund in het veenwater voorkomen. Ook de in het
zeewater aanwezige stoffen, natriumchloride, magne-
siumchloride en natriumsulfaat, tasten het b. in min
of meer sterke mate aan en wel door de omzetting van
de vrije kalk, zoodat het van belang is deze te binden
door toevoeging van tras. Bovendien zal men in alle
gevallen moeten zorgen, dat de schadelijke stoffen
niet met het b. in aanraking kunnen komen, voordat
dit voldoende verhard is.
B. was al in de oudheid bekend. Vele Romeinsche
bouwwerken bestaan uit muren van b. Tot bindmiddel
dienden kalk,puzzolane(Vesuvius)en tras. P. Bongaerts.
Betonbouw. I. Technisch. Onder b. verstaat
men bouwwerken, welke geheel of wat de belangrijkste
dragende of ondersteunende construct iedeelen betreft,
van b. of gewapend beton (gew. b.) zijn vervaardigd.
Deze wijze van bouwen dankt haar snelle ontwikke-
ling en haar toepassing in alle takken van het bouw-
bedrijf aan de groote voordcelen van het materiaal,
de absolute vuurbestendigheid, het groote aanpassings-
vermogen met betrekking tot de architecturale vormen
zoowel als in verband met de optredende uit- en in-
wendige spanningen, den volkomen samenhang der
constructiedeelen, welke een gelijkmatige verdeeling
der lasten over groote vlakken en het opnemen van
krachtige schokken veroorlooft, de mogelijkheid van
een snelle en goedkoope uitvoering, een groote duur-
zaamheid en geringe kosten voor het onderhoud van
het tot stand gekomen bouwwerk. Daar tegenover
staan als nadeelen het tamelijk groote doorlatings-
vermogen voor geluid, de geringe bewerkbaarheid,
voorts het ontstaan van scheuren, het optreden van
vochtigheid en koude in van b. of gew. b. vervaardigde
gebouwen, de geringe mogelijkheid om in een eenmaal
gereedgekomen bouwwerk veranderingen aan te
brengen, doch deze nadeelen kunnen door geschikte
middelen (isolatie door middel van luchtlagen,
spouwen, of wel kurkp laten, opvulling met cokes of
hoogovenslakken, toevoeging van bitumineuse stoffen,
bekleeding met linoleum op kurkestrik, anderzijds
met behulp van snijbranders, pneumatische beitels,
enz.) verholpen worden. Door het gebruik van geschik-
te machines voor het mengen van het b. en het bewer-
ken van het voor het gew. b. benoodigde ijzer kan een
groote besparing van tijd verkregen worden, zoodat in
vele gevallen van een ononderbroken werkwijze
gesproken kan worden, vooral bij toepassing van
> betonmengmachines, betonmolens, schudgoten,
giettorens, transportbanden en betonpompen.
Werken in b. en gew. b. worden op velerlei gebied
uitgevoerd en behalve bij den > woningbouw ook bij
fundeerings- en waterbouwkundige werken voor
sluizen, bassins voor verschillende doeleinden, fundee-
ringsplaten en heipalen, steunmuren, stuwen, open en
gesloten kanalen, enz. Bij den > bruggenbouw worden
plaat- en vakwerkbogen, gewelfde platen, balk- en
boogvakwerkbruggen toegepast.
De samenwerking tusschen ingenieur en architect
heeft geleid tot een zich aan de bijzondere eigenschap-
en van b. en gew. b. aanpassende uitvoering der
ouwwerken, aan een eigen stijl, welke geen naboot-
sing is van de uit andere materialen (hout, baksteen,
ijzer) vervaardigde werken. Op deze wijze ontstonden
bouwwerken, welke kunstproducten zijn, die niet
behoeven onder te doen voor de beste monumentale
bouwwerken uit vroegeren tijd, ten gevolge van het
feit, dat zij door hun strakke lijnen zoowel als vlakken-
behandeling in overeenstemming zijn met het materiaal
en zijn constructieve eigenschappen. Dit is de oorzaak,
dat deze wijze van bouwen in het korte tijdsbestek van
enkele tientallen van jaren een groot succes geworden
is en overal toepassing heeft gevonden. P. Bongaerts.
Gewapend- betonconstructies worden tegenwoordig
in de meest verschillende soorten toegepast, waarbij
de volgende hoofdvormen onderscheiden worden:
platen, balkconstructies,balklooze vloeren (mushroom-
systeem van Turner), kolommen en palenconstructies.
” Voor al deze vormen gelden, wat de sanienstelling
betreft, bepaalde eischen, welke hier niet alle kunnen
worden vermeld.
Alleen ten opzichte van de mushroom-
construct ie, welke meer en meer toepassing
vindt, moge worden vermeld, dat daarbij alle balken
vervallen en de vlakke doorgaande vloeren recht-
streeks op de kolommen rusten. De wapeningen
gaan in vier richtingen evenwijdig aan alle verbin-
dingslijnen der kolommen, wier kapiteelen door
middel van radiale en ringbewapening het scheuren
tegengaan en de buigingsmomenten opvangen. Behalve
goedkooper dan een constructie met balken biedt het
systeem van Turner nog het voordeel van een grooter
vrije hoogte, waardoor bij gelijke bouwhoogte de nuttige
ruimte aanzienlijk (tot i.5%) grooter is. P. Bongaerts.
II. Ac8thetisch. Betonbouw vertoont de karak-
teristieke kenmerken van de monolietische bouwwijze.
Steunpunt en overspanning gaan zonder bevestigings-
deel in elkaar over. Bij gewapend b. verricht het ijzer
de functie van de ons bekende ijzerconstructies, het
beton houdt deze op hun plaats, conserveert ze en
neemt evenals steenenmateriaal „druk” op. Nu eens,
bijv. bij wanden, zal het steenachtige karakter, dan
weer, bij vloeren en uitstekende balcons, de dragende
functie als bij ijzerconstructie naar voren treden.
Bij groote overspanningen komt vooral door het eigen
gewicht de steenachtige oorsprong in de vormgeving
tot uitdrukking, men ontwerpt dan geen vlakke
balken, doch bogen en gewelven, welke meestal flau-
wer gebogen zijn dan bij steen. B. wordt meestal in
811
Betonbuizen — Betonmortel
812
(houten) vormen gegoten; soms in ijzeren en gipsen vor-
men, soms met ornament voorzien, waardoor mogelijk-
heden ontstaan voor aesthetische werkingen. De kleur
van b. is grauw, daarom wordt beton meestal gepleis-
terd of bekleed met andere materialen, ofwel met
metaalzouten gekleurd. Thunnissen.
Gewapend-betonbrug over het in aanleg zijnde Twente-
kanaal, gelegen in den weg Lochcm-Laren. Gebouwd
onder directie van den Rijkswaterstaat.
L i t. : Baubücher No. 5, uitgave Julius Hoffman
(1928) ; Julius Vischer en Ludwig Hilberscimer, Beton
als Gestaltcr; Bekroond antwoord van ir. H. F. Zwiers
op een prijsvraag in het Bouwk. Weekblad (1933, 29).
Betonkerk te Raincy (Fr.). Arch. gebr. Perrct.
III. Liturgisch. Beton mag bij kerkbouw gebezigd
worden, en een kerk erin opgetrokken, kan gewijd
worden, wanneer in de binnenzijde der wanden aan-
wezig zijn 12 met een kruis gemerkte natuursteenen,
en ook de posten der ingangsdeur van natuursteen zijn.
Betoiibuizen dienen tot ondergrondsche voort-
leiding van vloeistoffen. Zij worden in tweeërlei
vorm toegepast, namelijk rond en eivormig. Voor
beide soorten zijn door do Hoofdcomm. v. d. Normali-
satie in Nederland normale afmetingen en keurings-
eischen vastgestcld (Normaalbladen N 70, N 71 en
N 70); eerstgenoemde varieeren van 15 tot 150 cm
doorlaat, laatstgenoemde van 30/45 (wijdte en hoogte)
tot 100/150 cm doorlaat. Het verdient aanbeveling
de eivormige b. toe te passen, daar bij een verminderde
vloeistof hoeveelheid daarin de vloeistofsnelheid niet
onevenredig afneemt, zooals in de ronde het geval is,
terwijl bij een bepaalde doorsnede met een smaller
bouwsleuf kan worden volstaan. > Rioleering.
P. Bongaerts .
Betonconstructies, > Betonbouw (1).
Bef oiiyrind moet blijven liggen op een zeef van
2,25 mazen per cm 2 cn niet grooter zijn dan 60 mm.
Betonica, Betonie, ook wel Stachys offi-
c i n a 1 i s geheeten, behoort tot de familie der
lipbloemigen (Labiatae). Vroeger werd aan b. genees-
kracht toegeschreven voor 40 kwalen; is thans in de
apotheek nog bekend als Herba Beton icae.
Betonmolen, toestel tot het bereiden van beton.
In den trommel worden de bestanddeelen van het
beton met water vermengd.
Betonmortel wordt onderscheiden in cement-,
kalk- en trasmortel en wel naar gelang van het doel,
waartoe zij moet dienen. Wanneer gebroken baksteen
(brikken) in plaats van steenslag of grind wordt
gebezigd, is de vastheid van het beton minder groot.
De bindtijd is afhankelijk van de temperatuur, daar
de koude het binden vertraagt. Vorst werkt schadelijk
op het nog niet voldoende gebonden beton; zoo noodig
kan bij vriezend weer een snelbindend cement
gebezigd worden. p, Bongaerts .
814
Betonning en bebakcning— Betriebsrftte, Betriebsrategesetz
Betonning cn bebakcning (s c h o e p y.)
is van rijkswege geregeld, o.a. door de wet tot regeling
van het bakenwezen op openbare wateren en door het
reglement voor den bakendienst. Op de rivieren wordt
de vaargeul aangegeven door > bolbaken. De aan-
wezigheid van kribben, strekdammen of van andere
werken, die bij hoogere rivierstanden onder water
kunnen geraken, wordt aangegeven door bleesbaken,
ruitbaken c i raambaken. Soms worden op gevaarlijke
punten gedurende den nacht geleidclichten aange-
bracht. Plaatselijke ondiepten en zandbanken worden
aangegeven door boeien en bakentonnen. J . ten Brink.
Bctonstortcn. Zooals onder > beton vermeld
is, onderscheidt men in hoofdzaak 3 soorten van beton,
nl. stampbeton, plastisch en gietbeton. liet eerst-
genoemde bevat het minste water en daardoor moet
tijdens het storten voortdurend gestampt worden,
opdat alle lucht kan ontwijken en de ruimten tusschen
den steenslag of het grind geheel met mortel worden
aangevuld, waardoor men een compact geheel ver-
krijgt. Dientengevolge is het werkloon hoog en zal
men liever plastisch beton toepassen, waarvan de
consistentie minder vast is en dat zich derhalve
gemakkelijker laat behandelen; echter moet ook hierbij
door stooten het vormen van holten en luchtbellen
worden tegengegaan. Daarom is het gietbeton uit een
oogpunt van gemakkelijker behandeling te^ verkiezen
en het wordt dan ook bij groote werken vrijwel alge-
meen toegepast, daar het door middel van storttorens
en goten op de plaats van bestemming gebracht
kan worden en niet zulk een zorgvuldige behandeling
vergt. Echter moet men ervoor zorgen, dat de helling
van de goten niet te gering en ook niet te groot is;
in het eerste geval loopt het water vooruit en blijven
de vaste bestanddeelen achter, in het laatste zal de
toeslag (steenslag of grind) vooruitloopen en het beton
dus ontmengd worden.
Een eerste vereischte is dat het gietbeton niet zeer
waterrijk is. Bij het b. in water moet vetter mortel
gebruikt worden dan in de lucht; in stroomend water
kan men niet storten, daar dan het cement weggespoeld
wordt; daarom zorgt men door afdamming, dat het
water niet in beweging is tot het beton voldoende
gebonden is. Ook bij vorst mag niet gestort worden,
tenzij met gebruikmaking van voorgewarmd water
(mortel) en snelbindcnd cement, of met toeslag van zout.
Wanneer door de afmetingen van het te storten beton-
lichaam het ontstaan van stortvoegen niet te vermijden
is, zorgt men ervoor, dat zij verspringend komen te
liggen op plaatsen waar de minste spanningen optreden.
Bij het storten tegen reeds bestaand beton moet men
dit eerst > aanbranden.
Ten einde te voorkomen dat het beton uitdroogt
alvorens te binden, zal men het zoo lang mogclijk
vochtig houden, hetzij door geregelde besproeiing,
hetzij door bedekken met natte zakken, nat zand of
dergelijke. . .
Het beton wordt gestort in ^bekistingen,
de houten constructies, die overeenkomen met den
te maken vorm van het bouwwerk en waarin het beton
wordt gestampt of gegoten. Hèt weghalen van de
bekisting noemt men ontkisten of ontcenteren.
P. Bongaerts.
Beton toeslagen. Een eerste vereischte voor de
vorming van goed beton is, dat de holten in den toeslag,
d.i. grind of steenslag, door de mortel niet alleen
worden opgevuld, doch dat er bovendien nog een
overschot aan mortel is.
Men verkrijgt een dicht beton, wanneer de hoeveel-
heid mortel ongeveer 20% grooter is dan het volume
der holten. De voordeeligste grootte van grind en
steenslag is die, welke niet meer dan 50 mm en niet
minder dan 6 mm bedraagt. Voor waterdicht werk
moet een b. van niet meer dan 20 mm gebruikt worden.
Wegens de goedkoopte is grind of kiezel tc verkiezen
boven steenslag, omdat dit laatste meer holle ruimten
bevat. .
De algemeen gebruikelijke verhouding van 2:1
voor toeslag en zand kan benut worden bij toeslagen
met maximaal 36% holten (grind of steenslag van
verschillende grootten dooreen); bij grof steenslag
(tot 50% holten) moet naar verhouding meer mortel
gebruikt worden. P- Bongaerts .
Betontraliewaflens zijn houten kruiwagens
voor vervoer van beton; zij onderscheiden zich van de
gewone kruiwagens voor ' grond vervoer, doordat zij
een bodem en kop van ijzeren spijlen hebben.
Betonwegen, > Bestrating, > Wegen.
Betonijzer is rond staafijzer (vloenjzer) met een
trekvastheid van 38-48 en een drukvastheid van 14-16
kg /mm*. . , ...
Be touw, Jo hannes in de, geschied- en
oudheidkundige; * 1732, f 1820, lid van het stads-
bestuur te Nijmegen; voortzetter van de „Cromjk
van de oude stad Nijmegen” van Smetius; deed kleinere
studiën over Nijmeegsche geschiedenis en oudheden
verschijnen op naam van zijn zoon G. C. in de Betouw.
Zijn collectie Romeinsche oudheden is voor een
belangrijk deel aangekocht door het museum te Leiden;
zijn handschriften en boeken vermaakte hij aan de
Leidsche universiteits-bibliotheek. In Nijmegen is
een straat naar hem genoemd.
Betrapping, > Heeterdaad.
Betrekkelijk of relatief (Lat. refero =
terugbrengen) is wat men kan terugbrengen tot iets
anders, waarmee het al dan niet in een afhankelijk-
heidsbetrekking staat. > Volstrekt.
Betrekkelijke vochtigheid van de lucht,
> Vochtigheid van de lucht.
Betrekkelijk voornaamwoord, > Rela-
tivum.
Bctrckkingsschaal eener wederkee-
rige reeks, > Wederkecrige reeks.
Betrckkingswaan, > Waandenkbeelden.
Betriebsrale, Betriebsrategesetz. Reeds
voor het einde van den Wereldoorlog had Duitschland
zijn toevlucht genomen tot de medewerking der
arbeidersorganisaties nl. bij het Gesetz über den va-
terlandischen Hilfsdienst (1916). Daarin werd o.a.
bepaald, dat er in alle voor dezen Hilfsdienst werk-
zame ondernemingen (Betrieb = onderneming.;,
welke meer dan vijftig arbeiders telden, bepaalde
kernen zouden zijn. Vooral bij geschillen tusschen
werkgever en arbeiders zouden die kernen optreden.
Na^ de revolutie van 1918 werd op deze regeling
voortgebouwd. Reeds bij twintig man in de onder-
neming zou een kern worden gevormd, zoowel bij
publiek- als privaatrechtelijke ondernemingen. De
taak van de kern werd uitgebreid. Zij zou de belangen
van arbeiders en bedienden tegenover den werkgever
behartigen en een taak hebben bij de uitvoering van
de collectieve arbeidscontracten.
Naar het voorbeeld van Rusland waren in den
revolutietijd Betriebsrate gevormd en de grondgedachte
daarvan werd neergelegd in het Betriebsrategesetz
van 1920. De Ausschüsse of kernen van 1916 werden nu
815
Betrokkene — Bettinelli
816
Betriebsrate, die in het geheele bedrijfsleven in alle
ondernemingen met ten minste twintig arbeiders en
bedienden zouden worden opgericht. Bijzonderheden
o.a. voor het landbouwbedrijf en kleinere onder-
nemingen blijven hier buiten beschouwing.
De bevoegdheden van den Betriebsrat zijn veel
grooter dan van de vroegere Ausschüsse. De bedoeling
is, dat het nieuwe lichaam in de onderneming den
werkgever steunt bij zijn behartiging van het doel
der onderneming. De Betriebsrat moet ervoor zorgen,
dat de onderneming zoo economisch mogelijk wordt
geleid, en meewerken aan het totstandbrengen van
nieuwe arbeidsmethodes. Bij het aannemen en ontslaan
van personeel heeft de Betriebsrat een gewichtige
taak; verder natuurlijk weer bij geschillen en bij de
uitvoering van het collectief arbeidscontract. De
werkgever moet inzage geven van de loonboeken en
elk kwartaal aan den Betriebsrat verslag uitbrengen
over den toestand der onderneming. In naamlooze
vennootschappen benoemt de Betriebsrat zelfs leden
in het college van commissarissen. Op het terrein van
de vakvereenigingen mag de Betriebsrat niet komen.
Er is veel verschil van meening over de vraag, hoe
deze Betriebsrate hebben gewerkt. De omstandigheden
van Duitschland op economisch gebied zijn zeer zeker
niet gunstig geweest voor een zuivere proefneming.
Daarnaast staat, dat de verkeerde keuze: onderneming
en niet: bedrijf, als grondslag van een nieuwe ordening
van het bedrijfsleven, met de daarbij noodzakelijke
conflicten tusschen de Betriebsrate en de leiding der
vakvereenigingen, niet kon doen vernachten, dat
belangrijke resultaten zouden worden verkregen.
Met het Hitler-regime in Duitschland is deze geheele
regeling wel van de baan te achten.
Pogingen in ons land om in de richting van Betriebs-
rate te gaan, moesten na de stappen tot bedrijfs-
organisatie (bedrijfsradenstelsel, enz.) en de instem-
ming, die daarmee in nagenoeg de geheele vakbeweging
was betuigd, noodzakelijk mislukken.
L i t. : H. Brauns, Das Betriebsrategesetz ; Th. Brauer,
Das Betriebsrategesetz und die Gewerkschaften ; Henri
Hermans, Het groote vraagstuk der Bedrijfsorganisatie ;
prof. dr. J. A. Veraart, Medezeggenschap, Ec. St. Ber.
(1922) ; id., Beginselen der Economische Bedrijfs-
organisatie. Veraart.
Betrokkene, in het Handelsrecht de
benaming voor dengene, op wien een wissel „getrok-
ken” is, d.w r .z. aan wien de trekker in een wisselbrief
last geeft, om het daarin genoemd bedrag aan een
derde of diens „order” te betalen. Tot zoodanige beta-
ling is de betrokkene niet verplicht, zoolang hij geen
„fonds” onder zich heeft, hetgeen beteekent, dat hij
de in den w issel genoemde som aan den trekker schuldig
moet zijn. Door dan dit bedrag op verzoek van dien
trekker aan een aangewezen derde te betalen, wordt
de betrokkene tegenover den trekker gekweten. De
betrokkene w r ordt acceptant, zoodra hij door
een schriftelijke verklaring daarvan doet blijken,
hetgeen in de practijk meestal geschiedt door op den
wissel te schrijven „geaccepteerd” en dit te onder-
teekenen.
Het verschil tusschen betrokkene en acceptant is
vnl. dit, dat de houder van den wrissel, indien de be-
trokkene niet betaalt, van dezen in rechte niet zonder
meer betaling kan vorderen, doch op den vorigen hou-
der zgn. regres moet nemen, terwijl hij daarentegen op
den acceptant rechtstreeks een vordering heeft : want
door de acceptatie heeft de betrokkene zich verbon-
den, om het in den w issel genoemd bedrag ten verval-
dage te betalen aan dengene, die van den wissel dan
de houder zal zijn. Over den betrokkene handelt in
Nederland het Wetboek van Koophandel.
T'tYviH 6 1 g 1 ë : Wetb * van Koophandel Bk. I,
L i t. : L. Frédericq, Beginselen v. h. Belg. Handels-
«: Ariëns.
Betsjjoeana, ->• Beetsjoeana.
Bettborn, gem. in het groothertogdom Luxem-
burg, ten Z.W. van Ettelbrück; opp. 1 560 ha, ca.
900 inw.; autobusdienst.
Bettelheim, A n t o n, Oostenrijksch-Duitsch
litterair-historicus en tooneelcriticus. * 18 Nov. 1851
te Weenen, 29 Maart 1930 aldaar. Stichter van de
biographieënreeks Führende Geister (1889 vlg.) en
leider van het Biographisches Jahrbuch und Deut-
scher Nekrolog (1897 vlg.), deed B. aan wetenschap-
pelijke tekstuitgaven (o.a. van Anzengruber) en aan
gewetensvolle biographie volgens de traditioneel-
historische methode.
Werken: Anzengruber (1891) ; Auerbach (1907) ;
Balzac ; von Saar (1908) ; Beaumarchais (1911) ; Ebner-
Eschenbach (1920) ; Wiener Biographengange (1921).
Baur.
Bettcloni, V i 1 1 o r i o, Italiaansch dichter,
1840 te Verona, f 1910 aldaar; schreef lyrische en
epische werken en vertaalde Goethe, Byron, Hamer-
ling, e.a.
Werken: o.a. In primavera ; Nuovi versi ; Stefania.
— : y 1 1. : Henrich (1924) ; Bonfartini, Betteloni o la
critica (1930).
Bettemburjj, gem. in het groothertogdom
Luxemburg, ten Z. van Luxemburg; opp. 2 149 ha,
ca. 5 560 inw. ; spoorwegcentrum ; Alzette -rivier;
nijverheids- en handelsplaats.
Bettendorf, gem. in het groothertogdom
Luxemburg, ten O. van Diekirch; opp. 2 324 ha,
ongeveer 1 700 inw.; spoorweg; brug over de Sauer;
kerktoren met Romeinsch beeldhouwwerk.
Bettenhoven (Fr. Bettincourt),gem. indeprov.
Luik; ten N.W. van Borgworm; opp. 187 ha, ruim
400 inw.; landbouwstreek; kerk uit de 18e eeuw mot
twee klokken uit de middeleeuwen.
Bctterment tax, belasting, welke in Engeland
werdt geheven van de tengevolge van overheids-
werkzaamheden gestegen waarde van eigendommen.
In Ned. is zij bekend onder den naam van > baat-
belasting.
BettI, Dg o, Italiaansch dichter en tooneel-
schrijver, geb. te Camerino, woonachtig te Parma.
Werken: o.a. 11 re pensieroso (gedichten, 1922) ;
La padrona (tooneelstuk) ; Stella, Caino (novellen, 1928h
Be t tinei li, S a v è r i o, Italiaansch schrijver,
* 18 Juli 1718 te Mantua, f 13 Sept. 1808 aldaar. Trad
in de orde der Jezuïeten, reisde door Italië, Duitsch-
land, Frankrijk, waar hij Voltaire leerde kennen en
bewonderen. Schreef tragedieën, die geen bijval ge-
noten, en gezwollen lyrische gedichten zonder bezie-
ling. In zijn: Lettere virgiliane (1757) en Lettere inglese
(1767) maakte hij, in den aard van Voltaire. een zeer
gewaagde critiek op de Divina Commedia (Goddelijke
Comedie) van Dante, hetgeen een hevige polemiek uit-
lokte, die tot eenig en heilzaam gevolg had de Dante-
vereering, die sedert eeuwen in het vergeetboek ver-
zeild was, te doen opleven. Gozzi diende hem van
antwoord met zijn Difesa di Dante (1768). Van blij-
vende waarde is zijn geschiedkundig werk II resor-
817
Bettink — Betz
818
gimento d’ltalia negli studi, nelle arti e ne’ costumi
dopo il mille (2 dln. 1773).
Werken: Volledige uitg. door hemzelf bezorgd
(24 dln., Venetië 1799—1801) ; Lettere virgiliane di
S. B. door P. Tommasini Mattiucci (Citta di Castello
1913) ; Lettere virgiliane e inglese door V. E. Alfieri
(Bari 1930). — L i t. : G. Federico, L’opera letteraria
di S. B. (Milaan 1913) ; L. Capra, L’ingegno e Popera di
S. B. (Asti 1913) ; F. Colagrosso, S. B. e il teatro gesuitico
(Florence 1901). Ulrix.
Bettink, > Wefers Bettink.
Betuinen, het voorzien van rijs- en rietbeslag
of baardwerken (> Waterbouwkunde) met vlecht-
tuinen, samengesteld van rechte, op maat gehakte
palen, ter lengte van 60 cm, op afstanden van 35 5
45 cm en tuinlatten of haringband; bij het gebruik
van Geldersch rijs moeten lat voor lat worden ge-
vlochten. Voor de onderste en bovenste lagen worden
de zwaarste latten verwerkt.
Betula, > Berk.
Bctulaccae (fossiel), plantenfamilie tij-
dens het Tertiaire tijdvak; veelvuldig onder de vond-
sten is de Alnus Kefersteinii Göpp., behoorend tot het
geslacht der Alnacceën. B. plantkundig, >
Berkachtigen.
Betulius, eigenlijk: Simon von Birken,
Duitsch dichter van de groep der > Pegnitzschafer.
* 6 Mei 1626 te Wildenstein, f 12 Juni 1681 te Neuren-
berg. B.’s w^erk bevat, naast de gekunstelde herder -
poëzie, die de Neurenbergsche school kenmerkt en de
codificatie er van in een Poëtica (1697), eenige
godsdienstige liederen, die ontsnappen aan dat ver-
derfelijk -> Marinisme, en de Duitsche vertaling van
een enkel Jezuïetendrama (Androfilo, 1656).
Lit. : J. Tittmann, Die Nürnberger Dichterschule
(Göttingen 1847) ; A. Schmidt, S. v. B. (Neurenberg
1894). Baur.
Betuttelen, bijvorm van betittelen, beteekent
de tittels, puntjes, op de i zetten, nl. in een weten-
schappelijk of letterkundig geschrift; het verbeteren.
In den > Muiderkring w r as de term in gebruik; P. C.
Hooft betuttelde nog al eens de geschriften der andere
leden. Tegenwoordig gebruikt men het nog wel half
schertsend. v. d. Wijnper sse.
Betuwe, landschap in Geld., tusschen den Rijn
in het O., den Rijn-Lek in het N., de Waal en de Linge
in het Z. en de grens van de provincie Z. Holland in
het W. De bodem bestaat bijna geheel uit rivierklei;
in de stroombanen van vroegere rivierarmen zand.
Naar de hoogte verdeeld in Over-Betuw T e in het O.
en Neder-Betuwe in het Westen. > Gelderland
(Economische beteekenis). Heijs .
Betwisting (N e d. R e c h t) heeft plaats door
den curator in een faillissement van bij hem ingediende
vorderingen. Deze betwiste vorderingen moet hij op
een afzonderlijke lijst brengen, onder vermelding van
de gronden der betwisting, welke lijst, evenals die
der erkende vorderingen, vóór de verificatievergade-
ring moet worden gedeponeerd ter griffie van de be-
trokken gerechten. Daar kunnen zij tot aan de verifi-
catie -vergadering door iedereen kosteloos woorden inge-
zien. Volhardt de curator ter vergadering in zijn be-
twisting en w r ordt de vordering niet teruggenomen,
dan wordt het geschil door den rechter -commissaris
naar de gewone terechtzitting verw r ezen (renvooi), om
in een gewone procedure te w r orden beslist. Ook de
gefailleerde kan een ingediende vordering onder
summiere opgave van zijn argumenten betwisten,
zelfs indien de curator de vordering erkent. Verwijzing
naar de terechtzitting heeft dan niet plaats en in het
faillissement geldt die vordering als erkend. Het ver-
schil met een in het geheel niet betwiste vordering
komt dan ook eerst na afloop van het faillis-
sement aan den dag. Ten opzichte van een niet door
den gefailleerde betwiste vordering levert het proces-
verbaal der verificatievergadering na afloop van het
faillissement een voor tenuitvoerlegging vatbaren
titel op tegen den ex-gefailleerde, hetgeen gelijk staat
met een veroordeelend vonnis. Ts de vordering daaren-
tegen door dezen betwtist, dan geeft het proces -ver-
baal daaraan geen executoriale kracht. De crediteur
moet dan nog tegen den debiteur procedeeren, om eerst
na verkrijging van een veroordeelend vonnis tot execu-
tie te kunnen overgaan.
Tenslotte kan ook een crediteur de door een ander
ingediende vordering, of de beweerde preferentie
ervan, al of niet te zamen met den curator betwristen,
in w r elk geval hij partij is in de renvooi -procedure.
Over betwisting handelt in N e d. de Faillisse-
mentsw'et (vnl. in de art. 112, 119, 122 — 127, 197).
Ariëns .
(Belg. rech t). Wordt geregeld door Boek III,
Titel 1, Hoofdstuk 4 van het Belg. Wetboek van Koop-
handel. leder schuldeischer van een gefailleerde moet
binnen de termijnen, die door het vonnis, dat het fail-
lissement vaststelt, bepaald worden, een aangifte van
zijn schuldvorderingen doen ter griffie van de Recht-
bank van Koophandel (art. 496). De verificatie van de
ingediende schuldvorderingen geschiedt door de cura-
toren, in de aanwezigheid van den rechter-commissa-
ris, nadat de gefailleerde behoorlijk w’erd opgeroepen.
Proces-verbaal van verificatie w T ordt door den curator
opgemaakt en door den rechter-commissaris mede
onderteekend (art. 500). In geval van betwisting
of indien de schuldvorderingen niet voldoende gerecht-
vaardigd blijken, schorst de curator zijn beslissing tot
de afsluiting van het proces-verbaal van verificatie.
De betwistingen kunnen uitgaan van den curator, van
den gefailleerde en van de schuldeischers, wier vorde-
ringen in het passief zijn opgenomen. Op de vergade-
ring, vastgesteld voor het sluiten van het proces-
verbaal van verificatie, worden alle betwiste schuld-
vorderingen onderzocht. Op den titel der aangenomen
schuldvorderingen vermeldt de curator: „Aangenomen
in het passief voor een bedrag van. . ., den . . .”.
De rechter-commissaris viseert deze verklaring en
verwijst naar de bevoegde Rechtbank alle betwistin-
gen aangaande de schuldvorderingen, die niet in het
passief zijn opgenomen (art. 603). Rondou.
Bctylen, > Baetyliën.
Betz, 1° F r a n z, operazanger (baryton), vooral
bekend als Wagnerzanger. * 19 Maart 1835 te Mainz,
f 11 Aug. 1900 te Berlijn. Na in de opera’s van ver-
scheidene Duitsche provincieplaatsen te zijn opge-
treden, werd hij in 1869 verbonden aan de Koninklijke
Opera te Berlijn. Ook zong hij te München en bij de
Festspiele te Bayreuth (1876). Hanekroot.
2° Gerardus Henri, Ned. industrieel en
staatsman, * 1816, f 1868. Als lid van den Rotterdam-
schen gemeenteraad (1853 — 1859) en van de Tweede
Kamer (1869—1862) trad hij vooral op als deskundige
in financieele zaken. In het tweede ministerie-Thor-
becke (1862—1866) was hij tot 1865 minister van
financiën. Als zoodanig bewerkte hij o.a. een nieuwe
verlaging der invoerrechten, afschaffing van de uit-
voerrechten (behalve die op lompen) en opheffing der
stedelijke accijnzen. Hij viel als minister wegens een
819
Betzdorf — Beuken argum ent
820
interpellatie, uitgelokt door een door hem geschreven
brief, waarin hij aan de Limburgers enkele concessies
op belastinggebied in het vooruitzicht stelde, indien
de verkiezingen ten gunste van het ministerie uit-
vielen. Verberne.
Betzdorf, gem. in hot groothertogdom Luxem-
burg, ten W. van Grevenmacher, opp. 2 608 ha,
ca 1 400 inw. ; steengroeven; spoorweg, autobusdienst.
Betickolaer, Joachi ra, schilder te Ant-
werpen; * 1533, f 1573; zeer sterk onder invloed van
Pieter Aertscn te Amsterdam, met wien hij verwant
was. Hij maakte meest grooto schilderijen (bijbelsche
voorstellingen of keuken interieurs) en zocht daarbij
naar realisme; dat hij daarin geslaagd is kan men
moeilijk zeggen, want zijn stukken zijn stijf en gekun-
steld. De realiteit, die Breughel ’s kunst kenmerkte,
ontbrak bij hem geheel. Details, vooral stillevens van
vruchten en vaatwerk, zijn het beste deel zijner werken.
Do figuren zijn zeer geacheveerd, vertonnen sterk
Moro’s invloed, maar missen leven. B/s werken zijn
niet talrijk.
Bit.: Sicvers, Pictcr Aertscn; W. Stcenhoff, P. Aertscn
en J. Bcuckelacr in : Onze Kunst (1916). Schreden.
Bcudnnt, Charles, Fr. rechtsgeleerde, * 1829,
f 1895; doceerde aan de universiteiten te Straatsburg
en te Parijs, waar hij van 1879 tot 1887 deken was van
de rechtsgeleerde faculteit. Behoort met Lafcrrièrc
en Baudry Lacantinerio tot het overgangstijdperk
tusschcn de verklarende en de wetenschappelijke
rechtsschool. Benevens zijn commentaar over het B.W.
publiceerde hij in 1890 zijn thans nog hoog gewaar-
deerde studie over „Lo Droit individuel et 1’Etat”.
L i t. : Bonnoeasc, La Pensee K Juridique Fran^aisc
de 1804 a 1’heure présente (Bordeaux 1933). Orban.
Beugelen, strijken van chroomoverleder ter
neerlegging van de nerf en ter bevordering van fraai
en vast aanzien (> Lederbereiding).
Bcugclkan, een kan met breeden buik, smallen
hals en verticaal aangebracht oor; veelvuldig in de
laat-MinoIsche cultuur.
Beugels, Jan (kloosternaam Herman Joseph),
verdienstelijk kanselredenaar der Norbertijner abdij
van Postel. * 1771 te Oirsbeek bij Maastricht, f 1851
te Helmond.
L i t. : Biographie door Jos. Ilabcts, in Do Godsdienst-
vriend 85 (1860, 283-298).
Beugcin, Isidoor van, pseud. van Is.
Verdoodt, VI. dichter. * 1889 te Moorsci-bij-Aalst,
thans te Gent. Bui-
ten verschillende
vcrzcnbundc Is , meest
zachte stemmings-
poëzie, monogra-
phieen over Vlaam-
schc kunstenaars :
Saverijs, Inge ls, Uit
Vlaanderens Kunst-
hallo (1928).
Beugen c.a.,
gem. in N. Brabant,
grenzende a. d. Maas
en aan Limburg; be-
staat uit de parochie-
dorpen Beugen en
Rijkevoort; ca. 2300
Is. van Bcugom. inw., bijna allen
Katholiek; oppcrvl. 2 647 ha; veeteelt en landbouw.
De kerk van B., waarin zich een eiken 15e-eeuwsch
Madonnabeeld bevindt, dateert uit begin 15e eeuw; ver-
groot en gerestaureerd door dr. P.Cuypcrs. v. Velthoven.
Bcughcm, Joanncs Ferdinandus
van, 'bisschop. * 1630 te Brussel, f 19 Mei 1699 to
Antwerpen en aldaar begraven in de hoofdkerk. Te
Leuven verwüerf hij het licentiaat. Eerst verbonden
aan de St. Gudula-kerk te Brussel; 12 November 1679
tot bisschop van Antwerpen gewijd. Hij ijverde krach-
tig tegen het Jansenisme en de zedenverwildering
in zijn bisdom.
L i t. : J. B. Krügcr, Kcrkelijke gcsch. van het bisdom
van Breda (II 1874, 234-239). Knippenberg.
Beuk (plantkunde) (Fagus silvatica), bo-
hoorend tot do familie der Fagaceeën, is over geheel
West-Europa verspreid. Dc b. heeft een gladden bast,
zomergroene, twec-rijigc bladeren met spits toeloopen-
den, ovalen vorm en afzonderlijke mannelijke en
vrouwelijkc bloemen. Variëteiten zijn: bruinroode b.,
treurbeuk, grootbladigo b., zilvcrbeuk en Servische
goudbeuk. De Oostcrsche, dc Japnnsche en de Ameri-
kaanschc bruine beuk kunnen ook in onze streken leven.
De b. prefereert ka Ikrijke, lccmachtige, vochthou-
dende gronden. De mooiste bcukenbosschcn in ons
land aan den Veluwezoom (boekgronden). Verdraagt
veel schaduw, is ook zeer geschikt als laanboom
(Middachter allee).
Beuk (bouwkundig) of schip wordt
genoemd het langwerpige deel van een kerk, waarvan
de omtrek door muren of zuilen is aangegeven. Er zijn
één beuk ige (of één -schep ige) en mecr-beukige kerken.
De voornaamste is de middenbeuk (of het middenschip):
hij strekt zich uit van den hoofdingang naar het koor.
De zijbeuk is de beuk naast en evenwijdig met den
middenbeuk: hij is vaak lager en korter dan deze
Loodrecht op de lengtebeuken staat de dwarsbeuk of
het transept. Knipping.
Beuk (belangrijk onderdeel van de Zecuw’sche
vrouwendracht), > Nationale kleederdrachten.
Bcukclakerwijcle, veenpias in dc prov. Ovcr-
ijsel, gelegen inliet Ambt-Vollenhoven. > Belterwijdo.
Bciikelsz, Jan, > Lcyden, Jan van.
Beukeuargument. liet b. komt hierop neer:
het Oer-Indo-Gennaansch kende den beuk, getuige
de oerverwante taalvormen: Germ. * bók-(Ncd. beuk),
Lat. fagus ( = beuk) enz. Daar do beuk om cl imato lo-
gische redenen niet meer beoosten de lijn Königsberg-
Krim voorkomt, moet dus het stamland der Indo-
Germanen Westelijk van die lijn liggen, en daar de
beuk pas in den bronstijd in Denemarken binnen-
drong, kon het dus ook alleen ten Zuiden van Dene-
marken liggen, en was dus practisch West-Europa.
Als deze argumentatie juist is, speelt dus het b.
een rol in de bepaling van het stamland der Indo-
Germancn, nl. de plaats, waar het ongesplitste Indo-
Germ. oervolk in de laatste periode van zijn bestaan
als eenheidsvolk woonde. Zulk een kwestie tracht men
immers op te lossen door linguistische paleontologie,
d.i. de reconstnictie van den Indo-Ccrm. bescha-
vingstoestand met behulp van taalkundige gegevens.
Men gaat uit van het onzekere beginsel, dat de cultuur-
begrippen, waarvoor de afgeleide talen gemeen-
schappelijke uitdrukkingen hebben, in het bezit
van het oervolk w r aren, en tracht zoo te bepalen
cultuur, klimaat, bodem, fauna cn flora. Voor zoo’n
reconstnictie (die het stamland natuurlijk nader
helpt begrenzen) is als regel noodig de overeen-
stemming van minstens twee talen in do benaming
van het cultuurbegrip. Zoo kenden de Indo -Germanen in
821
Beukenhout — Beuningen
822
hun stamland den winter blijkens de overeenstemming
van Sanskrit hêmanta en Gr. cheimoon (beide= winter).
Toch beteekent het b. voor de localisecring der
Indo-Germaansche Urheimat niet veel. 1° Het is
ondoenlijk uit te maken welke boom oorspronkelijk
met den naam bhaugos bedoeld werd. De parallellen
van beuk komen in de meeste Gcrm. talen voor en
steeds in dezelfde bctcckenis (oud-Eng.: bfce, oud-
Iloogd.: buohha, oud-Saksisch: bóka). Ook Lat.
fagus = beuk. Doch de verdere verwanten hebben
andere beteekenissen nl. Grieksch: faegos en Dorisch,
fagos is een soort eik; Koerdisch: büz = olm. De
oorspronkelijke beteekenis kan dus wel een andere
geweest zijn, bijv. een algemeenerc, en dan kan zich
de beukbcteckenis in Centraal-Europa (want men
vindt die beteekenis in het Lat. en in het Germ.)
hieruit ontwikkeld hebben. Hiermee komt overeen
dat in midden-Europa de beuken heel talrijk waren
en dat daar de Germanen en Latijnen eenmaal eenigen
tijd in contact geleefd hebben, zoodat de beteckenis-
overeenkomst in beide talen begrijpelijk is.
2° Als dat Koerdische bdz = olm er niet mee ver-
want zou zijn, wat sommigen betwijfelen, ontbreekt
de > satcmtaalparallel en wordt door het b. dus
hoogstens het stamland der > ccntumtalen bepaald.
3° De naam hangt niet samen met Gricksch: fagein
— - eten, waardoor het woord „boom met eetbare
vruchten” zou beteckenen, want de wortel van bhaugos
heeft een lange u-diphtong.
L i t. : Brückner, Zeit schrift ]?für Vergloichende
Sprachforsehung (XLVI, 193); O. Schradcr, Die Indo-
germanen (Leipzig 1916); Bartholomae, Zur Buchcn-
frage, Sitzungsberichto •? der Heidelhcrger Akadcmn*
(1918. Ie afl.) en: Indogcrmanische Forschungcn
(IX, 271); J. Schrijnen, Handleiding bij de studie der
vergelijkende indogcrmaansche taalwetenschap. Weijncn.
Beukenhout, zwaar, witgeel, hard hout, afkom-
stig van beukenboomen. Het heeft gering draagver-
mogen en tamelijk veel elasticiteit; is van korten duur,
als het niet voortdurend in drogen toestand of geheel
onder water is. B. kan gnmakkelijk geïmpregneerd
worden, zoowel met bederfwerende middelen (waar-
door de bruikbaarheid dus verhoogd wordt) als met
kleurstoffen (ter imitatie van andere houtsoorten,
bijv. palisanderhout). Wordt gebruikt in de meubel-
industrie, verder voor schaafbankbladen, als bruggen-
dek (versplintert niet), voor parketvloeren, voor ge-
reedschappen, die met levensmiddelen in aanraking
komen (riekt niet en neemt moeilijk reuk aan). Bij het
branden is b. zeer zindelijk en heeft een groot warmte-
gevend vermogen.
Beukenteer, een zwarte, dikke vloeistof, wordt
verkregen door droge destillatie van beukenhout en
wordt als bederfwerend middel toegepast voor het
impregneeren van hout, touw, enz. Komt hoofd-
zakelijk uit Tsj echo -Slowakije en Roemenië. Bij
destillatie van b. ontstaat, behalve water met azijnzuur
en raw r e houtgeest, de beukenteerolio, terwijl een
weeke pek achterblijft (40% — 60%). De beukenteer-
olie is lichtgeel, maar kleurt aan de lucht snel rood-
bruin. De lichte b.-olie, s.g. 0,96—0,98, destilleert
tot 120°C, de zware, s.g. 1,04—1,06, tusschen 120 J
en 270°C. Hoogeveen.
Beukeutcerolie, zware olieachtige vloeistof
(s.g. minder dan 1), bereid door droge destillatie van
de teer uit het hout van Fagus Sylvatica; gebruikt
ter bereiding van > creosoot.
Lit. : Ned. Pharm. Ed. (V).
Beuker, > Dorschmachine.
Beuk varen , Phegopteris of beter
Nephrodium, een varengeslacht van de familie
der Polypodiaceae. De b. komt in Ned. in 3 tamelijk
zeldzame soorten voor, w r .o. Phegopteris polypodioi-
des (Polypodium Phegopteris), de smalle b. met
naar beneden gebogen onderste paar blaadjes; Phego-
pteris (Polvpodium) Drvopteris, de gebogen b.,
waarvan de bladschiif een bijna rechten hoek met den
steel maakt, en Phegopteris (Polypodium) Rober-
tianum, de rechte b., w T aarvan do bladeren
eenigszins naar het Robertskruid rieken. Bonman .
Beulc, II en ri de, Vlaamsch dierenschilder;
* 1846, f 1900 te Brussel.
Bculé, Charles Ernest, Fransch archeo-
loog en staatsman. In 1851 professor te Athene, waar
hij den ingang der propylaeën van de Acropolis ont-
dekte. Was later werkzaam aan de opgravingen te
Carthago. * 1826, f 1874.
Werken: L’acropole d’Athènes (2 dln. 1863) ;
Etudes sur le Péloponèse (1875). E. De Waele.
Bculingsckaaf, profielschaaf voor het schaven
van een halfrond profiel met kraalmotief.
Beulingschaafprofiel.
BcumoUjurci* Wem er, Duitsch schrijver
van opgeschroefd -nationalistische oorlogsboeken.
* 1899 te Traben Trarbach.
Werken: Spcrrfeucr um Deutschland (1929) ;
Die ptahlcrnen Jahre (1930 vlg.).
Beuniiifien, gem. in Geld., in het N. van het
Rijk van Nijmegen, aan den linker Waalocvcr. Omvat
de dorpen B. en Wcurt met een gezamenlijke opp.
van 1 976 ha. Het aantal inwoners bedraagt ruim
3 300, waarvan 3 100 Kath. en ruim 200 Ned. Ilerv.
De bodem bestaat uit rivierklei; in verband daarmee
landbouw en tuinbouw. Daarnaast steen en jam-
fabrieken. Van het vroegere slot Blankenberg te B.
staat nog een vierkant torentje uit de 15e eeuw.
Ileij*.
Beuningen, Coenraad van, invloedrijk
823
Beurden — Beurs
824
diplomaat en regent in de tweede helft der 17e eeuw.
Waarschijnlijk * 1622 te Amsterdam, f 1693. B. werd
herhaaldelijk met belangrijke gezantschappen belast,
naar Zweden, Denemarken, Frankrijk en Engeland.
Onverzoenlijk tegenstander van de Fransche politiek.
Febr. 1669 tot burgemeester van Amsterdam gekozen.
Onder invloed van Gilles Va leken ier meer Oranje-
gezind. Toch was B. in 1683 tegen de anti-Fransche
politiek van den stadhouder, wijl hij wist, dat op
Engeland niet gerekend kon worden. Vandaar een
breuk met Willem III. Zielsziek gestorven. „Esse,
non yideri” (= zijn, niet schijnen) was zijn lijfspreuk.
Lit.: C. W. Roldanu8, C. v. B., staatsman en liber-
tijn (1931). Cornelissen.
Beurden , Alexander Franciscus
van, schrijver. * 28 Juli 1857 te Grave. Mede-op-
richter van het Prov. Genootschap in Limburg voor
geschiedenis, taai en kunst.
Werken: Limburgsche Novellen ; Limburgscke
Sagen en Legenden, werken over het Peelgebied van
Limburg.
Bcuron (zie plaat bij Abdij, deel I, t/o kolom
223/224), een ca. 1077 als Augustijner kanunniken-
klooster in Hohenzollem gesticht klooster; 1802 opge-
heven; 1863 door de gebr. p. M a u r u s en P 1 a -
cidus Wolter betrokken en sedert hoofdkloos-
ter der door hen gestichte Benedictijner Congregatie
van Beuron (> Benedictijnen).
De monniken leggen zich bijzonder toe op de studie
van liturgie en op de kerkelijke kunst. De bekende
abdij Maria-Laach, en in Nederland Benedictus-Berg
bij Vaals, behooren tot deze congregatie.
Beuroner kunst (zie plaat t/o kolom 800),
Canon van Dom Dcsidorius Lenz O.S.B.
(Beuroner Kunstrichting)'
aldus genoemd naar Beuron in Hohenzollem, stand-
plaats der aartsabdij van de Duitscke Benedictijner
Congregatie. Aldaar werd door Dom Desiderius Lenz
(1832—1928) een religieuze kunstschool gesticht,
met het doel in te gaan tegen het schijn -idealisme en
individualisme der romantiek. Hij zocht het wezen
der oud-Grieksche, en voornamelijk der Egyptische
kunst te doorgronden. Met een canon, waaraan de
gelijkzijdige driehoek ten grondslag ligt, meende hij
de wet der evenredigheid, de harmonie der grootheden
in de natuur, en dus ook in de kunst, te kunnen vast-
leggen. Beuroner kunst is vnl. monumentale, decora-
tieve k. (fresco, reliëf); ook wel vrijstaande beelden,
ornamenten, vaatwerk; miniatuur (St. Gabriël te
Praag), devotieprentjes. Lenz zelf erkent in Cornelius
den meester, die hem den weg w^ees. Zijn werk kenmerkt
zich door vromen zin, nist, waardigheid en overzich-
telijkheid. St. Mauruskapel te Beuron (1870), crypt
te Monte-Cassino, Piëta in St. Gabriël te Praag.
Tot de Beuroner school behoorden o.a. D. Gabriël
Wüger (1829—1892), Lucas Steiner (1849—1906),
Paul Krebs, Andr. Göser, Willibrord Verkade.
Lit.: Dom Lenz. Zur Acsthetik der Beuroner Schule
(Weenen 3 1912) (Holl. vert. van G. Brom); D. G.
Schwind, P. Des. Lenz. biogr. Gedenkblatter zu scinem
100 Geburtstag (Beuron 1932). A. Beekman .
Over de beteekenis van Beuron voor de kerkmuziek,
> Benedictijnen (Gregoriaansch).
Beur re is een naam, dien men vaak bezigt voor
peren met boterzacht vruchtvleesch (boter = Fr.
beurre); bijv. Beurré Hardy.
Beurs, > Paddenstoelen.
Beurs. Wanneer een appel of peer vrucht draagt,
zwelt tijdens den groei der vruchten dikwijls de
gemeenschappelijke steel der bloeiwijze op tot een
beurs.
Beurs in liturgisch gebruik oorspronke-
lijk, d.i. in de M.E., een plat doosje, waarin het
corporaal werd bewaard en verdragen; later, na in-
voering van het missaal van Pius V, vervangen door
twee bladen, met zijde overtrokken karton, in beurs-
vorm met elkaar verbonden.
Beurs. A) Wezcu en doel. De historische oor-
sprong der beurzen wordt meestal gezocht bij do mark-
ten of messen der 12e eeuw. Gedurende deze messen
kwamen de kooplieden veelal op bepaalde tijden en
plaatsen bijeen om geld en wdssels te verhandelen en
te innen. Daarenboven werden op deze vergaderingen
wederzijds inlichtingen ingewonnen, terwijl lang-
zamerhand ook een b. -handel ontstond in goederen,
die nog niet in natura ter plaatse aangevoerd waren,
doch die door hun vervangbaarheid ge-
makkelijk naar aard, kwaliteit en hoeveelheid konden
worden aangeduid, zonder dat het risico al te groot
was, dat de lever ing teleurstellingen zou bieden. Zoo
ontwikkelde zich te Antwerpen reeds omstreeks 1500
een beurshandel in specerijen, bijv. peper. Naast
den geld- en wisselhandel kwam in den loop der tijden
vooral tot ontwikkeling een beurshandel in effecten;
het eerst te Amsterdam sedert 1530.
Het wezenlijke onderscheid tusschen den beurs-
handel en den gewonen markthandel bestaat hierin,
dat een b. -handel zich slechts kan ontw r ikkelen voor
goederen, die een cenigszins abstract karakter dragen,
d.w.z. die fungibel of vervangbaar zijn, zoodat hun
aard, kwaliteit en hoeveelheid gemakkelijk en zeker
contractueel zijn vast te leggen, ook zonder dat de
goederen in natura zijn getoond of tegelijkertijd worden
geleverd, terwijl op de markt of messe meest in natura
aanwezige of toonbare, direct leverbare goederen
825
Beurs
826
worden verhandeld, waarvan de kwaliteit door de
koopende partij zelve in elk speciaal geval vóór het
tot stand Komen der transactie door eigen onderzoek
is vast te stellen. De eigenschap der vervangbaarheid
(fungibiliteit) is zeer sterk bij effecten, valuta’s en
bankpapier, daar hierbij elke eenheid volkomen door
iedere andere eenheid vervangbaar is. Verder vinden
wij een groote fungibiliteit bij edele metalen ; bij vele
stapelproducten als tarwe, katoen, koffie; bij grond-
stoffen als ijzer en koper; bij enkele halffabrikaten als
katoengarens. Sommige stapelproducten als tabak en
thee, zoomede de meeste eindfabrikaten, missen de
eigenschap der vervangbaarheid geheel of bezitten
deze slechts in zeer geringe mate.
Wanneer goederen een groote mate van vervangbaar-
heid bezitten, daarenboven niet of niet spoedig aan
bederf of waardevermindering onderhevig zijn en
regelmatig in groote hoeveelheden en door tal van
personen verhandeld worden, dan kan daarin een aan
de hoogste eischen van techniek beantwoordende
handel ontstaan in den vorm van een sterk georgani-
seerden beurshandel.
Onder b. verstaat men nu ofwel het geheel van per-
sonen, dat beroepsmatig bij den gcorganiseerden
beurshandel in een bepaald goed betrokken is, ófwel
de samenkomst dezer bcursleden ófwel het gebouw
waarin deze samenkomsten plaats vinden (> Beurs-
gebouw).
Het doel van den reorganiseerden beurshandel is
den belanghebbenden de gelegenheid te openen om
op een doelmatige wijze den beroepshandel in een goed
op een bepaalde plaats en tijd te concentreeren, zoo-
danig, dat vraag en aanbod gelijktijdig en volledig
op elkander kunnen inwerken en de prijsvorming op
de meest effectieve wijze kan geschieden. Toevallige
storingen en wrijvingsf actoren, zooals die op markten
en messen eerder moge lijk zijn wegens het technische
en commercieele bezwaar om elk gewenscht kwantum
goederen vlot uit te markt te nemen, oefenen in den
b. -handel veel minder invloed uit. In den georgani-
seerden b. -handel kunnen de technische eigenschappen
der goederen op den achtergrond treden, zoodat men
zich in veel sterkere mate op de prijsvorming kan con-
centreeren; vandaar dat de fungibiliteit van het goed
wordt benut om de transacties ter beurze in een aller-
eenvoudigsten vorm te kleeden, w T aardoor het mogelijk
wordt om enorme posten af te sluiten door enkel en
alleen — in een paar woorden of door een gebaar —
hoeveelheid, prijs en levertijd te bedingen. Daar in
den georganiseerden b. -handel de stoffelijke hoedanig-
heden der verhandelde goederen door de groote mate
van vervangbaarheid op den achtergrond treden,
w’ordt het mogelijk (vooral in den > termijnhandel),
dat speculanten, die voor de verhandelde goederen
zelve in het geheel geen interesse hebben, zich toch
met den handel daarin bezig houden, enkel en alleen
om een prijs- of koersverschil te verdienen door,
naargelang hun prijsverwachtingen zijn, nu eens te
verkoopen, dan weer te koopen en zooveel mogelijk te
trachten aan een reëele levering van het verkochte
resp. een werkelijke inontvangstname van het gekochte
te ontkomen, door tegen den leveringsdatum hun
verkoop door een koop resp. hun koop door een ver-
koop af te dekken (> Speculatie).
Wanneer speculatieve transacties op groote schaal
en met geleend geld plaats vinden, dan bestaat het
gevaar, dat als gevolg der door speculatieve manipu-
laties hoog opgedreven prijzen een beurskrach
ontstaat, zijnde een scherpe en acute prijsinzinking,
gepaard met een algemeen wantrouwen en gedwongen
afwikkelingen van speculatieve posities, gevolgd door
tijdelijke stagnatie van den handel (> Beurscrisis).
B) De organisatie der b. heeft o.m. ten doel door
reglementeering van den b. -handel te bereiken, dat
geschillen over de leverbaarheid, den prijs of de uit-
voering der afgesloten transacties tot een minimum
worden beperkt en eventueel zoo snei en soepel raoge-
lijk w r orden opgelost. Naast zekere eischen van morali-
teit en soliditeit wordt veelal van de beursleden een
zekerheidsstelling verlangd, waarop ingeval van over-
treding der reglementaire bepalingen verhaal kan
w T orden gezocht. De leden hebben bovendien meestal
een jaarlijksche contributie te betalen. Het beurs-
bestuur wordt bijgestaan door meerdere com-
missies voor het beslechten van geschillen, het vast-
stellen der noteering, e.a.De beursreglemen-
ten dienen zoo nauwkeurig mogelijk aan te geven,
aan welke minimum -eischen de te verhandelen goede-
ren of waardepapieren hebben te voldoen om leverbaar
te zijn; zij geven aan, op welke termijnen na afsluiting
der transactie de levering en betaling moeten geschie-
den, welke de gevolgen zijn van te late levering
of afname, op welke wijze kleine afwijkingen van het
geleverde met de minimum-eischen van leverbaarheid
zijn te verrekenen, op w^elke wijze mondeling afgeslo-
ten transacties nader dienen te worden bevestigd,
gedurende w T elke uren van den dag de beurshandel
kan plaats vinden, etc. Daar het van belang is, dat
elkeen, die aan de beursleden orders tot aan- of ver-
koop voor uitvoering ter beurze opgeeft, de prijzen of
koersen tijdens beurstijd kan controleeren, zal er als
regel een officieele prijs- of koers noteering plaats vin-
den op de w ijze als in de beursreglementen vastgelegd.
Deze noteering is bovendien noodzakelijk voor het
verrekenen der marges bij termijncontracten. De notee-
ring kan op verschillende wijzen geschieden; zij kan
aangeven de hoogste en laagste prijzen tijdens beurs-
tijd gedaan, zij kan een gemiddelde aangeven, zij kan
bij wijze van tape-noteering geschieden of als eenheids-
koers worden vastgesteld, etc. De noteer ingscommiss ie
zal er steeds op hebben toe te zien, dat geen fictieve
noteeringen w r orden vastgesteld, d.w.z. noteeringen
van koersen, waartegen in werkelijkheid ter beurze
geen transacties zijn afgesloten (zgn. potloodaffaires).
De beurshandel kan geschieden tegen contante levering
en betaling (contante handel), waaronder men meestal
verstaat afwikkeling na eenige dagen, of tegen leve-
ring en betaling op een lateren termijn (de meest
gebruikelijke termijnen zijn dan 1, 2 of 3 maanden,
termijnhandel).
C) Bijzondere vormen. De beurshandel in
effecten is in het algemeen tot een groote
technische ontwikkeling gekomen. De belangrijke
financieele centra als New York, Londen, Amsterdam
en Parijs hebben in hun effectenbeurzen goed uitge-
ruste apparaten voor de plaatsing en het doorgeven
van emissies.
De Amstcrdamsche Effectenbeurs is een parti-
culiere instelling en staat onder beheer van De
Vereen iging voor den Effectenhandel, opgericht in
1877 door de samensmelting van verschillende andere
vereen igingen op het gebied van den fondsen-
handel. Sedert 1914 bezit deze Vereeniging haar eigen
beursgebouw. Het Bestuur der Vereeniging bestaat uit
15 leden en vormt uit zijn midden 6 vaste commissies,
zijnde de commissie van dagelijksch bestuur, voor de
827
Beurs
828
noteering, voor de fondsen, voor de geschillen en de
huishoudelijke commissie. Slechts leden der vereen i-
ging en hun bedienden worden tot den beurshandel
toegelaten. De vereeniging geeft een officieele prijs-
courant uit, waarin de noteering van alle officieel
verhandelde fondsen wordt opgenomen. De effecten-
handel geschiedt op de Amsterdamsche b. als regel
contant. > Affaire. Op beperkte schaal vinden tijd-
affaires plaats. Naast commissionnairs of makelaars,
die in het algemeen in opdracht van buiten beurs-
orders plaatsen, vinden wij ter beurze van Amsterdam
de zgn. hoeklieden, die in een of enkele soorten van
fondsen, waarin zij gespecialiseerd zijn, als com-
missionnair en vaak tevens als handelaar voor
eigen rekening optreden. Deze gespecialiseerde hoek-
lieden ontleenen hun naam aan de zgn. hoeken, de
plaatsen in het beurslokaal, waar volgens aanwijzing
van het beursbestuur de verschillende soorten van
fondsen verhandeld worden. Zoo spreekt men van een
tabakshoek, zijnde de plaats, waar speciaal tabaks-
waarden verhandeld worden, een rubberhoek, scheep-
vaarthoek, etc. In den geldhoek heeft de geld-
handel plaats, meest in den vorm van prolon-
gaties en call-leeningen, geldlecningen tegen onder-
pand van courante fondsen met normale looptijden
van een maand voor prolongatie (met recht van eerdere
aflossing voor den geldnemer) en met een weder-
zijdschen opzegtermijn van één dag voor call-geld
(daggeld leen ing). De officieele wisselhandel
heeft to Amsterdam plaats ter koopmansbeurze.
De officieele noteeringen voor de wisselkoersen ge-
schieden volgens het reglement der Amsterdamsche
Bankiersverceniging: zij zijn vooral in verband met
art. 15G \V. v. K. van belang, doch vormen geen zuivere
afspiegeling van het koersverloop gedurende den dag.
In tegenstelling met den effectenhandel is de handel
in vreemde wissels, meestal genoemd de valutahandel,
niet binnen de enkele beursuren geconcentreerd
doch vindt deze den geheclen dag door plaats, vnl.
er telefoon. Het betalingsverkeer, waarvan de valuta-
andel een voornaam onderdeel is, kan niet op enkele
uren daags beperkt worden, terwijl juist de valuta
handel zich zeer gemakkelijk voor een telefonist h
verkeer leent wegens de groote fungibiliteit der valuta-
eenheden, daar nl. als regel bedragen in den vorm
van saldi-tegoed bij de grootste cn sterkste buiten-
landsche bankinstellingen worden verhandeld. Sedert
den wereldoorlog heeft zich te Amsterdam naast der
contantenhandel een > termijnhandel in valuta
ontwikkeld. De georganiseerde valutahandel is feite-
lijk te beschouwen als een hoogere ontwikkclingsvorm
van den beurshandel, waarbij het begrip b. als
plaats van handel sterk op den achtergrond wordt
gedrongen. De goederenhandel ter beurzo
ontmoet meer technische moeilijkheden dan de effec-
ten- en wisselhandel, daar de goedereneenheid als
regel in mindere mate de eigenschap der vervangbaar-
heid bezit. Vele zgn. goederenbeurzen zijn in werkelijk-
heid slechts gereglementeerde goederenmarkten, waar
bepaalde partijen tegen monster verkocht worden,
zonder dat een georganiseerde beurshandel in fungibele
waar plaats vindt. Óp de goederenb. ontwikkelt zich
als regel naast den contantenhandel een > termijn-
handel, hetgeen daarentegen op de goederenmarkten
niet het geval is.
Lit. : W. Prion, Börsenwesen (Handw.buch der
StaatewissenschafteD, Jena 1924); J. Iiellauer, System
der Welthandelslehre (Berlijn 1920) ; O. B. W. De Kat,
Effectenbeheer (1932); W. M. J. van Lutterfcld, Effecten
(1933). Euysmans.
De Brussclsche Effectenbeurs. De Antwcrpsche
beurs, de oudste van alle, dateert van ca. 1500. In
1835 werd zij echter overvleugeld door de Brussel-
s c h e, waar vooral Spoorwegaande'elen verhandeld
werden. Aantal aldaar genoteerde waarden was in
1867 : 200, in 1830: 3 000.
Organisatie: De zaken worden niet door
de banken zelf gedaan, maar door effectenmakelaars,
die aan de banken een ristoume geven van 1 / 2 der
courtage. Volgens de wet van 1867 zijn de beurzen
onafhankelijk en is de makelaardij geheel ongeregle-
menteerd. liet Stedelijk Beursreglement is in 1913
verscherpt (voordracht door twee leden, waarborg-
som, vooropleiding). Het aantal der officieel toege-
laten makelaars is 1 650. Een herziening van het
reglement is in voorbereiding.
De toelating der waardepapieren
geschiedt door een uit de makelaars gevormde beurs-
commissie; minimumkapitaal is 1 millioen francs;
buitenlandsche waarden worden toegelaten, als ze
in het land van herkomst genoteerd zijn; obligaties,
als aandcclen van dezelfde onderneming genoteerd
zijn; de termijnhandel is beperkt; er is een levendige
handel in Katanga -koper- en in kunstzijde-waarden;
verweer van spel en weddenschap is toegelaten. De
koers wordt vastgesteld door koersmakelaars (midden-
koers). De vrije handel staat onder toezicht der beurs-
commissie: 16 waarden zijn genoteerd, overigens is
de handel geheel vrij.
Wijze van noteering; kosten. Aan-
deelen en obligaties woorden per stuk genoteerd in
francs; bij waarden met vaste rente komt de koers
op dezelfde wijze tot stand behalve bij de Staats-
leningen; courtage is 2 — 2 1 / 2 °/o 0 voor Staatsleningen;
4%o voor andere waarden. Claims hebben geen offi-
cieele noteering. Over beurstransacties en inteekening
op nieuwe emissies wordt een zegelbelasting vanl,l%o
geheven.
Lit.: G. Groens, Les opérations de bourse et les
agents do change (1930).
D) Rechtskundige problemen. 1° Ned. Recht,
liet laat zich begrijpen, dat de wettelijke bepalingen,
die op de b. betrekking hebben, schaarsch zijn. De ter
beurze gesloten transacties en haar totstandkoming
worden bcheerscht door het gemeene recht. In de art.
59 tot en met 61 Wctb. van Koophandel wordt bepaald,
dat de „beurzen van koophandel” worden gehouden
op gezag van het plaatselijk bestuur, dat de koersen
volgens plaatselijke reglementen en gebruiken wor-
den opgemaakt, terwijl ook de regeling van den inwen-
digen dienst bij zoodanige reglementen moet geschie-
den. Deze reglementen zijn niet van overheidswege
gegeven, doch bij den aanvang van den wereldoorlog
het ft in Ned. de Beurswet van 4 Sept. 1914
(Stbl. 445) de beurs, gezien de buitengewone omstan-
digheden, onder regeer ingstoezicht gesteld.
Een debiteur mag gedurende beurstijd niet op de
beurs gegijzeld worden; beslag op schepen moet ter
beurze worden aangekondigd. Verpande effecten, die
ter beurze verhandelbaar zijn, kunnen daar, mits door
twee makelaars in effecten, worden verkocht. Ten slotte
verwijst de w T et herhaaldelijk naar den beurskoers als
maatstaf voor de waarde van koopmansgoederen, voor
de regeling van den herwissel, enz. Ariëns.
2° B e 1 g. Recht. Art. 61 van de wet van 30
December 1867, gewijzigd door de wet vau 11 Juni
829
Beursbclasting — Beursmoraal
830
1883, Reeft volgende bepaling van de b.: een openbare
vergadering van kooplieden, kapiteins ter zee, wisse-
laars en makelaars eener handelsplaats. De beurs is
voor iedereen toegankelijk, zelfs voor niet-hande laars.
Alleen wordt de toegang ontzegd aan zekere personen
door de wet bepaald, bijv. de gefail leerden.
De uitkomsten der verhandelingen en afspraken
op de b. gesloten dienen om den wisselprijs van open-
bare en andere effecten vast te stellen (art. 62). De
vaststelling van den wisselkoers geschiedt door een
raad bestaande uit zes tot vijftien leden, benoemd door
het Schepencollege op voordracht van twee lijsten,
waarvan de eerste is opgemaakt door de Rechtbank
van Koophandel en de andere door de wisselaars en
makelaars, in algemeene vergadering bijeengekomen
volgens de bepalingen getroffen door den gemeente-
raad.
Tot deze vergadering hebben alleen toegang de
wisselaars en makelaars, die sedert ten minste drie
jaar onafgebroken het recht hebben gehad te notecrcn.
liet inrichten van een handelsbeurs is vrij. Waar
zulks nuttig of voordeelig schijnt, kan een beurs
worden geopend. De gemeentelijke ovcihcid heeft
alleen een recht van politic, zij heeft dus buiten dit
politierecht geen recht tot reglcmcntecrcn, tenzij het
lokaal der beurs door de gemeente zelf is ver-
schaft. In zulk geval kan do gemeenteoverheid zich
het recht voorbehouden zekere reglementen te treffen
aangaande de uren van opening en sluiting, vcrcischtcn
van toetreding, inkomgeld e.d. llondou.
Bcursbciasliiifl (N e d. B c 1. r cch t), ook
genoemd b e u r s z e g e 1, is een onderdeel van de
zcgelbelasting, geheven krachtens de meermalen
gewijzigde zegelwet 1917, hfst. 9. De nota’s van make-
laars, commissionnairs of andere personen, die van den
handel in effecten hun beroep maken, zijn ter zake van
gekochte of verkochte effecten, onverschillig of al
dan niet levering plaats heeft, onderworpen aan een
recht van l°/ no . liet recht wordt voldaan door middel
van een p lakzegel; het bedraagt ten minste 0,10 gld.;
tot en met 250 gld. wordt het geheven over veelvouden
van 50 gld.; boven 250 gld. tot en met 5 000 gld.
over veelvouden van 250 gld.; daarboven over veel-
vouden van 500 gld. Aan hetzelfde recht is onder-
worpen de nota van het toegewezen bedrag bij een in-
schrijving bij gelegenheid van een uitgifte van effecten,
liet opmaken en toezenden van een nota is verplicht.
De makelaars, enz. moeten de nota’s trekken uit een
door den ontvanger der registratie gewaarmerkt
register met stok. * Zegelrecht; * Effcctenzcgcl.
Smeeet
België. Beursbclasting is in België bekend onder
den naam van > „Taks op de Beursverrichtingen en
de Reporten” en behoort tot de Taksen met het zegel
gelijkgesteld.
Als beursverrichtingen worden aan-
gezien: alle verrichtingen van aankoop, verkoop of
overdracht van Belgische of vreemde effecten in
België gedaan of uitgevoerd door tusschenkomst
hetzij van bankiers, wisselagenten, commission-
nairs of makelaars, hetzij van andere personen gewoon-
lijk optredend als bemiddelaars voor die verrichtingen.
Deze beursverrichtingen geven aanleiding tot een taks
van 1,20 frs. per 1 000 frs.
De reportverrichtingcn op openbare
fondsen, die ter beurs gedaan worden, door tusschen-
komst van wisselagenten, commissionnairs of
makelaars in effecten, zijn onderworpen aan een taks
van 60 cmen per 1 000 frs., indien de verrichting
gesloten wordt voor een termijn, die 20 dagen niet te
boven gaat. Worden de verrichtingen voor een lango-
ren termijn gesloten, dan bedraagt de taks 1,20 frs.
per 1 000. Is met report gelijkgesteld de overeenkomst,
waarbij de partijen het uitvoeren van een koop op
termijn tot een nieuwen vervaldag verschuiven.
De tusschenpersonen, die zich met beurs of report-
verrichtingen belasten en daarvan hun beroep maken,
dienen voorafgaandelijk een beroepsaangifte te hebben
neergelcgd op het daartoe aangewezen kantoor der
registratie. De borderellen, die zij aan hun cliënten
af leveren, moeten getrokken zijn uit een stamboek,
waarvan de stammen ten minste gedurende vijf jaren
moeten bewaard blijven. Bij niet afleveren van bor-
derel of bij afleveren van een niet gezegeld of onvol-
doende gezegeld borderel, zijn de wisselagent, make-
laars e.d. strafbaar met een boete gelijk aan vijftig-
maal het ontdoken recht met minimum van 500 frs.
> Taks op Beursverrichtingen, de Wendt/Rondou.
Bcurseomlitics, Verzekering.
Beurscrisis, ontwrichting van den handel ter
beurze, zich uitende in een scherpe daling der koersen
en een verstoring van het cffectencrcdiet.
Beursgebouw (zie plaat t/o kolom 801).
gebouw ten dienste van het bcursverkcer. Men onder-
scheidt: fondsbeurzen, waar effecten verhandeld wor-
den, en warenbeurzen. Deze moeten al naar gelang
er levensmiddelen, vee, textiel, enz. verhandeld
worden, verschillend zijn ingericht en met de hoofd-
ruirnte in verbinding worden gebracht. De kern van
het b., gewoon lijk gelijkvloers gelegen, is de groote
hal, waarin verschillende beursruimten zijn onderge-
bracht en elke zakenman zijn eigen plaats heeft. Over-
vloedige (Noordelijke) verlichting. Daaraan sluitend
do termijn-beurzen. In nieuwe beurzen soms kleine
loges, voor de makelaars open, met kasten voorziene
standplaatsen. In de hal soms buffetten en op de eerste
en tweede verdieping een galerij. Meer en minder
groote ruimten zijn bestemd voor de rijks- en gemeente-
telefoon, telegraaf, postkantoor, schrijfkamer, garde-
robes, bcursbureau, vcilingzalen, vergaderzalen, ver-
trekken voor secretarie en handelsvoorlichtings-
dienst, handclsregister, commissie- en vergader-
kamers. Beneden meestal archiefkamers en ruimte
voor technische installaties als centr. verw. enz.
Lit. : Ilandbuch der Architcctur (IV 1902', nr. 2,
Börscngeb&ude ; Bouwkundig Weekblad (1929, ont-
werpen voor een beursgebouw in Rotterdam, nr. 1-8).
Thunnisscn.
Bcursjcskruicl, * Ilerdcrstaschje.
Beursmoraal, als normatieve zedenleer, heeft
op den beurshandel toe te passen de algemeene begin-
selen der Christelijke > handelsmoraal, in het bijzon-
der de wetten van rechtvaardigheid, eerlijkheid, trouw,
billijkheid en liefde. Vanwege de voorname functie,
die de beurshandel in liet economisch leven vervult,
is hier plaats voor een eerzaam en lofwaardig beroep
tot „verheerlijking Gods in de dingen dezer wereld”;
maar dart hebben, juist vanwege het groote gewicht
en de groote draagwijdto van dezen handel, de eischen
vooral der commutatieve en sociale rechtvaardigheid
hier bijzondere klem en zijn strenge handelszeden
noodzakelijke eisch.
De afzonderlijke beurszaken zijn in wezen de gewone
overeenkomsten, d ie ook daarbuiten worden afgesloten;
ze zijn derhalve uiteraard volgens dezelfde beginselen
te regelen. In zake ruilrechtvaardigheid is een hoofd-
831 Beurspolis-
probleem der betirsmoraal — en een der zwakke
punten van de bestaande beurszeden — dat van den
rechtvaardigen prijs (resp. de rechtvaar-
dige rente). De algemeene normen van den recht-
vaardigen prijs zijn van toepassing; in omstandigheden
die van rechtvaardigen prijs bij > monopolie. Ook
hier kan de gangbare prijs voor rechtvaardig gehouden
worden tot het tegendeel blijke. Kunstmatig beïn-
vloeden van prijs en beurskoers en van de factoren,
die feitelijk prijs en koers bepalen, kan wettig zijn
en ten goede, als noodzakelijke correctie van de markt
en om factoren naar voren te brengen, die mede be-
palend zijn voor den rechtvaardigen prijs. Maar
niet zelden is een dergelijke kunstmatige beïnvloeding
er geenszins op gericht om den rechtvaardigen prijs
te benaderen, doch veeleer om ongeacht de grenzen
der rechtvaardigheid een zoo hoog of een zoo laag
mogelijken prijs te bereiken, al naar gelang het belang
van den manipulant zulks vordert. Hierbij wordt dan
bovendien nog vaak van reeds uit zich onrechtvaardige
middelen gebruik gemaakt: door bedrieglijke en arg-
listige manoeuvres (valsche berichten, misleidende
adviezen, schijntransacties, enz.) of door misbruik
van machtsmiddelen (bijv. een corner) wordt de stand
der markt gefausseerd en zoo een onrechtvaardige
prijs opgedrongen. Gewin, dat door hen, die aan derge-
lijke manipulaties deelnemen, gemaakt wordt door
transacties tegen onrechtvaardigen prijs, en in het
algemeen ieder gewin, dat door bedrog, list en dwang-
middelen wordt verkregen, is natuurlijk in strijd met de
ruilrechtvaardigheid en verplicht tot restitutie.
Evenzeer verbiedt de sociale rechtvaardigheid alle
manipulaties, die het gemeen schaden, ook al zouden
zulke practijken wette lijk .onaantastbaar zijn.
Beurscontracten met speculatieve strek-
king (> Speculatie), in den vorm van > t e r m ij n -
handel of anderszins, zijn uit zich nog niet onge-
oorloofd, zelfs niet als het echte kansovereenkomsten
mochten zijn (Differenzgeschafte; > Koersvcrreke-
ningscontracten) ; zoo dus de andere vereischten voor
een geldig contract daar zijn, verplichten ze in geweten.
Het afsluiten van dergelijke contracten is zeker ge-
oorloofd en de eventueele gematigde winst gerecht-
vaardigd, als en in zoover die affaires dienstig zijn om
(bijv. door arbitrage en termijnhandel) den goederen-
voorraad naar plaats en tijd doelmatig te verdeelen
en zoo den prijsgang te nivelleeren (prijsnivelleerings-
functie), of ook wel om een risico van effectieven
handel of industrie over te nemen of af te dekken
(verzekeringsfunctie). Doch ook de winst, die door
op zich zelf staande zuiver speculatieve affaires wordt
gemaakt, is niet in strijd met de ruilrechtvaardigheid,
zoolang geen onrechtvaardige middelen worden
gebruikt en de prijs anderszins rechtvaardig is; dat
een gewin noch op arbeid noch op eenige andere sociaal-
nuttige prestatie is gegrond, bewijst geenszins, dat het
een onrechtvaardig uitbuiten van den evenmensch
zou zijn. Wel echter staat de toeleg op dergelijk gewin
in zedelijk opzicht ver achter bij de uitoefening van een
nuttig en eerzaam beroep, en bergt het een gevaar
voor de ongereptheid der zeden; het heeft in zich
geen enkel beginsel van beperking en kan daarom
gemakkelijk verworden tot ongeregelde hebzucht,
die de rechten van den evenmensch en van de gemeen-
schap niet meer eerbiedigt. Daarbij gelden ook tegen
beursspel al de bezwaren, die uit moreel oogpunt tegen
spel, weddenschap en loterij moeten worden gemaakt.
Het speculeeren, vooral dat van het „publiek”, kan
-Beurszegel 332
derhalve gemakkelijk uitgesproken zondig worden om
de nadeelige gevolgen, die er aan zijn verbonden,
vooral als het op uitgebreide schaal geschiedt: het
karakter lijdt er onder; met het groeien van de zucht
tot speculeeren en tot gewin, dat zonder moeite
wordt verworven, vergaat de zin voor ernst igen
beroepsarbeid; de plichten van staat, de zorg voor
zich en de zijnen worden verwaarloosd; het vermogen
wordt op het spel gezet en vroeg of laat volgt de
ruïne. In zoover de beroepshandel aan dergelijke
onverantwoordelijke en sociaal-onnutte of zelfs
schadelijke speculatie deelneemt en de speel- en gewin-
zucht van het onervaren publiek exploiteert, kan daar
natuurlijk van geen eerzame en lofwaardige beroeps-
taak meer sprake zijn.
Dat het beurswezen, gelijk het zich feitelijk heeft
ontwikkeld, voortdurend de gelegenheid voor derge-
lijke zedelijk minderwaardige en schadelijke handels-
practijken openhoudt en ze zelfs aanwakkert, is een
zeer bedenkelijk verschijnsel. En in het algemeen
kleven den beurshandel al te veel gebreken en mis-
bruiken aan, waartegen vooral uit sociaal-ethisch
oogpunt ernstige bezwaren moeten worden gemaakt.
De bevoegde instanties, met inbegrip van de publieke
autoriteit, zijn daarom verplicht, krachtige maat-
regelen te treffen om do uitwassen tegen te gaan, de
beurszeden te verbeteren en de beurs te vormen tot een
betere vervulling van haar taak als dienend lid in
de maatschappelijke huishouding.
Zoo in N ed. art. 1825 B.W., waardoor aan spel
en weddenschap de actie wordt geweigerd (zie boven),
ook op beursspel van toepassing mocht zijn, dan heeft
dat toch voor den plicht in geweten geen gevolg,
wijl alleen de actie wordt ontzegd en de natuurlijke
band onaangetast blijft.
Door het Kerk. Wetb. (can. 142; strafbep. can. 2380)
wordt aan den clerus alle handeldrijven in den eigen-
lijken zin des woords, en daarmede dus. wel zeker alle
beursspeculatie, verboden. Beurszaken, die noodig zijn
in verband met de uitoefening van een ander passend
beroep of tot het beheer van het vermogen behooren,
vallen niet onder dit verbod. Het is duidelijk, dat dit
verbod geen disqualificatie van den handel bevat,
maar gebaseerd is op de bijzondere eischen van den
clericalen stand.
L i t. : 08wald v. Nell-Breuning, Grundzüge der
Börsenmoral (Freiburg i. Br. 1928) ; Dict. Théol. Cath.
(II, 1100 vlg. 8. v. Bourse) ; Arai du clergé (XVIII
1896, 81 vlg., 97 vlg., 129 vlg.) ; Weber-Tischleder,
Wirtschaftsethik (Essen 1981, 320 vlg., 356 vlg., 412
vlg.); Fr. Hürth, De VII Mandato (1922, 214 vlg.).
Beurspolls , * Verzekering. Buijs.
Beursvacantiedagcn (N e d.), werkdagen,
waarop de beurs gesloten is. De regeling van de b. ge-
schiedt volgens art. 7 der Beurs voorschriften 1914. De
beurzen worden gesloten en geopend bij besluit van den
minister van Financiën, genomen na raadpleging van
de commissie van deskundigen. De b. worden drie
dagen te voren bekend gemaakt.
In de artikelen betreffende de daggcldleeningen en
prolongaties worden de b. omschreven als: de dagen,
die door den minister van Financiën, na de besturen
van de Vereeniging voor den Effectenhandel en van de
Prolongatievereeniging in de gelegenheid te hebben
gesteld hieromtrent hun meeningen mede te deelen,
verklaard worden niet als werkdagen te worden be-
schouwd.
Beurszegel, * Beursbelasting.